Speciaal verslag
nr.14 2018

De chemische, biologische, radiologische en nucleaire kenniscentra van de EU: meer vooruitgang nodig

Over het verslag Het EU-initiatief voor CBRN-kenniscentra is de belangrijkste regeling ter beperking van de chemische, biologische, radiologische en nucleaire risico's van buiten de EU. Hoewel deze risico’s klein zijn, zijn er tekenen dat ze toenemen en indien ze werkelijkheid worden kan hun impact op de gezondheid, het milieu en de economie wereldwijd hoog zijn. Het doel van het initiatief is de capaciteit van de partnerlanden te versterken door middel van projecten voor capaciteitsopbouw en een netwerk voor samenwerking. Wij hebben onderzocht of het CBRN-initiatief van de EU de CBRN-dreiging heeft verminderd en geconcludeerd dat dit het geval is, maar dat er veel uitdagingen blijven bestaan. Wij doen een aantal aanbevelingen ter verbetering van het initiatief.

De publicatie is beschikbaar in 23 talen en in het volgende formaat:
PDF
PDF General Report

Samenvatting

I

Sinds 2010 streeft de EU ernaar chemische, biologische, radiologische en nucleaire (CBRN) risico’s van buiten haar grenzen te beperken door middel van het EU-initiatief betreffende de CBRN-kenniscentra (“het initiatief”). Het is het grootste civiele programma van de EU voor externe veiligheid en wordt gefinancierd via het instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede met een begroting van 130 miljoen euro voor de jaren 2014-2020. Het initiatief is een van de belangrijkste instrumenten1 om CBRN-dreigingen en -risico’s van buiten de EU te beperken.

II

Om te beoordelen in welke mate het initiatief heeft bijgedragen tot de beperking van CBRN-risico’s van buiten de EU, hebben we gekeken naar de gehanteerde aanpak van het risicobeheer, de uitvoering van het initiatief in partnerlanden en de monitoring- en evaluatiesystemen. Daarbij hebben we follow-up gegeven aan de aanbevelingen in Speciaal verslag nr. 17/2014 van de ERK (“Kan het EU-initiatief voor kenniscentra een doeltreffende bijdrage leveren om de chemische, biologische, radiologische en nucleaire risico's van buiten de EU te beperken?”), waarin de opzet van de regeling werd behandeld.

III

We concluderen dat het initiatief heeft bijgedragen tot de beperking van deze CBRN-dreigingen, maar dat er veel uitdagingen blijven bestaan. De Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) hebben drie van de zes aanbevelingen uit ons eerdere Speciaal verslag nr. 17/2014 volledig uitgevoerd en twee ervan gedeeltelijk. Partnerlanden zijn nu meer betrokken bij de start en uitvoering van projecten, de organisatie op regionaal niveau is versterkt en de samenwerking tussen beleidsmakers en uitvoerende organen is verbeterd. Hoewel er enige vooruitgang is geboekt, zijn de rol van EU-delegaties en het tempo van de projectuitvoering nog steeds niet bevredigend. Een van onze eerdere, door de Commissie aanvaarde aanbevelingen waarin werd voorgesteld om de EU-middelen te richten op de gebieden die het meest relevant waren voor de veiligheid van de EU, is niet uitgevoerd.

IV

Er is nog geen passende aanpak van het risicobeheer ten aanzien van de activiteiten van het initiatief ontwikkeld voor het initiatief als geheel, in het projectselectiestadium en voor de vaststelling van de behoeften van de partnerlanden.

V

De Commissie verstrekt de partnerlanden instrumenten en een methodologie om hen te helpen hun eigen behoeften te beoordelen en nationale actieplannen te ontwikkelen om CBRN-risico’s te beperken. Er worden echter niet voldoende richtsnoeren verstrekt met betrekking tot de wijze waarop risico’s moeten worden vastgesteld en geprioriteerd. Ondanks dit nadeel zijn de vragenlijst ter beoordeling van behoeften en de nationale actieplannen nog steeds essentiële elementen waarop het initiatief berust. De Commissie kan niet snel genoeg reageren op alle verzoeken van de partnerlanden om hen bij te staan bij de vaststelling en prioritering van hun behoeften; hierdoor bestaat het risico dat de opstelling van zowel de vragenlijsten als de actieplannen aanzienlijke vertraging oploopt.

VI

Behalve de verbeteringen die zijn doorgevoerd naar aanleiding van onze eerdere aanbevelingen is in de partnerlanden een aantal aspecten van het initiatief ontwikkeld. Het initiatief heeft een cultuur van veiligheid en samenwerking bevorderd. In de meeste partnerlanden zijn nationale CBRN-teams aangesteld. De projecten hebben het grootste deel van hun output opgeleverd; belanghebbenden hadden met name waardering voor de operationele oefeningen voor capaciteitsopbouw.

VII

Er is een begin gemaakt met samenwerking op regionaal niveau, maar deze schiet nog tekort omdat de partnerlanden niet voldoende interactie hebben en eerst willen voorzien in hun nationale behoeften.

VIII

Sinds ons eerdere Speciaal verslag nr. 17/2014 is de betrokkenheid van de EU-delegaties verbeterd. De EU-delegaties hebben zich echter niet voldoende ingezet voor het promoten van het initiatief en het mobiliseren van de politieke wil. CBRN maakte niet systematisch deel uit van de beleids-, veiligheids- of politieke dialoog. De interactie tussen directoraten-generaal van de Commissie en met de donorgemeenschap, met name wat betreft de kwestie van de beschikbare potentiële financiering, was beperkt.

IX

Het ontbreken van duidelijke doelstellingen, relevante indicatoren en ter plaatse verzamelde gegevens deed afbreuk aan de beoordeling van de uitkomst en impact van projecten en het initiatief als geheel.

X

Het CBRN-webportaal heeft aanzienlijk potentieel als operationele database voor de uitvoering en het beheer van de activiteiten van het initiatief, maar is nog geen doeltreffende, volledige, geactualiseerde en gestructureerde inventaris van activiteiten, geleerde lessen en beste praktijken.

XI

Daarom bevelen wij de Commissie en de EDEO aan om:

  • activiteiten te prioriteren op basis van een systeemrisicoanalyse;
  • de regionale dimensie van het initiatief te versterken;
  • de rol van de EU-delegaties in het initiatief verder te versterken;
  • potentiële synergieën en andere beschikbare financieringsbronnen vast te stellen;
  • de verantwoording voor en zichtbaarheid van activiteiten en resultaten te vergroten door verbeterde monitoring en evaluatie;
  • het webportaal onder handen te nemen zodat alle informatie over de activiteiten van het initiatief gemakkelijk toegankelijk is.

Inleiding

01

Gebeurtenissen zoals het recente gebruik van sarin- en chloorgas in Irak en Syrië en van het zenuwgas VX op het vliegveld van Kuala Lumpur in februari 2017, de uitbraak van de ebola-epidemie in West-Afrika in 2014-2016 en het versmelten van de nucleaire reactor in Fukushima in 2011 bepalen ons op grimmige wijze bij de gevaren die als gevolg van chemische, biologische, radiologische en nucleaire (CBRN) risico’s kunnen ontstaan. Of ze nu per ongeluk of met opzet worden verspreid, chemische agentia, pandemische en epidemische biologische ziekten, alsmede radiologische en nucleaire stoffen, kunnen een aanzienlijke bedreiging vormen voor de mondiale gezondheid, het milieu en de economie.

02

De waarschijnlijkheid dat CBRN-risico’s werkelijkheid worden, acht de Commissie klein, maar de impact van een dergelijke gebeurtenis kan groot zijn2. Het grootste deel van de internationale gemeenschap heeft weliswaar internationale verdragen en conventies3 ondertekend waarin het gebruik van CBRN-wapens en -materialen wordt gereguleerd, maar een aantal staten hebben die niet uitgevoerd en andere moeten de overeenkomsten nog ratificeren. CBRN-componenten worden aangekocht en kwaadwillig gebruikt en de dreiging zal de komende jaren naar verwachting toenemen4. Naast kwaadwillig gebruik van CBRN-stoffen kunnen zich ook natuurrampen en door mensen veroorzaakte rampen voordoen.

03

Op het niveau van de EU coördineert directoraat-generaal Migratie en Binnenlandse Zaken (DG HOME) van de Commissie het binnenlandse CBRN-beleid5 van de EU om de bijbehorende dreigingen en risico’s te beperken. Aangezien CBRN-dreigingen geen grenzen kennen, kan de EU haar acties niet beperken tot het territorium van de EU. De Europese Raad, de Raad van de Europese Unie6 en het Europees Parlement7 hebben herhaaldelijk het belang onderstreept van het koppelen van het binnenlands en het buitenlands veiligheidsbeleid van de EU, waaronder CBRN-kwesties vallen. De Europese Commissie heeft ook verklaard dat het extern optreden van de EU de interne veiligheid van de EU tot uitdrukking moet brengen, moet aanvullen en ertoe moet bijdragen8. De groeiende ondersteuning van de veiligheidssectoren wordt geschraagd door de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU uit 20169.

04

Het initiatief van de EU betreffende de CBRN-kenniscentra (“het initiatief”), dat wordt beheerd door directoraat-generaal Internationale Samenwerking en Ontwikkeling (DG DEVCO), is de belangrijkste, maar niet de enige regeling ter beperking van CBRN-dreigingen van buiten de EU. DG DEVCO voert andere beperkende maatregelen uit, waaronder de versterking van controlesystemen voor de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik (CBRN-materiaal met zowel civiele als militaire toepassingen) en de heroriëntatie van wetenschappers die deskundig zijn op het gebied van technologie voor tweeërlei gebruik.

05

De belangrijkste doelstelling van het initiatief is om de capaciteit op lange termijn van de nationale en regionale autoriteiten te versterken en de langdurige samenwerking tussen hen en de administratieve organen die verantwoordelijk zijn voor de aanpak van CBRN-dreigingen te bevorderen10. In het kader van het initiatief worden voornamelijk projecten voor capaciteitsopbouw gefinancierd, maar de voordelen zijn niet beperkt tot projecten. Het belangrijkste kenmerk ervan is dat er CBRN-netwerken (of kenniscentra) voor samenwerking tussen en binnen partnerlanden worden opgezet en geconsolideerd. Het netwerk is opgebouwd rond regionale secretariaten waar kennis en expertise worden gedeeld.

06

Het instrument is financieel gezien de grootste afzonderlijke actie in het kader van het instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (IcSP)11 en het grootste civiele programma voor externe veiligheid van de EU. Het IcSP is gericht op kwesties op het gebied van conflicten, vrede en veiligheid die niet doeltreffend kunnen worden aangepakt in het kader van de samenwerkingsinstrumenten van de EU12.

07

De begroting voor het initiatief bedroeg 109 miljoen euro voor de periode 2009-2013 en 130 miljoen euro voor 2014-2020. Dit betekent dat de gemiddelde jaarlijkse begroting afnam van 22 miljoen euro tot 19 miljoen euro (zie bijlage I).

08

Het initiatief werd in mei 2010 gelanceerd13. In Speciaal verslag nr. 17/2014 hebben we de opzet ervan onderzocht: “Kan het EU-initiatief voor kenniscentra een doeltreffende bijdrage leveren om de chemische, biologische, radiologische en nucleaire risico's van buiten de EU te beperken?” We concludeerden dat dit mogelijk was, maar dat verschillende elementen nog afgerond moesten worden (zie bijlage II). De organisatorische structuur van het initiatief is weliswaar licht veranderd sinds de vorige controle, maar blijft complex, omdat deze berust op een uitgebreid netwerk van zowel EU-organen (de Europese Dienst voor extern optreden “EDEO”, DG DEVCO, het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek “JRC”) als niet-EU-spelers (het interregionaal criminologisch en gerechtelijk onderzoeksinstituut van de Verenigde Naties “UNICRI”, het governanceteam, regionale secretariaten, nationale teams), CBRN-deskundigen, civiele en militaire belanghebbenden en andere internationale organisaties (zie figuur 1). De meest opvallende verandering sinds onze vorige controle is de grotere betrokkenheid van het JRC en door DG DEVCO gecontracteerde deskundigen ter plaatse.

Figuur 1

Overzicht van de organisatie van het initiatief betreffende de kenniscentra

Bron: Europese Rekenkamer.

09

In deze organisatie, waarbij veel CBRN-spelers zijn betrokken, worden bottom-up-, nationale en regionale benaderingen gecombineerd, waardoor het initiatief een uniek ondersteuningsmechanisme wordt. Regeringen van partnerlanden wijzen een “nationaal steunpunt” (NFP) aan, dat hun primaire vertegenwoordiger is voor het initiatief en verantwoordelijk is voor het contact met CBRN-belanghebbenden op nationaal (nationaal team, projectbegunstigden en andere lokale spelers) en internationaal niveau.

10

De kenniscentra zijn opgebouwd rond acht regionale secretariaten (zie bijlage III). De regionale secretariaten zijn platforms om de samenwerking op regionaal en internationaal niveau te bevorderen en te vergemakkelijken. Ze onderhouden contacten met en verlenen ondersteuning aan de nationale steunpunten in hun regio, organiseren regionale rondetafelbijeenkomsten, faciliteren het delen van informatie, monitoren tot op zekere hoogte de regionale activiteiten en bevorderen het initiatief.

Reikwijdte en aanpak van de controle

11

Een van de belangrijkste doelstellingen van deze doelmatigheidscontrole van het initiatief van de EU betreffende de CBRN-kenniscentra was om follow-up te geven aan de door de EDEO en de Commissie genomen maatregelen om de aanbevelingen in Speciaal verslag 17/2014 uit te voeren, namelijk:

  1. het toespitsen van de EU-financiering op de gebieden die het meest relevant zijn voor de veiligheid van de EU;
  2. het versterken van de capaciteit van de regionale secretariaten;
  3. het vergroten van de rol van de EU-delegaties;
  4. het betrekken van de partnerlanden bij de opzet en uitvoering van projecten;
  5. het verkorten van het tijdsverloop tussen het indienen van de voorstellen voor en de uitvoering van projecten;
  6. het verbeteren van de samenwerking tussen de besluitvormings- en uitvoeringsorganen.
12

Terwijl onze eerdere controle gericht was op de opzet van het initiatief, hebben we deze keer de reikwijdte van de controle uitgebreid tot een evaluatie van de aanpak van het risicobeheer, de uitvoering van het initiatief in partnerlanden en de monitoring- en evaluatiesystemen. Wij wilden de volgende vraag beantwoorden: Heeft het initiatief betreffende kenniscentra een belangrijke bijdrage geleverd tot de beperking van de chemische, biologische, radiologische en nucleaire risico's van buiten de EU?

13

Om deze vraag te beantwoorden, hebben we drie subvragen gesteld:

  1. Hebben de Commissie en de EDEO een passende aanpak van het risicobeheer vastgesteld?
  2. Is het initiatief naar tevredenheid ontwikkeld in de partnerlanden?
  3. Zijn er doeltreffende monitoring- en evaluatiesystemen opgezet om de resultaten van het initiatief betreffende kenniscentra vast te stellen, te beoordelen en er verslag over uit te brengen?
14

We verrichtten onze controle tussen februari en oktober 2017. We evalueerden bewijsstukken en interviewden vertegenwoordigers van de Commissie (DG’s DEVCO, JRC, ECHO, NEAR en HOME), de EDEO, UNICRI, het governanceteam en deelnemers aan de vijfde internationale bijeenkomst van de nationale steunpunten in Brussel.

15

We hebben controlebezoeken aan drie partnerlanden gebracht: Georgië (juni 2017), Jordanië en Libanon (september 2017). Deze landen zijn onderdeel van het nabuurschap, het prioritaire gebied van het initiatief, en in de eerste twee zijn regionale secretariaten gevestigd14. We hebben interviews gehouden met de hoofden van de regionale secretariaten, de regionale coördinatoren, deskundigen voor technische bijstand ter plaatse, de nationale steunpunten, de EU-delegaties, 15 projectbegunstigden en 3 EU-contractanten (projectuitvoerders). We hebben een enquête gehouden onder alle regionale secretariaten (8) en onder een steekproef van andere belanghebbenden (hieronder genoemd) om algemene informatie over het initiatief te verkrijgen. We hebben alle schriftelijke antwoorden geanalyseerd van:

  1. de regionale secretariaten (5 van de 8 antwoordden);
  2. de nationale steunpunten (11 van de 18 antwoordden);
  3. de EU-delegaties (14 van de 18 antwoordden);
  4. projectuitvoerders (6 van de 7 antwoordden);
  5. CBRN-aanspreekpunten van de EU (5 van de 10 antwoordden).

Opmerkingen

Risicogebaseerde prioritering van activiteiten moet nog worden gerealiseerd

Dringende noodzaak om activiteiten en uitgaven te prioriteren

16

Om zo goed mogelijk gebruik te maken van de beperkte middelen, deden we in Speciaal verslag nr. 17/2014 de aanbeveling om prioriteit te geven aan financiering op de gebieden die het meest relevant waren voor de veiligheid van de EU. Volgens DG HOME zijn de meest directe CBRN-risico’s voor de veiligheid van de EU gelegen in de landen van het Midden-Oosten en het Oostelijk Partnerschap15, gevolgd door de Noord-Afrikaanse landen, die samen 20 % van de partnerlanden uitmaken. Desondanks bestrijken de geografische prioriteiten van DG DEVCO (Zuidoost- en Oost-Europa, het Midden-Oosten, Noord-Afrika en Sahel, de Atlantische zijde van Afrika, alsmede Oost- en Centraal-Afrika) 70 % van de partnerlanden; vele daarvan worden niet beschouwd als landen met de meest directe CBRN-risico’s voor de EU.

17

DV DEVCO en de EDEO hebben zelfs meer partnerlanden aangemoedigd om zich aan te sluiten bij het initiatief. Als gevolg daarvan is het aantal partnerlanden blijven groeien en zijn de inspanningen niet gericht op een beperkter aantal landen16. Sinds ons vorige controle is het aantal partnerlanden met 15 toegenomen van 43 tot 58 in oktober 2017 (zie bijlage IV) en de belangstelling voor het initiatief groeit nog steeds17. Omdat de middelen beperkt zijn, betekent de geografische uitbreiding dat er gemiddeld minder financiële bijstand per land beschikbaar is.

18

Ten tijde van Speciaal verslag nr. 17/2014 hebben we naar de systemen voor de selectie en uitvoering van de eerste veertig projecten gekeken. We hebben de toewijzing van de projectfinanciering van de projecten 1-40 (eerste periode) en de projecten 41-60 (tweede periode) vergeleken. Uit figuur 2 blijkt dat Zuidoost-Europa en Oost-Europa, die een prioriteit zijn voor de EU, de in totaal grootste ontvangers zijn van projectfinanciering (21 %), maar in de tweede periode minder ontvingen. Vanaf project 41 was de Atlantische zijde van Afrika, die op Marokko na geen onderdeel is van het nabuurschap, de grootste begunstigde. De regio Zuidoost-Azië is de op twee na grootste financiële ontvanger, maar is niet een van de gebieden met een hoog risico. Hoewel de risico’s groter zijn in het Midden-Oosten en Noord-Afrika en Sahel (zie paragraaf 16)18, hebben deze regio’s (op de regio van de Samenwerkingsraad van de Golf na) in de tweede periode het laagste aandeel in de financiering gehad. In totaal ontvingen ze respectievelijk 13 % en 9 % van de projectfinanciering. De regio’s met de grootste CBRN-risico’s voor de EU (zie paragraaf 16) ontvingen in totaal 43 % van de totale projecttoewijzing. Projecten worden dus niet geprioriteerd op grond van de risico’s in verband met de geografische ligging. Dit is in strijd met onze vorige aanbeveling, die de Commissie had aanvaard.

19

Op basis van een vraaggestuurde of bottom-upbenadering19 dienen de regio’s projectvoorstellen in bij DG DEVCO. De Commissie selecteert de te financieren projecten weliswaar, maar zij past geen risicogebaseerde selectiecriteria toe, hoewel in haar eigen werkdocument werd opgemerkt dat de veiligheid in de EU gebaat zou zijn bij een uitgebreider gebruik van beoordelingen van dreigingen en risico’s20. In plaats daarvan worden projectvoorstellen geaccepteerd op basis van het beginsel “wie het eerst komt, het eerst maalt”; de Commissie hoopt zo de mededinging tussen de regio’s te stimuleren. In de praktijk worden de middelen van het initiatief verdeeld over een groter aantal partnerlanden.

Figuur 2

Financiële toewijzing per regio van 2010 tot oktober 2017

Bron: Europese Rekenkamer op basis van gegevens ontleend aan het CRIS en het CBRN-portaal en verstrekt door het JRC.

20

Verder wordt er geen prioriteit gegeven aan thematische terreinen. Terwijl bij het oorspronkelijke binnenlandse beleid van de EU op CBRN-gebied de meeste nadruk werd gelegd op preventiemaatregelen21, wordt in het wettelijk IcSP-kader22 niet gespecificeerd welke externe mitigatiemaatregelen prioriteit moeten krijgen (paraatheid, preventie, opsporing of reactie). Deskundigen van DG HOME en DG DEVCO deden echter de aanbeveling om als eerste stap CBRN-materiaal te identificeren en te beveiligen. We stelden slechts drie projecten vast die gericht waren op de identificatie van CBRN-faciliteiten en het daarin aanwezige materiaal. Daarnaast hielden slechts 5 van de 66 projecten, die 9 % van de uitgaven uitmaakten, zich uitsluitend met chemische risico’s bezig (zie bijlage V), hoewel het Inlichtingen- en situatiecentrum (Intcen) deze beschouwt als de dreiging die het meest waarschijnlijk zal uitkomen.

21

In 2017 is de Commissie begonnen het initiatief te gebruiken om meer veiligheidsgerelateerde kwesties aan de orde te stellen, zoals terrorismebestrijding, bestrijding van cybercriminaliteit, de bescherming van kritieke infrastructuur, de strijd tegen de handel in vervalste geneesmiddelen, maritieme veiligheid en explosieven. Aangezien de middelen van het initiatief beperkt zijn, is de Commissie van plan deze nieuwe activiteiten te financieren uit andere begrotingslijnen, maar tegelijk gebruik te maken van de structuren van de kenniscentra. Er is echter nog een groot aantal maatregelen nodig om traditionele CBRN-risico’s aan te pakken23. Nationale steunpunten hebben hun inspanningen op het gebied van CBRN gemobiliseerd en verwachten resultaten te zien. De uitbreiding van het initiatief naar andere thematische terreinen vereist extra werk, terwijl er op het terrein van CBRN nog veel te doen is.

De vaststelling van de behoeften en prioriteiten van partnerlanden duurt nog steeds te lang en is niet gebaseerd op systeemrisicoanalyses

22

Het JRC heeft een vragenlijst ter beoordeling van behoeften (NAQ) opgesteld voor partnerlanden. De vragen waren algemeen en betroffen onderwerpen zoals het al dan niet bestaan in het partnerland van een nationaal wettelijk kader, een institutioneel kader met betrekking tot de veiligheid en beveiliging van CBRN-materialen en faciliteiten. Het concept van risico’s was niet geïntegreerd in de methodologie van het JRC en er waren onvoldoende richtsnoeren over de wijze waarop risico’s vastgesteld en geprioriteerd moesten worden. De door middel van de enquête vastgestelde lacunes vormen de grondslag voor de ontwikkeling van een nationaal actieplan (NAP) voor CBRN om deze risico’s te beperken.

23

JRC-deskundigen stonden de nationale CBRN-teams van de partnerlanden24 bij door vragen te beantwoorden, maar de NAQ blijft een door de partnerlanden uitgevoerde zelfbeoordeling. Voor de uitvoering van het NAQ- en NAP-proces beveelt de Commissie de nationale teams aan om er vertegenwoordigers uit een groter aantal ministeries in op te nemen (zie figuur 1) alsmede andere erkende aanspreekpunten25. Uit onze analyse blijkt dat de nationale teams niet systematisch deskundigen bevatten die afkomstig waren uit alle CBRN-gebieden.

24

In oktober 2017 hadden 26 van de 58 partnerlanden (45 %) hun NAQ afgerond en hadden slechts 18 partnerlanden (31 %) een NAP opgesteld. Vier partnerlanden deden dat zonder de NAQ-methodologie toe te passen (zie bijlage I).

25

Eén reden dat niet alle partnerlanden de NAQ-/NAP-processen hebben doorlopen is dat deze vrijwillig zijn en politieke wil vereisen. Een andere reden voor het feit dat een beperkt aantal partnerlanden hun NAQ’s en NAP’s had afgerond, is de politieke instabiliteit in bepaalde partnerlanden, wat de planning bemoeilijkt. Ten slotte kon het JRC niet snel genoeg reageren op alle aanvragen om NAQ-/NAP-bijstand.

26

De groeiende vraag uit partnerlanden om de NAQ-/NAP-processen uit te voeren en de voortdurende uitbreiding van het initiatief hebben de personele middelen van het JRC duidelijk onder druk gezet. De aan het initiatief toegewezen middelen zijn verminderd van 200 personen per maand in 2015 tot 105 personen in 2017. Het feit dat het JRC de werklast niet aan kon, heeft geresulteerd in aanzienlijke vertragingen in het organiseren van workshops. Op 31 oktober 2017 bedroeg de gemiddelde wachttijd voor een NAQ- of NAP-workshop na het indienen van een verzoek of het bijwonen van een eerdere workshop 19 maanden. Het risico bestaat dat de dynamiek verloren gaat indien de NAQ- en NAP-processen niet op tijd worden uitgevoerd, hetgeen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het initiatief.

Bepaalde aspecten van het initiatief zijn naar tevredenheid ontwikkeld in de partnerlanden

Het initiatief heeft bijgedragen tot een versterking van CBRN-governance in partnerlanden en een toename van de regionale samenwerking…

27

De twee grootste successen van het initiatief zijn de vaststelling van nationale CBRN-teams en de start van regionale samenwerking. Het duurde lang om nationale structuren op te zetten, wat de uitvoering van activiteiten vertraagde. In oktober 2017 had de overgrote meerderheid van de landen (zie bijlage I) een nationaal steunpunt aangesteld en een nationaal team opgezet om te zorgen voor samenwerking tussen organen en om de nationale CBRN-governance te verbeteren. De governance wordt verder versterkt door de NAQ- en NAP-processen (zie de paragrafen 22-24).

28

De regionale secretariaten26 helpen de partnerlanden hun behoeften te beoordelen en erin te voorzien, en faciliteren de onderlinge coördinatie. Ze dragen bij tot het opzetten van een CBRN-netwerk. In Speciaal verslag nr. 17/2014 merkten we echter op dat het hun ontbrak aan technische expertise. DG DEVCO heeft onze aanbeveling volledig uitgevoerd door zes deskundigen voor technische bijstand ter plaatse (ook wel bekend als “OSA’s” en hierna“deskundigen ter plaatse” genoemd) in te zetten bij zeven regionale secretariaten27. Deze deskundigen ter plaatse dragen bij tot de opbouw van CBRN-governance in partnerlanden door middel van technische ondersteuning van de nationale teams, nationale steunpunten en regionale secretariaten. Ze organiseren opleidingssessies en oefeningen, faciliteren vergaderingen van nationale teams, bereiden de NAQ- en NAP-workshops voor en nemen eraan deel. Ook leveren ze een bijdrage aan de regionale samenwerking door behoeften en projecten te formuleren, mandaten op te stellen en de uitvoering van regionale projecten te monitoren. De partnerlanden hebben een positieve mening over deze deskundigen ter plaatse.

29

De regionale secretariaten hebben ook de samenwerking en coördinatie met andere internationale organisaties verbeterd28 (zie tekstvak 1). Zo hielpen de regionale secretariaten zes partnerlanden ondersteuning te verkrijgen van de ondersteunende eenheid voor de uitvoering van het Verdrag inzake biologische wapens.

Tekstvak 1

Vergroten van de samenwerking met andere internationale organisaties

Na de ebolacrisis organiseerden het Italiaanse voorzitterschap van het door de G7 ingestelde mondiale partnerschap en de CBRN-kenniscentra van de EU in 2017 een workshop met elf Afrikaanse landen om maatregelen vast te stellen ter beperking van risico’s op het gebied van bioveiligheid en biobeveiliging in Afrika.

Voor het eerst werden de behoefteanalyses en actieplannen vergeleken die waren ontwikkeld in overeenstemming met verschillende internationale initiatieven en verplichtingen29, zodat bestaande informatie met betrekking tot de verschillende initiatieven kon worden gecoördineerd en geconsolideerd. DG DEVCO is van plan dit proces voort te zetten om de maatregelen voor de aanpak van de belangrijkste bioveiligheids- en biobeveiligingsmaatregelen verder te verfijnen voor toekomstige actie.

30

In Speciaal verslag nr. 17/2014 rapporteerden we dat de partnerlanden niet voldoende betrokken waren bij de projectselectie, hoewel het de bedoeling was dat bij het initiatief een bottom-upbenadering werd gevolgd.

31

Sinds project 33 (maart 2013) worden projecten besproken tijdens regionale rondetafelbijeenkomsten en zijn er door DG DEVCO tweemaal zoveel bottom-upprojecten30 (20) als top-downprojecten (9) voorgesteld (zie bijlage VI). Bij minstens de helft van de projecten31 zijn plaatselijke deskundigen betrokken bij de uitvoering ervan. Onze aanbeveling in ons eerdere Speciaal verslag nr. 17/2014 is volledig uitgevoerd. De projecten van het initiatief bevorderen nu een groter plaatselijk verantwoordelijkheidsgevoel en een cultuur van consensus.

32

De tijd die tussen het indienen van voorstellen en de uitvoering van projecten ligt en die volgens onze aanbeveling moest worden verkort, is nog steeds aanzienlijk (zie bijlage VI) – gemiddeld meer dan 18 maanden. De Commissie heeft onlangs haar aanpak voor het vaststellen van de specifieke behoeften van de begunstigde gewijzigd, maar het is te vroeg om te bepalen in welke mate deze nieuwe methode de start van de projectactiviteiten zal versnellen. Daarom concluderen we dat de aanbeveling gedeeltelijk is uitgevoerd.

33

Er bestaan nog geen regionale actieplannen. De nationale actieplannen die afgerond zijn, hebben besprekingen over potentiële regionale activiteiten/projecten op gang gebracht. Bovendien verzamelen en consolideren de regionale secretariaten, soms met ondersteuning van de deskundigen ter plaatse, informatie over nationale behoeften teneinde regionale prioriteiten vast te stellen. In drie regio’s begint een eigen regionale benadering gestalte te krijgen als gevolg van meer vertrouwen en een groter verantwoordelijkheidsgevoel (zie tekstvak 2).

Tekstvak 2

Vaststellen van regionale behoeften

In april 2016 kwamen nationale deskundigen uit alle partnerlanden van Zuidoost-Azië voor het eerst bijeen om de regionale prioriteiten te bespreken (op basis van een analyse van de NAQ, NAP’s, voorgaande/lopende projecten en lijsten van prioriteiten). Uit de vergadering kwamen zeven regionale projectvoorstellen voort. Hoewel dit een positieve indicator is van meer initiatief, moesten de voorstellen ingrijpend worden herzien, wat leidde tot het besluit om vanaf 2018 een deskundige ter plaatse in de regio in te zetten.

Het secretariaat van Zuidoost-Europa en Oost-Europa analyseerde de bestaande NAP’s in de regio, alsmede oude projectvoorstellen, waaronder afgewezen voorstellen. Ook nodigden ze de nationale steunpunten uit om een lijst op te stellen van hun prioriteiten. Op basis van deze informatie stelde de regio in 2016 een regionale strategie op waarin tien prioriteiten werden genoemd. De regio is bezig met de afronding van het mandaat voor een projectvoorstel voor het beheer van chemisch en biologisch afval.

Aan de Atlantische zijde van Afrika stelden de nationale steunpunten vast dat de door de projectuitvoerders voorgestelde activiteiten niet voorzagen in lokale behoeften omdat het mandaat niet specifiek genoeg was. Er werden plaatselijke deskundigen ingehuurd om informatie te verzamelen, de werkelijke behoeften te analyseren en te beschrijven en projectvoorstellen te ontwikkelen. Het mandaat van twee recente projectvoorstellen32 werd op deze basis opgesteld. Deze praktijk zou de lengte van de opstartfase kunnen verkorten.

34

Projecten hebben alle of een deel van de geplande output opgeleverd. Veel projecten omvatten opleiding, variërend van een algemene inleiding en bewustmaking tot meer operationeel georiënteerde oefeningen voor capaciteitsopbouw. In het kader van sommige projecten werden studiebezoeken aan EU-lidstaten afgelegd, werd CBRN-apparatuur verstrekt of onderwijsmateriaal samengesteld, zoals handleidingen, richtsnoeren voor beste praktijken, methodologiehandboeken en nationale noodplannen, en werd een bijdrage geleverd aan de vaststelling of herziening van wet- en regelgeving (zie tekstvak 3).

Tekstvak 3

Onderscheidingen voor succesverhalen

De nationale steunpunten en hoofden van regionale secretariaten worden aangemoedigd om de succesverhalen van het initiatief onder de aandacht te brengen. Op de vijfde jaarlijkse NFP-bijeenkomst waarbij de onderscheidingen van de kenniscentra werden uitgereikt, werd een aantal van deze succesvolle prestaties gevierd.

Zambia kreeg de prijs voor het grootste nationale succesverhaal voor het herzien van zijn nationale wettelijk kader voor het beheer van CBRN-risico's. Dit resulteerde in de wijzigingswet inzake terrorismebestrijding nr. 2 van 2015, die leidde tot de oprichting van een nationaal centrum voor terrorismebestrijding; tot de verantwoordelijkheden van het centrum behoort de capaciteit om CBRN-risico’s op te sporen, te beheersen en erop te reageren.

35

De simulatie- en veldoefeningen33 die in het kader van het initiatief worden georganiseerd, worden zeer gewaardeerd door de partnerlanden34 (zie tekstvak 4). De geënquêteerden gaven aan dat ze graag meer veldoefeningen gefinancierd zouden zien (met relevante voorafgaande opleiding) omdat ze dit als de beste praktische vorm van leren beschouwen.

Tekstvak 4

Simulatie-oefening Falcon I

De landen van de Samenwerkingsraad van de Golf vormden de regio die zich het laatst bij het initiatief heeft aangesloten. Hoewel er nog geen regionaal project is ontwikkeld gaf het regionale secretariaat een impuls aan de regio door het organiseren van een workshop en simulatie-oefening in februari 2016, waarbij de nadruk werd gelegd op nucleaire detectie en reactie en die voornamelijk werden gefinancierd door de Verenigde Arabische Emiraten en het Wereldwijde initiatief ter bestrijding van nucleair terrorisme. De “Falcon-oefening” werd als eerste in haar soort opgezet ter verbetering van de regionale samenwerking en uitwisseling van informatie, alsmede van de door elk land vastgestelde nationale scenario’s35. Bij het evenement waren waarnemers van het wereldwijde initiatief ter bestrijding van nucleair terrorisme, de Internationale Organisatie voor Atoomenergie en de Werelddouaneorganisatie aanwezig.

Een tweede oefening staat gepland voor 2018-2019. Falcon II zal zich eerst richten op de opbouw van radiologische detectie- en opsporingscapaciteit en vervolgens op simulatie- en veldoefeningen.

… maar belangrijke belemmeringen staan het realiseren van het volledige potentieel van het initiatief nog in de weg …

36

Ondanks de in de vorige sectie genoemde resultaten blijven er belangrijke belemmeringen bestaan. Daardoor wordt het volledige potentieel van het initiatief, namelijk om een onderling verbonden CBRN-gemeenschap op nationaal, regionaal en internationaal niveau te creëren, niet volledig gerealiseerd.

… in het partnerland

37

Een aantal factoren deed afbreuk aan de mate waarin CBRN-governance werd versterkt en de risico’s in de partnerlanden werden beperkt. Daarbij ging het om beperkingen ten aanzien van het mandaat en de juridische status van het nationale team als geheel en het NFP in het bijzonder. Andere hindernissen betroffen het gebrek aan beschikbaarheid van leden van nationale teams, politieke instabiliteit en financieringstekorten. De deskundigen ter plaatse faciliteerden de vergaderingen van nationale teams in een aantal landen, maar deze ondersteuning kan op lange termijn niet worden gehandhaafd.

38

De nationale steunpunten spelen een essentiële rol in het netwerk omdat ze de door de CBRN-belanghebbenden verrichte werkzaamheden in hun land coördineren en de nationale aanspreekpunten voor het initiatief vormen. De Commissie is van plan om er het centrale aanspreekpunt van te maken voor alle CBRN-gerelateerde aangelegenheden. Vaak kennen de verschillende instellingen waaruit het nationale team is samengesteld en de eigen regering er echter te weinig belang en gezag aan toe.

39

Sinds Speciaal verslag nr. 17/2014 heeft DG DEVCO slechts bij vier EU-delegaties36 voor een lange periode aangestelde IcSP-functionarissen voor regionale samenwerking ingezet (Nairobi, Manila, Dakar en Islamabad). Bij de eerste twee van deze landen zijn regionale secretariaten gevestigd, bij de andere twee niet. De voor een lange periode aangestelde IcSP-functionarissen voor regionale samenwerking onderhouden contacten met andere EU-delegaties in de regio’s waarvoor zij zijn ingezet. Hun verantwoordelijkheden zijn echter niet beperkt tot CBRN-kwesties, maar omvatten andere activiteiten op het gebied van veiligheid37.

40

De betrokkenheid van de EU-delegaties bij de bevordering van het initiatief en het mobiliseren van de politieke wil in het land en de regio’s is gegroeid, maar nog steeds ontoereikend. CBRN-kwesties maakten niet systematisch deel uit van de beleids-, veiligheids- of politieke dialoog. De hoeveelheid informatie waarover zij beschikten was vaak afhankelijk van de aanwezigheid van voor een lange periode aangestelde IcSP-functionarissen voor regionale samenwerking in de regio. In sommige landen binnen prioritaire regio’s was de EU-delegatie niet betrokken bij CBRN-kwesties. In het algemeen zijn we van oordeel dat de EDEO en de Commissie onze eerdere aanbeveling gedeeltelijk hebben uitgevoerd.

… of in de regio en daarbuiten

41

Uit onze algemene analyse bleek dat regionale samenwerking niet de primaire doelstelling van de meeste projecten was, omdat alle partnerlanden eerst wilden voorzien in hun nationale behoeften. Hoewel het zeker nodig is om een evenwicht te vinden tussen het ontwikkelen van nationale capaciteit ter beperking van CBRN-risico’s en het versterken van regionale samenwerking, was de verhouding tussen nationale en regionale activiteiten bij de projecten waarvoor we voldoende informatie hadden, 70:30.

42

Het versterken van CBRN-netwerken op nationaal en regionaal niveau is een essentieel vereiste om een adequate reactie te kunnen waarborgen in het geval van een incident waarbij CBRN-agentia betrokken zijn. Het doel van het initiatief is om partnerlanden te helpen samenwerken. Regionale interactie vond echter niet vaak plaats. Regionale rondetafelbijeenkomsten (zie figuur 1 en bijlage 1), waarbij projecten worden besproken, worden over het algemeen tweemaal per jaar gehouden, maar nationale deskundigen worden slechts eenmaal uitgenodigd, waardoor de aanwezige expertise beperkt is. DV DEVCO organiseert ook een jaarlijkse vergadering met alleen de hoofden van de regionale secretariaten. De nationale steunpunten en deskundigen ter plaatse hebben aangegeven dat er regelmatiger regionale vergaderingen moeten worden belegd, dat er internationale deskundigen moeten worden uitgenodigd, korte workshops/opleidingssessies moeten worden georganiseerd en er meer simulatie- en veldoefeningen moeten worden gehouden.

43

Er is momenteel geen discussieforum of ruimte om richtsnoeren, beste praktijken, studies of geleerde lessen van internationale organisaties of van in het kader van andere programma’s gefinancierde EU-projecten (bijvoorbeeld Veiligheid en bescherming van de vrijheden, het zevende kaderprogramma voor onderzoek, het Fonds voor interne veiligheid – Politie en Horizon 2020) op CBRN-gebied met partnerlanden te delen.

… bij het verkennen van andere financieringsmogelijkheden

44

De toekomst van het initiatief hangt in hoge mate af van de uitvoering van de nationale actieplannen. In deze NAP’s worden veel maatregelen genoemd (zie voorbeelden in bijlage V) die niet volledig met middelen uit de nationale begroting en middelen van het initiatief kunnen worden uitgevoerd, terwijl er andere financieringsbronnen bestaan en kunnen worden gebruikt zoals het Europees nabuurschapsinstrument, het Europees Ontwikkelingsfonds of het instrument voor samenwerking op het gebied van nucleaire veiligheid.

45

Het NAP is een essentieel document voor het faciliteren van de donorcoördinatie op CBRN-gebied en dus voor het aanwenden van andere middelen voor nationale capaciteitsopbouw (zie tekstvak 5).

Tekstvak 5

Ontwikkeling van het Georgische nationale actieplan

In 2015 stelde Georgië zijn nationale CBRN-actieplan 2015-2019 vast. Hoewel het niet werd ontwikkeld aan de hand van de methodologie van het initiatief voor de analyse van behoeften, was het NAP van Georgië een van de eerste van de partnerlanden die werden vastgesteld.

Het bevat 30 prioriteiten en 118 specifieke maatregelen. De interinstitutionele coördinatieraad van Georgië komt jaarlijks bijeen om de uitvoering van het NAP te bespreken. Donoren worden ook uitgenodigd voor dit evenement.

Een belangrijke uitkomst van de speciale donorcoördinatievergadering in november 2017 was een behoefteramingsdocument dat van Georgische zijde was opgesteld en dat donoren, waaronder de EU, kan helpen bij het plannen van hun bijstand op CBRN-gebied. Twee EU-lidstaten hebben bijstand aangeboden op het gebied van medische spoedhulp/civiele bescherming en de opleiding van militaire CBRN-eenheden. Daarnaast kondigde een grote niet-EU-donor aan dat alle toekomstige CBRN-gerelateerde bijstand aan Georgië afgestemd zou worden op het NAP.

46

De EU-delegaties kunnen een belangrijke rol spelen in het vinden van andere financieringsbronnen. Het kan daarbij gaan om CBRN-onderwerpen als voedselveiligheid, bioveiligheid, biobeveiliging, chemische vervuiling, veiligheidsnormen, wettelijke CBRN-kaders bij gefinancierde projecten in traditionele ontwikkelingssectoren (bijv. landbouw, milieu, gezondheid, justitie). De meeste geënquêteerde EU-delegaties hebben niet geprobeerd bijkomende financiering voor de CBRN-activiteiten te verkrijgen.

47

De overgrote meerderheid van de geënquêteerde EU-delegaties gaven aan dat coördinatievergaderingen tussen donoren en EU-lidstaten nog niet hadden plaatsgevonden.

48

Ondanks het feit dat het nabuurschap een prioritair gebied is voor het initiatief en voor de EU in het algemeen, is de betrokkenheid van DG NEAR tot dusver beperkt geweest. Meer interactie van DG DEVCO met andere directoraten-generaal van de Commissie, bijvoorbeeld DG NEAR en DG ECHO, zou het ook gemakkelijker maken om de vastgestelde lacunes die niet in het kader van het initiatief zijn aangepakt, weg te werken.

Ontoereikende monitoring en evaluatie

49

De behaalde resultaten van het initiatief zouden openbaar moeten worden gemaakt om als input te dienen voor toekomstige strategische en operationele keuzes en de mate van belangstelling en politiek engagement te creëren die vereist is voor het succes ervan.

50

Hoewel DG DEVCO de algehele verantwoordelijkheid heeft voor het monitoren van het initiatief, is het afhankelijk van andere belanghebbenden voor de noodzakelijke feedback. Zij verzamelen informatie en monitoren en evalueren de activiteiten van het initiatief door middel van:

  1. een webportaal van de CBRN-kenniscentra (“het portaal”);
  2. vergaderingen van het stuurcomité met de projectuitvoerders;
  3. coördinatiecomités bestaande uit de EDEO, het JRC, UNICRI, het governanceteam en deskundigen ter plaatse;
  4. verslagen van UNICRI, het governanceteam, deskundigen ter plaatse en projectuitvoerders;
  5. resultaatgerichte missies voor monitoring ter plaatse;
  6. evaluatieverslagen van het JRC.

Het portaal: een potentieel informatie- en monitoringinstrument

51

Het portaal is een internetplatform met beperkte toegang dat volgens DG DEVCO alle projectdocumentatie zou moeten bevatten. Het is ook bedoeld om belanghebbenden over geplande activiteiten te informeren, alsmede notulen van belangrijke vergaderingen en contactlijsten te publiceren. De gepubliceerde informatie is echter zeer schaars, onvolledig, slecht gestructureerd en niet gemakkelijk toegankelijk in een gebruiksvriendelijk (of mobielvriendelijk) formaat. Het JRC is verantwoordelijk voor het onderhoud van het portaal, maar het is afhankelijk van DG DEVCO wat betreft het verschaffen van projectdocumentatie. Momenteel wordt het potentieel van het portaal als operationeel en beheersinstrument (zie bijlage VII) of als discussieforum (zie paragraaf 43) niet ten volle benut.

52

Projectuitvoerders zijn afhankelijk van het portaal voor het verkrijgen van informatie over eerdere projecten. Aangezien het portaal onvolledig is en geen inventaris van projectoutputs bevat, hebben projectuitvoerders niet systematisch toegang tot deze informatie. Dit heeft geleid tot een zekere overlapping van activiteiten. Zo zijn bepaalde CBRN-opleidingsprogramma’s in verschillende projecten herhaald zonder vergelijkbaar cursusmateriaal opnieuw te gebruiken, wat de projectkosten had kunnen verlagen.

Andere monitoringinstrumenten

53

DG DEVCO, het JRC, de regionale secretariaten en nationale steunpunten hebben daarnaast nergens buiten het portaal systematisch informatie verzameld en geconsolideerd. Het grote aantal betrokken actoren, gebrekkig bijgehouden gegevens en onvolledige projectinformatie compliceren en ondermijnen het toezicht op, en de monitoring en evaluatie van projecten van de Commissie.

54

DG DEVCO gaf follow-up aan de projectactiviteiten op vergaderingen van het stuurcomité. Doordat DG DEVCO gegevens gebrekkig had bijgehouden, konden wij echter niet bevestigen dat er regelmatig vergaderingen hadden plaatsgevonden en dat de contractuele verplichtingen in acht waren genomen.

55

We hebben in Speciaal verslag nr. 17/2014 de aanbeveling gedaan om de samenwerking tussen besluitvormings- en uitvoeringsorganen te verbeteren, bijvoorbeeld door het coördinatiecomité nieuw leven in te blazen. Deze vergaderingen werden in 2014 hervat en vonden doorgaans tweemaal per jaar plaats. Ze vergemakkelijkten het beheer van het initiatief doordat ze een globaal overzicht verschaften van de door de verschillende belangrijke actoren verrichte activiteiten38. De aanbeveling in ons eerdere Speciaal verslag nr. 17/2014 wordt als volledig uitgevoerd beschouwd.

56

DG DEVCO monitort ook resultaten op basis van door externe deskundigen afgelegde bezoeken ter plaatse. Ten tijde van onze controle waren van de zestig in het kader van het initiatief uitgevoerde projecten slechts zes resultaatgerichte monitoringverslagen afgerond, waarvan er één de technische bijstand ter plaatse betrof. Resultaatgerichte monitoringbezoeken werden niet afgelegd met betrekking tot door het JRC uitgevoerde projecten, hoewel deze niet door het JRC zelf kunnen worden geëvalueerd.

De evaluatie van resultaten is niet bevredigend

57

Door het ontbreken van duidelijke, goed omschreven doelstellingen, alsmede van relevante uitkomst-/impactindicatoren op het niveau van zowel het initiatief als het project39 was het onmogelijk om de resultaten te beoordelen wat betreft de verbeterde capaciteit om CBRN-risico’s en dreigingen te beperken en zich erop voor te bereiden. Daarnaast konden de prestaties van het initiatief niet worden gemeten doordat de uitkomsten en impact van de projecten niet waren gekoppeld aan de overkoepelende doelstellingen.

58

Het JRC is verantwoordelijk voor alle projectevaluaties, maar heeft sinds september 2016 de meeste ervan uitbesteed aan externe deskundigen. Alle evaluaties zijn gebaseerd op onderzoeken op stukken en zijn afhankelijk van de input van het JRC. We constateerden dat een derde van de evaluaties niet waren afgerond doordat de beschikbaarheid van projectdocumentatie te wensen overliet (zie paragraaf 51).

59

Ondanks het feit dat de eindevaluaties gebaseerd waren op onderzoeken op stukken, namen ze vanaf de publicatie van de eindverslagen gemiddeld 19 maanden in beslag (en nog langer, gerekend vanaf de afronding van het project). De tussentijdse evaluaties werden pas afgerond als de projecten bijna waren voltooid. Aanbevelingen, als ze al werden gedaan, waren vaak feitelijk overbodig omdat het te laat was om ze toe te passen40.

60

Het feit dat de meeste projecten op zichzelf staande activiteiten omvatten en niet vergezeld gaan van een plan voor de langere termijn, is niet bevorderlijk voor de duurzaamheid ervan. Bij de overgrote meerderheid van de projecten die we hebben onderzocht, ontbraken voorzieningen om de duurzaamheid van de uitkomsten te garanderen. Hoewel eerstehulpverleners in het kader van sommige projecten werden uitgerust met CBRN-apparatuur, ontbreekt in veel partnerlanden de basisapparatuur, waardoor de uitgevoerde activiteiten vaak te geavanceerd zijn voor hun technische capaciteit. Omdat CBRN niet de hoogste prioriteit is, is de nationale financiering beperkt, waardoor de continuïteit van de behaalde uitkomsten in gevaar komt. Slechts een handvol opleidingsactiviteiten – waaronder oefeningen om opleiders op te leiden – zijn na afloop van het project voortgezet.

Conclusies en aanbevelingen

61

Het initiatief is het grootste civiele programma voor externe veiligheid van de EU. Het concept is gebaseerd op een unieke regionale en interinstitutionele aanpak, waarbij veel actoren betrokken zijn (zie de paragrafen 8-10). Over het geheel genomen is het initiatief een van de belangrijkste instrumenten om CBRN-dreigingen en -risico’s van buiten de EU te beperken (zie paragraaf 4). We concluderen dat het initiatief heeft bijgedragen tot de beperking van deze CBRN-dreigingen, maar dat er veel uitdagingen blijven bestaan (zie de paragrafen 16-60).

62

De Commissie en de EDEO hebben drie van de zes aanbevelingen in ons Speciaal verslag nr. 17/2014 volledig uitgevoerd en twee ervan gedeeltelijk uitgevoerd (zie bijlage II en de paragrafen 11, 16-21, 28, 30-32, 39, 40 en 55). Partnerlanden zijn nu meer betrokken bij de opzet en uitvoering van projecten, de organisatie op regionaal niveau is versterkt en de samenwerking tussen beleidsmakers en uitvoerende organen is verbeterd. Hoewel er enige vooruitgang is geboekt, zijn de rol van EU-delegaties en het tempo van de uitvoering van projecten nog steeds niet bevredigend (zie de paragrafen 27-48). Een van onze eerdere, door de Commissie aanvaarde aanbevelingen waarin werd voorgesteld om de EU-middelen te richten op de gebieden die het meest relevant waren voor de veiligheid van de EU, is niet uitgevoerd (zie de paragrafen 16-21).

63

Het succes van het initiatief hangt af van het vermogen om zich aan te passen en de belangrijkste uitdagingen waarvoor het nu staat, aan te pakken. De volgende aanbevelingen, die bedoeld zijn om de tekortkomingen die bij de controle aan het licht kwamen aan te pakken, beogen het initiatief verder te versterken en in stand te houden.

64

Een passende aanpak van het risicobeheer van de activiteiten van het initiatief is nog niet ontwikkeld voor het initiatief als geheel, in de projectselectiefase en voor de vaststelling van de behoeften van de partnerlanden (zie de paragrafen 18-23).

65

De Commissie verstrekt de partnerlanden instrumenten en een methodologie om hen te helpen hun eigen behoeften te beoordelen, alsmede nationale actieplannen te ontwikkelen om CBRN-risico’s te kunnen beperken (zie de paragrafen 22 en 23). Er worden echter niet voldoende richtsnoeren verstrekt over de wijze waarop risico’s moeten worden vastgesteld en geprioriteerd (zie paragraaf 23). Ondanks dit nadeel zijn de vragenlijst ter beoordeling van behoeften en de nationale actieplannen nog steeds essentiële elementen die de grondslag van het initiatief vormen. De Commissie kan echter niet snel genoeg reageren om te voldoen aan alle verzoeken van de partnerlanden om hen bij te staan bij de vaststelling en prioritering van hun behoeften; hierdoor bestaat het risico dat de voorbereiding van zowel de vragenlijsten als de actieplannen aanzienlijke vertraging oploopt (zie paragraaf 26).

Aanbeveling 1 Prioriteer activiteiten op basis van een systeemrisicoanalyses

De EDEO en de Commissie moeten:

  1. een gezamenlijke EU-analyse uitvoeren om externe CBRN-risico’s voor de EU te identificeren teneinde interne en externe actie volledig te koppelen.

De Commissie moet:

  1. systeemrisicoanalyses integreren in de methodologieën voor de analyse van behoeften en voor nationale actieplannen;
  1. snel reageren op partnerlanden die verzoeken om bijstand om hun behoefteanalyses en nationale actieplannen af te ronden.

Streefdatum voor uitvoering: juni 2019.

66

Naast de verbeteringen die zijn doorgevoerd naar aanleiding van onze eerdere aanbevelingen is in de partnerlanden een aantal aspecten van het initiatief ontwikkeld. Het initiatief heeft een cultuur van veiligheid en samenwerking bevorderd (zie de paragrafen 22 en 31). In de meeste partnerlanden zijn nationale CBRN-teams opgezet. De projecten hebben het grootste deel van hun output geleverd; belanghebbenden hadden met name waardering voor de operationele oefeningen voor capaciteitsopbouw (zie de paragrafen 34 en 35).

67

Er is een begin gemaakt met samenwerking op regionaal niveau, maar deze schiet nog tekort omdat er niet voldoende interactie plaatsvindt tussen de partnerlanden en zij eerst willen voorzien in hun nationale behoeften (zie de paragrafen 33, 41-43).

Aanbeveling 2 Versterk de regionale dimensie van het initiatief

De Commissie moet het aantal regionale activiteiten verhogen, zoals veld- en simulatieoefeningen.

Streefdatum voor uitvoering: december 2019.

68

Sinds ons eerdere Speciaal verslag nr. 17/2014 is de betrokkenheid van de EU-delegaties bij het initiatief verbeterd. Ze hebben zich echter niet voldoende ingezet voor het promoten van het initiatief en het mobiliseren van de politieke wil (zie de paragrafen 39 en 40). CBRN maakte niet systematisch deel uit van de beleids-, veiligheids- of politieke dialoog.

Aanbeveling 3 Versterk de rol van de EU-delegaties in het initiatief verder

De Commissie en de EDEO moeten gezamenlijk:

  1. CBRN-verantwoordelijkheden toekennen aan aangewezen steunpunten en/of aan voor een lange periode aangestelde IcSP-functionarissen voor regionale samenwerking in alle EU-delegaties;
  2. CBRN opnemen in de beleids-, veiligheids- en politieke dialoog.

Streefdatum voor uitvoering: december 2018.

69

De interactie tussen directoraten-generaal van de Commissie en met de donorgemeenschap, met name wat betreft de kwestie van de beschikbare potentiële financiering, was beperkt (zie de paragrafen 44-48).

Aanbeveling 4 Stel potentiële synergieën en andere beschikbare financieringsbronnen vast

DG DEVCO en de EDEO moeten samenwerken met andere relevante directoraten-generaal, met name met DG NEAR, evenals met andere donoren om potentiële synergieën en beschikbare financieringsbronnen vast te stellen die beter kunnen worden benut om CBRN-activiteiten te ondersteunen.

Streefdatum voor uitvoering: juni 2019.

70

De monitoring en evaluatie van de Commissie schoot tekort vanwege onvolledige en schaarse informatie, het gebrekkig bijhouden van gegevens en ontoereikende betrokkenheid van partnerlanden (zie de paragrafen 51-60). Het gebrek aan duidelijke doelstellingen, relevante indicatoren en ter plaatse verzamelde gegevens deed afbreuk aan de beoordeling van de uitkomst en de impact van projecten en het initiatief als geheel.

Aanbeveling 5 Vergroot de verantwoordingsplicht en zichtbaarheid met betrekking tot activiteiten en resultaten door verbeterde monitoring en evaluatie

De Commissie moet:

  1. de algemene doelstelling van het initiatief vertalen in specifiekere doelstellingen die op projectniveau kunnen worden gebruikt, zodat resultaten vanaf projectniveau tot op nationaal, regionaal en initiatiefbreed niveau gemeten kunnen worden;
  2. uitkomst- en impactindicatoren beschrijven zodat de doeltreffendheid van het initiatief kan worden beoordeeld aan de hand van vastgelegde doelstellingen.

Streefdatum voor de uitvoering: december 2019.

71

Het CBRN-webportaal heeft aanzienlijk potentieel als operationele database voor de uitvoering en het beheer van de activiteiten van het initiatief, maar is nog geen doeltreffende, volledige, geactualiseerde en gestructureerde inventaris van activiteiten, geleerde lessen en beste praktijken (zie de paragrafen 51-59).

Aanbeveling 6 Neem het webportaal onder handen zodat alle informatie over de activiteiten van het initiatief gemakkelijk toegankelijk is

De Commissie moet ervoor zorgen dat:

  1. alle relevante informatie beschikbaar is op haar webportaal met de passende niveaus van toegangsbevoegdheid;
  2. beste praktijken en richtsnoeren toegankelijk zijn via het CBRN-portaal.

Streefdatum voor uitvoering: december 2018.

Dit verslag werd door kamer III onder leiding van de heer Karel PINXTEN, lid van de Rekenkamer, te Luxemburg vastgesteld op haar vergadering van 24 april 2018.

Voor de Rekenkamer

Klaus-Heiner LEHNE
President

Bijlagen

Bijlage I

Het initiatief in cijfers

Periode 2009-2013 2014-2017 2020
Begroting 109 miljoen euro
Jaarlijks gemiddelde = ± 22
76 miljoen euro
Jaarlijks gemiddelde = ± 19
130 miljoen euro
Toegewezen 97 miljoen euro voor projecten
41 miljoen euro voor bijstand (capaciteitsopbouw en governance)

Bron: Europese Rekenkamer, op basis van gegevens uit het CRIS.

8 regio’s en 58 partnerlanden in oktober 2017

Aantal AAF NAS SEEE MIE GCC ECA CA SEA Totaal
Partnerlanden 10 6 (+1) 10 3 3 11 5 10 58
NFP’s 10 6 10 3 3 11 5 9 57
Nationale teams 10 1 9 3 0 10 3 8 46
Rondetafelbijeenkomsten 12 7 14 9 5 9 6 13 N.v.t.
Definitieve vragenlijsten ter beoordeling van behoeften 6 1 4 2 1 5 3 4 26
Afgeronde nationaale actieplannen 4 0 3 1 0 4 0 6 18

Bron: Europese Rekenkamer, op basis van JRC-documenten, verslagen van technische bijstand ter plaatse, notulen van rondetafelbijeenkomsten en het CRIS.

Bijlage II

Follow-up van de aanbevelingen in Speciaal verslag nr. 17/2014

Aanbevelingen Huidige stand van zaken Verwijzingen in de tekst
De EU-financiering toespitsen op de gebieden die het meest relevant zijn voor de veiligheid van de EU, om op die manier het rechtstreekse voordeel te maximaliseren. Niet uitgevoerd Paragrafen 16-21
De capaciteit van de regionale secretariaten versterken door de technische deskundigheid te versterken. Volledig uitgevoerd Paragraaf 28
De rol van de EU-delegaties versterken, met name in de landen waar een regionaal secretariaat is ingesteld. Gedeeltelijk uitgevoerd Paragrafen 39 en 40
Maatregelen nemen om de partnerlanden niet alleen te betrekken bij de opzet van projecten, maar ook bij de uitvoering ervan. Dit zou de betrokkenheid van die landen bij de maatregelen versterken en de duurzaamheid van de maatregelen verzekeren. Volledig uitgevoerd Paragrafen 30 en 31
Inspanningen blijven leveren om de procedures te verbeteren, om zo het tijdsverloop tussen het indienen van de voorstellen en de uitvoering van de projecten te verkorten. Gedeeltelijk uitgevoerd Paragraaf 32
De samenwerking tussen de besluitvormingsorganen en de uitvoerende organen verbeteren, bijvoorbeeld door het coördinatiecomité nieuw leven in te blazen. Volledig uitgevoerd Paragraaf 55

Bron: Europese Rekenkamer.

Bijlage III

Regionale secretariaten en partnerlanden in oktober 2017

Afkorting Regio Betrokken landen
SEA Zuidoost-Azië Brunei, Cambodja, Indonesië, Laos, Maleisië, Myanmar, Filipijnen, Singapore, Thailand, Vietnam
AAF Atlantische zijde van Afrika Benin, Kameroen, Ivoorkust, Gabon, Liberia, Mauritanië, Marokko, Senegal, Sierra Leone, Togo
NAS Noord-Afrika en Sahel Algerije, Burkina Faso, Libië, Mali, Marokko, Niger, Tunesië
SEEE Zuidoost- en Oost-Europa Albanië, Armenië, Azerbeidzjan, Bosnië en Herzegovina, voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Georgië, Moldavië, Montenegro, Servië, Oekraïne
CA Centraal-Azië Afghanistan, Kirgizië, Pakistan, Tadzjikistan, Oezbekistan
MIE Midden-Oosten Irak, Jordanië, Libanon
ECA Oost- en Centraal Afrika Burundi, Democratische Republiek Congo, Ethiopië, Ghana, Kenia, Malawi, Rwanda, Seychellen, Tanzania, Uganda, Zambia
GCC Landen van de Samenwerkingsraad van de Golf Verenigde Arabische Emiraten, Qatar, Saoedi-Arabië

Bron: Europese Rekenkamer, op basis van DG DEVCO en de EDEO.

Bijlage IV

Geografische spreiding van het initiatief

Bijlage V

Voorbeelden van CBRN-prioriteiten uit de nationale actieplannen van vier partnerlanden

Bron: Posters van UNICRI, gebaseerd op de informatie afkomstig van Ivoorkust, Libanon, Democratische Volksrepubliek Laos en Georgië.

Bijlage VI

Lijst van projecten

Nr. Naam project Begroting (euro) Regio Bottom-up Formulering van idee Begin-datum Eind-datum Bestreken CBRN-gebieden
66 Medisafe – Bestrijding van illegale handel en verbetering van de veiligheid van geneesmiddelen in Oost- en Centraal-Afrika In voor-bereiding ECA hybride CB
65 Versterking van het beheer van chemisch en biologisch afval in landen van Centraal-Azië ter verbetering van de beperking van veiligheids- en beveiligingsrisico’s 3 000 000 CA J 2-6-2016 CB
64 EU P2P – Uitvoercontroleprogramma voor goederen voor tweeërlei gebruik 2017 3 000 000 NAS, SEEE N RN
63 Levering van specialistische CBRN-apparatuur voor de opleiding van personeel dat belast is met grensoverschrijdende controle 1 000 000 NAS J Gerelateerd aan P 55 CBRN
62 Technische ondersteuning ter plaatse voor CBRN-kenniscentrum (CoE) In voor-bereiding SEA N.v.t. CBRN
61 Deugdelijk beheer van chemische stoffen en het bijbehorende afval in Zuidoost-Azië (Seachem) 2 999 815 SEA J 3-4-2014 1-9-2017 1-9-2020 C
60 Ondersteuning van het kenniscentrum van Oost- en Centraal-Afrika op het gebied van nucleaire veiligheid 3 500 000 ECA J 8-11-2016 7-11-2019 RN
59 Versterking van het regionale secretariaat van het CBRN-kenniscentrum voor de regio van de Samenwerkingsraad van de Golf 285 000 GCC N.v.t. 15-9-2015 14-9-2016 CBRN
58 Levering van specialistische apparatuur voor forensisch onderzoek op CBRN-gebied in de SEEE CoE-regio 1 871 115 SEEE J 8-4-2014 Gerelateerd aan P 57 15-1-2017 30-4-2018 CBRN
57 Versterking van het forensisch onderzoek op de plaats van het delict bij het onderzoeken van CBRN-incidenten in de regio van de kenniscentra in Zuidoost- en Oost-Europa 1 399 670 SEEE J 8-4-2014 14-1-2020 CBRN
56 Technische bijstand ter plaatse 2 Technische bijstand ter plaatse voor de secretariaten van de chemische, biologische, radiologische en nucleaire kenniscentra in Algiers en Tasjkent 2 130 250 CA, NAS N.v.t. 10-11-2019 CBRN
55 Versterking van de grensoverschrijdende capaciteit voor het controleren en opsporen van CBRN-stoffen 3 500 000 NAS, AAF J 2-7-2013 30-9-2019 CBRN
54 Capaciteitsopbouw voor medische paraatheid bij en reactie op CBRN-incidenten 2 999 965 MIE J 26-2-2014 17-7-2019 CBRN
53 Versterking van de nationale wettelijke kaders en verzorging van specialistische opleiding op het gebied van bioveiligheid en biobeveiliging in de landen van Centraal-Azië 5 000 000 CA J 25-3-2015 22-12-2015 21-12-2018 B
52 Levering van specialistische CBRN-apparatuur voor eerstehulpverleners in de SEEE CoE-regio 1 697 563 SEEE J 10-7-2013 Gerelateerd aan P 44 11-12-2015 10-6-2018 CBRN
51 Technische bijstand ter plaatse voor de secretariaten van de chemische, biologische, radiologische en nucleaire kenniscentra in Georgië, Kenia en Marokko 2 969 700 SEEE, CA, AAF N.v.t. 15-9-2015 14-9-2018 CBRN
50 Levering van specialistische apparatuur ter verbetering van de CBRN-paraatheid en -reactiecapaciteit 2 634 042 AAF, ECA J 1-4-2014 1-10-2015 30-6-2019 CBRN
49 Eén gezondheidsproject in Pakistan 927 608 CA N 5-1-2015 4-1-2018 B
48 Verbeterd regionaal beheer van uitbraken in de partnerlanden van de CBRN-kenniscentra aan de Atlantische zijde van Afrika. 3 499 600 AAF J 1-6-2014 1-1-2016 31-12-2018 B
47 EU-outreachprogramma voor producten voor tweeërlei gebruik – Zuidoost-Azië 3 472 100 SEA J 3-4-2014 1-9-2015 31-8-2018 CBRN
46 Verbetering van CBRN-capaciteit van Zuidoost-Azië inzake de aanpak van de beperking van CBRN-risico’s met betrekking tot eerste respons, bioveiligheid en biobeveiliging, bewustmaking en wettelijke kaders op CBRN-gebied 3 000 000 SEA J 3-4-2014 10-7-2015 9-7-2018 CBRN
45 Opzetten van een mobiel laboratorium voor interventies ter plaatse bij VHF-uitbraken in combinatie met CBRN-capaciteitsopbouw in West-Afrika (EUWAM-Lab) 2 579 854 AAF N 18-9-2014 17-11-2017 B
44 Versterking van de eerstehulpcapaciteit en regionale samenwerking op CBRN-gebied in Zuidoost-Europa, de zuidelijke Kaukasus, Moldavië en Oekraïne 2 953 550 SEEE J 10-7-2013 1-1-2015 30-4-2018 CBRN
43 EU-outreachprogramma voor producten voor tweeërlei gebruik 2 249 250 SEEE, MIE, GCC, NAS CA N 1-9-2015 30-6-2017 CBRN
42 Chemische veiligheid en beveiliging in de regio Centraal- en Oost-Afrika 2 978 000 ECA, AAF J 6-5-2014 5-1-2015 4-1-2018 C
41 Chemische inrichtingen met een hoog risico en risicobeperking in de AAF-regio 3 000 000 AAF, NAS J 1-6-2014 1-1-2015 31-12-2017 C
40 Versterking van gezondheidslaboratoria om potentiële biologische risico's te minimaliseren 4 495 712 SEEE, NAS, MIE, CA N 18-12-2013 17-12-2017 B
39 Versterking van de gezondheidsbeveiliging in havens, op vliegvelden en landdoorlaatplaatsen 1 432 757 CA, GCC, MIE, NAS N 24-7-2013 23-11-2015 B
38 Outreachprogramma voor uitvoercontrole van producten voor tweeërlei gebruik 3 500 000 CA, MIE N 30-12-2013 29-7-2019 CBRN
37 Voorkoming van vectorziekten in de regio’s rond de Middellandse en de Zwarte Zee door het creëren van nieuwe Medilabsecure-netwerken 3 626 410 SEEE, MIE, NAS N 6-1-2014 5-7-2018 B
36 Verdere ontwikkeling en consolidatie van het mediterrane programma voor opleiding op het gebied van interventie-epidemiologie (“MediPIET”) 6 400 000 SEEE, MIE,NAS N 1-1-2014 31-12-2017 B
35 AAF – Afvalbeheer 3 871 800 AAF J 20-3-2013 1-1-2014 31-12-2017 CB
34 Versterking van de reactiecapaciteit bij CBRN-incidenten en in chemische en medische noodgevallen 3 914 034 MIE J 1-9-2012 23-12-2013 22-6-2017 CBRN
33 Versterking van het nationale CBRN-rechtskader en verzorging van specialistische en technische opleiding ter verbetering van de CBRN-paraatheid en -reactiecapaciteit 2 699 069 AAF, ECA J 20-3-2013 15-9-2013 28-2-2017 CBRN
32 Vaststelling van een mediterraan programma voor opleiding op het gebied van interventie-epidemiologie (“MediPIET”) 400 000 MIE, NAS, SEEE, AAF N 1-1-2013 31-12-2014 B
31 Netwerk van universiteiten en instituten voor bewustmaking van tweeërlei gebruik van chemische materialen 614 883 CA,MIE, AAF, NAS, SEEE, SEA J 21-12-2012 20-4-2015 C
30 Excellentienetwerk voor nucleair forensisch onderzoek in de regio Zuidoost-Azië 600 000 SEEE, SEA J 21-12-2012 20-12-2016 RN
29 Regionale ontwikkeling van personele hulpbronnen voor het beheer van nucleaire veiligheid, beveiliging en waarborgen via een universitair masterprogramma in Thailand 624 451 SEA J 21-12-2012 20-3-2016 RN
28 Ondersteuning van de ontwikkeling van een geïntegreerd nationaal veiligheidssysteem voor nucleair en radioactief materiaal 1 000 000 SEA J 21-12-2012 20-12-2016 RN
27 Beheer van biorisico’s 480 000 SEA J 21-12-2012 30-6-2015 B
26 Voorwaarde voor het versterken van nationale wettelijke CBRN-kaders 299 936 MIE, NAS J 17-12-2012 16-12-2014 CBRN
25 Kennisontwikkeling en overdracht van beste praktijken op het gebied van bioveiligheid/biobeveiliging/het beheer van biorisico’s 434 010 MIE N 12-12-2012 11-4-2015 B
24 Ontwikkeling van een methodologie voor de detectie van RN-materialen, beheer en bescherming van het publiek 599 830 AAF J 18-12-2012 17-12-2017 RN
23 Capaciteitsopbouw om dreigingen van chemische, biologische, radiologische en nucleaire stoffen te identificeren en erop te reageren 492 405 AAF, SEEE, MIE, NAS, SEA N 10-12-2012 9-12-2014 CBRN
22 Levering van gespecialiseerde technische opleiding ter verbetering van de capaciteit van eerstehulpverleners bij CBRN-incidenten 677 766 AAF, SEA J 17-12-2012 16-12-2014 CBRN
21 Opbouw van regionale grensoverschrijdende capaciteit om CRN-materiaal te identificeren en te detecteren 700 000 AAF, SEA J 21-12-2012 20-12-2016 CRN
20 niet gecontracteerd
19 Ontwikkeling van procedures en richtsnoeren om veilige mechanismen voor informatiebeheersystemen en gegevensuitwisseling te creëren en te verbeteren voor CBRN-materialen die onder de controle op naleving van de regelgeving vallen 400 000 AAF, CA, ECA, MIE, NAS, SEEE, SEA N 1-3-2013 30-6-2015 CBRN
18 Internationaal netwerk van universiteiten en instituten voor bewustmaking van tweeërlei gebruik in de biotechnologie 399 719 AAF, CA, MIE, NAS, SEEE, SEA N 1-3-2013 31-12-2014 B
17 Vaststelling van een nationaal noodplan in Ghana en Kenia om te reageren op ongeoorloofde incidenten waarbij chemische, biologische, radiologische en nucleaire (CBRN-)materialen betrokken zijn 240 000 ECA, AAF J 15-5-2013 15-5-2015 CBRN
16 Ondersteuning van de ontwikkeling van een nationaal nucleair veiligheidssysteem 400 000 NAS, AAF J 1-1-2013 30-9-2015 RN
15 Versterking van de bioveiligheid en biobeveiliging in laboratoria door de ontwikkeling van een isobanksysteem voor laboratoria 480 000 SEA N 1-8-2013 30-6-2015 CBRN
14 Verstrekking van gespecialiseerde technische opleiding ter verbetering van de capaciteit van eerstehulpverleneners (CBRN FRstCap) 400 000 SEEE N 1-4-2013 31-3-2015 CBRN
13 Capaciteitsopbouw en bewustmaking inzake het vaststellen van en reageren op dreigingen van chemische, biologische, radiologische en nucleaire materialen in Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara 319 924 ECA N 1-1-2013 30-6-2015 CBRN
12 Uitwisseling van ervaringen tussen de EU en landen in Zuidoost-Azië inzake de versterking van wet- en regelgeving op het gebied van bioveiligheid en biobeveiliging, evenals relevante systemen voor het beheer van laboratoria via het regionale kenniscentrum – fase 2 320 000 SEA N 1-4-2013 31-3-2015 B
11 Bevordering van goede praktijken en procedures tussen instanties voor de beoordeling van risico’s van chemisch, biologisch, radiologisch en nucleair misbruik 1 915 452 AAF, MIE, NAS, SEEE, SEA N 1-1-2013 31-12-2014 CBRN
10 Ontwikkeling van e-learningcursussen voor de beperking van CBRN-risico’s 399 806 AAF, CA, ECA, MIE, NAS, SEEE, SEA J 1-1-2013 31-3-2015 CBRN
9 Nationaal noodplan in Libanon voor CBRN-incidenten 159 900 MIE N 1-1-2013 31-12-2014 CBRN
8 Voorwaarde voor het versterken van nationale wettelijke CBRN-kaders 800 000 SEA J 1-1-2013 30-6-2015 CBRN
7 Richtsnoeren, procedures en standaardisatie inzake bioveiligheid/biobeveiliging 1 199 576 SEEE, SEA J 1-1-2013 31-3-2015 B
6 Kennisontwikkeling en overdracht van beste praktijken met betrekking tot het beheer van chemisch en biologisch afval 480 000 SEA J 1-1-2013 31-12-2014 CB
5 Kennisontwikkeling en overdracht van beste praktijken met betrekking tot de monitoring van CBRN-in- en uitvoer 1 440 000 AAF, CA, MIE, NAS N 1-1-2013 31-12-2014 CBRN
4 CBRN-responsprogramma tussen instanties (ICP) 959 675 SEEE, SEA J 1-1-2013 31-12-2014 CBRN
3 Kennisontwikkeling en overdracht van beste praktijken op het gebied van bioveiligheid/biobeveiliging/het beheer van biorisico’s 1 920 000 AAF, NAS, SEEE, SEA J 1-1-2013 30-6-2015 B
2 Capaciteitsopbouw om dreigingen van chemische, biologische, radiologische en nucleaire stoffen te identificeren en erop te reageren (CBRNcap) 160 000 SEEE N 1-1-2013 31-3-2015 CBRN
1 Vaststelling en versterking van forensische capaciteit op het gebied van de voorkoming van georganiseerde misdaad en illegale handel in chemische agentia, met inbegrip van opleiding en apparatuur voor eerstelijnsbeambten 640 000 SEEE N 1-1-2013 31-3-2015 C

Bron: CBRN-portaal en het CRIS.

Bijlage VII

Informatie die al dan niet op het portaal aanwezig is

Bron: Europese Rekenkamer.

Antwoorden van de Commissie en van de EDEO

Samenvatting

III

De Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) zijn het eens met de conclusie van de Rekenkamer. Zij zijn het echter oneens met de opmerkingen van de Rekenkamer over het niet opvolgen van de aanbeveling om de EU-financiering toe te spitsen op de gebieden die het meest relevant zijn voor de veiligheid van de EU.

Het voornaamste kenmerk van het initiatief betreffende chemische, biologische, radiologische en nucleaire (CBRN-)kenniscentra is de vrijwillige, op alle gevaren gerichte bottom-upbenadering. Met het initiatief wordt verder in de eerste plaats beoogd regionale samenwerking op CBRN-gebied te bevorderen en te ondersteunen, om bij te dragen tot de bescherming van de EU tegen externe bedreigingen.

Doelstelling 3 van het herziene CBRN-actieplan van de EU (Mededeling COM(2017) 610), getiteld: "Actieplan ter verbetering van de paraatheid bij veiligheidsrisico's op chemisch, biologisch, radiologisch en nucleair gebied" erkent het volle potentieel en de verwezenlijkingen van het initiatief, vooral in verband met het teweegbrengen van een "spiegeleffect" bij het versterken van de samenwerking met het initiatief en andere internationale actoren om de interne veiligheid van de EU te bevorderen.

Op basis van deze grondkenmerken moet het initiatief worden gezien als een langetermijninspanning om een doeltreffende regionale capaciteit ter beperking van CBRN-risico's op te bouwen. In de eerste uitvoeringsjaren werd gewerkt aan een vertrouwensbasis in en tussen de partnerlanden, om het gemakkelijker te maken veiligheidsrelevante zaken te bespreken en regionale projecten voor te stellen op steeds gevoeligere veiligheidsterreinen. Een dergelijk proces kan echter niet worden geforceerd, gezien de bottom-upbenadering en de vrijwillige aard, omdat het initiatief anders zijn geloofwaardigheid verliest. Het initiatief kwam in de laatste twee jaar tot wasdom en bewerkstelligde een hoge mate van vertrouwen bij de partnerlanden, waardoor nu een nauwe samenwerking op het gebied van CBRN-beveiliging mogelijk is. Dankzij een toegenomen vertrouwen in, deelname aan en steun voor het initiatief onder de partnerlanden kon de Commissie een begin maken met het sturen van regionale rondetafelgesprekken en met begeleiding bij projectvoorstellen. Deze ontwikkelingen verliepen niet op homogene wijze, aangezien elk van de acht regio's zijn eigen bijzonderheden heeft en te maken heeft met factoren die het besluit van de Commissie over de toewijzing van fondsen beïnvloeden. Hoewel de Commissie zich ervan bewust is en ervan overtuigd is dat het initiatief zich vooral moet richten op de nabuurschapslanden van de EU en dat zij de eerste ontvangers moeten zijn van projectfinanciering, moet er daarom ook rekening worden gehouden met de situatie in enkele van de naburige regio's en de gevolgen hiervan voor de haalbaarheid van bepaalde acties.

Zo staat voor partnerlanden in het Midden-Oosten regionale samenwerking op een lager plan door de crisis in Syrië, de situatie in Irak en de vluchtelingen- en ontheemdenstromen die deze hebben teweeggebracht. Dergelijke gebeurtenissen brachten Jordanië, Irak zelf en Libanon (leden in het Midden-Oosten) ertoe zich meer op nationale kwesties te concentreren in plaats van op regionale samenwerking.

De regio Noord-Afrika en Sahel, waar de samenwerking later startte dan in andere regio's, heeft eveneens te maken met regionale crises door de situatie in Libië. Ondanks dergelijke moeilijke omstandigheden slaagde het regionale secretariaat erin de samenwerking voort te zetten én een project op het gebied van grenscontroles te lanceren. Regionale capaciteitsopbouw op dit gebied is van groot belang voor het verbeteren van de beveiliging van de EU tegen dreigingen in verband met georganiseerde misdaad, drugs en mensenhandel.

Verder is er een begin gemaakt met gevoelige onderwerpen in de regio Zuidoost- en Oost-Europa, waar onlangs een project is gestart ter "versterking van het forensisch onderzoek op de plaats van het delict bij het onderzoeken van CBRN-incidenten in de regio van de kenniscentra in Zuidoost- en Oost-Europa" via het delen van informatie en het organiseren van subregionale oefeningen.

Ten aanzien van de regio's van de kenniscentra buiten het Europees nabuurschapsgebied is het van belang erop te wijzen dat hun belang voor de veiligheid van de EU, wanneer het gaat om CBRN, niet mag worden onderschat. Dit geldt met name op biologisch gebied: menselijke en dierziekten zoals ebola en vogelgriep waren allebei afkomstig van buiten het nabuurschapsgebied van de EU, maar leverden concrete gevaren op voor de gezondheid van de Europese burgers en de economie van de EU. De kenniscentra hebben tot de preventie van dergelijke risico's bijgedragen door middel van diverse projecten voor de beheersing van uitbraken in de regio's Atlantische zijde van Afrika en Zuidoost-Azië. In dit verband is het goed om te vermelden dat afstand geen garantie voor bescherming is. Uiteindelijk zijn dit de redenen waarom de Commissie (directoraat-generaal Internationale Samenwerking en Ontwikkeling, DG DEVCO), op het gebied van bioveiligheid en biobeveiliging, overweegt een brug te slaan tussen het nabuurschapsgebied van de EU en de andere regio's: acties buiten het nabuurschapsgebied van de EU zouden een afspiegeling moeten zijn van de acties binnen dit gebied en het succesvolle mediterrane programma voor opleiding op grond van interventie-epidemiologie (Intervention Epidemiology Training, MediPIET) zou hiervoor als model kunnen dienen.

Zo is het van belang dat er in de regio Oost- en Centraal-Afrika activiteiten worden ontplooid om CBRN-risico's te beperken, aangezien de CBRN-beveiliging in dit deel van de wereld gemakkelijk een impact zou kunnen hebben op andere regio's, zoals de EU. Project 60 ter aanscherping van de nucleaire beveiliging in de regio Oost- en Centraal-Afrika draagt bij tot het versterken van het nucleair beleid, teneinde de handel in gevaarlijke radiologische en nucleaire (RN-)materialen, zoals RN-weesbronnen, te voorkomen. Het gevaar bestaat dat dergelijke RN-materialen die een hoog risico inhouden, via havens naar elders in de wereld worden verhandeld. Hetzelfde geldt voor de laboratoria in de regio Oost- en Centraal-Afrika, van waaruit pathogenen en biologische agentia zouden kunnen worden gestolen (door ontoereikende beveiligingsmaatregelen voor de bescherming van deze laboratoria).

Naast deze inspanningen, is er in het ontwerp voor het actiedocument 2018 inzake klimaatverandering een primaire rol weggelegd voor de kenniscentra: zij worden aangeduid als platform om partnerlanden ontvankelijk te maken voor beveiliging tegen klimaatverandering, via hun nationale teams en nationale steunpunten (NFP's). In het document wordt ook voorzien in extra middelen voor de kenniscentra om nieuwe projecten op te starten en te financieren voor het aanpakken van de risico's die de migratie van ziektevectoren vanwege klimaatverandering met zich brengt voor de EU en haar buurlanden. Bij deze actie zal gebruik worden gemaakt van de netwerken voor biobeveiliging die zijn opgebouwd in het kader van project 37 "MEDILABSECURE" en de projecten 32 en 36 ter ondersteuning van het programma MediPIET.

De Commissie meent, dit alles overwegende, dat bij de beoordeling of de aanbeveling in kwestie al dan niet als uitgevoerd moet worden beschouwd, een meer complexe en samengestelde definitie van "gebieden die het meest relevant zijn voor de veiligheid van de EU" zou moeten worden gehanteerd, waarbij rekening wordt gehouden met de aard en de reikwijdte van CBRN-risico's en -dreigingen en met de grondkenmerken van het initiatief betreffende CBRN-kenniscentra.

IV

De Commissie en de EDEO zijn het ermee eens dat een brede en systematische aanpak voor risicoanalyses die opzettelijke, natuurlijke en accidentele risico's omvat (reeds gestart), het initiatief ten goede zal komen en de waarde hiervan, zowel voor de partnerlanden en regio's als voor de EU zelf, duidelijker zal maken.

De instrumenten en de deskundigheid die de Commissie de partnerlanden in het kader van het initiatief aanbiedt, maken het mogelijk gevaren te identificeren (aan de hand van de 300 vragen van de vragenlijst ter beoordeling van de behoeften (NAQ, needs assessment questionnaire) en risico's vast te stellen op basis van een lijst met punten waarop capaciteit ontbreekt of nog niet afdoende is (geïdentificeerd als lacunes in de resultaten van de NAQ). Op grond van deze bevindingen wordt een nationaal actieplan (NAP) voor CBRN opgesteld om de vastgestelde risico's te beperken. Tijdens de besprekingen wordt het nationale team verzocht de acties te prioriteren volgens de beschikbare informatie over de waarschijnlijkheid dat het specifieke risico in het land optreedt. Deze aanpak heeft de belangstelling van de partnerlanden en van de teams van de Commissie gewekt voor een bredere en objectieve methodologie voor risicoanalyses (met bijstand ter plaatse) die nu wordt besproken en wordt opgenomen in het NAQ- en NAP-proces. Dit verbeterde risicoanalyse-instrument zal worden afgestemd op de risico's die aan de hand van de NAQ zijn vastgesteld en zal onderdeel uitmaken van de bespreking van het nationale actieplan voor CBRN ter ondersteuning van de prioritering van acties in het NAP.

Om de risicogebaseerde aanpak te versterken, gebruiken de diensten van de Commissie en de EDEO nu aanvullende informatiebronnen en risicoanalyses van open, commerciële of vertrouwelijke bronnen.

Informatiebronnen over beveiliging hebben echter voornamelijk betrekking op opzettelijke risico's en behandelen daarom niet alle CBRN-risico's (natuurlijk, accidenteel) die het initiatief betreffende kenniscentra omvat. Niet-opzettelijke (accidentele, natuurlijke) risico's worden daarom beoordeeld volgens complementaire methodologieën, die geleidelijk worden geïntegreerd in de methodologie van de kenniscentra.

V

De risicoanalysecomponent zal worden versterkt en worden opgenomen in de methodologie voor het beoordelen van de behoeften en het opstellen van het nationale actieplan. Hiermee moet het mogelijk zijn om de partnerlanden meer bewust te maken van het belang van het uitvoeren van een risicoanalyse, om mogelijke benaderingen en richtsnoeren aan te reiken en om de partnerlanden beter te ondersteunen bij het prioriteren van acties.

Daarnaast zal de risicoanalyse verbeteren door het feit dat de simulatie- en veldoefeningen in belang en aantal stijgen. Hierdoor zal het gemakkelijker worden om ontoereikende capaciteit in de partnerlanden en de hiermee samenhangende risico's te identificeren.

VI

Daarnaast heeft het initiatief een geconsolideerd regionaal en wereldwijd netwerk tot stand gebracht van steunpunten die zich buigen over CBRN-kwesties, elkaar vertrouwen en zelfs buiten het kader van officiële bijeenkomsten van de kenniscentra informatie uitwisselen.

In de regio Atlantische zijde van Afrika was er zeer onlangs (maart 2018) een bewijs van het succes (indirecte impact van het netwerk van kenniscentra): toen het nationale steunpunt van Burkina Faso door de autoriteiten werd geïnformeerd over de diefstal van radiologisch materiaal in het land, stelde dit het nationale steunpunt van Mali onmiddellijk hiervan in kennis om mogelijke maatregelen voor de aanpak van het probleem te bespreken en grenssamenwerking via de kenniscentra op te starten.

VII

Regionale secretariaten en nationale steunpunten zien in dat zij geleidelijk aan een onestopshop of het centrale aanspreekpunt in de regio kunnen worden voor het aanpakken van regionale en nationale CBRN-kwesties. Zij spelen een belangrijke rol bij deze coördinatie, bij het bieden van ondersteuning bij het opzetten van regionale evenementen (bv. workshop na ebola in Rabat, West-Afrika, in oktober 2017), bij het opstellen van regionale actieplannen en bij het treffen van voorbereidingen voor regionale simulatie- of grensoverschrijdende oefeningen.

Een voorbeeld van dergelijke regionale samenwerking is het voorstel in maart 2018 van de voorzitter van BACAC (Biosafety Association for Central Asia and the Caucasus) aan het secretariaat in Centraal-Azië om samen hun jaarlijkse regionale conferentie voor eind 2018 te organiseren, in nauwe samenwerking met het ISTC (International Science and Technology Center, Internationaal Centrum voor wetenschap en technologie) en het lopende project 53.

VIII

De diensten van de Commissie en de EDEO hebben gezamenlijk het proces op gang gebracht naar een grotere betrokkenheid van de EU-delegaties bij het initiatief. Er is enige vooruitgang geboekt en er zijn nu regelmatige en nauwere contacten met regionale secretariaten, uitvoerders en het governanceteam. Enkele delegaties hebben cruciale steun verleend bij het betrekken van belangrijke partnerlanden (Ethiopië, Mongolië, Pakistan, Sierra Leone) of bij het aanwakkeren van hun participatie door de politieke aandacht voor het initiatief te vergroten.

De volle betrokkenheid van alle delegaties in de 59 partnerlanden van het initiatief betreffende kenniscentra bereiken is een tamelijk ambitieus doel, gelet op het krimpende budget, de toenemende werkbelasting en de tijd die nodig is om dit proces te voltooien. De Commissie en de EDEO hebben er echter vertrouwen in dat zij op de goede weg zijn.

Om een meer systematische betrokkenheid van de EU-delegaties bij (potentiële) partnerlanden te realiseren en de politieke zichtbaarheid van het initiatief in het/de toegewezen land(en) te vergroten, zijn de respectieve delegatiehoofden in januari 2018 middels een formeel schrijven uitgenodigd om specifieke actie te ondernemen.

Bovendien is het initiatief, sinds eind 2017, op de agenda voor politieke dialoog/"veiligheidsclusters" geplaatst.

Dankzij het werk van de regionale samenwerkingsfunctionarissen in Dakar, Islamabad, Manilla en Nairobi zijn de respectieve regio's beter geïnformeerd over de activiteiten van de CBRN-kenniscentra.

IX

De EDEO heeft aangepaste subdoelen en prestatie-indicatoren geïntroduceerd in het meerjarig indicatief programma 2018-2020 voor het instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (IcSP), na overleg met de Commissie.

Met een externe adviseur is er gewerkt aan betere indicatoren en logframes, om de planningsdocumenten, het bestek en de verslaglegging te verbeteren.

X

Het portaal voor het EU-initiatief betreffende CBRN-kenniscentra is een belangrijk samenwerkingsinstrument voor een initiatief dat volledig gedecentraliseerd is en actief is in acht regio's in de wereld. Erkend wordt dat het portaal zijn capaciteitslimiet heeft bereikt. Het portaal is collaboratief van aard en is geëvolueerd tijdens de uitbreiding van het initiatief tot de huidige 60 landen, met daarmee de noodzaak tot aanpassingen. De structuur van het huidige portaal wordt bijgewerkt.

Wegens de snelle evolutie van IT-technologieën is er besloten parallel te werken aan de backoffice-ontwikkeling van een nieuw portaal, gebaseerd op een ander standaardsoftwareprotocol dat de portabiliteit, het onderhoud, de upgrading en de duurzaamheid zal verbeteren. Het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (JRC) verricht momenteel een haalbaarheidsstudie naar deze ontwikkeling.

XI

De Commissie en de EDEO aanvaarden alle aanbevelingen van de Rekenkamer.

Inleiding

02

CBRN vormen een evoluerende dreiging en er zijn aanwijzingen dat de dreiging zal toenemen, vooral wat chemische stoffen betreft.

04

DG DEVCO zorgt inderdaad voor een koppeling tussen de genoemde maatregelen, die allemaal tot doel hebben CBRN-risico's te beperken, en vermijdt overlappingen. Meer bepaald beheert DG DEVCO de component controle op de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik van het "Partner-to-Partner"-programma in het kader van het initiatief betreffende CBRN-kenniscentra (projecten 38, 43, 47, 64); verder zijn het International Science and Technology Center (ISTC) en het Centrum voor wetenschap en technologie in Oekraïne (STCU, Science and Technology Center in Ukraine) gesteund en als uitvoerder betrokken bij diverse projecten (53, 52, 50), activiteiten en oefeningen (Sunkar, Lionshield).

09

De rol van de EU-delegaties in het kader van het initiatief betreffende kenniscentra is onder meer contacten onderhouden met nationale autoriteiten en ambassades van de EU-lidstaten in de betrokken landen, om ervoor te zorgen dat deze beide partijen het werk van de nationale steunpunten goed kennen en steunen. Politieke steun is essentieel om het CBRN-coördinatiewerk van de nationale steunpunten doeltreffend te maken.

Opmerkingen

16

Zie ook het antwoord op paragraaf III.

DG HOME richt zich hoofdzakelijk op opzettelijke risico's en concentreert zich vanzelfsprekend op de directe dreigingen voor de EU aan haar grenzen. Het initiatief betreffende kenniscentra is een langetermijnprogramma ter preventie van alle gevarenrisico's (niet alleen opzettelijke, maar ook accidentele en natuurlijke risico's). De activiteiten van de kenniscentra omvatten regionale projecten, maar ook technische bijstand ter plaatse, NAQ's, NAP's en de ondersteuning van algemene CBRN-governance. Alle activiteiten dienen hetzelfde doel en vullen elkaar aan. Het projectaandeel in de financiering zou daarom niet geïsoleerd moeten worden gezien van de overige activiteiten.

De nabuurschapslanden van het zuidelijke Middellandse-Zeegebied (regio's Noord-Afrika en Sahel en Midden-Oosten) zijn inderdaad een prioriteit, maar zij vormen ook een zeer complex gebied waar regionale projecten moeilijk van de grond komen zonder dat er eerst is gezorgd voor voldoende vertrouwen en ontwikkeling, zoals hierna uitgelegd.

Het Midden-Oosten is een regio waarin de veiligheidssituatie al jaren zeer complex is. Dergelijke omstandigheden maken het doel regionale samenwerking onder de partnerlanden van het initiatief betreffende kenniscentra te bevorderen, bijzonder moeilijk te verwezenlijken. Libanon, Irak en Jordanië zijn veel meer gericht op de eigen nationale aangelegenheden en behoeften. Toch zijn het overleg en de uitwisselingen voortgezet: de Commissie is van mening dat dit op zichzelf als een succes van het initiatief zou moeten worden gezien.

Verder is DG DEVCO al begonnen met het prioritair benaderen van partners in het Midden-Oosten in het kader van zijn nieuwe programma voor opleiding en begeleiding dat door de kenniscentra wordt gesteund (project 68) met het oog op het vergroten van hun CBRN-capaciteit. Tegelijkertijd dringt DG DEVCO er bij de EU-delegaties op aan het gebruik van andere financieringsinstrumenten (vooral het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking, het Europees nabuurschapsinstrument - ENI) aan te moedigen om op bilaterale basis in nationale behoeften te voorzien. Het idee achter deze beide acties is andere middelen aan te wenden om dezelfde capaciteitsopbouwdoelen van het initiatief te bereiken. Het aanpakken van de behoeften van de partners maakt hen immers ook klaar om de regionale samenwerking op het juiste moment te hervatten. Tegen deze achtergrond is het duidelijk van enorm belang dat het overleg in het kader van de kenniscentra wordt voortgezet, ondanks het relatieve stagneren van projecten en activiteiten.

De regio Zuidoost- en Oost-Europa, die 10 landen uit de westelijke Balkan en de Kaukasus telt, heeft de uitdagingen die voor de EU van belang zijn op doeltreffende wijze aangepakt: landen beginnen zich te richten op onderwerpen die verband houden met "harde veiligheid", zoals forensisch onderzoek op RN-gebied en de eerste reactie op CBRN-incidenten, en gezamenlijke oefeningen te organiseren om het effect van de projecten te testen.

In de regio Noord-Afrika en Sahel is de samenwerking later van start gegaan dan in de andere regio's; deze heeft echter al snel kwesties aan de orde gebracht die zowel voor de regio zelf als voor de veiligheid van de EU van essentieel belang zijn. Project 55 ter "versterking van de grensoverschrijdende capaciteit voor het controleren en opsporen van CBRN-stoffen" is van invloed op de strijd tegen het terrorisme en de georganiseerde misdaad. De moeilijkheden bij het project zijn toe te schrijven aan het feit dat het betrekking heeft op zeer gevoelige onderwerpen en op structuren voor "harde veiligheid", zoals militaire structuren, in de partnerlanden.

17

De Commissie en de EDEO zijn zich ervan bewust dat er slechts beperkte middelen beschikbaar zijn. Om deze reden is dan ook besloten het initiatief betreffende CBRN-kenniscentra niet geografisch uit te breiden tot het zuidelijk deel van Afrika (Zuid-Afrika, Namibië, enz.), noch tot Zuid- of Midden-Amerika, ondanks het mondiale karakter van het initiatief en zijn doelen. De inspanningen zijn slechts gericht op een zeer klein aantal potentiële partnerlanden, hoofdzakelijk in de (bredere) omgeving van de EU, die de voornaamste "lacunes" in de dekking van het initiatief bij bestaande regionale secretariaten vertegenwoordigen, omdat deze landen belangrijke CBRN-gerelateerde risico's/voordelen brengen (bv. Kazachstan) of op zichzelf als aanwinst worden beschouwd omdat zij waarschijnlijk verandering kunnen brengen in een stagnerende regionale samenwerking/ontwikkeling van het initiatief (Koeweit).

De bijdrage van partnerleden in natura vult de beschikbare middelen om CBRN-risico's te beperken aan, evenals de bijkomende financiering uit bilaterale bijstand van EU- of niet-EU-landen (bv. Polen en de Verenigde Staten in Zuidoost- en Oost-Europa; Frankrijk en Duitsland in de regio Atlantische zijde van Afrika).

Een geografische uitbreiding betekent inderdaad dat er gemiddeld minder financiële bijstand per land beschikbaar is. Het is echter ook zo dat de ondersteuning van regionale samenwerking het toepassingsgebied en het doel van het initiatief vormt, omdat CBRN-risico's door hun aard geen nationale grenzen kennen. Ethiopië, Koeweit, Pakistan of Azerbeidzjan zijn allemaal nieuwe partnerlanden die het effect van de regionale samenwerking tussen kenniscentra zullen versterken. Zo heeft Pakistan tijdens het recente rondetafelgesprek in Doesjanbe in Centraal-Azië (maart 2018) aangeboden zijn hoogwaardige biologische en RN-capaciteit te delen met zijn partnerlanden in Centraal-Azië.

Indien projecten beperkt zouden worden tot kleinere groepen landen, zou hun effect op de CBRN-beveiliging minder doeltreffend zijn dan wanneer zij een heel gebied bestrijken. De stijging in het aantal partnerlanden moet daarom veeleer gezien worden als een manier om het initiatief te completeren en uiteindelijk tot betere resultaten te komen wat betreft het doel CBRN-risico's te beperken en, door een spiegeleffect, de veiligheid van de EU.

Daarnaast gebruikte de Commissie de goede reputatie van het initiatief betreffende CBRN-kenniscentra onder de partnerlanden en zijn netwerk om zich te richten tot landen die de EU strategisch interessant achtte om mee samen te werken: dit gold voor Afghanistan en vervolgens voor Pakistan en Ethiopië (die nu leden zijn), maar ook voor Nigeria en Egypte, waarmee de Commissie bilaterale gesprekken is aangegaan maar die zich nog niet bij het initiatief hebben aangesloten.

Ten slotte moet er opnieuw worden gewezen op de intrinsieke aard van het initiatief betreffende kenniscentra: door de bottom-up benadering op basis van vrijwilligheid zou het onnatuurlijk zijn voor de diensten van de Commissie/de EDEO om landen af te wijzen die zich ertoe verbinden deel te nemen aan de regionale inspanningen om CBRN-risico's te beperken en CBRN-dreigingen te bestrijden.

18

Deze verschuiving van de projectfinanciering kan op twee manieren worden verklaard:

Ten eerste geldt voor de CBRN-sector dat het begrip "risico voor de EU" niet zou moeten worden beperkt tot het nabuurschapsgebied van de EU. Zoals uitgelegd in het antwoord op paragraaf III, waren de meest recente risico's voor de EU op biologisch gebied menselijke en dierziekten (ebola en vogelgriep) die van buiten het nabuurschapsgebied afkomstig zijn. In deze gevallen is bij projecten gewijd aan de regio's Atlantische zijde van Afrika en Zuidoost-Azië prioriteit gegeven aan een direct belang van de EU, maar gelegen buiten hun nabuurschapsgebied. Dit voorbeeld toont hoe afstand geen garantie biedt voor veiligheid, vooral op biologisch gebied. Daarom is de Commissie ervan overtuigd dat de speciale aandacht voor het nabuurschapsgebied zeer belangrijk is, maar niet te strikt moet worden opgevat, gezien de aard van de CBRN-risico's. In die zin onderzoekt DG DEVCO of het mogelijk is het op nabuurschap gebaseerde programma MediPIET (project 36) als model te gebruiken om soortgelijke projecten in andere regio's te starten, met het doel risico's op biologisch gebied te voorkomen en te beperken.

Het is van belang dat er in de regio Oost- en Centraal-Afrika activiteiten plaatsvinden om CBRN-risico's te beperken, aangezien de CBRN-beveiliging in dit deel van de wereld gemakkelijk een impact zou kunnen hebben op andere regio's, zoals de EU. Project 60 ter aanscherping van de nucleaire beveiliging in de regio Oost- en Centraal-Afrika draagt bij tot het versterken van het nucleair beleid, teneinde de handel in gevaarlijke radiologische en nucleaire (RN-)materialen, zoals RN-weesbronnen, te voorkomen. Het gevaar bestaat dat dergelijke RN-materialen die een hoog risico inhouden, via havens naar elders in de wereld worden verhandeld. Hetzelfde geldt voor de laboratoria in de regio Oost- en Centraal-Afrika, van waaruit pathogenen en biologische agentia zouden kunnen worden gestolen (door ontoereikende beveiligingsmaatregelen voor de bescherming van deze laboratoria).

Ten tweede konden door de bijzondere omstandigheden in enkele naburige regio's van de EU, zoals uitgelegd in het antwoord op paragraaf III, tijdens de rondetafelbijeenkomsten geen regionale projecten worden geformuleerd en dit had ook negatieve gevolgen voor de besluiten van de Commissie over de mogelijkheid tot financiering van de projecten. Zo was de speciale aandacht van de partnerlanden in de regio Midden-Oosten voor nationale kwesties niet bevorderlijk voor projectvoorstellen met een regionaal karakter, het uiteindelijke doel van het initiatief. In de regio Noord-Afrika en Sahel ging de samenwerking later van start dan in andere regio's; toch is in een dergelijke delicate regio is een project gestart rond een zeer gevoelig en belangrijk onderwerp zoals grenscontrole. De moeilijke situatie in deze beide gebieden biedt de Commissie een kans om projecten op te starten rond thema's die verband houden met "harde veiligheid", maar is tegelijkertijd een uitdaging door het aantal projecten.

Voor de regio Zuidoost- en Oost-Europa ligt de situatie anders. De regio is een van de meest gevorderde onder de acht regio's van het initiatief wanneer het gaat om de inzet van partners en hun bereidheid tot samenwerken en samen oefenen op het gebied van gevoelige onderwerpen (zoals onlangs forensisch onderzoek op RN-gebied). Deze regio is geselecteerd voor het uittesten van een nieuw initiatief van de Commissie voor een vergelijkend onderzoek op het gebied van CBRN-onderzoekswerkzaamheden dat in juni 2018 zal worden gelanceerd tijdens de jaarlijkse bijeenkomst van alle nationale steunpunten. Zuidoost- en Oost-Europa was de eerste regio die profiteerde van een nauwere band met het CBRN-kenniscentrum van de NAVO in Vyskov in 2017 en de eerste regio die Horizon 2020-projecten, zoals EDEN en eNotice, van directoraat-generaal Migratie en Binnenlandse Zaken (DG HOME) integreerde en versterkte daarmee de interne en externe dimensie van CBRN, prioriteit in het nieuwe CBRN-actieplan van de EU. DG DEVCO heeft zijn geografische directoraten en het directoraal-generaal Nabuurschapsbeleid en Uitbreidingsonderhandelingen (DG NEAR) al ingeschakeld om middelen van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking en ENI in te zetten voor de financiering van projecten die bilaterale kwesties aanpakken.

19

De selectie van projecten op basis van de volgorde van binnenkomst van de voorstellen moet niet al te strikt worden gezien. De selectie toont veeleer dat er prioriteit wordt gegeven aan projecten die het meest uitgerijpt zijn, klaar zijn voor financiering vóór andere projecten en verder overleg of regionale samenwerking verdienen (zoals in de regio Noord-Afrika en Sahel waar het enige tijd duurde voordat het eerste rijpe regionale project er kwam, project 55). Een van de meest erkende verwezenlijkingen van het initiatief betreffende kenniscentra is dat het in staat was een echte mondiale CBRN-gemeenschap op te bouwen. De keuze om de meest actieve leden en regio's financieel te ondersteunen nodigt uit tot imitatie en brengt in die zin een positieve dynamiek tot stand.

Het stimuleren van positieve concurrentie onder de 59 partnerlanden was uiteindelijk ook de doelstelling van de awards die voor het eerst zijn georganiseerd tijdens de laatste jaarlijkse bijeenkomst van nationale steunpunten om "succesverhalen" te huldigen.

Zie het antwoord op paragraaf 17 voor wat betreft de uitbreiding van de partnerlanden.

20

Dankzij de bottom-upbenadering bij het initiatief kan de Commissie in het algemeen gesprekken sturen en begeleiden. Zij kan partnerlanden echter niet dwingen om thema's te bespreken en projecten op te starten op domeinen die niet als gedeelde regionale behoeften worden beschouwd (zelfs niet binnen het CBRN-spectrum). Dit zou de geloofwaardigheid van het initiatief aantasten en de door het initiatief gemaakte vorderingen in gevaar brengen, zelfs op gevoelige terreinen.

Diverse projecten op de lijst ingedeeld onder "CBRN" behandelen evenwel de componenten C en B en (soms) ook RN. Project 54 "Capaciteitsopbouw voor medische paraatheid bij en reactie op CBRN-incidenten", bijvoorbeeld, bestrijkt het gehele CBRN-spectrum, maar werd opgezet om tegemoet te komen aan verzoeken uit de regio na de chemische aanvallen met sarin in Syrië; het opleiden van mensen op chemisch gebied betekende in dit geval ook een bijdrage leveren aan de capaciteitsopbouw op biologisch gebied. Dezelfde redenering kan worden toegepast op de projecten 34, 46 en 54. Verder moeten projecten ter versterking van het nationale juridische kader inzake CBRN eveneens worden gezien als projecten die kwesties binnen dit hele spectrum aanpakken (d.w.z. project 33).

De Commissie beaamt echter dat de samenwerking met het Inlichtingen- en situatiecentrum (Intcen) moet worden versterkt, gezien de evolutie van het initiatief naar meer veiligheidsgerelateerde thema's. Wegens de invoering van doelstelling 3: "Op intern en extern niveau zorgen voor sterkere banden met belangrijke regionale en internationale EU-partners en voor meer engagement op het gebied van CBRN-beveiliging" in het nieuwe "Actieplan ter verbetering van de paraatheid bij veiligheidsrisico's op chemisch, biologisch, radiologisch en nucleair gebied" van 18 oktober 2017 (zie COM(2017) 610 final) wordt er gewerkt aan een meer systematische interinstitutionele samenwerking.

21

De Commissie is het met de Rekenkamer eens dat het initiatief niet mag worden ondermijnd door het uit te breiden tot ver buiten zijn thematische bereik, zeker gezien het structurele werk in de vorm van capaciteitsuitbreidingen binnen de nationale teams wanneer men zich op nieuwe thema's richt.

De Commissie en de EDEO menen echter dat het feit dat de structuren van de kenniscentra kunnen worden ingezet om andere voor de EU belangrijke acties te steunen, met financiering uit andere begrotingslijnen, in het belang van de EU moet worden gebruikt om doelen op het gebied van CBRN-beveiliging na te streven.

De uitbreiding van het initiatief tot andere thematische terreinen (namelijk explosieven) houdt in die zin direct verband met politieke taakstellingen die voortvloeien uit een "spiegeleffect" van de integrale EU-strategie, zie "Actieplan ter verbetering van de paraatheid bij veiligheidsrisico's op chemisch, biologisch, radiologisch en nucleair gebied" COM(2017) 610 final.

De bottom-upbenadering van het initiatief zou kunnen worden gezien als een verzekering tegen het risico om te ver buiten het CBRN-gebied gaat: diverse partnerlanden en regionale secretariaten hebben reeds hun bezorgdheid over deze mogelijkheid geuit.

Gelet op deze overwegingen en ontwikkelingen, is ook de Commissie van mening dat de interpretatie van het CBRN-domein niet te ruim mag zijn en beperkt moet blijven tot die risico's die zich op het snijpunt bevinden tussen CBRN en georganiseerde misdaad (zoals vervalste geneesmiddelen en de handel hierin). Dit moet hoe dan ook per geval worden geëvalueerd.

22

De Commissie zal de risicoanalysecomponent opnemen in de methodologie voor het beoordelen van de behoeften en het opstellen van het nationale actieplan. Hiermee moet het mogelijk zijn om de partnerlanden meer bewust te maken van het belang van het uitvoeren van een risicoanalyse, om mogelijke benaderingen en richtsnoeren aan te reiken en om de partnerlanden beter te ondersteunen bij het prioriteren van acties.

23

De samenstelling van het nationale team valt onder de volledige verantwoordelijkheid van partnerland en NFP. Hetzelfde geldt voor de betrokkenheid bij het NAQ-/NAP-proces van andere nationale deskundigen die geen deel uitmaken van het nationale team. Desondanks stelt de Commissie vaak extra kandidaten voor die het NFP in overweging kan nemen.

De Commissie heeft teams gerecruteerd voor technische bijstand ter plaatse en heeft daarbij ook rekening gehouden met de specifieke behoeften in die regio. Dit was mede om vastgestelde capaciteitslacunes aan te vullen.

Momenteel is er voor alle regio's bijstand ter plaatse.

25

Verondersteld wordt dat het verbeteren van de politieke zichtbaarheid van het initiatief de politieke wil van de partnerlanden zal vergroten om de NAQ-/NAP-processen te doorlopen.

Door een algemeen personeelsverminderingbeleid, met gevolgen voor het personeel dat zich met het initiatief bezighoudt, was het in 2017 een hele uitdaging om de verzoeken van partnerlanden om begeleiding bij de NAQ en het NAP in te willigen.

Het JRC werkt aan een voorlopig schema voor 2018 en 2019 voor de verschillende verzoeken van de partnerlanden. Het JRC zorgt ervoor dat de methodologie voor NAQ en NAP ten volle in acht wordt genomen wanneer partnerlanden door de Europese Commissie worden geassisteerd en dat het proces onder zijn leiding verloopt en zal verder rekenen op de steun van de deskundigen voor technische bijstand ter plaatse en/of externe deskundigen. Voor het jaar 2018 en 2019 zijn meer middelen voorzien (beschikbare deskundigen en budget voor reizen en bijeenkomsten) om NAQ's en NAP's uit te voeren.

26

Het feit dat de partnerlanden nu in de rij staan om NAQ- en NAP-bijstand te verkrijgen, zou als een positief teken van de vorderingen van het initiatief moeten worden gezien. Gegevens over nationale CBRN-behoeften zijn vaak zeer gevoelig en daarom duurde het enige tijd voordat de partners de bereidheid en het vertrouwen hadden om deze informatie met een externe actor zoals de EU te delen. Deze fase van aarzeling lijkt nu voorbij en heeft plaats gemaakt voor een positieve, competitieve dynamiek waarbij men graag inzet voor het initiatief toont en/of het NAP als een verwezenlijking ziet.

In die zin is het initiatief betreffende kenniscentra een beetje slachtoffer van zijn eigen succes, aangezien de Commissie nu haar capaciteit in kwantitatief opzicht moet verhogen om technische bijstand te verlenen, ondanks een duidelijk gebrek aan middelen hiertoe.

37

De institutionele erkenning van en de politieke steun voor de nationale steunpunten hangen gewoonlijk af van het belang dat de politieke autoriteiten op hoog niveau hechten aan het initiatief betreffende kenniscentra. Met een meer stelselmatige betrokkenheid van de EU-delegaties bij de bevordering van het initiatief, zoals door het ondersteunen van de rol van de nationale steunpunten op diplomatiek niveau, wordt geprobeerd de politieke zichtbaarheid van het initiatief te vergroten. Verder is de rol van de functionaris voor regionale samenwerking, indien aanwezig, essentieel.

De zichtbaarheid van de regionale secretariaten is eveneens belangrijk. Daarom heeft DG DEVCO besloten het budget voor de activiteiten van de regionale secretariaten met ingang van 2018 te verhogen.

38

De aanwijzingen die de EDEO op 26 januari 2018 heeft gezonden aan de hoofden van de EU-delegaties in de partnerlanden van het initiatief streven deze doelstelling expliciet na door onder meer te vragen activiteiten te ontplooien die gericht zijn op het volgende: "meer aandacht te vragen voor het initiatief en de doelstellingen en de resultaten hiervan onder de lidstaten van de EU, relevante internationale organisaties en andere belangrijke donoren" en "actie die ook zou kunnen leiden tot de geleidelijke omvorming van het nationale steunpunt/het nationale team tot het centrale aanspreekpunt voor alle CBRN-gerelateerde projecten en activiteiten in de respectieve landen".

Voor het vergroten van de bekendheid van de nationale steunpunten is het van essentieel belang dat DG DEVCO en de EDEO samenwerken om de coördinatie en de samenwerking onder de nationale steunpunten zelf, de regionale secretariaten en de EU-delegaties op te voeren. Er zou kunnen worden gestart met een eenvoudige, logistieke coördinatie: De EU-delegaties worden ertoe aangespoord rondetafelbijeenkomsten of informele ad-hocbijeenkomsten te organiseren waaraan het hoofd van het regionale secretariaat en enkele nationale steunpunten uit de regio binnen de delegaties deelnemen en waarbij ook ambassades van de lidstaten van de EU en plaatselijke overheden betrokken zijn. De kosten zouden bescheiden zijn, vooral omdat de regionale secretariaten een hoger budget toegewezen krijgen voor zichtbaarheid/logistiek. De impact voor het nationale steunpunt zou aanzienlijk zijn qua zichtbaarheid en autoriteit.

39

Om het belang van de rol van de functionarissen voor regionale samenwerking in het kader van het initiatief te benadrukken, werd op 21 februari 2018 een gezamenlijk schrijven van de EDEO/DG DEVCO gezonden aan de EU-delegaties waar een dergelijke bijstand noodzakelijk werd geacht.

40

DG DEVCO en de EDEO hebben gezamenlijk het proces op gang gebracht naar een grotere betrokkenheid van de EU-delegaties bij het initiatief. Op dit punt is enige vooruitgang geboekt. Er zijn nu regelmatige en nauwere contacten met regionale secretariaten, uitvoerders en het governanceteam. Enkele delegaties hebben cruciale steun verleend bij het betrekken van belangrijke partnerlanden (Ethiopië, Mongolië, Pakistan, Sierra Leone) of bij het aanwakkeren van hun participatie door de politieke aandacht voor het initiatief te vergroten.

De volle betrokkenheid van alle delegaties in de 59 partnerlanden van het initiatief betreffende kenniscentra bereiken in drie tot vier jaar is een tamelijk ambitieus doel, gelet op het krimpende budget, de toenemende werkbelasting en de tijd die nodig is om dit project te voltooien. De Commissie en de EDEO hebben er echter vertrouwen in dat zij op de goede weg zijn.

Zeer onlangs heeft de secretaris-generaal van de EDEO dit proces verder versneld door een formeel schrijven te zenden aan de delegatiehoofden in de partnerlanden van het initiatief (januari 2018) en aan de adjunct-secretaris-generaal voor politieke zaken van de EDEO en regionale directeuren (november 2017) om respectievelijk de betrokkenheid van de EU-delegaties en de politieke zichtbaarheid van het initiatief te vergroten.

Dankzij het werk van de functionarissen voor regionale samenwerking in Dakar, Islamabad, Manilla en Nairobi zijn de respectieve regio's beter geïnformeerd over de activiteiten van de CBRN-kenniscentra. In Zuidoost-Azië is het gangbare praktijk geworden dat de delegaties een openingstoespraak houden bij projectevenementen. De functionarissen maakten ook uitwisselingen mogelijk met de diplomatieke vertegenwoordigingen van de lidstaten van de EU.

Het initiatief won aan politieke zichtbaarheid door de deelname van een panel van de CBRN-kenniscentra met nationale steunpunten, het regionale secretariaat, het Interregionaal criminologisch en gerechtelijk onderzoeksinstituut van de Verenigde Naties (UNICRI, United Nations Interregional Crime and Justice Research Institute) en het JRC aan een door de EU en het Regionaal Forum van de Asean (ARF) gezamenlijk voorgezeten workshop over "bewustmaking en bevordering van de ARF-samenwerking rond de beperking van chemische, biologische, radiologische en nucleaire (CBRN-)risico's" in de Filipijnen in september 2015.

Het initiatief was een van de acties die vermeld worden in het actieplan van BANDAR SERI BEGAWAN ter verbetering van het versterkt partnerschap tussen de EU en de Asean (2013-2017) en de opvolger, het actieplan van de EU en de Asean (2018-2022). Het maakte ook deel uit van het werkprogramma van de EU en de Asean ter bestrijding van terrorisme en transnationale misdaad (2014-2017). Over de activiteiten van de CBRN-kenniscentra is verslag uitgebracht overeenkomstig de plannen.

41

Hoewel DG DEVCO erkent dat diverse projecten uiteindelijk meer gericht waren op capaciteitsopbouw in de partnerlanden dan op regionaal niveau, is het ook zo dat een regionale benadering niet ten volle kan worden nagestreefd zonder een passende nationale capaciteit.

Daarnaast zijn er diverse projecten uitgevoerd die regionaal waren qua toepassingebied en benadering - MediPIET, gericht op het gehele nabuurschapsgebied van de EU; project 41 inzake chemische inrichtingen met een hoog risico en risicobeperking in de regio Atlantische zijde van Afrika; en project 48 inzake verbeterd regionaal beheer van uitbraken in de partnerlanden van de CBRN-kenniscentra aan de Atlantische zijde van Afrika.

42

Het organiseren van bijeenkomsten behoort tot de activiteiten van de regionale secretariaten waarvoor DG DEVCO besloten heeft het budget van de regionale secretariaten met ingang van 2018 te verhogen.

DG DEVCO is sinds 2016 begonnen met het integreren van simulatie- en veldoefeningen in alle relevante projecten.

De intensievere uitwisselingen tussen de diensten van DG DEVCO, directoraat-generaal Europese Civiele Bescherming en Humanitaire Hulp (DG ECHO) en DG NEAR over regionale programma's voor rampenbeheersing en de mogelijkheid tot gemeenschappelijke oefeningen en opleidingen, startend vanuit de landen met een gemeenschappelijk belang waar de centra zijn gevestigd (Algerije, Marokko, Jordanië, Georgië), zullen er allemaal op gericht zijn het initiatief te consolideren en het om te vormen tot een uniek en krachtig netwerk.

44

De Commissie en de EDEO zijn het geheel eens met dit punt. Zij zijn al begonnen met het inschakelen van de betreffende geografische directoraten van DG DEVCO en DG NEAR om synergieën tot stand te brengen en de financiële middelen voor het initiatief te verhogen.

Dit proces wordt gefaciliteerd door het feit dat het regionale netwerk dat via de kenniscentra is opgebouwd, andere organen van de EU in staat stelt het initiatief als platform te gebruiken voor hun programma's en projecten.

Een voorbeeld van de aanpasbaarheid van de kenniscentra is te vinden in het ontwerp voor het actiedocument 2018 inzake klimaatverandering. Hierin is een primaire rol weggelegd voor de kenniscentra: zij worden aangeduid als platform om partnerlanden ontvankelijk te maken voor beveiliging tegen klimaatverandering, via hun nationale teams en nationale steunpunten. In het document wordt ook voorzien in extra middelen voor de kenniscentra om een nieuw projecten op te starten voor het aanpakken van de risico's die de migratie van ziekten en hun vectoren vanwege klimaatverandering met zich brengt voor de EU en haar buurlanden.

Verder worden er verkennende besprekingen gevoerd over een mogelijke overdracht van MediPIET (nu gefinancierd vanuit de projecten 32 en 36 van de kenniscentra) naar DG NEAR na 2019 als aanwinst voor het Europese nabuurschapsgebied. Een dergelijk model kan, mits succesvol, worden hergebruikt voor andere projecten van de kenniscentra, vooral in het nabuurschapsgebied van de EU.

46

De aanwijzingen die de EDEO op 26 januari 2018 heeft gezonden aan de hoofden van de EU-delegaties in de partnerlanden van het initiatief streven deze doelstelling expliciet na (zie ook het antwoord op paragraaf 38). De uitnodiging om "een personeelslid binnen de politieke afdeling van de delegatie aan te wijzen om als contactpunt op te treden in het/de toegewezen land(en)" moet de EU-delegaties eveneens stimuleren om deze taak uit te voeren.

De EU-delegaties in de regio Zuidoost-Azië ondersteunen partnerlanden bij het gebruiken van hun (ontwerp-)NAP om financieringskansen van andere donoren te onderzoeken. Tijdens een door de EU en het Regionaal Forum van de Asean (ARF) gezamenlijk voorgezeten workshop over "bewustmaking en bevordering van de ARF-samenwerking rond de beperking van chemische, biologische, radiologische en nucleaire (CBRN-)risico's" in de Filipijnen in september 2015 werd, bijvoorbeeld, tijd gereserveerd voor "matchmakingsessies" waarbij partnerlanden in de gelegenheid werden gesteld potentiële donorlanden en internationale organisaties te ontmoeten (Wereldgezondheidsorganisatie -WHO, Organisatie voor het verbod van chemische wapens - OPCW, Internationale Organisatie voor Atoomenergie).

48

De Commissie is het eens met de opmerking. De informatie-uitwisseling tussen DG DEVCO en NEAR/ECHO bestaat reeds, maar zou formeel kunnen worden.

Wat Georgië betreft: DG ECHO nam in januari 2018 deel aan een door DG NEAR geleide identificatiemissie voor het jaarlijkse actieprogramma inzake beveiliging, rechtsorde en crisispreventie- en beheersing. DG NEAR werkt aan de vaststelling van bijstand op CBRN-gebied in het jaarlijkse actieplan 2018, eveneens gebaseerd op de door de regering van Georgië verstrekte analyse van de behoeften. De EU zal de structurele zwakheden in de nationale CBRN-coördinatie aanpakken via verdere betrokkenheid.

Daarnaast onderzoeken DG NEAR en DG DEVCO sinds eind 2017 of het haalbaar is om het project MediPIET met ingang van 2020 aan DG NEAR over te dragen.

50

Een van de voornaamste taken van de functionarissen voor regionale samenwerking (personeel van DG DEVCO) is het monitoren van het initiatief in hun respectieve regio's. Hun informatie wordt gecombineerd met de contractuele monitoring van de projectmanager bij DG DEVCO. Verder wordt de informatie van andere belanghebbenden overwogen en deze omvat de instrumenten die de Rekenkamer noemt.

De Commissie in het ermee eens dat de algemene logframe (met uitkomst-/impactindicatoren) op niveau van het project en van het initiatief beter moet worden omschreven. Dit zal in de nabije toekomst kunnen worden verwezenlijkt wanneer een brede en systematische aanpak voor risicoanalyses wordt gebruikt en de NAQ's en NAP's als instrumenten worden aangewend om de voortgang in de partnerlanden te meten.

De betrokkenheid van de partnerlanden bij de monitoring van projecten wordt groter. Diverse regionale secretariaten hebben onlangs besloten regelmatig (twee tot vier keer per jaar) voortgangsoverleg bij de secretariaten te organiseren dat alle projectuitvoerders samenbrengt, naast het zesmaandelijkse voortgangsoverleg met de Europese Commissie.

51

Het portaal voor het EU-initiatief betreffende CBRN-kenniscentra is een belangrijk samenwerkingsinstrument voor een initiatief dat volledig gedecentraliseerd is en actief is in acht regio's in de wereld. Het portaal is collaboratief van aard en is geëvolueerd tijdens de uitbreiding van het initiatief tot de huidige 60 landen, met daarmee de noodzaak tot aanpassingen. De structuur van het huidige portaal wordt bijgewerkt.

Wegens de snelle evolutie van IT-technologieën is er besloten parallel te werken aan de backoffice-ontwikkeling van een nieuw portaal, gebaseerd op een ander standaardsoftwareprotocol dat de portabiliteit, het onderhoud, de upgrading en de duurzaamheid zal verbeteren. Het JRC verricht momenteel een haalbaarheidsstudie naar deze ontwikkeling. Daarbij horen het stroomlijnen van de toegangsniveaus en van de rollen van geregistreerde gebruikers, het herinrichten van de modulestructuur van het documentenregister en het opnieuw openen van een discussieforum. Het JRC zal het portaal van het initiatief betreffende kenniscentra doorlopend actualiseren zodra projectgerelateerde documenten en resultaten ter beschikking worden gesteld van het JRC. Deze worden opgeslagen met passende toegangsniveaus.

Beste praktijken en richtsnoeren van andere projecten van het EU-initiatief betreffende CBRN-kenniscentra (gefinancierd vanuit het CBRN-actieplan of vanuit het programma voor veiligheidsonderzoek, indien mogelijk) zullen via het portaal van het initiatief beschikbaar worden gesteld.

52

Voortgangsverslagen (zesmaandelijks) worden ter beschikking gesteld van het regionale secretariaat en de nationale steunpunten. Voor de toegang tot specifieke projectresultaten is de voorafgaande toestemming van de partnerlanden nodig (vertrouwensclausule voor landspecifieke gevoelige informatie).

Projectgerelateerde documenten en resultaten van de kenniscentra worden opgeslagen in het portaal van het initiatief betreffende kenniscentra, met passende toegangsniveaus en lees-/schrijfrechten. Om een meer gebruikersvriendelijk documentenregister te verkrijgen, wordt er gewerkt aan de herinrichting van de modulestructuur van het documentenregister en aan een efficiënter schema voor de lees-/schrijfrechten.

53

Zoals erkend in het antwoord op paragraaf 51, moet en zal het systematisch verzamelen en bewaren van informatie van alle betrokken actoren worden verbeterd. Dit zal echter een moeilijke taak blijven totdat het portaal volledig operationeel en betrouwbaar is, wat in het verleden niet altijd het geval is geweest, met verwarring en de genoemde onvolledige informatie als gevolg.

54

Zie de antwoorden op de punten 51 en 53.

56

De evaluatie in het kader van resultaatgeoriënteerde monitoring (onder beheer van het hoofdkantoor van DG DEVCO voor alle eenheden) wordt niet bij alle projecten uitgevoerd, maar slechts bij een beperkte steekproef van projecten volgens de prioriteiten van de eenheidshoofden, op jaarbasis en met een budget van meer dan 1 miljoen EUR.

Dit betekent natuurlijk niet dat de Commissie niet moet zorgen voor een passende projectmonitoring en -evaluatie en aanvullende instrumenten om de projectresultaten te volgen. Daarom heeft het JRC als taak gekregen systematische technische evaluaties uit te voeren bij alle projecten van de kenniscentra.

57

De Commissie erkent dit zwakke punt wat doelstellingen en indicatoren betreft, evenals de noodzaak om een duidelijke koppeling tussen beide te ontwikkelen. DG DEVCO en het JRC zijn al bezig met het vaststellen van indicatoren om deze lacune op te vullen, voortbouwend op de reeds geleverde inspanningen op het gebied van de controle op de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik. Tegelijkertijd zal het feit dat er vanuit het initiatief meer aandacht is voor het organiseren van regionale en subregionale simulatie- en veldoefeningen eveneens helpen, omdat oefeningen het effect van projecten kunnen aangeven.

58

Er worden extra inspanningen geleverd om ervoor te zorgen dat het portaal van het initiatief betreffende kenniscentra regelmatig wordt geactualiseerd met projectgerelateerde documenten waarover het JRC beschikt. Het portaal wordt gebruikt als een register van documenten die in het evaluatieproces zijn opgesteld.

In sommige gevallen werd de evaluatie aangevuld met verzamelde feedback van andere bronnen dan de projectgerelateerde documenten.

De verzameling van informatie voor evaluatiedoeleinden gebeurt systematisch bij projectstuurcomités en middels specifieke feedbackformulieren (voor opleidingsonderdelen). Sinds twee jaar worden deskundigen op hoog niveau van de lidstaten en deskundigen voor technische bijstand ter plaatse eveneens hierbij betrokken en er wordt gebruik gemaakt van hun feedback.

59

Door een algemeen personeelsverminderingsbeleid, met gevolgen voor het JRC-personeel dat zich met het initiatief bezighoudt, heeft het JRC, in overleg met DG DEVCO, onafhankelijke onderzoeks- en innovatiedeskundigen op de gebieden C, B en RN aangesteld en gecoördineerd voor het evalueren van de projectuitvoering volgens de door DG DEVCO goedgekeurde evaluatiemethodologie.

Voor elk project zijn gestandaardiseerde evaluatieverslagen opgesteld door het team van deskundigen belast met deze taak, onder toezicht van de taskforce van het JRC. Bovendien getroost het JRC zich moeite om ervoor te zorgen dat evaluaties van projecten van de kenniscentra actueel zijn en dat de evaluatieverslagen tijdig worden opgesteld zodat er specifieke maatregelen kunnen worden getroffen naar aanleiding van eventuele aanbevelingen. Dit heeft al geleid tot verbeteringen.

60

Het vergroten van de betrokkenheid van de EU-delegaties zal hopelijk ook leiden tot duurzamere projectresultaten in het kader van het initiatief.

Conclusies en aanbevelingen

62

De Commissie is het er niet mee eens dat de aanbeveling om EU-financiering toe te spitsen op de gebieden die het meest relevant zijn voor de veiligheid van de EU, niet is uitgevoerd.

Zie het antwoord op paragraaf III en de antwoorden op de paragrafen 16, 17, 18 en 19.

65

De Commissie zal de risicoanalysecomponent opnemen in de methodologie voor het beoordelen van de behoeften en het opstellen van het nationale actieplan. Hiermee moet het mogelijk zijn om de partnerlanden meer bewust te maken van het belang van het uitvoeren van een risicoanalyse, om mogelijke benaderingen en richtsnoeren aan te reiken en om de partnerlanden beter te ondersteunen bij het prioriteren van acties.

Aanbeveling 1

De Commissie en de EDEO aanvaarden de aanbeveling.

  1. De EDEO en de diensten van de Commissie zullen nagaan of het mogelijk is een dergelijke analyse uit te voeren.

    De interactie met DG HOME en de CBRN-adviesgroep met de pas aangestelde CBRN-coördinatoren uit de lidstaten van de EU zal worden voortgezet en, indien mogelijk, worden versterkt waar dit gepast is en waar er synergieën zouden kunnen worden vastgesteld (bv. in kaart brengen van bestaande CBRN-opleidingsfaciliteiten en -deskundigen; deelname aan grensoverschrijdende simulatie- en veldoefeningen).
  2. De risicoanalysecomponent zal worden opgenomen in de methodologie voor het beoordelen van de behoeften en het opstellen van het nationale actieplan. Hiermee moet het mogelijk zijn om de partnerlanden meer bewust te maken van het belang van het uitvoeren van een risicoanalyse, om mogelijke benaderingen en richtsnoeren aan te reiken en om de partnerlanden beter te ondersteunen bij het prioriteren van acties.
  3. De Commissie (DG DEVCO en het JRC) werkt aan een voorlopig schema voor 2018 en 2019 voor de verschillende verzoeken van de partnerlanden. Het JRC zorgt ervoor dat de methodologie voor NAQ en NAP ten volle in acht wordt genomen wanneer partnerlanden door de Europese Commissie worden geassisteerd en dat het proces onder zijn leiding verloopt. Het JRC zal verder rekenen op de steun van de deskundigen voor technische bijstand ter plaatse en/of externe deskundigen en er zullen passende middelen voor dienstreizen worden bestemd.
Aanbeveling 2

De Commissie aanvaardt de aanbeveling en zij is al begonnen met regionale activiteiten, zoals simulatie- en veldoefeningen op regionaal en subregionaal niveau.

Regionale rondetafelbijeenkomsten tonen steeds meer een eigen inbreng en initiatieven tot regionale netwerkvorming, samenwerking en organisatie van activiteiten, evenals uitwisselingen met internationale of regionale organisaties (Afrikaanse Unie, Asean, ISTC, STCU, WHO, OPCW, Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, Comité van de Veiligheidsraad ingesteld bij resolutie 1540, Verdrag inzake biologische en toxinewapens, BACAC, enz.).

Er zal verder worden onderzocht of er gezamenlijke oefeningen en opleidingen kunnen worden georganiseerd in het kader van lopende programma's voor rampenbeheersing die worden beheerd door DG ECHO en DG NEAR.

Aanbeveling 3

De Commissie en de EDEO aanvaarden de aanbeveling.

  1. De EDEO en de Commissie zullen nagaan of het mogelijk is de CBRN-verantwoordelijkheid uit te breiden tot de terrorismebestrijdingsdeskundigen in de delegaties waarin zij zijn aangesteld.
  2. CBRN zijn al in enkele veiligheidsdialogen opgenomen. Dit kan in de toekomst op regelmatigere basis gebeuren.
Aanbeveling 4

De Commissie en de EDEO aanvaarden de aanbeveling.

DG DEVCO is al in overleg gegaan met DG NEAR en de eigen relevante geografische directoraten en met DG ECHO over rampenbeheersing.

Aanbeveling 5

De Commissie stemt in met deze aanbeveling.

Het JRC en het bestaande team voor externe steun bij resultaatgeoriënteerde monitoring van DG DEVCO bieden DG DEVCO ondersteuning bij het verbeteren en het stroomlijnen van de indicatoren en het op elkaar afstemmen van het meerjarig indicatief programma, de jaarlijkse actieprogramma's en uitgevoerde projecten.

Aanbeveling 6

De Commissie stemt in met deze aanbeveling.

Het portaal voor het EU-initiatief betreffende CBRN-kenniscentra is een belangrijk samenwerkingsinstrument voor een initiatief dat volledig gedecentraliseerd is en actief is in acht regio's in de wereld. Het portaal is collaboratief van aard en is geëvolueerd tijdens de uitbreiding van het initiatief tot de huidige 60 landen, met daarmee de noodzaak tot aanpassingen. De structuur van het huidige portaal wordt bijgewerkt.

Wegens de snelle evolutie van IT-technologieën is er besloten parallel te werken aan de backoffice-ontwikkeling van een nieuw portaal, gebaseerd op een ander standaardsoftwareprotocol dat de portabiliteit, het onderhoud, de upgrading en de duurzaamheid zal verbeteren. Het JRC verricht momenteel een haalbaarheidsstudie naar deze ontwikkeling.

  1. De structuur van het huidige portaal van het initiatief betreffende kenniscentra wordt bijgewerkt. Daarbij horen het stroomlijnen van de toegangsniveaus en van de rollen van geregistreerde gebruikers, het herinrichten van de modulestructuur van het documentenregister en het opnieuw openen van een discussieforum. Het JRC zal het portaal van het initiatief betreffende kenniscentra doorlopend actualiseren zodra projectgerelateerde documenten en resultaten ter beschikking worden gesteld van het JRC. Deze worden opgeslagen met passende toegangsniveaus.
  2. Beste praktijken en richtsnoeren van andere projecten van het EU-initiatief betreffende CBRN-kenniscentra (gefinancierd vanuit het CBRN-actieplan of vanuit het programma voor veiligheidsonderzoek, indien mogelijk) zullen via het portaal beschikbaar worden gesteld.

Afkortingen en acroniemen

AAF: Atlantische zijde van Afrika (African Atlantic Façade)

CA: Centraal-Azië

CBRN: Chemisch, biologisch, radiologisch en nucleair

DG DEVCO: Directoraat-generaal Internationale Samenwerking en Ontwikkeling

DG NEAR: Directoraat-generaal Nabuurschapsbeleid en Uitbreidingsonderhandelingen

DG ECHO: Directoraat-generaal Europese Civiele Bescherming en Humanitaire Hulp

ECA: Oost- en Centraal Afrika (East and Central Africa)

EDEO: Europese Dienst voor extern optreden (European External Action Service)

GCC: Samenwerkingsraad van de Golf (Gulf Cooperation Council)

IcSP: Instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede

INTCEN: Inlichtingen- en situatiecentrum van de EU

JRC: Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (Joint Research Centre)

MIE: Midden-Oosten (Middle East)

NAP: Nationaal actieplan

NAQ: Vragenlijst ter beoordeling van behoeften (needs assessment questionnaire)

NAS: Noord-Afrika en Sahel

NFP: Nationaal steunpunt (national focal point)

SEA: Zuidoost-Azië (South East Asia)

SEEE: Zuidoost- en Oost-Europa (South East and Eastern Europe)

UNICRI: Interregionaal criminologisch en gerechtelijk onderzoeksinstituut van de Verenigde Naties (United Nations Interregional Crime and Justice Research Institute)

Voetnoten

1 Er bestaan andere maatregelen zoals de versterking van controlesystemen voor de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik (CBRN-materiaal met zowel civiele als militaire toepassingen) en de heroriëntatie van wetenschappers die deskundig zijn op het gebied van technologie voor tweeërlei gebruik.

2 COM(2017) 610 final van 18 oktober 2017, “Actieplan ter verbetering van de paraatheid bij veiligheidsrisico's op chemisch, biologisch, radiologisch en nucleair gebied”.

3 Bijvoorbeeld VNVR-resolutie 1540, het Verdrag inzake chemische wapens, het Verdrag inzake biologische wapens en het Verdrag inzake het verbod op kernwapens.

4 Pool Reinsurance Company. Terrorism Threat & Mitigation Report. Augustus-december 2016. Clingendael Strategische Monitor 2017.

5 Conclusies van de Raad over de vergroting van de chemische, biologische, radiologische en nucleaire (CBRN-)veiligheid in de Europese Unie – een CBRN-actieplan voor de EU. Document 15505/1/09 REV 1 van 12 november 2009.
COM(2014) 247 final “Een nieuwe EU-aanpak van de detectie en mitigatie van CBRN-E-risico’s”.
COM(2017) 610 final.

6 Ontwerpconclusies van de Raad over de vernieuwde interneveiligheidsstrategie voor de Europese Unie 2015-2020, 10 juni 2015, document 9798/15.
Conclusies van de Raad over Speciaal verslag nr. 17/2014 van de Rekenkamer, getiteld: “Kan het EU-initiatief voor kenniscentra een doeltreffende bijdrage leveren om de chemische, biologische, radiologische en nucleaire risico's van buiten de EU te beperken?” 26 oktober 2015, document 13279/15.
Gemeenschappelijke verklaring van de voorzitter van de Europese Raad, de voorzitter van de Europese Commissie en de secretaris-generaal van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie. Gezamenlijke verklaring EU-NAVO 2016.
Conclusies van de Raad over het externe optreden van de EU op het gebied van terrorismebestrijding. Document 10384/17, 19 juni 2017.

7 Resolutie van het Europees Parlement van 29 april 2015 over de speciale verslagen van de Rekenkamer in het kader van de kwijting van de Commissie voor 2013. Document P8_TA(2015)0119.
Resolutie van het Europees Parlement van 9 juli 2015 over de Europese veiligheidsagenda. P8_TA(2015)0269.
Resolutie van het Europees Parlement van 23 november 2016 over de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid. P8_TA(2016)0440.

8 SWD(2017) 278 final “Comprehensive Assessment of EU Security Policy, accompanying the document: Communication from the Commission to the European Parliament, the European Council and the Council – Ninth progress report towards an effective and genuine Security Union”.

9 Gedeelde visie, gezamenlijk optreden: Een sterker Europa. Een integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie, juni 2016.

10 Annual Action Programme 2017 for Article 5 of the Instrument contributing to Stability and Peace: Action document for mitigation of and preparedness against risks related to CBRN materials or agents.

11 Verordening (EU) nr. 230/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van het stabiliteits- en vredesinstrument (PB L 77 van 15.3.2014, blz. 1).

12 Thematisch strategiedocument 2014-2020 inzake het instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (IcSP). Meerjarig indicatief programma 2014-2017 (bijlage).

13 Proefprojecten en planning werden gefinancierd in het kader van het jaarlijks actieprogramma 2009 inzake de vermindering van en paraatheid bij risico’s in verband met CBRN-materialen of agentia.

14 De regionale secretariaten voor Zuidoost-Europa, Oost-Europa en het Midden-Oosten.

15 Armenië, Azerbeidzjan, Wit-Rusland, Georgië, Moldavië en Oekraïne.

16 Ethiopië, Koeweit, Pakistan en Sierra Leone sloten zich in 2017 bij het initiatief aan en Mongolië in maart 2018.

17 Kazachstan heeft aangegeven deel te willen nemen.

18 Jaarboek 2017 van het Internationaal Instituut voor Vredesonderzoek van Stockholm.

19 Partnerlanden (het nationale team) stellen de specifieke behoeften voor hun land vast en bespreken op regionaal niveau de maatregelen die genomen zouden kunnen worden om gezamenlijke CBRN-risico’s en dreigingen aan te pakken.

20 SWD(2017) 278 final DEEL 1/2, blz. 13.

21 Conclusies van de Raad over de vergroting van de chemische, biologische, radiologische en nucleaire (CBRN-)veiligheid in de Europese Unie – een CBRN-actieplan voor de EU. Document 15505/1/09 REV 1 van 12 november 2009.

22 Verordening (EU) nr. 230/2014.
Instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (IcSP) – Thematisch strategiedocument 2014-2020.

23 Bij wijze van vergelijking: in het eerste CBRN-actieplan moesten 124 maatregelen door de EU-lidstaten worden genomen op het gebied van preventie, detectie, paraatheid en reactie.

24 De nationale CBRN-teams coördineren de werkzaamheden en delen informatie in hun land met instellingen als ministeries, agentschappen en onderzoeks- en onderwijsinstellingen die op verschillende niveaus betrokken zijn bij de beperking van CBRN-risico’s.

25 Bijvoorbeeld aanspreekpunten voor Interpol, de Wereldgezondheidsorganisatie, het Comité inzake resolutie 1540 van de VN-Veiligheidsraad, het Verdrag inzake biologische wapens, de Voedsel- en Landbouworganisatie, de Organisatie voor het verbod van chemische wapens, de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, het programma voor de preventie van, paraatheid bij en reactie op natuurrampen en door de mens veroorzaakte rampen, enz.

26 Het regionale secretariaat bestaat uit één secretariaatshoofd en één regionale UNICRI-coördinator.

27 Eén deskundige ter plaatse is werkzaam voor twee regio’s: Noord-Afrika en Sahel en het Midden-Oosten.

28 Wereldgezondheidsorganisatie, het Verdrag inzake biologische wapens, het Verdrag inzake chemische wapens, Interpol en de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.

29 Het initiatief van de EU betreffende de CBRN-kenniscentra, de Internationale Gezondheidsregeling (IGR) van de Wereldgezondheidsorganisatie, Resolutie 1540 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en het Verdrag inzake biologische wapens.

30 Onze controlereikwijdte omvatte project 1 tot en met project 60. Bij deze berekening hielden we echter ook rekening met alle projecten tot en met project 66. De projecten voor technische bijstand ter plaatse zijn buiten beschouwing gelaten.

31 Uitgezonderd technische bijstand ter plaatse en leveringscontracten voor apparatuur.

32 Het vervoer van gevaarlijke goederen en voedselveiligheid.

33 Simulatie-oefeningen omvatten een bespreking tussen deelnemers om responsacties vast te stellen en voor te stellen. Bij veldoefeningen wordt de operationele capaciteit om te reageren op een CBRN-incident getest.

34 Bijvoorbeeld de projecten 4, 9, 17, 21, 22, 23, 33, 34, 42, 44, 46 en 47.

35 De Verenigde Arabische Emiraten traden op als gastheer van het evenement, waaraan het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië, het Koninkrijk Marokko, de Staat Qatar, het Koninkrijk Saoedi-Arabië, de Staat Koeweit, het Sultanaat Oman en het Koninkrijk Bahrein deelnamen.

36 De aan Amman toegewezen post van voor een lange periode aangestelde IcSP-functionaris voor regionale samenwerking is verplaatst naar DG NEAR.

37 Zoals terrorismebestrijding, de bescherming van kritieke infrastructuur en de strijd tegen illegale handel.

38 DG DEVCO, de EDEO, de deskundige ter plaatse, UNICRI en het governanceteam.

39 Voor bijna 70 % van de projecten.

40 Bijvoorbeeld: in de eindevaluatie van project 6 werd aanbevolen het beheer van tijd en financiële middelen te verbeteren. Als de middelen ontoereikend waren, moest dit volgens de evaluatie vroegtijdig worden gemeld aan degenen die toezicht hielden op het project. In de evaluatie achteraf van project 22 werd aanbevolen om de definities van de noodhulpdisciplines te verbreden om er een breder scala aan belanghebbenden, met inbegrip van medische aanbieders, in op te nemen.

Gebeurtenis Datum
Vaststelling controleplan ("APM")/begin van de controle 25.4.2017
Ontwerpverslag officieel verzonden aan de Commissie (of andere gecontroleerde) 2.3.2018
Vaststelling van het definitieve verslag na de contradictoire procedure 24.4.2018
Officiële antwoorden van de Commissie en de EDEO ontvangen in alle talen 25.5.2018

Controleteam

In de speciale verslagen van de ERK worden de resultaten van haar controles van EU-beleid en -programma’s of beheersthema’s met betrekking tot specifieke begrotingsterreinen uiteengezet. Bij haar selectie en opzet van deze controletaken zorgt de ERK ervoor dat deze een maximale impact hebben door rekening te houden met de risico’s voor de doelmatigheid of de naleving, de omvang van de betrokken inkomsten of uitgaven, de verwachte ontwikkelingen en de politieke en publieke belangstelling.

Deze doelmatigheidscontrole werd verricht door controlekamer III “Externe maatregelen, veiligheid en justitie”.
Dhr. Karel Pinxten was deken van de kamer en het rapporterend lid op het moment van de vaststelling van het controleverslag. Na afloop van zijn ambtstermijn op 30 april 2018 volgde Bettina Jakobsen hem op als rapporterend lid en deken van de kamer. Het controleteam bestond uit hoofdmanager Sabine Hiernaux-Fritsch, taakleider Aurelia Petliza en controleurs Michiel Sweerts en Dirk Neumeister. Hannah Critoph verleende taalkundige ondersteuning.

Van links naar rechts: Dirk Neumeister, Aurelia Petliza, Bettina Jakobsen, Michiel Sweerts.

Contact

EUROPESE REKENKAMER
12, rue Alcide De Gasperi
L-1615 Luxemburg
LUXEMBURG

Tel. +352 4398-1
Inlichtingen: eca.europa.eu/nl/Pages/ContactForm.aspx
Website: eca.europa.eu
Twitter: @EUAuditors

Meer gegevens over de Europese Unie vindt u op internet via de Europaserver (http://europa.eu).

Luxemburg: Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2018

PDF ISBN 978-92-872-5353-8 ISSN 1977-575X doi:10.2865/393620 QJ-AB-18-011-NL-N
HTML ISBN 978-92-872-9641-2 ISSN 1977-575X doi:10.2865/681163 QJ-AB-18-011-NL-Q

© Europese Unie, 2018.

Voor iedere vorm van gebruik of reproductie van (beeld)materiaal dat niet onder het auteursrecht van de Europese Unie valt, dient rechtstreeks toestemming aan de auteursrechthebbende te worden gevraagd.

HOE NEEMT U CONTACT OP MET DE EU?

Kom langs
Er zijn honderden Europe Direct-informatiecentra overal in de Europese Unie. U vindt het adres van het dichtstbijzijnde informatiecentrum op: https://europa.eu/european-union/contact_nl

Bel of mail
Europe Direct is een dienst die uw vragen over de Europese Unie beantwoordt. U kunt met deze dienst contact opnemen door:

Waar vindt u informatie over de EU?

Online
Informatie over de Europese Unie in alle officiële talen van de EU is beschikbaar op de Europa-website op: https://europa.eu/european-union/contact_nl

EU-publicaties
U kunt publicaties van de EU downloaden of bestellen bij EU Bookshop op: https://op.europa.eu/nl/publications (sommige zijn gratis, andere niet). Als u meerdere exemplaren van gratis publicaties wenst, neem dan contact op met Europe Direct of uw plaatselijke informatiecentrum (zie https://europa.eu/european-union/contact_nl).

EU-wetgeving en aanverwante documenten
Toegang tot juridische informatie van de EU, waaronder alle EU-wetgeving sinds 1951 in alle officiële talen, krijgt u op EUR-Lex op: http://eur-lex.europa.eu

Open data van de EU
Het opendataportaal van de EU (http://data.europa.eu/euodp/nl/home?) biedt toegang tot datasets uit de EU. Deze gegevens kunnen gratis worden gedownload en hergebruikt, zowel voor commerciële als voor niet-commerciële doeleinden.