Resultaatgerichte financiering in het cohesiebeleid: nastrevenswaardige ambities, maar nog steeds belemmeringen in de periode 2014-2020
Over het verslag:
Wij beoordeelden het gebruik van instrumenten voor resultaatgerichte financiering in het kader van het cohesiebeleid in de periode 2014-2020. We hebben gekeken naar het vereiste om te voldoen aan specifieke ex-antevoorwaarden, de verplichte prestatiereserve en resultaatgerichte financieringsmodellen. Onze controle bevestigde dat alle drie de instrumenten tot een nieuwe uitvoeringsaanpak hebben geleid. Zij maakten echter geen merkbaar verschil in de wijze waarop EU-financiering werd toegewezen en uitbetaald. Wij bevelen aan dat de Commissie optimaal gebruikmaakt van de randvoorwaarden in de periode 2021-2027, in een vroeg stadium voorbereidingen treft voor een doeltreffende tussentijdse evaluatie in 2025, de regels verduidelijkt die ten grondslag liggen aan het model “financiering die niet gekoppeld is aan kosten” en de aanpak verduidelijkt die wordt gevolgd bij het bieden van zekerheid inzake EU-financiering door middel van dit model.
Speciaal verslag van de ERK, uitgebracht krachtens artikel 287, lid 4, tweede alinea, VWEU.
Samenvatting
I Om de beleidsdoelstellingen van de EU te verwezenlijken en zo ook de economische, sociale en territoriale cohesie van de Unie te versterken, is het boeken van resultaten essentieel. Het resultaatgerichter maken van het cohesiebeleid is een gedeelde doelstelling van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.
II De verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen voor de periode 2014‑2020 voorzag in een expliciet “prestatiekader” voor operationele programma’s van de lidstaten, met inbegrip van mijlpalen en streefdoelen die met investeringen uit de Europese structuur- en investeringsfondsen moeten worden bereikt. Bovendien boden drie instrumenten de lidstaten financiële stimulansen voor het behalen van resultaten en het optimaliseren van hun gebruik van financiering:
- het vereiste om te voldoen aan specifieke voorwaarden (“ex-antevoorwaarden”) om vanaf de aanvang van de programma’s een investeringsvriendelijk klimaat tot stand te brengen. Deze waren er ook op gericht te waarborgen dat de noodzakelijke voorwaarden voor het doeltreffend en doelmatig gebruik van de Europese structuur- en investeringsfondsen aanwezig waren zodat uitgaven van de lidstaten uit de EU-begroting konden worden vergoed;
- een verplichte prestatiereserve van ongeveer 20 miljard EUR (of 6 % van de uitgaven voor cohesie), die kon worden vrijgegeven voor succesvolle prioritaire assen, of moest worden herschikt naar andere prioritaire assen van hetzelfde programma of naar andere programma's in dezelfde lidstaat, en
- resultaatgerichte financieringsmodellen die de financiële steun van de EU rechtstreeks koppelen aan vooraf bepaalde output of resultaten.
III Bij onze controle werd het gebruik van deze instrumenten in de periode 2014‑2020 beoordeeld. We hebben met name onderzocht of:
- deze instrumenten goed waren ontworpen om prestaties te stimuleren en de nadruk te verleggen naar het behalen van resultaten;
- de Commissie en de lidstaten doeltreffend gebruikmaakten van deze instrumenten, en
- het gebruik van deze instrumenten een verschil maakte voor de wijze waarop cohesiefinanciering werd toegewezen en uitbetaald.
IV Alle drie de instrumenten hadden het potentieel om prestaties te stimuleren en de nadruk te verleggen naar het behalen van resultaten. Bovendien zijn de instrumenten complementair in die zin dat ze van toepassing zijn in verschillende stadia en op verschillende aspecten van de programma-uitvoering, maar koppelen alle instrumenten cohesiefinanciering aan prestaties en resultaten.
V De Commissie en de lidstaten zijn er slechts gedeeltelijk in geslaagd de drie instrumenten te gebruiken voor het resultaatgerichter maken van de financiering in het kader van het cohesiebeleid. Onze beoordeling is positiever wat betreft de ex-antevoorwaarden dan wat betreft de prestatiereserve en het minst positief ten aanzien van resultaatgerichte financieringsmodellen (met uitzondering van vereenvoudigde kostenopties, die al vóór 2014 bestonden).
VI De lidstaten voldeden aan de meeste, maar niet aan alle ex-antevoorwaarden voordat de programma’s van start gingen. Actieplannen inzake niet-vervulde ex-antevoorwaarden werden overeengekomen en grotendeels voltooid, maar in sommige gevallen gebeurde dit pas laat in de periode. De beoordeling door de Commissie van de ex-antevoorwaarden was eerder opgezet als eenmalige exercitie dan om te monitoren of gedurende de gehele periode aan de voorwaarden werd voldaan. De “randvoorwaarden” (die de EAV's opvolgden voor de periode 2021‑2027) moeten gedurende de gehele periode worden vervuld. De monitoring- en rapportageregelingen voor de randvoorwaarden moeten echter verder worden verduidelijkt.
VII In 2019 heeft de Commissie 82 % van de prestatiereserve van 20 miljard EUR vrijgegeven voor de periode 2014‑2020. De vrijgegeven bedragen waren voornamelijk gebaseerd op de verwezenlijking door de lidstaten van hun streefdoelen voor uitgaven en output, aangezien er nauwelijks resultaatindicatoren waren gebruikt voor de toewijzing van de prestatiereserve. Over het geheel genomen had de toewijzing van de prestatiereserve slechts een beperkt effect op de programmabudgetten. Het gebruik van een verplichte prestatiereserve werd voor de periode 2021‑2027 niet gecontinueerd en vervangen door een tussentijdse evaluatie. De bepalingen zijn echter vaag en geven niet aan hoe de werkelijke prestaties van programma’s van invloed zullen zijn op de toewijzing van middelen.
VIII De lidstaten toonden zeer weinig belangstelling voor het gebruik van de twee nieuwe resultaatgerichte financieringsmodellen, d.w.z. “gezamenlijke actieplannen” en “financiering die niet gekoppeld is aan kosten”. De Commissie heeft meer succes geboekt bij het bevorderen van het gebruik van de meer traditionele vereenvoudigde kostenopties, hoewel niet al deze opties resultaatgericht zijn. “Financiering die niet gekoppeld is aan kosten” zal de komende jaren het voornaamste financieringsmodel van de EU worden, voornamelijk vanwege het verplichte gebruik ervan in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit. Wij zijn echter van mening dat de toepasselijke regels voor het gebruik ervan in het cohesiebeleid verder moeten worden verduidelijkt, zodat de lidstaten dit innovatieve financieringsmodel sneller zullen gebruiken.
IX Over het algemeen bevestigde onze controle dat de invoering van het prestatiekader in de periode 2014‑2020 heeft bijgedragen tot een cultuurverandering in het financieel beheer van het cohesiebeleid. Uit onze controle bleek echter ook dat resultaatgerichte financiering nog niet is gerealiseerd in het cohesiebeleid. Met name de drie nieuwe instrumenten leidden weliswaar tot een nieuwe uitvoeringsaanpak, maar maakten geen merkbaar verschil voor de wijze waarop EU-financiering werd toegewezen en uitbetaald.
X Wij doen de volgende aanbevelingen aan de Commissie:
- maak optimaal gebruik van de randvoorwaarden in de periode 2021‑2017;
- tref vroegtijdig voorbereidingen voor een doeltreffende tussentijdse evaluatie voor de periode 2021‑2027;
- verduidelijk de regels die ten grondslag liggen aan het financieringsmodel “financiering die niet gekoppeld is aan kosten”, en
- verduidelijk de aanpak voor het bieden van zekerheid over EU-financiering door middel van het model “financiering die niet gekoppeld is aan kosten”.
XI In de periode 2021‑2027 zullen de cohesiebeleidsfondsen en de herstel- en veerkrachtfaciliteit gelijktijdig lopen. Sommige lessen die zijn getrokken uit het gebruik van instrumenten voor een resultaatgerichte cohesiefinanciering in de periode 2014‑2020 kunnen ook van toepassing zijn op de herstel- en veerkrachtfaciliteit, waar de financiering ook resultaatgericht zal zijn.
Inleiding
Resultaatgerichtheid van de EU-begroting was een prioriteit voor de periode 2014‑2020
01 De resultaten van de EU-uitgaven leveren een essentiële bijdrage aan de verwezenlijking van de EU-beleidsdoelstellingen. Volgens het Financieel Reglement van de EU moeten alle EU-uitgaven voldoen aan het beginsel van goed financieel beheer[1] om de prijs-kwaliteitsverhouding te optimaliseren. In 2015 heeft de Commissie het initiatief “een resultaatgerichte EU-begroting”[2] opgestart met als doel de transparantie en verantwoordingsplicht bij de EU-uitgaven te vergroten en de resultaten centraal te stellen in de EU-begroting.
02 De expliciete doelstelling van het Europees Parlement en de Raad bij de vaststelling van het wetgevingspakket voor de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) voor de periode 2014‑2020 in december 2013 was het resultaatgerichter maken van het cohesiebeleid[3].
03 Het cohesiebeleid wordt uitgevoerd door beheersautoriteiten in de lidstaten aan de hand van ongeveer 390 operationele programma’s (OP’s), onder toezicht en begeleiding van de Commissie. Voor de periode 2014‑2020 bedroeg de totale begroting voor het cohesiebeleid ongeveer 357 miljard EUR, ongeveer een derde van de totale EU-begroting. Voor de periode 2021‑2027 zal de begroting ongeveer 373 miljard EUR bedragen (in lopende prijzen). Kader 1 bevat achtergrondinformatie over het cohesiebeleid in de twee perioden.
Cohesiebeleid in het kort
De belangrijkste doelstelling van het cohesiebeleid van de EU, zoals vastgelegd in het Verdrag, is het versterken van de economische, sociale en territoriale cohesie door de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de regio’s te verkleinen[4]. De afgelopen jaren is het cohesiebeleid ook geleidelijk uitgegroeid tot een van de belangrijkste investeringsinstrumenten van de EU voor de uitvoering van haar overkoepelende prioriteiten en strategieën, te beginnen met de Lissabonstrategie in de periode 2007‑2013 en vervolgens de Europa 2020-strategie voor de periode 2014‑2020.
In de periode 2021‑2027 zal het cohesiebeleid vijf beleidsdoelstellingen ondersteunen, met de nadruk op “een competitiever en slimmer Europa”, “een groenere, koolstofarme transitie naar een koolstofneutrale economie”, “een meer verbonden Europa door een betere mobiliteit”, “een socialer en inclusiever Europa door de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten” en “een Europa dat dichter bij de burger staat”. Het cohesiebeleid zal ook de doelstellingen van de Europese Green Deal ondersteunen.
In de periode 2014‑2020 werd het cohesiebeleid uitgevoerd via drie van de vijf ESI-fondsen: het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het Cohesiefonds (CF); de twee andere fondsen zijn gericht op plattelandsontwikkeling en visserij.
04 Op 24 juni 2021 hebben het Europees Parlement en de Raad overeenstemming bereikt over de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen (GB-verordening)[5], waarin de regels voor de periode 2021‑2027 zijn vastgelegd. Voor het grootste deel van de periode 2021‑2027 zullen de cohesiebeleidsfondsen gelijktijdig met de herstel- en veerkrachtfaciliteit (Recovery and Resilience Facility, RRF) worden uitgevoerd met een begroting van 672,5 miljard EUR (inclusief 312,5 miljard EUR aan subsidies). De RRF is erop gericht de economische en sociale gevolgen van de COVID-19-pandemie te verzachten door financiële steun aan de lidstaten te verstrekken om de overeengekomen mijlpalen en streefdoelen te bereiken[6].
Resultaatgericht begroten: wat houdt dat in?
05 Resultaatgericht begroten is de systematisch gebruikmaking van informatie over de output, resultaten en/of impact om te informeren over de toewijzing van overheidsmiddelen, deze te beïnvloeden en/of te bepalen[7]. De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) definieert drie brede categorieën[8]: “presentational”, “performance-informed” en resultaatgericht begroten. In dit verslag gebruiken we de term “resultaatgerichte financiering” analoog aan de laatstgenoemde definitie, maar hij omvat bovendien de financiering van programma’s en concrete acties.
Resultaatgerichte financiering in het cohesiebeleid in de periode 2014‑2020
06 In de GB-verordening 2014‑2020 werden twee belangrijke componenten ingevoerd om de uitgaven voor cohesie resultaatgerichter te maken. Ten eerste was er een expliciet “prestatiekader” dat de lidstaten verplicht specifieke doelstellingen vast te stellen die met investeringen uit de ESI-fondsen moeten worden verwezenlijkt. Ten tweede werden specifieke instrumenten voor resultaatgerichte financiering in het cohesiebeleid ingevoerd om de lidstaten financiële stimulansen te geven en hun gebruik van financiële steun van de EU te optimaliseren:
- het vereiste om te voldoen aan specifieke ex-antevoorwaarden (EAV’s) die nodig zijn om vanaf het begin van de programma’s een investeringsvriendelijk klimaat tot stand te brengen en ervoor te zorgen dat de noodzakelijke voorwaarden zijn vervuld om de uitgaven van de lidstaten uit de EU-begroting te vergoeden;
- een verplichte prestatiereserve van 6 % van de totale toewijzing van elke lidstaat die op basis van de evaluatie van de prestaties van 2019 kan worden herschikt naar andere prioritaire assen van hetzelfde programma of naar andere programma's in dezelfde lidstaat, en
- verruiming van het gebruik van resultaatgerichte financieringsmodellen. Er werden met name twee financieringsmodellen ingevoerd (“gezamenlijke actieplannen” (GAP’s) en “financiering die niet gekoppeld is aan kosten” (financing not linked to costs, FNLTC)); het laatstgenoemde in 2019. Hiermee werd EU-financiering rechtstreeks gekoppeld aan de verwezenlijking van vooraf bepaalde output, resultaten of voorwaarden. Tegelijkertijd werden de lidstaten aangemoedigd om “vereenvoudigde kostenopties” (simplified cost options, SCO’s) toe te passen die al in de periode 2007‑2013 waren getest.
07 In de periode 2014‑2020 waren de ESI-fondsen ook onderworpen aan “macro-economische voorwaarden” op grond waarvan EU-financiering kon worden geherprogrammeerd of opgeschort indien een lidstaat de regels van goed economisch bestuur niet naleeft. Deze regels werden echter nooit toegepast.
Beperkingen voor de resultaatgerichtheid in het cohesiebeleid
08 De Commissie is verantwoordelijk voor een goed gebruik van de financiële steun van de EU, ook wanneer het beheer van deze middelen wordt gedeeld met de lidstaten[9]. Het resultaatgerichter maken van het cohesiebeleid is echter aan een aantal beperkingen onderhevig[10]:
- de totale toewijzingen aan de lidstaten (bekend als hun “financiële middelen”) worden van meet af aan overeengekomen tijdens de onderhandelingen over het meerjarig financieel kader (MFK). Daardoor is er geen flexibiliteit om de middelen gedurende de periode te herschikken tussen de lidstaten;
- het zevenjarige MFK stelt maximumbedragen (“plafonds”) vast voor elke uitgavencategorie die niet mogen worden aangepast, tenzij in extremis.
09 Het feit dat de prestaties, met inbegrip van het behalen van resultaten, afhankelijk zijn van vele verschillende actoren (de Commissie, nationale, regionale en lokale instanties in de lidstaten en deelnemers uit de publieke en private sector) vormt een bijkomend probleem. Zij zijn allemaal betrokken bij het bereiken van doelstellingen, mijlpalen en streefdoelen en moeten ervoor zorgen dat de EU- en nationale middelen efficiënt, doeltreffend en in overeenstemming met de regels worden besteed. Ook moeten territoriale verschillen die van invloed kunnen zijn op de prestaties van een programma in aanmerking worden genomen. Zoals onlangs bleek tijdens de COVID-19-pandemie, hebben externe factoren ook een aanzienlijke potentiële impact op de programma-uitvoering.
Reikwijdte en aanpak van de controle
10 Bij onze controle werd het gebruik beoordeeld van instrumenten voor resultaatgerichte financiering in het cohesiebeleid in de periode 2014‑2020. We hebben met name onderzocht of:
- deze instrumenten goed waren ontworpen om prestaties te stimuleren en de nadruk te verleggen naar het behalen van resultaten;
- de Commissie en de lidstaten er doeltreffend gebruik van maakten, en
- het gebruik van deze instrumenten een verschil maakte voor de wijze waarop cohesiefinanciering werd toegewezen en uitbetaald.
11 Als onderdeel van onze controlewerkzaamheden onderzochten we het regelgevingskader, de procedures en richtsnoeren van de Commissie en relevante documentatie en literatuur over resultaatgerichte financiering in het kader van de EU en het cohesiebeleid.
12 We analyseerden ook door de Commissie verstrekte gegevens over de voltooiing van actieplannen voor EAV’s en de evaluatie van de prestaties. Voor onze analyse selecteerden we 14 OP’s uit 4 lidstaten (Duitsland, Italië, Polen en Roemenië) die betrekking hadden op zowel EFRO/CF- als ESF-financiering in het kader van 5 thematische doelstellingen die nauw verband houden met Europa 2020 en 8 gerelateerde actieplannen voor EAV’s (zie bijlage I). We deden ook onderzoek bij de beheersautoriteiten van deze 14 OP’s naar de ondersteuning door de Commissie bij het voldoen aan de EAV’s, naar de controles door de lidstaten om de betrouwbaarheid van prestatiegegevens te waarborgen en naar belemmeringen voor het gebruik van resultaatgerichte financieringsmodellen.
13 Bovendien hebben we gesproken met zowel personeel van de Commissie als met deskundigen op het gebied van ontwikkeling en uitvoering van resultaatgerichte financieringsmodellen bij de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), de Wereldbank, het Onderzoekscentrum voor Europees beleid (EPRC), het Centrum voor Europese Beleidsstudies (CEPS) en in vier lidstaten (Oostenrijk, Nederland, Portugal en Duitsland).
14 Ten slotte baseren we deze controle ook op onze eerdere verslagen over resultaatgerichtheid in het cohesiebeleid en onze adviezen over wetgevingsvoorstellen van de Commissie (zie bijlage II).
15 Onze controlewerkzaamheden bestreken de periode tot december 2020. We onderzochten ook de meest recente ontwikkelingen en stelden een aantal risico’s en kansen voor de periode 2021‑2027 vast. De herschikkingen van de begroting die in 2020 plaatsvonden naar aanleiding van de COVID-19-pandemie[11] worden echter niet bestreken door deze controle.
Opmerkingen
Ex-antevoorwaarden
Een innovatief instrument om de noodzakelijke voorwaarden voor doeltreffende uitgaven te scheppen
16 EAV’s behoren tot de belangrijkste innovaties voor de periode 2014‑2020. De EAV’s betreffen bijvoorbeeld het bestaan van een onderliggend rechtskader, de administratieve capaciteit om de middelen te beheren en het bestaan van een strategisch kader voor de sturing van investeringen uit de ESI-fondsen[12].
17 Voordat OP’s konden worden vastgesteld, moesten de lidstaten ofwel aantonen dat zij aan de EAV’s hadden voldaan, ofwel actieplannen voorstellen waarin zij uitlegden hoe zij hieraan uiterlijk op 31 december 2016 zouden voldoen. De lidstaten moesten verslag uitbrengen over de voltooiing van deze actieplannen in hun jaarlijkse uitvoeringsverslagen, die uiterlijk op 30 juni 2017 moesten worden ingediend, of in voortgangsverslagen die in augustus 2017 moesten worden ingediend[13].
18 De lidstaten moesten voldoen aan 29 thematische EAV’s die verband hielden met bepaalde soorten investeringen en 7 algemene EAV’s (zie kader 2 en figuur 1).
Voorbeelden van thematische EAV’s in de periode 2014‑2020
EAV 1.1 “Onderzoek en innovatie: het bestaan van een nationale of regionale strategie voor slimme specialisatie” verplichtte de lidstaten een strategie voor investeringen in onderzoek op te stellen om de EU-financiering beter te helpen richten op investeringen met een hoog groeipotentieel.
EAV 2.2. “NGN-infrastructuur (netwerken van de volgende generatie): het bestaan van nationale of regionale NGN-plannen” verplichtte de lidstaten om plannen op te stellen voor investeringen in breedbandinfrastructuur, waarbij commercieel levensvatbare gebieden worden aangewezen waar investeringen in de eerste plaats afkomstig moeten zijn uit de particuliere sector en andere, minder rendabele, gebieden waarvoor publieke bijdragen, waaronder EU-financiering, nodig zouden zijn.
EAV 4.1. verplicht de lidstaten “kosteneffectieve verbeteringen van […] en […] investeringen in energie-efficiëntie bij de bouw of de renovatie van gebouwen” te bevorderen, zoals vereist op grond van EU-richtlijnen. Dit moet marktdeelnemers ertoe aanzetten efficiënte energiediensten te produceren en te kopen en maatregelen te nemen ter verbetering van de energie-efficiëntie.
19 Sommige van de algemene EAV’s hadden betrekking op specifieke aspecten in verband met de rechtsstaat en de EU-waarden, zoals antidiscriminatie, gendergelijkheid of de rechten van personen met een beperking, alsook de effectieve toepassing van de wetgeving inzake openbare aanbestedingen of de regels inzake staatssteun, maar er was geen algemene voorwaarde in verband met de rechtsstaat.
20 Bij een eerdere controle constateerden we al dat EAV’s een consistent kader boden voor de beoordeling van het vermogen van lidstaten om EU-financiering aan te wenden en dat de lidstaten deze EAV's als een positief element beschouwden[14]. Tegelijkertijd merkten we ook een aantal tekortkomingen op in het ontwerp van EAV’s. Dit waren ook de gebieden waarop wij ons in deze controle richtten.
De Commissie en de lidstaten hebben niet tijdig aan de EAV's voldaan
EAV-beoordeling op basis van ruime criteria
21 Vanaf 2014 moesten de lidstaten zelf beoordelen of zij aan de EAV’s voldeden. Deze zelfbeoordeling was gebaseerd op de in de GB-verordening gespecificeerde criteria[15] en moest door de Commissie worden gevalideerd. De criteria in de GB-verordening waren vaak ruim, lieten aanzienlijke ruimte voor interpretatie en verwezen vaak niet naar specifieke kwantificeerbare streefdoelen, ook al konden dergelijke streefdoelen uit de EU-wetgeving worden afgeleid.
22 In 2014 heeft de Commissie aanvullende richtsnoeren gepubliceerd over de wijze waarop de lidstaten en haar eigen diensten de vooruitgang bij de verwezenlijking van EAV’s moeten beoordelen. We constateerden echter inconsistenties in de wijze waarop de Commissie de door de lidstaten geboekte vooruitgang bij de voltooiing van hun EAV-actieplannen beoordeelde en valideerde. Dit bleef zo tot het einde van de periode 2014‑2020, zoals in kader 3 wordt geïllustreerd.
Inconsistenties in de beoordeling van EAV’s door de Commissie
Vier lidstaten (Italië, Frankrijk, Roemenië en Cyprus) hadden hun actieplannen voor EAV 6.2 in de afvalsector niet binnen de uiterste termijn voor de verslaglegging van eind augustus 2017 voltooid. Als gevolg hiervan deelde de Commissie de Italiaanse en Roemeense OP’s mee dat zij voornemens was om betalingen op te schorten. In februari 2019 schortte de Commissie de betalingen aan het Italiaanse OP ook daadwerkelijk op, maar niet die aan het Roemeense OP. Voor de andere twee OP’s (Frankrijk en Cyprus) bleef de Commissie onderhandelen over de voltooiing van de actieplannen. Het actieplan van Cyprus was in december 2020 nog altijd niet voltooid.
Beoordeling van EAV’s die aan het begin van de periode 2014‑2020 werd opgezet als eenmalige exercitie
23 In de vaststellingsfase van het OP was ongeveer een derde van de thematische EAV’s nog niet vervuld. Bij 26 van de 28 lidstaten heeft de Commissie problemen vastgesteld met ten minste een aantal EAV’s. Alleen Oostenrijk en Denemarken hebben ten tijde van de vaststelling van hun OP’s aan alle relevante EAV’s voldaan. De overige 26 lidstaten hebben in totaal 761 actieplannen vastgesteld inzake de wijze waarop zij na de vaststelling van het OP aan de EAV’s wilden gaan voldoen.
24 Deze cijfers geven geen enkele aanwijzing over de potentiële impact van onvervulde EAV’s op de prestaties. Zij illustreren echter wel dat EAV's waaraan niet was voldaan niet op zichzelf staande gevallen waren, maar dat deze betrekking hadden op meerdere gebieden en vele lidstaten.
25 De lidstaten hadden gerapporteerd dat 746 van de 761 actieplannen (98 %)[16] eind augustus 2017 waren voltooid. De 15 resterende actieplannen hadden betrekking op 8 lidstaten: Cyprus, Spanje, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg en Roemenië. In 2018 hadden de meeste van deze lidstaten hun actieplannen voltooid. De actieplannen voor één Italiaans OP en één Cypriotisch OP waren in december 2020 echter nog niet voltooid.
26 In de periode 2014‑2020 werd de beoordeling van EAV’s opgezet als een eenmalige exercitie. Op grond van de GB-verordening moesten de lidstaten beoordelen of zij aan de EAV’s voldeden op het moment van de vaststelling van het OP (of, onder bepaalde omstandigheden, uiterlijk in december 2016) en moest de Commissie deze beoordeling valideren. De GB-verordening verplichtte de lidstaten en de Commissie echter niet om na te gaan of gedurende de looptijd van het programma nog steeds aan de EAV’s werd voldaan. Het is dus onduidelijk of de in het kader van dit proces gerapporteerde resultaten gedurende de gehele periode 2014‑2020 in stand bleven.
Beperkt bewijsmateriaal met betrekking tot de impact van EAV’s op de doeltreffendheid van de uitgaven
27 De verwachtingen van de lidstaten ten aanzien van de impact van EAV’s liepen uiteen. In de meeste gevallen waren de lidstaten niet van mening dat de vervulling van EAV's de uitvoering van het cohesiebeleid automatisch doeltreffender zou maken; zij zagen EAV’s eerder als een nuttig instrument voor zelfbeoordeling[17]. Onze controlewerkzaamheden in de afgelopen jaren bevestigen dat zelfs als een lidstaat formeel aan een EAV voldoet, dit op zich niet noodzakelijkerwijs betekent dat de situatie ter plaatse is verbeterd en dat de voorwaarden voor het behalen van resultaten zijn geschapen (zie de voorbeelden in kader 4).
Er was voldaan aan de EAV’s, maar zij waren niet altijd gekoppeld aan verbeteringen ter plaatse
Bij onze controle inzake de bestrijding van kinderarmoede stelden we vast dat de onderzochte lidstaten alle strategieën ter bestrijding van armoede hadden vastgesteld in overeenstemming met EAV 9.1 “Het bestaan en de uitvoering van een nationaal strategisch beleidskader voor armoedebestrijding”[18]. Wij troffen echter verscheidene tekortkomingen aan bij de uitvoering van deze strategieën. Voor Polen en Roemenië concludeerden we bijvoorbeeld dat de nationale autoriteiten de uitvoering niet doeltreffend hadden gemonitord en dat de in de strategieën vastgestelde streefdoelen al waren bereikt op het moment dat zij werden vastgesteld.
Bij onze controle van staatssteun constateerden we dat de vervulling van de relevante algemene EAV’s door de lidstaten bij projecten in het kader van het cohesiebeleid niet noodzakelijkerwijs leidde tot een betere naleving in de praktijk[19]. Uit onze controles van de betrouwbaarheidsverklaring bleek ook dat niet-naleving van de regels inzake staatssteun een frequente bron van fouten bleef bij de uitgaven voor cohesie na 2017[20].
28 Tegelijkertijd kan de invoering van EAV’s een indirecte bijdrage hebben geleverd; de voorwaarden voor de besteding van EU-middelen ter plaatse zouden anders een nog grotere uitdaging zijn geweest. In een studie van de Commissie uit 2017 werd geconcludeerd dat EAV’s de inzet van ESI-fondsen doeltreffender en beter gestructureerd maakten[21]. Er werd in deze studie echter wel erkend dat het bewijsmateriaal beperkt was en dat conclusies voorbarig kunnen zijn. Sindsdien heeft de Commissie geen verdere beoordeling uitgevoerd van de impact van EAV’s op de doeltreffendheid van de uitgaven ter plaatse.
Niet-vervulling van EAV’s had zelden financiële gevolgen
29 In de periode 2014‑2020 bestond er een rechtstreeks verband tussen de niet-vervulling van EAV’s en de uitbetaling van EU-financiering voor de betrokken prioriteiten in twee fasen, aangezien de Commissie bevoegd was om betalingen op te schorten indien de lidstaten de desbetreffende EAV’s niet vervulden[22]:
- ten eerste kon de Commissie in de vaststellingsfase van het OP tussentijdse betalingen opschorten in afwachting van de voltooiing van de actieplannen wanneer zij kon aantonen dat er aanzienlijke afbreuk werd gedaan aan de verwezenlijking van specifieke doelstellingen;
- ten tweede kon zij betalingen opschorten wanneer actieplannen niet op 31 december 2016 waren voltooid.
Het feit dat niet aan EAV’s was voldaan, was echter op zich onvoldoende reden om betalingen op te schorten.
De Commissie heeft in de vaststellingsfase van OP’s geen betalingen opgeschort wegens niet-vervulling van EAV’s
30 Wat de eerste fase betreft, stelden we vast dat de Commissie ten tijde van de vaststelling van OP’s geen opschortingen van betalingen had opgelegd, hoewel ongeveer een derde van de thematische EAV’s nog niet was vervuld (zie paragraaf 23). We constateerden echter ook dat de lidstaten zelf opschortingen hadden opgelegd die goed waren voor ongeveer 2 % van de EFRO/CF-financiering en 3,5 % van de ESF-financiering[23]. Dit heeft de Commissie wellicht belet zelf opschortingen op te leggen. Het illustreert ook dat EAV’s, althans aan het begin van de periode 2014‑2020, van invloed waren op de uitvoering van de ESI-fondsen.
31 Wat de tweede fase betreft, heeft de Commissie procedures ontwikkeld om de uitvoering van de actieplannen van de lidstaten te monitoren[24] en criteria vastgesteld voor mogelijke opschortingen van betalingen[25]. Volgens de Commissie was opschorting alleen mogelijk als er hiervoor voldoende informatie was en een rechtsgrondslag bestond. Het niet voltooien van een actieplan was op zich niet voldoende reden voor een opschorting. In het kader van de GB-verordening moest de omvang van alle door de Commissie opgelegde discretionaire opschortingen evenredig zijn aan de “te nemen maatregelen en de fondsen die gevaar lopen”[26].
32 Ondertussen waren de lidstaten niet verplicht om tot de termijn voor de verslaglegging in 2017 systematisch verslag uit te brengen over de tussentijdse voortgang van hun actieplannen of informatie te verstrekken om een systematische en consistente beoordeling mogelijk te maken van de vraag of de voorwaarden voor het opschorten van betalingen aanwezig waren. Zonder een duidelijke en meetbare koppeling tussen de EAV’s en de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen van OP’s in de GB-verordening was het voor de Commissie vrijwel onmogelijk om beslissingen inzake opschorting te rechtvaardigen. Hoewel de bewijslast ter rechtvaardiging van opschortingen op de Commissie rustte, had zij dus geen toegang tot de informatie die zij daarvoor nodig had.
In de periode 2014‑2020 schortte de Commissie voor slechts twee OP’s betalingen op
33 Tijdens de eerste drie jaar van de periode 2014‑2020 onderzocht de Commissie of het noodzakelijk was betalingen in verband met 15 van de 761 actieplannen voor 8 lidstaten op te schorten (zie paragraaf 25). Aankondigingen van opschortingen konden echter pas worden verstuurd nadat de lidstaten eind augustus 2017 verslag hadden uitgebracht over de uitvoering van hun actieplannen. Eind 2017, na de analyse van de vooruitgang die de lidstaten hadden geboekt bij de vervulling van de EAV’s, verstuurde de Commissie aankondigingen van opschortingen inzake vijf actieplannen van vijf verschillende OP’s (in Spanje, Italië en Roemenië).
34 In april 2018 en februari 2019 besloot de Commissie betalingen aan twee van deze vijf OP’s (Spanje en Italië) op te schorten. De opschorting inzake het Spaanse OP werd in maart 2019 opgeheven, terwijl de betalingen aan het Italiaanse OP opgeschort bleven.
Verwachtingen voor de periode 2021‑2027: invoering van randvoorwaarden die van toepassing zijn gedurende de gehele periode en een nieuwe voorwaarde met betrekking tot de rechtsstaat
35 Voor de periode 2021‑2027 worden EAV’s vervangen door “randvoorwaarden”[27]. In totaal zijn er 20 randvoorwaarden, tegen 36 EAV’s. De meeste van deze randvoorwaarden komen grotendeels overeen met de voormalige EAV’s. Bovendien zijn de algemene EAV’s vervangen door horizontale randvoorwaarden. Deze horizontale voorwaarden hebben betrekking op aspecten die verband houden met openbare aanbestedingen en staatssteun, het Handvest van de grondrechten van de EU en het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Figuur 1 geeft een overzicht van de EAV’s voor de periode 2014‑2020 en de randvoorwaarden voor de periode 2021‑2027.
36 In tegenstelling tot de periode 2014‑2020 zijn de lidstaten gedurende de hele periode 2021‑2027 verplicht om de randvoorwaarden toe te passen. Bovendien kan de Commissie tot het einde van deze periode betalingen opschorten als lidstaten niet langer aan de randvoorwaarden voldoen[28]. Dit betekent een aanzienlijke versterking van de rol die de Commissie kan spelen bij de uitvoering van de cohesiebeleidsfondsen door de lidstaten.
37 Net als in de periode 2014‑2020 vereist de GB-verordening echter niet dat de Commissie het Europees Parlement en de Raad informeert over de naleving door de lidstaten van de randvoorwaarden in de periode 2021‑2027. Een dergelijke verslaglegging zou kunnen helpen om te onderstrepen hoe belangrijk het is te voldoen aan de randvoorwaarden om te zorgen voor een doeltreffende en efficiënte besteding van EU-middelen.
38 Op 16 december 2020 hebben het Europees Parlement en de Raad Verordening (EU) 2020/2092 tot vaststelling van regels ter bescherming van de EU-begroting in gevallen waarin lidstaten de beginselen van de rechtsstaat schenden, vastgesteld[29]. De nieuwe voorwaarde met betrekking tot de rechtsstaat vormt een aanvulling op de randvoorwaarden die zijn vastgesteld in het kader van de GB-verordening voor de periode 2021‑2027 en andere instrumenten en processen ter bevordering van de rechtsstaat en de toepassing daarvan. Met name voor de cohesiebeleidsfondsen kan de Commissie alleen maatregelen voorstellen in gevallen waarin specifieke procedures in het kader van de GB-verordening het goed financieel beheer van de EU-begroting of de bescherming van de financiële belangen van de EU onvoldoende waarborgen.
Figuur 1 — EAV’s voor de periode 2014‑2020 en randvoorwaarden voor de periode 2021‑2027
NB: Ex-antevoorwaarden zijn ingekort en vereenvoudigd ten opzichte van de rechtsgrondslag.
Bron: Verordening (EU) 2021/1060, bijlage III Horizontale randvoorwaarden en bijlage IV Thematische randvoorwaarden; Verordening (EU) nr. 1303/2013, bijlage XI Ex-antevoorwaarden.
Prestatiereserve en evaluatie van de prestaties
Een deel van de financiering reserveren voor beter presterende maatregelen
Vrijmaking van de prestatiereserve gebaseerd op de evaluatie van de prestaties van 2019
39 De prestatiereserve was een poging om begrotingsbesluiten te koppelen aan prestaties, met name de output. De vrijmaking van de reserve was afhankelijk van het bereiken van de relevante mijlpalen voor elke prioritaire as tegen eind 2018, zoals vastgesteld in een evaluatie van de prestaties[30]. Deze evaluatie van de prestaties moest in 2019 worden uitgevoerd, rekening houdend met de door de lidstaten gerapporteerde prestatiegegevens voor de periode 2014‑2018.
40 In de OP’s voor de periode 2014‑2020 werd een prestatiereserve van ongeveer 6 % van de EU-financiering (ongeveer 20,2 miljard EUR) ingebouwd in de toewijzingen in het kader van de doelstelling “investeren in groei en werkgelegenheid” (de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (ETS) bleef buiten beschouwing), zoals weergegeven in figuur 2.
Figuur 2 — Cohesiebegroting (voor de laatste drie perioden) en de prestatiereserve voor de periode 2014‑2020
NB: De EFRO-toewijzing heeft alleen betrekking op de doelstelling “investeren in groei en werkgelegenheid” (de doelstelling “Europese territoriale samenwerking” (ETS) blijft buiten beschouwing). Kroatië trad in 2013 toe tot de EU en het VK trok zich in 2020 terug. De cijfers voor de periode 2021‑2027 geven de toewijzingen in het kader van het cohesiebeleid weer (in lopende prijzen).
Bron: ERK, op basis van gegevens van de Commissie.
41 Er bestond al een prestatiereserve vóór de periode 2014‑2020. In de periode 2000‑2006 was deze verplicht, hoewel de criteria voor de beoordeling van de prestaties niet in de OP’s hoefden te worden opgenomen. In de periode 2007‑2013 konden de lidstaten de prestatiereserve vrijwillig toepassen. In vergelijking met voorgaande perioden waren de belangrijkste innovaties voor de periode 2014‑2020 het verplichte gebruik van een prestatiekader dat is afgeleid van de interventielogica van de OP’s, de uitsplitsing van de reserve op het niveau van de prioriteiten en de expliciete koppeling van de vrijmaking van de reserve (voor elke prioritaire as) aan bevredigende prestaties, gemeten op basis van mijlpalen die ten tijde van de evaluatie van de prestaties in de OP's werdenzijn vastgesteld.
Een evaluatie van de prestaties op basis van een groot aantal indicatoren en mijlpalen
42 In 2019 heeft de Commissie haar evaluatie van de prestaties uitgevoerd voor 300 EFRO/CF- en ESF-OP’s met een prestatiereserve. Deze prestatiekaders omvatten een reeks indicatoren, mijlpalen en streefdoelen voor elke prioritaire as van deze EFRO/CF- en ESF-OP’s[31]. In totaal had de evaluatie betrekking op 1 917 verschillende prioritaire assen binnen deze OP’s en 5 802 indicatoren. Er waren vier soorten indicatoren:
- financiële (input)indicatoren voor het meten van de uitgaven. Er moest voor elke prioriteit een dergelijke indicator worden vastgesteld;
- belangrijke uitvoeringsstappen ter aanvulling van outputindicatoren waarvoor eind 2018 geen output werd verwacht;
- (gemeenschappelijke of programmaspecifieke) outputindicatoren voor het meten van de uitvoering van acties, en
- resultaatindicatoren (gemeenschappelijk of programmaspecifiek voor ESF-OP’s en programmaspecifiek voor andere fondsen) voor het meten van de verwezenlijking van de specifieke OP-doelstellingen, in voorkomend geval en nauw verbonden met ondersteunde beleidsinterventies.
Het gebruik van gemeenschappelijke indicatoren stelt de Commissie in staat om programma’s te vergelijken en indicatorwaarden samen te voegen.
Voorwaarden voor de vrijmaking van de prestatiereserve
43 Het prestatiekader voor elke prioritaire as moest ten minste één financiële (input)indicator en één outputindicator bevatten; het gebruik van resultaatindicatoren en belangrijke uitvoeringsstappen was facultatief. Om in aanmerking te komen voor de vrijmaking van de prestatiereserve moest ten minste 85 % van de mijlpaalwaarde van de indicatoren zijn bereikt; wanneer meer dan twee indicatoren werden gebruikt, werd de drempel van 85 % voor een van de indicatoren verlaagd tot 75 %[32]. Voor prioriteiten waarvan de mijlpaalwaarden niet waren bereikt, hadden de lidstaten drie maanden de tijd om een wijziging van het OP voor te stellen om de reserve opnieuw toe te wijzen aan de prioriteiten waarvan de mijlpalen waren bereikt.
44 De oorspronkelijke regels voor concrete acties in het kader van het EFRO/CF bepaalden dat pas over indicatoren mocht worden gerapporteerd wanneer de concrete acties volledig waren uitgevoerd[33]. Projectuitgaven, die worden gebruikt voor de berekening van financiële indicatoren, zouden alleen in aanmerking komen voor rapportage in het jaarlijks uitvoeringsverslag indien zij vóór eind 2018 zijn gedaan en aan de Commissie zijn gecertificeerd[34].
45 De lidstaten mochten de oorspronkelijke mijlpaalwaarden en indicatoren van het OP voorafgaand aan de evaluatie van de prestaties herzien in “naar behoren gemotiveerde gevallen”, zoals een belangrijke verandering in de economische, ecologische en arbeidsmarktomstandigheden[35]. In 2014 stelde de Commissie secundaire wetgeving voor die het mogelijk maakte incorrecte veronderstellingen die leidden tot onder- of overschatting te gebruiken als rechtvaardiging voor de herziening van mijlpalen[36].
46 In de periode 2014‑2020 kon de Commissie tussentijdse betalingen opschorten in geval van “een ernstig tekortschieten” in het bereiken van de mijlpalen[37]. Om van deze optie gebruik te kunnen maken, moest de Commissie de onderliggende tekortkomingen bij de uitvoering meedelen aan de betrokken lidstaat en deze in de gelegenheid stellen corrigerende maatregelen te nemen.
47 We hebben eerder opgemerkt dat het onwaarschijnlijk was dat de evaluatie van de prestaties aanleiding zou geven tot een aanzienlijke herschikking van de cohesie-uitgaven naar beter presterende programma’s en prioriteiten[38]. Wij hebben ook bedenkingen geuit over de geschiktheid van bijna de helft van de mijlpalen die als criteria zijn gespecificeerd voor vrijmaking van de prestatiereserve en voor het opschorten van betalingen wegens ondermaatse prestaties[39]. In 2017 was volgens de beoordeling van de OESO de prestatiereserve beperkt in omvang en plaatste de OESO vraagtekens bij de striktheid van de prestatiegerelateerde koppeling daarvan[40].
48 We hebben ook verslag uitgebracht over de moeilijkheden die de lidstaten ondervonden bij het vaststellen van streefdoelen voor gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren[41]. Dit werd bevestigd door de eigen effectbeoordeling van de Commissie in 2018[42].
Wijzigingen van de regels voorafgaand aan de evaluatie van de prestaties in 2019 hebben geleid tot extra flexibiliteit voor de lidstaten
Voorwaarden en criteria aangepast vanaf 2014
49 De periode 2014‑2020 begon met vertragingen: het Europees Parlement en de Raad hebben het rechtskader pas in december 2013 vastgesteld en het duurde tot december 2015[43] voordat de meeste OP’s waren goedgekeurd. Door deze en verdere vertragingen bij de uitvoering van projecten ter plaatse verliep de absorptie van financiering trager dan oorspronkelijk gepland. Tegen het eind van 2017, d.w.z. drie jaar na het begin van de zevenjarige periode, waren de door de lidstaten gedeclareerde uitgaven slechts goed voor 16 % van de beschikbare begrotingstoewijzingen voor de periode 2014‑2020[44].
50 De Commissie heeft vanaf 2014 verschillende wijzigingen aangebracht in de regels voor de evaluatie van de prestaties van 2019 (zie figuur 3). Deze wijzigingen hebben geleid tot extra flexibiliteit voor de lidstaten bij hun verslaglegging over prestaties. Zij maakten het met name mogelijk voor de beheersautoriteiten om verslag uit te brengen over:
- verwezenlijkte output voor concrete acties in het kader van het EFRO/CF die nog niet volledig waren uitgevoerd (in 2018)[45], en
- uitgaven die in 2018 zijn gedaan maar uiterlijk op 30 juni 2019 aan de Commissie zijn gecertificeerd voor de evaluatie van de prestaties[46].
51 Bovendien heeft de Commissie in 2017 verduidelijkt dat zij, om de verwezenlijking van de jaarlijkse streefdoelen voor de uitgaven van de lidstaten te meten, niet alleen rekening zou houden met de door de lidstaten gedane en gedeclareerde uitgaven, maar ook met de door haar verrichte jaarlijkse voorfinancieringsbetalingen[47]. Dit betekende dat de lidstaten die hun mijlpalen op basis van de n+3-vrijmakingsregel hadden vastgesteld, minder uitgaven konden declareren om hun streefdoelen voor de uitgaven te halen.
Figuur 3 — Wijzigingen in wetgeving en richtsnoeren inzake voorwaarden en criteria voor de evaluatie van de prestaties van 2019
NB: Wijzigingen en verduidelijkingen in de rechtsgrondslag die aan het begin van de periode 2014‑2020 zijn vastgesteld, worden in rood weergegeven.
Bron: ERK, op basis van de wetgeving inzake de ESI-fondsen in de periode 2014‑2020.
Als gevolg van deze wijzigingen en verduidelijkingen zouden de lidstaten betere prestaties kunnen rapporteren dan in het kader van de oorspronkelijke wetgeving
52 Door deze wijzigingen konden de lidstaten betere prestaties rapporteren dan in het kader van de oorspronkelijke wetgeving. De lidstaten hebben deze wijzigingen prompt meegenomen bij hun verslaglegging over prestaties. Eind 2018 rapporteerden de beheersautoriteiten voor alle zeven EFRO/CF-OP’s in onze steekproef output voor niet-voltooide concrete acties en/of gedane maar nog niet gecertificeerde uitgaven tegen het einde van 2018. Voor alle onderzochte 14 OP’s (met inbegrip van ESF-OP's), op één na, werd de output gerapporteerd nog voordat daarmee verband houdende uitgaven bij de Commissie waren gedeclareerd. Ook stelden wij vast dat 38 van de 57 concrete acties in onze steekproef tegen het einde van 2018 nog niet waren voltooid. Voor 32 van deze lopende concrete acties hadden de beheersautoriteiten echter in hun jaarlijkse uitvoeringsverslagen voor 2018 al outputindicatoren gerapporteerd. Zonder de wijzigingen die de Commissie voorafgaand aan de evaluatie van de prestaties van 2019 had ingevoerd, hadden deze concrete acties niet in aanmerking kunnen worden genomen voor de toewijzing van de prestatiereserve.
Meer dan de helft van de indicatoren/mijlpalen werd voorafgaand aan de evaluatie van de prestaties gewijzigd
53 Aanvankelijk was de mogelijkheid om mijlpalen en streefdoelen te wijzigen beperkt tot de niet-uitputtende lijst van voorbeelden van naar behoren gemotiveerde gevallen in de GB-verordening. Met name omvatten deze voorbeelden niet het scenario van de oorspronkelijke streefdoelen en mijlpalen in de programma’s, die op basis van incorrecte veronderstellingen waren berekend. Om dergelijke situaties aan te pakken, heeft de Commissie de lidstaten in 2014 de mogelijkheid geboden om mijlpalen en streefdoelen te herzien indien deze op incorrecte oorspronkelijke veronderstellingen berusten[48]. De Commissie heeft de lidstaten ook aanbevolen uiterlijk op 30 juni 2018 om wijzigingen van het prestatiekader te verzoeken[49].
54 Tussen 2014 en 2018 maakten de lidstaten op grote schaal gebruik van de mogelijkheid om prestatie-indicatoren en de waarden daarvan te wijzigen. Uit onze analyse blijkt dat meer dan de helft (55 %) van de 5 802 indicatoren en/of mijlpalen tussen de vaststelling van het OP en de evaluatie van de prestaties was gewijzigd (zie figuur 4). Meer in het bijzonder hebben de lidstaten:
- de waarde van mijlpalen voor ongeveer 7 % van alle indicatoren in het prestatiekader verhoogd, voornamelijk voor financiële (input-) en programmaspecifieke outputindicatoren;
- de waarde van mijlpalen voor ongeveer een derde van alle indicatoren in het prestatiekader verlaagd, voornamelijk voor financiële (input)indicatoren, en
- 916 nieuwe indicatoren met bijbehorende mijlpalen ingevoerd, deels ter vervanging van de oorspronkelijke indicatoren die waren overeengekomen bij de goedkeuring van de OP’s.
Figuur 4 — Wijzigingen in mijlpalen en indicatoren voorafgaand aan de evaluatie van de prestaties van 2019
Bron: ERK, op basis van gegevens van de Commissie in Launchpad/Infoview (oorspronkelijke versie van de goedgekeurde OP’s tegenover de in de evaluatie van de prestaties gebruikte versie).
55 De lidstaten hebben de waarde van de mijlpalen voor ongeveer 30 % van alle indicatoren in het prestatiekader verlaagd. Figuur 5 geeft een uitsplitsing per lidstaat van de soorten wijzigingen in de indicatoren en/of de mijlpalen daarvan.
Figuur 5 — Wijzigingen in mijlpalen en indicatoren voorafgaand aan de evaluatie van de prestaties van 2019 — per lidstaat
Bron: ERK, op basis van gegevens van de Commissie in Launchpad/Infoview.
De meeste lidstaten rechtvaardigden hun aanpassingen op grond van het feit dat de oorspronkelijke veronderstellingen incorrect waren
56 In 2018, een jaar voor de evaluatie van de prestaties, heeft de Commissie 148 wijzigingsverzoeken van 24 lidstaten geregistreerd met betrekking tot indicatoren/mijlpalen in het prestatiekader voor ESF-OP’s. Voor 16 van deze lidstaten omvatten de redenen die werden gebruikt om deze verzoeken te rechtvaardigen onder meer incorrecte oorspronkelijke veronderstellingen bij het vaststellen van mijlpalen. We hebben geen soortgelijke gegevens ontvangen over wijzigingen voor EFRO/CF-OP’s.
57 Onze eigen analyse levert echter een soortgelijke bevinding op. We onderzochten de wijzigingen met betrekking tot 120 indicatoren en mijlpalen die waren opgenomen in de 14 onderzochte EFRO/CF- en ESF-OP’s (zie bijlage I). Voor 66 hiervan constateerden we dat de waarde was verlaagd, of dat zij nieuw ingevoerd of gewijzigd waren. De lidstaten rechtvaardigden de helft van deze wijzigingen op basis van incorrecte veronderstellingen bij het vaststellen van oorspronkelijke mijlpalen. De GB-verordening voorzag niet in een termijn voor de wijziging van het prestatiekader voorafgaand aan de evaluatie van de prestaties en de Commissie aanvaardde dergelijke verzoeken van de lidstaten tot eind 2018, zes maanden na haar eigen aanbevolen termijn (zie paragraaf 53). Voor één Roemeens OP keurde zij in juni 2019 zelfs vijf nieuwe outputindicatoren goed.
Aanpassingen van de mijlpalen resulteerden in de vrijgave van de prestatiereserve voor een aanzienlijk groter aantal prioriteiten
58 Als gevolg van deze aanpassingen van het prestatiekader rapporteerden de lidstaten dat zij er beter in waren geslaagd mijlpalen voor de toewijzing van de prestatiereserve te bereiken. In het algemeen werd in de evaluatie van de prestaties van de Commissie geconcludeerd dat voor driekwart van de prioritaire assen de mijlpalen waren bereikt en dat als gevolg daarvan ongeveer 82 % van de prestatiereserve voor deze succesvolle prioriteiten werd vrijgemaakt (zie figuur 6).
Figuur 6 — Resultaten van de evaluatie van de prestaties van 2019 — per lidstaat en fonds
Bron: ERK, op basis van gegevens van de Commissie in Launchpad/Infoview.
Figuur 7 — Vergelijking van de resultaten van de evaluatie van de prestaties wat betreft presterende prioriteiten met/zonder wijzigingen — per lidstaat
Bron: ERK, op basis van gegevens van de Commissie in Launchpad/Infoview.
Figuur 8 — Vergelijking van de resultaten van de evaluatie van de prestaties wat betreft de uit de reserve vrijgemaakte financiering met/zonder wijzigingen — per lidstaat
Bron: ERK, op basis van gegevens van de Commissie in Launchpad/Infoview.
59 Uit onze analyse bleek ook dat zonder de aanpassing van de indicatoren en/of mijlpalen voorafgaand aan de evaluatie van de prestaties het aandeel van de prestatiereserve voor prioritaire assen waarvoor de mijlpalen niet werden bereikt meer dan verdubbeld zou zijn, van 18 % (3,7 miljard EUR) tot 44 % (8,9 miljard EUR), wat betekent dat slechts 56 % van de reserve had kunnen worden vrijgemaakt. Zonder de wijzigingen zouden elf lidstaten ten minste de helft van hun prestatiereserve aan niet-presterende prioriteiten hebben gekoppeld (zie figuur 7). Financieel gezien ondervonden Polen, Spanje en Italië de grootste gevolgen. Deze drie lidstaten waren samen goed voor een derde van de totale reserve die zonder de wijzigingen niet zou zijn vrijgemaakt. Er waren slechts twee lidstaten (Luxemburg en Finland) waar de wijzigingen geen effect hadden (zie figuur 8).
60 Een ander gevolg van de wijzigingen van indicatoren/mijlpalen, dat de Commissie als naar behoren gerechtvaardigd achtte, was dat het aantal prioriteiten dat “ernstig tekortschoot” bij het behalen van de mijlpalen (288) minder dan de helft bedroeg van wat oorspronkelijk het geval zou zijn geweest (605, of ongeveer een derde van alle prioriteiten met een prestatiereserve). Voor Kroatië, Ierland en Denemarken had de Commissie moeten overwegen de betalingen voor meer dan de helft van de in het kader van deze prioriteiten toegewezen middelen op te schorten.
De Commissie is niet nagegaan of alle prestatiegegevens die voor de evaluatie van de prestaties zijn gebruikt betrouwbaar waren
Gerapporteerde prestatiegegevens niet volledig gevalideerd
61 Een zinvolle evaluatie van de prestaties is in hoge mate afhankelijk van een betrouwbare rapportage over de prestatiegegevens. Daarom moesten de nationale autoriteiten zekerheid verschaffen over de betrouwbaarheid van de prestatiegegevens van de lidstaten:
- de beheersautoriteiten moesten in hun beheersverklaringen de betrouwbaarheid van de in het jaarlijks uitvoeringsverslag gerapporteerde prestatiegegevens bevestigen, en
- de auditautoriteiten verstrekten aanvullende zekerheid op basis van hun auditwerkzaamheden in het jaarlijks controleverslag, met inbegrip van het controleoordeel.
62 In het systeem betreffende zekerheid op het gebied van cohesie van de Commissie rapporteren de beheersautoriteiten over de prestatiegegevens in hun jaarlijkse uitvoeringsverslagen voor het kalenderjaar[50] (van 1 januari tot en met 31 december). Hun beheersverklaringen[51] en de jaarlijkse controleverslagen van de auditautoriteiten (met inbegrip van hun auditadviezen) hebben echter betrekking op het boekjaar[52] (van 1 juli tot en met 30 juni). Als gevolg daarvan werden de prestatiegegevens voor de tweede helft van 2018 behandeld in de beheersverklaring en het jaarlijks controleverslag voor de periode 2018‑2019 die de auditautoriteiten in februari 2020 indienden. Voor de evaluatie van de prestaties in 2019 moest de Commissie haar beoordeling baseren op tussentijdse informatie die door de beheersautoriteiten was gerapporteerd, maar nog niet door de auditautoriteiten was onderzocht (zie figuur 9).
Figuur 9 — Verslaglegging over en validering van prestatiegegevens door beheers- en auditautoriteiten
Bron: ERK.
Verschillende reikwijdte van de controles van prestatiegegevens door beheersautoriteiten
63 Uit onze analyse bleek dat de controles van de betrouwbaarheid van prestatiegegevens door de beheersautoriteiten aanzienlijk uiteenliepen. Bij de 14 door ons onderzochte OP’s controleerden de beheersautoriteiten voornamelijk de in het jaarlijks uitvoeringsverslag gerapporteerde prestatiegegevens aan de hand van onderliggende gegevens van begunstigden. De reikwijdte van deze controles verschilde echter aanzienlijk (zie kader 5) en deze controles werden niet voor alle indicatoren consistent uitgevoerd. Over het geheel genomen troffen we bewijs van dergelijke controles aan voor 116 (90 %) van de 129 door ons beoordeelde indicatorwaarden.
De door beheersautoriteiten verrichte controles van de betrouwbaarheid van de prestatiegegevens
Voor het ”paraplufonds voor concurrentievermogen” dat door het Europees Investeringsfonds (EIF) wordt beheerd voor het Roemeense OP “concurrentievermogen” heeft de beheersautoriteit de door het EIF verstrekte jaarlijkse monitoringgegevens niet gecontroleerd alvorens deze in het jaarlijks uitvoeringsverslag 2018 bij de Commissie in te dienen.
Voor het Italiaanse OP “Ondernemingen en concurrentievermogen” en het OP “ESF-Bondsrepubliek Duitsland” hebben de beheersautoriteiten zich bij het aggregeren van gegevens voor het jaarlijks uitvoeringsverslag voornamelijk gebaseerd op automatische controles door de IT-systemen.
Voor het Poolse OP “slimme groei” werden soortgelijke controles aangevuld met een verificatie door de beheersautoriteit van de kwaliteit van de in het jaarlijks uitvoeringsverslag 2018 ingediende gegevens.
Voor de Roemeense OP’s “concurrentievermogen” en “regionaal” werd de verwezenlijking van outputindicatoren gecontroleerd door middel van bezoeken ter plaatse na voltooiing van het project.
De auditautoriteiten beslisten over controlewerkzaamheden met betrekking tot prestatiegegevens
64 In oktober 2018 heeft de Commissie de auditautoriteiten verzocht in hun jaarlijkse controleverslagen 2017‑2018 verslag uit te brengen over het vermogen van monitoringsystemen om betrouwbare gegevens te verstrekken voor de evaluatie van de prestaties van 2019. De Commissie had in de loop der jaren mogelijke benaderingen voor de controle van prestatiegegevens besproken tijdens vergaderingen en workshops met auditautoriteiten. In haar richtsnoeren inzake de controleaanpak stelde de Commissie ook voor dat de auditautoriteiten de betrouwbaarheid van prestatiegegevens meenemen in hun controles van concrete acties, thematische controles of systeemcontroles.
65 Tot 2018 werden de aard, de reikwijdte en het tijdstip van de controles van prestatiegegevens echter grotendeels aan het oordeel van elke auditautoriteit overgelaten. Pas in mei 2019 trad een gedelegeerde verordening van de Commissie in werking op grond waarvan auditautoriteiten systematisch verslag moeten uitbrengen over de betrouwbaarheid van prestatiegegevens in hun controles van concrete acties[53]. Dit kwam te laat om enig effect te hebben op de evaluatie van de prestaties van 2019.
66 In het algemeen hebben de auditautoriteiten volgens de Commissie voorafgaand aan de evaluatie van de prestaties van 2019 voor 81 % van alle EFRO/CF-OP’s en 90 % van alle ESF-OP’s enige vorm van controlewerkzaamheden verricht met betrekking tot de betrouwbaarheid van prestatiegegevens. Zij hebben dit gedaan door middel van controles van concrete acties, thematische controles of systeemcontroles. Over het algemeen verrichtten de auditautoriteiten meestal systeem- en thematische controles, gevolgd door controles van concrete acties (zie figuur 10).
Figuur 10 — Controles van prestatiegegevens door de auditautoriteiten
NB: De onderzochte OP’s omvatten niet de OP’s voor technische bijstand, OP’s in het kader van het kmo-initiatief, ETS-OP’s en OP’s waarvoor geen uitgaven in de rekeningen waren gedeclareerd.
Bron: ERK, op basis van gegevens van de Commissie.
67 Uit onze eigen analyse voor de vier bij deze controle onderzochte lidstaten blijkt dat de auditautoriteiten voor 12 van de 14 OP’s aan de Commissie verslag hebben uitgebracht over hun controlewerkzaamheden met betrekking tot de betrouwbaarheid van prestatiegegevens voorafgaand aan de evaluatie van de prestaties. We constateerden echter ook dat hun controles slechts betrekking hadden op 6 van de 57 voor deze controle geanalyseerde concrete acties.
De Commissie is voor meer dan zeven van de tien OP’s nagegaan of de prestatiegegevens betrouwbaar waren
68 In 2019 heeft de Commissie, voordat zij de evaluatie van de prestaties uitvoerde, de volledigheid, consistentie en plausibiliteit beoordeeld van de prestatiegegevens die de lidstaten in hun jaarlijkse uitvoeringsverslagen voor 2018 hadden verstrekt. De Commissie verrichtte ook thematische ad-hoccontroles in 14 lidstaten met betrekking tot de 31 programma’s die zij het meest riskant achtte. Hierbij werden tekortkomingen geconstateerd in de betrouwbaarheid van de prestatiegegevens en de gerapporteerde waarden voor indicatoren in het prestatiekader voor acht programma’s in België, Duitsland, Hongarije, Italië, Roemenië en Slowakije.
69 Over het algemeen is de Commissie, op basis van de werkzaamheden van de auditautoriteiten en haar eigen aanvullende werkzaamheden, voorafgaand aan de evaluatie van de prestaties nagegaan of de prestatiegegevens betrouwbaar waren voor 71 % van de EFRO/CF-OP’s[54] en 81 % van de ESF-OP’s.
70 De Commissie kon tussentijdse betalingen opschorten wanneer zij merkte dat de kwaliteit en betrouwbaarheid van het monitoringsysteem of de gegevens over indicatoren ernstige tekortkomingen vertoonden[55]. In totaal beoordeelde de Commissie in dit verband 15 OP’s, en startte zij in 2019, voorafgaand aan de evaluatie van de prestaties, preopschortingsprocedures voor 6 OP’s in België, Duitsland, Hongarije, Litouwen, Roemenië en Slovenië. Uiteindelijk heeft de Commissie echter alle preopschortingen opgeheven en geen betalingen opgeschort. Volgens de Commissie hadden de betrokken lidstaten aanvullende informatie verstrekt of de tekortkomingen aangepakt.
De meeste — maar niet alle — prestatiegegevens kwamen overeen met het onderliggende bewijsmateriaal
71 Om een onafhankelijk beeld te krijgen van de kwaliteit van prestatiegegevens onderzochten we de gerapporteerde waarden voor alle 120 indicatoren in de prestatiekaders van 20 prioritaire assen voor de 14 OP’s waarop onze controle betrekking had. We onderzochten ook 57 projecten met 129 indicatoren binnen deze 20 prioritaire assen (zie bijlage I).
72 Over het geheel genomen bleek uit onze analyse dat de meeste — maar niet alle — aan de Commissie gerapporteerde prestatiegegevens overeenkwamen met het onderliggende bewijsmateriaal:
- Ten eerste hebben we de aan de Commissie gerapporteerde gegevens in de jaarlijkse uitvoeringsverslagen voor 2018 vergeleken met projectgegevens die in het bezit van de beheersautoriteiten zijn. Uit onze analyse bleek dat de waarden voor 110 van de 120 indicatoren in de prestatiekaders (92 %) volledig overeenkwamen.
- Ten tweede controleerden we of de gegevens waarover de beheersautoriteiten beschikten, strookten met het onderliggende bewijsmateriaal van begunstigden. Over het geheel genomen konden we de waarden voor 115 van de 129 indicatoren (89 %) met betrekking tot 46 van de 57 projecten (81 %) in onze steekproef met elkaar in overeenstemming brengen.
73 Alle vier de lidstaten hadden ten minste één OP waarvoor we in staat waren alle prestatiegegevens op projectniveau aan te sluiten (zie figuur 11).
Figuur 11 — Kwaliteit van de prestatiegegevens: aandeel onderzochte indicatorwaarden op projectniveau die met de onderliggende gegevens overeenkwamen
Bron: ERK.
De impact van de evaluatie van de prestaties op de toewijzing van EU-financiering was slechts beperkt
De vrijgave van de prestatiereserve werd bepaald door de succesvolle realisering van de belangrijkste uitvoeringsstappen of output en de bestedingen
74 Uit onze analyse bleek dat de vrijgave van de prestatiereserve voornamelijk werd bepaald door de vorderingen van de lidstaten bij de uitvoering, zoals blijkt uit de succesvolle realisering van belangrijke uitvoeringsstappen of output en de besteding (ongeveer een derde van alle indicatoren bestond uit financiële indicatoren, zoals blijkt uit figuur 12). Zo werden prestatiereserves van respectievelijk 195 miljoen EUR en 52 miljoen EUR vrijgegeven voor het Poolse OP “Slimme groei” en het Italiaanse OP “Ondernemingen en concurrentievermogen” omdat voor deze OP-prioriteiten de mijlpalen waren bereikt met betrekking tot het aantal ondernemingen dat subsidies ontving of het aantal ondersteunde ondernemingen, het aantal geïnitieerde concrete acties en de bij de Commissie gedeclareerde uitgaven.
75 Bij slechts 13 van de 5 802 indicatoren (of minder dan 1 %) werden de programmaprestaties gemeten aan de hand van resultaten (zie figuur 12). Een van de redenen voor het lage aantal resultaatindicatoren was dat het tijdsbestek voor het bereiken van mijlpalen voor de evaluatie van de prestaties relatief kort (maximaal vier jaar) was, en dus ontoereikend voor investeringen, waarbij het langer duurt voordat resultaten worden gerealiseerd.
Figuur 12 — Indicatoren gebruikt bij de evaluatie van de prestaties van 2019, per fonds
Bron: ERK, op basis van gegevens van de Commissie in Launchpad/Infoview.
76 In de evaluatie van de prestaties van de Commissie werden 288 prioritaire assen vastgesteld in 121 OP’s die “ernstig tekortschoten” bij het bereiken van mijlpalen voor financiële (input-) en outputindicatoren. In deze gevallen had de Commissie de bevoegdheid om betalingen op te schorten. We constateerden echter dat de Commissie geen opschortingen van betalingen had opgelegd. Volgens de Commissie waren de belangrijkste redenen hiervoor het feit dat 80 % van de programma’s de tekortkomingen bij de uitvoering voldoende had aangepakt en dat ongeveer een derde van de prioriteiten was of nog werd geherprogrammeerd. Toen de lidstaten werden geconfronteerd met het risico van opschorting wegens ernstige ondermaatse prestaties, hadden zij OP-wijzigingen voorgesteld — die de Commissie aanvaardde — om de mijlpalen te wijzigen (zie paragraaf 58).
De vrijmaking van de prestatiereserve werd gecompenseerd door de financiële impact van andere begrotingsherschikkingen
77 We onderzochten alle 1 624 prioriteiten die overeenkwamen met 267 van de 300 OP’s waarvoor de evaluatie van de prestaties in december 2020 was voltooid, om te beoordelen hoe de toewijzing van middelen sinds de eerste versie van de goedgekeurde OP’s over het algemeen was veranderd. We hebben gekeken naar de totale EU-toewijzing, d.w.z. de belangrijkste toewijzing en de prestatiereserve.
78 Wanneer de mijlpalen voor de prioriteiten niet zijn bereikt, wordt de overeenkomstige prestatiereserve herschikt naar de prioriteiten waarvan deze wel zijn bereikt. Deze herschikkingen gingen meestal gepaard met andere wijzigingen van OP’s.
79 Wij onderzochten ook of de algemene gegevens over veranderingen in begrotingstoewijzingen tussen het begin van de periode 2014‑2020 en de evaluatie van de prestaties konden worden teruggevoerd op de mate waarin de lidstaten erin waren geslaagd mijlpalen en streefdoelen te bereiken. Uit onze analyse bleek dat de totale toewijzing van EU-financiering niet automatisch toe- of afnam, afhankelijk van de mate waarin de mijlpalen voor de prioriteiten waren bereikt blijkens de evaluatie van de prestaties. Wij constateerden met name dat voor 62 van de 357 prioriteiten (17 %) waarvan de mijlpalen niet waren bereikt, daadwerkelijk meer EU-financiering was ontvangen. Ook was de totale EU-financiering voor 304 van de 1 267 prioriteiten waarvan de mijlpalen wel waren bereikt (24 %), daadwerkelijk afgenomen (zie figuur 13).
Figuur 13 — Wijzigingen in de toewijzing van EU-financiering op het niveau van de prioritaire as na de evaluatie van de prestaties en de herprogrammering van het OP (per april 2020)
Bron: ERK, op basis van gegevens van de Commissie in Launchpad/Infoview.
80 Hieruit blijkt dat er slechts een zwak verband bestond tussen programmaprioriteiten die tegen 2018 hun streefdoelen bereikten en programmaprioriteiten die herschikte middelen hadden ontvangen (tussen het begin van de periode en 2018). Diverse factoren kunnen tot deze situatie hebben bijgedragen, waaronder de beperkte prestatiereserves (die slechts 6 % van de totale toewijzingen uitmaken) en wijzigingen in de begrotingstoewijzingen na de goedkeuring van de OP’s om andere redenen, zoals de automatische verhoging van de financiering als gevolg van de technische aanpassingen (zoals in 2017) of de invoering van nieuwe prioriteiten.
Verwachtingen voor de periode 2021‑2027: flexibeler toewijzing van middelen, maar de verplichte prestatiereserve werd niet gecontinueerd
De verplichte prestatiereserve werd niet gecontinueerd
81 Elk programma zal in 2025 aan een tussentijdse evaluatie worden onderworpen om de toewijzing van de helft van de middelen voor de laatste twee jaar vast te stellen. De tussentijdse evaluatie zal onder meer zijn gebaseerd op vooruitgang in de richting van het bereiken van de mijlpalen, rekening houdend met grote moeilijkheden die bij de uitvoering van het programma zijn ondervonden[56]. De evaluatie van de prestaties en de verplichte prestatiereserve worden echter niet gecontinueerd. Tot dusver heeft de Commissie nog geen nadere informatie verstrekt over de wijze waarop de tussentijdse evaluatie en een daaropvolgende herprogrammering zullen worden uitgevoerd.
Flexibeler toewijzing van middelen in de gehele periode 2021‑2027 en invoering van de RRF als alternatieve financieringsbron voor investeringen
82 De context voor de tussentijdse evaluatie voor de periode 2021‑2027 zal anders zijn dan in voorgaande perioden. De lidstaten zullen meer flexibiliteit hebben om op elk moment tijdens de programmacyclus middelen te herprogrammeren en opnieuw toe te wijzen. De lidstaten hebben met name de mogelijkheid om, binnen bepaalde maxima, middelen over te dragen tussen prioriteiten in het kader van hetzelfde fonds, hetzelfde programma of dezelfde regiocategorie, zonder voorafgaande goedkeuring door de Commissie. De GB-verordening 2021‑2027 voorziet ook in de mogelijkheid om maximaal 5 % van de toewijzing van elk fonds over te dragen naar een ander instrument in direct of indirect beheer[57].
83 Bovendien zullen de komende jaren de cohesiebeleidsfondsen gelijktijdig met de RRF worden uitgevoerd. In 2021 hebben de lidstaten zich gericht op de voorbereiding van en onderhandelingen over hun nationale plannen voor herstel en veerkracht in het kader van de RRF. Er zijn al aanwijzingen dat de start van de programma's voor de periode 2021‑2027 nog meer vertraging zal oplopen dan zeven jaar geleden. Aangezien er geen nationale cofinanciering in het kader van de RRF is, kunnen bovendien veel investeringsprojecten die onder normale omstandigheden in het kader van de cohesiebeleidsfondsen zouden zijn uitgevoerd, nu uit de RRF worden gefinancierd. Als gevolg daarvan zullen de lidstaten waarschijnlijk minder van hun oorspronkelijk geprogrammeerde financiële toewijzingen absorberen dan was voorzien. Dit maakt het op zijn beurt waarschijnlijk dat er ten tijde van de tussentijdse evaluatie minder output en resultaten zullen worden gerealiseerd.
Resultaatgerichte financieringsmodellen
Verruiming van het gebruik van resultaatgerichte financieringsmodellen in de periode 2014‑2020
Twee nieuwe financieringsmodellen: “gezamenlijke actieplannen” en “financiering die niet gekoppeld is aan kosten”
84 In de periode 2014‑2020 zijn twee nieuwe financieringsmodellen ingevoerd. Bij deze modellen werd de EFRO/CF- en ESF-financiering gebaseerd op geverifieerde prestaties, zoals gemeten aan de hand van indicatoren met mijlpalen voor de output en/of resultaten, of de vervulling van voorwaarden, en niet op de werkelijk gemaakte subsidiabele kosten, zoals gebruikelijk.
85 Het eerste van deze financieringsmodellen was het “gezamenlijk actieplan” (GAP)[58], dat sinds het begin van de periode 2014‑2020 beschikbaar is. Betalingen aan GAP’s bestaan uit forfaitaire bedragen of standaardschalen van eenheidskosten, gekoppeld aan mijlpalen en streefdoelen (zie kader 6).
Gezamenlijk actieplan
Een GAP is een vorm van financiering die is gebaseerd op de output en/of resultaten die aan specifieke OP-doelstellingen zijn gekoppeld. GAP’s kunnen een project of een groep projecten omvatten op om het even welk investeringsgebied (met uitzondering van infrastructuur) dat steun ontvangt uit een of meer OP’s en een of meer cohesiebeleidsfondsen.
Het gebruik van GAP’s was beperkt tot grotere concrete acties met een minimumdrempel voor overheidsuitgaven van 10 miljoen EUR, ofwel 20 % van de overheidssteun uit het bijdragende OP/de bijdragende OP’s. De in het kader van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief gesteunde concrete acties of het eerste door een lidstaat ingediende GAP[59] waren van deze beperking vrijgesteld. In 2018 werd deze minimumdrempel verlaagd tot 5 miljoen EUR.
86 Bij een herziening van het Financieel Reglement in 2018 werd het tweede instrument ingevoerd, het model “financiering die niet gekoppeld is aan kosten” (FNLTC)[60]. Dit is een fundamenteel nieuwe methode voor EU-financiering die op de vervulling van voorwaarden of op behaalde resultaten is gebaseerd. Specifiek voor de ESI-fondsen wordt de financiering gekoppeld aan de voortgang bij de uitvoering of de verwezenlijking van de programmadoelstellingen[61]. FNLTC zou vanaf 2019 kunnen worden gebruikt voor EFRO/CF-investeringen op het gebied van energie-efficiëntie en energie uit hernieuwbare bronnen[62] (zie kader 7).
Financiering die niet gekoppeld is aan kosten
In 2019 heeft de Commissie een gedelegeerde verordening vastgesteld[63] betreffende het gebruik van het FNLTC-model voor EFRO/CF-investeringen op het gebied van energie-efficiëntie en energie uit hernieuwbare bronnen. Financiering wordt verstrekt per kWh energiebesparingen of per ton CO2-emissiereducties.
Dit illustreert dat financiering is gebaseerd op niet-financiële parameters en niet op gedane uitgaven. In de verordening wordt het aan de nationale/regionale instanties overgelaten om het bedrag van de financiering per bespaarde energie-eenheid vast te stellen.
87 Beide modellen bieden vereenvoudigde beheers- en controleregelingen, met financieel beheer, controle en audit, om na te gaan of aan de prestatiestreefdoelen of de betalingsvoorwaarden is voldaan[64]. Het gebruik ervan is facultatief, maar de GAP’s moeten door de Commissie worden goedgekeurd, terwijl de lidstaten die voornemens zijn FNLTC te gebruiken, de Commissie alleen op de hoogte hoefden te brengen.
Vereenvoudigde kostenopties: de gebruikelijke methode om financiering aan prestaties te koppelen
88 Daarnaast voorziet de GB-verordening in drie soorten vereenvoudigde kostenopties (SCO’s) voor de vergoeding van uitgaven die zijn berekend aan de hand van vooraf bepaalde methoden of kant en klare percentages[65] in plaats van de werkelijk gemaakte kosten:
- standaardschalen van eenheidskosten;
- forfaitaire bedragen;
- forfaitaire financiering.
89 SCO’s werden voor het eerst in de ESF-verordening opgenomen voor de periode 2007‑2013 en het toepassingsgebied ervan is sindsdien voortdurend uitgebreid, voor het laatst in 2018, met de uitbreiding van verplicht SCO-gebruik voor kleine uit het EFRO gefinancierde concrete acties, eerder ingevoerd voor uit het ESF gefinancierde concrete acties[66]. Sinds 2015 heeft de Commissie in het kader van de ESF-verordening specifieke percentages op EU-niveau en voor de lidstaten vastgesteld[67].
90 Standaardschalen van eenheidskosten en forfaitaire bedragen zijn bevorderlijk voor de prestaties voor zover zij betalingen koppelen aan de output, maar niet noodzakelijkerwijs voor de resultaten. Forfaitaire financiering is echter volledig gebaseerd op input. Niettemin kunnen SCO’s er volgens de Commissie toe bijdragen dat beheersautoriteiten en begunstigden zich meer richten op het realiseren van output in plaats van op input (en resultaten)[68].
91 Wij hebben de invoering van resultaatgerichter financiering in het cohesiebeleid de afgelopen jaren consequent gesteund. We hebben:
- vanaf 2012 aanbevolen om gebruik te maken van SCO’s om de administratieve last en het foutenrisico te verminderen[69], en
- al in 2017 aanbevolen om een resultaatgericht financieringsmodel in te voeren dat betalingen koppelt aan de vervulling van voorwaarden of het behalen van vooraf vastgestelde resultaten[70].
Onduidelijkheid over het gebruik van de nieuwe resultaatgerichte financieringsmodellen belemmerde het gebruik ervan door de lidstaten
Weinig belangstelling voor het gebruik van de nieuwe resultaatgerichte financieringsmodellen
92 In de periode 2014‑2020 toonden de lidstaten weinig belangstelling voor het gebruik van de twee nieuwe resultaatgerichte financieringsmodellen. In januari 2018 had alleen Polen een GAP-voorstel ingediend. Na overleg met de Commissie besloten de Poolse autoriteiten echter in juli 2019 om hun voorstel in te trekken. In april 2018 deed de Commissie een specifieke oproep om ervaringen inzake GAP's in kaart te brengen en belangstelling voor GAP's te wekken, en selecteerde zij twee proefprojecten: “bevordering van duurzame en inclusieve groei door het activeren van verborgen talent van NEET’s en migranten” in Nederland en “Training2Work” in Portugal. Beide projecten lopen momenteel; ze staan onder direct beheer van de Commissie en zijn samen goed voor een EU-bijdrage van ongeveer 1,1 miljoen EUR.
93 In de periode 2014‑2020 had alleen Oostenrijk het FNLTC-model getest voor één EFRO-project met een EU-bijdrage van ongeveer 36 miljoen EUR (zie kader 8).
Proefproject met gebruikmaking van FNLTC in Oostenrijk
“Betalingen die geen verband houden met kosten”, een project in Oostenrijk op het gebied van energie-efficiëntie, werd in 2019 opgezet en dekt ongeveer 5,4 % van het EFRO-OP “investeren in groei en werkgelegenheid in Oostenrijk 2014‑2020”. Het project ondersteunt investeringen die subsidiabel zijn in het kader van de Oostenrijkse milieusubsidieregeling.
Het doel is de CO2-emissies tegen 2023 met in totaal 143 700 ton per jaar te verminderen. De EU-financiering bedraagt 35,9 miljoen EUR en werd vastgesteld op basis van een eenheidsprijs van 250 EUR per ton CO2, die was gebaseerd op een berekeningsmethode die door de Oostenrijkse autoriteiten was voorgesteld en met de Commissie was overeengekomen.
De financiering wordt uitbetaald in fasen die verband houden met het bereiken van tussentijdse financieringsvoorwaarden, procedurele stappen (bijv. selectie van projecten) en gerealiseerde CO2-reducties.
Haalbaarheid en potentiële vraag naar GAP’s en FNLTC niet vooraf beoordeeld
94 Volgens de Commissie waren de belangrijkste redenen waarom de lidstaten terughoudend waren om GAP’s te gebruiken de al te ingewikkelde vaststellingsprocedure en de moeilijkheid om output- en resultaatindicatoren vast te stellen, maar ook het feit dat de lidstaten SCO’s efficiënter vinden[71]. Naar aanleiding van een enquête van de Commissie over FNLTC stelden de vertegenwoordigers van de lidstaten de volgende redenen voor het niet gebruiken van FNLTC vast: de omslachtige opzet, onduidelijkheid qua ontwerp en inzake het potentiële gebruik alsmede onzekerheid over de toepasselijke controleregelingen. Over het algemeen waren deskundigen van de lidstaten van mening dat resultaatgerichte financieringsmodellen omslachtig, ingewikkeld en tijdrovend, risicovoller voor begunstigden en minder flexibel zijn[72]. Ten slotte werd de invoering van het FNLTC-model ook belemmerd door het feit dat het pas vanaf 2019 kon worden gebruikt, toen de OP’s voor de periode 2014‑2020 al waren goedgekeurd en het grootste deel van de middelen ervan was vastgelegd.
95 Uit onze analyse bleek ook dat de Commissie de haalbaarheid van en de potentiële vraag naar dergelijke financieringsmodellen niet had beoordeeld aan de hand van een effectbeoordeling vooraf. We troffen ook weinig bewijs aan van wijdverbreide raadpleging voorafgaand aan het wetgevingsvoorstel binnen de Commissie (bijvoorbeeld met het directoraat-generaal Energie, dat toezicht houdt op de uitvoering van de energie-efficiëntierichtlijn) of met de lidstaten.
96 We stelden de drie belangrijkste belemmeringen voor het gebruik van deze innovatieve financieringsmodellen vast:
- de late invoering van FNLTC in de periode 2014‑2020;
- het feit dat beheersautoriteiten het lastig vinden om geschikte concrete acties te vinden, en
- de bezorgdheid van de lidstaten over de daarmee gepaard gaande rechtszekerheid wat betreft latere verificaties en controles, met name de verplichting om de regels inzake staatssteun en openbare aanbesteding na te leven.
De terughoudendheid van de lidstaten om in de periode 2014‑2020 gebruik te maken van resultaatgerichte financieringsmodellen is ook toe te schrijven aan discrepanties in de toepasselijke regels
97 Uit jaren van ervaring met controles weten we dat beheersautoriteiten rechts- en financiële zekerheid willen, aangezien zij vrezen dat de Commissie betalingen zou kunnen opschorten of zelfs financiële correcties zou kunnen opleggen als zich problemen voordoen. Dit werd ook bevestigd door de eigen effectbeoordeling van de Commissie in 2018[73].
98 Aan het begin van de periode 2014‑2020 had de Commissie richtsnoeren inzake SCO's gepubliceerd[74]. In mei 2021 heeft de Commissie deze richtsnoeren herzien om te verduidelijken dat de staatssteunregels, maar niet specifiek de procedures voor openbare aanbestedingen, bij voortduring moeten worden gecontroleerd met behulp van beheersverificaties en controles van concrete acties waarbij sprake is van SCO’s[75].
99 Vergelijkbare vragen kwamen op toen het FNLTC-model in 2018 werd ingevoerd omdat de toepasselijke regels inzake financiële controle en audit ambigu waren. Deze discrepanties in de toepasselijke regels hebben bijgedragen tot de terughoudendheid van de lidstaten om dit nieuwe resultaatgerichte financieringsmodel in de periode 2014‑2020 te gebruiken. In februari 2019 stelde de Commissie ter verduidelijking een gedelegeerde verordening vast. Wij zijn echter van mening dat hiermee de onderliggende kwestie van de wijze waarop audit en controle door de lidstaten de naleving van de basisregels voor de interne markt zou waarborgen, niet wordt aangepakt (zie kader 9).
De wettelijke bepalingen voor financiële controle en audit voor FNLTC in de periode 2014‑2020 zijn ambigu
Wat het FNLTC-model betreft, werd in de GB-verordening en de gedelegeerde verordening van 2019 bepaald dat controles beperkt moeten blijven tot het verifiëren van de vervulling van de voorwaarden voor terugbetaling[76]. De regelmatigheid van de uitgaven behoort niet tot deze voorwaarden.
Tegelijkertijd, en in tegenstelling tot het bovenstaande, moeten de beheersautoriteiten op grond van de GB-verordening nagaan of alle concrete acties worden uitgevoerd in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving, met inbegrip van EU- en nationale regels inzake openbare aanbestedingen en staatssteun[77].
De gedelegeerde verordening vereist ook een rechtvaardige, billijke en verifieerbare methode voor de berekening van het financieringsbedrag. Deze berekeningsmethode wordt vastgesteld door de autoriteiten die FNLTC zouden gebruiken, zonder dat daarvoor toestemming van de Commissie is vereist[78].
In de periode 2014‑2020 werd resultaatgerichte financiering bijna uitsluitend via traditionele SCO’s uitbetaald
SCO’s zullen naar verwachting ongeveer een derde van de ESF-uitgaven dekken, maar de nadruk ligt nog niet op resultaten
100 Het model waarbij gebruik wordt gemaakt van SCO’s is het enige resultaatgerichte financieringsmodel dat in de periode 2014‑2020 op grote schaal werd toegepast. Tijdens de periode heeft de Commissie het gebruik van SCO’s actief aangemoedigd en gestimuleerd om de administratieve last voor de beheersautoriteiten en het foutenrisico te verminderen. Dit heeft bijgedragen tot een aanzienlijk gebruik van SCO’s in vergelijking met de voorgaande periode. Bijna alle ESF-OP’s maken ten minste tot op zekere hoogte gebruik van SCO’s (meestal standaardschalen van eenheidskosten) en sommige EFRO-OP’s zijn ook begonnen met het gebruik van SCO’s (meestal vaste percentages op basis van de input). De Commissie schat dat SCO’s tegen het einde van de periode 2014‑2020 33 % van de ESF-uitgaven en 4 % van de EFRO/CF-uitgaven zullen hebben gedekt[79].
101 In totaal schatten wij dat ongeveer 22,5 miljard EUR, ofwel 8,5 % van de op subsidies gebaseerde cohesie-uitgaven voor de periode 2014‑2020, zal zijn terugbetaald met behulp van resultaatgerichte financieringsmodellen, bijna allemaal SCO’s.
Verwachtingen voor de periode 2021‑2027: succesvolle uitrol van FNLTC vereist verdere verduidelijking
Het gebruik van FNLTC is verruimd voor cohesie-uitgaven voor de periode 2021‑2027 en verplicht gesteld voor de RRF
102 In de komende jaren zal resultaatgerichte financiering de voornaamste vorm van EU-financiering worden wat de gedekte uitgaven betreft. Dit komt vooral doordat FNLTC, zoals omschreven in het Financieel Reglement[80], het enige financieringsmodel zal zijn voor het verstrekken van subsidies aan lidstaten in het kader van de RRF[81]. Dit is een opmerkelijke verschuiving in het financieel beheer van de EU.
103 Voor de periode 2021‑2027 wordt het gebruik van het FNLTC-model voor de cohesiebeleidsfondsen die onder de GB-verordening vallen mogelijk op twee niveaus: i) voor het verstrekken van de EU-bijdrage aan alle prioriteiten (of delen van een prioriteit) en ii) voor projecten die in het kader van dergelijke programma’s of prioriteiten worden uitgevoerd — voor de aan de begunstigde verstrekte subsidies[82]. Hierdoor wordt het voor de lidstaten gemakkelijker om EU-financiering te combineren met nationale of regionale financieringsregelingen waarvan de regels anders misschien moeilijk te verenigen zouden zijn met de EU-subsidiabiliteitsregels. Het FNLTC-model zal ook verplicht worden voor bepaalde acties ter versterking van de bestuurlijke capaciteit van de lidstaten[83]. De GAP’s worden echter niet gecontinueerd.
104 In de periode 2021‑2027 is de Commissie bevoegd om een gedelegeerde handeling vast te stellen ter aanvulling van de bepalingen in de GB-verordening[84]. Dit zou een nuttige manier kunnen zijn om kant-en-klare modellen voor FNLTC aan te bieden die bijvoorbeeld duidelijkheid verschaffen over de investeringsgebieden, de soorten activiteiten, de maatregelen en concrete acties en de voorwaarden waaraan moet worden voldaan of de output/resultaten die bij het gebruik van dit financieringsmodel moeten worden behaald.
De regelingen voor de controle op de naleving van de regels voor de interne markt in het kader van het FNLTC-model zijn nog steeds niet duidelijk genoeg
105 Naleving van de regels inzake openbare aanbestedingen en staatssteun is essentieel voor een doeltreffende werking van de interne markt van de EU. De lidstaten zullen er nog steeds voor moeten zorgen dat alle EU-uitgaven in overeenstemming zijn met de regels inzake openbare aanbestedingen en staatssteun[85]. Ten slotte is het de plicht van de Commissie ervoor te zorgen dat de EU-regels inzake openbare aanbestedingen en staatssteun door de lidstaten correct en consequent worden toegepast. Deze verplichting geldt voor alle overheidsuitgaven en soorten financiële steun. Daarom vinden wij het belangrijk om van meet af aan te verduidelijken hoe de beheers- en auditautoriteiten openbare aanbestedingen en staatssteun moeten behandelen bij het gebruik van FNLTC-modellen in de periode 2021‑2027, niet in de laatste plaats om een situatie van rechtsonzekerheid zoals in de voorgaande periode te voorkomen.
106 In de GB-verordening 2021‑2027 wordt bepaald dat met beheersverificaties en controles van de delen van een programma waarvoor het FNLTC-model wordt gebruikt, moet worden nagegaan of de voorwaarden voor vergoeding zijn vervuld of dat er resultaten zijn geboekt. Omdat de Commissie echter vooraf met dergelijke bedragen instemt, hoeven hiermee de onderliggende kosten niet te worden geverifieerd[86]. Dit doet geen afbreuk aan de verplichting van de lidstaten om toe te zien op de naleving van de regels inzake openbare aanbestedingen of staatssteun. De beheers- en auditautoriteiten moeten de Commissie nog steeds de zekerheid bieden dat alle in de rekeningen opgenomen uitgaven regelmatig zijn en in overeenstemming zijn met alle toepasselijke regels[87].
Conclusies en aanbevelingen
Resultaatgerichte financiering in het cohesiebeleid: nastrevenswaardige ambities, maar nog steeds belemmeringen in de periode 2014‑2020
107 In de periode 2014‑2020 is er veel gedaan om de resultaatgerichtheid van het cohesiebeleid te versterken en heeft de invoering van het prestatiekader bijgedragen tot een cultuurverandering in het financieel beheer van het cohesiebeleid. Uit onze controle bleek echter dat resultaatgerichte financiering nog niet is gerealiseerd. Met name de drie nieuwe instrumenten leidden weliswaar tot een nieuwe uitvoeringsaanpak, maar maakten geen merkbaar verschil voor de wijze waarop EU-financiering werd toegewezen en uitbetaald.
108 Het uitvoeringsproces van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) strekt zich over vele jaren uit; dit proces duurt soms langer dan de zevenjarige periode van het meerjarig financieel kader en voordat de EU-investeringen resultaten en soms zelfs output opleveren, verstrijkt er flink wat tijd. Een ander punt van zorg is de betrouwbaarheid en het nut van de informatie over prestaties op basis waarvan financiële middelen moeten worden toegewezen. Een van de belangrijkste lessen die zijn getrokken uit de weloverwogen initiatieven in de periode 2014‑2020 is het feit dat het koppelen van de toewijzing van middelen aan prestaties allesbehalve eenvoudig is.
Waren de instrumenten goed ontworpen om prestaties te stimuleren en de nadruk te verschuiven naar het behalen van resultaten?
109 Onze controle bevestigde dat alle drie de instrumenten het potentieel hadden om prestaties te stimuleren en de nadruk te verschuiven naar het behalen van resultaten. De instrumenten waren complementair in die zin dat ze van toepassing waren in verschillende stadia en op verschillende aspecten van de programma-uitvoering. Zij vormden echter stuk voor stuk een manier om cohesiefinanciering aan prestaties en resultaten te koppelen.
110 Ex-antevoorwaarden (EAV’s) behoorden tot de belangrijkste innovaties in de periode 2014‑2020. Zij waren bedoeld om vanaf het begin van de programma’s de juiste voorwaarden te scheppen voor doeltreffende uitgaven volgens het basisbeginsel dat het beter is om vroegtijdig, voordat de EU-financiering wordt uitbetaald, kwesties aan te pakken die het potentieel van de lidstaten en regio’s om de beoogde resultaten te behalen, kunnen beperken (zie de paragrafen 16-20).
111 De verplichte reservering van een deel van de financiering voor goed presterende maatregelen in de vorm van een “prestatiereserve” was op zich geen innovatief aspect, aangezien deze in de periode 2000‑2006 al in een andere vorm was gebruikt. Het innovatieve element was de beoordeling van de prestaties binnen een overeengekomen kader dat een reeks mijlpalen voor elke prioritaire as en de toewijzing van de reserve aan succesvolle prioriteiten omvat. Met de prestatiereserve werd een transparant en op regels gebaseerd instrument ingevoerd om de financiering in het kader van het cohesiebeleid resultaatgerichter te maken, mits de door de beheersautoriteiten gerapporteerde prestatiegegevens betrouwbaar waren en het kader stabiel was en naar behoren werd gehandhaafd. Het nadeel van dit instrument was de geringe omvang van de bedragen in kwestie, aangezien deze bedragen slechts 6 % van de toewijzingen uit de ESI-fondsen aan de lidstaten betroffen (zie de paragrafen 39-41).
112 De twee nieuwe financieringsmodellen, “gezamenlijke actieplannen” en “financiering die niet gekoppeld is aan kosten”, maakten het mogelijk om de financiering van concrete acties te baseren op geverifieerde prestaties zoals gemeten aan de hand van output- of resultaatindicatoren of de vervulling van voorwaarden. Dit was een duidelijke stap in de richting van het resultaatgerichter maken van het cohesiebeleid, hoewel het gebruik ervan facultatief was en beperkt was tot specifieke gebieden. Daarnaast werden vereenvoudigde kostenopties beschikbaar gesteld voor alle ESI-fondsen. Met twee daarvan (standaardschalen van eenheidskosten en forfaitaire bedragen) worden betalingen expliciet aan output gekoppeld (zie de paragrafen 84-91).
Hebben de Commissie en de lidstaten doeltreffend gebruikgemaakt van de instrumenten om de financiering van het cohesiebeleid resultaatgerichter te maken?
113 Uit onze controle bleek dat de Commissie en de lidstaten slechts ten dele doeltreffend gebruik hadden gemaakt van de drie instrumenten om de financiering van het cohesiebeleid resultaatgerichter te maken. Onze beoordeling is over het algemeen positiever voor EAV's dan voor de prestatiereserve en het minst positief voor resultaatgerichte financieringsmodellen (met uitzondering van vereenvoudigde kostenopties).
Ex-antevoorwaarden
114 De beoordeling van EAV's (en de voltooiing van de gerelateerde actieplannen) was vaak gebaseerd op ruime criteria die in de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen waren uiteengezet. Deze lieten aanzienlijke ruimte voor interpretatie en verwezen vaak niet naar specifieke kwantificeerbare streefdoelen, ook al konden dergelijke streefdoelen uit de EU-wetgeving worden afgeleid. In 2014 heeft de Commissie aanvullende richtsnoeren gepubliceerd over de wijze waarop de lidstaten en haar eigen diensten de vooruitgang bij de verwezenlijking van EAV’s moeten beoordelen. Uit onze controle bleek echter dat de Commissie tot het einde van de periode moeilijkheden ondervond bij het waarborgen van een geharmoniseerde beoordeling van EAV’s in alle lidstaten (zie de paragrafen 21 en 22).
115 Ongeveer een derde van de thematische EAV’s was nog niet vervuld in de programmavaststellingsfase. Dit geeft geen indicatie van de mogelijke impact van onvervulde EAV’s op het vermogen van de lidstaten om resultaten te bereiken. Het illustreert echter dat de kwestie van onvervulde EAV's niet op zichzelf stond, maar dat deze juist betrekking had op meerdere aspecten en vele lidstaten. Positief was wel dat de lidstaten tegen eind augustus 2017 98 % van de actieplannen binnen de termijn voor de verslaglegging hadden voltooid (zie de paragrafen 23-25).
116 In de periode 2014‑2020 werd de beoordeling van EAV’s opgezet als een eenmalige exercitie. Hierdoor was het onduidelijk of de in het kader van dit proces gerapporteerde resultaten gedurende de gehele periode 2014‑2020 in stand waren gebleven. Bovendien betekent de formele vervulling van een EAV op zich niet noodzakelijkerwijs dat de situatie ter plaatse is verbeterd en dat de voorwaarden voor het bereiken van resultaten zijn geschapen. Het niet voldoen aan EAV’s (of het niet voltooien van actieplannen) had zelden financiële gevolgen voor de lidstaten. Tegelijkertijd kan de invoering van EAV’s een indirecte bijdrage hebben geleverd, aangezien de voorwaarden voor de besteding van EU-middelen ter plaatse anders een nog grotere uitdaging zouden zijn geweest (zie de paragrafen 26-34).
117 De “randvoorwaarden” (die de EAV's opvolgden) zullen gedurende de gehele periode 2021‑2027 van toepassing zijn. Net als in de voorgaande periode hoeft de Commissie het Europees Parlement en de Raad echter niet te informeren over de naleving door de lidstaten van de randvoorwaarden. Ten slotte merken we op dat de randvoorwaarden voor de periode 2021‑2027 worden aangevuld met een nieuwe voorwaarde met betrekking tot de rechtsstaat. Voor cohesiebeleidsfondsen kan de Commissie echter alleen maatregelen voorstellen in gevallen waarin specifieke procedures in het kader van de verordening gemeenschappelijke bepalingen het goed financieel beheer van de EU-begroting of de bescherming van de financiële belangen van de EU onvoldoende waarborgen (zie de paragrafen 35-38).
Prestatiereserve
118 We hebben eerder verslag uitgebracht over de moeilijkheden die de lidstaten ondervonden bij het vaststellen van streefdoelen voor gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren die vervolgens waren gebruikt voor de toewijzing van de prestatiereserve (zie de paragrafen 42-48).
119 De Commissie heeft vanaf 2014 de voorwaarden en criteria voor de evaluatie van de prestaties aangepast en verduidelijkt. Na deze wijzigingen rapporteerden de lidstaten betere prestaties dan in het kader van de oorspronkelijke wetgeving (zie de paragrafen 49-52).
120 De lidstaten hebben veel van de mijlpalen voorafgaand aan de evaluatie van de prestaties gewijzigd. Na deze wijzigingen van het prestatiekader gaf de Commissie in 2019 en 2020 ongeveer 82 % van de prestatiereserve vrij. Zonder deze wijzigingen zou 56 % van de prestatiereserve zijn vrijgegeven en zou van ongeveer een derde van alle prioriteiten met een prestatiereserve worden vastgesteld dat zij ernstig tekortschoot wat betreft het bereiken van mijlpalen (zie de paragrafen 53-60).
121 We stelden bovendien vast dat de Commissie niet is nagegaan of alle prestatiegegevens die voor de evaluatie van de prestaties zijn gebruikt betrouwbaar waren. De verificaties door de beheersautoriteiten van de betrouwbaarheid van de prestatiegegevens liepen uiteen. Tegelijkertijd verrichtten de auditautoriteiten voorafgaand aan de evaluatie van de prestaties van 2019 controlewerkzaamheden met betrekking tot de betrouwbaarheid van de prestatiegegevens voor de meeste, maar niet alle programma’s. Een andere beperkende factor was het feit dat de tijdschema’s van de jaarlijkse uitvoeringsverslagen van de lidstaten en hun respectieve beheersverklaringen en jaarlijkse controleverslagen niet op elkaar waren afgestemd. De Commissie kon deze tekortkomingen slechts gedeeltelijk compenseren door middel van aanvullende controles van de door de lidstaten gerapporteerde prestatiegegevens. Ten slotte heeft de Commissie geen betalingen aan programma's opgeschort wegens ernstige tekortkomingen in de kwaliteit en betrouwbaarheid van het prestatiemonitoringsysteem of de gegevens over indicatoren (zie de paragrafen 61-73).
122 Uit onze analyse bleek dat de vrijgave van de prestatiereserve voornamelijk werd bepaald door de vorderingen van de lidstaten bij de uitvoering, zoals blijkt uit de succesvolle realisering van belangrijke uitvoeringsstappen of output en de besteding (ongeveer een derde van alle indicatoren bestond uit financiële indicatoren). Minder dan 1 % van de indicatoren had betrekking op resultaten. De Commissie had geen opschortingen van betalingen wegens ondermaatse prestaties opgelegd (zie de paragrafen 74-76).
123 We constateerden bovendien dat er slechts een zwak verband bestond tussen programmaprioriteiten die tegen 2018 hun streefdoelen bereikten en programmaprioriteiten die herschikte middelen hadden ontvangen (tussen het begin van de periode en 2018). Over het geheel genomen had de toewijzing van de prestatiereserve slechts een beperkt effect op de programmabudgetten (zie de paragrafen 77-80).
124 De evaluatie van de prestaties en de prestatiereserve werden voor de periode 2021‑2027 niet gecontinueerd. In 2025 zal er een tussentijdse evaluatie plaatsvinden waarvoor de Commissie nog niet heeft verduidelijkt hoe de prestaties in aanmerking zullen worden genomen. De context voor deze tussentijdse evaluatie zal echter anders zijn dan in voorgaande perioden. Een reden hiervoor is dat de cohesiebeleidsfondsen gelijktijdig met de herstel- en veerkrachtfaciliteit (RRF) zullen worden uitgevoerd. Er zijn al aanwijzingen dat de start van de programma's voor de periode 2021‑2027 nog meer vertraging zal oplopen dan zeven jaar geleden. Aangezien er geen nationale cofinanciering in het kader van de RRF is, kunnen bovendien veel investeringsprojecten die onder normale omstandigheden in het kader van de cohesiebeleidsfondsen zouden zijn uitgevoerd, nu uit de RRF worden gefinancierd. Als gevolg daarvan zullen de lidstaten waarschijnlijk minder van hun oorspronkelijk geprogrammeerde financiële toewijzingen absorberen dan was voorzien. Dit maakt het op zijn beurt waarschijnlijk dat er ten tijde van de tussentijdse evaluatie minder output en resultaten zullen worden gerealiseerd met uitgaven voor cohesie (zie de paragrafen 81-83).
Resultaatgerichte financieringsmodellen
125 In de periode 2014‑2020 toonden de lidstaten weinig belangstelling voor het gebruik van de twee nieuwe resultaatgerichte financieringsmodellen. Alleen Oostenrijk had het FNLTC-model (financiering die niet gekoppeld is aan kosten) voor één project getest. Bovendien test de Commissie onder haar eigen verantwoordelijkheid het model “gezamenlijk actieplan” (niet gecontinueerd voor de periode 2021‑2027) voor twee projecten. De EU-financiering voor deze drie proefprojecten bedraagt ongeveer 37 miljoen EUR (zie de paragrafen 92 en 93).
126 Uit onze analyse bleek dat in de effectbeoordeling vooraf van de Commissie voor de periode 2014‑2020 de haalbaarheid van en de potentiële vraag naar de nieuwe resultaatgerichte financieringsmodellen niet aan de orde kwamen. We stelden drie belangrijke belemmeringen voor een beter gebruik vast:
- de late invoering van het FNLTC-model in de periode 2014‑2020;
- het feit dat beheersautoriteiten het lastig vinden om geschikte concrete acties te vinden, en
- de bezorgdheid van de lidstaten over de rechtszekerheid wat betreft latere verificaties en controles, met name de verplichting om de regels inzake openbare aanbestedingen en staatssteun na te leven (zie de paragrafen 94-99).
127 Positief was wel dat het gebruik van vereenvoudigde kostenopties aanzienlijk was toegenomen ten opzichte van de voorgaande periode, deels doordat de Commissie de beheersautoriteiten actief aanmoedigt om de administratieve last en het foutenrisico te verminderen. Voor bijna alle programma’s van het Europees Sociaal Fonds wordt ten minste tot op zekere hoogte gebruikgemaakt van vereenvoudigde kostenopties en sommige programma’s van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling zijn deze ook gaan gebruiken. Dit betreft echter slechts een klein deel van de uitgaven: wij schatten dat ongeveer 8,5 % van de cohesie-uitgaven voor de periode 2014‑2020 zal zijn terugbetaald met behulp van resultaatgerichte financieringsmodellen, bijna allemaal vereenvoudigde kostenopties (zie de paragrafen 100 en 101).
128 Het FNLTC-model zal de komende jaren het voornaamste financieringsmodel van de EU worden, voornamelijk vanwege het verplichte gebruik ervan in het kader van de RRF. Het zal tegelijkertijd worden uitgerold als facultatief financieringsmodel op alle gebieden van het cohesiebeleid en zal het enige beschikbare model zijn voor bepaalde acties ter versterking van de bestuurlijke capaciteit. In de periode 2021‑2027 kan het FNLTC-model op twee niveaus worden gebruikt: i) voor de EU-bijdrage aan alle prioriteiten (of delen van een programmaprioriteit) in de lidstaat en ii) voor projecten die in het kader van dergelijke programma’s of prioriteiten worden uitgevoerd — voor de aan de begunstigde verstrekte subsidies. Hierdoor wordt het voor de lidstaten gemakkelijker om EU-financiering te combineren met nationale of regionale financieringsregelingen waarvan de regels anders misschien moeilijk te verenigen zouden zijn met de EU-subsidiabiliteitsregels. Voor het FNLTC-model moet de Commissie nog steeds duidelijkheid verschaffen over specifieke subsidiabiliteitsvereisten en kant-en-klare regelingen (zoals het vaststellen van relevante investeringsgebieden, activiteitengebieden, maatregelen of concrete acties en voorwaarden waaraan moet worden voldaan of te behalen output/resultaten). Er is ook behoefte aan verdere verduidelijking wat betreft de regelingen om de Commissie zekerheid te bieden inzake de naleving van de regels voor de interne markt (openbare aanbestedingen en staatssteun) wanneer het FNLTC-model wordt toegepast (zie de paragrafen 102-106).
Aanbeveling 1 — Maak optimaal gebruik van de randvoorwaarden in de periode 2021‑2027
De Commissie moet:
- systematisch monitoren of de lidstaten gedurende de hele programmeringsperiode aan de randvoorwaarden voldoen met behulp van haar vertegenwoordiger in het monitoringcomité voor cohesiebeleidsprogramma's, en
- aan het Europees Parlement en de Raad verslag uitbrengen over de vervulling van de randvoorwaarden door de lidstaten en over haar eigen handhavingsactiviteiten.
Tijdpad: gedurende de hele periode 2021‑2027
Aanbeveling 2 — Tref in een vroeg stadium voorbereidingen voor een doeltreffende tussentijdse evaluatie voor de periode 2021‑2027
De Commissie moet:
- de lidstaten in een vroeg stadium informeren over de aanpak die bij de tussentijdse evaluatie moet worden gevolgd, onder meer met betrekking tot de toewijzing van middelen voor de rest van de periode, en
- alle relevante bevindingen van de in 2024 verrichte evaluatie van het gebruik door de lidstaten van de RRF in aanmerking nemen bij de tussentijdse evaluaties van 2025 voor de investeringen met middelen van het cohesiebeleid in die lidstaten.
Tijdpad: in 2025
Aanbeveling 3 —Verduidelijk de regels die ten grondslag liggen aan het model “financiering die niet gekoppeld is aan kosten”
De Commissie moet:
- in nauwe samenwerking met de lidstaten vaststellen op welke relevante investeringsgebieden financiering op FNLTC kan worden gebaseerd en aan welke voorwaarden moet worden voldaan of welke output/resultaten moeten worden behaald voor de soorten activiteiten, maatregelen en concrete acties waarvoor gebruik kan worden gemaakt van FNLTC, en
- criteria vaststellen voor haar beoordeling van met redenen omklede verzoeken van de lidstaten tot wijziging van de voorwaarden waaraan moet worden voldaan of de te behalen output/resultaten.
Tijdpad: medio 2023
Aanbeveling 4 — Verduidelijk de aanpak voor het bieden van zekerheid over EU-financiering door middel van het model “financiering die niet gekoppeld is aan kosten”
De Commissie moet aangeven hoe beheers- en auditautoriteiten in de lidstaten:
- de betrouwbaarheid moeten onderzoeken van de systemen van de lidstaten voor de monitoring op en de verslaglegging over de voorwaarden waaraan moet worden voldaan of de output/resultaten die moeten worden behaald, en
- zekerheid moeten bieden inzake de doeltreffende toepassing van de regels inzake de interne markt (openbare aanbestedingen en staatssteun).
Tijdpad: medio 2022
Dit verslag werd door kamer II onder leiding van mevrouw Iliana Ivanova, lid van de Rekenkamer, te Luxemburg vastgesteld op 30 september 2021.
Voor de Rekenkamer
Klaus-Heiner Lehne
President
Bijlagen
Bijlage I — Operationele programma's waarop de controle betrekking had
Onze analyse had betrekking op 20 prioritaire assen met 120 indicatoren in het prestatiekader. Binnen deze 20 prioritaire assen onderzochten we een steekproef van 57 projecten; deze projecten bevatten samen 129 waarden voor de 120 indicatoren op het niveau van de prioritaire as.
Bron: ERK.
Bijlage II — Eerdere verslagen en adviezen
Speciale verslagen
- Speciaal verslag nr. 24/2016 — Meer inspanningen nodig om te zorgen voor grotere bekendheid en voor naleving van de staatssteunregels in het kader van het cohesiebeleid
- Speciaal verslag nr. 02/2017 — De onderhandelingen van de Commissie over de partnerschapsovereenkomsten en programma’s op cohesiegebied voor de periode 2014‑2020: doelgerichtere uitgaven voor prioriteiten van Europa 2020, maar steeds complexere regelingen voor prestatiemeting
- Speciaal verslag nr. 15/2017 — Ex-antevoorwaarden en prestatiereserve bij cohesie: innovatieve, maar vooralsnog geen doeltreffende instrumenten
- Speciaal verslag nr. 21/2018 — Selectie en monitoring van EFRO- en ESF-projecten zijn in de periode 2014‑2020 nog steeds hoofdzakelijk outputgericht
- Speciaal verslag nr. 20/2020 — Bestrijding van kinderarmoede — Betere gerichtheid van de steun van de Commissie vereist
Evaluaties
- Evaluatie nr. 05/2018 — De vereenvoudiging van de uitvoering van het cohesiebeleid na 2020
- Evaluatie nr. 05/2019 — Niet-afgewikkelde vastleggingen in de EU-begroting nader bekeken (Snelle evaluatie)
- Evaluatie nr. 08/2019 — Het leveren van prestaties in het cohesiebeleid (Briefingdocument)
Jaarverslagen
- Jaarverslag over het begrotingsjaar 2011, Publicatieblad 2012/C 344/1, hoofdstuk 6
- Jaarverslag over het begrotingsjaar 2012, Publicatieblad 2013/C 331/1, hoofdstuk 6
- Jaarverslag over het begrotingsjaar 2013, Publicatieblad 2014/C 398/1, hoofdstuk 10
- Jaarverslag over het begrotingsjaar 2014, Publicatieblad 2015/C 373/01, hoofdstuk 6
- Jaarverslag over de uitvoering van de begroting over het begrotingsjaar 2017, Publicatieblad 2018/C 357/01, hoofdstuk 3
- Jaarverslag over de uitvoering van de begroting betreffende het begrotingsjaar 2018, Publicatieblad 2019/C 340/01, hoofdstuk 1
Adviezen
- Advies nr. 1/2017 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie
- Advies nr. 6/2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen
- Advies nr. 6/2020 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een faciliteit voor herstel en veerkracht
Acroniemen en afkortingen
CF: Cohesiefonds
EAV: ex-antevoorwaarde
EFRO: Europees Fonds voor regionale ontwikkeling
EIF: Europees Investeringsfonds
Elfpo: Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling
ESF: Europees Sociaal Fonds
ESI-fondsen: Europese structuur- en investeringsfondsen
ETS: Europese territoriale samenwerking
FNLTC: financiering die niet gekoppeld is aan kosten (Financing not linked to costs)
GAP: gezamenlijk actieplan
GB-verordening: verordening gemeenschappelijke bepalingen
Kmo's: kleine en middelgrote ondernemingen
MFK: meerjarig financieel kader
NEET: geen scholing, geen werk, geen opleiding (Not in Education, Employment, or Training)
OESO: Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling
OP: operationeel programma
RRF: herstel- en veerkrachtfaciliteit (Recovery and Resilience Facility)
SCO’s: vereenvoudigde kostenopties
Woordenlijst
Auditautoriteit: een onafhankelijke nationale entiteit die verantwoordelijk is voor het controleren van de systemen en concrete acties van een EU-uitgavenprogramma
Beheersautoriteit: de nationale, regionale of lokale (overheids- of particuliere) instantie die door een lidstaat is aangewezen voor het beheer van een door de EU gefinancierd programma
Belangrijke uitvoeringsstap: tussenfase, ter aanvulling van de mijlpalen, in de richting van de verwezenlijking van de streefdoelen voor de output
Cohesiebeleid: het EU-beleid waarmee wordt beoogd de economische en sociale verschillen tussen regio's en lidstaten te verkleinen door de bevordering van het scheppen van werkgelegenheid, het concurrentievermogen van het bedrijfsleven, economische groei, duurzame ontwikkeling en grensoverschrijdende en interregionale samenwerking
Cohesiebeleidsfondsen: de vier EU-fondsen ter ondersteuning van de economische, sociale en territoriale cohesie in de hele EU in de periode 2021‑2027: het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds en het Fonds voor een rechtvaardige transitie
Europa 2020-strategie: de tienjarenstrategie van de EU die in 2010 is gestart om groei te bevorderen en werkgelegenheid te scheppen
Europese structuur- en investeringsfondsen: de vijf belangrijkste EU-fondsen, die samen de economische ontwikkeling in de hele EU in de periode 2014‑2020 ondersteunen: het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en aquacultuur
Forfaitair bedrag: type vereenvoudigde kostenoptie waarbij betalingen volledig worden verricht, in tegenstelling tot betalingen in termijnen, bijvoorbeeld om subsidiabele kosten van een concrete actie terug te betalen indien vooraf bepaalde activiteiten en/of output zijn voltooid
Impact: de bredere langetermijngevolgen van een voltooid project of programma, zoals sociaaleconomische voordelen voor de bevolking als geheel
Input: de financiële, personele, materiële, administratieve of regulerende middelen die gebruikt worden voor de uitvoering van een project of programma
Interventielogica: de verbanden tussen de doelstellingen van een voorstel, de geplande input en activiteiten en de beoogde resultaten en impact
Jaarlijks controleverslag: een document dat wordt opgesteld door de auditautoriteit van een lidstaat en wordt ingediend bij de Commissie als onderdeel van het jaarlijks zekerheidspakket van dat land
Jaarlijks uitvoeringsverslag: door de beheersautoriteit van een lidstaat opgesteld en bij de Commissie ingediend document inzake de voortgang van de uitvoering van een operationeel programma in het voorgaande begrotingsjaar
Mijlpaal: tussentijds streefdoel voor de verwezenlijking van een specifieke doelstelling dat op een vooraf bepaalde datum moet worden bereikt
Operationeel programma: het basiskader voor de uitvoering van door de EU gefinancierde cohesieprojecten in een bepaalde periode dat de prioriteiten en doelstellingen weergeeft die zijn vastgelegd in partnerschapsovereenkomsten tussen de Commissie en de afzonderlijke lidstaten
Output: iets wat door een project wordt gerealiseerd of bereikt, zoals het geven van een cursus of de aanleg van een weg
Prestatiekader: mijlpalen en streefdoelen die zijn vastgesteld voor een reeks indicatoren voor elke prioritaire as van een operationeel programma (met uitzondering van technische bijstand)
Prestatiereserve: een bedrag in de begroting dat is toegewezen aan de uitgaven in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen en dat wordt ingehouden totdat bepaalde mijlpalen zijn bereikt
Resultaat: het onmiddellijke effect van een project of programma na afronding ervan, zoals de verbeterde inzetbaarheid van deelnemers aan een cursus of verbeterde toegankelijkheid na de aanleg van een nieuwe weg
Standaardschalen van eenheidskosten: een vereenvoudigde kostenoptie die wordt gebruikt om de subsidiabele uitgaven van een concrete actie te berekenen door activiteiten, input, output en resultaten te vermenigvuldigen met de vooraf vastgestelde kosten voor de levering van één eenheid
Streefdoel: ten behoeve van dit verslag: output, te behalen resultaten of uitgaven die uiterlijk 31 december 2023 aan de Commissie moeten zijn gecertificeerd
Thematische doelstelling: het beoogde algehele resultaat van een investeringsprioriteit, uitgesplitst in specifieke doelstellingen voor de uitvoering
Vereenvoudigde kostenopties: een aanpak voor het bepalen van een subsidiebedrag met behulp van methoden als standaardeenheidskosten, forfaitaire bedragen of vaste bedragen, en niet op grond van de kosten die de begunstigde daadwerkelijk heeft gemaakt Opgezet om de administratieve lasten te verlichten
Verordening gemeenschappelijke bepalingen: de verordening tot vaststelling van de regels die van toepassing zijn op alle vijf de Europese structuur- en investeringsfondsen in de periode 2014‑2020
Antwoorden van de Commissie
Controleteam
In de speciale verslagen van de ERK worden de resultaten van haar controles van EU-beleid en -programma’s of beheerthema’s met betrekking tot specifieke begrotingsterreinen uiteengezet. Bij haar selectie en opzet van deze controletaken zorgt de Rekenkamer ervoor dat deze een maximale impact hebben door rekening te houden met de risico’s voor de prestaties of de naleving, de omvang van de betrokken inkomsten of uitgaven, de verwachte ontwikkelingen en de politieke en publieke belangstelling.
Deze doelmatigheidscontrole werd verricht door controlekamer II “Investeringen ten behoeve van cohesie, groei en inclusie”, die onder leiding staat van ERK-lid Iliana Ivanova. De controle werd geleid door ERK-lid Ladislav Balko, met ondersteuning van Branislav Urbanic, kabinetschef, en Zuzana Frankova, kabinetsattaché; Friedemann Zippel, hoofdmanager; Bernard Witkos, taakleider; Cristina Jianu, adjunct-taakleider; Ana Popescu, Annekatrin Langer en Samine Maur-Helmes, auditors. Michael Pyper verleende taalkundige ondersteuning. Alexandra Mazilu verleende grafische ondersteuning.
Voetnoten
[1] Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, artikel 33.
[2] Europese Commissie, Tussentijdse evaluatie/herziening van het meerjarig financieel kader 2014‑2020 — Een resultaatgerichte EU-begroting, COM(2016) 603 final, 14 september 2016; Europese Commissie, EU Budget Focused on Results (BFOR).
[3] Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen, overwegingen 3, 16 en 23.
[4] Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, artikel 174.
[5] Verordening (EU) 2021/1060 van het Europees Parlement en de Raad van 24 juni 2021 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie en het Europees Fonds voor maritieme zaken, visserij en aquacultuur en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visumbeleid.
[6] Verordening (EU) 2021/241 van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2021 tot instelling van de herstel- en veerkrachtfaciliteit.
[7] OESO, Budgeting and performance in the European Union: A review by the OECD in the context of EU budget focused on results, OECD Journal on Budgeting, Volume 2017/1, paragraaf 1.2.1.
[8] OESO, Incentivising performance in public investment policies delivered at national and subnational levels: Managing across temporal and institutional horizons, 31 maart 2017, blz. 8 en 9.
[9] Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, artikel 317; Verordening (EU, Euratom) 2018/1046, artikel 62, lid 3.
[10] Europese Commissie, Tussentijdse evaluatie/herziening van het meerjarig financieel kader 2014‑2020, COM(2016) 603 final, blz. 14; Jaarverslag 2017 van de ERK, de paragrafen 3.6 en 3.7, Evaluatie nr. 08/2019 van de ERK “Het leveren van prestaties in het cohesiebeleid (Briefingdocument)”, paragraaf 26.
[11] Verordening (EU) 2020/460 van het Europees Parlement en de Raad van 30 maart 2020 wat betreft specifieke maatregelen om investeringen in de gezondheidszorgstelsels van de lidstaten en in andere sectoren van hun economieën vrij te maken als antwoord op de COVID-19-uitbraak (Investeringsinitiatief Coronavirusrespons); Verordening (EU) 2020/558 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2020 wat betreft specifieke maatregelen met het oog op uitzonderlijke flexibiliteit bij het gebruik van de Europese structuur- en investeringsfondsen naar aanleiding van de uitbraak van Covid‐19.
[12] Speciaal verslag nr. 15/2017 van de ERK “Ex-antevoorwaarden en prestatiereserve bij cohesie: innovatieve, maar vooralsnog geen doeltreffende instrumenten”, bijlagen I en II.
[13] Verordening (EU) nr. 1303/2013, artikel 19, lid 2.
[14] Speciaal verslag nr. 15/2017 van de ERK, de paragrafen 38 en 94.
[15] Verordening (EU) nr. 1303/2013, artikel 19 en bijlage XI.
[16] Speciaal verslag nr. 15/2017 van de ERK, paragraaf 34.
[17] Speciaal verslag nr. 15/2017 van de ERK, de paragrafen 38 en 39.
[18] Speciaal verslag nr. 20/2020 van de ERK “Bestrijding van kinderarmoede — Betere gerichtheid van de steun van de Commissie vereist”, paragraaf 65.
[19] Speciaal verslag nr. 24/2016 van de ERK “Meer inspanningen nodig om te zorgen voor grotere bekendheid en voor naleving van de staatssteunregels in het kader van het cohesiebeleid”, paragraaf 105.
[20] Jaarverslag 2018 van de ERK, paragraaf 1.30.
[21] Europese Commissie, Werkdocument van de diensten van de Europese Commissie: The Value Added of Ex ante Conditionalities in the European Structural and Investment Funds, 31 maart 2017, SWD(2017) 127 final, delen C en D.
[22] Verordening (EU) nr. 1303/2013, artikel 19, lid 5.
[23] Speciaal verslag nr. 15/2017 van de ERK, de paragrafen 61 en 62.
[24] Europese Commissie, Procedure for monitoring and assessing the implementation of action plans to fulfil applicable ex ante conditionalities, DG EMPL, bijgewerkte versie voor het jaarlijks uitvoeringsverslag 2017, 28 juli 2017.
[25] Europese Commissie, ESI funds procedure on suspension of payments due to the failure to complete action plans to fulfil ex ante conditionalities, versie 3.0, 26 juni 2017, RegiDDG.02.
[26] Verordening (EU) nr. 1303/2013, artikel 19, lid 5.
[27] Bijlagen III en IV van Verordening (EU) 2021/1060.
[28] Verordening (EU) 2021/1060, artikel 15, lid 6.
[29] Verordening (EU) 2020/2092 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de Uniebegroting.
[30] Verordening (EU) nr. 1303/2013, artikel 20.
[31] Europese Commissie, Guidance for Member States on performance framework, review and reserve, EGESIF_18-0021-01, 19 juni 2018, versie 2.0.
[32] Uitvoeringsverordening (EU) nr. 215/2014 van de Commissie van 7 maart 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1303/2013, artikel 6.
[33] Uitvoeringsverordening (EU) nr. 215/2014 van de Commissie, artikel 5, lid 3.
[34] Uitvoeringsverordening (EU) 2015/207 van de Commissie van 20 januari 2015 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1303/2013, bijlage V.
[35] Verordening (EU) nr. 1303/2013, bijlage II, artikel 5.
[36] Uitvoeringsverordening (EU) nr. 215/2014 van de Commissie, artikel 5, lid 6.
[37] Verordening (EU) nr. 1303/2013, artikel 22, lid 6; Uitvoeringsverordening (EU) nr. 215/2014 van de Commissie, artikel 6.
[38] Jaarverslag 2013 van de ERK, paragraaf 10.56.
[39] Speciaal verslag nr. 15/2017 van de ERK, de paragrafen 102-106, 108 en 109.
[40] OESO, Budgeting and performance in the European Union, de paragrafen 1.2.2 en 1.2.3.
[41] Speciaal verslag nr. 21/2018 van de ERK “Selectie en monitoring van EFRO- en ESF-projecten zijn in de periode 2014‑2020 zijn nog steeds hoofdzakelijk outputgericht”, de paragrafen 61 en 62; Evaluatie nr. 5/2018 van de ERK “De vereenvoudiging van de uitvoering van het cohesiebeleid na 2020”, de paragrafen 41 en 59; Speciaal verslag nr. 15/2017 van de ERK, de paragrafen 78 en 79.
[42] Europese Commissie, “Impact assessment accompanying the document Proposal for a Regulation of the European Parliament and the Council on the European Social Fund Plus”, SWD(2018) 289 final, 30 mei 2018, bijlage 3.
[43] Speciaal verslag nr. 02/2017 van de ERK “De onderhandelingen van de Commissie over de partnerschapsovereenkomsten en programma’s op cohesiegebied voor de periode 2014‑2020: doelgerichtere uitgaven voor prioriteiten van Europa 2020, maar steeds complexere regelingen voor prestatiemeting”, paragraaf 47.
[44] Evaluatie nr. 5/2019 van de ERK “Niet-afgewikkelde vastleggingen in de EU-begroting nader bekeken (snelle evaluatie)”, paragraaf 82.
[45] Uitvoeringsverordening (EU) 2018/276 van de Commissie van 23 februari 2018 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 215/2014, artikel 1, lid 1.
[46] Uitvoeringsverordening (EU) 2019/256 van de Commissie van 13 februari 2019 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/207, bijlagen V en VI.
[47] Europese Commissie, Decommitment methodology (n+3) and process in 2014 – 2020 – Update, EGESIF_17-0012-2, 23 november 2017.
[48] Uitvoeringsverordening (EU) nr. 215/2014 van de Commissie, artikel 5, lid 6.
[49] Europese Commissie, Guidance for Member States on Performance framework, review and reserve, blz. 15; Europese Commissie, Guidance on the Common approach to the revision of milestones and targets in the performance frameworks, 14 juni 2018, versie 3.0, blz. 3, 8 en 9.
[50] Verordening (EU) nr. 1303/2013, artikel 2, lid 30, en artikel 50, lid 1.
[51] Verordening (EU) nr. 1303/2013, artikel 125, lid 4, punt e); Uitvoeringsverordening (EU) 2015/207 van de Commissie, bijlage VI.
[52] Verordening (EU) nr. 1303/2013, artikel 2, lid 29, en artikel 138, punten b) en c).
[53] Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/886 van de Commissie van 12 februari 2019 wat betreft de bepalingen inzake financiële instrumenten, vereenvoudigde kostenopties, het audittraject, de reikwijdte en inhoud van controles van concrete acties en de methode voor de selectie van de steekproef van de concrete acties en bijlage III, artikel 1, lid 11, punt a).
[54] Europese Commissie, Jaarlijks activiteitenverslag 2019 van DG REGIO, blz. 39.
[55] Verordening (EU) nr. 1303/2013, artikel 142, lid 1, punt d).
[56] Verordening (EU) 2021/1060, artikel 18, lid 1, punt f).
[57] Verordening (EU) 2021/1060, artikel 24, lid 5, en artikel 26, lid 1.
[58] Verordening (EU) nr. 1303/2013, artikel 104.
[59] Verordening (EU) nr. 1303/2013, artikel 104, lid 2.
[60] Verordening (EU, Euratom) 2018/1046, artikel 125, lid 1, punt a).
[61] Verordening (EU) nr. 1303/2013, artikel 67, lid 1, punt e).
[62] Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/694 van de Commissie van 15 februari 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de vorm van financiering die niet gekoppeld is aan de kosten van de betrokken concrete acties.
[63] Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/694 van de Commissie.
[64] Verordening (EU) nr. 1303/2013, artikel 67, lid 1, en artikel 109, lid 2; Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/694 van de Commissie, bijlage.
[65] Verordening (EU) nr. 1303/2013, artikel 67, lid 1, punt b) tot en met d), artikel 67, lid 5), artikel 67, lid 5, punt a), artikel 68, artikel 68 bis en artikel 68 ter.
[66] Verordening (EU) nr. 1303/2013, artikel 67, lid 2 bis.
[67] Gedelegeerde verordening (EU) 2015/2195 van de Commissie van 9 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Sociaal Fonds, wat betreft de definitie van de standaardschalen van eenheidskosten en vaste bedragen voor de terugbetaling van uitgaven door de Commissie aan lidstaten.
[68] Europese Commissie, Richtsnoeren betreffende vereenvoudigde kostenopties (SCO's) — Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen), EGESIF_14-0017, september 2014, blz. 8.
[69] Jaarverslag 2011 van de ERK, paragraaf 6.30; Jaarverslag 2012 van de ERK, paragraaf 6.42; Jaarverslag 2014 van de ERK, paragraaf 6.79.
[70] Speciaal verslag nr. 02/2017 van de ERK, aanbeveling 6; Advies nr. 1/2017 van de ERK over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, de paragrafen 82 en 84.
[71] Europese Commissie, Impact assessment accompanying the document “Proposal for a Regulation of the European Parliament and the Council on the European Social Fund Plus”, SWD(2018) 289 final, 30 mei 2018, blz. 22.
[72] Transnational Network of ERDF/CF SCO practitioners, 6th meeting, presentation of Result-based approaches, 2 juli 2020; Europese Commissie (t33 & SWECO), Use and intended use of simplified cost options in ESF, ERDF, CF and EAFRD, 27 maart 2018, blz. 13 en 16.
[73] Europese Commissie, Impact assessment accompanying the document “Proposal for a Regulation of the European Parliament and the Council on the European Social Fund Plus", SWD(2018) 289, 30 mei 2018, blz. 21; Europese Commissie, Impact assessment accompanying the document 'Proposal for a Regulation of the European Parliament and the Council on the European Regional Development Fund and on the Cohesion Fund, SWD(2018) 282, 29 mei 2018, blz. 64.
[74] Europese Commissie, Richtsnoeren betreffende vereenvoudigde kostenopties (SCO's), EGESIF_14-0017, september 2014.
[75] Mededeling van de Commissie — Richtsnoeren betreffende het gebruik van vereenvoudigde kostenopties binnen de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI) — Herziene versie (2021/C 200/01), 27 mei 2021, blz. 15 en 41.
[76] Verordening (EU) nr. 1303/2013, artikel 67, lid 1; Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/694 van de Commissie van 15 februari 2019, overweging 6 en punt 4, f) van de bijlage.
[77] Verordening (EU) nr. 1303/2013, artikel 125, lid 4, punt a); Verordening (EU) nr. 651/2014 van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën met de interne markt verenigbaar worden verklaard.
[78] Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/694 van de Commissie van 15 februari 2019, artikel 3, lid 2, en artikel 3, lid 1, en artikel 5 van de bijlage.
[79] Europese Commissie, Use and intended use of simplified cost options in ESF, ERDF, CF, EARD and EAFRD, 27 maart 2018, blz. 42 en 53.
[80] Verordening (EU, Euratom) 2018/1046, artikel 125, lid 1, punt a).
[81] Verordening (EU) 2021/241, overweging 18, artikel 4, lid 2, en artikel 24, lid 2; Advies nr. 6/2020 van de ERK over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een faciliteit voor herstel en veerkracht, de paragrafen 47 en 53-56.
[82] Verordening (EU) 2021/1060, artikel 53, lid 1, punt f) en artikel 95, lid 1.
[83] Verordening (EU) 2021/1060, artikelen 37 en 95.
[84] Verordening (EU) 2021/1060, artikel 95, lid 4.
[85] Verordening (EU) nr. 1303/2013, artikel 125, lid 4, punt a); Verordening (EU) 2021/1060, artikel 74, lid 1, punt a).
[86] Verordening (EU) 2021/1060, artikel 95, lid 3, en overweging 34.
[87] Verordening (EU) 2021/1060, artikel 69, lid 2, en artikel 74, lid 1, punt a).
Contact
EUROPESE REKENKAMER
12, rue Alcide De Gasperi
L-1615 Luxemburg
LUXEMBURG
Tel. +352 4398-1
Inlichtingen: eca.europa.eu/nl/Pages/ContactForm.aspx
Website: eca.europa.eu
Twitter: @EUAuditors
Meer gegevens over de Europese Unie vindt u op internet via de Europaserver (http://europa.eu).
Luxemburg: Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2021
| ISBN 978-92-847-6874-5 | ISSN 1977-575X | doi:10.2865/969221 | QJ-AB-21-024-NL-N | |
| HTML | ISBN 978-92-847-6848-6 | ISSN 1977-575X | doi:10.2865/098050 | QJ-AB-21-024-NL-Q |
AUTEURSRECHT
© Europese Unie, 2021.
Het beleid van de Europese Rekenkamer (ERK) inzake hergebruik is geregeld bij Besluit nr. 6-2019 van de Europese Rekenkamer over het opendatabeleid en het hergebruik van documenten.
Tenzij anders aangegeven (bv. in afzonderlijke auteursrechtelijke mededelingen), wordt voor inhoud van de ERK die eigendom is van de EU een licentie verleend in het kader van de Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0)-licentie. Dit betekent dat hergebruik is toegestaan mits de bron correct wordt vermeld en wijzigingen worden aangegeven. De hergebruiker mag de oorspronkelijke betekenis of boodschap van de documenten niet wijzigen. De ERK is niet aansprakelijk voor mogelijke gevolgen van hergebruik.
U dient aanvullende rechten te verwerven indien specifieke inhoud personen herkenbaar in beeld brengt, bijvoorbeeld op foto’s van personeelsleden van de ERK, of werken van derden bevat. Indien toestemming wordt verkregen, wordt hiermee de bovengenoemde algemene toestemming opgeheven en zullen beperkingen van het gebruik daarin duidelijk worden aangegeven.
Wilt u inhoud gebruiken of reproduceren die geen eigendom van de EU is, dan dient u de houders van het auteursrecht mogelijk rechtstreeks om toestemming te vragen:
- Figuur 9, 13: iconen gemaakt door Pixel perfect van https://flaticon.com
Software of documenten waarop industriële-eigendomsrechten rusten, zoals octrooien, handelsmerken, geregistreerde ontwerpen, logo’s en namen, zijn uitgesloten van het beleid van de ERK inzake hergebruik; hiervoor wordt u geen licentie verleend.
De groep institutionele websites van de Europese Unie met de domeinnaam “europa.eu” bevat links naar sites van derden. Aangezien de ERK geen controle heeft over deze sites, wordt u aangeraden kennis te nemen van hun privacy- en auteursrechtbeleid.
Gebruik van het logo van de Europese Rekenkamer
Het logo van de Europese Rekenkamer mag niet worden gebruikt zonder voorafgaande toestemming van de Europese Rekenkamer.
Hoe neemt u contact op met de EU?
Kom langs
Er zijn honderden Europe Direct-informatiecentra overal in de Europese Unie. U vindt het adres van het dichtstbijzijnde informatiecentrum op: https://europa.eu/european-union/contact_nl
Bel of mail
Europe Direct is een dienst die uw vragen over de Europese Unie beantwoordt. U kunt met deze dienst contact opnemen door:
- te bellen naar het gratis nummer: 00 800 6 7 8 9 10 11 (bepaalde telecomaanbieders kunnen wel kosten in rekening brengen),
- te bellen naar het gewone nummer: +32 22999696, of
- een e-mail te sturen via: https://europa.eu/european-union/contact_nl
Waar vindt u informatie over de EU?
Online
Informatie over de Europese Unie in alle officiële talen van de EU is beschikbaar op de Europa-website op: https://europa.eu/european-union/index_nl
EU-publicaties
U kunt publicaties van de EU downloaden of bestellen op: https://op.europa.eu/nl/publications (sommige zijn gratis, andere niet). Als u meerdere exemplaren van gratis publicaties wenst, neem dan contact op met Europe Direct of uw plaatselijke informatiecentrum (zie https://europa.eu/european-union/contact_nl).
EU-wetgeving en aanverwante documenten
Toegang tot juridische informatie van de EU, waaronder alle EU-wetgeving sinds 1951 in alle officiële talen, krijgt u op EUR-Lex op: http://eur-lex.europa.eu
Open data van de EU
Het opendataportaal van de EU (http://data.europa.eu/euodp/nl) biedt toegang tot datasets uit de EU. Deze gegevens kunnen gratis worden gedownload en hergebruikt, zowel voor commerciële als voor niet-commerciële doeleinden.
