Speciaal verslag
20 2020

Bestrijding van kinderarmoede — Betere gerichtheid van de steun van de Commissie vereist

Over het verslag: Kinderarmoede is nog steeds een ernstig probleem in de EU, waarbij bijna een op de vier kinderen met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd. Uit studies is meermaals gebleken dat investeringen tegen relatief lage financiële kosten tijdens de kindertijd een leven lang voordelen kunnen opleveren.
Wij besloten deze controle uit te voeren omdat de bestrijding van kinderarmoede in veel lidstaten een uitdaging blijft. Onze doelstelling was om te bepalen of de Commissie doeltreffend had bijgedragen aan de inspanningen van de lidstaten om kinderarmoede te verminderen.
Wij stelden vast dat de relevantie van de niet-juridisch bindende instrumenten van de Commissie van nature beperkt is, maar dat zij over krachtiger instrumenten beschikt. Door het gebrek aan beschikbare informatie die rechtstreeks betrekking heeft op kinderarmoede was het echter moeilijk, zo niet onmogelijk om de effectieve bijdrage ervan aan de inspanningen van de lidstaten ter vermindering van kinderarmoede te beoordelen.
Speciaal verslag van de ERK, uitgebracht krachtens artikel 287, lid 4, tweede alinea, VWEU.

De publicatie is beschikbaar in 23 talen en in het volgende formaat:
PDF
PDF General Report

Samenvatting

I

In de Europa 2020-strategie staat de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting centraal. In deze context is het identificeren van groepen die een verhoogd risico op armoede of sociale uitsluiting lopen van cruciaal belang, evenals het bepalen van de redenen voor deze kwetsbaarheid. In statistieken over een periode van tien jaar wordt aangetoond dat kinderen een groter risico op armoede of sociale uitsluiting lopen dan de rest van de bevolking in de EU.

II

Het richten van de aandacht op kinderen en het zoeken van een oplossing voor het momenteel hoge percentage kinderen dat in armoede leeft, is van essentieel belang voor een duurzame, efficiënte en concurrerende kenniseconomie en een voor alle generaties rechtvaardige samenleving. De economische voordelen van het investeren in kinderen compenseren ruimschoots de financieringskosten ervan.

III

Het is allereerst de verantwoordelijkheid van de lidstaten en nationale regeringen om passende maatregelen ter vermindering van kinderarmoede te nemen. De Commissie heeft echter ook een rol te vervullen. Zij moet de activiteiten van de lidstaten ter bestrijding van sociale uitsluiting en voor de aanpak van kinderarmoede ondersteunen en aanvullen. Hiertoe heeft zij zowel juridische als financiële instrumenten tot haar beschikking.

IV

Kinderarmoede is een terrein dat de Rekenkamer nog niet eerder heeft onderzocht. Dit verslag kan mogelijk bijdragen aan de toekomstige initiatieven van de Commissie om de inspanningen van de lidstaten ter bestrijding van kinderarmoede te steunen.

V

Met deze doelmatigheidscontrole werd beoogd te bepalen of de Commissie doeltreffend heeft bijgedragen aan de inspanningen van de lidstaten ter vermindering van kinderarmoede. Om deze centrale controlevraag te beantwoorden, onderzochten wij of de juridische instrumenten van de Commissie, Aanbeveling 2013/112/EU van de Commissie van 20 februari 2013 met als titel “Investeren in kinderen: de vicieuze cirkel van achterstand doorbreken” (hierna “de aanbeveling” genoemd), de Europese pijler van sociale rechten en het Europees Semester bijdroegen tot het aanpakken van kinderarmoede. Wij onderzochten ook hoe het gebruik van EU-middelen door de lidstaten aan dit doel bijdroegen.

VI

Hoewel de aanbeveling geen juridisch bindend instrument is, vormde zij een positief initiatief om kinderarmoede op geïntegreerde wijze aan te pakken. Desondanks zijn de voortgang van de uitvoering ervan en de impact op nationaal beleid moeilijk te beoordelen, omdat er geen meetbare doelstellingen en mijlpalen zijn vastgesteld.

VII

De Europese pijler van sociale rechten vergrootte het bewustzijn omtrent sociaal beleid in de EU, met inbegrip van kinderarmoede, en biedt de mogelijkheid maatregelen en financiering te richten op de aanpak van kinderarmoede voor de programmeringsperiode 2021-2027. Het ontbreekt echter nog aan een actieplan om de verschillende beginselen volledig uit te voeren. De opstelling van een actieplan is van wezenlijk belang om een overzicht van de voortgang te geven.

VIII

Het Europees Semester behelst de uitvaardiging van landspecifieke aanbevelingen aan de lidstaten op verschillende beleidsterreinen. Wij stelden vast dat de lidstaten landspecifieke aanbevelingen hebben ontvangen op terreinen aangaande beleid voor gezinnen en kinderen, die kunnen helpen kinderarmoede terug te dringen. Kinderarmoede wordt echter zelden expliciet aangepakt en de specifieke methodologie waarin wordt bepaald wanneer kinderarmoede moet worden geprioriteerd om een potentiële landspecifieke aanbeveling in overweging te nemen, is niet duidelijk omschreven.

IX

In de EU-wetgeving wordt financiering niet direct op het bestrijden van kinderarmoede gericht. Zowel de Commissie als de bezochte lidstaten waren niet in staat de hoeveelheid middelen te kwantificeren die waren toegewezen aan projecten die kinderarmoede direct aanpakken, waardoor zij de doeltreffendheid ervan niet konden beoordelen.

X

In onze algemene conclusie erkennen wij dat kinderarmoede nog steeds een ernstig probleem is in de EU, waarbij bijna een op de vier kinderen nog altijd met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd. Hoewel de Commissie hierin een beperkte rol te vervullen heeft, is het moeilijk, zo niet onmogelijk om te beoordelen of haar initiatieven ter vermindering van kinderarmoede, door middel van juridische instrumenten en EU-fondsen, voldoende doeltreffend waren.

XI

Wij bevelen aan dat de Commissie:

  • acties en doelstellingen om kinderarmoede aan te pakken in haar actieplan voor de Europese pijler van sociale rechten opneemt;
  • als onderdeel van haar analyse in het kader van het proces van het Europees Semester duidelijke interne richtsnoeren heeft voor het onderkennen van situaties die kunnen leiden tot een potentiële landspecifieke aanbeveling die rechtstreeks verband houdt met kinderarmoede;
  • zich richt op investeringen voor de aanpak van kinderarmoede in de programmeringsperiode 2021-2027 en deze monitort, en
  • ervoor zorgt dat de nodige stappen worden ondernomen en voldoende kennis is vergaard voor de voorbereiding van het komende beleidsinitiatief inzake de Europese kindergarantie.

Inleiding

01

De bestrijding van armoede en sociale uitsluiting staat centraal in de Europa 2020-strategie. Het identificeren van groepen die een verhoogd risico op armoede of sociale uitsluiting lopen, alsook het bepalen van de redenen voor deze kwetsbaarheid, is van cruciaal belang voor het winnen van deze strijd. Iemand wordt geacht risico te lopen op armoede of sociale uitsluiting indien hij of zij zich in ten minste een van de volgende situaties bevindt: risico op armoede, ernstige materiële deprivatie of leven in een huishouden met een lage werkintensiteit (zie paragraaf 77).

02

Uit een vergelijking per leeftijdsgroep gedurende een periode van tien jaar blijkt dat kinderen (0-18 jaar) een groter risico op armoede of sociale uitsluiting lopen dan de rest van de bevolking in de EU (zie figuur 1).

Figuur 1

Bevolking die met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd in de Europese Unie per leeftijdsgroep, percentage (2018)

Bron: Eurostat, geraadpleegd op 22.11.2019.

03

In 2018 werden 23 miljoen kinderen in de EU met armoede of sociale uitsluiting bedreigd, d.w.z. een op de vier kinderen1. Het armoedecijfer onder kinderen verschilt echter aanzienlijk tussen de lidstaten. Vier lidstaten (Bulgarije, Griekenland, Italië en Roemenië) registreerden een percentage kinderen met risico op armoede of sociale uitsluiting dat hoger lag dan 30 %, wat inhoudt dat een op de drie kinderen met armoede of sociale uitsluiting werd bedreigd. In de lidstaten waar de laagste percentages werden genoteerd (Denemarken, Nederland, Slovenië en Tsjechië), wordt een op de zes kinderen met armoede of sociale uitsluiting bedreigd (zie figuur 2).

Figuur 2

Percentage kinderen die met armoede of sociale uitsluiting worden bedreigd (Arope) in de EU, in 2018

Bron: De ERK op basis van gegevens van Eurostat, geraadpleegd op 20.12.2019.

04

Volgens de economische prognoses van de Commissie voor 2021 heeft de COVID-19-pandemie tot ingrijpende verstoringen geleid en de vooruitzichten van de Europese arbeidsmarkten veranderd. Het werkloosheidscijfer van de eurozone zal naar verwachting stijgen van 7,5 % in 2019 tot ongeveer 9,5 % in 2020 en 8,6 % in 2021. Als gevolg daarvan worden kwetsbare maatschappelijke groepen met armoede of sociale uitsluiting bedreigd. Het is van cruciaal belang dat de lidstaten hun activiteiten in eigen land en in de gehele EU coördineren ter bescherming van diegenen die het grootste risico lopen.

05

Het richten van de aandacht op kinderen en het zoeken van een oplossing voor het momenteel hoge percentage kinderen dat in armoede leeft, zijn essentiële aspecten voor een duurzame, efficiënte en concurrerende kenniseconomie en een voor alle generaties rechtvaardige samenleving2. Uit diverse studies is meermaals gebleken dat investeringen tegen relatief lage financiële kosten tijdens de kindertijd een leven lang voordelen kunnen opleveren, niet alleen voor individuen, maar ook voor samenlevingen en economieën3. De economische voordelen van het investeren in kinderen compenseren ruimschoots de financieringskosten ervan4.

06

De bestrijding van kinderarmoede vindt voornamelijk op het niveau van de lidstaten plaats. Regeringen en andere actoren in de lidstaten beschikken over een aantal initiatieven op het gebied van sociaal beleid en welzijn die zij kunnen toepassen om achtergestelde kinderen en gezinnen te ondersteunen, zoals stelselmatige socialeoverdrachtsprogramma’s, directe verstrekking van diensten en middelen of gerichte interventieprogramma’s.

07

De EU, met name de Commissie, heeft echter ook een rol te vervullen. Zij moet de activiteiten van de lidstaten op het gebied van de bestrijding van sociale uitsluiting ondersteunen en aanvullen. De Commissie moet ook de coördinatie bevorderen van het optreden van de lidstaten op alle gebieden van het sociaal beleid die onder titel X, Sociale politiek van het VWEU, vallen. Hiertoe heeft zij zowel juridische als financiële instrumenten tot haar beschikking.

Reikwijdte en aanpak van de controle

08

Wij besloten deze controle uit te voeren vanwege het feit dat kinderen een groter risico op armoede of sociale uitsluiting lopen dan de rest van de bevolking. Kinderarmoede vormt een uitdaging in tal van lidstaten en kan later in het leven aanzienlijke gevolgen hebben voor de kansen van het kind, bijvoorbeeld in de vorm van werkloosheid als volwassene. Naar aanleiding van het voorstel van het Europees Parlement over een kindergarantie voor de periode 2021-2027 staat deze kwestie momenteel hoog op de politieke agenda (zie de paragrafen 85-90).

09

Met deze doelmatigheidscontrole werd beoogd te bepalen of de Commissie doeltreffend heeft bijgedragen aan de inspanningen van de lidstaten ter vermindering van kinderarmoede. Om deze centrale controlevraag te beantwoorden, onderzochten wij of de juridische instrumenten van de Commissie en het gebruik van EU-middelen door de lidstaten doeltreffend bijdroegen aan de inspanningen om kinderarmoede aan te pakken.

10

Tijdens onze controle werd het gebruik en de uitvoering onderzocht van:

  • aanbeveling 2013/112/EU van de Commissie van 20 februari 2013 met als titel “Investeren in kinderen: de vicieuze cirkel van achterstand doorbreken” (hierna “de aanbeveling” genoemd), die een geïntegreerde benadering bevordert waarbij een breed spectrum aan acties wordt samengevoegd die kinderarmoede moeten helpen verminderen;
  • de Europese pijler van sociale rechten (EPSR), uit 2017, die twintig beginselen omvat, waarvan sommige direct of indirect gericht zijn op het aanpakken van kinderarmoede;
  • het Europees Semester waarin de Commissie sociaal beleid van de lidstaten onderzoekt en landspecifieke aanbevelingen kan doen om kinderarmoede aan te pakken waar dit nodig wordt geacht;
  • financiële EU-bijdragen uit hoofde van het Europees Sociaal Fonds (ESF) in de programmeringsperiode 2014-2020 om kinderarmoede aan te pakken;
  • indicatoren van kinderarmoede in de gehele EU.
11

Onze belangrijkste gecontroleerde was de Europese Commissie. Daarnaast bezochten we de betrokken nationale autoriteiten in Duitsland, Italië, Polen en Roemenië alsook internationale en niet-gouvernementele organisaties die werkzaam zijn op het gebied van de bestrijding van kinderarmoede om meer informatie te verzamelen en inzicht te krijgen in hun standpunt hierover. De criteria voor het selecteren van de lidstaten omvatten onder meer percentages van kinderarmoede en potentiële ESF-toewijzingen aan de lidstaten voor het bestrijden van kinderarmoede. De bezochte landen vormden een evenwichtige selectie met zowel hoge als lage percentages van kinderarmoede en ESF-toewijzingen.

12

De controlewerkzaamheden omvatten controles op stukken van verordeningen, strategieën, beleidsdocumenten, richtsnoeren, evaluaties, monitoringverslagen en interne documenten, evenals van documenten die werden gepubliceerd door nationale autoriteiten, onderzoeksinstellingen, academici en niet-gouvernementele organisaties.

13

In onze werkzaamheden zijn ook toekomstgerichte elementen opgenomen, waarmee wij een bijdrage leveren aan de lopende bespreking van een kindergarantie. Wij willen er tevens op wijzen dat onze controlewerkzaamheden vóór de uitbraak van COVID-19 waren afgerond. Daarom wordt in dit verslag geen gewag gemaakt van beleidsontwikkelingen of andere veranderingen die plaatsvonden naar aanleiding van de huidige pandemie.

Opmerkingen

De aanbeveling was een positief initiatief, maar de impact ervan is moeilijk, zo niet onmogelijk te beoordelen

De aanbeveling was een verdienstelijke poging om kinderarmoede op holistische wijze aan te pakken

14

De Commissie nam de aanbeveling in 2013 aan naar aanleiding van een initiatief van de Europese Raad en na overleg met autoriteiten en deskundigenorganisaties van de lidstaten. Het document werd goedgekeurd als onderdeel van het pakket sociale-investeringsmaatregelen5, dat het antwoord van de Commissie vormt om de lidstaten te helpen het toenemende risico op armoede of sociale uitsluiting na de crisis van 2008 aan te pakken. Het doel van de aanbeveling is het bevorderen van een geïntegreerde, op drie pijlers gebaseerde benadering met betrekking tot toegang tot adequate middelen, toegang tot betaalbare hoogwaardige diensten en het recht van kinderen om te participeren, waarbij de nadruk wordt gelegd op kinderen en het gezin waartoe zij behoren (zie figuur 3).

Figuur 3

Opzet van de aanbeveling van de Commissie “Investeren in kinderen: de vicieuze cirkel van achterstand doorbreken”

Bron: ERK, op basis van de aanbeveling van de Commissie “Investeren in kinderen: de vicieuze cirkel van achterstand doorbreken”.

15

Hoewel de aanbeveling niet juridisch bindend is, vormde zij een positief initiatief om kinderarmoede op geïntegreerde wijze aan te pakken. Er wordt mee beoogd de lidstaten aan te moedigen tot het opzetten en uitvoeren van beleid om armoede en sociale uitsluiting onder kinderen aan te pakken via multidimensionale strategieën door een lijst van horizontale beginselen te volgen. De lidstaten wordt ook verzocht de nodige governance-, uitvoerings- en monitoringregelingen te ontwikkelen om ervoor te zorgen dat het beleid resulteert in de doeltreffende aanpak van armoede en sociale uitsluiting onder kinderen alsook om relevante EU-instrumenten, waaronder EU-financiering, ten volle te benutten.

16

De niet-bindende aard van de aanbeveling houdt in dat de Commissie de uitvoering ervan niet aan de lidstaten kan opleggen, maar zij kan de relevantie en voortgang ervan wel bevorderen door:

  • de lidstaten bij te staan bij de uitvoering ervan door een actieplan te ontwikkelen en goede praktijken inzake de bestrijding van kinderarmoede te delen;
  • de resultaten in de lidstaten te monitoren en hierover verslag uit te brengen met het oog op transparantie en ter vergelijking.

De Commissie stelde geen routekaart op

17

De beginselen van de aanbeveling en de verschillende maatregelen in het kader van de drie pijlers zijn van algemene strekking en vereisen nadere richtsnoeren ten behoeve van een doeltreffende uitvoering. In dit opzicht had het Europees Parlement aanbevolen dat de Commissie samen met de lidstaten een routekaart opstelt voor de uitvoering van de op drie pijlers gebaseerde benadering van de aanbeveling.

18

Betrokken belanghebbenden, waaronder sociale ngo’s, overheidsinstanties en rechtenorganisaties, die aan de ad-hocgroep over kinderarmoede en -welzijn deelnamen, hadden de Commissie ook op de noodzaak hiervan gewezen. Zij hadden aanbevolen een EU-routekaart op te stellen met een duidelijk en communiceerbaar plan waarin specifieke doelstellingen, belangrijke mijlpalen met termijnen en de concrete toewijzing van middelen worden vastgesteld, waarbij de rol van de verschillende actoren en overheidsniveaus wordt benadrukt6.

19

De Commissie liet echter na een dergelijke routekaart of gelijkwaardig instrument op te stellen en miste een kans om specifieke bijstand aan de lidstaten te verlenen over hoe en wanneer zij de aanbeveling zouden moeten uitvoeren.

Het onlineplatform voor het delen van goede praktijken is een goed initiatief, maar er zijn meer inspanningen nodig om beste praktijken vast te stellen

20

De inspanningen van de lidstaten om kinderarmoede te bestrijden, zouden gebaat zijn bij het delen van goede praktijken die andere lidstaten hebben toegepast en vastgesteld. De Commissie richtte het Europees platform voor investeringen in kinderen (EPIC) op dat het potentieel heeft deze rol te vervullen.

21

De Commissie ontwikkelde dit onlineplatform met het oog op de uitwisseling van beste praktijken inzake beleidsvorming voor kinderen en gezinnen en de bevordering van samenwerking en wederzijds leren op dit gebied. Het platform is in werking sinds de goedkeuring van de aanbeveling. EPIC verzamelt en verspreidt innovatieve wetenschappelijk bewezen praktijken die een positieve impact kunnen hebben op kinderen en gezinnen in de lidstaten. De praktijken worden toegewezen aan een van de drie pijlers van de aanbeveling en ingedeeld als “opkomende praktijken”, “veelbelovende praktijken” of “beste praktijken”.

22

Tegen begin maart 2020 waren in totaal 130 wetenschappelijk bewezen praktijken op de EPIC-website beschikbaar. Slechts drie daarvan werden echter ingedeeld als “beste praktijken”, en zij vielen alle drie onder de tweede pijler van de aanbeveling (toegang tot betaalbare hoogwaardige diensten). Deze “beste praktijken” worden uiteengezet in tekstvak 1. Er werden geen beste praktijken geüpload en vastgesteld voor de eerste en derde pijler van de aanbeveling met betrekking tot toegang tot adequate middelen en het recht van kinderen om te participeren.

Tekstvak 1

Praktijken die werden ingedeeld als “beste praktijken” op de EPIC-website, maart 2020

Home-Start

(van start gegaan in 1973 — nog altijd operationeel)

Uitgevoerd in: Denemarken, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Letland, Malta, Nederland, Noorwegen, Polen, Roemenië, Tsjechië en het Verenigd Koninkrijk.

Het programma Home-Start voorziet in huisbezoeken waarbij vrijwilligers met ervaring in de zorg voor kinderen steun bieden aan gezinnen die moeite hebben met de verzorging van kinderen jonger dan vijf jaar. Home-Start is gericht op gezinnen en moeders die over weinig ervaring beschikken of weinig steun uit hun omgeving krijgen en die lichte – doch geen ernstige – fysieke of mentale gezondheidsproblemen hebben. Met het programma wordt beoogd de stress van het ouderschap te verminderen en gezinnen, met name gezinnen waar een risico op kindermishandeling en -verwaarlozing bestaat, te stimuleren zodat een warme omgeving voor hun kinderen kan worden gecreëerd.

Incredible years

(van start gegaan in 2001 — nog altijd operationeel)

Uitgevoerd in: Denemarken, Finland, Ierland, Nederland, Noorwegen, Portugal, het Verenigd Koninkrijk en Zweden.

Het programma Incredible years ("pittige jaren") voor basisopvoeding van kinderen die nog niet naar school gaan, bestaat uit opvoedingssessies van 2 tot 2,5 uur gedurende acht tot twaalf weken om ouders te leren hoe zij emotionele en gedragsproblemen van hun kinderen door middel van positieve opvoeding kunnen herkennen en oplossen. Dit programma kan worden gebruikt voor ouders van peuters en kleuters die al gedragsproblemen hebben of deze dreigen te ontwikkelen (zoals antisociaal gedrag, veelvuldige woedeaanvallen en een neiging tot geweld).

Triple P – Positive Parenting Program

(van start gegaan in 1999 — nog altijd operationeel)

Uitgevoerd in: België, Duitsland, Nederland en Zwitserland

Het Positive Parenting Program is een systeem op meerdere niveaus voor het helpen van gezinnen om ernstige emotionele en gedragsstoornissen bij kinderen te voorkomen door positieve en liefdevolle relaties tussen ouder en kind te stimuleren. Volgens de ontwikkelaars wordt met het programma, behalve het verbeteren van opvoedkundige vaardigheden, beoogd het gevoel van bekwaamheid van ouders in hun opvoedvaardigheden te vergroten, de communicatie over opvoeding tussen het stel zelf te verbeteren en opvoedingsstress te verminderen. De verwerving van specifieke opvoedkundige vaardigheden resulteert in betere communicatie binnen het gezin en in minder conflicten, wat weer het risico beperkt dat kinderen een verscheidenheid aan gedrags- en emotionele problemen zullen ontwikkelen (Sanders, Turner, et al., 2002).

Bron: ERK, op basis van EPIC, maart 2020.

23

Het kleine aantal “beste praktijken”, waarvan de meest recente in 2001 zijn gestart, en het gebrek aan dergelijke praktijken voor de eerste en derde pijler beperken de doeltreffendheid van het EPIC-platform qua ondersteuning van de uitvoering van de aanbeveling. Bovendien beschikt de Commissie over beperkte informatie ten aanzien van de introductie en uitvoering van wetenschappelijk onderbouwde EPIC-praktijken in de lidstaten.

24

Sommige bezochte lidstaten lieten ons weten dat doeltreffende nationale initiatieven de vorm aannemen van socialeoverdrachtsprogramma’s waarbij gezinnen een rechtstreekse geldelijke bijdrage ontvangen. Na verloop van tijd kunnen zulke initiatieven een aanzienlijke last voor de nationale begroting vormen. We hebben een voorbeeld uiteengezet in tekstvak 2.

Tekstvak 2

Voorbeeld van een maatregel ter bestrijding van kinderarmoede in Polen

De Poolse autoriteiten meldden dat de belangrijkste maatregel ter bestrijding van kinderarmoede de invoering van de gezinstoelage, het “Family 500+ Programme”, was die op 1 april 2016 werd ingevoerd.

Hoewel er nog geen onafhankelijke beoordeling van het programma is uitgevoerd, is de onevenredige afname van kinderen die in 2017 aan relatieve armoede werden blootgesteld ten opzichte van 2016 en het relatief lage percentage sindsdien in grote mate aan dat programma te danken.

Tussen april 2016 en 30 juni 2019 werd de gezinstoelage voor het eerste kind afhankelijk van het inkomen uitgekeerd en voor elk volgend kind ongeacht het inkomen.

De Europese Raad sprak ook zijn zorg uit dat het programma een negatief effect had gehad op de participatie van ouders op de arbeidsmarkt, met name vrouwen.

Per 1 juli 2019 werd een wijziging ingevoerd en sindsdien wordt uit dit programma universele/niet-inkomensafhankelijke financiële steun verstrekt aan 6,8 miljoen kinderen in Polen.

Deze bijslag heeft echter een schaduwzijde. De totale jaarlijkse kosten van dit programma bedroegen ongeveer 23 miljard PLN in 2017 en 2018 (circa 1,1 % van het bbp7) en zullen naar verwachting vanaf 2020 stijgen tot 40 miljard PLN.

Monitoring en verslaglegging worden negatief beïnvloed door beperkte informatie

25

Doeltreffende monitoring van de uitvoering van de aanbeveling is een ander instrument dat de Commissie kan toepassen om de relevantie ervan voor de lidstaten te bevorderen. Regelmatige verslaglegging van de in de verschillende lidstaten geboekte vooruitgang zorgt met name voor transparantie en biedt een grondslag voor vergelijking en aanmoediging. Dit vereist echter meetbare indicatoren en realistische doelstellingen alsook een passend verslagleggingsmechanisme.

26

In de aanbeveling werd de lidstaten in dit verband verzocht het gebruik van wetenschappelijk onderbouwde benaderingen te intensiveren door volledig gebruik te maken van de bestaande statistieken, administratieve gegevens en het voorgestelde monitoringkader, dat uit 32 indicatoren bestaat8.

27

We stelden echter vast dat de voorgestelde indicatoren niet alle in de aanbeveling uiteengezette maatregelen bestrijken. Voor geen van de onder de derde pijler vallende maatregelen zijn indicatoren vastgesteld.

28

De voortgang van de uitvoering van de aanbeveling is moeilijk te beoordelen omdat er geen meetbare doelstellingen en mijlpalen in deze context zijn vastgesteld. De Commissie en de lidstaten hadden de mogelijkheid onderzocht om dergelijke doelstellingen vast te stellen, maar uiteindelijk stonden de lidstaten er niet achter.

29

Ondanks deze beperkingen is er in ieder geval enige informatie voorhanden via het Comité voor sociale bescherming (Social Protection Committee, SPC), waarvan de Commissie lid is. Het SPC is een raadgevend beleidscomité voor de ministers in de Raad Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken (Epsco). Het SPC maakt gebruik van de beleidsexpertise en de analytische en secretariële ondersteuning van de Commissie. Zijn taken bestaan uit de monitoring van de sociale situatie en de ontwikkeling van beleid inzake sociale bescherming in de lidstaten en de EU. Via de thematische portefeuille voor het investeren in kinderen biedt het een jaarlijkse actualisering voor het merendeel van de indicatoren die zijn opgenomen in het monitoringkader van de aanbeveling.

Het is moeilijk, zo niet onmogelijk om de rechtstreekse kwantitatieve impact van de aanbeveling te meten

30

Voor een doeltreffende uitvoering van de aanbeveling zou een nationale strategie/nationaal beleid voor de bestrijding van kinderarmoede moeten worden gevolgd; hierbij moeten de gebieden worden vastgesteld waarvan een lidstaat meent dat in de eerste plaats overheidsoptreden is vereist om kinderarmoede te bestrijden, en op welke manier. Het bestaan en de inhoud van een dergelijke strategie zouden ook een indicatie zijn van de impact van de aanbeveling.

31

Naar aanleiding van het verzoek van de Commissie stelde het Europees netwerk inzake sociaal beleid (European Social Policy Network, ESPN) een studie van nationale beleidsvormen op om de vooruitgang van de lidstaten bij de uitvoering van de aanbeveling te meten9. Deze studie leverde voor elke lidstaat alsook voor zeven andere landen concrete en vergelijkbare informatie op.

32

De algemene bevinding van de analyse van het ESPN luidt dat de bescheiden vooruitgang die werd geboekt in de richting die in de aanbeveling is uiteengezet, onvoldoende is gezien de omvang van het probleem in veel landen. De deskundigen benadrukten dat tal van landen met hoge of zeer hoge niveaus van armoede of sociale uitsluiting onder kinderen op de meeste gebieden beperkte vorderingen maakten en dat sommige ervan hun benadering op enkele gebieden zelfs hebben afgezwakt. De landen die al over sterke beleidslijnen en programma’s en lage niveaus van armoede of sociale uitsluiting onder kinderen beschikten, hebben deze grotendeels in stand gehouden.

33

Uit de studie bleek voorts dat het moeilijk, zo niet onmogelijk is om te beoordelen in welke mate individuele verbeteringen aan de aanbeveling zelf kunnen worden toegeschreven, maar dat het nationaal beleid in tal van landen nauwelijks was gewijzigd. Hoewel dit niet verrassend is voor de lidstaten waar de armoedecijfers onder kinderen laag of gemiddeld zijn, toonden de deskundigen zich met name ongerust over het feit dat veel van de lidstaten met hoge en zeer hoge cijfers niet naar een meer geïntegreerde en multidimensionale benadering overstapten. Deze conclusie bevestigt onze bevindingen ten aanzien van de vier bezochte lidstaten (Duitsland, Italië, Polen en Roemenië).

34

In de studie werden niet-bindende aanbevelingen10 uiteengezet met het oog op een versnelde en doeltreffender uitvoering van de aanbeveling. De Commissie legde ze echter naast zich neer.

De Europese pijler van sociale rechten: een vooruitstrevend en overkoepelend sociaal initiatief, met beginselen van algemene aard inzake kinderen

35

Op 17 november 2017 kondigden het Europees Parlement, de Raad en de Commissie op de sociale top voor eerlijke werkgelegenheid en groei in Göteborg gezamenlijk de Europese pijler van sociale rechten af11. De Commissie en de lidstaten delen de verantwoordelijkheid voor de uitvoering ervan. De EPSR vormt nog een juridisch niet-bindend instrument voor het bestrijden van kinderarmoede, waarvan de Commissie de uitvoering niet aan de lidstaten kan opleggen.

36

De EPSR is opgezet als een kader voor de totstandbrenging van een eerlijker Europa voor de burgers met een sterke sociale dimensie. De pijler bestaat uit twintig beginselen die voor het merendeel zijn opgesteld als rechten die wetgevende en niet-wetgevende activiteiten op het niveau van de lidstaten moeten stimuleren.

37

De twintig beginselen zijn in drie categorieën ingedeeld ter ondersteuning van inclusieve en goed werkende arbeidsmarkten en socialezekerheidsstelsels, evenals i) gelijke kansen en toegang tot de arbeidsmarkt, ii) eerlijke arbeidsvoorwaarden alsook iii) sociale bescherming en inclusie.

38

De EPSR gaat vergezeld van een “sociaal scorebord” om de uitvoering ervan te monitoren door het opsporen van trends en prestaties op twaalf gebieden in de lidstaten, en draagt bij aan het Europees Semester.

De rechten van kinderen vallen onder een specifiek beginsel in de EPSR

39

In een van de twintig beginselen, namelijk beginsel 11 (Kinderopvang en hulp aan kinderen), in de categorie sociale bescherming en inclusie, wordt expliciet vermeld dat investeringen in kinderen nodig zijn en wordt erop gewezen dat:

  • kinderen recht hebben op betaalbare en kwaliteitsvolle voor- en vroegschoolse educatie en opvang (early childhood education and care, ECEC);
  • kinderen recht hebben op bescherming tegen armoede. Kinderen uit kansarme milieus hebben recht op specifieke maatregelen die gelijke kansen versterken.
40

Een aantal andere beginselen zijn relevant voor kinderen en zouden zowel direct als indirect van invloed kunnen zijn op kinderarmoede (bijv. beginselen met betrekking tot onderwijs, evenwicht tussen werk en privéleven, sociale bescherming en gezondheid), maar verwijzen niet specifiek naar kinderen.

41

De EPSR bevorderde het bewustzijn rond sociaal beleid in de EU, met inbegrip van kinderarmoede. Dit was met name te danken aan de actualisering van de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid. Deze richtsnoeren bestaan uit gemeenschappelijke prioriteiten en streefdoelen voor arbeidsbeleid die zijn voorgesteld door de Commissie, waarmee de nationale overheden akkoord zijn gegaan en die door de Raad van de EU zijn goedgekeurd. In 2018 werden de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid geactualiseerd om rekening te houden met de beginselen van de pijler. Deze richtsnoeren vormen een kader voor het toepassingsgebied en de richting van de beleidscoördinatie van de lidstaten en dragen bij aan het proces van het Europees Semester.

42

We stellen echter vast dat de EPSR alleen voorzag in algemene beginselen die al meer in detail in de vorm van specifieke maatregelen in de aanbeveling waren opgenomen.

  • Voor het eerste deel van beginsel 11 met betrekking tot betaalbare voor- en vroegschoolse educatie bestonden reeds maatregelen voordat de EPSR werd goedgekeurd. In de aanbeveling wordt opgeroepen tot geïntegreerde strategieën om kinderarmoede aan te pakken, met inbegrip van ECEC.
  • Het tweede deel van beginsel 11 heeft betrekking op het recht van kinderen op bescherming tegen armoede. De aanbeveling voorziet in de toegang van kinderen tot alomvattende en geïntegreerde middelen en diensten waarmee dit recht zou worden geëerbiedigd.

De EPSR zou gebaat zijn bij een actieplan

43

Toen de Europese Raad de EPSR onderschreef, verduidelijkte hij12 dat deze moest worden uitgevoerd op zowel het niveau van de Unie als dat van de lidstaten, waarvoor de Commissie en de lidstaten samen verantwoordelijk zijn. Hoewel de lidstaten, de sociale partners en het maatschappelijk middenveld over tal van instrumenten beschikken om de pijler te realiseren, kunnen de EU-instellingen — en de Europese Commissie in het bijzonder — helpen door het strategisch kader vast te stellen en richting te geven.

44

In de politieke beleidslijnen voor de Commissie voor 2019-2024 werd kennis genomen van het voornemen “een voorstel [te] doen voor een actieplan om de Europese pijler van sociale rechten volledig ten uitvoer te leggen”13. In januari 2020 stelde de Commissie een mededeling14 voor om de route uit te stippelen naar een dergelijk actieplan en startte zij een brede discussie met alle EU-landen, -regio’s en alle relevante partners. Verwacht wordt dat het actieplan begin 2021 zal worden gepresenteerd, bijna vier jaar na de goedkeuring van de Europese pijler van sociale rechten. Het zal een oproep tot actie bevatten, gericht aan alle actoren op alle niveaus: Europees, nationaal, regionaal en lokaal. Het beoogde actieplan is een welkome ontwikkeling en de verwezenlijking ervan is belangrijk om een overzicht te bieden van de vooruitgang bij de uitvoering van de verschillende beginselen, waaronder beginsel 11 over de rechten van kinderen.

De EPSR zal waarschijnlijk een prominente rol vervullen in de programmeringsperiode 2021-2027

45

De voorgestelde verordening betreffende het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) voor de periode 2021-2027 is gericht op investeringen in mensen en steunt de realisatie van de EPSR. Bovendien is een socialer Europa dat uitvoering geeft aan deze pijler opgenomen in een van de vijf beleidsdoelstellingen die zijn vastgesteld in de voorgestelde verordening gemeenschappelijke bepalingen (GB-verordening) voor de periode 2021-202715.

46

Volgens het voorstel moeten de lidstaten ten minste 25 % van hun nationale ESF+-middelen onder gedeeld beheer uittrekken voor het bevorderen van sociale inclusie16, teneinde ervoor te zorgen dat de sociale dimensie van Europa zoals uiteengezet in de EPSR naar behoren aan de orde wordt gesteld. Het beleidsterrein sociale inclusie bevat een verwijzing naar kinderen, maar tot op heden zijn hiervoor nog steeds geen specifieke streefdoelen of financiële steun vastgesteld.

47

In het voorstel betreffende de ESF+-verordening wordt duidelijk vermeld dat de lidstaten rekening moeten houden met de in de EPSR uiteengezette beginselen en rechten. Deze nieuwe nadruk op de EPSR betreffende de programmeringsperiode 2021-2027 biedt de mogelijkheid maatregelen en middelen op de aanpak van kinderarmoede te richten.

De landspecifieke aanbevelingen van het Europees Semester pakken kinderarmoede zelden expliciet aan

Beperkte vooruitgang bij de verwezenlijking van de doelstellingen voor armoedebestrijding voor 2020

48

Het in 2010 ingevoerde Europees Semester is een jaarlijkse cyclus voor de coördinatie van het economisch en het begrotingsbeleid en bestaat meer bepaald in de coördinatie van nationale inspanningen om de doelstellingen van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei te behalen. Het Europees Semester zal daarom bijdragen tot het verwezenlijken van de centrale doelstelling betreffende armoede en sociale uitsluiting “door ernaar te streven ten minste 20 miljoen mensen te bevrijden van het risico op armoede en uitsluiting” tegen 2020, vergeleken met 2008.

49

In welke mate deze doelstelling zal worden behaald, hangt grotendeels af van de lidstaten. Zij hebben hun eigen nationale doelstellingen voor armoedebestrijding in hun nationale hervormingsprogramma’s (NHP’s) vastgesteld. We wijzen erop dat zelfs als alle nationale doelstellingen tegen 2020 worden behaald, het totale aantal mensen dat uit de armoede is gehaald, niet zo hoog is als het door de Europa 2020-strategie beoogde streefcijfer van 20 miljoen (zie bijlage I met details per lidstaat).

50

Uit gegevens van Eurostat17 blijkt dat er in 2018 nog steeds 109,2 miljoen mensen met armoede of sociale uitsluiting werden bedreigd. Voor de EU-28 komt de vermindering in totaal neer op 7,15 miljoen mensen die uit de armoede zijn gehaald ten opzichte van 2008; dit betekent dat tot op heden slechts weinig vooruitgang is geboekt en dat de doelstellingen voor 2020 dus waarschijnlijk niet zullen worden behaald.

Landspecifieke aanbevelingen bevatten aan kinderarmoede gerelateerde kwesties, maar de onderliggende processen moeten verder worden verduidelijkt

51

Kinderarmoede valt onder het element armoede en sociale uitsluiting van de Europa 2020-strategie en maakt daarom deel uit van het jaarlijkse kader van het Europees Semester van de Commissie dat uit de volgende vijf hoofdfasen bestaat:

  1. de Commissie stelt landverslagen voor elke lidstaat op;
  2. de lidstaten stellen hun NHP’s (economisch beleid) en stabiliteits- of convergentieprogramma’s (begrotingsbeleid) voor;
  3. de Commissie stelt de landspecifieke aanbevelingen voor (hierna LSA’s);
  4. de Raad keurt de LSA’s goed, die aan de lidstaten zijn gericht en waarvan wordt verwacht dat zij door middel van nationale beleidsvorming worden uitgevoerd;
  5. de Commissie houdt toezicht op de daaropvolgende uitvoering van de LSA’s.
52

Landverslagen vormen het uitgangspunt voor het Europees Semester. Ze bevatten een beoordeling van de economische situatie en vooruitgang bij de verwezenlijking van Europa 2020-doelstellingen van elke lidstaat. LSA’s hebben doorgaans betrekking op kwesties die in de landverslagen zijn vastgesteld.

53

We hebben de landverslagen van 2019 van zes lidstaten geëvalueerd, waarvan er drie de hoogste cijfers met betrekking tot risico op armoede of sociale uitsluiting onder kinderen in 2018 bevatten18. We stelden vast dat de Commissie kinderarmoede in deze verslagen consequent beoordeelde en in voorkomend geval aanmerkte als een problematische kwestie.

54

Wanneer de Commissie een ontwerp-LSA inzake kinderarmoede overweegt, is een belangrijk criterium in de volgende stap de beoordeling of het percentage kinderen dat met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd in de EU “hoog” of “zeer hoog” is. Wij merken op dat de interne drempelniveaus voor de indeling van kinderarmoede als “hoog” variëren van 28 % tot 31 % voor de onderzochte jaren (2015-2017). Deze drempelniveaus liggen significant hoger dan de gemiddelde EU-niveaus van 24,3 % tot 27,1 % voor de overeenkomstige periode en zijn van invloed op de vraag welke lidstaten in aanmerking komen voor een mogelijke LSA die direct betrekking heeft op kinderarmoede.

55

Tussen 2015 en 2017 kwam het 28 keer voor dat in lidstaten het percentage kinderen dat risico loopt op armoede of sociale uitsluiting dusdanig was dat deze lidstaten voor de betrokken jaren in de categorie “hoog” of “zeer hoog” zouden worden ingedeeld (zie figuur 4). Bovendien waren deze cijfers voor 2 van de 14 in 2015 geregistreerde lidstaten in 2016 verslechterd (Bulgarije, Roemenië).

Figuur 4

Lidstaten waar het percentage kinderen dat met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd als hoog of zeer hoog wordt beoordeeld, periode 2015-2017 (met betrekking tot LSA’s van 2016-2019)

Bron: ERK Eurostat, percentage van de bevolking (0-17 jaar) dat met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd in de EU (2008-2018), zie bijlage III.

56

We stelden vast dat alle lidstaten met een percentage kinderen dat met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd dat door de Commissie als hoog of zeer hoog wordt beoordeeld19, LSA's hebben ontvangen op andere gebieden betreffende beleid voor gezinnen en kinderen, bijv. op het gebied van toereikende inkomenssteun voor sociale bescherming. Deze LSA's zouden kunnen bijdragen aan de vermindering van kinderarmoede. We stelden vast dat in de periode 2016-2019 één lidstaat, namelijk Ierland, een LSA ontving die expliciet betrekking had op kinderarmoede (zie tekstvak 3).

Tekstvak 3

Voorbeeld van een LSA met betrekking tot kinderarmoede voor Ierland in 2016

In 2016 deed de Raad van de Europese Unie een landspecifieke aanbeveling aan Ierland ten aanzien van kinderarmoede:

Uitbreiding en versnelde uitvoering van activeringsbeleid om de arbeidsintensiteit van de huishoudens te verhogen en het armoederisico voor kinderen aan te pakken. Uitvoering van maatregelen om de arbeidsparticipatie te stimuleren door het geleidelijk afbouwen van uitkeringen en toeslagen. Verbeter het aanbod van kwaliteitsvolle, betaalbare en voltijdse kinderopvang20.

57

De diensten van de Commissie legden in deze context uit dat het vaststellen en voorstellen van LSA's niet alleen afhangt van het percentage kinderen dat met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd, maar ook van de vraag:

  1. of de uitdaging (kwestie) eerder in het Europees Semester werd aangepakt;
  2. of er een begin is gemaakt met de uitvoering van de reeds aangenomen aanbevelingen;
  3. of de omstandigheden in de lidstaten zijn veranderd en in voorkomend geval de indicatoren indirect verband houden met kinderarmoede;
  4. of er andere dringende uitdagingen zijn waar de lidstaat mee te maken kan hebben vanwege het beperkte aantal LSA's dat in één jaar aan een lidstaat kan worden voorgesteld.
58

Hoewel de Commissie kinderarmoede analyseert wanneer zij landverslagen in het kader van het proces van het Europees semester voorbereidt, is de specifieke methodologie waarin wordt bepaald wanneer kinderarmoede moet worden geprioriteerd om een potentiële LSA in overweging te nemen, niet duidelijk omschreven.

De doeltreffendheid van EU-financiering voor 2014-2020 voor de aanpak van kinderarmoede kan niet worden beoordeeld

59

Het uiteenzetten van de wijze waarop de lidstaten EU-middelen gebruiken en toewijzen is nog een manier waarop de Commissie kan bijdragen tot het aanpakken van kinderarmoede. De Commissie kan bij drie stappen in dit proces invloed uitoefenen. De eerste stap bestaat uit het opstellen van de GB-verordening, de tweede uit partnerschapsovereenkomsten (PO’s) en de derde uit operationele programma’s (OP’s), waarvan de laatste twee op het niveau van de lidstaten zijn te vinden. Dit proces wordt voor de huidige programmeringsperiode in figuur 5 geïllustreerd.

Figuur 5

Proces vanaf het opstellen van de verordening tot de goedkeuring van OP’s voor de periode 2014-2020

Bron: ERK.

De GB-verordening voor de ESI-fondsen is niet direct op kinderarmoede gericht

60

In de GB-verordening21 worden gemeenschappelijke bepalingen voor zeven fondsen onder gedeeld beheer uiteengezet. Hierin worden de belangrijkste regels vastgesteld waaronder de fondsen voor de periode 2014-2020 vallen. De GB-verordening bevat de belangrijkste bepalingen met betrekking tot de programmering van de doelstellingen en bijbehorende uitgaven voor het cohesiebeleid voor de periode 2014-2020.

61

Door haar rol bij het opstellen van het voorstel voor de GB-verordening kan de Commissie invloed uitoefenen op de toewijzing en het daaropvolgende gebruik van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) om bij te dragen tot het bestrijden van kinderarmoede. Een van de belangrijkste instrumenten van de GB-verordening hiervoor is de vaststelling van relevante thematische doelstellingen (TD’s) en investeringsprioriteiten.

62

TD’s worden in de GB-verordening bepaald en zijn doelstellingen die door de ESI-fondsen moeten worden gesteund. In de GB-verordening worden elf thematische doelstellingen (TD’s) bepaald, waarbij sectoren en interventiegebieden worden vastgesteld waar EU-steun via de ESI-fondsen de grootst mogelijke meerwaarde kan bieden. De thematische doelstellingen (TD’s)22 zijn opgesplitst in investeringsprioriteiten23.

63

De GB-verordening wordt aangevuld door de fondsspecifieke verordeningen van het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO). In totaal zijn er 57 investeringsprioriteiten uit hoofde van het ESF en het EFRO. Geen van de investeringsprioriteiten zijn specifiek bedoeld om kinderarmoede aan te pakken.

64

Voor 2014-2020 werd op grond van de GB-verordening ook een nieuw instrument ingevoerd om de doeltreffendheid van de acties van de ESI-fondsen te vergroten, namelijk de “ex-antevoorwaarden”. Volgens de ex-antevoorwaarden worden minimumvereisten bij aanvang van de uitvoering van de programma’s vastgesteld en bevatten zij strategische en regelgevingsvereisten waarover de lidstaten moeten beschikken alvorens EU-middelen te ontvangen. Zie tekstvak 4 voor de ex-antevoorwaarden met betrekking tot armoede.

Tekstvak 4

Bij de OP’s voor het EFRO, CF en ESF voor de programmeringsperiode 2014-2020 moeten de lidstaten ervoor zorgen dat aan deze voorwaarden wordt voldaan

Thematische doelstelling Thematische ex-antevoorwaarde Soort
TD 9. Bevordering van sociale inclusie, het bestrijden van armoede en van elke vorm van discriminatie Ex-antevoorwaarde 9.1. Het bestaan en de uitvoering van een nationaal strategisch beleidskader voor armoedebestrijding, gericht op de actieve inclusie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten, in het licht van de werkgelegenheidsrichtsnoeren. Strategisch
65

De ex-antevoorwaarde met betrekking tot TD 9 “Bevordering van sociale inclusie, het bestrijden van armoede en van elke vorm van discriminatie” wordt geacht te zijn vervuld als een lidstaat een “nationaal strategisch beleidskader voor armoedebestrijding, gericht op actieve inclusie” heeft opgezet. Alle bezochte lidstaten ontwikkelden strategieën ter bestrijding van armoede in antwoord op ex-antevoorwaarde 9.1 en de Commissie stelde vast dat alle vier de bezochte lidstaten aan deze voorwaarde voldeden.

66

Volgens de criteria voor vervulling van de ex-antevoorwaarde betreffende sociale inclusie hoeven de lidstaten echter geen doelstellingen voor armoedebestrijding vast te stellen en er worden evenmin kwetsbare groepen, zoals kinderen, in vermeld als doelgroep. In EU-wetgeving wordt financiering niet direct op kinderarmoede gericht.

De hoogte van middelen uit de ESI-fondsen die rechtstreeks gericht zijn op de aanpak van kinderarmoede is onbekend

67

PO’s zijn strategische investeringsplannen voor de EU-lidstaten waarin hun nationale uitgavenprioriteiten voor de ESI-fondsen over een periode van zeven jaar worden aangegeven. PO’s behelzen de door een lidstaat te verwezenlijken doelstellingen en TD’s die betrekking hebben op hun specifieke investerings- en ontwikkelingsbehoeften. Deze doelen worden nader uitgewerkt in de bijbehorende individuele OP’s. De voorwaarden aan de hand waarvan de prestaties van deze programma’s kunnen worden gemeten, moeten adequaat zijn en moeten leiden tot de vaststelling van relevante indicatoren waarmee de doeltreffendheid ervan kan worden beoordeeld.

68

PO’s beslaan de gehele programmeringsperiode en omvatten alle vijf de ESI-fondsen. Er wordt één PO per lidstaat opgesteld op basis van de nationale hervormingsprogramma’s, waarin het beleid en de maatregelen van het land zijn vastgesteld om de groei en werkgelegenheid te ondersteunen en de Europa 2020-doelstellingen te behalen, evenals de meest recente relevante LSA’s en relevante aanbevelingen van de Raad.

69

De PO moet door de Commissie worden goedgekeurd en bevat onder meer informatie over de ontwikkelingsbehoeften van de lidstaten, geselecteerde TD’s, een lijst van OP’s voor de lidstaat, een overzicht van ex-ante-evaluaties en een samenvatting van de beoordeling van de ex-antevoorwaarden.

70

In de PO’s waren voor de vier bezochte lidstaten doelstellingen opgenomen voor het bestrijden van armoede in het algemeen; geen enkele daarvan had deze echter expliciet gericht op het bestrijden van kinderarmoede.

71

We evalueerden vijf OP’s en trachtten de middelen te identificeren die waren toegewezen voor het aanpakken van kinderarmoede. Kinderen die in armoede leven, vormen echter geen expliciete doelgroep voor de maatregelen van de ESI-fondsen en er zijn geen horizontale selectiecriteria/subsidiabiliteitsvoorwaarden die de financiële steun richten op kinderen die met armoede of sociale uitsluiting worden bedreigd. Daardoor is het niet mogelijk vast te stellen of deze maatregelen rechtstreeks ten goede kwamen aan kinderen die met armoede of sociale uitsluiting worden bedreigd24. In figuur 6 wordt de maximale EU-financiering aangetoond zoals aangeduid door nationale autoriteiten aan de hand waarvan onder meer kinderarmoede in de vijf in de steekproef opgenomen OP’s mogelijk kan worden aangepakt.

Figuur 6

EU-financiering voor geselecteerde operationele programma’s en per thematische doelstelling (in miljoen EUR)

Bron: ERK, op basis van in de steekproef opgenomen OP’s.

72

Informatie over het aantal van deze ESI-fondsen dat direct was gericht op de bestrijding van kinderarmoede was echter niet voorhanden. Alle onderzochte OP’s bevatten maatregelen die indirect een positieve bijdrage moeten leveren aan het bestrijden van kinderarmoede. Zulke maatregelen behelzen middelen die gericht zijn op de inclusie van personen die met armoede worden bedreigd teneinde hun participatie op de arbeidsmarkt te verbeteren of werkgelegenheid te bevorderen.

73

Aanvullende maatregelen met betrekking tot gezondheidszorg en onderwijs, die echter niet specifiek gericht zijn op kinderen die met armoede of sociale uitsluiting worden bedreigd, kunnen hun potentieel indirect ten goede komen. Een dergelijke combinatie van indirecte maatregelen wordt geïllustreerd in tekstvak 5.

Tekstvak 5

Voorbeeld van maatregelen die mogelijk kinderen die met armoede of sociale uitsluiting worden bedreigd indirect ten goede kunnen komen — regionaal OP voor de provincie Warmińsko-Mazurskie, gefinancierd door het EFRO en het ESF

De Poolse autoriteiten stelden een aantal door het OP bevorderde maatregelen vast die met armoede of sociale uitsluiting bedreigde kinderen direct dan wel indirect ten goede zouden kunnen komen. Deze maatregelen zijn gericht op:

  • het bevorderen van inclusie van personen die met armoede worden bedreigd — investeringsprioriteit 9i, bijstand en steun met betrekking tot de sociale, beroeps- en onderwijsvaardigheden en op het gebied van gezondheid;
  • het verbeteren van toegang tot kinderopvang en voorschools onderwijs — medegefinancierde activiteiten uit hoofde van de investeringsprioriteiten 8iv (investeringen in kinderopvangfaciliteiten en financiering van kosten voor kinderopvang ter bevordering van de arbeidsparticipatie van ouders); 10i en 10a (investeringen in voorschoolse en onderwijsfaciliteiten en financiering van voorschools onderwijs);
  • het verbeteren van toegang tot gezondheidszorg en zorg — het OP beoogt activiteiten uit hoofde van investeringsprioriteit 9iv ter verbetering van de toegang tot i) gezondheidszorg, met name ontwikkeling en uitvoering van programma’s voor vroege opsporing van ontwikkelingsachterstanden en revalidatie van kinderen met een handicap of die het risico lopen op een handicap; preventie van cariës en preventie van baarmoederhalskanker, en ii) ondersteunende zorg, waaronder pleegzorg en algemene zorg, bijv. schoolclubs.
74

Vanwege voornoemde beperkingen kan de Commissie het bedrag aan middelen die zijn toegewezen voor projecten om kinderarmoede direct aan te pakken niet kwantificeren en kan zij bijgevolg de doeltreffendheid ervan niet beoordelen. Dit wordt nog extra bemoeilijkt door het gebrek aan doelstellingen en streefcijfers in de geselecteerde PO’s en OP’s die hadden kunnen aanduiden welke resultaten op dat gebied moesten worden behaald. Bovendien zijn resultaatindicatoren, als deze al zijn vastgesteld, programmaspecifiek en tonen ze niet duidelijk aan hoe de gefinancierde investeringen ten goede komen aan kinderen die met armoede of sociale uitsluiting worden bedreigd.

Indicatoren weerspiegelen de situatie van kinderarmoede niet op dezelfde manier

75

Zinvolle indicatoren verschaffen relevante informatie aan beleidsmakers en aan degenen die beleid uitvoeren. Ze laten zien hoe doeltreffend beleid in de praktijk is en maken het mogelijk om waar nodig corrigerende maatregelen te nemen.

Aan de hand van het percentage mensen dat met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd, kan een vergelijking tussen de lidstaten worden gemaakt

76

De indicator voor het meten van armoede in de EU, die de kernindicator is voor het monitoren van de doelstelling van armoedebestrijding in de EU 2020-strategie, is het aantal mensen voor wie armoede of sociale uitsluiting dreigt (at risk of poverty or social exclusion, afgekort: Arope).

77

Arope is een multidimensionele indicator die bestaat uit drie subindicatoren. De drie subindicatoren hebben hetzelfde gewicht en kunnen elkaar gedeeltelijk overlappen. Arope toont het aantal personen dat zich in ten minste een van de volgende situaties bevindt (personen in meer dan één situatie worden slechts eenmaal geteld):

  • risico op armoede — het aandeel mensen met een beschikbaar inkomen (na sociale overdrachten) onder de armoederisicodrempel die is vastgesteld op 60 % van het nationaal mediaan beschikbaar inkomen na sociale overdrachten;
  • ernstige materiële deprivatie — het zich niet kunnen veroorloven van een aantal behoeften die gewenst of noodzakelijk worden geacht voor een menswaardig bestaan. De indicator meet het percentage van de bevolking dat zich minstens vier van de negen elementen op een lijst van bepaalde huishoudelijke artikelen of diensten niet kan veroorloven. Ernstige materiële deprivatie wordt gedefinieerd als het noodgedwongen onvermogen te betalen voor ten minste vier van de elementen op de lijst;
  • leven in een huishouden met een lage werkintensiteit — dit wordt gedefinieerd als het aantal personen in een huishouden waarvan de leden in de beroepsactieve leeftijd in de afgelopen twaalf maanden met minder dan 20 % van hun totale potentieel hebben gewerkt. Huishoudens die alleen bestaan uit kinderen, studenten jonger dan 25 jaar en/of personen van 60 jaar of ouder worden volledig van de berekening uitgesloten.

De indicator van deprivatie onder kinderen is specifiek gericht op de situatie van kinderen

78

De Commissie kondigde in 2013 in het kader van het EU-initiatief om kinderarmoede aan te pakken de aanvang aan van voorbereidende werkzaamheden voor een specifiek op kinderen gerichte indicator van materiële deprivatie. Net als een indicator van materiële deprivatie (zoals de subindicator van Arope) geeft de indicator van deprivatie onder kinderen het aandeel kinderen tussen 1 en 15 jaar weer die zich geen alledaagse zaken kunnen veroorloven. De lijst van 17 elementen bevat specifiek voor kinderen bestemde zaken met behoud van enkele huishoudelijke artikelen uit de indicator van materiële deprivatie voor de hele bevolking. Kinderen worden aangemerkt als gedepriveerd als het hun aan minstens 3 van de 17 op deze lijst vermelde elementen ontbreekt (zie bijlage II).

79

In maart 2018, vijf jaar na de aankondiging, werd de specifiek op kinderen gerichte indicator van materiële deprivatie uiteindelijk door het Comité voor sociale bescherming goedgekeurd. In juli 2019 zijn de eerste (en tot dusver enige) gegevens over deprivatie onder kinderen (verzameld aan de hand van een enquête) openbaar gemaakt. Deze hadden alleen betrekking op het jaar 2014, aangezien er geen andere gegevens beschikbaar waren. De indicator van deprivatie onder kinderen zal niet elk jaar beschikbaar zijn, maar om de drie jaar, vanaf 202125.

80

Bij het vergelijken van de specifiek op kinderen gerichte indicator van materiële deprivatie met de subindicator van materiële deprivatie in Arope (indicator van ernstige materiële deprivatie) (zie bijlage II) voor dezelfde leeftijdsgroep vertoont de indicator van deprivatie onder kinderen in alle lidstaten hogere waarden dan de indicator van materiële deprivatie (zie figuur 7).

Figuur 7

De indicator van deprivatie onder kinderen ten opzichte van de indicator van ernstige materiële deprivatie

Bron: Eurostat, geraadpleegd op 23.11.2019.

81

De behoeften en de levensstandaard van kinderen kunnen verschillen van die van volwassenen, zelfs binnen hetzelfde huishouden. Aangezien de specifiek op kinderen gerichte indicator van materiële deprivatie meer gericht is op de situatie van kinderen, geeft deze een ander en specifieker beeld van het werkelijke niveau van kinderarmoede.

Meting van kinderarmoede verschilt tussen de lidstaten onderling

82

Een indicator is de weergave van een trend die de meetbare verandering op een beleidsterrein in de loop der tijd volgt. Arope is de hoofdindicator voor het meten van armoede in de EU 2020-strategie. Het grootste voordeel van deze indicator is dat het mogelijk is een vergelijking te maken tussen de lidstaten onderling en in de loop der tijd, dankzij de gestandaardiseerde gegevensverzameling in het Europees statistisch systeem.

83

In alle bezochte lidstaten beschikken de nationale autoriteiten echter over een aantal eigen indicatoren die zij relevant achten voor hun nationale situatie en die zij gebruiken in hun strategieën en beleid en voor monitoringdoeleinden. Als gevolg daarvan verschilt de informatie ten aanzien van de mate van armoede en kinderarmoede in de lidstaten (zie tekstvak 6).

Tekstvak 6

Vergelijking tussen het percentage van de bevolking (0-17 jaar) dat met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd (Arope) en nationale indicatoren

Lidstaten 2014 2015 2016 2017
Duitsland
Arope 0-17 19,6 % 18,5 % 19,3 % 18,0 %
Steekproeftelling 15,1 % 14,6 % 15,4 % 15,2 %
SOEP (Socio-Economic Panel Germany) 21.7 % 22.6 % 23,1 % N.v.t.
Bron: Eurostat; Armuts- und Reichtumsbericht der Bundesregierung – https://www.armuts-und-reichtumsbericht.de/DE/Indikatoren/Armut/Armutsrisikoquote/A01-Indikator-Armutsrisikoquote.html.
Polen
Arope 0-17 28,2 % 26,6 % 24,2 % 17,9 %
Officieel armoedepercentage 0-17 jaar 19,3 % 19,3 % 18,1 % 14,8 %
Bron: Eurostat en de gegevens van het Poolse bureau voor de statistiek (https://stat.gov.pl/obszary-tematyczne/warunki-zycia/ubostwo-pomoc-spoleczna/zasieg-ubostwa-ekonomicznego-w-polsce-w-2017-r-,14,5.html).
84

Door verschillende indicatoren en informatie over kinderarmoede tussen de lidstaten onderling, op basis van niet-geharmoniseerde nationale gegevens, is het voor belanghebbenden lastig om de situatie van kinderarmoede te beoordelen.

De informatie voor het beleidsinitiatief inzake de Europese kindergarantie moet toereikend zijn

De door het Europees Parlement voorgestelde kindergarantie

85

In april 2019 wijzigde het Europees Parlement de voorgestelde ESF+-verordening voor de programmeringsperiode 2021-202726 en stelde het voor een Europese kindergarantieregeling27 in te voeren om kinderarmoede aan te pakken. Het gewijzigde voorstel voor het ESF+ bevat een vereiste dat elke lidstaat 5 % van zijn ESF+-middelen moet toewijzen aan maatregelen om kinderarmoede aan te pakken. Deze middelen kunnen ook rechtstreeks bijdragen aan de uitvoering van het toekomstige initiatief inzake de kindergarantie.

86

In 2018 begon de Commissie op verzoek van het Europees Parlement met de uitvoering van fase I van de voorbereidende actie inzake een kindergarantie.

  • De eerste fase van de voorbereidende actie, een haalbaarheidsstudie, werd in april 2020 afgerond. Hiermee werd getracht de haalbaarheid van een kindergarantie te onderzoeken door de voorwaarden voor de uitvoering van een dergelijke regeling te analyseren en te beoordelen of deze al dan niet een toegevoegde waarde zou opleveren voor de bestaande EU- en nationale kaders en in dat geval een nuttig aanvullend instrument zou zijn.
  • De tweede fase van de voorbereidende actie is een economische en haalbaarheidsstudie waarin wordt gekeken naar de kosten en baten van een garantie voor kinderen die risico lopen op armoede of sociale uitsluiting in de EU. Deze fase zou maart 2021 moeten zijn afgerond.
  • In de derde fase worden door UNICEF drie tot vijf proefprojecten op lokaal niveau in de lidstaten uitgevoerd. Deze fase loopt tot 2022. Fase III zal bestaan uit een reeks proefprojecten die in vier lidstaten moeten worden uitgevoerd. Deze fase omvat ook een reeks nationale beleids- en programmatische onderzoeken en de ontwikkeling van nationale actieplannen inzake kinderarmoede en sociale uitsluiting in aantal lidstaten.
87

De voorbereidende actie inzake de kindergarantie, met name de haalbaarheidsstudie in het kader van fase I en de economische haalbaarheidsstudie in het kader van fase II, zal als input dienen voor de ontwikkeling van het beleidsinitiatief. Voor beide fasen moet informatie worden verzameld en geverifieerd die volledig, tijdig en van toereikende kwaliteit is. Anders bestaat het risico dat er geen passende maatregelen worden genomen en dat er geen voldoende middelen beschikbaar zijn.

88

De eerste fase van de studie verschaft geen alomvattend overzicht, noch voorbeelden van door het ESF gefinancierde maatregelen die doeltreffend zijn geweest bij de aanpak van kinderarmoede. Hoewel een overzicht van de middelen via de ESI-fondsen beschikbaar is, zijn de voorgestelde cijfers slechts schattingen, aangezien er in de studie wordt geconcludeerd dat investeringen in kinderen niet duidelijk zichtbaar zijn in het strategische en monitoringkader van de meeste EU-fondsen.

89

De momenteel beschikbare informatie van de eerste fase van de voorbereidende actie inzake een kindergarantie (haalbaarheidsstudie) maakt het daarom lastig om met kennis van zaken te besluiten hoe een kindergarantie zou moeten worden opgesteld, met inbegrip van de maatregelen en middelen die nodig zijn voor een positieve impact op de mate van kinderarmoede in de EU, en om de inzet van de lidstaten te waarborgen.

90

Voorts merken we op dat de afronding van de derde fase (proeffase) op zijn vroegst in 2022 zal plaatsvinden, d.w.z. op het moment dat de nieuwe programmeringsperiode onder normale omstandigheden al van start zou gaan en de voor het ESF relevante operationele programma’s zouden zijn goedgekeurd.

Conclusies en aanbevelingen

91

Kinderarmoede is nog steeds een ernstig probleem in de EU, waarbij bijna een op de vier kinderen nog altijd met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd.

92

De bestrijding van kinderarmoede valt hoofdzakelijk onder de bevoegdheid van de lidstaten, maar de Commissie heeft hier ook een rol in te vervullen. Hoewel de relevantie van haar niet-juridisch bindende instrumenten van nature beperkt is, beschikt zij over krachtiger instrumenten zoals het Europees Semester en de aanwending van EU-middelen via PO’s en OP’s. Door het gebrek aan beschikbare informatie die direct betrekking heeft op kinderarmoede is het echter moeilijk, zo niet onmogelijk om de effectieve bijdrage ervan aan de inspanningen van de lidstaten ter vermindering van kinderarmoede te beoordelen.

De aanbeveling was een positief initiatief, maar de impact ervan is moeilijk, zo niet onmogelijk te beoordelen

93

Hoewel de aanbeveling niet juridisch bindend is, vormde deze een positief initiatief om kinderarmoede op holistische wijze aan de hand van een geïntegreerde benadering aan te pakken (zie de paragrafen 14 en 15). De Commissie verleende enige specifieke bijstand aan de lidstaten bij de uitvoering ervan, maar de aanbeveling ging niet vergezeld van een EU-routekaart met een duidelijk en communiceerbaar uitvoeringsplan voor de lidstaten (zie de paragrafen 18 en 19). Het EPIC-platform bevat weinig informatie ten aanzien van beste praktijken wat betreft de aanpak van kinderarmoede door de lidstaten (zie paragraaf 22).

94

De voortgang van de uitvoering van de aanbeveling kan niet worden beoordeeld, aangezien er geen meetbare doelstellingen en mijlpalen zijn vastgesteld (zie paragraaf 28). De studie van het ESPN uit 2017 in opdracht van de Commissie bevestigde dat het moeilijk, zo niet onmogelijk is om te beoordelen in welke mate verbeteringen in nationaal beleid van de lidstaten aan de aanbeveling zelf kunnen worden toegeschreven, maar toonde aan dat er in tal van landen weinig was veranderd (zie paragraaf 33).

De Europese pijler van sociale rechten: een vooruitstrevend en overkoepelend sociaal initiatief, met beginselen van algemene aard inzake kinderen

95

De EPSR bevorderde het bewustzijn rond sociaal beleid in de EU, met inbegrip van kinderarmoede. Beginsel 11 is echter algemeen van aard en is al meer in detail in de aanbeveling opgenomen in de vorm van specifieke maatregelen (zie de paragrafen 40-42).

96

Begin 2021 zal een actieplan worden voorgesteld om de EPSR volledig uit te voeren. Het beoogde actieplan is een welkome ontwikkeling en de verwezenlijking ervan is essentieel om een overzicht te bieden van de geboekte vooruitgang bij de uitvoering van de beginselen (zie paragraaf 44).

97

De uitvoering van de pijler is opgenomen in een van de vijf beleidsdoelstellingen die zijn vastgesteld door de voorgestelde GB-verordening voor de periode 2021-2027. Deze nieuwe nadruk op de EPSR betreffende de programmeringsperiode 2021-2027 biedt de mogelijkheid maatregelen en middelen op de aanpak van kinderarmoede te richten (zie de paragrafen 45-47).

Aanbeveling 1 — Het actieplan voor de EPSR moet kinderarmoede omvatten

De Commissie zou acties en doelstellingen om kinderarmoede aan te pakken in haar actieplan voor de Europese pijler van sociale rechten moeten opnemen.

Termijn: begin van de MFK-periode 2021-2027.

De LSA's van het Europees Semester pakken kinderarmoede zelden expliciet aan

98

Het Europees Semester bestaat in de coördinatie van nationale inspanningen om de doelstellingen van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei te behalen. Uit de tot dusver geboekte vooruitgang met betrekking tot de doelstelling om tegen 2020 ten minste 20 miljoen mensen uit de armoede te halen blijkt dat deze waarschijnlijk niet zal worden bereikt (zie de paragrafen 48-50).

99

Een belangrijk criterium bij het besluitvormingsproces betreffende ontwerp-LSA’s inzake kinderarmoede voor een lidstaat is de beoordeling door de Commissie of het percentage kinderen dat met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd in de EU “hoog” of “zeer hoog” is. De interne drempel die voor dit doel wordt gebruikt, ligt boven de gemiddelde EU-niveaus voor kinderarmoede voor de desbetreffende periode (zie paragraaf 54).

100

Tussen 2016 en 2019 werden LSA’s aan lidstaten op beleidsterreinen met betrekking tot gezinnen en kinderen uitgebracht, maar slechts één lidstaat kreeg een LSA die specifiek betrekking had op kinderarmoede (zie paragraaf 56). De diensten van de Commissie legden in deze context uit dat het proces van het vaststellen en voorstellen van LSA’s niet alleen afhangt van het percentage kinderen dat met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd, maar ook de beoordeling van bijkomende factoren omvat (zie paragraaf 57). De specifieke methodologie waarin wordt bepaald wanneer kinderarmoede moet worden geprioriteerd om een potentiële LSA te overwegen, is echter niet duidelijk omschreven (zie paragraaf 58).

Aanbeveling 2 — Analyseer en beoordeel kinderarmoede op basis van duidelijke interne richtsnoeren

De Commissie moet als onderdeel van haar analyse in het kader van het proces van het Europees semester, over duidelijke interne richtsnoeren beschikken voor het onderkennen van situaties die kunnen leiden tot een potentiële LSA die rechtstreeks verband houdt met kinderarmoede.

Termijn: tegelijk met het Europees Semester van 2021.

De doeltreffendheid van EU-financiering voor 2014-2020 voor de aanpak van kinderarmoede kan niet worden beoordeeld

101

De Commissie kan invloed uitoefenen op de toewijzing van EU-middelen die worden gebruikt voor het aanpakken van kinderarmoede via de opstelling van het voorstel voor de GB-verordening en de goedkeuring van PO’s en OP’s op het niveau van de lidstaten (zie paragraaf 59).

102

In de GB-verordening worden sectoren en interventiegebieden vastgesteld waar EU-steun via fondsen de grootst mogelijke meerwaarde kan bieden. De investeringen in het kader van de GB-verordening zijn echter niet direct gericht op kinderarmoede (zie de paragrafen 61-63).

103

Alle onderzochte OP's bevatten maatregelen die indirect een bijdrage zouden kunnen leveren aan het bestrijden van kinderarmoede. Omdat er geen specifieke investeringsprioriteit of een relevante indicator voor kinderarmoede is, beschikken noch de Commissie, noch de lidstaten echter over informatie betreffende de mate waarin ESI-fondsen zijn gebruikt om kinderarmoede direct aan te pakken en welke resultaten op dit gebied zijn behaald (zie de paragrafen 71-74).

Aanbeveling 3 — Richt investeringen op de aanpak van kinderarmoede in de programmeringsperiode 2021-2027 en monitor deze

De Commissie zou moeten waarborgen dat in de partnerschapsovereenkomsten en programma’s in de periode 2021-2027 voldoende rekening wordt gehouden met kinderarmoede. De Commissie zou er met name voor moeten zorgen dat wanneer er middelen worden uitgetrokken voor de directe aanpak van kinderarmoede, dit duidelijk wordt weerspiegeld in de interventielogica van de partnerschapsovereenkomsten en programma’s.

De Commissie zou een monitoringkader moeten opzetten voor het vastleggen van de outputs en resultaten van de investeringen van de ESI-fondsen die worden gedaan in de periode 2021-2027 om armoede onder alle leeftijdsgroepen, waaronder kinderen, aan te pakken.

Termijn: begin van de MFK-periode 2021-2027.

Indicatoren weerspiegelen de situatie van kinderarmoede niet op dezelfde manier

104

De indicator voor het meten van armoede in de EU, die de kernindicator is voor het monitoren van de doelstelling voor armoedebestrijding van de EU 2020-strategie, is het percentage mensen dat met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd (Arope). Dit is een multidimensionele indicator die bestaat uit drie subindicatoren (zie de paragrafen 76 en 77).

105

In 2013 kondigde de Commissie de start aan van voorbereidende werkzaamheden voor een specifiek op kinderen gerichte indicator van materiële deprivatie die uiteindelijk in 2018 werd goedgekeurd. De specifiek op kinderen gerichte indicator van materiële deprivatie is meer gericht op de situatie van kinderen. Daarom geeft deze een ander en specifieker beeld van het werkelijke niveau van kinderarmoede. Deze indicator zal echter pas vanaf 2021 om de drie jaar beschikbaar zijn (zie de paragrafen 78-81).

106

Het grootste voordeel van Arope is dat een vergelijking kan worden gemaakt tussen de lidstaten onderling en voor een bepaalde periode. In alle bezochte lidstaten beschikken de nationale autoriteiten echter over een aantal eigen indicatoren die zij relevant achten voor hun nationale situatie. Dit resulteert in verschillende indicatoren en informatie over kinderarmoede in de EU waardoor het voor belanghebbenden lastig wordt om de situatie te beoordelen indien zij niet-geharmoniseerde nationale gegevensbronnen gebruiken (zie de paragrafen 82-84).

De informatie voor de uitvoering van het beleidsinitiatief inzake de Europese kindergarantie moet toereikend zijn

107

In april 2019 wijzigde het Europees Parlement de voorgestelde ESF+-verordening voor de programmeringsperiode 2021-2027 en stelde het voor een Europese kindergarantieregeling in te voeren om kinderarmoede aan te pakken (zie paragraaf 85).

108

De Commissie heeft in 2018 een voorbereidende actie voor een Europese kindergarantie opgezet. Het doel van fase I, een haalbaarheidsstudie, was de beoordeling van de haalbaarheid, uitvoeringsmogelijkheden en meerwaarde van een dergelijk initiatief. De voorbereidende actie wordt in drie verschillende fasen uitgevoerd. Vanwege het tijdschema van de actie wordt het lastig tijdig te beschikken over volledige informatie voor het besluitvormingsproces (zie de paragrafen 85 en 86).

Aanbeveling 4 — Zorg ervoor dat de nodige stappen worden ondernomen en voldoende kennis is vergaard voor de voorbereiding van het komende beleidsinitiatief inzake de Europese kindergarantie

De Commissie dient te waarborgen dat er voor de ontwikkeling van een Europese kindergarantie voldoende en betrouwbare informatie is verzameld en geanalyseerd over de maatregelen en middelen die nodig zijn voor een positieve impact op het niveau van kinderarmoede in de EU.

Termijn: begin van de MFK-periode 2021-2027.

Dit verslag werd door kamer II, onder leiding van mevrouw Iliana Ivanova, lid van de Rekenkamer, vastgesteld te Luxemburg op haar vergadering van 15 juli 2020.

Voor de Rekenkamer

Klaus-Heiner Lehne
President

Bijlagen

Bijlage I — Nationale doelstellingen voor armoedebestrijding in het kader van Europa 2020

EU/lidstaat Armoede en sociale uitsluiting
EU-28 Het aantal mensen dat het risico loopt op armoede of sociale uitsluiting doen dalen met ten minste 20 miljoen (ten opzichte van 2008)*
België — 380 000 personen
Bulgarije Het aantal personen dat in financiële armoede leeft met 260 000 verminderen
Tsjechië — 100 000 personen
Denemarken Het aantal personen dat deel uitmaakt van een huishouden met een zeer lage werkintensiteit met 22 000 verminderen
Duitsland Het aantal langdurig werklozen (langer dan een jaar werkloos) ten opzichte van 2008 met 20 % verminderen (wat overeenkomt met een vermindering van 320 000 langdurig werklozen)
Estland Het aantal personen voor wie armoede dreigt na sociale overdrachten, tot 15 % verlagen (ten opzichte van 17,5 % in 2010)
Ierland Het aantal personen dat in gecombineerde armoede leeft (consistente armoede, armoederisico of basisdeprivatie) met minstens 200 000 verminderen
Griekenland — 450 000 personen
Spanje — 1 400 000 tot 1 500 000 personen
Frankrijk — 1 900 000 personen (ten opzichte van 2007)
Kroatië Het aantal personen voor wie armoede of sociale uitsluiting dreigt tot 1 220 000 verminderen
Italië — 2 200 000 personen
Cyprus — 27 000 personen of het percentage verlagen tot 19,3 % van de bevolking (ten opzichte van 23,3 % in 2008)
Letland Het aantal personen voor wie armoede dreigt na sociale overdrachten en/of die deel uitmaken van een huishouden met een zeer lage werkintensiteit met 121 000 verminderen
Litouwen — 170 000 personen, en beperken tot 814 000 personen in 2020
Luxemburg — 6 000 personen
Hongarije — 450 000 personen
Malta — 6 560 personen
Nederland Het aantal personen (0-64 jaar) dat deel uitmaakt van een werkloos huishouden met 100 000 verminderen (ten opzichte van 2008)
Oostenrijk — 235 000 personen
Polen — 1 500 000 personen
Portugal — 200 000 personen
Roemenië — 580 000 personen
Slovenië — 40 000 personen
Slowakije Het aantal personen voor wie armoede of sociale uitsluiting dreigt tot 17,2 % verlagen (ten opzichte van 20,6 % in 2008)
Finland Het aantal personen voor wie armoede of sociale uitsluiting dreigt tot 770 000 verlagen
Zweden Het percentage vrouwen en mannen (20-64 jaar) dat geen deel uitmaakt van de beroepsbevolking (met uitzondering van voltijds studenten), langdurig werklozen of langdurig zieken tot ruim onder 14 % verlagen
Verenigd Koninkrijk Geen doelstelling in het nationale hervormingsprogramma, maar er bestaan gekwantificeerde doelstellingen onder de werkingssfeer van de wet op de kinderarmoede van 2010 en de strategie inzake kinderarmoede voor de periode 2011-2014
Informatiebron en
opmerkingen
EU-doelstelling zoals vastgelegd in de mededeling van de Commissie getiteld “Tussenopname van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” COM(2014) 130 final, Brussel, 2014 (blz. 14).

Bedreiging met armoede of sociale uitsluiting (afgekort: Arope) verwijst naar de situatie van mensen die ofwel een risico lopen op financiële armoede of ernstige materiële deprivatie, ofwel leven in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit. Het totale aantal mensen dat met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd, is lager dan het totale aantal personen dat met elk van de drie vormen van armoede of sociale uitsluiting te maken heeft, aangezien sommigen zich in meer dan een van deze situaties bevinden.

* 2008 is als referentiejaar genomen omdat een groot deel van de sociale indicatoren voor het meten van de drie dimensies van armoede alleen vanaf 2008 beschikbaar is.

Monitoring verwijst naar de EU-27, aangezien Kroatië in 2013 tot de EU is toegetreden en gegevens slechts vanaf 2010 beschikbaar zijn.

Nationale doelstellingen zoals uiteengezet in de meest recente nationale hervormingsprogramma’s.
De definities van de nationale doelstellingen zijn vergelijkbaar met die van de EU-doelstelling, behalve voor Bulgarije, Denemarken, Duitsland, Estland, Ierland, Letland, Nederland en Zweden (zie landspecifieke opmerkingen).

De berekening van de streefwaarden verschilt van die van de EU-streefwaarde voor Estland, Finland, Frankrijk, Kroatië, Slowakije en Zweden (zie landspecifieke opmerkingen).

Bijlage II — Vergelijking tussen elementen uit de lijst betreffende de indicator van ernstige materiële deprivatie voor de hele bevolking en de indicator die specifiek op kinderen is gericht

Ernstige materiële deprivatie Materiële deprivatie onder kinderen
Huur/hypotheek/nutsvoorzieningen tijdig betalen Kind: wat nieuwe kleren
De woning voldoende kunnen verwarmen Kind: twee paar schoenen
Onverwachte uitgaven kunnen betalen Kind: dagelijks vers fruit en groenten
Om de andere dag vlees, vis of ander proteïnerijk voedsel eten Kind: dagelijks vlees, kip, vis
Eén week met vakantie gaan Kind: geschikte boeken
Een auto bezitten Kind: speelbenodigdheden voor buiten
Een wasmachine bezitten Kind: speelgoed en spellen voor binnen
Een kleurentelevisie bezitten Kind: vrijetijdsactiviteiten
Een telefoon bezitten Kind: feestjes
Kind: vrienden uitnodigen
Kind: schooluitstapjes
Kind: vakantie
Huishouden: vervanging van versleten meubelen
Huishouden: betalingsachterstanden
Huishouden: internet
Huishouden: de woning voldoende kunnen verwarmen
Huishouden: auto

Bijlage III — Percentage van de bevolking (0-17 jaar) dat met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd in de EU (2008-2018)

N GEBIED/JAAR 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018
1 Europese Unie 26,5 26,5 27,6 27,3 28,1 27,9 27,8 27,1 26,4 24,9 24,3
2 Eurozone 23,6 24,1 25,2 25,3 25,5 25,0 25,7 25,4 25,3 24,3 23,5
3 België 21,3 20,5 23,2 23,3 22,8 21,9 23,2 23,3 21,6 22,0 23,2
4 Bulgarije 44,2 47,3 49,8 51,8 52,3 51,5 45,2 43,7 45,6 41,6 33,7
5 Tsjechië 18,6 17,2 18,9 20,0 18,8 16,4 19,5 18,5 17,4 14,2 13,2
6 Denemarken 12,7 14,0 15,1 15,7 14,9 15,4 14,5 15,7 13,9 14,5 15,2
7 Duitsland 20,1 20,4 21,7 19,9 18,4 19,4 19,6 18,5 19,3 18,0 17,3
8 Estland 19,4 24,5 24,0 24,8 22,4 22,3 23,8 22,5 21,2 18,8 17,9
9 Ierland 26,6 31,4 34,1 34,1 33,2 34,4 30,4 29,0 27,3 25,2 23,9
10 Griekenland 28,7 30,0 28,7 30,4 35,4 38,1 36,7 37,8 37,5 36,2 33,3
11 Spanje 30,1 32,0 33,3 32,2 32,4 32,6 35,8 34,4 32,9 31,3 29,5
12 Frankrijk 21,2 21,2 22,9 23,0 23,2 20,8 21,6 21,2 22,6 22,1 22,9
13 Kroatië N.v.t. N.v.t. 29,4 31,1 34,8 29,3 29,0 28,2 26,6 25,8 23,7
14 Italië 28,4 28,7 29,5 31,5 34,1 32,0 32,1 33,5 33,2 32,1 30,6
15 Cyprus 21,5 20,2 21,8 23,4 27,5 27,7 24,7 28,9 29,6 25,5 25,5
16 Letland 32,4 38,4 42,2 44,1 40,0 38,4 35,3 31,3 24,7 23,9 22,5
17 Litouwen 29,1 30,8 35,8 34,6 31,9 35,4 28,9 32,7 32,4 31,6 28,0
18 Luxemburg 20,9 23,7 22,3 21,7 24,6 26,0 26,4 23,0 22,7 23,6 23,5
19 Hongarije 33,4 37,2 38,7 40,4 41,9 43,9 41,8 36,1 33,6 31,6 23,8
20 Malta 25,0 26,5 26,7 27,8 31,0 33,0 31,8 28,4 24,0 23,0 22,8
21 Nederland 15,5 17,5 16,9 18,0 16,9 17,0 17,1 16,8 17,6 16,6 15,2
22 Oostenrijk 22,9 20,8 22,4 22,1 20,9 22,9 23,3 22,3 20,0 23,0 21,6
23 Polen 32,9 31,0 30,8 29,8 29,3 29,8 28,2 26,6 24,2 17,9 17,2
24 Portugal 29,5 28,7 28,7 28,6 27,8 31,7 31,4 29,6 27,0 24,2 21,9
25 Roemenië 50,9 50,6 48,1 49,2 52,5 51,4 50,7 46,8 49,2 41,7 38,1
26 Slovenië 15,3 15,1 15,2 17,3 16,4 17,5 17,7 16,6 14,9 15,1 13,1
27 Slowakije 24,3 23,7 25,3 26,0 26,6 25,5 23,6 24,9 24,4 22,5 23,8
28 Finland 15,1 14,0 14,2 16,1 14,9 13,0 15,6 14,9 14,7 15,1 16,0
29 Zweden 17,3 18,8 19,2 20,3 19,4 20,2 20,5 19,8 19,9 19,4 20,6
30 Verenigd Koninkrijk 29,6 27,4 29,7 26,9 31,2 32,6 31,2 30,3 27,2 27,4 29,9
 

NB: N.v.t.: niet beschikbaar.

Bron: Eurostat, geraadpleegd op 20.12.2019.

Acroniemen en afkortingen

Arop: personen die met armoede worden bedreigd (at risk of poverty, Arop)

Arope: personen die met armoede of sociale uitsluiting worden bedreigd

GB-verordening: verordening gemeenschappelijke bepalingen

LSA: landspecifieke aanbevelingen

EPSR: Europese pijler van sociale rechten

ESIF: Europese structuur- en investeringsfondsen

ESPN: Europees netwerk inzake sociaal beleid (European Social Policy Network)

ESS: Europees statistisch systeem

NHP: nationaal hervormingsprogramma

OP: operationeel programma

PO: partnerschapsovereenkomst

SPC: Comité voor sociale bescherming (Social Protection Committee)

TD: thematische doelstelling

Woordenlijst

Comité voor sociale bescherming (SPC): een raadgevend beleidscomité voor de ministers in de Raad Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken (Epsco).

Europa 2020-strategie: de groeistrategie van de EU voor het herstellen van de crisis voor de komende tien jaar, onderverdeeld in vijf centrale doelstellingen: werkgelegenheid, onderzoek en ontwikkeling, klimaat/energie, onderwijs, sociale inclusie en armoedebestrijding.

Europees Semester: een cyclus voor de coördinatie van het economisch en het begrotingsbeleid in de EU. Het Europees Semester maakt deel uit van het kader voor economische governance van de Europese Unie. Het is gericht op de eerste periode van zes maanden van elk jaar, vandaar de naam “semester”. Tijdens het Europees Semester stemmen de lidstaten hun begrotings- en economisch beleid af op de doelstellingen en regels die op EU-niveau zijn overeengekomen.

Europese pijler van sociale rechten (EPSR): de pijler van sociale rechten heeft betrekking op het verwezenlijken van nieuwe en doeltreffender rechten voor burgers, gebaseerd op twintig hoofdbeginselen. Deze werd op 17 november 2017 op de sociale top voor eerlijke banen en groei in Göteborg door het Europees Parlement, de Raad en de Europese Commissie afgekondigd. Het verwezenlijken van de in het kader van de Europese pijler van sociale rechten vastgestelde beginselen en rechten is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de instellingen van de Europese Unie, de lidstaten, de sociale partners en andere belanghebbenden.

Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen/ESIF): deze behelzen het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij. Deze worden gezamenlijk beheerd door de Europese Commissie en de EU-lidstaten.

Ex-antevoorwaarden: voorwaarden die gebaseerd zijn op vooraf gedefinieerde, in de GB-verordening vastgelegde criteria die als noodzakelijk worden beschouwd voor de doeltreffende en doelmatige besteding van EU-middelen voor alle ESI-fondsen. Bij de opstelling van OP’s voor het EFRO, CF en ESF voor de programmeringsperiode 2014-2020 moeten de lidstaten beoordelen of er aan deze voorwaarden is voldaan. Als er niet aan de voorwaarden was voldaan, moesten er actieplannen worden opgesteld om ervoor te zorgen dat er uiterlijk op 31 december 2016 aan werd voldaan.

Het Europees statistisch systeem (ESS): het partnerschap tussen de communautaire statistische autoriteit, ofwel Europese Commissie (Eurostat), en de nationale bureaus voor de statistiek en andere nationale instanties die in de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de ontwikkeling, productie en verspreiding van Europese statistieken. Dit partnerschap omvat ook de EER- en EVA-landen. De lidstaten verzamelen gegevens en stellen statistieken op voor nationale en EU-doeleinden. Het ESS fungeert als een netwerk waarin Eurostat in nauwe samenwerking met de nationale statistische instanties een voortrekkersrol vervult bij de harmonisatie van statistieken.

Het percentage personen dat met armoede worden bedreigd (Arop) is een subindicator van het percentage personen dat met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd (Arope): het armoederisicopercentage is het aandeel personen met een equivalent beschikbaar inkomen (na sociale overdrachten) onder de armoederisicodrempel, die is vastgesteld op 60 % van het nationaal mediaan equivalent beschikbaar inkomen na sociale overdrachten.

Kinderarmoede: duidt op het percentage kinderen (0–17 jaar) in de Europese Unie (EU) dat met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd (Arope). Kinderen worden met armoede of sociale uitsluiting bedreigd als zij deel uitmaken van een huishouden dat zich in ten minste een van de volgende drie situaties bevindt: met een risico op armoede na sociale overdrachten (inkomensarmoede), met ernstige materiële deprivatie of met een zeer lage werkintensiteit.

Landspecifieke aanbevelingen: dit zijn documenten die de Europese Commissie voor elk land opstelt en waarin de economische situatie wordt geanalyseerd en maatregelen worden aanbevolen die het land in een periode van 12 tot 18 maanden zou moeten nemen.

Operationeel programma (OP): een OP beschrijft de prioriteiten en specifieke doelstellingen van een lidstaat en de benutting van de middelen (EU- en nationale openbare en particuliere cofinanciering) gedurende een bepaalde periode (in het algemeen zeven jaar) voor de financiering van projecten. De financiering van het OP kan afkomstig zijn uit het EFRO, het CF en/of het ESF.

Partnerschapsovereenkomst (PO): overeenkomst tussen de Europese Commissie en elke lidstaat voor de programmeringsperiode 2014-2020. Hierin worden de plannen van de nationale autoriteiten voor het gebruik van de financiering uit de Europese structuur- en investeringsfondsen alsmede de strategische doelstellingen en investeringsprioriteiten van elk land uiteengezet, en in verband gebracht met de algehele doelstellingen van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei. Ze omvatten onder meer ook een samenvatting van de beoordeling van de naleving van toepasselijke ex-antevoorwaarden en, indien daaraan niet is voldaan, van de te nemen maatregelen, de verantwoordelijke organen en het tijdschema voor de uitvoering van die maatregelen, evenals een beschrijving van de methodologie en mechanismen om te zorgen voor consistentie in de werking van prestatiekaders. Ze worden opgesteld door de lidstaat in overleg met de Commissie en moeten door de Commissie worden goedgekeurd.

Personen die met armoede of sociale uitsluiting worden bedreigd (Arope): het percentage personen dat met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd, komt overeen met het totale aantal personen dat ofwel een risico loopt op armoede (Arop) of op ernstige materiële deprivatie, ofwel leeft in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit. Personen worden maar eenmaal meegeteld, ook al vallen zij onder meerdere subindicatoren. Het percentage personen dat met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd (Arope), is de kernindicator voor het monitoren van de doelstelling voor armoedebestrijding van de EU 2020-strategie.

Thematische doelstelling (TD): een structureel element van de partnerschapsovereenkomsten. Deze wordt vooraf bepaald door wetgeving en omvat doelstellingen die dienen te worden ondersteund door de Europese structuur- en investeringsfondsen. Thematische doelstellingen leggen een verband met strategische doelstellingen op EU-niveau.

Antwoorden van de Commissie

Samenvatting

VI

Een aanbeveling van de Commissie biedt, als rechtsinstrument, een politieke basis voor de samenwerking op Europees niveau op dit gebied, terwijl de bevoegdheden van de lidstaten op het gebied worden geëerbiedigd.

VII

De rol van de Europese pijler van sociale rechten gaat verder dan de bewustmaking omtrent sociaal beleid. De pijler dient als kompas voor beleidsinstrumenten op EU-niveau, met inbegrip van het Europees Semester en financieringsinstrumenten.

De pijler heeft reeds geleid tot een aantal concrete resultaten, waaronder de richtlijn betreffende het evenwicht tussen werk en privéleven, de richtlijn betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden en de aanbeveling met betrekking tot de toegang tot sociale bescherming.

De Commissie heeft zich er ook toe verplicht in 2021 een actieplan vast te stellen om de pijler verder uit te voeren.

VIII

De Commissie neemt de bestrijding van armoede aan de hand van het proces van het Europees Semester zeer serieus. Zij heeft haar focus op sociale kwesties versterkt door de Europese pijler van sociale rechten en het “sociaal scorebord” in het semester op te nemen. Naast de landspecifieke aanbevelingen die specifiek gericht waren op de werking van het stelsel van sociale bescherming, had een groot aantal aanbevelingen in de loop der jaren betrekking op werkgelegenheid, de verwerving van vaardigheden, volwassenenonderwijs, kinderopvang en de integratie op de arbeidsmarkt van hen die er het verst vanaf staan. Deze spelen allemaal een rol bij de bestrijding van armoede, met inbegrip van kinderarmoede.

IX

De monitoringsvereisten voor de lidstaten onder gedeeld beheer moeten zorgen voor een evenwicht tussen de noodzaak om correcte gegevens te verzamelen over de uitvoering van de fondsen en het voorkomen van de overbelasting van begunstigden en programma-autoriteiten. Het huidige monitoringskader voor het Europees Sociaal Fonds (ESF) voorziet in nauwkeurige informatie over de totale middelen die zijn toegewezen en uitgegeven om armoede en sociale uitsluiting te bestrijden, echter zonder opsplitsing naar leeftijd en doelgroep. Het monitoringskader van het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD) voorziet echter in schattingen van het aantal kinderen dat gebruikmaakt van de voedsel- en/of materiële bijstand van het fonds.

De Commissie heeft met het oog op het volgende meerjarig financieel kader (MFK) op 27 mei 2020 voorgesteld dat alle lidstaten 5 % van hun middelen in het kader van het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) onder gedeeld beheer toewijzen aan de bestrijding van kinderarmoede. Er is ook een speciale indicator voorgesteld om vast te stellen hoeveel deelnemers aan ESF+-acties jonger zijn dan 18 jaar.

X

De Commissie benadrukt dat de impact van haar initiatieven op het nationale beleid moeilijk kan worden beoordeeld, maar dat de kinderarmoede in de EU is afgenomen sinds de vaststelling van de aanbeveling over het investeren in kinderen van 2013. In verschillende lidstaten is de inkomenssteun voor gezinnen met kinderen verbeterd en deze verbetering kan worden toegerekend aan de aanbeveling van de Commissie van 2013. Ondanks het feit dat de EU-fondsen, met uitzondering van het FEAD, in het kader van het huidige strategische en monitoringskader niet rechtstreeks betrekking hebben op kinderen die risico lopen op armoede of sociale uitsluiting, is in het ESF, het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) in de huidige financieringsperiode 2014-2020 een grotere nadruk gelegd op de bestrijding van armoede dan in de voorgaande periode 2007-2013.

De Commissie neemt de bestrijding van armoede zeer serieus. In haar als onderdeel van het herstelplan voor Europa gelanceerde React-EU-instrument heeft de Commissie voorgesteld dat de aan het ESF toe te wijzen extra middelen prioritair moeten worden gebruikt voor onder meer maatregelen ter bestrijding van kinderarmoede. Het gewijzigde voorstel van het MFK 2021-2027 voor het ESF+ omvat de verplichting voor elke lidstaat om 5 % van zijn ESF+-middelen te besteden aan maatregelen ter bestrijding van kinderarmoede. Deze middelen zullen ook rechtstreeks bijdragen aan de uitvoering van het toekomstige initiatief inzake de kindergarantie, dat de Commissie in 2021 zal voorstellen.

XI

Eerste streepje: De Commissie aanvaardt de aanbeveling om acties in verband met kinderarmoede op te nemen in het actieplan voor de Europese pijler van sociale rechten.

Tweede streepje: De Commissie aanvaardt deze aanbeveling. In het kader van haar maatregelen om de sociaal-economische gevolgen van de COVID-19-crisis aan te pakken, blijft de Commissie zich ervoor inzetten om mensen uit de armoede, met inbegrip van kinderarmoede, te halen door de oorzaken van de risico’s op armoede aan te pakken.

Derde streepje: De Commissie aanvaardt deze aanbeveling. In het Commissievoorstel over het ESF+ is bepaald dat 5 % van de ESF+-middelen op nationaal niveau moeten worden toegewezen aan het aanpakken van kinderarmoede en moeten worden geprogrammeerd in het kader van de specifieke doelstellingen v) en vii) tot en met x). Daarnaast zullen specifieke indicatoren inzake kinderen worden opgenomen in het monitoringskader. De Commissie kan echter niet vooruitlopen op de onderhandelingen met de Raad en het Europees Parlement.

Vierde streepje: De Commissie aanvaardt deze aanbeveling. De eerste fase van de voorbereiding is reeds afgerond. De Commissie neemt in lijn met de beginselen van een betere regelgeving de noodzakelijke stappen en verzamelt de noodzakelijke informatie om te zorgen voor een goede voorbereiding van het komende initiatief inzake de kindergarantie.

Inleiding

04

De Commissie heeft reeds diverse initiatieven genomen om EU-middelen over te hevelen naar het tegengaan van de verspreiding van het virus. Zij heeft maatregelen voorgesteld in het kader van de pakketten van het corona-investeringsinitiatief (CRII) en CRII+, die inmiddels zijn vastgesteld, die een volledige flexibiliteit mogelijk maken bij het overhevelen van alle beschikbare middelen uit de Europese structuur- en investeringsfondsen in antwoord op het coronavirus.

Het voorstel van de Commissie voor een verordening voor herstelbijstand voor cohesie en de regio’s van Europa (React-EU) bouwt voort op CRII en CRII+ en levert een aanzienlijke bijdrage aan sociale en werkgelegenheidsdoelstellingen. Het voorziet in aanvullende financiering van in totaal 55 miljard EUR voor het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD). React-EU kan onder meer bijdragen aan de strijd tegen (jeugd)werkloosheid en armoede. De Commissie heeft in haar herziene voorstel voor het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) bovendien voorgesteld deze beide dimensies te versterken, door te vereisen dat de lidstaten ten minste 5 % van hun ESF+-toewijzing besteden aan de strijd tegen kinderarmoede en 15 % aan de strijd tegen jeugdwerkloosheid, indien dit een bijzonder probleem vormt in de lidstaat.

Opmerkingen

14

De aanbeveling “Investeren in kinderen” werd naar aanleiding van een initiatief van de Europese Raad vastgesteld. In de periode 2010-2012 organiseerden het Belgische en het Cypriotische voorzitterschap van de Raad twee belangrijke conferenties over kinderarmoede. Achtergrondnota’s, die door deskundigen en niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) werden opgesteld, boden reeds een vroege basis voor de aanbeveling en maakten de weg vrij voor de elementen die later de drie pijlers ervan zouden vormen.

19

De aanbeveling is gebruikt als routekaart voor beleid. Zij werd gebruikt als hefboom tijdens de programmeringsonderhandelingen van 2013-2014 over de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) en wordt gebruikt tijdens de jaarlijkse besprekingen in het kader van het Europees Semester – die op gestructureerde wijze belangrijke ondersteuning bieden aan alle lidstaten.

De Commissie heeft de acties van de lidstaten gecoördineerd via het Europees Semester en via het Comité voor sociale bescherming (SPC) en de open coördinatiemethode en speciale seminars voor collegiale toetsingen. De aanbeveling is met name zeer gedetailleerd en heeft altijd een rol gespeeld in de context van het Europees Semester. Zij heeft gediend als routekaart en richtsnoer en is in overeenstemming met de bevoegdheden die de EU op dit gebied heeft, die in wezen bestaan uit de open coördinatiemethode. De Commissie heeft ook het Europees platform voor investeringen in kinderen (EPIC) gecreëerd om wederzijds leren en de uitwisseling van beste praktijken te vergemakkelijken. De Commissie heeft ook technische seminars georganiseerd in 13 lidstaten om de aanbeveling te presenteren en richtsnoeren te verstrekken over de manier waarop een verband kan worden gelegd met de ESI-fondsen.

21

Via de open coördinatiemethode in het kader van het sociaal beleid moedigt de Commissie de lidstaten aan van elkaar te leren en maatregelen te introduceren die in andere lidstaten succesvol zijn gebleken. De verslagen over de ontwikkelingen op het gebied van werkgelegenheid en op sociaal gebied in Europa zijn ook een instrument dat wordt gebruikt om beste praktijken te bevorderen en richting te geven aan het beleid in de lidstaten.

23

De Commissie voert een follow-up uit van de praktijken. De praktijken werden bij verschillende gelegenheden getoond tijdens de diverse evenementen die de Commissie organiseerde. Hoewel het niet vaak voorkomt dat een praktijk in een andere lidstaat wordt overgenomen, gezien de specifieke kenmerken van elke lidstaat en het feit dat praktijken in verband met kinderen op de lokale niveaus worden uitgevoerd, dienen deze praktijken wel als inspiratiebron.

32

De Commissie heeft de aanbeveling geëvalueerd in het werkdocument van de diensten van de Commissie SWD(2017) 258 final, “Taking stock of the 2013 Recommendation on “Investing in children: breaking the cycle of disadvantage” en de impact hiervan op het Europees Semester en de programma’s van de ESI-fondsen van de periode 2014-2020 aangetoond.

34

De studie van het Europees netwerk inzake sociaal beleid (ESPN) speelde slechts een indirecte rol bij de besprekingen in het kader van het Europees Semester. De Commissie merkt op dat de studie van het ESPN werd gepubliceerd nadat het werkdocument van de diensten van de Commissie over de uitvoering van de aanbeveling van 2013 (SWD(2017) 258 final) in 2017 was afgerond. De Commissie gebruikt deze studie als onderdeel van de analytische werkzaamheden voor de voorbereiding van het initiatief inzake de kindergarantie.

35

De Europese pijler voor sociale rechten wordt op verschillende niveaus door verschillende actoren uitgevoerd, waaronder het Europees Parlement en de Raad, regionale en lokale autoriteiten, de sociale partners en het maatschappelijk middenveld. In overweging 17 van het document is bepaald dat het uitvoeren van de Europese pijler van sociale rechten een gedeelde politieke belofte en verantwoordelijkheid is. De Europese pijler van sociale rechten moet worden uitgevoerd op het niveau van zowel de Unie als de lidstaten, binnen hun respectievelijke bevoegdheden, naar behoren rekening houdend met de verschillende sociaal-economische omstandigheden en de diversiteit van de nationale stelsels, waaronder de rol van de sociale partners, en in overeenstemming met de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.

36

De beginselen van de pijler zijn erop gericht op het juiste niveau acties in gang te zetten, in lijn met de verdeling van de bevoegdheden tussen de EU en haar lidstaten, waarbij de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid worden geëerbiedigd.

Gezamenlijk antwoord van de Commissie op de paragrafen 39 en 40:

De bestrijding van alle vormen van armoede vereist een alomvattende en geïntegreerde benadering. In de aanbeveling “Investeren in kinderen” wordt verzocht om geïntegreerde strategieën om kinderarmoede aan te pakken, op basis van drie pijlers, die betrekking hebben op adequate middelen, betaalbare hoogwaardige diensten en het recht van kinderen om te participeren. De Europese pijler van sociale rechten (EPSR) omvat niet alleen de toegang tot onderwijs voor jonge kinderen en zorg (dat inderdaad verband houdt met beginsel 11), maar ook de noodzaak om de arbeidsmarktparticipatie van ouders, een adequate levensstandaard door middel van uitkeringen, gelijke kansen door middel van onderwijs, waaronder beleid om voortijdig schoolverlaten terug te dringen, en de toegang tot hoogwaardige gezondheidsstelsels en huisvesting te ondersteunen. Dit alles houdt verband met de beginselen 1, 2, 3, 4, 9, 12, 13, 16, 19 en 20 van de EPSR.

42

Het werkdocument van de diensten van de Commissie SWD(2017) 0201 final bevat informatie over het toepassingsgebied en de veranderingen die zijn ingevoerd door de Europese pijler van sociale rechten.

In de pijler is vastgesteld dat alle kinderen recht hebben op kwaliteitsvolle opvang en onderwijs voor jonge kinderen (ECEC).

Voorts worden in de pijler de kwaliteitsaspecten van opvang en onderwijs voor jonge kinderen beklemtoond, onder meer met betrekking tot de toegang, het personeel, de programma-inhoud, het toezicht, de beoordeling en het bestuur. Opvang en onderwijs voor jonge kinderen die voor iedereen toegankelijk en van goede kwaliteit zijn, komen alle kinderen ten goede en vooral kinderen uit kansarme milieus.

De pijler voorziet in het recht van kinderen op bescherming tegen armoede: elk kind moet toegang hebben tot omvattende en geïntegreerde maatregelen overeenkomstig de aanbeveling “Investeren in kinderen” van de Europese Commissie uit 2013. Armoede en sociale uitsluiting kunnen het best worden voorkomen met behulp van geïntegreerde strategieën. De gerichte maatregelen moeten bijvoorbeeld voorzien in toegang tot adequate middelen, een combinatie van geldelijke en niet-geldelijke uitkeringen om kinderen een adequate levensstandaard te bieden, toegang tot betaalbare hoogwaardige diensten op het gebied van onderwijs, gezondheid, huisvesting en gezinsondersteuning, de bevordering van gezinsgerichte zorg en gemeenschapszorg, rechtsbescherming en steun voor kinderen om bij voor hun leven relevante besluitvorming betrokken te worden.

Bovendien hebben kinderen uit kansarme milieus (zoals Romakinderen, migrantenkinderen of kinderen uit etnische minderheden, kinderen met speciale behoeften of met een handicap, kinderen in alternatieve zorg en straatkinderen, kinderen van gedetineerde ouders, alsook kinderen in huishoudens die een verhoogd risico op armoede lopen) overeenkomstig beginsel 11b recht op specifieke maatregelen – namelijk versterkte en gerichte steun – zodat zij hun sociale rechten naar behoren kunnen uitoefenen.

44

Om de uitvoering van de pijler verder te intensiveren, heeft de Commissie werkzaamheden gestart voor de routekaart voor de Europese pijler van sociale rechten. Het actieplan ter uitvoering van de pijler is een prioriteit van voorzitter Von der Leyen. De Commissie heeft in januari 2020 een mededeling gepresenteerd waarin de route werd uitgestippeld op weg naar een actieplan ter uitvoering van de pijler en een brede discussie gestart met alle EU-landen en -regio’s en met al onze partners. Het actieplan moet begin 2021 worden gepresenteerd.

46

Op 27 mei heeft de Commissie voorgesteld dat alle lidstaten 5 % van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer uittrekken voor de strijd tegen kinderarmoede.

55

De Commissie benadrukt dat er niet automatisch een aanbeveling wordt gericht tot lidstaten die te maken hebben met verslechtering van een indicator. De Commissie houdt rekening met sociale ontwikkelingen, het lopende beleid van de lidstaat en de vooruitgang bij relevante hervormingen. Bovendien heeft in de loop der jaren een groot aantal landspecifieke aanbevelingen (LSA’s) betrekking gehad op werkgelegenheid, verwerving van vaardigheden, volwassenenonderwijs, kinderopvang en integratie op de arbeidsmarkt van hen die er het verst vanaf staan. Deze spelen allemaal een rol bij de bestrijding van armoede, met inbegrip van armoede onder kinderen. Als gevolg daarvan is sinds de piek van de economische en financiële crisis in 2012 aanzienlijke vooruitgang geboekt bij de terugdringing van armoede, zodat het percentage mensen dat met armoede of sociale uitsluiting wordt bedreigd, ruim onder het niveau van voor de crisis ligt. In 2018 werden in de EU-27 19,9 miljoen kinderen (tot 16 jaar) met armoede of sociale uitsluiting bedreigd – 3,1 miljoen minder dan tijdens de piek van 2012 en 2 miljoen minder dan vóór de crisis (2008).

Gezamenlijk antwoord van de Commissie op de paragrafen 55 en 56:

Kwantitatieve beoordelingen maken deel uit van de analyse van de Commissie, maar geven niet automatisch aanleiding tot een LSA. Er moet rekening worden gehouden met landspecifieke omstandigheden en de bredere context van uitdagingen waarmee de lidstaten te maken hebben, alsook met de Europese context, bij het opstellen van ontwerpen van LSA’s.

58

Het terugdringen van kinderarmoede vereist een geïntegreerde strategie die gericht is op kinderen en hun families, waarbij structurele belemmeringen voor de arbeidsmarktparticipatie en sociale inclusie van ouders worden geïdentificeerd en weggenomen en preventie en steun worden gecombineerd, om zowel de ontwikkeling als het welzijn van alle kinderen te bevorderen en met name de situatie van de meest kwetsbare kinderen te verbeteren. Hiervoor is een nauwe coördinatie van een brede reeks beleidsdoelstellingen en -instrumenten nodig, zoals het ondersteunen van de arbeidsmarktparticipatie van beide ouders, het verhogen van lonen en inkomens, het zorgen voor een adequaat beleid inzake het evenwicht tussen werk en privéleven en toegang tot diensten die door gezinnen worden gebruikt. In het licht hiervan zijn in het verleden LSA’s afgegeven inzake inkomenssteun, de efficiëntie van de sociale bescherming, inclusief onderwijs, financiële belemmeringen voor en toegang tot kinderopvang en gezondheidszorg als manieren om kinderarmoede aan te pakken.

63

Het Commissievoorstel voor de ESF- en EFRO-verordeningen werd op 11 juni 2011 vastgesteld, d.w.z. ruim voor de aanbeveling van 2013. Desalniettemin werd tijdens de huidige financieringsperiode 2014-2020, ondanks het feit dat kinderen die risico lopen op armoede of sociale uitsluiting niet rechtstreeks worden behandeld door de EU-fondsen – met uitzondering van het FEAD – een grotere nadruk gelegd op het aanpakken van armoede, met inbegrip van kinderarmoede, in het ESF, het EFRO en het Elfpo. 

70

De standpuntnota’s van de Commissie werden twee jaar voor de vaststelling van de aanbeveling opgesteld. De aanbeveling werd desalniettemin gebruikt als hefboom tijdens de programmeringsonderhandelingen voor de ESI-fondsen van 2013-2014. In Roemenië en Italië wordt kinderarmoede op geïntegreerde wijze behandeld in zowel de nationale als de regionale operationele programma’s. Maatregelen die worden gecofinancierd door het ESF en het FEAD en het ESF en het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF) zijn bijvoorbeeld gericht op niet-begeleide minderjarigen. Het operationele programma inzake sociale inclusie ondersteunt, naast de diensten in verband met de minimuminkomensregeling, specifieke projecten om een einde te maken aan de institutionalisering van kinderen, die vaak wordt veroorzaakt door armoede.

Met name het nationale operationele programma inzake sociale inclusie in Italië financiert sociale diensten ter ondersteuning van minderjarigen en hun familie (zoals sociaal-educatieve steun, ondersteuning van de opvoeding en bemiddelingsdiensten voor gezinnen). Deze diensten omvatten bovendien steun voor ouders met complexe behoeften en huishoudens met kinderen die minder dan 1 000 dagen oud zijn. In de monitoringsformulieren wordt erom verzocht het aantal minderjarigen in het huishouden van begunstigden te vermelden. Het aantal minderjarigen dat in de afgelopen jaren werd bereikt, neemt toe. Bovendien zijn diverse maatregelen onder de derde as van het Italiaanse OP expliciet gericht op kwetsbare minderjarigen, waaronder onderdanen van derde landen, niet-begeleide minderjarigen en jonge migranten. Aanvullende maatregelen steunen kinderen uit Romagemeenschappen in dertien grote steden om voortijdig schoolverlaten tegen te gaan en hen te ondersteunen in het onderwijs en het onderwijs voor jonge kinderen.

71

De Commissie heeft geen wettelijk mandaat om opdracht te geven tot verdere toewijzingen waarin niet in de verordeningen is voorzien.

74

De gemeenschappelijke indicatoren van het ESF zijn niet specifiek voor bepaalde soorten steun, maar sluiten aan op de omvang van de ESF-steun om de administratieve lasten te beperken tot een passend niveau. Wanneer de beheersautoriteiten de ESF-middelen investeren in de strijd tegen kinderarmoede, voorzien zij normaal gesproken in een programmaspecifieke indicator in het programma.

Er zijn gegevens beschikbaar over de ESF-financiering, per categorie steunmaatregel, en de categorieën steunmaatregelen komen overeen met de investeringsprioriteiten. Hierdoor is het mogelijk om de financiering die is toegewezen aan kinderopvang en onderwijs voor kinderen te kwantificeren, maar er zijn geen gegevens beschikbaar over de financiering die is toegewezen aan de bestrijding van kinderarmoede, omdat er geen specifieke investeringsprioriteit voor kinderarmoede bestaat.

79

De specifiek op kinderen gerichte indicator van deprivatie werd in maart 2018 goedgekeurd door de subgroep voor indicatoren van het Comité voor sociale bescherming, op basis van en verstrekt voor 2014, het tot nu toe enige jaar waarin elementen inzake deprivatie onder kinderen werden verzameld. In lijn met de praktijkcode Europese statistieken werd de indicator voorlopig verstrekt, terwijl de vaste en volledige verstrekking en analyse zullen beginnen in een cyclus van drie jaar, met publicatie voor het referentiejaar 2021.

De tijd tussen de aankondiging van de specifiek op kinderen gerichte indicator van materiële deprivatie en de goedkeuring ervan was noodzakelijk om de robuustheid van de indicator te waarborgen, door gebruik te maken van meer dan één groep resultaten van de modules van de communautaire statistiek van inkomens en levensomstandigheden (EU-SILC), waardoor moest worden gewacht op de resultaten van de module van 2014 (die pas na een vertraging beschikbaar waren). Er werden gedetailleerde studies verricht om de robuustheid van de indicator van deprivatie te waarborgen. De indicator werd voltooid toen de te gebruiken resultaten van de modules beschikbaar waren.

Een regelmaat van drie jaar is een aanzienlijke verbetering. Tussen de twee metingen kunnen ontwikkelingen van andere indicatoren (bv. deprivatie van de algemene bevolking) en correlaties tussen elementen inzake kinderen en andere variabelen (bv. opgesplitste sociale uitkeringen – met inbegrip van gezinstoeslagen – die vanaf 2021 worden verzameld in EU-SILC, uit hoofde van Verordening (EU) 2019/1700) worden overwogen om eerste beoordelingen uit te voeren van de ontwikkeling van de situatie van kinderen.

80

De vergelijking van de twee indicatoren – de op kinderen gerichte indicator van deprivatie (3 elementen ontbreken uit een lijst van 17 elementen) met de indicator van totale “ernstige” materiële deprivatie (4 elementen ontbreken uit een grotendeels verschillende lijst van 9 elementen) – is van beperkte methodologische geldigheid.

Dit is deels het geval omdat de op kinderen gerichte indicator van deprivatie (3 van de 17 elementen van deprivatie geselecteerd) vrij verfijnd was ten opzichte van de indicator van deprivatie, d.w.z. waar van de 9 overwogen elementen 3 elementen van deprivatie ontbreken, en hiermee wordt vergeleken in plaats van met de indicator van “ernstige” deprivatie, waarbij 4 van de 9 elementen ontbreken en die een subonderdeel van Arope vormt.

Gezamenlijk antwoord van de Commissie op paragraaf 83 en tekstvak 6:

De reeks nationale indicatoren is gebaseerd op nationale keuzes, maar de trends zijn in de loop van de tijd vergelijkbaar met Arope, zelfs wanneer de niveaus verschillen.

85

De Commissie zal het toekomstige initiatief inzake de kindergarantie in 2021 voorstellen.

86

Derde streepje: De derde fase zal in de zomer van 2020 van start gaan en twee jaar duren. De derde fase bestaat uit een reeks proefprojecten die moeten worden uitgevoerd in Bulgarije, Griekenland, Italië en Kroatië, en een reeks diepteonderzoeken naar nationaal beleid en programmering en de ontwikkeling van nationale actieplannen inzake armoede en sociale uitsluiting onder kinderen: Spanje, Litouwen, Duitsland, Bulgarije, Kroatië, Italië en Griekenland.

88

De algemene doelstelling van de eerste fase van de voorbereidende maatregelen voor een kindergarantie (haalbaarheidsstudie) bestaat in het voorzien in een analyse van het ontwerp, de haalbaarheid en het beheer van een mogelijke kindergarantieregeling in de EU-lidstaten. Deze doelstelling is gebaseerd op waarin momenteel is voorzien en wat haalbaar is in de lidstaten en biedt uitgebreide informatie over de toegang tot diensten van verschillende groepen kwetsbare kinderen.

De Commissie neemt momenteel de noodzakelijke stappen en verzamelt de noodzakelijke informatie om te zorgen voor een gedegen voorbereiding van het komende initiatief inzake de kindergarantie, in lijn met de beginselen van een betere regelgeving.

Conclusies en aanbevelingen

92

Het voorstel van de Commissie voor het MFK 2014-2020 werd voor de aanbeveling vastgesteld. Daarom komen kinderen die risico lopen op armoede en sociale uitsluiting niet rechtstreeks aan de orde in het huidige monitoringskader, met uitzondering van het FEAD.

Het ESF, EFRO, FEAD en Elfpo hebben echter hun nadruk op de bestrijding van armoede, en met name kinderarmoede, vergroot in de huidige financieringsperiode 2014-2020 ten opzichte van de voorgaande periode 2007-2013.

93

De Commissie heeft sinds de goedkeuring van de aanbeveling een bredere erkenning onder de lidstaten waargenomen van het feit dat meer investeringen in onderwijs en opvang voor jonge kinderen nodig zijn en verschillende lidstaten hebben hiervoor gezorgd (Ierland, Malta, Duitsland, Tsjechië, Spanje).

Naast het EPIC-platform heeft de Commissie de nationale beleidsmakers van de lidstaten steun verleend voor wederzijds leren.

Aanbeveling 1 – Het actieplan voor de EPSR moet kinderarmoede omvatten

De Commissie aanvaardt de aanbeveling om acties in verband met kinderarmoede op te nemen in het actieplan voor de Europese pijler van sociale rechten.

Het aanpakken van armoede in het algemeen, en kinderarmoede in het bijzonder, vormt een hoge prioriteit voor de Commissie.

99

Aanbevelingen worden niet “automatisch” gedaan aan lidstaten die de indicator overschrijden of waar deze verslechtert. Hoewel het risico op armoede of sociale uitsluiting onder kinderen niet een van de indicatoren van het sociaal scorebord is, kan de methode van het scorebord (d.w.z. niet alleen kijken naar geregistreerde niveaus, maar ook naar de snelheid en richting van de verandering) in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van sociale ontwikkelingen, waaronder de veranderingen ten aanzien van de risico’s op kinderarmoede.

100

In het kader van het Europees Semester wordt de verlichting van de armoede op multidimensionale wijze aangepakt, waarbij aanbevelingen worden gedaan aan landen waar, op basis van een brede reeks factoren, waaronder de analyse van de armoedeniveaus en veranderingen en de algemene nationale beleidscontext, problemen worden vastgesteld, en een beoordeling wordt uitgevoerd van relevante vooruitgang van de hervormingen. De aanbevelingen zijn landspecifiek van aard. De Commissie heeft de nadruk van het Semester op sociale kwesties in de loop der jaren versterkt, onder meer door de Europese pijler van sociale rechten en het bijbehorende sociaal scorebord een integraal onderdeel van het Europees Semester te maken.

Bovendien heeft in de loop der jaren een groot aantal LSA’s betrekking gehad op kinderopvang, onderwijs, werkgelegenheid, de verwerving van vaardigheden en de integratie van hen die het verst van de arbeidsmarkt af staan.

Aanbeveling 2 – Kinderarmoede analyseren en beoordelen op basis van duidelijke interne richtsnoeren

De Commissie aanvaardt deze aanbeveling.

In het kader van haar maatregelen om de sociaal-economische gevolgen van de COVID-19-crisis aan te pakken, blijft de Commissie zich ervoor inzetten om mensen uit de armoede, met inbegrip van kinderarmoede, te halen door de oorzaken van de risico’s op armoede aan te pakken.

Aanbeveling 3 – Gerichtheid op en monitoring van investeringen voor de aanpak van kinderarmoede in de programmeringsperiode 2021 2027

Eerste alinea: De Commissie aanvaardt deze aanbeveling.

In het Commissievoorstel over het ESF+ is bepaald dat 5 % van de ESF+-middelen op nationaal niveau moeten worden toegewezen aan het aanpakken van kinderarmoede en moeten worden geprogrammeerd in het kader van de specifieke doelstellingen v) en vii) tot en met x). Daarnaast zullen specifieke indicatoren inzake kinderen worden opgenomen in het monitoringskader.

De Commissie kan echter niet vooruitlopen op de onderhandelingen met de Raad en het Europees Parlement.

Tweede alinea: De Commissie aanvaardt de aanbeveling.

In het volgende MFK wordt een speciaal vereiste inzake gerichtheid voor kinderen voorgesteld. Op grond van de amendementen op de voorstellen van de Commissie voor de verordeningen van 2021-2027 moeten de lidstaten ten minste 5 % van de ESF+-middelen onder gedeeld beheer uittrekken voor het bestrijden van kinderarmoede. Bovendien worden kinderen (tot 18 jaar) die ondersteuning ontvangen, gemeld in het kader van specifieke doelstelling XI (en het huidige FEAD). We erkennen dat een dergelijke indicator voor de andere specifieke doelstellingen in de volgende periode nuttig zou zijn, gezien de uitbreiding van het toepassingsgebied van het herziene ESF+.

105

De regelmaat van de op kinderen gerichte indicator van deprivatie is vastgesteld in Verordening (EU) 2019/1700. Deze verordening werd goedgekeurd na moeilijke onderhandelingen met de medewetgevers, die uiteindelijk leidden tot een evenwichtige overeenkomst. De regelmaat van de verzameling van gegevens was een cruciaal onderdeel van de discussie. Uiteindelijk overheerste het standpunt dat rekening moet worden gehouden met de structurele aard van verschillende indicatoren die betrekking hebben op armoede in het algemeen, aangezien overbelasting van de enquête niet alleen zou zorgen voor weinig aanvullende informatie, maar ook de algemene kwaliteit van het instrument zou verslechteren, leidend tot lagere antwoordpercentages.

De gevonden oplossing (het elke drie jaar verzamelen van gegevens voor de specifiek op kinderen gerichte indicator van materiële deprivatie) biedt een mogelijkheid om de gegevens regelmatig te verzamelen, terwijl rekening wordt gehouden met de lasten voor de respondenten en de nationale bureaus voor de statistiek.

106

De reeks nationale indicatoren is gebaseerd op nationale keuzes, maar de trends zijn in de loop van de tijd vergelijkbaar met Arope, zelfs wanneer de niveaus verschillen. Dankzij de invoering van de specifiek op kinderen gerichte indicatoren van materiële deprivatie wordt een internationale vergelijking mogelijk.

107

Het beleidsinitiatief inzake de kindergarantie zal worden ontwikkeld in het kader van de politieke richtsnoeren van de voorzitter van de Commissie. De Commissie heeft met het oog op het volgende meerjarig financieel kader (MFK) op 27 mei 2020 voorgesteld dat alle lidstaten 5 % van hun middelen in het kader van het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) onder gedeeld beheer toewijzen aan de bestrijding van kinderarmoede.

Aanbeveling 4 – Waarborgen dat de nodige stappen zijn genomen en voldoende informatie is verzameld voor de voorbereiding van het komende beleidsinitiatief inzake de Europese kindergarantie.

De Commissie aanvaardt de aanbeveling.

De eerste fase van de voorbereiding is reeds afgerond. De Commissie neemt in lijn met de beginselen van een betere regelgeving de noodzakelijke stappen en verzamelt de noodzakelijke informatie om te zorgen voor een goede voorbereiding van het komende initiatief inzake de kindergarantie.

Naast de reeds beschikbare gegevensbronnen, waaronder gegevens van Eurostat, moet de lopende meerjarige voorbereidende actie voor een kindergarantie voorzien in een grondige analyse van het ontwerp, de haalbaarheid en het beheer van een initiatief inzake de kindergarantie in de EU-lidstaten. Dit alles zal input vormen voor de voorbereidende werkzaamheden van de Commissie. De Commissie zal ook de noodzakelijke analytische werkzaamheden uitvoeren om de ontwikkeling van het initiatief inzake de kindergarantie te ondersteunen, alsook alle relevante belanghebbenden raadplegen.

Controleteam

In de speciale verslagen van de ERK worden de resultaten van haar controles van EU-beleid en -programma’s of beheerthema’s met betrekking tot specifieke begrotingsterreinen uiteengezet. Bij haar selectie en opzet van deze controletaken zorgt de ERK ervoor dat deze een maximale impact hebben door rekening te houden met de risico’s voor de prestaties of de naleving, de omvang van de betrokken inkomsten of uitgaven, de verwachte ontwikkelingen en de politieke en publieke belangstelling.

Deze doelmatigheidscontrole werd verricht door controlekamer II “Investeringen ten behoeve van cohesie, groei en inclusie”, die onder leiding staat van ERK-lid Iliana Ivanova. De controle werd geleid door ERK-lid Tony Murphy, ondersteund door Wolfgang Stolz, kabinetschef, en Brian Murphy, kabinetsattaché; Pietro Puricella, hoofdmanager; Michele Zagordo, taakleider; Marija Grguric, Cristina-Ioana Jianu, Agota Krenusz, Annekatrin Langer en Bernard Witkos, controleurs; Peter Borsos, kabinetsassistent; Niamh Mahon, kabinetsassistent en Eve Ryan, kabinetsstagiaire. Hannah Critoph en Zuzanna Filipski verleenden taalkundige ondersteuning.

Als gevolg van de COVID-19-pandemie en de strikte beperkende maatregelen kon er geen foto van het controleteam worden verstrekt.

Voetnoten

1 Gegevensverzameling van Eurostat, “People at risk of poverty and social exclusion”.

2 Pakket sociale-investeringsmaatregelen, Mededeling van de Commissie “Naar sociale investering voor groei en cohesie — inclusief de uitvoering van het Europees Sociaal Fonds 2014-2020”, COM(2013) 83 final, 20 februari 2013, blz. 13.

3 UNICEF, A brief review of the social and economic returns to investing in children, juni 2012, beschikbaar op: https://www.unicef.org/socialpolicy/files/Investing_in_Children.pdf.

4 UNICEF, Right in Principle and in Practice: A Review of the Social and Economic Returns to Investing in Children, Social and Economic Working Paper, 2012, blz. 33. Beschikbaar op: https://www.unicef.org/socialpolicy/files/Investing_in_Children.pdf.

5 Mededeling van de Commissie “Naar sociale investering voor groei en cohesie – inclusief de uitvoering van het Europees Sociaal Fonds 2014-2020”, COM(2013) 83 final, 20 februari 2013.

6 Mededeling aan commissaris László Andor, DG EMPL, over gemeenschappelijke voorstellen voor het uitvoeren van de aanbeveling over kinderarmoede en -welzijn via een partnerschapsbenadering, 1 februari 2013.

7 Volgens Eurostat bedroeg het bbp van Polen 2,120 miljard PLN in 2018.

8 Bijlage bij Aanbeveling 112/2013/EU van de Commissie over “Investeren in kinderen: de vicieuze cirkel van achterstand doorbreken”.

9 Hugh Frazer and Eric Marlier, “Progress across Europe in the implementation of the 2013 EU Recommendation on ‘Investing in children: Breaking the cycle of disadvantage’, A study of national policies”, 2017.

10 Idem, blz. 33-35.

11 https://www.socialsummit17.se/.

12 Bijeenkomst van de Europese Raad (14 december 2017) — Conclusies.

13 Zie “Een Unie die de lat hoger legt – Mijn agenda voor Europa” door kandidaat-voorzitter van de Europese Commissie Ursula von der Leyen — Politieke beleidslijnen voor de volgende Europese Commissie 2019-2024.

14 COM(2020) 14 final, “Een sterk sociaal Europa voor rechtvaardige transities”, 14 januari 2020.

15 COM(2018) 375 final, 2018/0196 (COD), artikel 4.

16 2018/0206 (COD), preambule 22.

17 Zie Eurostat, geraadpleegd op 7.1.2020.

18 De drie landen met de hoogste cijfers — Roemenië (38,1 %), Bulgarije (33,7 %) en Griekenland (33,3 %).
Drie door ons bezochte lidstaten — die niet de hoogste cijfers hadden — Duitsland, Italië en Polen.

19 Behalve Griekenland, omdat dit land vóór 2019 niet onder het Europees Semester viel.

20 COM(2016) 328 final.

21 Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013.

22 Verordening (EU) 1303/2013, artikel 9.

23 Verordening (EU) 1304/2013, artikel 3; Verordening (EU) 1301/2013, artikel 5.

24 IT: Nationaal operationeel programma Inclusie — CCI 2014IT05SFOP001; RO Operationeel programma Menselijk kapitaal — CCI 2014RO05M9OP001; PL: Operationeel programma Kennis Onderwijs Groei — CCI 2014PL05M9OP001; Regionaal operationeel programma voor de regio Warmińsko-Mazurskie 2014PL16M2OP014; DE: Vrijstaat Saksen operationeel programma voor het ESF — CCI 2014DE05SFOP012.

25 Verordening (EU) 2019/1700.

26 Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) (COM(2018)0382 — C8-0232/2018 — 2018/0206(COD)).

27 Amendement nr. 40, overweging 22 ter (nieuw) van de wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) (COM(2018)0382 — C8-0232/2018 — 2018/0206(COD)).

Tijdlijn

Gebeurtenis Datum
Vaststelling van het controleplan (APM) / aanvang van de controle 10.4.2019
Ontwerpverslag officieel verzonden aan de Commissie
(of andere gecontroleerde)
4.6.2020
Vaststelling van het definitieve verslag na de contradictoire procedure 15.7.2020
Officiële antwoorden in alle talen ontvangen van de Commissie (of andere gecontroleerde) 12.8.2020

Contact

EUROPESE REKENKAMER
12, rue Alcide De Gasperi
L-1615 Luxemburg
LUXEMBURG

Tel. +352 4398-1
Inlichtingen: eca.europa.eu/nl/Pages/ContactForm.aspx
Website: eca.europa.eu
Twitter: @EUAuditors

Meer gegevens over de Europese Unie vindt u op internet via de Europaserver (http://europa.eu).

Luxemburg: Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2020

PDF ISBN 978-92-847-5106-8 ISSN 1977-575X doi:10.2865/424785 QJ-AB-20-017-NL-N
HTML ISBN 978-92-847-5083-2 ISSN 1977-575X doi:10.2865/73990 QJ-AB-20-017-NL-Q

AUTEURSRECHT

© Europese Unie, 2020.

Het beleid van de Europese Rekenkamer (ERK) inzake hergebruik is geregeld bij Besluit nr. 6-2019 van de Europese Rekenkamer over het opendatabeleid en het hergebruik van documenten.

Tenzij anders aangegeven (bv. in afzonderlijke auteursrechtelijke mededelingen), wordt voor de inhoud van de ERK die eigendom is van de EU een licentie verleend in het kader van de Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0)-licentie. Dit betekent dat hergebruik is toegestaan, mits de bron correct wordt aangegeven en wijzigingen worden aangegeven. De hergebruiker mag de oorspronkelijke betekenis of boodschap van de documenten niet wijzigen. De ERK is niet aansprakelijk voor mogelijke gevolgen van hergebruik.

U moet aanvullende rechten verwerven indien specifieke inhoud personen herkenbaar in beeld brengt, bijvoorbeeld op foto’s van personeel van de ERK, of werken van derden bevat. Indien toestemming wordt verkregen, wordt hiermee de bovengenoemde algemene toestemming opgeheven en zullen beperkingen van het gebruik daarin duidelijk worden aangegeven.

Wilt u inhoud gebruiken of reproduceren die geen eigendom van de EU is, dan moet u de houders van het auteursrecht mogelijk rechtstreeks om toestemming vragen.

Software of documenten waarop industriële-eigendomsrechten rusten, zoals octrooien, handelsmerken, geregistreerde ontwerpen, logo’s en namen, zijn uitgesloten van het beleid inzake hergebruik van de ERK; hiervoor wordt u ook geen licentie verleend.

De groep institutionele websites van de Europese Unie met de domeinnaam “europa.eu” bevat links naar sites van derden. Aangezien de ERK geen controle heeft over deze sites, wordt u aangeraden kennis te nemen van hun privacy- en auteursrechtbeleid.

Gebruik van het logo van de Europese Rekenkamer

Het logo van de Europese Rekenkamer mag niet worden gebruikt zonder voorafgaande toestemming van de Europese Rekenkamer.

Hoe neemt u contact op met de EU?

Kom langs
Er zijn honderden Europe Direct-informatiecentra overal in de Europese Unie. U vindt het adres van het dichtstbijzijnde informatiecentrum op: https://europa.eu/european-union/contact_nl

Bel of mail
Europe Direct is een dienst die uw vragen over de Europese Unie beantwoordt. U kunt met deze dienst contact opnemen door:

  • te bellen naar het gratis nummer: 00 800 6 7 8 9 10 11 (bepaalde telecomaanbieders kunnen wel kosten in rekening brengen),
  • te bellen naar het gewone nummer: +32 22999696, of
  • een e-mail te sturen via: https://europa.eu/european-union/contact_nl

Waar vindt u informatie over de EU?

Online
Informatie over de Europese Unie in alle officiële talen van de EU is beschikbaar op de Europa-website op: https://europa.eu/european-union/index_nl

EU-publicaties
U kunt publicaties van de EU downloaden of bestellen op: https://op.europa.eu/nl/publications (sommige zijn gratis, andere niet). Als u meerdere exemplaren van gratis publicaties wenst, neem dan contact op met Europe Direct of uw plaatselijke informatiecentrum (zie https://europa.eu/european-union/contact_nl).

EU-wetgeving en aanverwante documenten
Toegang tot juridische informatie van de EU, waaronder alle EU-wetgeving sinds 1952 in alle officiële talen, krijgt u op EUR-Lex op: http://eur-lex.europa.eu

Open data van de EU
Het opendataportaal van de EU (http://data.europa.eu/euodp/nl) biedt toegang tot datasets uit de EU. Deze gegevens kunnen gratis worden gedownload en hergebruikt, zowel voor commerciële als voor niet-commerciële doeleinden.