Speciaal verslag
15 2022

De maatregelen om de deelname aan Horizon 2020 te verbreden waren goed ontworpen, maar duurzame verandering zal grotendeels afhangen van de inspanningen van de nationale autoriteiten

Over het verslag:Om de innovatiekloof aan te pakken werden in het kader van Horizon 2020 specifieke verbredingsmaatregelen ingevoerd om lidstaten die achterlopen op het gebied van onderzoek en innovatie te ondersteunen. Wij beoordeelden of deze verbredingsmaatregelen geschikt waren voor het beoogde doel.

We concluderen dat de verbredingsmaatregelen qua ontwerp geschikt waren om iets te doen aan de beperkte deelname van verbredingslanden aan O&I-kaderprogramma's maar dat voor duurzame verandering inspanningen op nationaal niveau nodig zijn. De beleidsondersteuningsfaciliteit (Policy Support Facility, PSF) kende slechts beperkte mogelijkheden om deze veranderingen teweeg te brengen.

Er werd niet overal in gelijke mate deelgenomen aan de verbredingsmaatregelen, en aanvullende financiering en duurzaamheid vormen uitdagingen die moeten worden overwonnen bij de gefinancierde projecten, die wel veelbelovende resultaten beginnen op te leveren.

We doen de aanbevelingen dat de Commissie de gebruikmaking van de beleidsondersteuningsfaciliteit versterkt, naar een evenwichtiger deelname aan verbredingsmaatregelen streeft, de beschikbaarheid van aanvullende financiering bevordert, de capaciteit om onderzoeksresultaten te exploiteren vergroot en de monitoring verbetert.

Speciaal verslag van de ERK, uitgebracht krachtens artikel 287, lid 4, tweede alinea, VWEU.

De publicatie is beschikbaar in 24 talen en in het volgende formaat:
PDF
PDF Speciaal verslag: Horizon 2020: aanpak van de onderzoeks- en innovatiekloof in de EU

Samenvatting

I In haar Europa 2020-strategie benadrukte de Commissie de rol van onderzoek en innovatie als belangrijke aanjager van sociale en economische welvaart en ecologische duurzaamheid in de EU. De EU verleent sinds 1984 steun voor onderzoek en innovatie via opeenvolgende “kaderprogramma’s”. Horizon 2020, het achtste kaderprogramma, bestreek de periode 2014-2020 (begroting van 76,4 miljard EUR). Het is nu opgevolgd door Horizon Europa (begroting van 95,5 miljard EUR) voor de periode 2021-2027.

II Er bestaan aanzienlijke verschillen tussen de EU-lidstaten wat de prestaties op het gebied van onderzoek en innovatie betreft. De kloof komt ook tot uiting in de verschillende niveaus van deelname aan de kaderprogramma’s, waarbij de toewijzing van middelen gebaseerd is op excellentie. Een geringe deelname beperkt op zijn beurt het potentieel van onderpresterende landen om de tekortkomingen in hun onderzoeks- en innovatiesystemen te verhelpen. Om de innovatiekloof aan te pakken en de deelname te verbeteren, werd in het kader van Horizon 2020 935 miljoen EUR uitgetrokken voor “verbredingsmaatregelen”, die specifiek gericht zijn op lidstaten die ondermaats presteren. Het doel was om de capaciteit van onderzoeksinstellingen in die lidstaten te vergroten, bijvoorbeeld door hen te helpen met netwerken, met het aangaan van partnerschappen met toonaangevende instellingen en met het aantrekken van hooggekwalificeerd personeel. Deze maatregelen zijn versterkt in het kader van Horizon Europa en er is nu een budget van 2,95 miljard EUR voor.

III Wij hebben besloten deze controle uit te voeren om beleidsmakers te informeren over kwesties die van invloed zijn op het ontwerp en de uitvoering van de verbredingsmaatregelen, met name omdat deze maatregelen in het kader van Horizon Europa worden voortgezet. Dit speciaal verslag is het nieuwste in een reeks publicaties van de ERK waarin de Horizon 2020-steun wordt onderzocht.

IV Wij beoordeelden of Horizon 2020-verbredingsmaatregelen geschikt waren voor het beoogde doel. Daartoe onderzochten we het algemene ontwerp van de maatregelen en de uitvoerings- en monitoringregelingen voor twee ervan. Dit zijn teamvorming (steun voor kenniscentra) en EOR-leerstoelen (vooraanstaande wetenschappers naar onderzoeksinstellingen halen), die beide bedoeld waren om langdurige effecten voor de begunstigden teweeg te brengen.

V Wij concludeerden dat de verbredingsmaatregelen qua opzet waren gericht op het aanpakken van veel van de factoren die de deelname van verbredingslanden aan opeenvolgende kaderprogramma’s hebben beperkt. Echte duurzame verandering hangt echter in hoge mate af van investeringen in onderzoek en innovatie en hervormingen op nationaal niveau.

VI De beleidsondersteuningsfaciliteit maakt deel uit van een reeks instrumenten die de EU gebruikt om hervormingen in nationale ecosystemen te bevorderen. Niet alle verbredingslanden maakten in de periode 2014-2020 gebruik van de faciliteit en de Commissie moest sommige projecten uitstellen vanwege een gebrek aan middelen. We constateerden dat het weliswaar de verantwoordelijkheid van de lidstaten was om te reageren op de aanbevelingen die voortvloeien uit activiteiten van de beleidsondersteuningsfaciliteit, maar dat de Commissie ook gebruik heeft gemaakt van de kennis die is opgedaan over nationale onderzoeks- en innovatiesystemen, voornamelijk voor haar landenbeoordelingen in het kader van het Europees Semester, die leiden tot landspecifieke aanbevelingen.

VII Wij stelden vast dat de verbredingsmaatregelen ten goede zijn gekomen aan een groep landen met ongelijke prestaties op het gebied van onderzoek en innovatie en in het kaderprogramma. Hoewel er niet noodzakelijkerwijze een volledige correlatie bestaat, komen deze verschillen ook tot uiting in de deelname van de landen aan de verbredingsmaatregelen.

VIII Hoewel het nog te vroeg is om de volledige impact van de maatregelen te beoordelen, constateerden we dat teamvormings- en EOR-leerstoelprojecten veelbelovende resultaten beginnen op te leveren, met name wat betreft het aantal publicaties, netwerkvorming en toegang tot meer subsidiefinanciering. Zij werden echter geconfronteerd met een aantal uitdagingen bij de uitvoering, zoals het verkrijgen van aanvullende financiering uit andere bronnen dan Horizon 2020, het aanwerven van internationale onderzoekers en, bovenal, het waarborgen van duurzaamheid door het genereren van inkomsten uit de exploitatie van onderzoeksresultaten.

IX We stelden vast dat er ruimte voor verbetering was met betrekking tot de monitoring van teamvormings- en EOR-leerstoelprojecten, met name wat betreft de meting van de langetermijneffecten van beide instrumenten.

X Wij bevelen de Commissie aan:

  • de gebruikmaking van de beleidsondersteuningsfaciliteit te versterken;
  • te streven naar een evenwichtiger deelname van verbredingslanden aan verbredingsmaatregelen;
  • de tijdige beschikbaarheid van aanvullende financiering te bevorderen;
  • de capaciteit van projectbegunstigden om hun onderzoeksresultaten te exploiteren, te vergroten;
  • haar monitoring van de verbredingsmaatregelen te versterken.

Inleiding

Het belang van onderzoek en innovatie in de EU

01 In haar Europa 2020-strategie formuleerde de Commissie slimme, duurzame en inclusieve groei als doel en benadrukte zij de rol van onderzoek en innovatie (O&I) als belangrijke aanjager van sociale en economische welvaart en ecologische duurzaamheid. Het blijvende belang van O&I voor de EU komt tot uiting in de zes prioriteiten van de Commissie voor 2019-2024, aangezien O&I een sleutelrol speelt in ten minste vier daarvan: een Europese Green Deal, een economie die werkt voor de mensen, een Europa dat klaar is voor het digitale tijdperk en een sterker Europa in de wereld.

02 De Europa 2020-strategie omvat ook de doelstelling de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling te verhogen om particuliere investeringen aan te trekken tot wel twee derde van de totale investeringen, waardoor deze tegen 2020 op EU-niveau een cumulatief totaal van 3 % van het bruto binnenlands product (bbp) zouden bereiken. De lidstaten hebben hun eigen nationale streefdoelen vastgesteld, variërend van 0,5 % tot 4,0 %.

03 Met de EU-begroting worden sinds 1984 specifieke financieringsprogramma’s ter bevordering van O&I ondersteund. Het achtste kaderprogramma (KP) voor O&I, Horizon 2020 (H2020), bestreek de periode 2014-2020 en had een begroting van 76,4 miljard EUR. Het negende kaderprogramma, Horizon Europa, bestrijkt de periode 2021-2027 en heeft een begroting van 95,5 miljard EUR. O&I wordt ook ondersteund door andere EU-fondsen, met name het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), een van de fondsen waarmee het cohesiebeleid wordt uitgevoerd.

04 De eindevaluatie van KP6 (periode 2002-2006) en de tussentijdse evaluatie van KP7 (2007-2013) wezen beide op een terugkerend laag niveau van deelname van bepaalde lidstaten aan de KP’s. Deze geringe deelname beperkt de betrokkenheid van hun O&I-actoren bij samenwerkingsprojecten en gemeenschappen op EU- en internationaal niveau.

05 In de H2020-verordening werd in 2013 erkend dat er “[o]ndanks de recente neiging tot convergentie van de innovatieprestaties van individuele landen en regio's, (...) nog steeds duidelijke verschillen [bestaan] tussen de lidstaten”. Aangezien de toewijzing van financiering in het kader van de KP’s gebaseerd is op excellentie (d.w.z. dat alleen de beste voorstellen worden geselecteerd), hadden minder goed presterende lidstaten moeite om te concurreren met de sterkere. De Commissie heeft hiervoor in 2011 voor het eerst enkele oorzaken vastgesteld, zoals onvoldoende nationale O&I-investeringen en beperkte toegang tot bestaande netwerken. In de verordening werd daarom een specifiek onderdeel “excellentie verspreiden en deelname verbreden” (voor de periode 2014-2020) ingevoerd. Dit onderdeel was specifiek bestemd voor de landen die ondermaats presteren, nu de “verbredingslanden” genoemd. Het doel was om de ongelijke prestaties van de lidstaten op het gebied van O&I aan te pakken en excellentie te ontsluiten (d.w.z. bestaande geïsoleerde excellentiecentra activeren en verbinden met netwerken van topcentra) in landen die ondermaats presteren, waardoor de deelname aan Horizon 2020 wordt uitgebreid.

06 De verbredingsmaatregelen bestonden uit een reeks instrumenten om capaciteitsopbouw te ondersteunen, banden te creëren tussen toonaangevende onderzoeksinstellingen en ondermaats presterende landen en regio’s, en deskundige beleidsondersteuning te bieden (zie figuur 1).

Figuur 1 — Verbredingsmaatregelen in het kader van Horizon 2020

Bron: ERK.

07 In totaal was 935 miljoen EUR vastgelegd voor de verbredingsmaatregelen (1,2 % van alle H2020-vastleggingen). Het grootste deel ging naar teamvormingsprojecten (390 miljoen EUR, ofwel 41 %, zie figuur 2). De maatregelen worden voortgezet in het kader van Horizon Europa, maar omvatten nieuwe elementen en er is een aanzienlijk hoger bedrag van 2,95 miljard EUR (3 % van de begroting van Horizon Europa) aan toegewezen (zie bijlage I). Op basis van haar tussentijdse evaluatie van Horizon 2020 en de effectbeoordeling van Horizon Europa had de Commissie voorgesteld de begroting te verhogen tot 2,1 miljard EUR; dit bedrag werd vervolgens verder verhoogd door de medewetgevers in het kader van het wetgevingsproces.

Figuur 2 — Vastleggingen voor “excellentie verspreiden en deelname verbreden” in het kader van H2020 (in miljoen EUR)

Bron: ERK, op basis van gegevens van de Commissie.

08 In het kader van H2020 waren de verbredingsmaatregelen gericht op: de dertien lidstaten die sinds 2004 tot de EU zijn toegetreden (EU-13) plus Luxemburg en Portugal (zie figuur 3). Horizon Europa is gericht op dezelfde landen, alleen werd Luxemburg vervangen door Griekenland. De ultraperifere gebieden van Frankrijk en Spanje behoren nu ook tot de groep. In de verordening inzake Horizon Europa is bepaald dat dit gedurende de gehele looptijd van Horizon Europa zal gelden.

Figuur 3 — De lidstaten die zijn geselecteerd om te profiteren van de H2020-verbredingsmaatregelen

Bron: ERK.

Rollen en verantwoordelijkheden

09 Het directoraat-generaal Onderzoek en Innovatie (DG RTD) van de Commissie is het DG dat de hoofdverantwoordelijkheid draagt voor het EU-beleid inzake onderzoek, wetenschap en innovatie (met inbegrip van het ontwerp en het beheer van de KP’s). H2020 werd uitgevoerd door middel van meerjarige werkprogramma’s waarin de prioriteiten van de Commissie werden uiteengezet en die vervolgens werden vertaald in oproepen tot het indienen van projectvoorstellen.

10 Het Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek (Research Executive Agency, REA) beheert alle verbredingsmaatregelen (met name de selectie, uitvoering en monitoring van projecten), met uitzondering van de PSF, die wordt beheerd door DG RTD, en COST, dat wordt uitgevoerd door de vereniging voor Europese samenwerking inzake wetenschap en technologie (Cooperation in Science & Technology, COST).

11 Projecten die in het kader van de verbredingsmaatregelen worden gefinancierd, kunnen in aanmerking komen voor aanvullende financiering uit andere bronnen, zoals het EFRO. Het EFRO wordt uitgevoerd op basis van operationele programma’s die door de nationale/regionale autoriteiten zijn opgesteld en door de Commissie zijn goedgekeurd. De beheersautoriteiten voor de desbetreffende programma’s beoordelen en selecteren de projecten die in aanmerking komen voor aanvullende financiering en monitoren de uitvoering ervan door de begunstigden.

Reikwijdte en aanpak van de controle

12 Het doel van deze controle was om licht te werpen op het ontwerp van de verbredingsmaatregelen en de aandacht te vestigen op kwesties die de succesvolle uitvoering ervan in het gedrang kunnen brengen, met name omdat deze maatregelen zijn versterkt in het kader van Horizon Europa. Aangezien de verbredingsmaatregelen een nieuw onderdeel van H2020 waren en de meeste verbredingsprojecten nog lopen, was de controle niet gericht op de beoordeling van de impact van de maatregelen, aangezien deze naar verwachting pas vanaf het midden van de jaren twintig volledig zichtbaar zal zijn.

13 In onze eerdere speciale verslagen over H20201 werd reeds gewezen op de verschillende niveaus van deelname van de EU-lidstaten aan de KP’s. Wij hebben besloten deze controle uit te voeren om ons op de met KP8 ingevoerde verbredingsmaatregelen te kunnen richten en onze reeks controles van H2020 aan te vullen.

14 We hebben ons gericht op teamvorming en EOR-leerstoelen, de twee verbredingsmaatregelen waarmee langdurige effecten worden nagestreefd, en op de rol van de beleidsondersteuningsfaciliteit. Dit verslag bevat geen beoordeling van de synergieën tussen H2020 en de fondsen waarmee het cohesiebeleid wordt uitgevoerd; volgens de huidige planning wordt daar in een volgend verslag op ingegaan.

15 We stelden de vraag of de H2020-verbredingsmaatregelen geschikt waren om de O&I-kloof aan te pakken. Om deze vraag te beantwoorden, hebben wij beoordeeld of:

  • de verbredingsmaatregelen goed waren ontworpen;
  • de verbredingsmaatregelen qua uitvoering op koers lagen om de doelstellingen ervan te bereiken;
  • de Commissie beschikt over een doeltreffend systeem om de impact van de verbredingsmaatregelen te monitoren.

16 Wij onderzochten controle-informatie uit verschillende bronnen:

  • een controle aan de hand van relevante documenten;
  • vragenlijsten en vraaggesprekken met de Commissie, het REA, beheersautoriteiten en nationale contactpunten voor de verbredingsmaatregelen in Kroatië, Polen, Portugal, Roemenië en Slovenië;
  • een statistische analyse van H2020-gegevens en gegevens over O&I-investeringen door de lidstaten;
  • een grondige analyse van een op basis van vakkundige oordeelsvorming geselecteerde steekproef van vijf EOR-leerstoelprojecten en zes teamvormingsprojecten — waarvan vier waren gefinancierd in het kader van de eerste oproep (werkprogramma 2016-2017) en twee in het kader van de tweede oproep (2018-2020). De analyse van de projecten was gebaseerd op gegevens die tot medio 2021 waren verzameld. Zie bijlage II voor nadere bijzonderheden van onze methodologie;
  • een gedetailleerde analyse van de aanvullende financiering voor alle teamvormingsprojecten.

Opmerkingen

Hoewel het ontwerp van de verbredingsmaatregelen meestal adequaat was, kunnen zij niet meer dan een impuls geven aan de vooruitgang op het gebied van de O&I-prestaties

17 Het doel van de verbredingsmaatregelen was het aanpakken van de O&I-kloof en van de telkens geringe deelname aan de KP’s door excellentie te ontsluiten in landen die als zwak presterende landen worden aangemerkt (zie paragraaf 05).

18 De Commissie heeft structurele problemen (bijv. ondermaats bestuur en zwakke instellingen en/of versnippering van nationale O&I-ecosystemen en/of ontbrekende schakels tussen onderwijs en onderzoek) aangemerkt als een van de redenen waarom bepaalde lidstaten achterlopen qua innovatieprestaties. De EU beschikt over een reeks instrumenten om hervormingen te stimuleren, waaronder de PSF (zie paragraaf 06).

19 Wij beoordeelden of:

  • de verbredingsmaatregelen zo waren ontworpen dat de oorzaken van de achterstand op het gebied van onderzoek en innovatie werden aangepakt;
  • de verbredingsmaatregelen in overeenstemming waren met andere EU-maatregelen die hervormingen in de lidstaten stimuleren, en
  • de verbredingsmaatregelen waren gericht op de zwak presterende landen.

De oorzaken van een achterstand op het gebied van O&I werden grotendeels aangepakt door de maatregelen, maar er is nationale inzet nodig om de investeringen in O&I te verhogen

20 In verschillende onderzoekspapers2 zijn de oorzaken geanalyseerd van de achterstand van verbredingslanden op het gebied van O&I en hun beperkte deelname aan H2020. De vastgestelde oorzaken omvatten zaken zoals: ontoereikende O&I-ecosystemen (gefragmenteerd bestuur of beperkte investeringen), een zwakkere verbinding met internationale samenwerkingsnetwerken, tekorten aan menselijk kapitaal, braindrain, beperkte samenwerking tussen openbare en particuliere instanties die betrokken zijn bij innovatie en beperkte internationalisering van O&I-instellingen.

21 We hebben beoordeeld of de verbredingsmaatregelen specifiek op deze oorzaken waren gericht. Onze resultaten zijn weergegeven in tabel 1.

Tabel 1 — Oorzaken van de achterstand op het gebied van O&I die worden aangepakt door verbredingsmaatregelen

Oorzaken van zwakke O&I-prestaties Teamvorming EOR-leerstoelen Samenwerkings-verbanden COST PSF
1. Ecosysteem 1.1. Lage nationale O&I-investeringen          
  1.2. Beperkte particuliere O&I-investeringen          
  1.3. Structurele problemen die van invloed zijn op de nationale O&I-ecosystemen (bijv. fragmentatie van het bestuur op het gebied van O&I) X X     X
  2. Beperkte toegang tot internationale netwerken X X X X  
  3. Beperkte internationale zichtbaarheid van universiteiten en onderzoekscentra X X X X  
  4. Beperkte samenwerking tussen onderzoekscentra en het bedrijfsleven X        
  5. Salarisverschillen/ braindrain X X      
  6. Beperkte ervaring met eerdere KP’s X X X    
  7. Beperkte synergieën tussen de KP’s en de fondsen waarmee het cohesiebeleid wordt uitgevoerd X       X

Bron: ERK, op basis van de H2020-verordening en H2020-werkprogramma’s.

22 Alle andere oorzaken dan het niveau van de nationale (publieke en private) O&I-investeringen werden aangepakt met een of meer van de verbredingsmaatregelen. Niettemin waren de verbredingsmaatregelen niet toegespitst op innovatie en boden ze slechts beperkte steun aan het netwerk van nationale contactpunten, die begunstigden informatie en hulp verschaffen in verband met het KP. In ons Speciaal verslag nr. 28/2018 concludeerden we dat deze steun nodig was. Wij nemen er nota van dat de maatregelen in het kader van Horizon Europa nu dit soort steun omvatten, evenals steun om braindrain aan te pakken en excellentie in universiteiten en plaatsgebonden innovatie-ecosystemen te bevorderen (zie bijlage I).

23 In kader 1 wordt toegelicht hoe de oorzaken van de O&I-kloof worden aangepakt met de twee maatregelen waarop we onze analyse van de projectuitvoering hebben gericht (teamvorming en EOR-leerstoelen).

Kader 1

Toelichting inzake de manier waarop teamvorming en EOR-leerstoelen de oorzaken van de O&I-kloof aanpakken

Teamvorming

Bij teamvormingsprojecten (zie figuur 1) is een onderzoeksorganisatie (“O&I-kenniscentrum”) in een verbredingsland betrokken die optreedt als coördinator, en een of meer instellingen van gerenommeerde internationale excellentie die als projectpartners deelnemen. Hiermee moet de basis worden gelegd om tekortkomingen 2, 3 en 6 te verhelpen (zie tabel 1).

Van ondersteunde kenniscentra wordt verwacht dat zij zich verbinden tot een strategisch groeipad wat economische ontwikkeling betreft; daarom moeten zij in de bedrijfsplannen die zij samen met hun projectvoorstel indienen, vermelden hoe zij banden met het bedrijfsleven zullen creëren en onderzoeksresultaten zullen exploiteren (tekortkoming 4). Ook wordt verwacht dat zij zullen bijdragen aan een aanzienlijke verbetering van het nationale O&I-ecosysteem (tekortkoming 1.3).

Elk teamvormingsproject kan maximaal 15 miljoen EUR aan H2020-financiering ontvangen, voornamelijk ter dekking van de kosten van salarissen en overheadkosten (tekortkoming 5). Overheidsinstanties of particuliere entiteiten moeten het project ondersteunen met aanvullende financiering die ten minste gelijk is aan die welke in het kader van H2020 wordt verstrekt. Deze financiering kan worden verstrekt via operationele programma’s, waardoor synergieën tot stand worden gebracht tussen H2020 en de fondsen waarmee het cohesiebeleid wordt uitgevoerd (tekortkoming 7).

EOR-leerstoelen

In het kader van EOR-leerstoelprojecten (zie figuur 1) wordt H2020-financiering verstrekt zodat een onderzoeksorganisatie in een verbredingsland (de “gastorganisatie” van de leerstoel) een prominente onderzoeker (de “leerstoelhouder”) kan benoemen. De financiering dekt voornamelijk de salarissen van de leerstoelhouder en een door deze samengesteld team onderzoekers. Het doel is de aantrekkelijkheid van de gastorganisatie voor internationale onderzoekers te vergroten en tegelijkertijd de gastorganisatie te helpen structurele veranderingen door te voeren, excellentie op duurzame basis te bereiken en met meer succes competitieve financiering aan te vragen. Met EOR-leerstoelen worden aldus de tekortkomingen 1.3, 2, 3, 5 en 6 aangepakt.

24 Met de verbredingsmaatregelen in het kader van H2020 werd het niveau van de nationale (publieke en private) O&I-investeringen niet specifiek aangepakt. De omvang van de begroting voor de verbredingsmaatregelen (zie paragraaf 07) impliceert in feite dat deze maatregelen in de eerste plaats bedoeld waren als katalysator voor de O&I-prestaties in het algemeen en voor de deelname aan H2020 in het bijzonder.

25 Niettemin bestaan er andere EU-maatregelen die erop gericht zijn het investeringsniveau te verhogen, in het kader van zowel H2020 als andere EU-programma’s en via het proces van het Europees Semester, d.w.z. de jaarlijkse cyclus voor de coördinatie van het economisch en begrotingsbeleid binnen de EU (zie ook ons Speciaal verslag nr. 16/2020 over het Europees semester).

26 Bovendien zijn de lidstaten in de eerste plaats verantwoordelijk voor het niveau van de overheidsinvesteringen. De O&I-prestaties en de deelname aan H2020 hangen in hoge mate af van het niveau van de nationale (publieke en particuliere) investeringen in O&I en van de kracht van de nationale O&I-ecosystemen. Zie bijlage III voor meer informatie over deze correlatie.

27 In 2020 investeerde de EU 2,3 % van haar bbp in O&I. De O&I-investeringspercentages lopen sterk uiteen tussen de lidstaten (zie figuur 4), maar geen van de verbredingslanden investeerde evenveel als het EU-gemiddelde en slechts twee verbredingslanden (Slovenië en Tsjechië) hebben meer dan 2,0 % geïnvesteerd. Bovendien kwamen de meeste lidstaten, en met name de verbredingslanden, eind 2020 nog lang niet in de buurt van hun streefdoelen (zie paragraaf 02), die in de meeste gevallen onder het EU-gemiddelde lagen (zie figuur 4).

Figuur 4 — Nationale investeringen in O&I als percentage van het bbp eind 2020, afgezet tegen de streefdoelen van de Europa 2020-strategie

Bron: ERK, op basis van gegevens van Eurostat voor de werkelijke cijfers en de Europa 2020-strategie voor de streefdoelen.

Het vermogen van de beleidsondersteuningsfaciliteit om de noodzakelijke veranderingen in de nationale O&I-systemen teweeg te brengen was beperkt, aangezien het mede afhangt van de mate waarin de lidstaten zich committeren, maar het faciliteert andere EU-maatregelen die op hervormingen zijn gericht

28 Voor de periode 2014-2020 heeft de Commissie, als reactie op de erkende behoefte aan hervormingen in de lidstaten (zie paragraaf 18), nieuwe instrumenten vastgesteld om het hervormingsproces te stimuleren en de lidstaten te helpen de onderliggende problemen aan te pakken. Sommige van deze instrumenten werden ingevoerd op de gebieden onderzoek en cohesiebeleid. In het kader van H2020 betrof dit de bovengenoemde PSF (zie paragraaf 06).

29 We onderzochten of de PSF coherent was met andere steunmaatregelen van de EU en of de Commissie adequaat heeft gereageerd op de resultaten van haar evaluatie van de PSF in 2019.

30 De verschillende diensten die in het kader van de PSF worden aangeboden en het aantal gefinancierde projecten in verbredingslanden zijn weergegeven in kader 2. De totale begroting was relatief beperkt (slechts 5,7 miljoen EUR) en sommige projecten gingen te laat van start als gevolg van personeelstekorten bij de Commissie.

Kader 2

PSF-diensten en uitvoering van projecten (periode 2014-2020)

  • Collegiale toetsing van de nationale O&I-systemen: panels van deskundigen en collega-beleidsmedewerkers hebben diepgaande beoordelingen van de nationale O&I-systemen verricht en operationele aanbevelingen gedaan inzake de hervormingen die nodig zijn om deze te versterken. Er werden 8 projecten uitgevoerd (waarvan 5 in verbredingslanden).
  • Wederzijdse leerervaring: meerdere landen wisselden goede praktijken, geleerde lessen en succesfactoren uit. Er werden 12 projecten uitgevoerd (op 3 na alle verbredingslanden namen deel).
  • Specifieke ondersteuningsactiviteit: groepen deskundigen verstrekten advies op maat aan afzonderlijke landen en hielpen hen bij het ontwerpen of uitvoeren van specifieke hervormingen met betrekking tot O&I (zoals het ecosysteem voor startende ondernemingen, O&I-bestuur of banden tussen onderzoek en bedrijfsleven). Er werden 14 projecten uitgevoerd (waarvan 8 in verbredingslanden).

31 De lidstaten namen op vrijwillige basis deel aan de PSF-activiteiten. We stelden vast dat in de periode 2014-2020 vier verbredingslanden (Kroatië, Tsjechië, Luxemburg en Portugal) niet deelnamen aan de activiteiten die rechtstreeks gericht waren op hervormingen in de O&I-systemen (collegiale toetsing en specifieke ondersteuning).

32 Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel beslissen de deelnemende landen zelf of en hoe zij gevolg geven aan de aanbevelingen die in het kader van deze activiteiten worden gedaan. In de evaluatie van de Commissie van 2019 over de PSF werd geconcludeerd dat de Commissie onvoldoende nadruk legde op de follow-up en monitoring van de daadwerkelijke beleidswijzigingen. Daarom is het belangrijk ervoor te zorgen dat de inzichten inzake de noodzakelijke nationale hervormingen niet verloren gaan, maar in het kader van het Europees Semester zinvol worden benut. De werkzaamheden in het kader van het Europees Semester leiden ertoe dat de Raad jaarlijks landspecifieke aanbevelingen goedkeurt op basis van een voorstel van de Commissie.

33 We analyseerden de jaarlijkse landenbeoordelingen die de basis vormen voor de landspecifieke aanbevelingen en constateerden dat de Commissie pas vanaf 2019 expliciet verwees naar de bij de PSF-activiteiten verkregen inzichten3. Al die verwijzingen waren selectief, d.w.z. zij bevatten de belangrijkste punten die de PSF naar voren had gebracht.

34 Evenzo is de Commissie pas in 2019 systematischer landspecifieke aanbevelingen inzake O&I gaan doen aan de lidstaten. Uit onze analyse van de landspecifieke aanbevelingen van 2019 inzake O&I bleek dat deze algemeen van aard waren en eerder gericht waren op investeringen dan op hervormingen. Tussen 2015 en 2018 werden er aan sommige verbredingslanden geen landspecifieke aanbevelingen inzake O&I gericht (zie voor meer detailsbijlage IV). In ons Speciaal verslag nr. 16/2020 over het Europees Semester hebben we reeds geconcludeerd dat de Commissie onvoldoende aanbevelingen deed om onderzoek aan te pakken.

35 Dit gezegd zijnde, zijn het de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor de toestand van hun O&I-systemen, wat ook inhoudt dat zij de nodige maatregelen moeten nemen om de noodzakelijke hervormingen door te voeren. Uit de analyse door de Commissie van de uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen van 2019 is gebleken dat een jaar nadat de aanbeveling was gedaan, meer dan de helft van de verbredingslanden geen of beperkte vooruitgang had geboekt.

36 De uitvoering van de hervormingen is ook een belangrijk aspect van de herstel- en veerkrachtfaciliteit (Recovery and Resilience Facility, RRF). De RRF-verordening bepaalt dat de faciliteit moet bijdragen tot “de doeltreffende aanpak van alle of een significant deel van de uitdagingen die zijn vastgesteld in de relevante landspecifieke aanbevelingen”. De Commissie moet deze voorwaarde beoordelen alvorens een door elke lidstaat ingediend herstel- en veerkrachtplan goed te keuren. Ten tijde van de controle was het nog te vroeg om te beoordelen in hoeverre de uitvoering van de in het kader van de RRF geplande hervormingen in de praktijk succesvol zal zijn, d.w.z. de overgang van papieren verbintenissen (zoals de vaststelling van een rechtshandeling) naar echte vooruitgang.

37 Het toegenomen belang van hervormingen in het kader van de RRF en de beperkte vooruitgang die is geboekt bij de uitvoering van de landspecifieke aanbevelingen (zie paragraaf 32) wijzen op het belang van beleidsondersteuning door de Commissie.

38 Uit de evaluatie van 2019 van de PSF door de Commissie bleek dat de overgrote meerderheid van de belanghebbenden die aan een enquête hebben deelgenomen, zeer positief was over de voordelen van de regeling. Niettemin omvatte de evaluatie een aantal aanbevelingen met betrekking tot:

  1. de opwaardering van de rol van de PSF als motor voor hervormingen (bijvoorbeeld door deze ook te gebruiken om een meer systematische en uitgebreide dialoog tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en de Commissie aan te moedigen);
  2. de uitbreiding van de ontwerpspecificaties van de PSF (bijv. verlenging van de geldigheidsduur ervan en invoering van een kader voor follow-up om de uitvoering te ondersteunen en de impact te monitoren);
  3. de verbetering van de werking van de PSF (bijv. meer inspanningen op het gebied van verspreiding en communicatie om de zichtbaarheid te vergroten en ervoor te zorgen dat de resultaten een grotere impact hebben in de betrokken landen).

39 Drie jaar later heeft de Commissie deze aanbevelingen echter nog niet volledig uitgevoerd. De Commissie heeft ons laten weten dat zij, voortbouwend op bestaande ervaringen met geselecteerde lidstaten, voornemens is een diepgaande bilaterale dialoog over onderzoek en innovatie verder te ontwikkelen met de lidstaten die bereid zijn aan dit proces deel te nemen (punt a)) en dat er momenteel inspanningen worden geleverd om de verspreiding, de communicatie en de zichtbaarheid te verbeteren (punt c)).

40 De follow-up door de Commissie van de aanbevelingen voor de lidstaten die voortvloeien uit de PSF (punt b)) vindt op dit moment voornamelijk plaats via het Europees Semester en in de toekomst ook door middel van de monitoring van de herstel- en veerkrachtplannen (zie paragraaf 36). Ook is in reactie op dit punt van de evaluatie van 2019 in het kader van de PSF van Horizon Europa een nieuw element ingevoerd, “PSF Open”. Dit element houdt in dat lidstaten die al aan een PSF-activiteit hebben deelgenomen, steun kunnen ontvangen om de PSF-aanbevelingen uit te voeren. De PSF blijft echter een vraaggestuurde faciliteit. Wij waren niet in staat de geschiktheid van PSF Open te beoordelen, aangezien de praktische aspecten in verband met de uitvoering ervan nog niet zijn bepaald.

41 Het personeel van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek waarmee we hebben gesproken, benadrukte het belang van begeleidende maatregelen om de lidstaten te helpen bij de hervorming van hun O&I-systemen. Zij noemden de verlening van permanente steun, investeringsrichtsnoeren en advies over de meest geschikte instrumenten en acties, diensten die de PSF niet leverde in het kader van H2020.

Sommige van de landen waarop de verbredingsmaatregelen waren gericht, hadden er aanzienlijk minder profijt van dan andere

42 Voor H2020 werd het besluit over de landen waaraan de verbredingsmaatregelen ten goede zouden komen, genomen in het kader van de goedkeuring van de werkprogramma’s. De Commissie doet dit via de comitéprocedure, d.w.z. dat een comité van vertegenwoordigers van de lidstaten hierbij betrokken is. Voor Horizon Europa werden de verbredingslanden vastgesteld door de medewetgevers en in de verordening zelf genoemd.

43 Hoewel de selectie van begunstigde landen niet onder de rechtstreekse bevoegdheid van de Commissie viel, heeft zij analyses verstrekt om empirisch onderbouwde besluitvorming mogelijk te maken in overeenstemming met haar beginselen inzake betere regelgeving. Deze analyse was gebaseerd op een aantal indicatoren die waren gekozen om de oorzaken van zwakke prestaties te weerspiegelen.

44 Na een evaluatie van de voor H2020 gebruikte indicatoren heeft de Commissie haar analyse voor Horizon Europa gebaseerd op een andere reeks (zie bijlage V voor details over de indicatoren voor beide perioden). Deze analyse in de vorm van een non-paper aan de medewetgevers voor de selectie van de landen voor Horizon Europa bevatte geen informatie over:

  1. de deelname van een land aan eerdere KP’s. Deze indicator is relevant, aangezien de onmiddellijke doelstelling van de verbredingsmaatregelen het vergroten van de deelname is (zie artikel 7, lid 5, van de Horizon Europa-verordening);
  2. de positie van een land in transnationale en multidisciplinaire onderzoeksnetwerken. Dit is een relevante indicator, aangezien een centrale positie in de netwerken, en daarom een sterke connectiviteit, het niveau van deelname van een land aan het KP weerspiegelt. Het grootste deel van de begroting van de KP’s wordt besteed aan samenwerkingsprojecten op het gebied van O&I ter bevordering van onder meer de oprichting van transnationale en multidisciplinaire netwerken, die door de Commissie als een belangrijke toegevoegde waarde van de KP’s worden beschouwd.

45 Daarom hebben we deze twee indicatoren geanalyseerd. Wat de deelname aan H2020 betreft, vertonen alle verbredingslanden een lager participatieniveau in H2020 dan niet-verbredingslanden (zie figuur 5).

Figuur 5 — Vastgelegde H2020-financiering per land in absolute en relatieve waarden (aan het einde van het programma)

Bron: ERK, op basis van de H2020-databank.

46 Deze statistieken worden echter sterk beïnvloed door de grootte van elk land. Een ander, betekenisvoller beeld ontstaat wanneer rekening wordt gehouden met de omvang van de landen. We hebben de gegevens genormaliseerd naar populatie (vastgelegde financiering per hoofd van de bevolking) en naar aantal onderzoekers (in voltijdequivalenten). Om te voorkomen dat verstoringen in verband met verschillende salarisschalen over het hoofd worden gezien, hebben we deze ook genormaliseerd naar bbp (zie figuur 6).

Figuur 6 — H2020-financiering per land, genormaliseerd naar populatie (per hoofd van de bevolking), voltijdequivalenten onderzoekers en bbp (aan het einde van het programma)

Bron: ERK, op basis van Eurostat-gegevens en de H2020-databank.

47 Uit figuur 6 blijken belangrijke verschillen tussen de verbredingslanden. De meeste scoren laag. De sterkere verbredingslanden hebben echter een participatieniveau dat vergelijkbaar is met dat van de best presterende niet-verbredingslanden. Desondanks behielden alle H2020-verbredingslanden behalve Luxemburg deze status in het kader van Horizon Europa (zie de paragrafen 08).

48 Vergelijkbare verschillen zijn zichtbaar ten aanzien van de deelname van landen aan onderzoeksnetwerken (zie figuur 7). In het H2020 monitoring flash report (2018) van de Commissie werd opgemerkt dat meerdere EU-13-landen gedurende de periode voortdurend onderaan de ranglijst bungelden.

Figuur 7 — Netwerkindicator, genormaliseerd naar grootte van het land (aan het einde van het programma)

Bron: H2020-dashboard.

49 Binnen de groep verbredingslanden komen ook verschillen wat betreft de vastlegging van verbredingsmiddelen naar voren (zie figuur 8). Ongeveer de helft van de H2020-verbredingsfinanciering ging naar slechts 3 van de 15 landen. Deze variabele wordt echter sterk beïnvloed door de grootte van het land. Daarom komt een betekenisvoller beeld naar voren wanneer deze wordt genormaliseerd naar populatie (zie figuur 9). De verbredingslanden die minder verbonden zijn (zie paragraaf 47) hadden ook minder profijt van de verbredingsmaatregelen.

Figuur 8 — H2020-verbredingsfinanciering per land (aan het einde van het programma)

Bron: ERK, op basis van de H2020-databank.

Figuur 9 — H2020-verbredingsfinanciering per hoofd van de bevolking (aan het einde van het programma)

Bron: ERK, op basis van de H2020-databank.

50 Toen we inzoomden op de twee door ons geanalyseerde maatregelen (zie paragraaf 14), constateerden we het volgende:

  • Meer dan 60 % van de in het kader van H2020 gefinancierde teamvormingsprojecten wordt uitgevoerd door slechts vier verbredingslanden. Cyprus staat bovenaan met zes projecten (24 %). In vijf landen waren er geen teamvormingsprojecten (zie bijlage VI voor meer details).
  • Ongeveer 51 % van de EOR-leerstoelprojecten loopt in slechts twee verbredingslanden. In drie landen liepen geen EOR-leerstoelprojecten plaats en in vier was er slechts één (zie bijlage VI voor meer details).

51 Dezelfde redenen die de geringe deelname van landen in het verleden verklaren (zie de paragrafen 05, 20 en 21) verklaren de kloof binnen de groep van verbredingslanden. Hoewel ervaring met de KP’s en met de verbredingsmaatregelen in het bijzonder bedoeld is om de landen te helpen hun vermogen te verbeteren om competitieve projectvoorstellen voor te bereiden en samenwerkingsverbanden tot stand te brengen, zal dit effect pas in de komende jaren optreden (zie paragraaf 12).

De uitvoering van de verbredingsmaatregelen kende uitdagingen, maar levert de eerste resultaten op

52 We hebben aspecten vastgesteld die van belang zijn voor een vlotte uitvoering. Deze aspecten waren:

  • de tijdige komst van aanvullende financiering voor teamvormingsprojecten, aangezien deze gewoonlijk kosten voor infrastructuur en uitrusting dekt. Bovendien zijn ultramoderne infrastructuur en uitrusting zeer belangrijk voor het aantrekken van internationale onderzoekers;
  • de aanwerving van internationale onderzoekers om excellentie op het gebied van O&I naar het land te brengen;
  • de verwezenlijking van duurzaamheid. Om een blijvend effect te sorteren, moeten de teamvormende kenniscentra op lange termijn zelfvoorzienend worden en moeten zij dit streven aantonen in een bij hun projectvoorstel gevoegd bedrijfsplan. EOR-leerstoelprojecten moeten structurele veranderingen in de instelling van ontvangst teweegbrengen om duurzaam excellente prestaties op te leveren4.

53 We voerden vraaggesprekken met projectbegunstigden, beheersautoriteiten en nationale contactpunten en analyseerden ondersteunende documentatie (subsidieovereenkomsten en monitoringverslagen) om te beoordelen of deze aspecten met succes werden aangepakt in de door ons gecontroleerde projecten. Ten tijde van onze controle waren er geen afgeronde teamvormingsprojecten, maar waren wel vier EOR-leerstoelprojecten net beëindigd. Daarnaast beoordeelden we of de verbredingsmaatregelen begonnen bij te dragen aan het dichten van de innovatiekloof.

Aanvullende financiering kwam vaak met vertraging beschikbaar

54 Volgens de subsidieovereenkomsten bedroeg de waarde van de aanvullende financiering voor de 24 lopende teamvormingsprojecten 784 miljoen EUR, meer dan het dubbele van de H2020-toewijzing. Operationele EFRO-programma’s voorzagen in 44 % van alle aanvullende financiering. De resterende 56 % is afkomstig uit (publieke als particuliere) nationale middelen, bijdragen in natura, subsidies en inkomsten die door de kenniscentra worden gegenereerd.

55 Volgens ons onderzoek van stukken en onze gedetailleerde analyse van alle teamvormingsprojecten had 55 % van de begunstigden van de eerste oproep en ten minste 28 % van de tweede oproep vertraging opgelopen bij het verkrijgen van aanvullende financiering, met name uit operationele programma’s (EFRO plus nationale cofinanciering). De informatie over de uitbetaling van aanvullende financiering in het kader van de tweede oproep is beperkt, aangezien alle projecten minder dan anderhalf jaar liepen toen we de gegevens verzamelden.

56 Deze langdurige vertragingen — in één geval bijna twee jaar (zie kader 3) — en de omslachtige administratieve procedures voor het verkrijgen van aanvullende financiering (EFRO- en/of nationale middelen) behoorden tot de genoemde redenen voor de vertragingen bij de bouw of modernisering van gebouwen die bij vier van de zes projecten optraden. Een enquête onder begunstigden van de 24 teamvormingsprojecten die het REA ter ondersteuning van zijn beleidsimpactverslag van 2021 heeft uitgevoerd, leverde soortgelijke conclusies over vertragingen op. Bovendien bleek uit de enquête dat begin 2021 de gebouwen van 60 % van de begunstigden van de oproep van 2016 nog niet volledig waren gebouwd of gerenoveerd.

57 Naast de hierboven besproken vertragingen waren er bij vier van de zes teamvormingsprojecten in onze steekproef problemen met het beheer van de aanvullende financiering, voornamelijk vanwege de timing of regelgevingskwesties. Enkele voorbeelden van dergelijke problemen die we hebben vastgesteld door middel van verschillende analyses:

  • De EFRO-oproepen in verband met de verstrekking van aanvullende financiering werden wat de timing betreft niet gecoördineerd met de overeenkomstige oproepen inzake teamvorming. Deze kwestie was reeds aan de orde gesteld in een technisch verslag van 2018 van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek van de Commissie.
  • H2020-projecten kunnen lopen tot 2026 en kosten worden tot die datum aanvaard. Alleen kosten die tot eind 2023 zijn gemaakt, komen echter in aanmerking voor EFRO-financiering. Begunstigden klagen dat het moeilijk zal zijn om hun aanvullende EFRO-financiering binnen deze termijn te besteden. Dit is met name een punt van zorg voor projecten die worden gefinancierd in het kader van de tweede oproep inzake teamvorming (subsidieovereenkomsten ondertekend in 2019-2020) (zie kader 3). We constateerden dat er bij acht van de tien projecten die in het kader van de oproep van 2016 werden gefinancierd, al vertraging is opgelopen en om verlenging is verzocht. Wij stelden vast dat de COVID-19-pandemie ook gevolgen heeft gehad voor het tijdschema. Daarom zullen nog meer projecten die in het kader van de tweede oproep worden gefinancierd waarschijnlijk met hetzelfde probleem worden geconfronteerd, waardoor de uitvoering ervan in gevaar komt, met name wanneer er geen nationale middelen worden verstrekt om de verloren EFRO-financiering te compenseren.

Kader 3

Voorbeeld van moeilijkheden bij een teamvormingsproject met aanvullende financiering uit het EFRO

De begunstigde ondertekende de H2020-subsidieovereenkomst in oktober 2019. De overeenkomst omvatte een verbintenisbrief van een beheersautoriteit met de toezegging om EFRO-financiering te verstrekken. In februari 2020 heeft de beheersautoriteit een ad-hocoproep voor dit project gedaan, waarbij een groot aantal documenten werd gevraagd. Sindsdien heeft zij de termijn voor het indienen van de documenten driemaal verlengd en zes keer (voor het laatst in mei 2021) om aanvullende documenten verzocht om haar uitgebreide evaluatieproces af te ronden. Na een zwaar en langdurig evaluatieproces van de beheersautoriteit werd de EFRO-subsidieovereenkomst in juni 2021 ondertekend, bijna twee jaar na de H2020-subsidieovereenkomst.

De EFRO-oproep omvatte de mogelijkheid om 20 % van de subsidie te gebruiken voor de renovatie van gebouwen. De beheersautoriteit trok deze clausule in januari 2021 in omdat zij van mening was dat infrastructuurkosten niet konden worden gefinancierd in het kader van het operationeel programma. De voorgestelde oplossing was het verlagen van de subsidie en het doen van een nieuwe oproep in het kader van een andere maatregel ter dekking van de infrastructuurkosten. Eind juni 2021 moest de tweede oproep nog worden gedaan.

De kosten in verband met de EFRO-subsidie moeten eind september 2023 zijn gemaakt, hoewel er volgens het bij de subsidieovereenkomst gevoegde bedrijfsplan op werd gerekend dat de EFRO-financiering gedurende de gehele uitvoeringsperiode van het project (tot eind 2026) kon worden gebruikt. De begunstigde heeft verklaard dat het onwaarschijnlijk is dat de financiering in zo’n korte periode (van juni 2021 tot september 2023) zal worden geabsorbeerd.

58 EOR-leerstoelprojecten kunnen ook in aanmerking komen voor aanvullende EFRO-financiering. Twee van de vijf projecten in onze steekproef ontvingen dergelijke financiering, maar ook weer met aanzienlijke vertraging — in één geval vier jaar na de toekenning van de H2020-subsidie.

59 Het REA, dat verantwoordelijk is voor de selectie en de uitvoering van projecten, was niet in staat om i) een grondige beoordeling vooraf uit te voeren van aanvullende financiering die werd toegezegd voor teamvormingsprojecten, of ii) achteraf te monitoren of de financiering daadwerkelijk is uitbetaald. Dit beperkt het vermogen van het REA om zo nodig corrigerende maatregelen te nemen. Zoals het in zijn beleidsimpactverslag van 2021 heeft benadrukt:

  • wordt in het kader van teamvormingsprojecten niet altijd op uniforme en geharmoniseerde wijze verslag uitgebracht over aanvullende financiering, waardoor het moeilijk wordt om de ontvangen financiering te vergelijken met de in de projectvoorstellen vermelde toezeggingen, en
  • moet nauwlettender worden gemonitord of de aanvullende financiering daadwerkelijk wordt verstrekt.

60 We analyseerden de gegevens over aanvullende financiering in de subsidieovereenkomsten voor alle teamvormingsprojecten en stelden vast dat deze niet duidelijk of consistent werden gepresenteerd. In zijn beleidsimpactverslag kwam het REA tot vergelijkbare conclusies. Wij hebben met name het volgende geconstateerd:

  • 28 % van alle projectvoorstellen omvatte zowel al verkregen aanvullende financiering als nog niet verkregen financiering (competitieve subsidies, inkomsten uit onderzoeksprojecten, enz.), zonder onderscheid tussen beide.
  • 56 % van alle projectvoorstellen omvatte aanvullende financiering in de vorm van bijdragen in natura, maar er werd niet adequaat beschreven hoe bijdragen in natura werden geëvalueerd.
  • 36 % van de projecten omvatte aanvullende financiering die verstrekt werd voor een periode die zich uitstrekte tot na de zevenjarige looptijd van het teamvormingsproject. Projectvoorstellen bevatten niet altijd voldoende informatie om te berekenen welk deel van de verbintenis binnen de periode van zeven jaar viel. Bovendien is het voor het REA niet mogelijk om na te gaan of aanvullende financiering daadwerkelijk wordt uitbetaald na afloop van een project.

61 Wij merken op dat het REA en/of de Commissie de eerste maatregelen hebben genomen naar aanleiding van de conclusies in het beleidsimpactverslag 2021 van het REA. Zij hebben met name i) de informatie over aanvullende financiering die bij het projectvoorstel moet worden verstrekt gestandaardiseerd, alsmede ii) de verslaglegging over de voortgang van de aanvullende financiering (zodat de toegezegde bedragen kunnen worden vergeleken met de daadwerkelijk ontvangen bedragen); daarnaast kunnen bijdragen in natura niet langer als aanvullende financiering worden beschouwd.

62 Met betrekking tot de moeilijkheden bij de monitoring (zie paragraaf 59) constateerden we dat deze deels te wijten zijn aan het feit dat de verbintenisbrieven van nationale autoriteiten en andere contribuanten met de toezegging om aanvullende financiering te verstrekken soms vaag en niet afdwingbaar zijn. Enkele voorbeelden:

  • geen vermelding van het toegezegde bedrag;
  • gebruik van formuleringen als “wij zullen overwegen tot maximaal [...] EUR per jaar bij te dragen”;
  • een algemene verbintenis ten aanzien van alle concurrerende projecten uit een bepaald land, met het risico dat niet alle uiteindelijk geselecteerde projecten kunnen worden ondersteund.

De aanwerving van internationaal personeel was tijdrovend

63 Op basis van onze vraaggesprekken met projectbegunstigden en onze analyse van periodieke voortgangsverslagen over de projecten in onze steekproef (zie paragraaf 15) constateerden we dat het aanwerven van internationaal personeel moeilijk en tijdrovend is gebleken (zie tabel 2). In het beleidsimpactverslag van het REA van juni 2021 werden soortgelijke conclusies getrokken.

Tabel 2 — Aanwervingsproblemen bij de projecten in onze steekproef

  Teamvorming EOR-leerstoelen
   Percentage projecten Opmerking Percentage projecten Opmerking
Aanwerving 75 % Heeft ten minste één onderzoeker uit het buitenland aangeworven. 80 % Heeft een prominente internationale onderzoeker aangeworven als leerstoelhouder.
  50 % Problemen bij de aanwerving van internationaal personeel. 80 % Problemen bij de aanwerving van internationaal personeel.
Behoud -- -- 60 % De leerstoelhouder is tijdens de financieringsperiode veranderd.
      50 % Slaagde er niet in de leerstoelhouder na afloop van de EU-financiering te behouden.

Bron: ERK, eigen bewerking.

64 De redenen voor deze moeilijkheden zijn onder meer de noodzaak om te verhuizen en de vermeende geringe aantrekkelijkheid van een onderzoeksloopbaan in bepaalde verbredingslanden. Onaantrekkelijke salarissen kunnen ook een rol spelen, met name wanneer onderzoekscentra overheidsinstanties zijn, aangezien wettelijke beperkingen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden die zij hun personeel kunnen bieden, hun vermogen om internationale toponderzoekers aan te werven kan beperken. Het REA heeft bevestigd dat de in het kader van teamvorming ondersteunde kenniscentra vaak geneigd waren om nationale kandidaten aan te werven.

Het waarborgen van duurzaamheid blijft een uitdaging

65 Duurzaamheid houdt in dat men in het kader van projecten op zoek moet gaan naar verdere competitieve subsidies, maar ook dat inkomsten moeten worden gegenereerd door de exploitatie van de onderzoeksresultaten. Twee voorwaarden hiervoor zijn een goede zichtbaarheid van de onderzoekswerkzaamheden en banden met het bedrijfsleven om innovatie naar de markt te brengen. Het waarborgen van duurzaamheid blijft in de eerste plaats een taak van de projectbegunstigden en de nationale overheden. Niettemin kan de Commissie instrumenten aanreiken om de weg naar duurzaamheid te vergemakkelijken.

66 Uit onze analyse van de periodieke voortgangsverslagen over de meest vergevorderde projecten in onze steekproef (zie paragraaf 16) en de inkomsten die deze hebben gegenereerd, bleek dat de meeste projecten niet verzekerd zijn van duurzaamheid op de lange termijn. De belangrijkste problemen in dit verband zijn weergegeven in tabel 3.

Tabel 3 — Kwesties die van invloed zijn op de duurzaamheid van projecten op de lange termijn

Kwesties Teamvorming, aantal projecten EOR-leerstoelen, aantal projecten
Moeilijkheden bij de commerciële exploitatie van onderzoeksresultaten 50 % 50 %
Geen competitieve onderzoekssubsidies verkregen in aanvulling op financiering voor teamvorming/EOR-leerstoelen 25 % 50 %
Geen verbindingen met het bedrijfsleven tot stand gebracht 50 % 50 %
Perceptie door de begunstigden van lage zichtbaarheid in de onderzoekswereld van de EU 100 % 75 %

Bron: ERK.

67 We analyseerden de subsidieovereenkomsten in onze steekproef van teamvormingsprojecten en stelden vast dat 75 % ervan prestatie-indicatoren inzake commercialisering omvatte. Op het moment van de controle kwam geen daarvan echter in de buurt van het streefdoel. Bovendien heeft 50 % van de projecten tot dusver geen inkomsten gegenereerd.

68 De resultaten van onze analyse van kwesties die van invloed zijn op de duurzaamheid van teamvormingsprojecten komen overeen met die van het REA:

  • In de enquête die aan het verslag van 2021 ten grondslag lag, verklaarde 80 % van de respondenten van de eerste oproep inzake teamvorming dat zij in staat waren geweest om subsidies aan te trekken, en gaf 50 % aan andere soorten inkomsten te genereren. Het is echter onduidelijk of de beschikbare inkomstenbronnen zullen volstaan om de financiële duurzaamheid van de kenniscentra te waarborgen. Bovendien verklaarde 40 % van de respondenten dat zij nog niet in staat waren om andere inkomsten te genereren dan competitieve onderzoeksfinanciering.
  • Volgens een andere analyse van het REA in oktober 2020 hadden slechts drie van de tien lopende teamvormingsprojecten van de oproep van 2016 banden met het bedrijfsleven gecreëerd.

69 Wat teamvormingsprojecten betreft, voorzag het besluit van de Raad tot uitvoering van H2020 met het oog op een betere commercialisering in de mogelijkheid van “koppelingen met innovatieclusters en de erkenning van excellentie in lidstaten en regio's met een achterstand op het gebied van OOI, onder meer door collegiale toetsing en de toekenning van excellentielabels aan instellingen die aan internationale normen voldoen”. De Commissie heeft echter geen praktijken inzake collegiale toetsing vastgelegd en slechts in beperkte mate excellentielabels vastgesteld.

70 Wij merken op dat de Commissie in het kader van het verbredingsonderdeel van Horizon Europa een nieuwe maatregel heeft ingevoerd om “excellentieknooppunten” te ondersteunen. Het is onder meer de bedoeling hechtere banden tussen wetenschap en bedrijfsleven tot stand te brengen. Er is echter geen garantie dat de huidige teamvormingsprojecten profijt zullen hebben van dit initiatief: zo zijn deze excellentieknooppunten op bepaalde onderwerpen gericht en vissen teamvormingsprojecten die op andere onderwerpen gericht zijn, wellicht achter het net. Bovendien biedt het initiatief geen oplossing voor het gebrek aan bewustzijn en kennis van de begunstigden van de wijze waarop zij hun onderzoeksresultaten het best kunnen benutten.

71 In het kader van H2020 en Horizon Europa zijn er nog andere initiatieven beschikbaar voor alle lidstaten die banden willen creëren tussen de onderzoeksgemeenschap en het bedrijfsleven, zoals kennis- en innovatiegemeenschappen. De Commissie heeft het tot stand brengen van verbindingen tussen projecten en innovatiegemeenschappen echter niet actief bevorderd.

72 Om onderzoeksresultaten te verspreiden en de exploitatie ervan te bevorderen, onderhoudt de Commissie een specifieke databank, de Informatiedienst voor communautair onderzoek en ontwikkeling (Community Research and Development Information Service, CORDIS). Deze biedt informatie over alle door de EU gesteunde onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten, met inbegrip van projectresultaten en publicaties, die de begunstigden van projecten in CORDIS moeten registreren. We stelden echter vast dat de informatie in CORDIS verouderd en slechts gedeeltelijk betrouwbaar is (met name met betrekking tot EOR-leerstoelprojecten).

Uit de eerste bewijsstukken blijkt dat er concrete resultaten zijn

73 In aanmerking nemend dat een van de doelstellingen van de verbredingsmaatregelen (zie paragraaf 05) was om de deelname van de verbredingslanden aan H2020 uit te breiden, en rekening houdend met het feit dat de maatregelen naar verwachting pas op middellange en lange termijn impact zullen hebben (zie paragraaf 12), hebben we gekeken naar vroege trends op het gebied van hun deelname. Wij beoordeelden ook of de eerste concrete resultaten van de projecten zich aftekenden.

74 Ten opzichte van KP7 steeg het aandeel van de financiering dat door verbredingslanden werd verkregen in het kader van H2020 (+ 1,7 procentpunt en een stijging van + 31 % in relatieve zin) (zie tabel 4). Alle verbredingslanden behalve Kroatië en Hongarije hebben hun deelname uitgebreid, zowel in procentpunten als in relatieve zin (zie bijlage VI voor gedetailleerde informatie per lidstaat).

Tabel 4 — Aandeel van de vastgelegde financiering van KP7 en H2020 per groep landen (aan het einde van beide programma’s)

  Vastgelegde KP7-middelen (a) Vastgelegde H2020-middelen (b) Verschil
(b-a)
Verschil (in %)
(b-a)/a
EU-verbredingslanden 5,5 % 7,2 % + 1,7 + 31
Niet-verbredingslanden van de EU 68,4 % 71,5 % + 3,1 + 4,5
Verenigd Koninkrijk 15,5 % 11,5 % - 4,0 - 25,8
Niet-EU-landen (andere dan het Verenigd Koninkrijk) 10,6 % 9,7 % - 0,9 - 8,0

Bron:ERK, op basis van de KP7- en de H2020-databank.

75 Na aftrek van de vastleggingen voor verbreding is de stijging in de financiering voor verbredingslanden minder uitgesproken, namelijk 1,1 % in procentpunten en 20 % in relatieve zin. De landen met een grotere deelname aan verbredingsmaatregelen (zie figuur 9) behoorden ook tot de landen met de grootste toename qua deelname tussen KP7 en H2020 wat betreft financiering (zie tabel 10 in bijlage VI) en wat betreft netwerkvorming (zie figuur 7).

76 We constateerden dat de projecten in onze steekproef al een aantal positieve niet-tastbare en tastbare resultaten hadden opgeleverd. Bij teamvormingsprojecten ging het onder meer om de volgende resultaten:

  • Volgens begunstigden en beheersautoriteiten hebben projecten veel politieke belangstelling gewekt bij nationale en regionale autoriteiten, zowel voor individuele projecten als, meer in het algemeen, voor O&I in verbredingslanden.
  • De projecten vormden een bron van werkgelegenheid voor onderzoekers en innovatoren (drie van de vier nieuwe door ons geanalyseerde centra van de eerste oproep hebben elk tot 70 onderzoeksbanen gecreëerd).
  • Er verschijnt al enige output, voornamelijk in de vorm van wetenschappelijke publicaties (vier projecten van de eerste oproep, maar het is nog te vroeg voor die van de tweede oproep).
  • Met de projecten werd meer dan het vereiste bedrag aan aanvullende financiering opgehaald (zie paragraaf 11).

77 Enkele vroege positieve uitkomsten van EOR-leerstoelprojecten zijn de volgende:

  • Begunstigden en beheersautoriteiten maken melding van internationale erkenning voor leerstoelhouders en gastinstellingen.
  • Bij 80 % van de in de steekproef opgenomen projecten was sprake van toegenomen netwerkvorming.
  • 60 % van de projecten in de steekproef heeft structurele veranderingen in de gastinstelling teweeggebracht.

78 Kader 4 bevat twee voorbeelden van projecten met veelbelovende en concrete resultaten.

Kader 4

Voorbeelden van positieve resultaten

Teamvormingsproject: eerste veelbelovende resultaten

Het project ging in 2017 van start en had een looptijd van vijf jaar. Na vier jaar had het nieuw opgerichte kenniscentrum al 68 personeelsleden uit 17 landen in dienst. De meer geavanceerde partners verleenden steun bij het leggen van contacten en het aanwerven van internationale onderzoekers.

In de eerste vier jaar heeft het centrum financiering verkregen voor 47 onderzoeksprojecten (waaronder 8 H2020-projecten), een aanzienlijk aantal wetenschappelijke publicaties geproduceerd, banden gesmeed met het bedrijfsleven en één octrooiaanvraag ingediend.

EOR-leerstoelproject: positieve resultaten

Het project ging in juli 2015 van start en had een looptijd van zes jaar. De leerstoelhouder boekte concrete resultaten en is nu, na afloop van het project, nog steeds werkzaam bij de gastinstelling. Het project vormde met name een stimulans voor de gastinstelling om i) het Europese Handvest voor Onderzoekers en de Gedragscode voor de Rekrutering van Onderzoekers te onderschrijven; ii) haar internationale netwerkvorming te verbeteren; iii) het aantal collegiaal getoetste publicaties op het onderzoeksgebied van de EOR-leerstoel met 20 % te verhogen, en iv) een bureau voor technologieoverdracht op te richten, dat heeft bijgedragen tot een toename van de samenwerking met het bedrijfsleven en de exploitatie van onderzoeksresultaten (nieuwe uitvindingen, octrooien, bedrijfslicenties en spin-offs).

Daarnaast heeft het team competitieve subsidies in de wacht gesleept, waaronder internationale subsidies. Ook heeft het een zeer actieve rol gespeeld in het COVID-19-onderzoek.

De Commissie heeft onvoldoende regelingen getroffen om de impact van de verbredingsmaatregelen te monitoren

79 Op grond van het Financieel Reglement van de EU moet de Commissie doelstellingen voor haar programma’s vaststellen en de verwezenlijking ervan monitoren aan de hand van prestatie-indicatoren. Wij beoordeelden of de regelingen voor monitoring van de verbredingsmaatregelen passend waren.

80 In ons Jaarverslag 2015 hebben we al gewezen op tekortkomingen in de opzet van H2020, met name wat betreft prestatie-indicatoren, en op al te algemene doelstellingen op te hoog niveau.

81 Slechts een van de indicatoren die voor H2020 waren vastgesteld, was specifiek voor het onderdeel “verbreding” (maar beperkt tot activiteiten op het gebied van EOR-leerstoelen en samenwerkingsverbanden): “ontwikkeling [in procenten] (ten opzichte van een referentieperiode van [3 jaar] vóór de ondertekening van de subsidieovereenkomst) van de publicaties in invloedrijke tijdschriften op het betrokken onderzoeksgebied van de gefinancierde onderzoeksorganisatie”.

82 Sinds 2016 wordt in verschillende documenten die voor de Commissie of het REA zijn opgesteld, gewezen op het belang van de invoering van gegevensverzameling voor specifieke en meetbare kernprestatie-indicatoren (KPI’s)5, met name voor teamvormingsprojecten. Het REA heeft bijvoorbeeld KPI’s voorgesteld om “structurele veranderingen” in een organisatie te meten, of indicatoren voor de informatie in projectvoorstellen, zoals het aantal octrooien, licentieovereenkomsten, ingehuurde onderzoekers en nieuwe, gefinancierde onderzoeksprojecten.

83 Naar aanleiding van deze suggesties bevatte het werkprogramma 2018-2020 inzake “verbreding” van de Commissie de volgende gegevens die relevant zijn voor monitoring:

  • in het kader van teamvorming moest de potentiële impact van nieuwe/verbeterde kenniscentra worden versterkt door middel van meetbare KPI’s, en moeten verbeteringen in het O&I-ecosysteem op middellange tot lange termijn ook worden aangetoond aan de hand van indicatoren (bijv. onderzoeksintensiteit);
  • in het kader van EOR-leerstoelen bevatte het werkprogramma voorbeelden van indicatoren voor het meten van de toename van excellentie op het gebied van onderzoek (bijv. publicaties in collegiaal getoetste tijdschriften, samenwerkingsovereenkomsten met het bedrijfsleven, intellectuele eigendom, nieuwe innovatieve producten en diensten).

84 De Commissie heeft echter geen gedetailleerde KPI’s voor de teamvormingsmaatregel vastgesteld en in de indicatoren voor EOR-leerstoelmaatregelen ontbraken uitgangswaarden en streefdoelen. In plaats daarvan moesten voor elk project indicatoren worden vastgesteld en gespecificeerd in de subsidieovereenkomst. Het ontbreken van gemeenschappelijke indicatoren maakt het moeilijk conclusies te trekken over de impact.

85 De begunstigden van projecten moeten regelmatig verslag uitbrengen over de voortgang. Daarnaast voert het REA regelmatig onderzoeken uit om de werkelijke vooruitgang te beoordelen, met name voor teamvormingsprojecten. Door middel van deze onderzoeken is het erin geslaagd de belangrijkste problemen vast te stellen die van invloed zijn op projecten (zie paragraaf 56).

86 Verbredingsprojecten zouden op de middellange tot lange termijn impact moeten hebben in gastlanden. Daartoe bevatten subsidieovereenkomsten ook een “verspreidings- en exploitatieplan” dat de begunstigden na afloop van de EU-financieringsperiode moeten uitvoeren. De Commissie heeft echter niet voorzien in follow-up of monitoring van projecten na afloop van de financieringsperiode.

Conclusies en aanbevelingen

87 Onze algemene conclusie luidt dat de in het kader van Horizon 2020 ingevoerde verbredingsmaatregelen geschikt waren voor het beoogde doel, aangezien zij veel van de oorzaken van de geringe deelname van bepaalde lidstaten aan de kaderprogramma’s aanpakten. Door de verschillen in de O&I-ecosystemen van de verbredingslanden konden zij er echter niet allemaal in dezelfde mate van profiteren. De volledige impact van de maatregelen zal naar verwachting pas de komende jaren ten volle zichtbaar worden. Hoewel deze maatregelen, samen met andere EU-maatregelen die hervormingen stimuleren, de vooruitgang op het gebied van O&I in de ontvangende landen een impuls kunnen geven, is het voor echte duurzame verandering nodig dat de nationale overheden hun rol ten volle vervullen bij het prioriteren van O&I, zowel wat investeringen als hervormingen betreft.

88 Met de maatregelen voor de verbreding van Horizon 2020 werden veel van de kwesties aangepakt waarvan was vastgesteld dat zij van invloed waren op de O&I-prestaties. Niettemin fungeren zij voornamelijk als katalysator voor vooruitgang, aangezien het nationale niveau van investeringen in O&I alsmede hervormingen, en dus strategische nationale beslissingen, een beslissende rol spelen in de prestaties van een land (zie de paragrafen 20-27).

89 De beleidsondersteuningsfaciliteit maakt deel uit van een pakket instrumenten dat de EU heeft ingevoerd om hervormingen in de lidstaten te stimuleren, waarvan de meest recente de herstel- en veerkrachtfaciliteit is. De Commissie heeft de met behulp van de beleidsondersteuningsfaciliteit verkregen inzichten, met name vanaf 2019, gebruikt als selectieve input voor haar werkzaamheden in het kader van het Europees Semester. De beleidsondersteuningsfaciliteit kende echter slechts beperkte mogelijkheden om de noodzakelijke veranderingen in de nationale systemen teweeg te brengen, aangezien i) de voor de beleidsondersteuningsfaciliteit beschikbare middelen beperkt waren, ii) niet alle verbredingslanden om steun van de beleidsondersteuningsfaciliteit hadden verzocht en iii) de lidstaten vrij konden beslissen in welke mate zij de in het kader van de beleidsondersteuningsfaciliteit vastgestelde hervormingen zouden doorvoeren (zie de paragrafen 28-37).

90 De Commissie heeft de aanbevelingen van haar eigen evaluatie van de beleidsondersteuningsfaciliteit van 2019 nog niet volledig uitgevoerd en verklaarde dat zij voornemens is i) de dialoog over nationale strategieën verder te ontwikkelen, zowel tussen haarzelf en de lidstaten die bereid zijn aan dat proces deel te nemen als tussen de lidstaten onderling, en ii) meer inspanningen te leveren op het gebied van verspreiding en communicatie. In het kader van een nieuw element van de vraaggestuurde beleidsondersteuningsfaciliteit, “PSF Open” (periode 2021-2027), kunnen de lidstaten om steun verzoeken bij het doorvoeren van hervormingen in hun O&I-systemen, maar de Commissie moet alle praktische aspecten nog bepalen (zie de paragrafen 38-41).

Aanbeveling 1 — Versterk de gebruikmaking van de beleidsondersteuningsfaciliteit

Om doeltreffend gebruik te maken van de instrumenten die haar ter beschikking staan om de veranderingen in de nationale O&I-systemen teweeg te brengen die nodig zijn om vooruitgang te boeken in verbredingslanden, moet de Commissie:

  1. concreet uitvoering geven aan haar voornemens met betrekking tot i) betere verspreiding en communicatie van resultaten van de beleidsondersteuningsfaciliteit en ii) verbetering van de dialoog (bijv. beslissen over het doel, de instrumenten, het tijdschema en de regelmaat van de dialoog), waarvan de uitkomsten ook moeten worden meegenomen in de werkzaamheden van de Commissie in het kader van het Europees Semester en in haar monitoring van de mijlpalen die zijn vastgelegd in de herstel- en veerkrachtplannen;
  2. “PSF Open” zodanig ontwerpen dat de nationale autoriteiten hiermee voortdurend ondersteund kunnen worden bij de uitvoering van hervormingen, of deze nu worden doorgevoerd naar aanleiding van aanbevelingen die zijn gedaan in het kader van activiteiten van de beleidsondersteuningsfaciliteit, of dat daarom is verzocht in het kader van het Europees Semester, of deze zijn toegezegd in het kader van de herstel- en veerkrachtplannen.

Streefdatum voor uitvoering: eind 2022 voor a) en medio 2023 voor b).

91 We constateerden dat de meeste verbredingslanden laag scoorden wat betreft deelname aan Horizon 2020 (ontvangen bedrag per hoofd van de bevolking) en wat betreft connectiviteit met partners in de hele EU. Niettemin waren de participatie- en connectiviteitsniveaus van enkele landen vergelijkbaar met die van de best presterende niet-verbredingslanden (zie de paragrafen 45-51).

92 De medewetgevers hebben besloten welke landen in aanmerking zouden komen voor de verbredingsmaatregelen van Horizon Europa. Het besluit kan niet halverwege de looptijd worden herzien. De Commissie heeft ondersteunende analyses verstrekt van enkele indicatoren die werden geselecteerd als vervangende indicatoren voor de oorzaken van zwakke prestaties. In de analyse werd niet gekeken naar i) de mate van deelname van een land aan eerdere kaderprogramma’s en ii) de mate van connectiviteit met partners in de hele EU (zie de paragrafen 42-44).

Aanbeveling 2 — Streef naar een evenwichtiger deelname van verbredingslanden aan verbredingsmaatregelen

Om situaties te vermijden waarin het leeuwendeel van de verbredingsprojecten in slechts enkele landen loopt, moet de Commissie nauwlettend de mate van deelname aan de verbredingsmaatregelen in het kader van Horizon Europa monitoren en, indien blijkt dat er sprake is van aanhoudende aanzienlijke onevenwichtigheden, maatregelen invoeren om een breder participatiepatroon te bereiken.

Streefdatum voor de uitvoering: tijdens de uitvoering van de verbredingsmaatregelen.

93 Begunstigden van teamvormings- en EOR-leerstoelprojecten hebben een aantal problemen ondervonden die tot vertragingen hebben geleid en/of de projectresultaten negatief kunnen beïnvloeden (zie de paragrafen 52 en 53). Deze hielden met name verband met:

  • vertragingen bij de ontvangst van financiering ter aanvulling van Horizon 2020-subsidies, waarvan het grootste deel, met name voor teamvormingsprojecten, afkomstig is van het EFRO. Hoewel teamvormingsprojecten tot 2026 kunnen lopen, moeten de door EFRO-subsidies te dekken kosten bovendien tegen eind 2023 zijn gemaakt, waardoor sommige begunstigden moeite kunnen hebben om de middelen te absorberen (zie de paragrafen 54-62);
  • het aanwerven van internationale onderzoekers (zie de paragrafen 63 en 64). Het bleek tijdrovend, maar uiteindelijk lukte het in een meerderheid van de projecten;
  • het waarborgen van de duurzaamheid van projecten op lange termijn, bijvoorbeeld door de nadruk te leggen op zichtbaarheid en het tot stand brengen van verbindingen met het bedrijfsleven om de exploitatie van onderzoeksresultaten te bevorderen (zie de paragrafen 65-72).

94 Aanvullende financiering is van cruciaal belang, met name voor de financiering van infrastructuur en uitrusting in de in het kader van teamvorming ondersteunde kenniscentra. Het REA was echter niet in staat deze financiering naar behoren te evalueren en te monitoren, voornamelijk door een gebrek aan geharmoniseerde gegevens of, in sommige gevallen, doordat de door de financiers gedane toezeggingen vaag waren (zie de paragrafen 59-62).

Aanbeveling 3 — Bevorder de tijdige beschikbaarheid van aanvullende financiering

Om het risico te beperken dat bij projecten moeilijkheden worden ondervonden met aanvullende financiering uit operationele programma’s van het EFRO, moet de Commissie beheersautoriteiten aanmoedigen om een vereenvoudigde procedure voor de goedkeuring van subsidies te volgen, bijvoorbeeld door ten volle rekening te houden met de evaluatie die is verricht in het kader van Horizon Europa-financiering.

Streefdatum voor de uitvoering: eind 2022.

95 Het is de bedoeling dat teamvormings- en EOR-leerstoelprojecten langdurige gevolgen hebben. In de geanalyseerde projecten bestond echter een beperkte capaciteit om de onderzoeksresultaten ervan te exploiteren. Hoewel het waarborgen van de duurzaamheid de primaire verantwoordelijkheid blijft van de begunstigden en de nationale overheden, biedt de Commissie in dit verband ook steun. Deze steun neemt de vorm aan van initiatieven (in het kader van Horizon 2020 en Horizon Europa) die gericht zijn op het tot stand brengen van verbindingen tussen onderzoek en bedrijfsleven. Er is echter geen garantie dat deze de huidige teamvormings- en EOR-leerstoelprojecten ten goede zullen komen (zie de paragrafen 65-71).

96 De CORDIS-databank, die de resultaten van door de verschillende kaderprogramma’s ondersteunde projecten bevat, wordt niet doeltreffend gebruikt om de zichtbaarheid te bevorderen en de exploitatie van onderzoeksresultaten van teamvormings- en EOR-leerstoelprojecten te vergemakkelijken, aangezien deze niet systematisch wordt geactualiseerd (zie paragraaf 72).

Aanbeveling 4 — Vergroot de capaciteit van projectbegunstigden om hun onderzoeksresultaten te exploiteren

Om de duurzaamheidsperspectieven van projecten te verbeteren, moet de Commissie:

  1. steun (zoals opleiding en coaching) bieden aan verbredingsprojecten, met name teamvormingsprojecten, zodat in het kader daarvan beter kan worden gezorgd voor de valorisatie van de onderzoeksresultaten;
  2. contacten tussen begunstigden van projecten en potentiële industriële partners bevorderen, met name via bestaande EU-initiatieven die gericht zijn op het creëren van banden tussen onderzoek en bedrijfsleven (zoals kennis- en innovatiegemeenschappen);
  3. de zichtbaarheid van projecten verder ondersteunen door begunstigden aan te moedigen om regelmatig actualiseringen te verstrekken van de projectresultaten en deze openbaar beschikbaar te stellen op de EU-platforms die voor dat doel zijn opgericht.

Streefdatum voor de uitvoering: eind 2023.

97 Ten tijde van de controle was het nog te vroeg om te beoordelen of de verbredingsmaatregelen de verwachte impuls hebben gegeven aan de prestaties van de verbredingslanden, aangezien eventuele effecten pas tijdens de uitvoering van Horizon Europa zichtbaar zullen worden. Het is dan ook niet verrassend dat er aan het einde van de Horizon 2020-periode slechts sprake was van een geleidelijke stijging van de participatiegraad van de verbredingslanden ten opzichte van het zevende kaderprogramma (met name als de impact van voor verbreding geoormerkte financiering buiten beschouwing wordt gelaten) (zie de paragrafen 73-75).

98 Maar zelfs in dit vroege stadium, en ondanks de hierboven beschreven problemen bij de uitvoering, troffen we een aantal eerste positieve outputs van teamvormings- en EOR-leerstoelprojecten aan. Met name in het kader van teamvormingsprojecten zijn aanzienlijke bedragen aan aanvullende financiering aangetrokken, is er begonnen met de publicatie van wetenschappelijke resultaten en is er werkgelegenheid voor onderzoekers gecreëerd; de meeste EOR-leerstoelprojecten hebben bijgedragen tot structurele veranderingen in de gastinstellingen (zie de paragrafen 76-78).

99 De monitoring van het succes van de doelstelling “excellentie verspreiden en deelname verbreden”, alsook van afzonderlijke maatregelen (zoals teamvorming en EOR-leerstoelen) wordt belemmerd door een gebrek aan prestatie-indicatoren of, indien deze wel bestaan (EOR-leerstoelen), door het ontbreken van uitgangs- en streefwaarden. Bovendien is de Commissie niet voornemens individuele projecten na afsluiting te monitoren, hoewel i) een van de belangrijkste doelstellingen de continuïteit van de acties is en ii) veel resultaten en effecten pas dan zichtbaar zullen worden (zie de paragrafen 79-86).

Aanbeveling 5 — Versterk de monitoring van de verbredingsmaatregelen

Om de verbredingsmaatregelen en de impact daarvan doeltreffend te monitoren, moet de Commissie:

  1. specifieke doelstellingen vaststellen en deze omzetten in passende KPI’s op het niveau van de maatregelen;
  2. follow-up geven aan teamvormingsprojecten, ook na afsluiting, om conclusies te kunnen trekken over de impact ervan op middellange tot lange termijn.

Streefdatum voor de uitvoering: eind 2024 voor a) en twee jaar na de afsluiting van de projecten voor b).

Dit verslag werd door kamer IV onder leiding van de heer Mihails Kozlovs, lid van de Rekenkamer, te Luxemburg vastgesteld op 3 mei 2022.

 

Voor de Rekenkamer

Klaus-Heiner Lehne
President

Bijlagen

Bijlage I — Verbredingsmaatregelen in het kader van Horizon Europa

De begroting voor de verbredingsmaatregelen in het kader van Horizon Europa bedraagt 2,95 miljard EUR (3 % van de begroting van Horizon Europa). De regeling is uitgebreid en omvat nu vier aanvullende maatregelen:

  • Het excellentie-initiatief voor universiteiten is gericht op de transformatie van het hoger onderwijs en de bijbehorende ecosystemen, met inbegrip van niet-universitaire onderzoekscentra.
  • Excellentieknooppunten zijn gericht op het bevorderen van innovatie-ecosystemen in verbredingslanden en daarbuiten, door betere banden tot stand te brengen tussen de academische wereld, het bedrijfsleven en de overheid, in overeenstemming met regionale of nationale strategieën voor slimme specialisatie.
  • Braincirculation, bestaande uit een reeks verschillende subsidies die erop gericht zijn de aantrekkelijkheid van entiteiten in verbredingslanden voor onderzoekers te vergroten door competitieve subsidies te verstrekken en aantrekkelijke werk- en werkgelegenheidspraktijken te verspreiden.
  • Aansluitmogelijkheid, bestaande uit subsidies die worden verstrekt aan entiteiten uit op het gebied van O&I zwak presterende landen die zich aansluiten bij reeds geselecteerde samenwerkingsacties op het gebied van O&I.

Tabel 5 toont de begrotingstoewijzing voor deze verschillende maatregelen in het kader van Horizon Europa.

Tabel 5 — Verbredingsmaatregelen in het kader van Horizon Europa

Maatregel/instrument Beschikbare middelen (in miljoen EUR) Aandeel van de verbredingsbegroting
Teamvorming 743,6 26 %
Samenwerkingsverbanden 486,2 17 %
EOR-leerstoelen 343,2 12 %
COST 400,4 14 %
Excellentie-initiatief voor universiteiten 286,0 10 %
Excellentieknooppunten (innovatie-ecosystemen) 257,4 9 %
Braincirculation 143,0 5 %
Steunpakket (incl. “PSF Open”) 57,2 2 %
Aansluitmogelijkheid 143,0 5 %

Bron: ERK, op basis van door de Europese Commissie verstrekte informatie.

Bijlage II — Methodologie

Onze controle was gebaseerd op de volgende controle-informatie:

  1. onderzoek aan de hand van openbare stukken en interne documenten van de Commissie zoals wetteksten, richtsnoeren, effectbeoordelingen, mededelingen over evaluatie- en monitoringverslagen;
  2. vragenlijsten en videoconferenties om feiten te checken met beheersautoriteiten en nationale contactpunten voor verbredingsmaatregelen uit vijf lidstaten (Kroatië, Polen, Portugal, Roemenië en Slovenië) die zijn geselecteerd op basis van hun prestaties op het gebied van O&I, hun algemene deelname aan het KP en aan de verbredingsmaatregelen in het bijzonder;
  3. een statistische analyse van gegevens uit een reeks bronnen: CORDA, Business Objects, innovatiescorebord, Eurostat en CORDIS;
  4. een gedetailleerde analyse van een op basis van vakkundige oordeelsvorming geselecteerde steekproef van teamvormings- en EOR-leerstoelprojecten, met name onder projecten in een vergevorderd stadium van uitvoering (zie tabel 6). De gedetailleerde analyse bestond uit i) een beoordeling van projectgerelateerde documenten (voorstellen, subsidieovereenkomsten, monitoringverslagen, ...) en ii) vragenlijsten en videoconferenties om de feiten te checken met begunstigden;
  5. een gedetailleerde analyse van de aanvullende financiering voor alle teamvormingsprojecten.

Tabel 6 — Steekproef van teamvormings- en EOR-leerstoelprojecten

Oproep Aantal gefinancierde projecten Steekproef Dekking
Teamvorming 2016-2017 10(1) 4 40 %
Teamvorming 2018-2019 14 2 14 %
Teamvorming totaal 24 6 25 %
EOR-leerstoelen 59 5 8 %

NB: (1) Aanvankelijk ontvingen elf projecten een teamvormingssubsidie, maar één project werd stopgezet in 2020 (vóór het einde van de uitvoering ervan).

Bron: ERK.

Bijlage III — Verband tussen de investeringen in O&I en de prestaties op het gebied van O&I

We stelden een positieve correlatie vast tussen:

  • het niveau van de nationale investeringen in O&I per hoofd van de bevolking en de prestaties, zoals gemeten aan de hand van de samenvattende innovatie-index van het Europees innovatiescorebord. Hoe hoger de nationale investeringen in O&I per hoofd van de bevolking in de periode 2014-2020 waren, hoe hoger de rangschikking op het scorebord van 2021 (zie figuur 10);
  • het niveau van de nationale investeringen in O&I per hoofd van de bevolking (gedurende de periode 2014-2020) en het niveau van deelname aan H2020 (zie figuur 11).

Figuur 10 — Correlatie tussen de nationale investeringen in O&I per hoofd van de bevolking (2014-2020) en het Europees innovatiescorebord 2021

Bron: ERK, op basis van gegevens van Eurostat en het Europees innovatiescorebord van 2021.

Figuur 11 illustreert de correlatie tussen de nationale investeringen in O&I per hoofd van de bevolking (2014-2020) en de deelname aan H2020. De determinatiecoëfficiënt (R2), waarmee het deel van de variatie in de ene variabele wordt verklaard dat voorspelbaar is op basis van de andere variabele, is 0,45. Zonder Cyprus (een uitschieter in de gegevens) stijgt R2 echter tot 0,65. De meeste verbredingslanden bevinden zich in de linkerbenedenhoek, wat aangeeft dat zowel de nationale investeringen in O&I als de H2020-financiering per hoofd van de bevolking laag zijn. Alle verbredingslanden met uitzondering van Tsjechië en Luxemburg bevinden zich onder de trendlijn.

Figuur 11 — Correlatie tussen de nationale investeringen in O&I per hoofd van de bevolking (2014-2020) en de deelname aan H2020 (aan het einde van het programma vastgelegde middelen)

Bron: ERK, op basis van Eurostat-gegevens en de H2020-databank.

Bijlage IV — Landspecifieke aanbevelingen inzake O&I

In de periode 2014-2020 werden de volgende landspecifieke aanbevelingen inzake O&I gedaan aan verbredingslanden:

  • 2014: aan 10 van de 15 verbredingslanden werd een aanbeveling gedaan, voornamelijk om verbindingen tot stand te brengen tussen het O&I- en het industriebeleid.
  • 2015-2018: elk jaar werden aanbevelingen gedaan aan twee tot vijf landen. Vijf landen kregen geen aanbevelingen (Bulgarije, Kroatië, Hongarije, Slovenië, Roemenië).
  • 2019: op één na alle verbredingslanden kregen de aanbeveling om het investeringsgerelateerd economisch beleid te richten op O&I.
  • 2020: aan 10 van de 15 landen werd een aanbeveling gedaan om zich voornamelijk te richten op investeringen in O&I.

Bijlage V — Indicatoren die worden gebruikt in de analyse die de Commissie aan de medewetgevers heeft verstrekt voor de selectie van verbredingslanden

  1. H2020:

    Een lidstaat moest een score van minder dan 70 % behalen van de gemiddelde samengestelde EU-27-indicator voor onderzoeksexcellentie, die bestaat uit vier variabelen:

    • aandeel van de meest geciteerde publicaties waarbij ten minste één van de auteurs geaffilieerd is met het land;
    • aantal toonaangevende wetenschappelijke universiteiten en openbare onderzoeksorganisaties in het land;
    • octrooiaanvragen;
    • totale waarde van de ontvangen subsidies van de Europese Onderzoeksraad.
  2. Horizon Europa:

    • het bruto nationaal inkomen bedraagt minder dan 90 % van het EU-gemiddelde;
    • voor elk land, het percentage wetenschappelijke publicaties van zijn onderzoekers die tot de top 10 % van meest geciteerde publicaties behoren (d.w.z. geciteerd worden in andere onderzoekspapers), en
    • het aantal octrooiaanvragen per miljoen inwoners ligt onder het EU-gemiddelde.

Bijlage VI — Statistieken

Tabel 7 en tabel 8 geven een overzicht van de deelname van de verbredingslanden aan de twee geanalyseerde maatregelen. Hieruit blijkt hoeveel van de ingediende projectvoorstellen aan het eind van de competitieve selectieprocedure voor financiering zijn geselecteerd. De belangrijkste factor die van invloed is op het succespercentage van een land wordt gevormd door de algemene prestaties van het land op het gebied van O&I. Andere factoren omvatten bijvoorbeeld: ervaring die is opgedaan door eerdere deelname, de gezamenlijke inspanningen van nationale actoren om het succes wat betreft deelname te verbeteren en bestaande netwerkverbindingen. Dit is in overeenstemming met de opmerkingen in ons Speciaal verslag nr. 02/2020 (paragraaf 43) over het kmo-instrument.

Tabel 7 — Ingediende en gefinancierde teamvormingsvoorstellen per land (aan het einde van het programma)

Land Ingediende voorstellen (a) Gefinancierde projecten (b) Succespercentage (b/a) Aandeel van alle gefinancierde projecten
Cyprus 41 6 15 % 24 %
Portugal 21 3(2) 14 % 12 %
Tsjechië 28 3 11 % 12 %
Polen 32 3 9 % 12 %
Letland 14 2 14 % 8 %
Hongarije 17 2 12 % 8 %
Bulgarije 28 2 7 % 8 %
Estland 11 1 9 % 4 %
Slowakije 18 1 6 % 4 %
Slovenië 20 1 5 % 4 %
Servië(1) 30 1 3 % 4 %
Litouwen 9 - 0 % -
Roemenië 44 - 0 % -
Kroatië 16 - 0 % -
Malta 9 - 0 % -
Luxemburg 2 - 0 % -

NB:

(1) De met H2020 geassocieerde landen kunnen ook deelnemen aan de verbredingsmaatregelen.

(2) Inclusief een project dat werd stopgezet in 2020 (d.w.z. vóór het einde van de uitvoering ervan).

Bron: ERK, op basis van de H2020-databank.

Tabel 8 — Ingediende en gefinancierde EOR-leerstoelvoorstellen per land (aan het einde van het programma)

Land Ingediende voorstellen (a) Gefinancierde projecten (b) Succespercentage (b/a) Aandeel van alle gefinancierde projecten
Portugal 61 16 26 % 27 %
Estland 43 14 33 % 24 %
Polen 46 6 13 % 10 %
Cyprus 27 5 19 % 8 %
Tsjechië 23 4 17 % 7 %
Slovenië 39 3 8 % 5 %
Turkije(1) 7 2 29 % 3 %
Roemenië 12 2 17 % 3 %
Kroatië 14 2 14 % 3 %
Luxemburg 5 1 20 % 2 %
Bulgarije 15 1 7 % 2 %
Litouwen 15 1 7 % 2 %
Servië(1) 18 1 6 % 2 %
Slowakije 16 1 6 % 2 %
Letland 20 - 0 % -
Malta 6 - 0 % -
Hongarije 6 - 0 % -

NB: (1) De met H2020 geassocieerde landen kunnen ook deelnemen aan de verbredingsmaatregelen.

Bron: ERK, op basis van de H2020-databank.

Tabel 9 — Verdeling over de landen van de vastleggingen van de H2020-verbredingsmiddelen (aan het einde van het programma)

Lidstaat/groep landen Vastleggingen (in miljoen EUR) (exclusief COST)
Portugal 102,3
Cyprus 88,2
Polen 59,4
Estland 52,9
Tsjechië 50,1
Bulgarije 30,1
Letland 28,3
Slovenië 26,0
Hongarije 24,8
Slowakije 18,0
Roemenië 10,2
Kroatië 9,9
Litouwen 5,3
Luxemburg 4,7
Malta 4,1
   
Niet-verbredingslanden 157,5
Niet-EU (incl. Verenigd Koninkrijk) 82,3

Bron: ERK, op basis van het Horizon 2020-dashboard.

Tabel 10 — Vergelijking tussen de vastleggingen per land in het kader van KP7 en H2020 (aan het einde van beide programma’s)

Lidstaat/ groep landen KP7 (miljard EUR) H2020 (miljard EUR) Aandeel van KP7
a)
Aandeel van H2020
b)
Verschil
(b-a)
Verschil (in %)
(b-a)/a
Duitsland 7,13 9,97 15,70 % 14,74 % -0,96 -6,1 
Frankrijk 5,21 7,34 11,48 % 10,86 % -0,62 -5,4
Spanje 3,30 6,34 7,27 % 9,37 % 2,10 28,9
Italië 3,63 5,62 8,00 % 8,31 % 0,31 3,9
Nederland 3,42 5,33 7,52 % 7,88 % 0,36 4,8
België 1,84 3,39 4,05 % 5,01 % 0,96 23,7
Zweden 1,75 2,29 3,85 % 3,39 % -0,46 -11,9
Oostenrijk 1,19 1,92 2,62 % 2,84 % 0,22 8,4
Denemarken 1,08 1,76 2,38 % 2,60 % 0,22 9,2
Griekenland 1,02 1,70 2,25 % 2,51 % 0,26 11,6
Finland 0,87 1,52 1,93 % 2,25 % 0,32 16,6
Ierland 0,63 1,19 1,38 % 1,77 % 0,39 28,3
Portugal 0,53 1,15 1,16 % 1,70 % 0,54 46,6
Polen 0,44 0,74 0,97 % 1,10 % 0,13 13,4
Tsjechië 0,29 0,50 0,63 % 0,74 % 0,11 17,5
Slovenië 0,17 0,38 0,38 % 0,56 % 0,18 47,4
Hongarije 0,29 0,37 0,64 % 0,55 % -0,09 -14,1
Cyprus 0,09 0,32 0,21 % 0,47 % 0,26 123,8
Roemenië 0,15 0,30 0,34 % 0,44 % 0,10 29,4
Estland 0,10 0,27 0,21 % 0,41 % 0,20 95,2
Luxemburg 0,06 0,20 0,13 % 0,29 % 0,16 123,1
Bulgarije 0,10 0,16 0,22 % 0,24 % 0,02 9,1
Slowakije 0,08 0,14 0,17 % 0,21 % 0,04 23,5
Kroatië 0,09 0,14 0,20 % 0,20 % 0,00 0,0
Letland 0,05 0,12 0,11 % 0,17 % 0,06 54,5
Litouwen 0,05 0,10 0,11 % 0,14 % 0,03 27,3
Malta 0,02 0,04 0,05 % 0,06 % 0,01 20,0
Niet-EU-landen (Verenigd Koninkrijk) 7,03 7,75 15,48 % 11,46 % -4,02 -26,0
Niet-EU-landen (overige) 4,80 6,58 10,56 % 9,72 -0,84 -8,0
TOTAAL 45,41 67,62        

Bron: ERK, op basis van het Horizon 2020-dashboard.

Acroniemen en afkortingen

Bbp: bruto binnenlands product

CORDIS: Informatiedienst voor communautair onderzoek en ontwikkeling (Community Research and Development Information Service)

COST: Europese samenwerking op het gebied van wetenschap en technologie (European Cooperation in Science & Technology)

DG RTD: directoraat-generaal Onderzoek en Innovatie van de Commissie

EFRO: Europees Fonds voor regionale ontwikkeling

H2020: Horizon 2020

KP: kaderprogramma

KPI: kernprestatie-indicator

O&I: onderzoek en innovatie

PSF: beleidsondersteuningsfaciliteit (Policy Support Facility)

REA: Europees Uitvoerend Agentschap onderzoek (European Research Executive Agency)

RRF: herstel- en veerkrachtfaciliteit (Recovery and Resilience Facility)

Woordenlijst

Beheersautoriteit: de nationale, regionale of lokale overheids- (of particuliere) instantie die door een lidstaat is aangewezen voor het beheer van een door de EU gefinancierd programma.

Bijdragen in natura: middelen, niet in geld, die door derden kosteloos ter beschikking van de begunstigde worden gesteld.

Comitéprocedure: een comitéprocedure wordt toegepast wanneer in een wetgevingshandeling uitvoeringsbevoegdheden zijn toegekend aan de Commissie. In dit kader wordt de Commissie bijgestaan door een comité bestaande uit vertegenwoordigers van alle EU-landen. Het comité brengt formeel advies uit, meestal in de vorm van een stemming, over de door de Commissie voorgestelde maatregelen. Afhankelijk van de procedure is het advies van het comité in meer of mindere mate bindend voor de Commissie.

Europa 2020-strategie: de tienjarenstrategie van de EU die in 2010 is gestart om groei te bevorderen en werkgelegenheid te scheppen

Europees Fonds voor regionale ontwikkeling: een EU-fonds dat de economische en sociale cohesie in de EU versterkt door de financiering van investeringen die ongelijkheden tussen regio’s verkleinen.

Europees Semester: jaarlijkse cyclus die een kader biedt voor de coördinatie van het economisch beleid van de EU-lidstaten en voor de monitoring van de vooruitgang.

Financieringsinstrument: financiële steun uit de EU-begroting in de vorm van investeringen in eigen vermogen of quasi-eigen vermogen, leningen, garanties of andere risicodelende instrumenten.

Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek: de dienst van de Commissie op het gebied van wetenschap en kennis, die wetenschappelijk advies en ondersteuning biedt ten behoeve van EU-beleid.

Herstel- en veerkrachtfaciliteit: het mechanisme voor financiële steun van de EU om de economische en sociale gevolgen van de COVID-19-pandemie te temperen en het herstel op middellange termijn te stimuleren, en tegelijkertijd de groene en digitale transformatie te bevorderen.

Landspecifieke aanbevelingen: jaarlijkse richtsnoeren die de Commissie in het kader van het Europees Semester aan individuele lidstaten verstrekt over hun macro-economisch, budgettair en structureel beleid.

Nationaal contactpunt: een entiteit die is opgericht en wordt gefinancierd door de regering van een EU-lidstaat of een ander geassocieerd land om aanvragers en begunstigden in het kader van Horizon 2020 of Horizon Europa steun en begeleiding in het land te bieden.

Operationeel programma: het basiskader voor de uitvoering van door de EU gefinancierde cohesieprojecten in een bepaalde periode dat de prioriteiten en doelstellingen weergeeft die zijn vastgelegd in partnerschapsovereenkomsten tussen de Commissie en de afzonderlijke lidstaten.

Plaatsgebonden innovatie: deze innovatie wordt bevorderd door de nauwe interactie tussen actoren op het gebied van innovatie zoals bedrijven, onderzoeksentiteiten en lokale en regionale overheden in een nauw territoriaal verband waarin geografische nabijheid kennisdeling en samenwerking bevordert.

Subsidiariteit: beginsel dat de EU enkel actie onderneemt wanneer dit doeltreffender is dan optreden op nationaal, regionaal of lokaal niveau.

Toewijzing van financiering op basis van excellentie: toewijzing op basis van vergelijkende oproepen tot het indienen van voorstellen en door middel van onafhankelijke, op verdiensten gebaseerde collegiale toetsing, waarbij alleen de beste projecten worden geselecteerd zonder rekening te houden met geografische spreiding.

Vastlegging: een in de begroting gereserveerd bedrag om een specifieke uitgavenpost te financieren, zoals een contract of subsidieovereenkomst.

Controleteam

In de speciale verslagen van de ERK worden de resultaten van haar controles van EU-beleid en -programma’s of beheersthema’s met betrekking tot specifieke begrotingsterreinen uiteengezet. Bij haar selectie en opzet van deze controletaken zorgt de ERK ervoor dat deze een maximale impact hebben door rekening te houden met de risico’s voor de doelmatigheid of de naleving, de omvang van de betrokken inkomsten of uitgaven, de verwachte ontwikkelingen en de politieke en publieke belangstelling.

Deze doelmatigheidscontrole werd uitgevoerd door controlekamer IV “Marktregulering en concurrerende economie”, die onder leiding staat van ERK-lid Mihails Kozlovs. De controle werd geleid door ERK-lid Ivana Maletić, ondersteund door Sandra Diering, kabinetschef en Tea Japunčić, kabinetsattaché; Marion Colonerus, hoofdmanager; Juan Antonio Vazquez Rivera, taakleider; Marco Montorio en Katja Mravlak, auditors. Thomas Everett verleende taalkundige ondersteuning.

 

Van links naar rechts: Marco Montorio, Tea Japunčić, Juan Antonio Vazquez Rivera, Ivana Maletić, Sandra Diering, Katja Mravlak.

Voetnoten

1 Speciaal verslag nr. 02/2020, paragraaf 41, en Speciaal verslag nr. 04/2016, paragraaf 86.

2 Final report of the MIRRIS project, juni 2016; “MLE on National Practices in Widening Participation and Strengthening Synergies: Summary Report”, Europese Commissie, 2018; “Overcoming innovation gaps in EU-13 Member States”, onderzoeksdienst van het Europees Parlement, maart 2018; “Mobilising European Structural and Investment Funds and Horizon 2020 in support of innovation in less developed regions”, Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek, november 2018.

3 “Research and Innovation analysis in the European Semester 2020 Country Reports”, Europese Commissie, mei 2020.

4 Het doel (om duurzaam excellente prestaties te leveren) was opgenomen in het H2020 Work Programme on Spreading Excellence and Widening Participation.

5 Eindverslag,H2020 Advisory Group on Spreading Excellence and Widening Participation, juni 2016; Brainstorming on Future Widening Actions in Horizon Europe: Contribution from REA B5, oktober 2019; Policy Impact Report on Teaming, REA, juni 2021.

Contact

EUROPESE REKENKAMER
12, rue Alcide De Gasperi
L-1615 Luxemburg
LUXEMBURG

Tel. +352 4398-1
Inlichtingen: eca.europa.eu/nl/Pages/ContactForm.aspx
Website: eca.europa.eu
Twitter: @EUAuditors

Meer gegevens over de Europese Unie vindt u op internet via de Europaserver (https://europa.eu).

Luxemburg: Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2022

PDF ISBN 978-92-847-8314-4 ISSN 1977-575X doi:10.2865/875366 QJ-AB-22-015-NL-N
HTML ISBN 978-92-847-8298-7 ISSN 1977-575X doi:10.2865/76233 QJ-AB-22-015-NL-Q

AUTEURSRECHT

© Europese Unie, 2022

Het beleid van de Europese Rekenkamer (ERK) inzake hergebruik is uiteengezet in Besluit nr. 6-2019 van de ERK over het opendatabeleid en het hergebruik van documenten.

Tenzij anders aangegeven (bijv. in afzonderlijke auteursrechtelijke mededelingen), wordt voor inhoud van de ERK die eigendom is van de EU een licentie verleend in het kader van de Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0)-licentie. Als algemene regel geldt derhalve dat hergebruik is toegestaan mits de bron correct wordt vermeld en eventuele wijzigingen worden aangegeven. De hergebruiker van ERK-inhoud mag de oorspronkelijke betekenis of boodschap niet wijzigen. De ERK is niet aansprakelijk voor mogelijke gevolgen van hergebruik.

Aanvullende toestemming moet worden verkregen indien specifieke inhoud personen herkenbaar in beeld brengt, bijvoorbeeld op foto’s van personeelsleden van de ERK, of werken van derden bevat.

Indien dergelijke toestemming wordt verkregen, wordt de bovengenoemde algemene toestemming opgeheven en zullen beperkingen van het gebruik daarin duidelijk worden aangegeven.

Wilt u inhoud gebruiken of reproduceren die geen eigendom van de EU is, dan dient u de auteursrechthebbende mogelijk rechtstreeks om toestemming te vragen:

Iconen figuur 1: © Freepik Company S.L. Alle rechten voorbehouden.

Software of documenten waarop industriële-eigendomsrechten rusten, zoals octrooien, handelsmerken, geregistreerde ontwerpen, logo’s en namen, zijn uitgesloten van het beleid van de ERK inzake hergebruik.

De groep institutionele websites van de Europese Unie met de domeinnaam “europa.eu” bevat links naar sites van derden. Aangezien de ERK geen controle heeft over deze sites, wordt u aangeraden kennis te nemen van hun privacy- en auteursrechtbeleid.

Gebruik van het ERK-logo

Het logo van de ERK mag niet worden gebruikt zonder voorafgaande toestemming van de ERK.

Hoe neemt u contact op met de EU?

Kom langs
Er zijn honderden Europe Direct-informatiecentra overal in de Europese Unie. U vindt het adres van het dichtstbijzijnde informatiecentrum op: https://europa.eu/european-union/contact_nl

Bel of mail
Europe Direct is een dienst die uw vragen over de Europese Unie beantwoordt. U kunt met deze dienst contact opnemen door:

  • te bellen naar het gratis nummer: 00 800 6 7 8 9 10 11 (bepaalde telecomaanbieders kunnen wel kosten in rekening brengen),
  • te bellen naar het gewone nummer: +32 22999696, of
  • een e-mail te sturen via: https://europa.eu/european-union/contact_nl

Waar vindt u informatie over de EU?

Online
Informatie over de Europese Unie in alle officiële talen van de EU is beschikbaar op de Europa-website op: https://europa.eu/european-union/index_nl

EU-publicaties
U kunt publicaties van de EU downloaden of bestellen op: https://op.europa.eu/nl/publications (sommige zijn gratis, andere niet). Als u meerdere exemplaren van gratis publicaties wenst, neem dan contact op met Europe Direct of uw plaatselijke informatiecentrum (zie https://europa.eu/european-union/contact_nl).

EU-wetgeving en aanverwante documenten
Toegang tot juridische informatie van de EU, waaronder alle EU-wetgeving sinds 1951 in alle officiële talen, krijgt u op EUR-Lex op: https://eur-lex.europa.eu

Open data van de EU
Het opendataportaal van de EU (https://data.europa.eu/nl) biedt toegang tot datasets uit de EU. Deze gegevens kunnen gratis worden gedownload en hergebruikt, zowel voor commerciële als voor niet-commerciële doeleinden.