Speciaal verslag
nr.06 2019

De aanpak van fraude bij EU-cohesie-uitgaven: de beheersautoriteiten moeten de opsporing, reactie en coördinatie versterken

(uitgebracht krachtens artikel 287, lid 4, tweede alinea, VWEU)

Over het verslag: De Commissie en de lidstaten delen de verantwoordelijkheid om fraude en andere onwettige activiteiten die de financiële belangen van de EU schaden, te bestrijden. Op het gebied van EU-cohesiebeleid, waarbij de frequentie waarmee fraude wordt gemeld hoog is in vergelijking met andere uitgaventerreinen, zijn de autoriteiten van de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor het beheer van EU-programma's de organen die in de frontlinie staan bij de bestrijding van fraude.
In het kader van deze controle beoordeelden we of de beheersautoriteiten hun verantwoordelijkheden behoorlijk zijn nagekomen in elk stadium van het fraudebestrijdingsbeheerproces: fraudepreventie, de opsporing van en de reactie op fraude.
We stelden vast dat de beheersautoriteiten de wijze waarop zij frauderisico's beoordelen en preventieve maatregelen opzetten hebben verbeterd, maar zij moeten de opsporing, reactie en coördinatie tussen de verschillende organen van de lidstaten op het gebied van fraude versterken. Met name hebben ze geen aanzienlijke vooruitgang in de richting van proactieve opsporing van fraude en het gebruik van instrumenten voor gegevensanalyse geboekt. Beheersautoriteiten melden te weinig fraudegevallen aan de Commissie, waardoor de betrouwbaarheid van de gepubliceerde opsporingspercentages van fraude wordt geschaad. De afschrikkende werking is beperkt tot de dreiging van ingetrokken EU-middelen, zonder andere afschrikkende boetes of sancties. Bovendien worden onderzoeks- of vervolgingsinstanties niet systematisch in kennis gesteld van vermoedens van fraude.

De publicatie is beschikbaar in 23 talen en in het volgende formaat:
PDF
PDF General Report

Samenvatting

I

In de EU-wetgeving wordt fraude gedefinieerd als een opzettelijke inbreuk waardoor de EU-begroting wordt of zou kunnen worden benadeeld. Het is de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de EU en de lidstaten om fraude en alle andere onwettige activiteiten, zoals corruptie, waardoor de financiële belangen van de EU worden geschaad, tegen te gaan. Tussen 2013 en 2017 hebben de Commissie en de lidstaten meer dan 4 000 mogelijk frauduleuze onregelmatigheden vastgesteld. Deze onregelmatigheden betroffen EU-steun ten bedrage van bijna 1,5 miljard EUR, waarvan 72 % betrekking had op het EU-cohesiebeleid. Op dit gebied zijn de beheersautoriteiten in de lidstaten verantwoordelijk voor het nemen van evenredige en doeltreffende fraudebestrijdingsmaatregelen waarbij rekening wordt gehouden met de vastgestelde risico’s. Met dergelijke maatregelen moet het volledige fraudebestrijdingsbeheerproces worden bestreken (fraudepreventie, de opsporing van en reactie op fraude, tot en met de verslaglegging over opgespoorde gevallen en de terugvordering van ten onrechte betaalde middelen). Het percentage van opgespoorde fraude in verband met EU-cohesiefinanciering voor de periode 2007‑2013 liep uiteen van 0 % tot 2,1 %, afhankelijk van de lidstaat.

II

Door middel van deze controle beoordeelden we of de beheersautoriteiten hun verantwoordelijkheden naar behoren hebben vervuld in elk stadium van het fraudebestrijdingsbeheerproces. Met het oog hierop hebben we beoordeeld of de beheersautoriteiten:

  1. een fraudebestrijdingsbeleid hebben ontwikkeld, een grondige risicobeoordeling hebben uitgevoerd en passende preventieve en opsporingsmaatregelen hebben ingevoerd, en
  2. naar behoren hebben gereageerd op opgespoorde fraude in overleg met andere fraudebestrijdingsorganen.
III

Wij constateerden dat de beheersautoriteiten het risico op fraude bij het gebruik van cohesiefinanciering beter hebben beoordeeld voor de programmeringsperiode 2014‑2020, waarbij ze in de meeste gevallen gebruikmaakten van het gebruiksklare instrument dat in de richtsnoeren van de Commissie werd vermeld. Sommige van deze analyses waren echter niet grondig genoeg: Hoewel ze de fraudepreventiemaatregelen hebben verbeterd, hebben ze geen aanzienlijke vooruitgang in de richting van proactieve opsporing van fraude geboekt. Bovendien hebben ze vaak geen procedures voor de monitoring en evaluatie van de impact van hun preventie- en opsporingsmaatregelen ontwikkeld.

IV

Op het gebied van de reactie op fraude hebben de beheersautoriteiten, in overleg met de andere fraudebestrijdingsorganen, niet voldoende gereageerd op alle opgespoorde gevallen van fraude. In het bijzonder zijn de verslagleggingsregelingen onbevredigend, melden meerdere beheersautoriteiten vermoedens van fraude niet systematisch aan de bevoegde organen, hebben corrigerende maatregelen een beperkte afschrikkende werking en is de coördinatie van fraudebestrijdingsactiviteiten ontoereikend. We hebben ook geconstateerd dat het opsporingspercentage van fraude voor de programmeringsperiode 2007‑2013 in het verslag van de Commissie van 2017 over de bescherming van de financiële belangen van de EU geen waarheidsgetrouwe weergave is van het niveau van daadwerkelijk opgespoorde fraude in de bezochte lidstaten, maar eerder een indicatie geeft van de fraudegevallen die zij besloten te melden aan de Commissie.

V

Naar aanleiding van onze controle bevelen we aan dat:

  1. lidstaten die niet beschikken over een nationale fraudebestrijdingsstrategie er één opstellen; tenzij een voldoende gedetailleerde strategie op nationaal niveau bestaat, moet de Commissie de beheersautoriteiten verplichten om formele strategieën en beleid ter bestrijding van fraude ten nadele van EU-middelen te ontwikkelen;
  2. de beheersautoriteiten frauderisicobeoordelingen robuuster maken door relevante externe actoren te betrekken bij het proces;
  3. de lidstaten fraudeopsporingsmaatregelen verbeteren door op grote schaal gebruik te maken van instrumenten voor gegevensanalyse en de Commissie het gebruik van “proactieve” en andere nieuwe fraudeopsporingsmethoden actief bevordert;
  4. de Commissie de mechanismen voor de reactie op fraude monitort om te zorgen voor de consistente toepassing hiervan, en
  5. de Commissie de lidstaten aanmoedigt om de functies van de Afcos uit te breiden ter verbetering van de coördinatie.
VI

Tijdens de onderhandelingen en het goedkeuringsproces van de GB-verordening voor de periode 2021‑2027 kunnen de medewetgevers overwegen:

  • het opstellen van nationale strategieën of fraudebestrijdingsbeleid en het gebruik van passende instrumenten voor gegevensanalyse (bijv. Arachne) verplicht te stellen;
  • sancties en boetes in te voeren voor degenen die verantwoordelijk zijn voor fraude die de financiële belangen van de EU schaadt.
VII

Hoewel de EU-medewetgevers het recht van de lidstaten op flexibiliteit bij het bepalen en organiseren van hun werkzaamheden ter bestrijding van fraude moeten eerbiedigen in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel, kunnen ze overwegen minimale functies voor de coördinatiedienst fraudebestrijding (Anti-Fraud Coordination Service, Afcos) in de lidstaten vast te stellen om te zorgen voor een doeltreffende coördinerende rol.

Inleiding

De bestrijding van fraude in de EU

01

In de EU-wetgeving wordt een onderscheid gemaakt tussen1:

  • “niet-frauduleuze onregelmatigheden”: elke inbreuk op het EU-recht die bestaat in een handeling of een nalaten van een marktdeelnemer waardoor de algemene begroting van de EU of de door de EU beheerde begrotingen worden of zouden kunnen worden benadeeld […] door een onverschuldigde uitgave2;
  • “frauduleuze onregelmatigheden” (of “fraude”)3: elke opzettelijke handeling of elk opzettelijk nalaten waarbij:
    • valse, onjuiste of onvolledige verklaringen of documenten worden gebruikt of overgelegd, met als gevolg dat middelen afkomstig van de algemene begroting van de Europese Unie of van de door of voor de Europese Unie beheerde begrotingen, wederrechtelijk worden ontvangen of achtergehouden;
    • met hetzelfde gevolg, in strijd met een specifieke verplichting informatie wordt achtergehouden; of
    • deze middelen worden misbruikt door ze voor andere doelen aan te wenden dan die waarvoor zij oorspronkelijk zijn toegekend.
02

Artikel 325 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) bepaalt dat het de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de EU (vertegenwoordigd door de Commissie) en de lidstaten is om fraude en alle andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de EU worden geschaad, tegen te gaan. Deze verplichting omvat alle ontvangsten- en uitgavenprogramma’s van de EU en alle beleidsterreinen.

03

Het EU-cohesiebeleid is opgebouwd rond drie van de Europese structuur- en investeringsfondsen4 (ESIF): het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Cohesiefonds (CF) en het Europees Sociaal Fonds (ESF). Deze fondsen staan samen bekend als de EU-cohesiebeleidsfondsen. De Commissie en de lidstaten voeren deze fondsen gezamenlijk uit door middel van operationele programma’s (OP’s), waarin in detail wordt bepaald hoe de lidstaten de EU-financiering zullen besteden tijdens een programmeringsperiode:

  • Er waren 440 OP’s op het gebied van cohesie voor de programmeringsperiode 2007‑2013. Bijna twee derde van deze OP’s is reeds afgesloten.
  • Er zijn 389 OP’s voor de programmeringsperiode 2014‑2020. Deze OP’s lopen nog.
04

Op het niveau van de Commissie zijn twee directoraten-generaal verantwoordelijk voor de uitvoering van het EU-cohesiebeleid: het directoraat-generaal Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Inclusie en het directoraat-generaal Regionaal Beleid en Stadsontwikkeling. In de lidstaten zijn drie verschillende soorten “programma-autoriteiten” betrokken bij het uitvoeren en controleren van elk OP:

  • de beheersautoriteit (verantwoordelijk voor het uitvoeren van het OP),
  • de certificerende instantie (verantwoordelijk voor het indienen van betalingsaanvragen bij de Commissie en het opstellen van de jaarrekeningen van het OP), en
  • de auditautoriteit (verantwoordelijk voor het verschaffen van een onafhankelijk oordeel over de betrouwbaarheid van de rekeningen, de wettigheid van de gedane uitgaven en de werking van de beheers- en controlesystemen).
05

Krachtens het wettelijk kader voor het EU-cohesiebeleid in de programmeringsperiode 2007‑2013 werden de lidstaten verantwoordelijk voor de preventie, opsporing en correctie van onregelmatigheden (waaronder fraude) en voor de terugvordering van ten onrechte betaalde middelen5. Deze verplichting wordt uitdrukkelijker vermeld in de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen (de GB-verordening) voor de programmeringsperiode 2014‑2020, waarin beheersautoriteiten worden verplicht “doeltreffende en evenredige fraudepreventiemaatregelen [te] nemen op basis van de vastgestelde risico’s”6. De Commissie beveelt aan7 dat de beheersautoriteiten het volledige fraudebestrijdingsbeheerproces behandelen (zie figuur 1), dat bestaat uit fraudepreventie, de opsporing van en de reactie op fraude (waaronder met name de verslaglegging over opgespoorde gevallen en de terugvordering van ten onrechte betaalde middelen). In dit opzicht past de Commissie het beginsel van nultolerantie toe voor fraude en corruptie8.

Figuur 1

Frauderisicobeheerproces

Bron: ERK, op basis van het COSO-kader.

06

Het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) is het belangrijkste fraudebestrijdingsorgaan voor de EU. Het draagt bij aan de vormgeving en de uitvoering van het fraudebestrijdingsbeleid van de Commissie en verricht administratief onderzoek naar fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit waardoor de EU-begroting wordt geschaad.

07

Op het niveau van de lidstaten hoeven de beheersautoriteiten de fraudebestrijdingsmaatregelen niet alleen uit te voeren. Sinds 2013 is elke lidstaat verplicht een coördinatiedienst fraudebestrijding (anti-fraud coordination service, Afcos) aan te wijzen ter bevordering van een doeltreffende samenwerking en uitwisseling van informatie, inclusief informatie van operationele aard, met OLAF9. In nadere richtsnoeren10 verduidelijkte de Commissie dat Afcos binnen de lidstaat het mandaat moeten hebben om alle wettelijke, administratieve en onderzoeksverplichtingen en -activiteiten in verband met de bescherming van de financiële belangen van de EU te coördineren. Bij gedeeld beheer melden de autoriteiten van de lidstaten gevallen van vermoedelijke of vastgestelde fraude (en andere onregelmatigheden) aan de Commissie via het beheerssysteem voor onregelmatigheden (Irregularity Management System, IMS), dat wordt gehost door het antifraude-informatieplatform van OLAF.

De frequentie waarmee fraude in het kader van EU-cohesiebeleid wordt gemeld, is hoog in vergelijking met andere uitgaventerreinen

08

Op 5 juli 2017 hebben het Europees Parlement en de Raad Richtlijn (EU) 2017/1371 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (de “PIF-richtlijn”11) aangenomen. Met de richtlijn wordt een gemeenschappelijke definitie van fraude die de financiële belangen van de EU schaadt, vastgelegd, in het bijzonder op het gebied van openbare aanbestedingen. De lidstaten moeten de PIF-richtlijn uiterlijk op 6 juli 2019 omzetten in nationale wetgeving12.

09

In september 2018 publiceerde de Commissie haar 29e jaarverslag over de bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie13 (hierna het PIF-verslag 2017 genoemd). Voor gedeeld beheer stelt de Commissie dit verslag op aan de hand van de informatie die door de lidstaten via het IMS wordt gemeld (zie paragraaf 07). Uit de analyse van het PIF-verslag 2017 blijkt dat (vermoedelijke en vastgestelde) fraude veel vaker wordt gemeld in het kader van het EU-cohesiebeleid dan in het kader van andere terreinen: cohesie maakt slechts een derde van de begroting uit, maar is goed voor 39 % van alle gemelde fraudegevallen en 72 % van de totale bedragen waarmee fraude is gemoeid (zie figuur 2).

Figuur 2

Als fraude gemelde onregelmatigheden per beleidsterrein (2013‑2017)

Bron: PIF-verslag 2017 — Statistische bijlage deel II (uitgaven).

10

Volgens de gegevens die het PIF-verslag 2017 onderbouwen, zijn onregelmatigheden die als fraude worden gemeld door de lidstaten goed voor 0,44 % van de EU-middelen die werden betaald op het gebied van het cohesiebeleid. Deze indicator staat bekend als het opsporingspercentage van fraude (fraud detection rate, FDR)14 en verschilt sterk per lidstaat (zie figuur 3): voor EU-cohesiefinanciering voor de hele programmeringsperiode 2007‑2013 loopt het percentage uiteen van 0 % tot 2,1 %. Het PIF-verslag 2017 bevat geen specifieke uitleg met betrekking tot het aanzienlijk hogere opsporingspercentage van fraude dat is gemeld voor Slowakije. De gemiddelde waarde van iedere als fraude gemelde onregelmatigheid afzonderlijk bedraagt 0,8 miljoen EUR.

Figuur 3

Fraude die is opgespoord en gemeld als percentage van de cohesiebeleidsmiddelen die in de programmeringsperiode 2007‑2013 werden ontvangen door de EU-lidstaten

NB: In de berekening van het opsporingspercentage van fraude dat is weergegeven in deze figuur zijn onregelmatigheden met betrekking tot het visserijbeleid niet meegenomen (deze zijn wel meegenomen in de statistieken die door de Commissie zijn gepubliceerd over het cohesie- en het visserijbeleid, waardoor het opsporingspercentage van fraude niet stijgt voor het EU-totaal). In deze figuur zijn de meerlandenprogramma’s in het kader van Europese territoriale samenwerking (ETS) ook niet opgenomen. Er wordt echter wel rekening gehouden met deze programma’s voor de berekening van het EU-gemiddelde in deze figuur. Wat betreft de lidstaten met een FDR van nul, meldden Finland en Luxemburg geen frauduleuze onregelmatigheden, terwijl Ierland en Zweden enkele onregelmatigheden met een lage financiële waarde meldden.

Bron: ERK, op basis van de statistische bijlage bij het PIF-verslag 2017, blz. 93.

11

We achtten het noodzakelijk om de werkzaamheden die werden verricht door beheersautoriteiten te beoordelen, omdat deze in de frontlinie staan bij de bestrijding van fraude in het kader van het EU-cohesiebeleid. Volgens de Commissie15 zou de combinatie van grondige risicobeoordelingen die leiden tot adequate preventieve en opsporingsmaatregelen van beheersautoriteiten enerzijds en gecoördineerde en tijdige onderzoeken door bevoegde instanties (gewoonlijk de politie of het openbaar ministerie) anderzijds het frauderisico op het gebied van het cohesiebeleid aanzienlijk kunnen beperken en een adequaat afschrikwekkend effect hebben. Deze controle werd gestructureerd rond deze twee brede gebieden.

Reikwijdte en aanpak van de controle

12

We besloten een controle te verrichten van de werkzaamheden van de beheersautoriteiten ter bestrijding van fraude in het kader van het cohesiebeleid vanwege de belangrijke rol die zij spelen en zullen blijven spelen in de programmeringsperiode 2021‑2027. We beoordeelden of de beheersautoriteiten hun verantwoordelijkheden behoorlijk zijn nagekomen in elk stadium van het fraudebestrijdingsbeheerproces: fraudepreventie, de opsporing van en de reactie op fraude (waaronder de verslaglegging over fraude en de terugvordering van ten onrechte betaalde middelen). Met het oog hierop hebben we beoordeeld of de beheersautoriteiten:

  1. een fraudebestrijdingsbeleid hebben ontwikkeld, een grondige risicobeoordeling hebben uitgevoerd en passende preventieve en opsporingsmaatregelen hebben ingevoerd, en
  2. in overleg met de onderzoeks en vervolgingsinstanties en met Afcos naar behoren hebben gereageerd op opgespoorde gevallen van fraude, rekening houdend met de opzet van deze diensten in de lidstaten die we bezochten.
13

We keken naar de rol die beheersautoriteiten en Afcos in de lidstaten spelen binnen het cohesiebeleid. We controleerden de beheersautoriteiten voor de operationele programma’s die werden gefinancierd uit de drie belangrijkste Europese structuur- en investeringsfondsen op het gebied van het EU-cohesiebeleid: het CF, het ESF en het EFRO. We besloten om de EFRO-doelstelling op het gebied van Europese territoriale samenwerking (ETS) buiten beschouwing te laten omdat bij de projecten die in het kader van de overeenkomstige OP’s werden gefinancierd partners uit verschillende landen waren betrokken die onder het toezicht stonden van autoriteiten uit verschillende lidstaten.

14

We gingen na hoe de beheersautoriteiten rekening hadden gehouden met het wettelijke en strategische fraudebestrijdingskader van de lidstaat bij het beheer van het fraudebestrijdingsproces, met name wanneer er een nationale fraudebestrijdingsstrategie bestond. We verzochten alle beheersautoriteiten deel te nemen aan een enquête over maatregelen voor de preventie en opsporing van fraude en ontvingen antwoorden van autoriteiten in 23 lidstaten.

15

We bezochten zeven lidstaten: Bulgarije, Frankrijk, Hongarije, Griekenland, Letland, Roemenië en Spanje. Bij de selectie van deze lidstaten hebben we rekening gehouden met de opsporingspercentages van fraude en het aantal fraudegevallen die beide in het PIF-verslag 2016 werden vermeld, en met de correlatie daarvan met andere beschikbare frauderisico-indicatoren. Tijdens onze bezoeken spraken we met vertegenwoordigers van de autoriteiten die verantwoordelijk waren voor de uitvoering van 43 OP’s in totaal (22 OP’s voor de periode 2007‑2013 en 21 OP’s voor de periode 2014‑2020) en met belangrijke actoren op het gebied van fraudebestrijding (vervolgings- en gerechtelijke instanties, onderzoeksinstanties, fraudebestrijdingsagentschappen en mededingingsautoriteiten). In de door ons bezochte lidstaten controleerden we een steekproef van OP’s die op basis van oordeelsvorming zijn geselecteerd omdat ze representatief zijn voor alle fondsen (het EFRO, het ESF en, in voorkomend geval, het CF) en van diverse soorten interventies.

16

We onderzochten de dossiers van een steekproef van 138 onregelmatigheden die aan de Commissie waren gemeld als fraude met betrekking tot de 22 OP's die we hebben getoetst voor de periode 2007‑2013. Waar het op grond van de omvang van de populatie mogelijk was, hanteerden we de willekeurige methode die bekendstaat als selectie op geldwaarde om de te onderzoeken onregelmatigheden te selecteren. We hebben de werkzaamheden van onderzoeks-, vervolgings- en gerechtelijke instanties niet beoordeeld — hoewel we wel keken naar de coördinatie en communicatie tussen de beheersautoriteiten en deze instanties.

17

De bevindingen in dit verslag vormen een aanvulling op die in Speciaal verslag nr. 01/2019: “Bestrijding van fraude in verband met EU-uitgaven: maatregelen zijn nodig”, dat werd gepubliceerd op 10 januari 2019 en betrekking had op de vormgeving en de uitvoering van de fraudebestrijdingsstrategie van de Commissie. In dat verslag hebben we ons voornamelijk gericht op de rol van OLAF, maar hebben we ook aandacht besteed aan werkzaamheden met betrekking tot fraudebestrijdingsbeleid die werden uitgevoerd door de DG's van de Commissie die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het EU-cohesiebeleid (zie paragraaf 04).

Opmerkingen

Fraudebestrijdingsbeleid, maatregelen voor de preventie en opsporing van fraude

Beheersautoriteiten hebben in het algemeen geen specifiek fraudebestrijdingsbeleid

18

De Commissie heeft richtsnoeren verschaft aan de lidstaten en beheersautoriteiten om hen te helpen hun wettelijke verplichting na te komen om fraudebestrijdingsmaatregelen te treffen die evenredig en doeltreffend zijn.

  • Op het niveau van de lidstaten beveelt de Commissie aan om nationale fraudebestrijdingsstrategieën ter bescherming van de ESI-fondsen vast te stellen teneinde te zorgen voor een homogene en doeltreffende uitvoering van fraudebestrijdingsmaatregelen, met name waar de organisatorische structuren van de lidstaten zijn gedecentraliseerd.
  • Op het niveau van de operationele programma's beveelt de Commissie beheersautoriteiten aan om een gestructureerde benadering te ontwikkelen voor het aanpakken van fraude die opgebouwd is rond de vier belangrijkste elementen in het fraudebestrijdingsbeheerproces: preventie, opsporing, correctie en vervolging16.
  • De Commissie heeft verder concrete criteria opgesteld voor de evaluatie van de wijze waarop beheersautoriteiten hun wettelijke verplichtingen om evenredige en doeltreffende fraudebestrijdingsmaatregelen te nemen, zijn nagekomen17.
19

De Commissie beveelt de beheersautoriteiten aan om een formeel fraudebestrijdingsbeleid vast te stellen18 om kenbaar te maken dat ze vastberaden zijn fraude te bestrijden. Dit beleid moet met name strategieën voor de ontwikkeling van een fraudebestrijdingscultuur omvatten, alsook de toewijzing van de verantwoordelijkheden voor de aanpak van fraude. Wij zijn van mening dat de beheersautoriteiten een formeel fraudebestrijdingsbeleid hadden moeten opstellen of een vergelijkbaar op zichzelf staand document met hun maatregelen om fraude te voorkomen, op te sporen en erop te reageren, dat hun eigen personeel, de begunstigden van EU-financiering en andere autoriteiten duidelijk maakt dat er fraudebestrijdingsmaatregelen zijn en dat die worden uitgevoerd.

20

We constateerden tijdens onze bezoeken dat dit beleid zeer zelden werkelijk is neergelegd in formele referentiedocumenten waarin de maatregelen worden samengevat die in elk stadium van het fraudebestrijdingsbeheerproces moeten worden uitgevoerd als reactie op vastgestelde frauderisico’s. We troffen alleen in Letland, bij bepaalde intermediaire instanties in Spanje, en in Frankrijk (waar het beleid niet openbaar gemaakt is) voorbeelden aan van een geformaliseerd fraudebestrijdingsbeleid. In alle andere gevallen moesten we meerdere beheersdocumenten en procedurehandboeken raadplegen om een volledig beeld van de fraudebestrijdingsmaatregelen te verkrijgen. We zijn van mening dat het vermogen van de lidstaten om toezicht te houden op fraudebestrijdingsmaatregelen, deze te coördineren en de doeltreffendheid ervan te evalueren, wordt beperkt door het ontbreken van een geformaliseerd fraudebestrijdingsbeleid. Dit is met name van belang aangezien slechts tien lidstaten een nationale fraudebestrijdingsstrategie hebben vastgesteld19 op basis van de aanbeveling van de Commissie (zie paragraaf 18).

21

We zien het ontbreken van bepalingen op grond waarvan beheersautoriteiten een formeel fraudebestrijdingsbeleid moeten vaststellen ook als een tekortkoming in het ontwerp van het fraudebestrijdingskader voor de periode 2014‑2020. Verder wordt er in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 480/2014 van de Commissie (tot aanvulling van de GB-verordening voor de periode 2014‑2020) geen melding gemaakt van tekortkomingen in de uitvoering van evenredige en doeltreffende fraudebestrijdingsmaatregelen in het kader van de bepaling van “ernstige tekortkomingen” die op zichzelf genomen aanleiding konden geven tot de opschorting van betalingen of tot financiële correcties in het kader van operationele programma's20. Als gevolg hiervan wordt er minder gewicht toegekend aan het gebruik van fraudebestrijdingsmaatregelen dan aan andere aspecten bij de beoordeling van beheers- en controlesystemen. In het voorstel van de Commissie voor de GB-verordening voor de periode 2021‑2027 worden fraudebestrijdingsmaatregelen niet aangemerkt als een van de randvoorwaarden21 waaraan de lidstaten moeten voldoen voordat zij EU-cohesiefinanciering kunnen verkrijgen.

Beheersautoriteiten beoordelen frauderisico’s systematisch, maar dit proces zou verder kunnen worden verbeterd

Beheersautoriteiten stellen frauderisico’s systematisch vast

22

De belangrijkste wijziging ten opzichte van de programmeringsperiode 2007‑2013 is dat beheersautoriteiten nu frauderisico’s moeten beoordelen in overeenstemming met de vereisten van het controlekader 2014‑2020 (zie paragraaf 05). Het doel hiervan is dat de beheersautoriteiten bepalen in welke mate de bestaande interne controles geschikt zijn om de risico’s die verbonden zijn aan verschillende fraudescenario’s aan te pakken, en vaststellen op welke gebieden aanvullende controles noodzakelijk zijn.

23

Naast andere onderwerpen op het gebied van fraudebestrijding wordt in de EGESIF-richtsnoeren voor de lidstaten en de beheersautoriteiten (zie paragraaf 18) de taak van frauderisicobeoordeling toegelicht, met inbegrip van een praktisch, gebruiksklaar instrument om de beoordeling mee uit te voeren22. Al de beheersautoriteiten die we hebben bezocht in het kader van onze controle hadden voldaan aan hun verplichting om een frauderisicobeoordeling uit te voeren. Dit houdt een verbetering in van de wijze waarop deze autoriteiten fraudebestrijding in het kader van cohesie benaderen. In de meeste gevallen pasten de autoriteiten het door de Commissie ontwikkelde model voor frauderisicobeoordeling toe, of hun eigen variant van dat model.

24

Op 28 november 2018 publiceerde de Commissie de resultaten van een in december 2016 uitbesteed onderzoek23 naar de praktijken ter voorkoming van fraude en corruptie die de lidstaten toepasten naar aanleiding van de specifieke bepalingen die gelden voor de programmeringsperiode 2014‑2020. In het onderzoek werd geconcludeerd dat de nieuwe wettelijke voorschriften, met name wat betreft het frauderisicobeoordelingsproces, ertoe hadden bijgedragen dat de inspanningen van de lidstaten om fraude aan te pakken geformaliseerder en systematischer waren geworden. In het onderzoek werd echter ook geconcludeerd dat sommige autoriteiten de risiconiveaus die ze zelf hebben beoordeeld wellicht hebben onderschat (zie tekstvak 1).

Tekstvak 1

Onderzoek waarin de balans wordt opgemaakt van de preventie van fraude en corruptie bij de ESIF

Het onderzoek was gebaseerd op een steekproef van 50 OP's voor de periode 2014‑2020 (waarvan er 41 verband hielden met cohesie, met uitzondering van ETS) die de Commissie heeft geselecteerd op basis van oordeelsvorming om alle lidstaten en een scala aan sectoren en fondsen te bestrijken. Het onderzoeksteam onderzocht informatie van de lidstaten (in het bijzonder het resultaat van hun frauderisicobeoordelingen) en voerde gesprekken met programma-autoriteiten en Afcos.

In het onderzoek lag de nadruk op het ontwerp van fraudepreventiemaatregelen en (in mindere mate) fraudeopsporingsmethoden, en werd beoordeeld in welke mate de maatregelen evenredig waren aan de vastgestelde risico's. Het onderzoek had echter geen betrekking op de manier waarop de frauderisicobeoordeling was verricht. Ook bevatte het onderzoek geen conclusies over de doeltreffendheid van de getroffen maatregelen.

De belangrijkste lessen die uit het onderzoek worden getrokken, kunnen als volgt worden samengevat:

Positieve opmerkingen Verbeterpunten
Inspanningen ter bestrijding van fraude en corruptie zijn in de programmeringsperiode 2014‑2020 geformaliseerder en systematischer. Beperkende maatregelen zijn het minst evenredig voor de risico's van collusie bij inschrijvingen en dubbele financiering.
Beperkende maatregelen zijn over het algemeen evenredig aan de eigen risicobeoordeling. Sommige autoriteiten onderschatten wellicht de frauderisiconiveaus die ze zelf hebben beoordeeld.
De meeste autoriteiten gebruiken het model voor frauderisicobeoordeling van de Commissie. Niet alle beheersautoriteiten verrichten een frauderisicobeoordeling op OP-niveau.
Een inclusiever frauderisicobeoordelingsproces is geschikter om frauderisico's te beperken. Er moet meer worden gecommuniceerd met de autoriteiten van de lidstaten over fraudebestrijdingsactiviteiten.
De beheersautoriteiten die zijn opgenomen in de steekproef vinden dat Arachne in de huidige vorm niet volledig voldoet aan hun behoeften.

Op sommige gebieden bestaat er ruimte voor verdere verbetering

25

We merken echter op dat sommige beheersautoriteiten die wij bezochten de frauderisico’s op mechanische wijze beoordelen, wat erop kan wijzen dat ze de vorm belangrijker vinden dan de inhoud.

26

Daarnaast baseren ze zich bij de vaststelling van frauderisico’s in het algemeen op hun eigen ervaring, zonder aanvullende inbreng van andere actoren die er verstand van hebben (coördinatiediensten fraudebestrijding, onderzoeks- en vervolgingsinstanties of andere gespecialiseerde instanties met deskundigheid op dit gebied).

27

Tijdens onze bezoeken aan de lidstaten stelden we vast dat er aanwijzingen waren dat verscheidene beheersautoriteiten en intermediaire instanties de frauderisico’s misschien niet adequaat beoordeeld hadden:

  • in Bulgarije had de auditautoriteit al ontdekt dat sommige beheersautoriteiten specifieke frauderisico’s ten onrechte als laag hadden aangemerkt en daardoor hadden nagelaten deze met behulp van aanvullende controleprocedures aan te pakken;
  • in Frankrijk hadden de door ons bezochte beheersautoriteiten de impact van aanvullende controles op het restrisico van fraude niet beoordeeld;
  • in Spanje, waar de verantwoordelijkheid voor frauderisicobeoordelingen gedeeltelijk is gedelegeerd aan intermediaire instanties, werd in het kader van een onafhankelijke evaluatie waartoe de beheersautoriteit opdracht had gegeven, vastgesteld dat er problemen waren met de coherentie tussen de vastgestelde risico's en de geplande controles (zo waren bepaalde risico’s niet afgedekt door een actieplan of waren er controles opgezet op gebieden die waren aangemerkt als niet relevant);
  • in een van de gecontroleerde OP's in Roemenië verschilden de frauderisicobeoordelingen van intermediaire instanties die te maken hadden met vergelijkbare gedelegeerde taken en financiering;
  • in Hongarije stelden we vast dat de frauderisicobeoordeling onvoldoende uitgebreid was (er werd geen rekening gehouden met eerdere controleresultaten) en dat daarin geen risico’s werden vastgesteld die specifiek verband hielden met de soorten concrete acties en begunstigden die onder de OP’s vielen.
28

In bijna alle gevallen concludeerden de beheersautoriteiten dat de bestaande fraudebestrijdingsmaatregelen tegemoetkwamen aan de vastgestelde frauderisico’s. Gezien de vastgestelde tekortkomingen zijn we van oordeel dat deze conclusie wel eens te optimistisch kan zijn.

De beheersautoriteiten hebben hun fraudepreventiemaatregelen verbeterd, maar ze hebben geen aanzienlijke vooruitgang in de richting van proactieve opsporing van fraude geboekt

29

Van beheersautoriteiten wordt verwacht dat ze doeltreffende en evenredige maatregelen voor de preventie en opsporing van fraude ontwikkelen als reactie op de vastgestelde risico’s, zodat de mogelijkheden om te frauderen aanzienlijk worden beperkt.

Beheersautoriteiten hebben specifieke fraudepreventiemaatregelen ontwikkeld voor de periode 2014‑2020

30

We constateerden dat de aanvullende fraudebestrijdingsmaatregelen die werden ontwikkeld voor de periode 2014‑2020 grotendeels gericht zijn op preventieve acties, die uitgebreider zijn dan die in de periode 2007‑2013. Uit onze enquête bleek dat dergelijke aanvullende preventieve maatregelen hoofdzakelijk bestonden in de opleiding van personeel met het oog op fraudebewustzijn, beleid inzake belangenconflicten en ethische richtsnoeren voor werknemers en begunstigden, en de publicatie van institutionele verklaringen over fraudebestrijding op hoog niveau.

31

Uit onze enquête bleek ook dat beheersautoriteiten maatregelen ter vergroting van het fraudebewustzijn (zowel personeelsopleidingen als maatregelen die zijn gericht op intermediaire instanties en projectbegunstigden), beleid inzake belangenconflicten en gedragscodes het doeltreffendst vonden om fraude bij het gebruik van EU-cohesiefinanciering te voorkomen (zie figuur 4). Andere fraudepreventiemaatregelen, zoals programma’s ter ondersteuning van werknemers (die erop gericht zijn om de druk te verminderen op werknemers die kwetsbaar zijn voor fraude) en premieregelingen (waarbij beheersautoriteiten bekendmaken dat ze voornemens zijn fraudeklokkenluiders te belonen), worden nog steeds niet vaak getroffen, hoewel ze redelijk doeltreffend worden geacht.

Figuur 4

Fraudepreventiemaatregelen die worden uitgevoerd door beheersautoriteiten en de veronderstelde doeltreffendheid daarvan

Bron: ERK-enquête onder beheersautoriteiten.

32

Diverse lidstaten hebben een innovatievere benadering gevolgd om fraude die de financiële belangen van de EU schaadt te voorkomen, bijvoorbeeld door maatschappelijke organisaties te betrekken bij de monitoring van de uitvoering van overheidsopdrachten of campagnes te voeren die de maatschappelijke aanvaardbaarheid van bepaalde frauduleuze praktijken ter discussie stellen (zie tekstvak 2).

Tekstvak 2

Innovatieve fraudepreventiemaatregelen

Integriteitspacten

In 2015 startten de Europese Commissie en Transparency International, een mondiale non-gouvernementele organisatie die actief corruptie bestrijdt en met name bekend is vanwege de publicatie van de corruptieperceptie-index (CPI), een proefproject inzake “integriteitspacten” als innovatieve manier om fraude bij projecten in het kader van het EU-cohesiebeleid te voorkomen. Een integriteitspact is een overeenkomst waarbij de autoriteit die een overheidsopdracht gunt en de marktdeelnemers die hiernaar meedingen, beloven zich van corrupte praktijken te onthouden en transparantie in het aanbestedingsproces te waarborgen. Pacten omvatten ook een afzonderlijke overeenkomst met een maatschappelijke organisatie (zoals een ngo, een stichting of een organisatie in de plaatselijke gemeenschap) om te monitoren of alle partijen hun verplichtingen nakomen. Integriteitspacten zijn bedoeld om transparantie, verantwoording en goed bestuur bij overheidsopdrachten te vergroten, het vertrouwen in overheidsinstanties te versterken en kostenefficiëntie en besparingen te bevorderen door middel van betere aanbesteding. De tweede fase van het project begon in 2016 en loopt vier jaar24. We bespraken het gebruik van integriteitspacten met maatschappelijke organisaties in Letland, Roemenië en Hongarie en zij waren over het algemeen positief over het initiatief.

“FRAUD OFF!”-campagne

In maart 2017 lanceerde de Letse Afcos een bewustmakingscampagne met de naam “FRAUD OFF!”, die de maatschappelijke aanvaardbaarheid van bepaalde vormen van frauduleus gedrag ter discussie stelt. Op de nationale tv-zenders waren campagnevideo’s te zien waarin nationale beroemdheden meededen, en er werd publiciteitsmateriaal uitgedeeld aan instellingen, bedrijven, winkels en de bevolking als geheel. De campagne bereikte een groot publiek en bleef lange tijd een trending topic.

De fraudeopsporingsmaatregelen voor 2014‑2020 zijn grotendeels gelijk aan die in de periode 2007‑2013

33

Hoewel de verplichte frauderisicobeoordeling heeft gezorgd voor een grotere gerichtheid op fraudepreventie, hebben de beheersautoriteiten zeer weinig aanvullende fraudeopsporingsmethoden voor de programmeringsperiode 2014‑2020 ontwikkeld. In plaats daarvan vertrouwen zij op de interne controles en procedures die al bestonden in het kader van het zwakkere controlekader voor de periode 2007‑2013 (zie figuur 5). Dit betreft voornamelijk controles ter plaatse (audits), interne mechanismen voor het melden van fraude en, in mindere mate, de vaststelling van specifieke fraude-indicatoren25 (rode vlaggen). Zowel bij de enquête als tijdens onze bezoeken aan de lidstaten stelden we vast dat er zeer weinig aanvullende “proactieve” controles waren om fraude op te sporen (bijv. specifieke controles op collusie bij openbare aanbestedingen, zoals semantische analyse van ontvangen offertes of de vaststelling van abnormale patronen bij de indiening van offertes).

Figuur 5

Fraudeopsporingsmaatregelen die worden uitgevoerd door beheersautoriteiten en de veronderstelde doeltreffendheid daarvan

Bron: ERK-enquête onder beheersautoriteiten.

Praktische problemen beperken het nut van fraudemeldpunten voor klokkenluiders

34

Uit onze enquête bleek dat beheersautoriteiten weinig gebruik maken van fraudemeldpunten voor klokkenluiders, hoewel ze dit instrument in het algemeen een doeltreffende methode voor het opsporen van fraude vinden. Door middel van fraudemeldpunten en andere mechanismen voor klokkenluiders kunnen beheersautoriteiten (en andere betrokken autoriteiten van de lidstaten) kennis krijgen van potentiële fraude die bij andere controles niet is ontdekt26. Uit verschillende studies blijkt dat deze methoden worden gezien als de belangrijkste bron van fraudemeldingen27. Tijdens onze bezoeken hebben we mechanismen voor klokkenluiders beoordeeld en constateerden we een aantal praktische problemen met het gebruik ervan. Zo zijn ze niet altijd anoniem en bestaat het risico dat ze onvoldoende bekend zijn bij projectbegunstigden en het grote publiek. Als er wettelijke beperkingen gelden voor het gebruik van anonieme meldkanalen, kunnen beheersautoriteiten en Afcos anonieme klokkenluiders altijd doorverwijzen naar het fraudemeldsysteem dat werd opgezet door OLAF28.

35

Op 23 april 2018 diende de Commissie een voorstel in voor een richtlijn over de bescherming van klokkenluiders. Dit voorstel is erop gericht om de verschillende benaderingen die de lidstaten momenteel volgen te uniformiseren en om het niveau van bescherming te verhogen voor personen die inbreuken op het Unierecht melden, waaronder alle inbreuken die de financiële belangen van de EU schaden. In ons advies over het voorstel, dat we op 15 oktober 2018 hebben afgegeven, gaven wij te kennen dat volgens ons de invoering of uitbreiding van regelingen voor klokkenluiders in alle lidstaten het beheer van EU-beleid door middel van de acties van burgers en werknemers zou helpen verbeteren. We benadrukten echter ook een aantal punten van zorg, zoals het te ingewikkelde materiële toepassingsgebied van het voorstel, die de rechtszekerheid voor potentiële klokkenluiders kan verminderen en hen dan ook kan ontmoedigen om inbreuken te melden. Andere kwesties die we naar voren brachten, waren het ontbreken van duidelijke verplichtingen met betrekking tot bewustmaking en personeelsopleidingen, en onze overtuiging dat personen die anoniem een melding hebben gedaan, geen klokkenluidersbescherming mag worden geweigerd indien hun identiteit vervolgens aan het licht komt29. In verband met de vaststelling van deze richtlijn hebben het Europees Parlement en de lidstaten op 12 maart 2019 een voorlopig akkoord bereikt over de nieuwe regels waarmee bescherming van klokkenluiders die inbreuken op EU-recht melden, wordt gegarandeerd30.

Er wordt te weinig gebruik gemaakt van gegevensanalyse om fraude op te sporen

36

De Commissie moedigt beheersautoriteiten aan om proactief gebruik te maken van gegevensanalyse om situaties met een mogelijk hoog risico op te sporen, rode vlaggen vast te stellen en de doelstelling van fraudebestrijdingsmaatregelen te verfijnen. Gegevensanalyse zou systematisch onderdeel van projectselectie, beheersverificaties en controles moeten uitmaken31. In de context van fraudebestrijding stelt de Commissie een speciaal datamininginstrument (Arachne) ter beschikking om beheersautoriteiten te helpen bij het opsporen van projecten die wellicht frauderisico's lopen. Volgens de informatie die we van de Commissie kregen, werd Arachne in december 2018 door 21 lidstaten gebruikt voor 165 OP’s, die goed zijn voor 54 % van de totale EU-cohesiefinanciering voor de periode 2014‑2020 (met uitzondering van ETS). In ons Speciaal verslag nr. 01/2019: “Bestrijding van fraude in verband met EU-uitgaven: maatregelen zijn nodig” wezen we op het belang van Arachne als instrument voor fraudepreventie. Nu hebben we de rol van Arachne beoordeeld als instrument voor gegevensanalyse om fraude op te sporen.

37

Een van de belangrijkste opmerkingen op basis van onze controlewerkzaamheden is dat beheersautoriteiten onvoldoende gebruik maken van gegevensanalyse om fraude op te sporen. Uit onze enquête bleek dat slechts één op de twee beheersautoriteiten op deze manier gebruikmaakt van instrumenten voor gegevensanalyse (zie figuur 5). Met name Arachne wordt te weinig gebruikt. In de door ons bezochte lidstaten constateerden we het volgende:

  • één lidstaat (Griekenland) heeft geen informatie verstrekt over de vraag of Arachne al dan niet in de nabije toekomst zal worden ingevoerd. De Griekse beheersautoriteiten hebben echter geen equivalent instrument voor gegevensanalyse dat kan worden gebruikt voor alle OP's in het land;
  • in vier van de overige zes lidstaten hadden de beheersautoriteiten, zelfs als ze hadden besloten Arachne te gebruiken, weinig vorderingen gemaakt bij het uploaden van de noodzakelijke operationele gegevens of bij het inzetten van het instrument voor hun interne controles;
  • Krachtens het Arachnehandvest mogen alleen beheersautoriteiten, certificerende instanties en auditautoriteiten toegang krijgen. Daarom kan Arachne automatisch niet worden gebruikt door onderzoeksinstanties.

We constateerden ook dat in twee van de door ons bezochte lidstaten de beheersautoriteiten die Arachne geheel hebben geïntegreerd in hun beheerprocedures het instrument hebben gebruikt om hen te helpen hun specifieke fraudebestrijdingsmaatregelen af te stemmen op begunstigden met een hoog risico.

38

We kregen geen overtuigende verklaring waarom beheersautoriteiten het instrument, dat de Commissie gratis beschikbaar stelt, niet ten volle benutten. In het eigen onderzoek van de Commissie van november 2018 (zie paragraaf 24 en tekstvak 1) werd echter geconcludeerd dat de beheersautoriteiten van mening zijn dat Arachne in zijn huidige vorm niet volledig voldoet aan hun behoeften. De auteurs van de studie vonden dit bijzonder zorgwekkend, aangezien sterk wordt verondersteld dat het nut van Arachne afhangt van het aantal OP’s in het kader waarvan informatie aan het instrument wordt aangeleverd32.

39

Desondanks troffen we tijdens onze bezoeken ook enkele voorbeelden van goede praktijken aan waarin de autoriteiten van de lidstaten instrumenten voor gegevensanalyse hadden ontwikkeld om bij te dragen tot de vaststelling van mogelijke frauderisico's (zie tekstvak 3).

Tekstvak 3

Goede praktijken op het gebied van gegevensanalyse door lidstaten

We stelden vast dat de volgende instrumenten voor gegevensanalyse rechtstreeks worden ingezet om mogelijke fraude bij het gebruik van EU-cohesiefinanciering op te sporen:

  • in Roemenië heeft het nationale integriteitsagentschap een IT-systeem (“PREVENT”) ontwikkeld waarin informatie over openbare aanbestedingen die wordt verstrekt door aanbestedende diensten en inschrijvers, wordt vergeleken met informatie uit andere nationale databanken (bijv. het handelsregister). Door het systeem te gebruiken in verband met 839 openbare aanbestedingsprocedures die werden gefinancierd door de EU, kon het agentschap 42 integriteitwaarschuwingen voor correctie of onderzoek uitvaardigen;
  • in Spanje heeft de intermediaire instantie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van een groot deel van het OP “Comunidad Valenciana” in samenwerking met instellingen voor hoger onderwijs een IT-systeem voor snelle waarschuwingen (“SALER”) ontwikkeld waarbij vier afzonderlijke nationale en regionale databanken werden gekoppeld om frauderisico's vast te stellen. De invoering van dit instrument loopt nog.

De beheersautoriteiten hebben geen procedures voor het monitoren en evalueren van maatregelen voor de preventie en opsporing van fraude

40

De Commissie moedigt de lidstaten en beheersautoriteiten aan om procedures te bepalen voor het monitoren van de uitvoering van maatregelen voor de preventie en opsporing van fraude. Deze procedures moeten specifieke regelingen omvatten om verslag uit te brengen over de fraudebestrijdingsmaatregelen die zijn getroffen en de manier waarop deze worden uitgevoerd. De lidstaten en beheersautoriteiten moeten de monitoringresultaten gebruiken om de doeltreffendheid van de maatregelen te evalueren en hun fraudebestrijdingsstrategieën en -beleid, voor zover nodig, bij te stellen.

41

We constateerden dat geen van de door ons bezochte beheersautoriteiten behalve de Letse de doeltreffendheid van de maatregelen voor de preventie en opsporing van fraude onderzocht. Zij houden in beperkte mate bij welke maatregelen worden ingezet en koppelen deze zelden aan specifieke resultaten. Bijgevolg worden fraudebestrijdingssystemen niet geëvalueerd wat de werkelijke resultaten ervan betreft — noch door de beheersautoriteiten, noch door andere programma-autoriteiten (zoals de auditautoriteiten) of de Afcos.

Voor de programmeringsperioden 2007‑2013 en 2014‑2020 werden vergelijkbare niveaus van fraude gemeld

42

De beheersautoriteiten en andere instanties van de lidstaten melden frauduleuze en niet-frauduleuze onregelmatigheden aan de Commissie via het IMS. Per december 2018 hadden de lidstaten (voornamelijk beheers- en auditautoriteiten) in totaal 1 925 en 155 onregelmatigheden als fraude gemeld voor de respectievelijke programmeringsperioden 2007‑2013 en 2014‑2020. Deze onregelmatigheden betroffen vermoedelijke en vastgestelde fraudegevallen waarmee mogelijk 1,6 miljard EUR (2007‑2013) en 0,7 miljard EUR (2014‑2020) aan EU-middelen gemoeid was.

43

Figuur 6 laat zien hoe het aantal en de waarde van de in het IMS gemelde onregelmatigheden zich ontwikkelden in de programmeringsperioden 2007‑2013 en 2014‑2020. Tot dusver zijn er 155 onregelmatigheden als fraude gemeld voor de periode 2014‑2020 — 10 % minder dan in dezelfde fase in de periode 2007‑2013 (174). In financieel opzicht is de situatie anders: de mogelijke impact van de gemelde fraude in verband met EU-cohesiebeleidsmiddelen in de programmeringsperiode 2014‑2020 (0,7 miljard EUR) is meer dan driemaal zo hoog als in dezelfde fase van de vorige periode (0,2 miljard EUR). Deze aanzienlijke stijging is echter het gevolg van twee verschillende gevallen van vermoedelijke fraude, die we als uitschieters beschouwen33.

Figuur 6

Ontwikkeling van de als fraude gemelde onregelmatigheden

Bron: ERK, op basis van IMS-gegevens.

De meeste fraudegevallen die aan de Commissie worden gemeld, worden opgespoord tijdens controles ter plaatse of worden ontdekt door onderzoeks- en vervolgingsinstanties of de media

44

Op basis van de gegevens die tot en met december 2018 in het IMS zijn geregistreerd, analyseerden we de informatiebronnen die hebben geleid tot de melding van onregelmatigheden als fraude voor de programmeringsperiode 2007‑2013 (zie figuur 7). We hebben de gegevens voor de periode 2014‑2020 niet beoordeeld omdat deze nog steeds erg onvolledig zijn en uitschieters bevatten (zie paragraaf 43).

45

Naar aantal werden de meeste onregelmatigheden opgespoord door middel van controles ter plaatse door programma-autoriteiten (zie paragraaf 04), gevolgd door meldingen van onderzoeks- of vervolgingsinstanties. Dit lijkt aan te tonen dat dit de doeltreffendste manieren zijn om fraude bij het gebruik van cohesiefinanciering op te sporen. De statistieken worden echter beïnvloed door het algemene gebruik van controles als fraudedetectiemethode (zie paragraaf 33 en figuur 5). Naar waarde was het merendeel van de meldingen van frauduleuze onregelmatigheden het gevolg van zaken die onderzoeks- en vervolgingsinstanties rechtstreeks hebben geopend of van onthullingen in de pers en andere media. Wij zijn van oordeel dat de onzekerheid over de werkelijke betrokken bedragen sterk van invloed is op de statistieken over de informatiebronnen voor fraude naar waarde, hoewel de onzekerheid kleiner is wanneer de informatie afkomstig is van een onderzoeks- of vervolgingsinstantie.

Figuur 7

Voor de periode 2007‑2013 als fraude gemelde onregelmatigheden op het gebied van cohesie, per informatiebron

Bron: ERK, op basis van IMS-gegevens.

Reactie op fraude, onderzoek naar fraude en coördinatie tussen de betrokken organen

46

De Commissie verplicht beheersautoriteiten om doeltreffende maatregelen om te reageren op fraude te ontwikkelen. Deze moeten duidelijke mechanismen omvatten voor het melden van gevallen van vermoedelijke fraude, alsook duidelijke procedures voor het doorverwijzen van zaken naar de bevoegde onderzoeks- en vervolgingsautoriteiten. Er moeten ook procedures bestaan om follow-up te geven aan vermoedelijke fraudegevallen en om, in voorkomend geval, EU-middelen terug te vorderen. Beheersautoriteiten moeten samenwerken met hun Afcos, en de coördinatie tussen alle administratieve en rechtshandhavingsautoriteiten moet adequaat zijn.

Doordat beheersautoriteiten te weinig melden, zijn de opsporingspercentages van fraude die worden vermeld in PIF-verslagen minder betrouwbaar

47

De lidstaten moeten het IMS gebruiken om de Commissie in kennis te stellen van onregelmatigheden van meer dan 10 000 EUR naar aanleiding waarvan zij fraude vermoeden of vaststellen34. De lidstaten moeten vermoedelijke of vastgestelde gevallen van fraude melden, zelfs indien ze zijn afgehandeld voordat daarmee samenhangende uitgaven aan de Commissie zijn gecertificeerd.

Niet alle mogelijke gevallen van fraude worden als zodanig gemeld in het IMS

48

Figuur 3 hierboven geeft de opsporingspercentages van fraude op het gebied van het EU-cohesiebeleid voor de periode 2007‑2013 weer. Deze zijn gebaseerd op IMS-gegevens en werden gepubliceerd in het PIF-verslag 2017. In Speciaal verslag nr. 01/2019 stelden we dat de gegevens in het PIF-verslag over opgespoorde fraude onvolledig waren35. Onze werkzaamheden voor deze controle bevestigden dat oordeel. We ontdekten ook meerdere gevallen die vragen deden rijzen over de volledigheid en betrouwbaarheid van de gegevens over fraude in het IMS, en daarom het gebruik beperken dat de Commissie en de lidstaten van het systeem kunnen maken.

49

We stelden vast dat niet alle lidstaten de EU-definitie van fraude op dezelfde wijze interpreteren (zie paragraaf 01). Zo worden kartelinbreuken (manipulatie van aanbestedingsprocedures) in Spanje niet altijd als fraude gemeld, maar andere lidstaten, zoals Letland, melden deze systematisch.

50

We troffen gevallen aan waarin onregelmatigheden die duidelijk wezen op fraude, niet naar behoren werden gemeld aan de Commissie, omdat ze waren opgespoord en gecorrigeerd voordat de desbetreffende uitgaven bij de Commissie waren gecertificeerd. Lidstaten zouden echter ook vermoedens van fraude moeten melden (als “poging tot fraude”), zelfs als er uiteindelijk geen EU-cofinanciering is. In Hongarije melden de beheersautoriteiten vermoedens van fraude niet indien deze zijn afgewikkeld vóór de certificering bij de Commissie. In Spanje heeft de beheersautoriteit die verantwoordelijk is voor het ESF betalingen geweigerd als een voorzorgsmaatregel zonder aan de Commissie verslag uit te brengen over de uitgaven die verband hielden met gevallen van vermoedelijke fraude waarover in de pers was bericht.

51

We stelden vast dat de lidstaten inconsistent gebruikmaakten van administratieve of juridische handelingen die aanleiding gaven tot meldingen aan de Commissie. Zo meldt Roemenië lopende onderzoeken of besluiten tot vervolging niet systematisch in het IMS. Krachtens de Roemeense wetgeving worden vermoedens van fraude enkel geregistreerd als een beheersautoriteit, de auditautoriteit, de Afcos of OLAF een aanvullend, afzonderlijk controle-/onderzoeksverslag uitbrengt, zelfs als een onderzoek al loopt of is afgesloten. Als gevolg daarvan worden meldingen in het IMS onnodig vertraagd en sommige bij de rechter aanhangige zaken kunnen geheel buiten het systeem blijven.

52

Tot slot constateerden we ook dat de Hongaarse Afcos een grote achterstand heeft bij het analyseren van gevallen voordat deze in het IMS worden gemeld.

Het IMS bevat enkele onjuiste en verouderde gegevens

53

We troffen voorbeelden van onjuiste of verouderde gegevens in het IMS aan, met name met betrekking tot de stand van een zaak en de belangrijkste data in de sanctieprocedure. Dit kan erop wijzen dat een beheersautoriteit, degene die de gegevens valideert of de Afcos de kwaliteit van de gegevens niet zorgvuldig heeft gecontroleerd. Hoewel deze situatie niet bevredigend is, heeft het gewoonlijk geen gevolgen voor het aantal in het IMS gemelde fraudegevallen.

54

We constateerden inconsistenties in de aanpak van beheersautoriteiten bij het beoordelen van de financiële impact van mogelijke fraude. Daardoor kunnen vergelijkbare inbreuken op de regelgeving door verschillende lidstaten verschillend worden gekwantificeerd in het IMS. Dit betreft vooral gevallen waarbij het moeilijk is om nauwkeurig aan te geven hoeveel uitgaven ermee gemoeid zijn (bijv. belangenconflicten bij projectselectie of inbreuken bij openbare aanbesteding).

Doordat er te weinig wordt gemeld, zijn de opsporingspercentages van fraude minder betrouwbaar

55

Het PIF-verslag 2017 vermeldt opsporingspercentages van fraude voor elke lidstaat en voor de EU als geheel op basis van de gegevens die de autoriteiten van de lidstaten en Afcos hebben gemeld in het IMS (zie paragraaf 07). Het bevat geen vergelijkbare vergelijkingsindicator met betrekking tot het aantal onregelmatigheden op het gebied van het cohesiebeleid in de gehele EU. Om dit cijfer te berekenen, vergeleken wij het aantal frauduleuze onregelmatigheden dat elke lidstaat heeft gemeld met het bedrag aan EU-middelen dat de lidstaten hadden ontvangen (zie figuur 8). We stelden vast dat Frankrijk de minste frauduleuze onregelmatigheden per van de EU ontvangen euro meldt. Naar ons oordeel maakt Frankrijk niet adequaat melding van onregelmatigheden, waaronder vermoedens van fraude.

Figuur 8

Cohesiebeleidsfondsen — ontvangen EU-middelen per als fraude gemelde onregelmatigheid — programmeringsperiode 2007‑2013

Bron: ERK, op basis van het PIF-verslag 2017. In deze grafiek zijn Finland en Luxemburg niet opgenomen; deze meldden geen frauduleuze onregelmatigheden voor die periode.

56

Naar onze mening zijn de opsporingspercentages van fraude die door de Commissie worden gepubliceerd eigenlijk fraudemeldingspercentages: zij geven niet noodzakelijk weer hoe doeltreffend de opsporingsmechanismen van de lidstaten zijn of hoeveel fraude er werkelijk wordt opgespoord, maar laten eerder zien hoeveel zaken de lidstaten besloten te melden aan de Commissie (zie de paragrafen 48-52). In Speciaal verslag nr. 01/2019 concludeerden we dat de correlatie tussen de opsporingspercentages van fraude en andere indicatoren voor corruptierisico’s zwak is36.

57

Gezien de problemen die we hebben vastgesteld, zijn we van oordeel dat het opsporingspercentage van fraude dat in het PIF-verslag 2017 is vermeld voor het cohesiebeleid geen getrouw beeld geeft van de frequentie waarmee fraude voorkomt in de lidstaten die we bezochten.

Meerdere beheersautoriteiten stellen onderzoeks- of vervolgingsinstanties niet systematisch in kennis van vermoedens van fraude

58

Een belangrijk element voor een vermindering van het frauderisico en een grotere afschrikwekkende werking ten aanzien van fraude is gecoördineerd en tijdig onderzoek door bevoegde gerechtelijke instanties (politie, het openbaar ministerie en andere) van meldingen van fraude. Hoewel deze controle geen betrekking heeft op de werkzaamheden van onderzoeks- en vervolgingsinstanties, beoordeelden we wel hoe de beheersautoriteiten met deze instanties communiceren en hoe ze zaken met hen afstemmen.

59

Om het beginsel van een afschrikwekkende werking ten aanzien van fraude in de praktijk om te zetten, is het noodzakelijk dat de beheersautoriteiten (of elke andere autoriteit die mogelijke onregelmatigheden ontdekt) vermoedens van fraude onmiddellijk en stelselmatig melden aan de betrokken onderzoeks- of vervolgingsinstanties, die als enige kunnen vaststellen of er sprake was van opzet. In meerdere gevallen constateerden we dat de beheersautoriteiten nalieten om vermoedelijke fraudegevallen systematisch te melden aan de organen die belast zijn met onderzoek. Zo hadden de beheersautoriteiten in Griekenland geen enkel geval van vermoedelijke fraude uit de steekproef voor onze controle doorverwezen naar de vervolgingsinstanties. In Spanje troffen we geen specifieke instructies of procedures aan op grond waarvan beheersautoriteiten verplicht waren om alle gevallen van vermoedelijke fraude op deze wijze te melden. Als vermoedens van fraude niet worden gemeld, wordt de afschrikwekkende werking van mogelijke onderzoeken en vervolging ernstig beperkt.

60

Onderzoekers en het OM wijzen verzoeken om een strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar gevallen die beheersautoriteiten naar hen doorverwijzen, regelmatig af. Dit is normaal, aangezien enkel deze gespecialiseerde diensten over de juridische capaciteit en onderzoeksmiddelen beschikken om vast te stellen of er mogelijk een strafbaar feit is gepleegd. Beheersautoriteiten moeten echter altijd de redenen voor een afwijzing analyseren en, waar mogelijk en passend, hun operationele procedures aanpassen. We constateerden dat alleen Letland regelingen heeft getroffen om na te gaan waarom doorverwezen zaken worden afgewezen en de noodzakelijke actie te ondernemen.

Corrigerende maatregelen hebben een beperkte afschrikkende werking

61

Van beheersautoriteiten wordt verwacht dat zij EU-middelen die op frauduleuze wijze zijn uitgegeven, terugvorderen37. Zij moeten ook een grondige en kritische evaluatie uitvoeren van interne controlesystemen waardoor zij wellicht zijn blootgesteld aan mogelijke of aangetoonde fraude.

62

De meest voorkomende corrigerende maatregel betreft het intrekken van de betrokken uitgaven van de bij de Commissie ingediende declaraties, maar zonder dat de middelen worden teruggevorderd van de fraudeur of er aanvullende afschrikkende maatregelen worden getroffen zoals het opleggen van een sanctie of boete. Dit is helemaal niet vreemd, omdat er in de meeste gevallen die we hebben bekeken, nog niet was vastgesteld of er daadwerkelijk sprake was van fraude. Volgens het IMS hadden de autoriteiten van de lidstaten echter slechts in 84 van de 159 gevallen van vastgestelde fraude de terugvordering van EU-middelen in gang gezet38. Het intrekken van uitgaven van bij de Commissie ingediende declaraties is een doeltreffende manier om de financiële belangen van de EU te beschermen. Deze bescherming strekt zich echter niet uit tot de nationale overheidsfinanciering — wat wil zeggen dat de begrotingen van de lidstaten nog steeds worden geschaad als terugvordering niet plaatsvindt — waardoor de afschrikwekkende werking van corrigerende maatregelen van beheersautoriteiten wordt beperkt. Ons Speciaal verslag nr. 01/2019 bevat aanvullende informatie over de terugvordering van middelen in verband met gevallen van vastgestelde fraude39.

63

Naast het terugvorderen van EU-middelen waarop de fraude betrekking had, wordt er van beheersautoriteiten verwacht dat ze de horizontale implicaties voor hun beheers- en controlesystemen en andere projecten (bijv. dezelfde begunstigde of vergelijkbare tekenen van fraude) beoordelen.

64

Met betrekking tot de zeven door ons bezochte lidstaten troffen we alleen bewijs aan van dit soort beoordelingen in Spanje (zie tekstvak 4). Zelfs daar vindt deze verificatie echter niet systematisch plaats.

Tekstvak 4

Voorbeeld van een goede praktijk: het controleren op systematische fraude naar aanleiding van een eerste geval

De meeste afzonderlijke vermoedens van fraude die Spanje heeft gemeld met betrekking tot de programmeringsperiode 2007‑2013 kunnen worden teruggevoerd op één enkel onderzoek dat een intermediaire instantie in gang heeft gezet.

Op basis van de voorlopige conclusies van een eerste verificatie voerde de intermediaire instantie horizontale controles uit van alle andere subsidies die aan dezelfde eindbegunstigde waren toegekend. Zij concludeerde dat er voldoende bewijs was om systematische fraude te vermoeden met valse facturen en collusie met externe leveranciers.

De intermediaire instantie meldde de resultaten van haar controles en haar vermoedens van fraude naar behoren aan het Spaanse openbaar ministerie en aan de Commissie. Het onderzoek heeft momenteel betrekking op 73 % van alle gevallen van vermoedelijke fraude die in Spanje zijn gemeld voor de programmeringsperiode 2007‑2013 en op 56 % van de geschatte mogelijke impact ervan op de EU-bijdrage.

De fraudebestrijding wordt verzwakt door verschillende beheersproblemen

De bestraffing van fraude kan veel tijd in beslag nemen

65

Er kan veel tijd verlopen tussen het moment waarop de fraude wordt gepleegd en dat waarop de sancties worden opgelegd (zie figuur 9). Volgens de gegevens in het IMS ontstaat het vermoeden van fraude gemiddeld ongeveer twee jaar nadat een onregelmatigheid is begaan40. Daarna kan het nog een jaar duren voordat deze vermoedens zijn bevestigd door middel van een voorlopige beoordeling die leidt tot een eerste administratieve of gerechtelijke vaststelling41, en het geval aan de Commissie wordt gemeld via het IMS. Vanaf dit moment is de Commissie in staat om de zaak te monitoren en er rekening mee te houden in het kader van het jaarlijkse PIF-verslag. Na de voorlopige beoordeling (en naast de melding aan de Commissie) duurt het ongeveer vijf maanden om bestuursrechtelijke of strafrechtelijke procedures in te stellen met het oog op het opleggen van sancties. Dergelijke procedures nemen gemiddeld drie jaar in beslag.

Figuur 9

Tijd die gemiddeld nodig is voordat fraude wordt ontdekt, gemeld en afgesloten door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten

Bron: ERK, op basis van informatie uit het IMS.

De functies van Afcos zijn onvoldoende omschreven in de verordening en verschillen sterk per lidstaat

66

Hoewel de hoofdverantwoordelijkheid voor fraudebestrijding bij het gebruik van cohesiefinanciering bij de beheersautoriteiten ligt, spelen de Afcos een essentiële rol in de coördinatie van de werkzaamheden van deze autoriteiten met die van andere organen van de lidstaten en OLAF. De EU-wetgeving waarbij de Afcos zijn opgericht42, bevat geen nadere richtsnoeren over hun mandaat, organisatorisch kader of taken. De Commissie heeft in dit opzicht specifieke aanbevelingen gedaan in nadere richtsnoeren43 (zie paragraaf 06). Het wordt echter aan de lidstaten overgelaten om specifieke regelingen te treffen voor hun Afcos.

67

De middelen en organisatorische regelingen van Afcos zouden hen in staat moeten stellen om fraudemeldingen naar behoren te monitoren en de werkzaamheden van alle partijen die betrokken zijn bij fraudebestrijding op elkaar af te stemmen. We stelden vast dat de structuren en bevoegdheden van de Afcos in de zeven door ons bezochte lidstaten aanzienlijk verschilden bij gebrek aan duidelijke richtsnoeren. Deze varieerden van kleine afdelingen zonder onderzoeksbevoegdheid tot complexe structuren die volledig bevoegd waren om administratieve onderzoeken uit te voeren (zie figuur 10). De Franse Afcos had evenveel personeelsleden als de Letse Afcos, hoewel de twee landen verschillen wat betreft grootte en hoeveelheid ontvangen middelen.

Figuur 10

Overzicht van de Afcos in de lidstaten die we bezochten

Bron: ERK.

68

Bij de Hongaarse Afcos waren er geen behoorlijke regelingen getroffen voor de verslaglegging over de activiteiten die werden verricht door de lidstaat om de financiële belangen van de EU te beschermen. Deze Afcos maakt verslagen over die activiteiten of over mogelijke fraude bij EU-cohesie-uitgaven niet openbaar (zie figuur 10).

69

Op 23 mei 2018 deed de Commissie het voorstel om de OLAF-verordening te wijzigen44. Voordat zij het voorstel indiende, had de Commissie in 2017 een evaluatie45 verricht van de wijze waarop de OLAF-verordening werd toegepast. Bij deze evaluatie werd vastgesteld dat de verschillen in de opzet van de Afcos in de verschillende lidstaten evenals in hun bevoegdheden de belangrijkste belemmering voor hun doeltreffendheid vormen.

70

Op 22 november 2018 bracht de Rekenkamer haar advies uit over het voorstel46. Naar onze mening draagt het voorstel onvoldoende bij tot een meer geharmoniseerde en doeltreffende uitvoering van Afcos in alle lidstaten, omdat het voorstel alleen de samenwerking van de diensten met OLAF betreft en geen duidelijkheid verschaft over hun minimale taken.

De stand van fraudezaken wordt niet op passende wijze gerapporteerd en nagegaan

71

Om de stand van een zaak na te gaan, kan het noodzakelijk zijn om partijen te raadplegen die betrokken zijn bij fraudebestrijding, maar geen deel uitmaken van de structuren voor beheer en controle van het OP. Wij zijn van mening dat de Afcos, als de centrale structuren die contact onderhouden met OLAF in het kader van fraudebestrijding, te allen tijde een overzicht moeten hebben van de gevallen van fraude waarmee EU-middelen zijn gemoeid. Daartoe moeten zij in staat zijn om informatie te verkrijgen over de stand van de zaken die worden onderzocht door de bevoegde autoriteiten in hun lidstaat. Bovendien moeten ze over statistieken beschikken over het aantal zaken dat wordt onderzocht en de voortgang daarvan, met inachtneming van de procedurele vertrouwelijkheid.

72

In vijf van de door ons bezochte lidstaten waren de Afcos onvoldoende op de hoogte van de stand van het onderzoek naar de aan de Commissie gemelde zaken. In Roemenië en Hongarije troffen we geen formeel mechanisme aan voor systematische samenwerking tussen de beheersautoriteiten, de Afcos en de onderzoeks- en vervolgingsinstanties; bijgevolg had de Afcos geen volledig overzicht van de lopende onderzoeken met betrekking tot door de EU gefinancierde projecten. Wel benadert de Roemeense Afcos de vervolgingsinstanties periodiek om informatie te verkrijgen over de stand van lopende onderzoeken waarvan hij op de hoogte is. In Spanje volgt de Afcos ook een proactieve benadering door informatie over lopende onderzoeken op te vragen. Desondanks kan hij niet verzekeren dat actuele gegevens worden doorgestuurd aan de Commissie.

73

We constateerden problemen met de coördinatie en uitwisseling van informatie in zes van de zeven lidstaten. We konden ook de informatie die in het IMS was opgenomen over gevallen van vermoedelijke en aangetoonde fraude waarmee EU-middelen zijn gemoeid, niet aansluiten met de informatie bij de verschillende autoriteiten. Deze bevinding doet twijfels rijzen over de betrouwbaarheid van de informatie die aan de Commissie wordt gemeld. De betrokken lidstaten houden geen centrale databank bij of een andere vorm van gecentraliseerde statistische gegevens waarmee een overzicht kan worden geboden van de aard en status van fraudegevallen (zie paragraaf 48).

Coördinatiemechanismen ontbreken vaak

74

De bescherming van de financiële belangen van de EU op het niveau van de lidstaten is niet enkel de taak van de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van cohesiefinanciering of de Afcos. Andere belanghebbende partijen zijn onderzoeks- en vervolgingsinstanties, mededingingsautoriteiten, aanbestedende diensten en, afhankelijk van het land, bepaalde andere instellingen. De lidstaten moeten toereikende coördinatiemechanismen instellen zodat de diverse actoren informatie kunnen uitwisselen over de genomen en geplande maatregelen alsook aanbevelingen voor verbeteringen.

75

De meeste door ons bezochte lidstaten beschikken echter niet over behoorlijke coördinatiemechanismen voor alle relevante partijen die betrokken zijn bij de bestrijding van fraude waarmee EU-cohesiefinanciering gemoeid is.

76

In Bulgarije, waar 60 % van de zaken die we onderzochten, was afgewezen of gesloten door het openbaar ministerie, analyseren noch de Afcos, noch de beheersautoriteiten systematisch de redenen voor de afwijzing. In Hongarije heeft de Afcos geen overzicht van de maatregelen die daadwerkelijk zijn uitgevoerd in het kader van het fraudebestrijdingsbeheerproces en evenmin van de status van gemelde gevallen. De Roemeense Afcos verricht enkel coördinatiewerkzaamheden op grond van bilaterale overeenkomsten met elke programma-autoriteit, maar er is geen nationaal, multilateraal coördinatiemechanisme waarbij alle belanghebbenden zijn betrokken. In Spanje loopt de oprichting van een orgaan dat de Afcos zou moeten bijstaan door alle partijen bij fraudebestrijding te coördineren reeds sinds de Afcos werd opgezet in 201647.

77

In Letland troffen we een voorbeeld van een goede coördinatiepraktijk aan (zie tekstvak 5).

Tekstvak 5

Coördinatie tussen beheersautoriteiten en onderzoeks- en vervolgingsinstanties

In Letland weigerden de onderzoeksinstanties strafrechtelijke procedures in te stellen met betrekking tot een aantal zaken die waren vastgesteld door de beheersautoriteit en haar gedelegeerde intermediaire instanties. Om de redenen voor deze weigering te analyseren en te bepalen of werkwijzen moesten worden aangepast, zette de Afcos een interinstitutionele werkgroep op waarbij de autoriteiten, het Ministerie van Justitie, de politie en het openbaar ministerie betrokken waren. De werkgroep komt nu regelmatig bij elkaar om gevallen van vermoedelijke fraude bij de besteding van cohesiefinanciering te onderzoeken.

Conclusies en aanbevelingen

78

Door middel van deze controle beoordeelden we of de beheersautoriteiten hun verantwoordelijkheden behoorlijk hebben vervuld in elk stadium van het fraudebestrijdingsbeheerproces: fraudepreventie, de opsporing van en de reactie op fraude (waaronder de verslaglegging over fraude en de terugvordering van ten onrechte betaalde middelen). Met het oog hierop hebben we beoordeeld of de beheersautoriteiten:

  1. een fraudebestrijdingsbeleid hebben ontwikkeld, een grondige risicobeoordeling hebben uitgevoerd en passende preventieve en opsporingsmaatregelen hebben ingevoerd, en
  2. behoorlijk hebben gereageerd op opgespoorde fraude in overleg met de Afcos en andere bevoegde fraudebestrijdingsorganen.
79

Onze algemene conclusie luidt dat, hoewel de wijze waarop beheersautoriteiten frauderisico's vaststellen en preventieve maatregelen opzetten, is verbeterd, zij de opsporing, reactie en coördinatie met betrekking tot fraude moeten versterken.

Beheersautoriteiten hebben in het algemeen geen specifiek fraudebestrijdingsbeleid

80

Beheersautoriteiten stellen zelden een formeel fraudebestrijdingsbeleid of één enkel vergelijkbaar document op met de maatregelen om fraude te voorkomen, op te sporen en erop te reageren (correctie en vervolging), die zij hebben ontworpen op basis van een risicobeoordeling. Wij zijn van oordeel dat het van essentieel belang is om een formeel fraudebestrijdingsbeleid in de vorm van een op zichzelf staand document op te stellen en te publiceren om kenbaar te maken dat een beheersautoriteit vastberaden is fraude actief te bestrijden. Dit is met name van belang aangezien slechts tien lidstaten een nationale fraudebestrijdingsstrategie hebben vastgesteld op basis van de aanbeveling van de Commissie. We zien het ontbreken van bepalingen op grond waarvan beheersautoriteiten een formeel fraudebestrijdingsbeleid moeten vaststellen als een tekortkoming in het ontwerp van het fraudebestrijdingskader voor de periode 2014‑2020 (zie de paragrafen 18-21).

Aanbeveling 1 — Ontwikkel formele strategieën en beleid ter bestrijding van fraude ten nadele van EU-middelen
  1. Lidstaten die niet beschikken over een nationale fraudebestrijdingsstrategie (zie paragraaf 20 en voetnoot 19) moeten er één opstellen. De strategie moet ten minste:
    • gebaseerd zijn op de beoordeling van bestaande risico's, en actoren op verschillende terreinen die hier verstand van hebben (beheerders van EU-fondsen, bevoegde onderzoeks- en vervolgingsinstanties met betrekking tot fraude, enz.) moeten betrokken zijn bij het opstellen ervan;
    • een beschrijving bieden van concrete maatregelen om fraude te voorkomen, op te sporen, te onderzoeken en te vervolgen, en van de terugvordering en sancties;
    • specifieke regelingen voor de monitoring van de uitvoering van fraudebestrijdingsmaatregelen en het meten van resultaten bevatten, en
    • uitdrukkelijk verantwoordelijkheden voor de uitvoering, monitoring, coördinatie en vergelijkende evaluatie van fraudebestrijdingsmaatregelen toekennen.
  2. Tenzij een voldoende gedetailleerde strategie bestaat op nationaal niveau, moet de Commissie de beheersautoriteiten verplichten om formeel beleid of een formele verklaring op het gebied van fraudebestrijding vast te stellen met betrekking tot de OP's die onder hun verantwoordelijkheid vallen. Dit beleid moet dienen als enige referentiebron waarin de strategieën voor de ontwikkeling van een fraudebestrijdingscultuur, de toewijzing van verantwoordelijkheden voor de aanpak van fraude en de rapportagemechanismen voor vermoedens van fraude worden gespecificeerd alsook de manier waarop de diverse actoren moeten samenwerken in overeenstemming met fundamentele eis 7 en de richtsnoeren van de Commissie.

Tijdpad: eind 2019.

81

In overeenstemming met de nultolerantiebenadering ten aanzien van fraude kunnen de medewetgevers tijdens de onderhandelingen en het goedkeuringsproces voor de GB-verordening voor de periode 2021‑2027 overwegen de vaststelling van nationale strategieën of fraudebestrijdingsbeleid verplicht te stellen.

Beheersautoriteiten beoordelen frauderisico’s systematisch, maar dit proces zou verder kunnen worden verbeterd

82

In overeenstemming met de bepalingen van het controlekader 2014‑2020 beoordelen beheersautoriteiten frauderisico's nu systematisch (grotendeels op basis van de door de Commissie verstrekte richtsnoeren), wat een verbetering is in de bestrijding van fraude (zie de paragrafen 22 en 23). Bij sommige beheersautoriteiten die wij bezochten, is de benadering echter nog te mechanisch en omvat deze geen aanvullende input van andere actoren die er verstand van hebben, zoals de Afcos of onderzoeks- en vervolgingsinstanties.

83

De beheersautoriteiten komen in het algemeen tot de conclusie dat hun bestaande fraudebestrijdingsmaatregelen volstaan om de frauderisico's te ondervangen. Wij zijn van mening dat deze conclusie wel eens te optimistisch kan zijn (zie de paragrafen 24-28).

Aanbeveling 2 — Maak frauderisicobeoordelingen robuuster door relevante externe actoren te betrekken bij het proces

Beheersautoriteiten, met name die welke belast zijn met programma's waarmee grote risico's en grote bedragen gemoeid zijn, moeten ernaar streven relevante externe actoren met aantoonbare ervaring op het gebied van fraudebestrijding (bijv. vertegenwoordigers van vervolgingsinstanties) te betrekken bij de evaluatie van de risico's en de geschiktheid van de bestaande fraudebestrijdingsmaatregelen.

Tijdpad: eind 2019.

De beheersautoriteiten hebben de fraudepreventiemaatregelen verbeterd, maar ze hebben geen aanzienlijke vooruitgang in de richting van proactieve opsporing van fraude geboekt

84

De aanvullende fraudebestrijdingsmaatregelen die werden ontwikkeld voor de periode 2014‑2020 zijn grotendeels gericht op preventieve maatregelen, die uitgebreider zijn dan die in de periode 2007‑2013 werden opgezet (zie de paragrafen 29-32).

85

De fraudeopsporingsmaatregelen voor de periode 2014‑2020 blijven echter grotendeels dezelfde als die voor de periode 2007‑2013, die waren ontworpen in het kader van een zwakker controlekader (zie de paragrafen 33-35). De beheersautoriteiten maken onvoldoende gebruik van gegevensanalyse voor de opsporing van fraude, en de meeste van de door ons bezochte lidstaten benutten het Arachne-instrument niet optimaal (zie de paragrafen 36-38).

86

Beheersautoriteiten hebben geen aanzienlijke vooruitgang in de richting van “proactieve” fraudeopsporing geboekt, bijvoorbeeld door specifiek te controleren op collusie bij openbare aanbestedingen (zie paragraaf 33). Hoewel de beheersautoriteiten fraudemeldpunten en mechanismen voor klokkenluiders zien als zeer doeltreffende methoden om fraude op te sporen, maakt minder dan de helft van de beheersautoriteiten die aan onze enquête hebben deelgenomen hiervan daadwerkelijk gebruik (zie de paragrafen 34 en 35).

87

Verder is het niet mogelijk om de doeltreffendheid van maatregelen ter preventie of opsporing van fraude te beoordelen omdat de beheersautoriteiten geen procedures hebben voor het monitoren van de uitvoering van deze maatregelen en het evalueren van de doeltreffendheid ervan (zie de paragrafen 40 en 41).

Aanbeveling 3 — Verbeter de fraudeopsporingsmaatregelen door op grote schaal gebruik te maken van instrumenten voor gegevensanalyse en het gebruik van andere “proactieve” fraudeopsporingsmethoden te bevorderen
  1. De beheersautoriteiten die momenteel geen gebruik maken van instrumenten voor gegevensanalyse met betrekking tot fraude, met name Arachne, moeten deze opnemen vanwege het potentieel ervan om frauderisico's op een systematische en kostenefficiënte manier vast te stellen.
  2. In haar toezichthoudende rol onder gedeeld beheer moet de Commissie het gebruik van “proactieve” en andere nieuwe methoden om fraude op te sporen actief bevorderen door regelmatig specifieke gevallen van beste praktijken te verspreiden.
  3. In samenwerking met de Afcos moet de Commissie minimumregelingen ontwikkelen voor het monitoren en evalueren van de uitvoering en doeltreffendheid van maatregelen voor de preventie en opsporing van fraude.

Tijdpad: eind 2021.

88

Tijdens de onderhandelingen en het goedkeuringsproces voor de GB-verordening voor de periode 2021‑2027 kunnen de medewetgevers overwegen het gebruik van passende instrumenten voor gegevensanalyse (bijv. Arachne) verplicht te stellen voor de programmeringsperiode 2021‑2027 om de opsporing van fraude doeltreffender te maken tegen relatief lage kosten.

Beheersautoriteiten melden te weinig fraudegevallen voor de PIF-verslagen en laten na gevallen door te verwijzen naar onderzoeks- en vervolgingsinstanties

89

Wat betreft de reactie op fraude stelden we vast dat de beheersautoriteiten fraude te weinig melden waardoor de betrouwbaarheid van de opsporingspercentages van fraude die worden vermeld in PIF-verslagen wordt geschaad (zie de paragrafen 48-57). Meerdere beheersautoriteiten stellen onderzoeks- of vervolgingsinstanties ook niet systematisch in kennis van vermoedens van fraude (zie de paragrafen 58-60). We stelden vast dat de beheersautoriteiten de nadruk leggen op het intrekken van EU-financiering en niet altijd de frauduleuze bedragen terugvorderen van fraudeurs en ook geen afschrikkende boetes of sancties opleggen (zie de paragrafen 61 en 62). De beheersautoriteiten gaan ook niet goed na wat de mogelijke horizontale implicaties zijn van gevallen waarin fraude wordt vermoed (zie de paragrafen 63 en 64 en tekstvak 4). Al deze aspecten vormen een ernstige beperking van de afschrikkende werking van onderzoeken naar fraude.

Aanbeveling 4 — Monitor mechanismen voor de reactie op fraude om te waarborgen dat deze consistent worden toegepast
  1. De Commissie moet duidelijke fraudeverslagleggingsvereisten voor organen van de lidstaten in het algemeen en beheersautoriteiten in het bijzonder vaststellen. Deze moeten gebaseerd zijn op de standaardinterpretatie van fraude waardoor de financiële belangen van de EU worden geschaad in de nieuwe PIF-richtlijn.
  2. De Commissie moet beheersautoriteiten verplichten om stelselmatig de horizontale implicaties van vermoedelijke fraude in hun beheers- en controlesystemen te beoordelen.
  3. De Commissie moet de beheersautoriteiten aanmoedigen om instanties die strafrechtelijk onderzoek uitvoeren of vervolgingsinstanties in kennis te stellen van alle vermoedens van fraude.
  4. Om te zorgen voor een doeltreffende afschrikkende werking, moeten beheersautoriteiten evenredige maatregelen nemen om overheidsmiddelen terug te vorderen van fraudeurs en niet alleen de betrokken bedragen in te trekken van de uitgaven die voor EU-financiering zijn gedeclareerd.

Tijdpad: eind 2019.

90

Tijdens de onderhandelingen voor de GB-verordening voor de periode 2021‑2027 kunnen de medewetgevers overwegen specifieke sancties en boetes in te voeren voor degenen die verantwoordelijk zijn voor fraude die de financiële belangen van de EU schaadt. Met name kunnen deze maatregelen, evenals op andere beleidsterreinen, een specifieke geldboete omvatten die zou variëren afhankelijk van de financiële impact van de onregelmatigheid, of een mechanisme tot uitsluiting van EU-financiering voor een specifiek aantal jaren.

Fraudebestrijding wordt bemoeilijkt door de ontoereikende omschrijving van de taken van de Afcos in de verordening en door de beperkte coördinatie tussen instanties van de lidstaten

91

Wat betreft de coördinatie van fraudebestrijdingsactiviteiten stelden we aanzienlijke variatie vast in de wijze waarop Afcos zijn georganiseerd en van middelen worden voorzien (zie de paragrafen 66-70). In dit opzicht wordt met het voorstel van de Commissie om de OLAF-verordening te wijzigen niet voldoende duidelijkheid geschapen over de minimale functies van een Afcos. De status van fraudegevallen wordt niet op passende wijze gerapporteerd en nagegaan (zie de paragrafen 71-73), omdat Afcos niet altijd toegang hebben tot informatie over de status van fraudegevallen die worden onderzocht. Het feit dat er vaak geen coördinatie plaatsvindt, heeft nadelige gevolgen voor de doeltreffendheid van fraudebestrijding (zie de paragrafen 74-78).

Aanbeveling 5 — Ondersteun de uitbreiding van de functie van de Afcos om de coördinatie te verbeteren

De Commissie moet de lidstaten aanmoedigen om de coördinerende rol van de Afcos met betrekking tot beheersautoriteiten uit te breiden tot het onderhouden van contacten met alle nationale instanties die belast zijn met het onderzoeken en vervolgen van vermoedelijke fraude.

Tijdpad: eind 2019.

92

Hoewel de EU-medewetgevers het recht van de lidstaten op flexibiliteit in het bepalen en het organiseren van hun werkzaamheden in de strijd tegen fraude moeten eerbiedigen in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel, kunnen ze overwegen minimale functies voor een Afcos vast te stellen. Dit kan bijvoorbeeld worden gedaan in het kader van het lopende wetgevingsproces voor de aanpassing van de OLAF-verordening om te zorgen voor een doeltreffende coördinerende rol van de Afcos. De functies van de Afcos kunnen op zijn minst het volgende omvatten:

  • het zorgen voor contacten tussen de beheersautoriteiten (en de andere programma-autoriteiten) en de overige instanties van de lidstaten die betrokken zijn bij fraudebestrijding, met name onderzoeks- en vervolgingsinstanties;
  • het monitoren van de status van individuele gevallen en het verslag uitbrengen aan de Commissie over de follow-up die de verantwoordelijke beheersautoriteiten hebben gegeven, waarbij rekening wordt gehouden met de vertrouwelijkheid van lopende onderzoeken, en
  • het jaarlijks certificeren dat de informatie in het IMS volledig, betrouwbaar, juist en actueel is, met het oog op de opstelling door de Commissie van PIF-verslagen.

Dit verslag werd door kamer II, onder leiding van mevrouw Iliana IVANOVA, lid van de Rekenkamer, vastgesteld te Luxemburg op haar vergadering van 27 maart 2019.

Voor de Rekenkamer

Klaus-Heiner LEHNE
President

Acroniemen en afkortingen

Afcos: coördinatiedienst fraudebestrijding (Anti-fraud coordination service)

EFRO: Europees Fonds voor regionale ontwikkeling

ESF: Europees Sociaal Fonds

FDR: opsporingspercentage van fraude

GB-verordening: verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen

IMS: beheerssysteem voor onregelmatigheden (Irregularity Management System)

OLAF: Europees Bureau voor fraudebestrijding (Office européen de lutte antifraude)

OP: operationeel programma

Woordenlijst

Afschrikwekkende werking ten aanzien van fraude: veronderstelde impact van fraudebestrijdingsbeleid en -maatregelen wat betreft het verminderen van de waarschijnlijkheid dat natuurlijke of rechtspersonen frauduleuze handelingen zullen verrichten.

Als fraude gemelde onregelmatigheden: een term die de Commissie gebruikt in haar jaarlijkse PIF-verslagen om een onderscheid te maken tussen gevallen van vermoedelijke en vastgestelde fraude die door de lidstaten zijn gemeld, en onregelmatigheden waarbij geen sprake wordt geacht te zijn van opzet.

Arachne: IT-instrument voor risicobeoordeling dat voor het EFRO, het CF en het ESF is ontwikkeld door de Commissie (DG EMPL en DG REGIO) en dat de lidstaten gratis ter beschikking wordt gesteld in ruil voor beheersgegevens.

Beheerssysteem voor onregelmatigheden (IMS): een webapplicatie die wordt gebruikt door de lidstaten om (frauduleuze en niet-frauduleuze) onregelmatigheden op het gebied van gedeeld beheer te melden.

Cocolaf: het Raadgevend Comité coördinatie fraudebestrijding (Cocolaf) is opgezet bij Besluit 94/140/EG van de Commissie van 23 februari 1994. Het comité coördineert de acties van de lidstaten en de Europese Commissie ter bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Gemeenschap schaadt.

Cocolaf houdt toezicht op een reeks andere groepen die specifieke kwesties behandelen:

  • de fraudepreventiegroep;
  • de groep voor de melding en analyse van frauduleuze en andere onregelmatigheden;
  • de groep coördinatiedienst fraudebestrijding (Afcos) en
  • het fraudebestrijdingscommunicatienetwerk van OLAF (OAFCN).

Coördinatiedienst fraudebestrijding (Afcos): een orgaan dat door elke lidstaat in overeenstemming met de OLAF-verordening is aangewezen om samenwerking en informatie-uitwisseling met OLAF te vergemakkelijken.

Eerste administratieve of gerechtelijke vaststelling (PACA): een eerste schriftelijke beoordeling door een bevoegde administratieve of gerechtelijke autoriteit waarin op basis van concrete feiten wordt geconcludeerd dat er al dan niet opzettelijk een inbreuk heeft plaatsgevonden die nadelige gevolgen kan hebben voor de EU-begroting.

EGESIF: groep van deskundigen inzake de Europese structuur-en investeringsfondsen (Expert group on European Structural and Investment Funds) die de Commissie bijstaat met betrekking tot de uitvoering van de wetgeving inzake het EU-cohesiebeleid en de coördinatie en informatie-uitwisseling tussen de autoriteiten van de lidstaten.

EGESIF bespreekt specifieke richtsnoeren over een reeks onderwerpen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van cohesiefinanciering en stelt deze vast. Hoewel deze richtsnoeren juridisch niet bindend zijn, worden ze in het algemeen door de Commissie gebruikt om het werk van de autoriteiten van de lidstaten te beoordelen. In de programmeringsperiode 2007‑2013 werd met Cocof naar deze groep verwezen.

Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF): de dienst van de Commissie die verantwoordelijk is voor de bestrijding van fraude die de financiële belangen van de EU schaadt. OLAF is belast met het ontwikkelen en coördineren van het EU-fraudebestrijdingsbeleid en het verrichten van onderzoeken naar fraude en corruptie waarbij EU-middelen (ontvangsten en uitgaven) en/of EU-ambtenaren zijn betrokken.

Fraudebestrijdingsbeleid: instrument dat een organisatie gebruikt om kenbaar te maken dat ze vastberaden is fraude te bestrijden. Het moet het volgende omvatten:

  • strategieën voor de ontwikkeling van een fraudebestrijdingscultuur;
  • toewijzing van de verantwoordelijkheden voor de aanpak van fraude;
  • rapportagemechanismen voor verdenkingen van fraude;
  • samenwerking tussen de diverse betrokkenen.

Het fraudebestrijdingsbeleid moet zichtbaar zijn binnen een organisatie (en beschikbaar worden gemaakt voor alle nieuwe personeelsleden en op het intranet). Ook moet het personeel (via geregelde updates van fraudegevallen en rapportage over de uitkomsten van onderzoek naar fraude) duidelijk worden gemaakt dat dit beleid actief ten uitvoer wordt gelegd. (Bron: EGESIF_14-0021-00, sectie 4.1 en bijlage 3)

Onregelmatigheid: een handeling of nalaten in strijd met EU-wetgeving (of nationale wetgeving in verband met de toepassing ervan) met een mogelijke negatieve impact op de financiële belangen van de EU. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van onregelmatigheden die meer dan 10 000 EUR bedragen.

PIF: verband houdend met de bescherming van de financiële belangen van de EU. Van het Franse “protection des intérêts financiers”.

Programma-autoriteiten: de instanties van de lidstaten die belast zijn met het beheer en de monitoring van de uitvoering van operationele programma’s die worden gefinancierd uit de ESIF. Er zijn drie soorten: beheersautoriteiten (vaak ondersteund door intermediaire instanties), certificerende instanties en auditautoriteiten.

  • Beheersautoriteiten (BA’s) zijn vaak belast met het algemene beheer van elk OP. Ze worden vaak ondersteund door gedelegeerde intermediaire instanties. Tot hun taken behoren het selecteren van in aanmerking komende concrete acties en het verrichten van de financiële controle van deze concrete acties. De BA is de autoriteit die de hoofdverantwoordelijkheid draagt voor het treffen van fraudebestrijdingsmaatregelen.
  • De certificerende instanties (CI’s) zijn verantwoordelijk voor het opstellen van de jaarrekening en het certificeren van de volledigheid en juistheid daarvan. Zij zijn ook verantwoordelijk voor het indienen van betalingsaanvragen bij de Commissie. CI’s kunnen controles uitvoeren die leiden tot de vaststelling van vermoedelijke fraude.
  • Auditautoriteiten (AA’s) zijn onafhankelijke nationale of regionale instanties die moeten vaststellen of de jaarrekening die is ingediend door de certificerende instanties een getrouw en juist beeld geeft, of de bij de Commissie gedeclareerde uitgaven wettig en regelmatig zijn, en of de controlesystemen voor het OP naar behoren functioneren. AA’s kunnen zich bij hun systeemcontroles richten op de door de BA’s getroffen fraudebestrijdingsmaatregelen en zij kunnen vermoedelijke fraude vaststellen tijdens hun controles van concrete acties/verrichtingen.

Vastgestelde fraude: een onregelmatigheid die bij een definitieve beslissing door een strafrechtbank als “fraude” is aangemerkt.

Vermoedelijke fraude: een onregelmatigheid die aanleiding geeft tot het inleiden van een administratieve of gerechtelijke procedure op nationaal niveau teneinde vast te stellen of er sprake is van een opzettelijke handeling (of opzettelijk nalaten).

Antwoorden van de Commissie

SAMENVATTING

III

De Commissie heeft opdracht gegeven voor de externe studie „Preventing fraud and corruption in the European Structural and Investment Funds – taking stock of practices in the EU Member States48”. In deze studie wordt de opbouw van doeltreffende en evenredige fraudepreventiemaatregelen beoordeeld. De studie is in november 2018 gepubliceerd.

Voor de studie zijn 50 programma’s geanalyseerd, op basis waarvan wordt geconcludeerd dat de inspanningen inzake fraudebestrijding in 2014-2020 geformaliseerder en systematischer waren. Een grote meerderheid van de beheersautoriteiten heeft gebruikgemaakt van het instrument voor risicobeoordeling dat de Commissie in haar richtsnoeren van 2014 ter beschikking heeft gesteld. Het proces van frauderisicobeoordeling is een voorbeeld dat aantoont dat de inspanningen op het gebied van fraudebestrijding geformaliseerden zijn geworden. In de studie wordt vermeld dat het doorlopen van dit proces met een lijst van door de Commissie aanbevolen controles ertoe heeft bijgedragen dat sommige autoriteiten nieuwe opsporingscontroles hebben ingevoerd of de bestaande controles hebben verbeterd. Enkele voorbeelden:

  • het bestaan van een „commissie van deskundigen inzake openbare aanbestedingen” waarbij inschrijvers de mogelijkheid wordt geboden om contact met deze commissie op te nemen wanneer de procedure als gebrekkig wordt ervaren;
  • van tevoren vastgestelde budgets op basis van marktonderzoek die niet bekend worden gemaakt (manipulatie van overheidsopdrachten);
  • gebruik van IT-instrumenten voor de identificatie van dubbele aanvragen (manipulatie van kosten en kwaliteit);
  • samenwerking met aanbestedings- of mededingingsautoriteiten (heimelijke afspraken);
  • mechanisme voor klachten ten behoeve van begunstigden.

De Commissie heeft een instrument voor datamining, Arachne, ontworpen en actief gepromoot; het wordt gratis aan de lidstaten ter beschikking gesteld. Het wordt momenteel voor 165 programma’s gebruikt om de opsporing van rode vlaggen betreffende fraude te verbeteren.

IV

De Commissie heeft meermaals in haar jaarverslagen over de bescherming van de financiële belangen van de EU (PIF-verslagen) melding gemaakt van de concrete mogelijkheid dat sommige lidstaten te weinig fraudegevallen melden. De Commissie ontwikkelt het IMS voortdurend en biedt richtsnoeren voor de rapportage aan de lidstaten om dergelijke risico’s te beperken. Bovendien zijn de opsporingspercentages van fraude en de bijbehorende meerjarige analyse zodanig ontworpen dat rekening wordt gehouden met dergelijke tekortkomingen.

In het kader van haar herziene fraudebestrijdingsstrategie (CAFS) streeft de Commissie ernaar haar analyse uit te breiden op basis van aanvullende elementen, met name door landenprofielen te ontwikkelen om meer inzicht te krijgen in de verschillen in opsporing en rapportage tussen de lidstaten.

V

Eerste streepje: De Commissie staat volledig achter de vaststelling van nationale fraudebestrijdingsstrategieën door de lidstaten en heeft daartoe, onder auspiciën van het Raadgevend Comité coördinatie fraudebestrijding (COCOLAF), richtsnoeren opgesteld voor nationale fraudebestrijdingsstrategieën. De Commissie is verheugd over het feit dat tien lidstaten dit reeds hebben gedaan. Via haar richtsnoeren heeft de Commissie de beheersautoriteiten ook aanbevolen beleidsverklaringen inzake fraudebestrijding aan te nemen.

De Commissie zal de goedkeuring van de nationale fraudebestrijdingsstrategieën (NAFS) door de lidstaten blijven aanmoedigen en dienovereenkomstig bijstand blijven verlenen. De Commissie heeft echter geen rechtsgrondslag om van de beheersautoriteiten te eisen dat zij een formeel en zelfstandig fraudebestrijdingsbeleid op OP-niveau vaststellen. Desondanks heeft de Commissie de beheersautoriteiten aanbevolen een verklaring inzake fraudebestrijding te publiceren, en heeft zij daartoe richtsnoeren voorgesteld.

Tweede streepje: De Commissie steunt en bevordert in het algemeen de samenwerking tussen de autoriteiten van het Cohesiefonds en andere belangrijke nationale spelers op het gebied van fraudebestrijding, en zal dat blijven doen, in het bijzonder voor programma’s die bijzonder grote risico’s met zich meebrengen of met grote financiële volumes, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel.

Derde streepje: De Commissie heeft al uitgebreide richtsnoeren opgesteld voor de lidstaten met betrekking tot maatregelen voor de preventie en opsporing van fraude. De Commissie ondersteunt het gebruik van alle datamining-instrumenten, waaronder, en met name van Arachne, door de programma-autoriteiten, en zij zal dat actief blijven bevorderen. De Commissie heeft Arachne specifiek ontworpen voor de behoeften van de programma-autoriteiten in het kader van het cohesiebeleid en stelt het gratis ter beschikking van de lidstaten.

Vierde streepje: Overeenkomstig de bepalingen van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen zal de Commissie toezien op de uitvoering van de door de lidstaten vast te stellen fraudebestrijdingsmaatregelen op het niveau van de operationele programma’s (OP's). Bovendien stelt de Commissie in het kader van haar herziene fraudebestrijdingsstrategie landenprofielen op betreffende de fraudebestrijdingscapaciteiten van de lidstaten met betrekking tot onder andere preventie en opsporing. Deze landenprofielen zullen bijdragen tot een betere beoordeling van de uitvoering van maatregelen ter preventie en opsporing van fraude. Het meten van de doeltreffendheid van methoden voor de preventie en opsporing van fraude is echter een zeer complexe en uitdagende taak, aangezien fraude wordt beïnvloed door een grote verscheidenheid aan exogene factoren, die niet allemaal specifiek voor het beleidsterrein zijn.

Vijfde streepje: De Commissie zal de lidstaten blijven aanmoedigen om de coördinerende rol van de coördinatiediensten fraudebestrijding (Afcos'en) te versterken, met name door hun netwerk uit te breiden.

VI

De Commissie zal alle door de medewetgevers voorgestelde, hiermee verband houdend wijzigingen zorgvuldig beoordelen.

VII

De Commissie is het eens met de Rekenkamer wat betreft het belang van het waarborgen van de doeltreffendheid van Afcos'en en zou een duidelijkere definitie van hun functies kunnen ondersteunen. Het voorstel van de Commissie om de OLAF-verordening te wijzigen, betekent al een aanzienlijke verbetering ten opzichte van de huidige situatie, aangezien de Afcos'en ervoor moeten zorgen dat de bijstand aan OLAF wordt verleend ongeacht de wijze waarop deze wordt verleend (d.w.z. rechtstreeks door de Afcos'en of door een andere autoriteit die handelt op verzoek van de Afcos'en).

INLEIDING

05

In de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen voor de periode 2014-2020 is voor het eerst een verplichte risicobenadering ingevoerd en zijn evenredige en doeltreffende fraudebestrijdingsmaatregelen opgenomen die op het niveau van de operationele programma’s van toepassing zijn. Dit is een belangrijke stap in de richting van beter financieel beheer en de bescherming van de EU-begroting.

07

Het door de Rekenkamer genoemde informatieplatform voor fraudebestrijding is het antifraude-informatiesysteem van OLAF (AFIS).

Gezamenlijk antwoord van de Commissie op de paragrafen 08 en 09:

Het aandeel van de verdenkingen van fraude en niet-frauduleuze onregelmatigheden die in het kader van het cohesiebeleid door de autoriteiten van de lidstaten worden gemeld, kan worden geïnterpreteerd als de toenemende capaciteit van de lidstaten om onregelmatigheden, waaronder mogelijke gevallen van fraude, op te sporen en aan de Commissie te melden. De financiële gevolgen variëren sterk tussen de lidstaten en tussen de jaren.

In de PIF-verslagen heeft de Commissie regelmatig en consequent opgemerkt dat dit kan worden toegeschreven aan het feit dat projecten die met name in het kader van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (Efro) en het Cohesiefonds (CF) worden gefinancierd, zeer grote bedragen kunnen inhouden in vergelijking met andere beleidsterreinen.

10

Wat Slowakije betreft, is het hoge opsporingspercentage van fraude voor de periode 2007-2013 ten minste gedeeltelijk toe te schrijven aan een aantal in 2017 gemelde gevallen (4) met uitzonderlijke financiële bedragen.

OPMERKINGEN

Gezamenlijk antwoord van de Commissie op de paragrafen 18 en 19:

De Commissie staat volledig achter de vaststelling van nationale fraudebestrijdingsstrategieën door de lidstaten , waarmee de lidstaten ten opzichte van de begunstigden en het publiek aangeven hoe zij fraude willen bestrijden. Er zij op gewezen dat de lidstaten niet wettelijk verplicht zijn een nationale fraudebestrijdingsstrategie vast te stellen. Desondanks hebben tien lidstaten een nationale fraudebestrijdingsstrategie vastgesteld, en één lidstaat actualiseert zijn bestaande strategie (zie het PIF-verslag 2017).

De richtsnoeren van de Commissie voor de lidstaten en de programma-autoriteiten met betrekking tot frauderisicobeoordeling en doeltreffende en evenredige fraudepreventiemaatregelen (EGESIF 14-0021 van 16 juni 2014) omvatten een vrijwillig model voor een verklaring inzake het fraudebestrijdingsbeleid op programmaniveau.

Het doel van deze verklaring is om de nultolerantie voor fraude en de wijze waarop de beheersautoriteiten fraude willen bestrijden, aan de begunstigden en het publiek kenbaar te maken.

Om de kennis over fraude en corruptie te vergroten en de beheersautoriteiten te helpen fraude te bestrijden, heeft de Commissie in 2014-2015 in samenwerking met Transparency International diverse fraudebestrijdings- en corruptiebestrijdingsseminars in de lidstaten georganiseerd.

De Commissie verwijst voorts naar haar richtsnoeren voor de beoordeling van de essentiële vereisten van de beheers- en controlesystemen en met name naar criterium 7.3 met betrekking tot vereiste 7 inzake „evenredige en doeltreffende fraudebestrijdingsmaatregelen”. Hoewel deze essentiële vereiste niet per se betrekking heeft op fraudebestrijdingsbeleid maar op de noodzaak om een zelfevaluatie uit te voeren die tot gerichte controles leidt, worden ook andere aspecten toegevoegd dan de vastgestelde frauderisico’s en wordt duidelijk gemaakt wat het standpunt van de programma-autoriteiten tegen fraude zou moeten zijn.

Gezamenlijk antwoord van de Commissie op de paragrafen 20 en 21:

Ten eerste is de Commissie van mening dat de lidstaten een aantal maatregelen hebben genomen om de richtsnoeren en hun verplichtingen uit hoofde van de verordening ten uitvoer te leggen. Een van de conclusies van de externe studie over fraudebestrijdingsmaatregelen in de lidstaten waartoe de Commissie opdracht heeft gegeven, is dat de inspanningen van de Commissie om fraude en corruptie aan te pakken een aantal veranderingen op het niveau van de lidstaten hebben teweeggebracht en tot een meer gestructureerde en systematische aanpak hebben geleid. In het bijzonder heeft de uitvoering van de frauderisicobeoordeling overeenkomstig de in de template uiteengezette criteria geholpen om meer aandacht te besteden aan fraude- en corruptierisico’s, en zijn duidelijke verbanden gelegd tussen vastgestelde risico’s en specifieke risicobeperkende maatregelen (externe studie, blz. 49).

Ten tweede is het de combinatie van tekortkomingen in verband met essentiële vereiste 7 en andere niet-essentiële vereisten die kan worden gedefinieerd als „ernstige tekortkomingen op het niveau van het algemene beheers- en controlesysteem” en derhalve leidt tot onderbreking van de betalingstermijn of een financiële correctie. In dit verband fungeren essentiële vereiste 4 „adequate beheersverificaties” en 16 „adequate controles van concrete acties” als risicobeperkende controles, aangezien zij het mogelijk maken om potentiële fraude op te sporen. De niet-naleving van één aspect van het beheers- en controlesysteem dat verband houdt met de financiële gevolgen voor de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende transactie(s), leidt tot de onderbreking van de betaling of tot financiële correcties door de Commissie. De Commissie is daarom van mening dat het rechtskader voor de periode 2014-2020 duidelijk is versterkt door de invoering van de verplichting om doeltreffende en evenredige fraudepreventiemaatregelen te nemen, hoewel er geen wettelijke vereiste is voor een formeel beleid inzake fraudebestrijding.

Er zijn minder randvoorwaarden die meer gericht zijn op de specifieke doelstellingen van het desbetreffende fonds. Zodra hieraan is voldaan, moeten deze de autoriteiten van de lidstaten in staat stellen om met de uitvoering van de fondsen te beginnen. Fraudebestrijdingsmaatregelen zijn erop gericht de risico’s tot een minimum te beperken en moeten periodiek worden geëvalueerd. Fraudebestrijdingsmaatregelen zijn daarom niet geschikt om in de randvoorwaarden te worden opgenomen.

Gezamenlijk antwoord van de Commissie op de paragrafen 22 tot en met 23bis:

Met het door de Rekenkamer vermelde praktische hulpmiddel van de Commissie voor de beoordeling van frauderisico’s kan voor alle programma’s een consistente aanpak van risicobeoordelingen in alle lidstaten worden gehanteerd.

In de externe studie over fraudebestrijdingsmaatregelen die door de Rekenkamer wordt genoemd, werd bevestigd dat de beheersautoriteiten de frauderisico’s nu beoordelen in overeenstemming met de vereisten van het controlekader voor de periode 2014-2020, dat zij de paraatheid van de bestaande interne controles om de aan verschillende fraudescenario’s verbonden risico’s aan te pakken beoordelen en dat zij gebieden identificeren waar aanvullende controles noodzakelijk zijn. Nieuwe vereisten hebben geleid tot een meer gestructureerde aanpak van frauderisicobeoordeling.

De Commissie heeft ook praktische presentaties gegeven over het gebruik van haar aanbevolen risicobeoordelingsinstrument tijdens seminars voor bewustmaking inzake fraudebestrijding/corruptiebestrijding in de periode 2014-2015 in 15 lidstaten (BG, RO, IT, SK, CZ, HR, LV, HU, MT, SI, LT, ES, PL, PT, EE). Bovendien is het instrument in 2015 aan alle lidstaten gepresenteerd als onderdeel van de opleiding voor het beheersysteem voor onregelmatigheden (IMS). De Commissie deelt de conclusie van de Rekenkamer dat de lidstaten het door de Commissie ontworpen model hebben gebruikt.

De Commissie zal de autoriteiten van de lidstaten blijven ondersteunen bij het verbeteren van hun administratieve capaciteit voor de bestrijding van fraude. De nieuwe opleidingsmodule voor deskundigen (in samenwerking met EIPA) betreffende de identificatie en preventie van fraude en corruptie in de ESI-fondsen 2014-2020 en een vervolgstudie, die zal voortbouwen op de resultaten van de overzichtsstudie, zijn gepland.

Gezamenlijk antwoord van de Commissie op de paragrafen 24 en 25:

De Commissie is van mening dat de beheersautoriteiten over het algemeen een meer proactieve benadering van de beoordeling van frauderisico’s hanteren.

De mening van de Commissie wordt bevestigd door de externe studie, waarin werd vastgesteld dat „in de meeste operationele programma’s (40) de autoriteiten een actieve aanpak hebben gehanteerd om hun frauderisicobeoordelingen te ontwikkelen” en dat „een grote meerderheid van de frauderisicobeoordelingen op basis van het template van de Commissie (76 %) volledig werd ingevuld en slechts 14 % gedeeltelijk, en slechts 8 % alleen de basisinformatie bevatte. De twee frauderisicobeoordelingen die de minste informatie bevatten, hadden betrekking op OP’s waarbij een passieve aanpak werd gehanteerd”. Bovendien wordt in de studie geconcludeerd dat „... sommige autoriteiten het toepassingsgebied van de frauderisicobeoordelingen zelf hebben uitgebreid tot andere vormen van risico's ... terwijl andere beheersautoriteiten voor hun beoordeling een grotere mate van granulariteit hebben verschaft”. Bovendien stellen de beheersautoriteiten vast dat hun personeel zich meer bewust wordt van het belang van frauderisicobeoordeling en verbetering van de IT-systemen die worden gebruikt om fraude te voorkomen en op te sporen.

Volgens de richtsnoeren van de Commissie begint het fraudebestrijdingsproces met een zelfbeoordeling op basis van de kennis van de beheersautoriteiten over de omstandigheden en de bijbehorende specifieke frauderisico’s en over algemeen onderkende en terugkerende fraudeconstructies. De Commissie beveelt het zelfbeoordelingsteam aan dat de meest relevante spelers aan het proces deelnemen, hetgeen betrekking kan hebben op verschillende afdelingen van de beheersautoriteit, de certificeringsautoriteit en de uitvoerende organen. Het betrekken van Afco's en andere gespecialiseerde instanties wordt overgelaten aan de beheersautoriteiten (punt 3.2). De auditautoriteit (AA) zal het proces controleren zonder enige directe rol te spelen. Wat de frauderisicobeoordeling betreft, wordt in de externe studie ook bevestigd dat de „betrokkenheid van de verschillende autoriteiten bij de activiteiten op het gebied van fraudebestrijding (MA, IB’s, AA, CA, Afco's en rechtshandhavingsinstanties) leidt tot een betere coördinatie van de activiteiten op het gebied van fraudebestrijding en tot een vermindering van de frauderisico’s”.

26

De frauderisicobeoordeling vindt doorlopend plaats en moet worden verfijnd en herzien tijdens de uitvoering van het programma.

Eerste streepje: Het zekerheidsmodel 2014-2020 is gebaseerd op het toezicht van de auditautoriteit op de beheersautoriteit via systeemaudits en audits van concrete acties, resulterend in een beoordeling van elke essentiële vereiste van beheers- en controlesystemen, met inbegrip van essentiële vereiste 7 die specifiek betrekking heeft op fraudebestrijdingsmaatregelen. In het geval van Bulgarije heeft de auditautoriteit een aantal frauderisico’s vastgesteld en heeft de verantwoordelijke beheersautoriteit passende maatregelen genomen om de situatie recht te zetten. Het algehele systeem functioneerde derhalve: er werd gezorgd voor krachtiger fraudebestrijdingsmaatregelen.

Tweede streepje: De Commissie zal alle mogelijke maatregelen onderzoeken waarmee het bewustzijn hieromtrent bij de Franse autoriteiten wordt vergroot en de beoordeling van de betrokken beheersautoriteiten en auditautoriteiten in het kader van de respectieve jaarlijkse bijeenkomsten kan worden verbeterd.

Derde streepje: Het voorbeeld betreffende Spanje laat zien dat de beheersautoriteit haar verantwoordelijkheden met betrekking tot fraudebestrijdingsmaatregelen en het toezicht op intermediaire instanties serieus neemt. Door middel van de evaluatie die tot haar mandaat behoort, kan de beheersautoriteit maatregelen aanbevelen om de vastgestelde tekortkomingen aan te passen; de afdeling interne audit van de beheersautoriteit zorgt voor de follow-up.

Vijfde streepje: De diensten van de Commissie hebben Hongarije auditaanbevelingen gedaan om hun fraudebestrijdingsmaatregelen verder te verbeteren. De Hongaarse beheersautoriteiten moeten er bijvoorbeeld voor zorgen dat de verificatieprocedures tijdens de selectie- en beheersfasen evenredige fraudepreventiemaatregelen omvatten, met inbegrip van de aanpassing van het IT-subsysteem.

De Commissie verwacht daarom dat de frauderisicobeoordeling in Hongarije zal verbeteren.

27

Er zij op gewezen dat van de lidstaten wordt verwacht dat zij fraudebestrijdingsmaatregelen treffen waarin met het evenredigheidsbeginsel rekening wordt gehouden. Deze maatregelen kunnen altijd worden verbeterd op basis van gevallen waarin fraude is opgespoord en van nieuwe geconstateerde risico’s, maar zij moeten in verhouding blijven tot het vastgestelde risico.

In de externe evaluatiestudie werd geconcludeerd dat fraudebestrijdingsmaatregelen in het algemeen evenredig zijn met de vastgestelde risico’s, zelfs wanneer rekening wordt gehouden met het feit dat sommige autoriteiten de risico’s tijdens hun zelfevaluatie kunnen onderschatten. Daarnaast hebben de beheersautoriteiten zelf voorgesteld om risicobeperkende maatregelen te nemen als reactie op vastgestelde risico’s die verder gaan dan wat door de Commissie is voorgesteld, hetgeen erop wijst dat er enige reflectie is geweest over de beste manier om de risico’s aan te pakken.

29

De Commissie beveelt de beheersautoriteiten aan om een proactieve, gestructureerde en gerichte aanpak vast te stellen voor het beheer van frauderisico's. Overeenkomstig het in de regelgeving vervatte evenredigheidsbeginsel moeten de risicogebaseerde maatregelen ook kosteneffectief zijn.

Gezamenlijk antwoord van de Commissie op de paragrafen 30 tot en met 32:

Volgens de richtsnoeren van de Commissie inzake frauderisicobeoordeling en doeltreffende en evenredige fraudepreventiemaatregelen hebben preventietechnieken het vaakst betrekking op de invoering van een robuust systeem van interne controles, gecombineerd met een proactieve, gestructureerde en gerichte frauderisicobeoordeling. Daarnaast kunnen uitgebreide activiteiten op het gebied van opleiding en bewustmaking en de ontwikkeling van een „ethische” cultuur (gedragscode, missionstatements) en duidelijke toewijzing van verantwoordelijkheden (om een beheers- en controlesysteem op te zetten dat doeltreffend wordt ingezet ter bestrijding van fraude) zeer nuttig zijn bij de bestrijding van fraude en het terugdringen van de mogelijkheden om fraude te plegen. Naast de bovengenoemde maatregelen stelt de Commissie ook andere risicobeperkende maatregelen voor, met betrekking tot specifieke gebieden (belangenconflicten, overheidsopdrachten, dubbele financiering), die volgens de externe studie bijna alle autoriteiten van de lidstaten in hun fraudepreventiemechanismen gebruiken. Verder werd in de studie geconcludeerd dat sommige lidstaten, naast het gebruik van wat de Commissie heeft voorgesteld, ook eigen fraudepreventiemaatregelen hebben ontwikkeld.

Daarnaast onderzoekt de Commissie nieuwe innovatieve manieren om corrupte praktijken in met EU-middelen gefinancierde projecten te voorkomen en ervoor te zorgen dat het geld van de belastingbetaler efficiënt en transparant wordt besteed, zoals de door de Rekenkamer in tekstvak 1 vermelde pilot inzake integriteitspacten.

De afgelopen jaren heeft de Commissie ook specifieke documenten gepubliceerd ter versterking van fraudepreventie, waarvan de meeste onder auspiciën van het Raadgevend Comité coördinatie fraudebestrijding (COCOLAF). Bijvoorbeeld:

  • Fraude bij de gunning van overheidsopdrachten – Een verzameling rode vlaggen en beste praktijken (2017);
  • Richtsnoeren betreffende nationale fraudebestrijdingsstrategieën (2014 en 2016);
  • Vaststellen van belangenconflicten in aanbestedingsprocedures voor structurele acties – Een praktische gids voor beheerders (2013);
  • Compendium van geanonimiseerde zaken – Structurele acties (2012).
33

Preventie en opsporing van fraude zijn met elkaar verbonden. Opsporing maakt inderdaad deel uit van de normale controles die voor alle programma’s gelden, zowel op het niveau van de beheersautoriteit (beheersverificaties) als van de auditautoriteit (audits en controles).

In de externe studie werd bevestigd dat de beheersautoriteiten aanvullende controles hebben ontwikkeld ter aanvulling van de door de Commissie voor 2014-2020 aanbevolen controles. Hieronder vallen ook maatregelen die bijdragen tot het opsporen van fraude, zoals:

  • het bestaan van een „commissie van deskundigen inzake openbare aanbestedingen” waarbij inschrijvers de mogelijkheid wordt geboden om contact met deze commissie op te nemen wanneer de procedure als gebrekkig wordt ervaren;
  • van tevoren vastgestelde budgets op basis van marktonderzoek die niet bekend worden gemaakt (manipulatie van overheidsopdrachten);
  • gebruik van IT-instrumenten voor de identificatie van dubbele aanvragen (manipulatie van kosten en kwaliteit);
  • samenwerking met aanbestedings- of mededingingsautoriteiten (heimelijke afspraken);
  • mechanisme voor klachten ten behoeve van begunstigden.

De mogelijkheden van bestaande en beschikbare datamining-instrumenten zoals Arachne worden door sommige programma-autoriteiten reeds op een meer omvattende wijze gebruikt, bijvoorbeeld als risicoscore- en opsporingsinstrument om tijdens het gunnings- en subsidieproces potentiële begunstigde ondernemingen, hun uiteindelijk begunstigden en zakenpartners te controleren, mogelijke belangenconflicten en risico’s van dubbele financiering te beoordelen, rode vlaggen te identificeren en de doeltreffendheid en efficiëntie van beheersverificaties te vergroten.

Ten slotte heeft de Commissie in het PIF-verslag 2017 de lidstaten aanbevolen het potentieel van risicoanalyse te benutten (onder meer door de controles te richten op risicoprofielen van projecten die moeten worden ontworpen en aangepast op basis van diepgaande evaluaties) om hun proactieve opsporingscapaciteiten te vergroten.

Gezamenlijk antwoord van de Commissie op de paragrafen 34 en 35:

Het ontbreken van veilige meldkanalen voor klokkenluiders was een ernstig zorgpunt dat naar voren kwam uit de reacties op de openbare raadpleging van de Commissie van 2017.

Het huidige voorstel van de richtlijn inzake klokkenluiders omvat interne en externe meldkanalen die de vertrouwelijkheid waarborgen in alle entiteiten in de particuliere en publieke sector, in de hele EU.

De voorgestelde richtlijn verplicht i) juridische entiteiten in de particuliere en publieke sector, ii) bevoegde autoriteiten en iii) de lidstaten om gemakkelijk toegankelijke informatie te verstrekken over de meldkanalen, bescherming en de voorwaarden om gebruik te kunnen maken van bescherming en beschikbare rechtsmiddelen, waardoor de rechtszekerheid voor klokkenluiders toeneemt. Bovendien voorziet het voorstel erin dat klokkenluiders voor bescherming in aanmerking komen als zij bij de melding redelijke gronden hebben om aan te nemen dat de verstrekte informatie onder het toepassingsgebied van deze richtlijn valt. Deze waarborg zorgt ervoor dat klokkenluiders nog steeds worden beschermd als uiteindelijk blijkt dat de melding niet binnen het toepassingsgebied valt (als er bijvoorbeeld sprake is van een inbreuk in verband met nationale middelen en niet met EU-middelen).

Wat de bewustmaking betreft, maken de wijzigingen die momenteel met de medewetgevers worden besproken expliciet dat anonieme klokkenluiders worden beschermd wanneer hun identiteit achteraf wordt onthuld en zij voldoen aan de in het voorstel uiteengezette voorwaarden voor bescherming.

Gezamenlijk antwoord van de Commissie op de paragrafen 36 en 37:

Arachne kan als risicoscore-instrument de selectie, de beheersverificaties en de controle van projecten efficiënter maken en de identificatie, preventie en opsporing van fraude verder versterken. Het effectieve gebruik van Arachne is een goede praktijk voor het vaststellen van rode vlaggen en het gericht uitvoeren van fraudebestrijdingsmaatregelen, en het moet in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de toereikendheid van de huidige preventie- en opsporingssystemen. In de PIF-verslagen voor 2015 en daaropvolgende jaren heeft de Commissie de lidstaten uitdrukkelijk aanbevolen meer gebruik te maken van IT-instrumenten voor risicoscore (met name Arachne) en risicoanalyse, en benadrukt zij dat deze belangrijk zijn in de strijd tegen fraude.

De mogelijkheden van bestaande en beschikbare datamining-instrumenten zoals Arachne worden door sommige programma-autoriteiten reeds op een meer omvattende wijze gebruikt, bijvoorbeeld als risicoscore- en opsporingsinstrument om tijdens het gunnings- en subsidieproces potentiële begunstigde ondernemingen, hun uiteindelijk begunstigden en zakenpartners te controleren, mogelijke belangenconflicten en risico’s van dubbele financiering te beoordelen, rode vlaggen te identificeren en de doeltreffendheid en efficiëntie van beheersverificaties te vergroten.

Zie ook het antwoord van de Commissie op paragraaf 33.

37

Eerste streepje: De diensten van de Commissie hebben in februari 2019 een vergadering met de Griekse autoriteiten georganiseerd om duidelijkheid te verkrijgen over hun standpunt betreffende de integratie van het gebruik van Arachne in het beheers- en controlesysteem voor Griekse programma’s. De conclusie van deze vergadering was dat Arachne een aanvulling kan vormen op de instrumenten die intern door de Griekse programma-autoriteiten zijn ontwikkeld en dat derhalve, samen met de Commissie, moet worden gewerkt aan de integratie van Arachne in het beheers- en controlesysteem.

Tweede streepje: De Commissie moedigt de lidstaten voortdurend aan operationele gegevens regelmatig bij te werken om de volledige capaciteit van het datamining-instrument Arachne te benutten. Voor de vier door de Rekenkamer gecontroleerde lidstaten stelt de Commissie een toename vast van het aantal actieve gebruikers of van het aantal OP’s waarvoor Arachne wordt ingezet.

Derde streepje: Arachne kan door onderzoeksinstanties per geval worden gebruikt, met inachtneming van de regelgeving inzake gegevensbescherming.

38

De Commissie blijft de programma-autoriteiten bezoeken om de voordelen en de functies van het datamining-instrument Arachne te promoten. Tegelijkertijd onderzoekt de Commissie of het mogelijk is om risicogebieden verder te concentreren door (achterhaalde) indicatoren af te schaffen of door nieuwe indicatoren te creëren, bijvoorbeeld een indicator om de kmo-status van een onderneming te bevestigen.

De perceptie van sommige lidstaten dat het nut van het instrument afhangt van het aantal OP’s waarvoor regelmatig gegevens worden geüpload en bijgewerkt, is onjuist.

Het nut van Arachne hangt wel af van de input van de autoriteiten van hun eigen programmagegevens die regelmatig worden bijgewerkt. De interne gegevens van OP's worden vervolgens gecontroleerd en verwerkt door Arachne, samen met van externe databanken afkomstige gegevens over bedrijven in heel Europa en de rest van de wereld.

Gezamenlijk antwoord van de Commissie op de paragrafen 40 en 41:

Fraudebestrijding is een continu proces dat begint met de instelling van een frauderisicobeoordeling en risicobeperkende maatregelen. De auditautoriteiten van de lidstaten moeten de uitvoering van doeltreffende en evenredige fraudepreventiemaatregelen op het niveau van de bemiddelende instanties systematisch beoordelen in het kader van hun systeemaudits (in het kader van essentiële vereiste 7 wordt de toereikendheid van dergelijke maatregelen beoordeeld)49. Daarnaast wordt de uitvoering van fraudebestrijdingsmaatregelen gecontroleerd door de Commissie.

Uit de resultaten van de controles door de Commissie en de nationale autoriteiten blijkt tot dusver dat van de 263 gecontroleerde OP’s er voor 100 goed functionerende fraudebestrijdingsmaatregelen zijn ingevoerd, dat de fraudebestrijdingsmaatregelen voor 152 OP’s goed functioneerden, maar enkele verbeteringen nodig waren, en dat voor 11 OP’s aanzienlijke verbeteringen nodig waren.

De doeltreffendheid van fraudepreventiemaatregelen is moeilijk te meten, met name in de eerste jaren van de uitvoering, aangezien deze maatregelen verband houden met het daadwerkelijke uitgavenniveau en met certificering aan de Commissie.

Fraudeopsporing kan worden getraceerd, maar voor het meten van de doeltreffendheid ervan zou een vergelijking nodig zijn met de onbekende totale omvang van fraude, met inbegrip van niet-opgespoorde fraude. Zoals echter reeds vermeld in het antwoord van de Commissie op speciaal verslag nr. 1/2019, is er geen kosteneffectieve methode om niet-opgespoorde fraude op zodanig betrouwbare en verdedigbare wijze te schatten dat het volstaat voor empirisch onderbouwd beleid. Bovendien hangt de doeltreffendheid van de opsporing van fraude af van exogene factoren.

De Commissie moedigt de lidstaten aan gebruik te maken van de bevindingen van de auditautoriteiten om actieplannen op te stellen teneinde fouten en risico’s aan te pakken. Voorts interveniëren de beheersautoriteiten en de centrale instanties telkens wanneer in het beheers- en controlesysteem van het OP een fout/risico wordt geconstateerd, en worden de procedureregels voor de desbetreffende controleactiviteiten herzien. In de jaarlijkse frauderisicoanalyse zijn derhalve de in de loop van het jaar geconstateerde fouten niet opgenomen.

43

Er zij op gewezen dat het zekerheidsmodel 2014-2020 grondig is versterkt met betrekking tot de verantwoordingsplicht van de lidstaten, hetgeen samen met de nieuwe eis inzake fraudebestrijdingsmaatregelen in artikel 125, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 (de GB-verordening) de trend kan verklaren die de Rekenkamer laat zien.

Gezamenlijk antwoord van de Commissie op de paragrafen 44 en 45:

In het PIF-verslag 2017 heeft de Commissie haar eigen analyse gepubliceerd van de redenen voor de uitvoering van de controle (een gestructureerd veld) die hebben geleid tot opsporing in de programmeringsperiode 2007-2013. De resultaten zijn vergelijkbaar en complementair50. De Commissie trekt echter andere conclusies uit deze analyse. Op de hogere waarde van opsporingen afkomstig van onderzoeks- en vervolgingsinstanties is gewezen sinds het PIF-verslag van 201451; volgens de analyse van de Commissie is deze waarde gekoppeld aan de doeltreffendheid van de onderzoeken en de sterke onderzoekscapaciteiten van de betrokken autoriteiten.

46

Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad tot instelling van het Europees Openbaar Ministerie (EOM) in het kader van de nauwere samenwerking legt alle bevoegde autoriteiten de verplichting op om gevallen van fraude die de financiële belangen van de EU schaadt, te melden bij het Europees Openbaar Ministerie52. Dit geldt ook voor de beheersautoriteiten.

Bovendien zal OLAF, zoals bepaald in Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013, een sleutelrol blijven spelen bij de bestrijding van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie in alle lidstaten worden geschaad.

Tot slot zijn de lidstaten op grond van de in de sectorale wetgeving vastgestelde bepalingen inzake rapportage verplicht de Commissie in kennis te stellen van de resultaten van procedures in verband met fraudegevallen.

De bovengenoemde verplichtingen gelden ook voor de beheersautoriteiten.

De Commissie heeft ook aanbevolen fraudebestrijdingsmaatregelen in het kader van nationale fraudebestrijdingsstrategieën te integreren53. Aan deze aanbeveling is gevolg gegeven door middel van de door de Commissie vastgestelde „algemene richtsnoeren inzake nationale fraudebestrijdingsstrategieën”54. Nationale fraudebestrijdingsstrategieën bevorderen samenwerking en coördinatie als sleutelelementen voor de bescherming van de financiële belangen van de EU.

Gezamenlijk antwoord van de Commissie op de paragrafen 47 tot en met 48:

Elk gebruik door de Commissie van de via het IMS gerapporteerde gegevens is gebaseerd op het besef dat de rapportage onvolledig kan zijn. Dit wordt ook duidelijk vermeld in verschillende PIF-verslagen en in de bijbehorende methodologie voor de evaluatie van gemelde onregelmatigheden55. Het rapporteren van opgespoorde frauduleuze onregelmatigheden is gekoppeld aan de efficiëntie van het systeem, aangezien dit inhoudt dat verschillende instanties en autoriteiten op dit gebied samenwerken. Op basis van deze veronderstellingen heeft de Commissie herhaaldelijk haar twijfels geuit over de betrouwbaarheid van de van lidstaten ontvangen gegevens, die een zeer gering aantal frauduleuze onregelmatigheden melden.

49

De kwestie van de verschillende interpretaties van de EU-definitie van fraude wordt ook erkend in de PIF-verslagen. Soms zijn deze interpretatieverschillen inherent aan de verschillende rechtsstelsels en de wijze waarop bepaalde gedragingen in aanmerking worden genomen (bv. belangenconflicten worden in bepaalde landen als crimineel gedrag beschouwd en dienovereenkomstig gerapporteerd, en in andere landen niet). De Commissie heeft voorgesteld deze definities in de PIF-richtlijn te harmoniseren. De richtlijn, zoals aangenomen door het EP en de Raad, voorziet weliswaar in verdergaande harmonisatie van de voornaamste PIF-delicten, maar bevat geen definities van alle relevante delicten.

50

De Commissie is van mening dat de bevinding van de Rekenkamer dat de beheersautoriteiten in Hongarije niet naar behoren vermoedens van fraude melden die vóór de certificering bij de Commissie zijn opgelost, voornamelijk een kwestie is van een verkeerde interpretatie van de bepalingen inzake verslaglegging door de lidstaat. Zodra gevallen van „vermoeden van fraude” zijn gemeld, mogen deze niet uit het IMS worden ingetrokken, ook al zijn er bij de Commissie geen uitgaven meer ingediend, zoals in Hongarije wellicht het geval was. De Commissie zal de Hongaarse autoriteiten attent maken op de correcte toepassing van de betrokken bepaling.

51

De Commissie is zich ervan bewust dat het moment waarop tot melding wordt overgegaan, tussen de lidstaten en zelfs binnen de lidstaten kan verschillen. Daartoe werd in 2017 de laatste hand gelegd aan het handboek voor de rapportage van onregelmatigheden, dat in samenwerking met nationale deskundigen is opgesteld56. Het handboek zal geen oplossing bieden voor alle situaties, maar zal zeker zorgen voor meer samenhang in dit opzicht. Het is recentelijk goedgekeurd, waardoor er nog geen effect is op de door de Rekenkamer verzamelde gegevens.

Om dit probleem op te lossen, hanteert de Commissie in haar PIF-verslagen evenwel een meerjarige analyse, die met betrekking tot het cohesiebeleid hele programmeringsperiodes omvat, waardoor de impact van uitgestelde rapportage wordt verminderd.

Gezamenlijk antwoord van de Commissie op de paragrafen 53 en 54:

Wanneer er ontwikkelingen zijn die verband houden met een zaak in het IMS, kunnen en moeten de rapporterende autoriteiten de desbetreffende informatie bijwerken. De gegevens kunnen op een bepaald moment onnauwkeurig en/of achterhaald zijn, maar achteraf worden gecorrigeerd. Het IMS is een „levend systeem” dat weliswaar niet perfect is, maar het is het meest complete systeem dat momenteel beschikbaar is.

De Commissie wijst de meldende autoriteiten regelmatig op de noodzaak om de kwaliteit van de gerapporteerde informatie te controleren en zo nodig bij te werken.

De beoordeling van de financiële impact van fraudezaken blijft in veel opzichten controversieel. De Commissie zal steun blijven verlenen aan de nationale autoriteiten, maar het is onwaarschijnlijk dat verschillen in interpretatie volledig zullen verdwijnen.

55

Het lage aantal frauduleuze onregelmatigheden dat sommige lidstaten hebben gemeld, kan het gevolg zijn van een groot aantal variabelen, zoals het niveau van de controles van EU-middelen of het aandeel van de EU-middelen in vergelijking met de totale overheidsinvesteringen in die lidstaat.

Het verslag van Frankrijk is bekend bij de Commissie en er is al eerder op gewezen in voorgaande PIF-verslagen, die specifieke aanbevelingen aan (onder meer) deze lidstaat bevatten.

Zie ook de antwoorden van de Commissie op de paragrafen 47-48 en 53-54.

Gezamenlijk antwoord van de Commissie op de paragrafen 56 en 57:

Het opsporingspercentage van fraude betreft de financiële impact van opgespoorde en gemelde frauduleuze onregelmatigheden op de betalingen.

Ondanks de genoemde tekortkomingen, waarvan de Commissie volledig op de hoogte is, is het IMS het enige hulpmiddel dat de analyse van door de lidstaten op EU-niveau opgespoorde en gemelde fraude mogelijk maakt.

Op basis van deze analyses en rekening houdend met de bekende beperkingen van het systeem, komt de Commissie tot specifieke conclusies met betrekking tot de risico’s die verband houden met specifieke beleidsterreinen alsmede tot de opsporingsinspanningen en het rapportagegedrag van de lidstaten.

De Commissie streeft er in het kader van haar herziene fraudebestrijdingsstrategie, met gebruikmaking van een verbeterd IMS, ook naar haar analyse uit te breiden op basis van aanvullende elementen, met name door landenprofielen te ontwikkelen om beter inzicht te krijgen in de verschillen in opsporing en rapportage tussen de lidstaten.

Zoals reeds aangegeven met betrekking tot Speciaal verslag nr. 1/2019 van de Europese Rekenkamer, moet het ontbreken van een sterke correlatie tussen gemelde opsporingspercentages van fraude en de perceptie van corruptie niet te veel worden benadrukt. Corruptie is een van de vele werkwijzen waarmee fraude ten koste van de EU-begroting wordt gepleegd.

59

In punt 4.3.3 van de richtsnoeren van de Commissie betreffende frauderisicobeoordeling staat dat de beheersautoriteiten moeten beschikken over duidelijke mechanismen om te zorgen voor voldoende coördinatie op het gebied van fraudebestrijding met de auditautoriteit en de bevoegde onderzoeksautoriteiten in de lidstaat. Dit moet worden vertaald in de beheers- en controle-instructies en de specifieke opzet is gewoonlijk opgenomen in de beschrijving van het beheers- en controlesysteem van elk programma.

In haar PIF-verslag 2014 heeft de Commissie de nationale verplichtingen in kaart gebracht57. In 2014 hebben slechts vier lidstaten (Verenigd Koninkrijk, Ierland, Zweden en Denemarken) in hun antwoorden op de vragenlijst over het specifieke gedeelte van het „verslag artikel 325 VWEU” aangegeven dat zij geen verplichting voor overheidsfunctionarissen hadden om onderzoeks- of vervolgingsinstanties in te lichten over mogelijke gevallen van fraude58.

De verordening tot oprichting van het EOM voorziet al in een meldingsplicht voor alle bevoegde autoriteiten (artikel 24), en dit geldt ook voor de beheersautoriteiten wanneer het Europees Openbaar Ministerie (EOM) is opgericht (ten vroegste in november 2020). In Griekenland is elke beheersautoriteit verplicht de Afcos in te lichten over elk geval van vermoedelijke fraude en in dit verband is binnen elke beheersautoriteit een contactpersoon aangewezen voor de Afcos. Tevens is er een officier van justitie gedetacheerd bij de Griekse Afcos. De Commissie zal erop toezien of deze opzet doeltreffende communicatie tussen de beheersautoriteiten en de Afcos waarborgt.

In Spanje zijn ambtenaren op grond van het nationale recht verplicht om alle vermoedelijke gevallen van fraude te melden.

60

De Commissie is van mening dat de analyse van de redenen voor de afwijzing van een mogelijk fraudegeval door de bevoegde autoriteit een gedeelde verantwoordelijkheid is. Diensten die deze gevallen analyseren en onderzoeken, moeten aan de beheersautoriteiten feedback geven over het uitgevoerde onderzoek en de redenen om geen onderzoek in te stellen.

In dit verband zouden Afcos'en een grotere rol kunnen spelen om te zorgen voor een betere coördinatie tussen de beheersautoriteiten en het OM. Dergelijke regelingen bestaan bijvoorbeeld in Bulgarije (zie het laatste jaarlijkse actieplan, goedgekeurd op 24 januari 2019 (http://www.afcos.bg/bg/node/227) en in Griekenland (waar de Afcos bij het klachtenbeheerssysteem is betrokken).

62

De Commissie en de lidstaten moeten in eerste instantie de EU-begroting beschermen. Dat gebeurt bijvoorbeeld op doeltreffende wijze door de intrekking van de betrokken uitgaven van het door de EU medegefinancierde programma door de programma-autoriteiten. De gerechtelijke procedure kan echter op nationaal niveau worden voortgezet en de terugvordering van de daders zal enige tijd in beslag nemen, afhankelijk van de uitkomst van deze gerechtelijke procedure, die enkele jaren kan duren. Uit het oogpunt van administratieve efficiëntie en de rechtszekerheid van de EU-begroting verdient het daarom de voorkeur dat de desbetreffende bedragen onmiddellijk uit het medegefinancierde operationele programma worden ingetrokken, terwijl de lidstaat op nationaal niveau de vereiste gerechtelijke procedures volgt. Bovendien beschikt de Commissie niet over juridische middelen om de lidstaten te dwingen dergelijke gerechtelijke procedures te starten of om middelen van de dader terug te vorderen zodra de uitgaven zijn ingetrokken en bijgevolg geen deel meer uitmaken van het door de EU medegefinancierde programma.

Gezamenlijk antwoord van de Commissie op de paragrafen 63 en 64 en tekstvak 3:

De Commissie wijst de lidstaten regelmatig op hun verplichtingen met betrekking tot de mogelijke horizontale gevolgen van één geconstateerd geval van fraude, gebaseerd op punt 4.4 van de richtsnoeren inzake frauderisicobeoordeling. Sommige lidstaten beoordelen inderdaad de gevolgen van mogelijke fraudegevallen voor hun systemen en passen corrigerende maatregelen toe.

Gezamenlijk antwoord van de Commissie op de paragrafen 66 en 67:

Volgens de huidige bepalingen van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 bestaat de rol van Afcos'en in een doeltreffende samenwerking en uitwisseling van informatie met OLAF. Over de organisatie en de bevoegdheden van de Afcos'en kan elke lidstaat echter zelf beslissen. Aangezien Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 betrekking heeft op de onderzoeken van OLAF, is de rol van Afcos'en, als gedefinieerd in artikel 3, lid 4, beperkt tot samenwerking op het gebied van onderzoek en is het niet nodig om taken zoals de monitoring van de melding van fraude of de coördinatie van het werk van alle betrokken partijen op nationaal niveau op te nemen. De Commissie zou echter een uitbreiding van de rol van de Afcos'en kunnen ondersteunen.

De Commissie heeft in 2013, kort na de inwerkingtreding van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013, richtsnoeren opgesteld om de lidstaten ertoe aan te sporen een mogelijke ruimere rol voor de Afcos'en in overweging te nemen door hen ook andere fraudebestrijdingstaken toe te vertrouwen. Het doel van de richtsnoeren was om de lidstaten te ondersteunen bij de oprichting van hun Afcos'en in de periode 2013-2014, en deze waren niet bindend voor de lidstaten.

69

Uit de evaluatie van de OLAF-verordening is gebleken dat de oprichting van de Afcos'en een duidelijke verbetering van de samenwerking en uitwisseling van informatie tussen OLAF en de lidstaten tot gevolg had, maar er is ook ruimte voor verdere verbetering vastgesteld.

De diversiteit van de Afcos'en werd erkend, maar er waren uiteenlopende standpunten (met name bij de Afcos'en zelf) over de noodzaak om hun rol en bevoegdheden verder op elkaar af te stemmen.

70

Hoewel de Commissie het ermee eens is dat meer samenhang tussen de Afcos'en in verschillende lidstaten wenselijk is, is het momenteel aan de medewetgevers om over eventuele wijzigingen te beslissen.

Het voorstel van de Commissie om de OLAF-verordening te wijzigen, dat zich momenteel in het wetgevingsproces bevindt, betekent al een aanzienlijke verbetering ten opzichte van de huidige situatie, vanuit meerdere perspectieven.

Ten eerste wordt voorgesteld (artikel 12 bis) om de rol van de Afcos'en in de lidstaten verder te specificeren ter ondersteuning van OLAF, met name door een resultaatverplichting tot stand te brengen waarmee wordt gewaarborgd dat OLAF de bijstand krijgt die het voor zijn onderzoeken nodig heeft, rechtstreeks door de Afcos'en of door een andere autoriteit.

Hoewel het voorstel de organisatie en de bevoegdheden van de Afcos'en niet harmoniseert, is in het voorstel bepaald dat de Afcos'en de bijstand die OLAF nodig heeft, moeten „verlenen”, „verkrijgen” of „coördineren”.

Ten tweede voorziet het voorstel ook in een rechtsgrondslag voor onderlinge samenwerking tussen de Afcos'en die momenteel ontbreekt in de juridische opzet van de Afcos'en.

71

Hoewel de Commissie het ermee eens is dat informatie over de status en statistieken van zaken nuttig zou zijn voor een doeltreffende coördinatie van de fraudebestrijding, vereist het huidige juridische mandaat van de Afcos'en, zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 4, van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013, geen toegang tot statistieken over het aantal en de voortgang van de zaken die door de bevoegde nationale autoriteiten worden onderzocht.

72

De huidige OLAF-verordening 883/2013 verplicht de Afcos'en niet tot een volledig overzicht van onderzoeken door bevoegde nationale autoriteiten met betrekking tot EU-financiering in de betrokken lidstaat.

73

Zie ook het gezamenlijk antwoord van de Commissie op de paragrafen 47 en 48.

74

De Commissie is het ermee eens dat de lidstaten voor de bescherming van de financiële belangen van de EU toereikende coördinatiemechanismen moeten instellen waarmee verschillende actoren informatie kunnen uitwisselen over de genomen maatregelen en de geplande stappen alsook aanbevelingen voor verbetering.

75

OLAF moedigt de lidstaten aan om Afcos-netwerken op te zetten ter verbetering van de nationale coördinatie van fraudebestrijding.

76

Ingrijpen op het niveau van de activiteiten van de nationale openbare aanklager valt niet binnen de bevoegdheden van de Commissie; de Commissie blijft echter van mening dat er moet worden samengewerkt tussen de organen die verantwoordelijk zijn voor het beheer van EU-middelen, controles en fraudepreventie, en andere relevante nationale organen, zoals het openbaar ministerie. In dit verband verzoekt de Commissie, in voorkomend geval, om informatie over de genomen of geplande maatregelen om ervoor te zorgen dat medegefinancierde acties uit de ESI-fondsen op regelmatige, efficiënte en doeltreffende wijze ten uitvoer worden gelegd.

Zie de antwoorden van de Commissie op de paragrafen 46 en 75.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

80

De Commissie staat volledig achter de vaststelling van nationale fraudebestrijdingsstrategieën door de lidstaten in hun strijd tegen fraude. Hoewel er geen wettelijke verplichting zijn, hebben tien lidstaten op vrijwillige basis een nationale fraudebestrijdingsstrategie vastgesteld en één lidstaat actualiseert zijn bestaande strategie.

De richtsnoeren van de Commissie van 2014 inzake frauderisicobeoordeling en doeltreffende en evenredige fraudepreventiemaatregelen omvatten een vrijwillig model voor een verklaring inzake het fraudebestrijdingsbeleid op programmaniveau, met als doel ten opzichte van de begunstigden en het publiek duidelijk te maken dat de programma-autoriteiten fraude nooit tolereren en aan te geven hoe zij fraude willen bestrijden.

De Commissie verwijst voorts naar haar richtsnoeren voor de beoordeling van de essentiële vereisten van de beheers- en controlesystemen en met name naar criterium 7.3 met betrekking tot essentiële vereiste 7 inzake „evenredige en doeltreffende fraudebestrijdingsmaatregelen”. Hoewel deze essentiële vereiste niet per se betrekking heeft op antifraudebeleid maar op de noodzaak om een zelfevaluatie uit te voeren die tot gerichte controles inzake vastgestelde frauderisico’s leidt, wordt duidelijk gemaakt wat het standpunt van de programma-autoriteiten tegen fraude zou moeten zijn. Niet-naleving kan onder bepaalde omstandigheden (d.w.z. in combinatie met andere tekortkomingen) tot gevolg hebben dat de Commissie betalingen onderbreekt of financiële correcties verricht.

Aanbeveling 1 – Ontwikkeling van formele strategieën en beleid om fraude met EU-middelen te bestrijden
  1. De Commissie merkt op dat deze aanbeveling is gericht tot de lidstaten.
    De Commissie staat volledig achter de vaststelling van nationale fraudebestrijdingsstrategieën door de lidstaten. Hiertoe heeft de Commissie onder auspiciën van het Raadgevend Comité coördinatie fraudebestrijding (COCOLAF) richtsnoeren opgesteld voor nationale fraudebestrijdingsstrategieën.
  2. De Commissie aanvaardt de aanbeveling.
    De Commissie zal de vaststelling van nationale fraudebestrijdingsstrategieën door de lidstaten blijven aanmoedigen en dienovereenkomstig bijstand blijven verlenen. De Commissie heeft echter geen rechtsgrondslag om van de beheersautoriteiten te eisen dat zij een formeel en zelfstandig fraudebestrijdingsbeleid op OP-niveau vaststellen, maar zij heeft deze autoriteiten via haar richtsnoeren wel aanbevolen zulks te doen.

Een duidelijke beleidsverklaring per programma-autoriteit, zoals voorzien in de richtsnoeren van de Commissie, is inderdaad een geschikt instrument om de begunstigden en het publiek te laten weten hoe de beheersautoriteiten de strijd tegen fraude willen aanpakken. De beheersautoriteiten die verder willen gaan dan de onmiddellijke regelgevingsvereisten kunnen het in de richtsnoeren voorziene model gebruiken voor een beleidsverklaring inzake fraudebestrijding op programmaniveau.

81

De Commissie zal alle door de medewetgevers voorgestelde, hiermee verband houdend wijzigingen zorgvuldig beoordelen.

82

Uit de externe studie over fraudebestrijdingsmaatregelen waarvoor de Commissie opdracht heeft gegeven, blijkt dat wanneer het frauderisicobeoordelingsinstrument van de Commissie wordt gebruikt voor de OP’s, de aanpak van de lidstaat formeler en meer gestructureerd is en dat in de meeste OP’s een „zelfbeoordeling” van de frauderisico’s wordt uitgevoerd. De beheersautoriteiten hebben de door de Commissie voorgestelde risicobeperkende maatregelen niet alleen naar de letter gebruikt, maar zij hebben een aantal controles toegevoegd die niet in de voorgestelde opties zijn opgenomen, hetgeen erop wijst dat er een zekere mate van reflectie heeft plaatsgevonden over de beste manier om de vastgestelde risico’s aan te pakken.

83

De door de lidstaten te nemen fraudebestrijdingsmaatregelen moeten in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel. De maatregelen kunnen altijd worden verbeterd op basis van de opsporing van fraude en van nieuwe geconstateerde risico’s. In de studie waarvoor de Commissie opdracht heeft gegeven, werd geconcludeerd dat de bestaande fraudebestrijdingsmaatregelen in het algemeen evenredig zijn met de vastgestelde risico’s.

Aanbeveling 2 – De frauderisicobeoordeling robuuster maken door relevante externe actoren bij het proces te betrekken

De Commissie merkt op dat deze aanbeveling is gericht tot de lidstaten.

De Commissie steunt en bevordert in het algemeen de samenwerking tussen de autoriteiten van het Cohesiefonds en andere belangrijke nationale spelers op het gebied van fraudebestrijding, en zal dat blijven doen, in het bijzonder voor programma’s die bijzonder grote risico’s met zich meebrengen of met grote financiële volumes, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel.

84

In het rechtskader 2014-2020 is bepaald dat beheersautoriteiten „fraudepreventiemaatregelen op basis van de vastgestelde risico's” moeten nemen. Dit is een ten opzichte van voorgaande perioden een aanvullende verplichting waaraan deze autoriteiten moeten voldoen (zie artikel 125, lid 4, onder c), van Verordening (EU) nr. 1303/2013). De lidstaten gebruiken niet alleen de risicobeperkende maatregelen die de Commissie in haar richtsnoeren heeft voorgesteld, maar hebben daarnaast eigen maatregelen ontwikkeld. Deze aanvullende controles per risicogebied functioneren op het niveau van het systeem en op projectniveau en omvatten verder onderzoek door de bevoegde nationale onderzoeksinstanties.

85

Fraudeopsporing maakt inderdaad deel uit van de normale controles, zowel op het niveau van de beheersautoriteit als op het niveau van de auditautoriteit. Het feit dat systeemaudits nu betrekking hebben op de bestaande procedures voor doeltreffende en evenredige fraudepreventiemaatregelen (essentiële systeemvereiste 7) zorgt voor een extra instrument om de toereikendheid van dergelijke maatregelen te beoordelen, zoals blijkt uit de door de auditautoriteiten gerapporteerde auditverslagen.

De mogelijkheden van bestaande en beschikbare datamininginstrumenten zoals het door de Commissie opgezette Arachne worden door sommige programma-autoriteiten reeds op een meer omvattende wijze gebruikt, bijvoorbeeld als risicoscore- en opsporingsinstrument om tijdens het gunnings- en subsidieproces potentiële begunstigde ondernemingen, hun uiteindelijk begunstigden en zakenpartners te controleren, mogelijke belangenconflicten en risico’s van dubbele financiering te beoordelen, rode vlaggen te identificeren en de doeltreffendheid en efficiëntie van beheersverificaties te vergroten.

Arachne is in 2016 gemoderniseerd in overeenstemming met de eisen van de gebruikers en de actualisering betrof de verbetering van de bestaande functionaliteiten. Er moet nogmaals op worden gewezen dat Arachne, bij gebreke van een rechtsgrondslag, op vrijwillige basis en kosteloos door de Commissie aan de lidstaten wordt aangeboden. De lidstaten moeten beslissen of zij Arachne of een ander instrument willen gebruiken en in welke mate.

86

De beheersautoriteiten leggen steeds meer nadruk op opsporingsmaatregelen, bijvoorbeeld met betrekking tot de opsporing van collusie door middel van verificatiemaatregelen, met inbegrip van de ontwikkeling van checklists en rode vlaggen, de samenwerking met aanbestedings- en mededingingsautoriteiten en een ad-hocvergelijking van kosten.

Het toegenomen gebruik van hotlines en andere klokkenluidersmechanismen maakt deel uit van de aanbeveling van de Commissie aan de lidstaten die is opgenomen in het PIF-verslag 2017. OLAF stelt verder een webgebaseerd fraudemeldsysteem ter beschikking aan iedereen die informatie wil verstrekken over mogelijke corruptie en fraude (http://ec.europa.eu/anti-fraud/olaf-and-you/report-fraud_en).

Het huidige voorstel van de richtlijn inzake klokkenluiders omvat interne en externe meldkanalen die de vertrouwelijkheid waarborgen in alle entiteiten in de particuliere en publieke sector, in de hele EU.

87

Er moet worden opgemerkt dat de doeltreffendheid van fraudepreventie per definitie moeilijk te meten is en afhankelijk is van exogene factoren. Fraudeopsporing kan worden getraceerd, maar voor het meten van de doeltreffendheid ervan zou een vergelijking nodig zijn met de onbekende totale omvang van fraude, met inbegrip van niet-opgespoorde fraude. Zoals echter reeds vermeld in het antwoord van de Commissie op speciaal verslag nr. 1/2019, is er geen kosteneffectieve methode om niet-opgespoorde fraude op zodanig betrouwbare en verdedigbare wijze te schatten dat het volstaat voor empirisch onderbouwd beleid. De lidstaten dienen fraude te monitoren en te rapporteren, de vastgestelde risico’s regelmatig opnieuw te beoordelen en te actualiseren, en indien nodig aanvullende evenredige risicobeperkende maatregelen te nemen.

Aanbeveling 3 – Verbetering van fraudeopsporingsmaatregelen door het gebruik van instrumenten voor gegevensanalyse te veralgemenen en het gebruik van andere „proactieve” fraudeopsporingsmethoden te bevorderen

(a) De Commissie merkt op dat deze aanbeveling is gericht tot de lidstaten.

De Commissie ondersteunt het gebruik van alle datamining-instrumenten, waaronder met name van Arachne, door de programma-autoriteiten, en zij zal dat actief blijven bevorderen. De Commissie heeft Arachne specifiek ontworpen voor de behoeften van de programma-autoriteiten in het kader van het cohesiebeleid en stelt het gratis ter beschikking van de lidstaten.

(b) De Commissie aanvaardt deze aanbeveling.

In overeenstemming met de op stapel staande herziene fraudebestrijdingsstrategie zal de Commissie documenten blijven verstrekken om beste praktijken te verspreiden onder de nationale autoriteiten die belast zijn met de tenuitvoerlegging van het cohesiebeleid.

Voorbeelden van dergelijke documenten die de afgelopen jaren onder auspiciën van het Raadgevend Comité coördinatie fraudebestrijding (COCOLAF) zijn verschenen, zijn:

  • Fraude bij de gunning van overheidsopdrachten – Een verzameling rode vlaggen en beste praktijken (2017)
  • Handboek: The role of Member States' auditors in fraud prevention and detection for EU Structural and Investment Funds, Experience and practice in the Member States (2014)
  • Detection of forged documents in the field of structural actions, A practical guide for managing authorities (2013)
  • Vaststellen van belangenconflicten in aanbestedingsprocedures voor structurele acties – Een praktische gids voor beheerders (2013)
  • Compendium van geanonimiseerde zaken – Structurele acties (2012)

Ten slotte worden sommige in de externe studie genoemde praktijken in de lidstaten betreffende doeltreffende en evenredige fraudebestrijdingsmaatregelen in een compendium van fraudebestrijdingspraktijken voor de preventie en opsporing van fraude en corruptie in ESI-fondsen openbaar gemaakt op de Europa-site.

(c) De Commissie aanvaardt deze aanbeveling gedeeltelijk.

Het meten van de doeltreffendheid van methoden voor de preventie en opsporing van fraude is een zeer complexe en uitdagende taak, aangezien fraude wordt beïnvloed door een grote verscheidenheid aan exogene factoren, die niet allemaal specifiek voor het beleidsterrein zijn. De Commissie stelt echter in het kader van de herziene fraudebestrijdingsstrategie van de Commissie landenprofielen op betreffende de fraudebestrijdingscapaciteiten van de lidstaten met betrekking tot onder andere preventie en opsporing. Deze landenprofielen zullen bijdragen tot een betere beoordeling van de uitvoering van maatregelen ter preventie en opsporing van fraude in de lidstaten.

88

De Commissie zal alle door de medewetgevers voorgestelde, hiermee verband houdend wijzigingen zorgvuldig beoordelen. De Commissie moedigt de lidstaten actief aan om gebruik te maken van datamining-instrumenten, met name Arachne.

89

De Commissie heeft in de PIF-verslagen meermaals melding gemaakt van de concrete mogelijkheid dat sommige lidstaten te weinig fraudegevallen melden. De Commissie ontwikkelt het IMS voortdurend en biedt richtsnoeren voor de rapportage aan de lidstaten om dergelijke risico’s te beperken. Bovendien zijn de opsporingspercentages van fraude en de bijbehorende meerjarige analyse zodanig ontworpen dat rekening wordt gehouden met dergelijke tekortkomingen.

In het kader van haar herziene fraudebestrijdingsstrategie streeft de Commissie ernaar haar analyse uit te breiden op basis van aanvullende elementen, met name door landenprofielen te ontwikkelen om meer inzicht te krijgen in de verschillen in opsporing en rapportage tussen de lidstaten.

Bovendien is de analyse van de redenen voor de afwijzing van een mogelijke fraudezaak door de bevoegde autoriteit een gedeelde verantwoordelijkheid van de beheersautoriteiten en de onderzoeksinstanties. Diensten die deze gevallen analyseren en onderzoeken, moeten aan de beheersautoriteiten feedback geven over het uitgevoerde onderzoek en de redenen om geen onderzoek in te stellen. In dit verband zouden de Afcos'en grotere rol kunnen spelen bij het zorgen voor een betere coördinatie tussen de beheersautoriteiten en de gerechtelijke autoriteiten.

Bij gedeeld beheer past de Commissie ten opzichte van de lidstaten opschorting van betalingen, onderbrekingen en financiële correcties toe om ervoor te zorgen dat de EU-begroting doeltreffend wordt beschermd. De lidstaten beschermen ook de EU-begroting door onregelmatige of frauduleuze uitgaven in verband met medegefinancierde programma’s in te trekken. Het is de verantwoordelijkheid van de lidstaten om overheidsmiddelen terug te vorderen van fraudeurs, in overeenstemming met de nationale wetgeving of wanneer fraude is bevestigd door middel van een nationale gerechtelijke procedure.

De Commissie wijst de lidstaten regelmatig op hun verplichtingen met betrekking tot de mogelijke horizontale gevolgen van één op programmaniveau geconstateerd geval van fraude, gebaseerd op punt 4.4 van de richtsnoeren inzake frauderisicobeoordeling. Er zijn voorbeelden van lidstaten die de horizontale gevolgen van mogelijke fraudegevallen op hun systemen of voor een specifieke begunstigde hebben beoordeeld en corrigerende maatregelen hebben toegepast.

Aanbeveling 4 – Monitor mechanismen voor de reactie op fraude om te waarborgen dat deze consistent worden toegepast

(a) De Commissie aanvaardt deze aanbeveling.

Het voorstel voor de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen voor de periode na 2020 bevat de rechtsgrondslag voor het melden van onregelmatigheden. In de uitvoeringsbepalingen zal rekening worden gehouden met de definitie van fraude in de PIF-richtlijn.

De verantwoordelijkheid van de beheersautoriteiten met betrekking tot vermoedelijke fraude bestaat erin dergelijke gevallen te melden aan de nationale instanties die bevoegd zijn om onderzoek te verrichten en fraude te vervolgen. Het is aan OLAF, de nationale organen voor fraude-onderzoek en de nationale rechtbanken om vast te stellen of gedragingen opzettelijk zijn en moeten worden gekwalificeerd als „vermoedelijke fraude”.

De rapportageverplichtingen zijn eveneens opgenomen in het rechtskader voor de cohesiefondsen voor de periode 2021-2027. De Commissie stelt voor deze verplichtingen niet te beperken tot gevallen waarin reeds fraude is geconstateerd.

(b) De Commissie aanvaardt deze aanbeveling.

De Commissie zal de lidstaten blijven aanmoedigen om systematisch de horizontale gevolgen van op programmaniveau geïdentificeerde verdenkingen van fraude te beoordelen, zoals bepaald in punt 4.4 van de richtsnoeren inzake frauderisicobeoordeling.

(c) De Commissie aanvaardt deze aanbeveling.

De Commissie zal de lidstaten herinneren aan hun verplichting om fraude te melden aan de bevoegde onderzoeksautoriteiten (zie met betrekking tot meldingsmechanismen punt 4.3.3 van de richtsnoeren van 2014 inzake frauderisicobeoordeling en doeltreffende en evenredige fraudepreventiemaatregelen).

De verordening tot oprichting van het EOM voorziet al in een meldingsplicht voor alle bevoegde autoriteiten (artikel 24), en dit geldt ook voor de beheersautoriteiten wanneer het Europees Openbaar Ministerie (EOM) is opgericht (ten vroegste in november 2020).

Laatste alinea: De Commissie merkt op dat deze aanbeveling is gericht tot de lidstaten.

De Commissie is het ermee eens dat doeltreffende terugvordering van de daders deel uitmaakt van het afschrikkende effect van de genomen maatregelen.

90

De Commissie zal alle door de medewetgevers voorgestelde, hiermee verband houdend wijzigingen zorgvuldig beoordelen.

91

Volgens de huidige bepalingen van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 bestaat de rol van Afcos'en in een doeltreffende samenwerking en uitwisseling van informatie met OLAF. Over de organisatie en de bevoegdheden van de Afcos'en kan elke lidstaat echter zelf beslissen. Hun opzet verschilt dus van lidstaat tot lidstaat, niet in de laatste plaats vanwege de verschillende nationale stelsels, en de doeltreffendheid van de Afcos'en wordt soms beïnvloed door de beperkte bevoegdheden en middelen die sommige lidstaten hen verlenen.

De Commissie heeft in 2013 richtsnoeren opgesteld om de lidstaten te helpen bij het opzetten van hun Afcos'en, met een potentieel bredere rol voor de Afcos'en, maar dit document was niet bindend.

Uit de evaluatie van de OLAF-verordening is gebleken dat de oprichting van de Afcos'en een duidelijke verbetering van de samenwerking en uitwisseling van informatie tussen OLAF en de lidstaten tot gevolg had, maar er is ook ruimte voor verdere verbetering vastgesteld. De diversiteit van de Afcos'en werd erkend, maar er waren uiteenlopende standpunten (met name bij de Afcos'en zelf) over de noodzaak om hun rol en bevoegdheden verder op elkaar af te stemmen.

In het voorstel van de Commissie tot wijziging van de OLAF-verordening worden de verantwoordelijkheden van de Afcos'en verduidelijkt wat betreft het verlenen van bijstand aan OLAF. Daartoe voorziet het voorstel in een resultaatverplichting voor Afcos'en, maar er wordt afgezien van harmonisatie van hun organisatie en bevoegdheden door middel van de invoering van minimumfuncties. Daarnaast voorziet het voorstel in een rechtsgrondslag voor horizontale samenwerking tussen de Afcos'en.

De Commissie is het ermee eens dat een goede coördinatie tussen de autoriteiten van de lidstaten van essentieel belang is voor een succesvolle fraudebestrijding.

Aanbeveling 5 – Steun geven aan uitbreiding van de functies van de Afcos'en om de coördinatie te verbeteren

De Commissie aanvaardt deze aanbeveling.

De Afcos'en spelen een algemene rol bij het ondersteunen van de onderzoeken van OLAF in de lidstaten. Voor deze taak kan het inderdaad nodig zijn om contact te leggen met de beheersautoriteiten en andere instanties van de lidstaten die betrokken zijn bij fraudebestrijding. Dit maakt nu al deel uit van de rol van de Afcos'en en de Commissie zal de Afcos'en van de lidstaten blijven aanmoedigen hun netwerk uit te breiden. De Afcos'en zijn het meest geschikt om te bepalen om welke autoriteiten het gaat; dat kan verschillen van lidstaat tot lidstaat.

92

De Commissie is het eens met de Rekenkamer over het belang van het waarborgen van de doeltreffendheid van de Afcos'en en zou een duidelijkere definitie van de functies van de Afcos'en kunnen ondersteunen.

Het voorstel van de Commissie tot wijziging van de OLAF-verordening laat echter het algemene beginsel onverlet dat de organisatie en de taken van de Afcos'en moeten worden bepaald door het nationale recht. Het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 883/2013 is beperkt tot het onderzoeksmandaat van OLAF en daarom richt het zich, wat de rol van de Afcos'en betreft, op de bijstand die Afcos'en aan OLAF moeten verlenen bij de uitoefening van dit mandaat. Hoewel het voorstel geen harmonisatie betreft, houdt het voorstel in dat de Afcos'en de bijstand die OLAF nodig heeft moeten „verlenen” of „verkrijgen” (dat wil zeggen een resultaatverplichting voor de Afcos'en). Het voorstel van de Commissie betekent derhalve al een aanzienlijke verbetering ten opzichte van de huidige situatie, aangezien de Afcos ervoor moeten zorgen dat de bijstand aan OLAF wordt verleend ongeacht of bijstand rechtstreeks door de Afcos'en wordt verleend of door een andere autoriteit die handelt op verzoek van de Afcos.

Voetnoten

1 We hebben verwijzingen naar EU-ontvangsten verwijderd uit deze definities.

2 Artikel 1, lid 2, van Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (de “PIF-verordening”) (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).

3 Artikel 1, onder a), van de bijlage bij de Akte van de Raad van 26 juli 1995 tot vaststelling van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (de “PIF-overeenkomst”).

4 De andere ESIF zijn het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV).

5 De artikelen 58, onder h), 70, lid 1, onder b), en 98, lid 1, van de geconsolideerde versie van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1260/1999 (PB L 210 van 31.7.2006, blz. 25), en de artikelen 20, lid 2, onder a), 28, lid 1, onder e) en n), 28, lid 2, 30 en 33, lid 2, van de geconsolideerde versie van Verordening (EG) nr. 1828/2006 van de Commissie van 8 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 371 van 27.12.2006, blz. 1).

6 De artikelen 72 en 125, lid 4, onder c), van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320), hierna de GB-verordening. In dit verslag verwijzen we naar het “fraudebestrijdingsbeheerproces”, wat overeenkomt met de term “fraudebestrijdingsbeheercyclus”, die door de Commissie wordt gebruikt in haar richtsnoeren.

7 Richtsnoeren van de Commissie voor lidstaten en programma-autoriteiten over frauderisicobeoordeling en doeltreffende en evenredige fraudebestrijdingsmaatregelen (EGESIF 14-0021), blz. 11.

8 Sectie 2.2.1 van de Joint Anti-fraud Strategy 2015‑2020 for ERDF, CF, ESF, FEAD, EGF, EUSF and EMFF, Ares(2015)6023058 van 23 december 2015 (beschikbaar op: http://ec.europa.eu/sfc/sites/sfc2014/files/sfc-files/JOINT%20ANTI-FRAUD-STRATEGY2015‑2020.pdf).

9 Artikel 3, lid 4, van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1), zoals gewijzigd bij Verordening (EU, Euratom) 2016/2030 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 (PB L 317 van 23.11.2016, blz. 1).

10 “Guidance note on main tasks and responsibilities of an Anti-Fraud Coordination Service (AFCOS)”, 13 november 2013, Ares(2013)3403880.

11 De afkorting PIF komt van het Franse “protection des intérêts financiers” en verwijst over het algemeen naar de bescherming van de financiële belangen van de EU.

12 Artikel 17, lid 1, van Richtlijn 2017/1371.

13 COM(2018) 553 final van 3 september 2018.

14 Statistische bijlage bij het PIF-verslag 2017, blz. 93. Het FDR is de verhouding tussen de bedragen die gemoeid zijn met gevallen die als fraude zijn gemeld en de betalingen die verricht zijn in de programmeringsperiode 2007‑2013 (blz. 91). Deze indicator heeft geen betrekking op fraude die niet is ontdekt of gemeld.

15 Richtsnoeren van de Commissie voor lidstaten en programma-autoriteiten over frauderisicobeoordeling en doeltreffende en evenredige fraudebestrijdingsmaatregelen (EGESIF 14-0021 van 16 juni 2014), blz. 11.

16 Richtsnoeren van de Commissie voor lidstaten en programma-autoriteiten over frauderisicobeoordeling en doeltreffende en evenredige fraudebestrijdingsmaatregelen (EGESIF 14-0021 van 16 juni 2014), het handboek van OLAF over de rol van controleurs van de lidstaten bij de preventie en opsporing van fraude (oktober 2014) en Leidraad voor een gemeenschappelijke methode voor de beoordeling van beheers- en controlesystemen in de lidstaten (EGESIF 14-0010 final van 18 december 2014).

17 Artikel 30 en bijlage IV van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 480/2014 van de Commissie van 3 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 138 van 13.5.2014, blz. 5), waarin de fundamentele eisen voor beheers- en controlesystemen en de indeling daarvan met betrekking tot de effectieve werking ervan zijn vastgelegd — in het bijzonder fundamentele eis 7 (doeltreffende invoering van evenredige maatregelen tegen fraude).

18 In deze zin komt het concept van een formeel fraudebestrijdingsbeleid overeen met het “fraud risk management programme” (frauderisicobeheerprogramma) dat door de Association of Certified Fraud Examiners (ACFE) wordt omschreven in haar “Fraud examiners manual” of in de “Fraud Risk Management Guide”, die zij heeft ontwikkeld samen met het Committee of Sponsoring Organizations of the Treadway Commission (COSO), en met de “formal counter fraud and corruption strategies” (formele fraude- en corruptiebestrijdingsstrategieën) die zijn omschreven door het Chartered Institute of Public Finance and Accountancy (CIPFA) in zijn “Code of practice on managing the risk of fraud and corruption”.

19 In 10 van de 28 lidstaten is er een nationale fraudebestrijdingsstrategie: Bulgarije, Tsjechië, Griekenland, Frankrijk, Kroatië, Italië, Letland, Hongarije, Malta en Slowakije. Roemenië heeft ook een strategie, maar die is nu verouderd (bron: PIF-verslag 2017, blz. 12). De lidstaten die geen nationale strategie hebben vastgesteld, zijn: België, Denemarken, Duitsland, Estland, Ierland, Spanje, Cyprus, Litouwen, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Polen, Portugal, Slovenië, Finland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk.

20 Artikel 30 en bijlage IV.

21 Artikel 11 en bijlage III van het voorstel van de Commissie voor een GB-verordening voor de periode 2021‑2027, COM(2018) 375 van 29 mei 2018.

22 In dit document met richtsnoeren ontwikkelde de Commissie een model voor frauderisicobeoordeling op basis van 31 inherente standaardrisico’s, die verder onderverdeeld zijn in 40 risico’s in combinatie met 128 aanbevolen risicobeperkende controles die alle gestructureerd zijn rond vier algemene beheerprocessen (selectie van aanvragers, uitvoering en verificatie van activiteiten, certificering en betalingen, en rechtstreekse aanbesteding door beheersautoriteiten). Het document heeft echter geen betrekking op financiële instrumenten of risico’s in verband met staatssteun.

23 DG REGIO — Preventing fraud and corruption in the European Structural and Investment Funds — taking stock of practices in the EU Member States, oktober 2018, hier beschikbaar: https://ec.europa.eu/regional_policy/en/information/publications/studies/2018/study-on-the-implementation-of-article-125-4-c-of-the-regulation-eu-no-1303‑2013-laying-down-the-common-provisions-on-the-european-structural-and-investment-fund-in-member-states.

24 Meer informatie over integriteitspacten is te vinden op de volgende website van de Commissie: http://ec.europa.eu/regional_policy/en/policy/how/improving-investment/integrity-pacts/.

25 Op basis van de indicatoren die de Commissie beschikbaar heeft gesteld in haar informatieve nota van 18 februari 2009 over fraude-indicatoren voor het EFRO, het ESF en het CF.

26 Het is inherent aan fraude ten nadele van EU-cohesiebeleidsmiddelen dat daders de beperkingen van bestaande controles vaststellen en er gebruik van proberen te maken om rechtstreeks of onrechtstreeks onrechtmatige voordelen te behalen.

27 Met name “Report to the Nations”, de wereldwijde studie over werkgerelateerde fraude en werkgerelateerd misbruik van 2018, die door de Association of Certified Fraud Examiners (ACFE) werd gepubliceerd. Volgens deze studie wordt fraude vooral ontdekt door middel van tips, zij het van werknemers, klanten, concurrenten of anonieme bronnen.

28 Het instrument “Fraude melden”, te vinden op https://ec.europa.eu/anti-fraud/olaf-and-you/report-fraud_nl.

29 De paragrafen 3, 12, 21, 23 en 32 van Advies nr. 4/2018 van de ERK over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden.

30 Zie het persbericht van de Commissie IP/19/1604 “Europese Commissie verheugd over voorlopig akkoord over betere bescherming van klokkenluiders in de hele EU” http://europa.eu/rapid/press-release_IP-19-1604_nl.htm).

31 Richtsnoeren van de Commissie voor lidstaten en programma-autoriteiten over frauderisicobeoordeling en doeltreffende en evenredige fraudebestrijdingsmaatregelen (EGESIF 14-0021).

32 Blz. 51 van de studie van DG REGIO “Preventing fraud and corruption in the European Structural and Investment Funds — taking stock of practices in the EU Member States”.

33 De twee onregelmatigheden werden gemeld door Slowakije en zijn bijna 0,6 miljard EUR waard. Zij verkeren per definitie in een beginstadium van het fraudebeheerproces en kunnen nog aanzienlijk veranderen.

34 Artikel 122, lid 2, van de GB-verordening; artikelen 3 en 4 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/1970 van de Commissie tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad met specifieke bepalingen inzake de rapportage over onregelmatigheden (PB L 293 van 10.11.2015, blz. 1); artikel 28, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1828/2006 van de Commissie (uitvoeringsbepalingen).

35 Speciaal verslag ERK nr. 01/2019: “Bestrijding van fraude met EU-uitgaven: maatregelen zijn nodig”, de paragrafen 21-32.

36 Speciaal verslag nr. 01/2019: “Bestrijding van fraude met EU-uitgaven: maatregelen zijn nodig”, paragraaf 29.

37 Bijlage IV van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 480/2014 van de Commissie van 3 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1303/2013.

38 Het terug te vorderen bedrag met betrekking tot deze 84 fraudegevallen bedroeg 7 miljoen EUR.

39 Speciaal verslag nr. 01/2019: “Bestrijding van fraude met EU-uitgaven: maatregelen zijn nodig”, de paragrafen 112-115.

40 Berekend op basis van de in het IMS opgenomen informatie. Zoals eerder aangegeven, is deze informatie niet altijd nauwkeurig.

41 Een eerste administratieve of gerechtelijke vaststelling (PACA, premier acte de constat administratif ou judiciaire) is de eerste schriftelijke beoordeling door een bevoegde autoriteit waarin wordt geconcludeerd dat een onregelmatigheid frauduleus kan zijn, onverminderd nadere beoordeling van de zaak. PACA's kunnen uiteenlopende vormen aannemen, zoals een beheersverificatieverslag van een beheersautoriteit of een intermediaire instantie, een controleverslag van de auditautoriteit, de Commissie of de Rekenkamer, of het besluit inzake de tenlastelegging dat wordt genomen door een openbaar aanklager of een rechter en waarmee een formeel strafrechtelijk onderzoek wordt gestart.

42 Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1), zoals gewijzigd bij Verordening (EU, Euratom) 2016/2030 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 (PB L 317 van 23.11.2016, blz. 1).

43 “Guidance note on main tasks and responsibilities of an Anti-Fraud Coordination Service (AFCOS)”, 13 november 2013, Ares(2013)3403880.

44 Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) wat betreft samenwerking met het Europees Openbaar Ministerie en de doeltreffendheid van de onderzoeken van OLAF, COM(2018) 338 final 2018/0170 (COD).

45 Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de evaluatie van de tenuitvoerlegging van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013, SWD(2017) 332 final.

46 Advies nr. 8/2018 over het voorstel van de Commissie van 23 mei 2018 tot wijziging van OLAF-verordening 883/2013 wat betreft samenwerking met het Europees Openbaar Ministerie en de doeltreffendheid van de onderzoeken van OLAF — zie met name de paragrafen 16, 38 en 39.

47 Het koninklijk besluit waarbij de samenstelling en de werking van dit orgaan wordt geregeld, werd uiteindelijk goedgekeurd op 1 maart 2019 en uitgevaardigd op 19 maart 2019.

48 Link naar de studie: https://ec.europa.eu/regional_policy/en/information/publications/studies/2018/study-on-the-implementation-of-article-125-4-c-of-the-regulation-eu-no-1303-2013-laying-down-the-common-provisions-on-the-european-structural-and-investment-fund-in-member-states

49 In de richtsnoeren van de Commissie wordt het volgende vermeld: „Al naar gelang de resultaten van dergelijke audits en de daarbij vastgestelde frauderisico's, kunnen, zo vaak als maar nodig is, follow-upaudits worden verricht”. Een gerichte en evenredige aanpak wordt aanbevolen.

50 Zie SWD (2018) 386 final 2/2, punt 4.3, blz. 86-88.

51 Zie COM(2015) 386 final, punt 4.2.2, blz. 23.

52 PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1.

53 Zie PIF-verslag 2014 – COM(2015) 386 final van 31.7.2015, aanbeveling 1, blz. 30.

54 Ares(2016)6943965 van 13.12.2016, ontwikkeld in het kader van de subgroep „fraudepreventie” van COCOLAF in samenwerking met nationale deskundigen.

55 Zie SWD(2016) 237 final, punt 2.4.

56 ARES(2017)5692256 van 21.11.2017.

57 SWD(2015) 154 final, punt 3.2, blz. 57.

58 Zie SWD(2015) 154 final, punt 3.2, blz. 57.

Gebeurtenis Datum
Vaststelling controleplan ("APM")/begin van de controle 10.1.2018
Ontwerpverslag officieel verzonden aan de Commissie (of andere gecontroleerde) 23.1.2019
Vaststelling van het definitieve verslag na de contradictoire procedure 27.3.2019
Officiële antwoorden in alle talen ontvangen van de Commissie (of andere gecontroleerde) 6.5.2019

Controleteam

In de speciale verslagen van de ERK worden de resultaten van haar controles van EU-beleid en -programma’s of beheersthema’s met betrekking tot specifieke begrotingsterreinen uiteengezet. Bij haar selectie en opzet van deze controletaken zorgt de ERK ervoor dat deze een maximale impact hebben door rekening te houden met de risico’s voor de doelmatigheid of de naleving, de omvang van de betrokken inkomsten of uitgaven, de verwachte ontwikkelingen en de politieke en publieke belangstelling.

Deze doelmatigheidscontrole werd verricht door controlekamer II “Investeringen ten behoeve van cohesie, groei en inclusie”, die onder leiding staat van ERK-lid Iliana Ivanova. De controle werd geleid door ERK-lid Henri Grethen, ondersteund door Ildikó Preiss, kabinetsattaché; Juan Ignacio González Bastero, hoofdmanager; Jorge Guevara López, taakleider (CFE); Dana Christina Ionita, Sandra Dreimane (CFE), Florence Fornaroli, Efstratios Varetidis, Márton Baranyi, Zhivka Kalaydzhieva en Janka Nagy-Babos, controleurs. Thomas Everett verleende taalkundige ondersteuning.

Van links naar rechts: Márton Baranyi, Thomas Everett, Efstratios Varetidis, Henri Grethen, Ildikó Preiss, Dana Christina Ionita, Juan Ignacio González Bastero, Janka Nagy-Babos, Jorge Guevara López, Florence Fornaroli, Sandra Dreimane.

Contact

EUROPESE REKENKAMER
12, rue Alcide De Gasperi
L-1615 Luxemburg
LUXEMBURG

Tel. +352 4398-1
Inlichtingen: eca.europa.eu/nl/Pages/ContactForm.aspx
Website: eca.europa.eu
Twitter: @EUAuditors

Meer gegevens over de Europese Unie vindt u op internet via de Europaserver (http://europa.eu).

Luxemburg: Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2019

PDF ISBN 978-92-847-0231-2 ISSN 1977-575X doi:10.2865/43016 QJ-AB-19-004-NL-N
HTML ISBN 978-92-847-0139-1 ISSN 1977-575X doi:10.2865/05350 QJ-AB-19-004-NL-Q

© Europese Unie, 2019.

Voor iedere vorm van gebruik of reproductie van (beeld)materiaal dat niet onder het auteursrecht van de Europese Unie valt, dient rechtstreeks toestemming aan de auteursrechthebbende te worden gevraagd.

HOE NEEMT U CONTACT OP MET DE EU?

Kom langs
Er zijn honderden Europe Direct-informatiecentra overal in de Europese Unie. U vindt het adres van het dichtstbijzijnde informatiecentrum op: https://europa.eu/european-union/contact_nl

Bel of mail
Europe Direct is een dienst die uw vragen over de Europese Unie beantwoordt. U kunt met deze dienst contact opnemen door:

  • te bellen naar het gratis nummer: 00 800 6 7 8 9 10 11 (bepaalde telecomaanbieders kunnen wel kosten in rekening brengen)
  • te bellen naar het gewone nummer: +32 22999696, of
  • een e mail te sturen via: https://europa.eu/european-union/contact_nl

Waar vindt u informatie over de EU?

Online
Informatie over de Europese Unie in alle officiële talen van de EU is beschikbaar op de Europa-website op: https://europa.eu/european-union/contact_nl

EU-publicaties
U kunt publicaties van de EU downloaden of bestellen bij EU Bookshop op: https://op.europa.eu/nl/publications (sommige zijn gratis, andere niet). Als u meerdere exemplaren van gratis publicaties wenst, neem dan contact op met Europe Direct of uw plaatselijke informatiecentrum (zie https://europa.eu/european-union/contact_nl).

EU-wetgeving en aanverwante documenten
Toegang tot juridische informatie van de EU, waaronder alle EU-wetgeving sinds 1951 in alle officiële talen, krijgt u op EUR-Lex op: http://eur-lex.europa.eu/homepage.html?locale=nl

Open data van de EU
Het opendataportaal van de EU (http://data.europa.eu/euodp) biedt toegang tot datasets uit de EU. Deze gegevens kunnen gratis worden gedownload en hergebruikt, zowel voor commerciële als voor niet-commerciële doeleinden.