Speciaal verslag
nr.02 2019

Chemische gevaren in onze voeding: het voedselveiligheidsbeleid van de EU beschermt ons maar kent uitdagingen

Over het verslag Voedselveiligheid is een belangrijke prioriteit voor de EU en is van invloed op al haar burgers. De EU streeft ernaar haar burgers te beschermen tegen gevaren die in levensmiddelen aanwezig kunnen zijn. We zijn nagegaan of het model voor voedselveiligheid van de EU, specifiek met betrekking tot chemische gevaren, een solide basis heeft en deugdelijk wordt uitgevoerd. Wij stelden vast dat het model een solide basis heeft, wereldwijd in acht wordt genomen en dat Europese burgers een van de hoogste niveaus van voedselveiligheid ter wereld genieten. Wij constateerden echter ook dat het model voor voedselveiligheid van de EU momenteel te ambitieus is en bepaalde uitdagingen kent. We doen de Commissie aanbevelingen over de manier waarop ze deze uitdagingen kan aanpakken en de werking van het voedselveiligheidsmodel kan verbeteren.

De publicatie is beschikbaar in 23 talen en in het volgende formaat:
PDF
PDF General Report

Samenvatting

I

Voedselveiligheid is een belangrijke prioriteit voor de EU, heeft gevolgen voor alle burgers en hangt nauw samen met het handelsbeleid. Het EU-voedselveiligheidsbeleid streeft een hoog niveau van bescherming van het leven en de gezondheid van de mens na en tracht de burgers te beschermen tegen drie soorten gevaren met betrekking tot levensmiddelen: fysische, biologische en chemische gevaren.

II

Deze controle was gericht op chemische gevaren en onze controlevraag luidde: „Heeft het Europese model voor voedselveiligheid een solide basis en wordt het deugdelijk uitgevoerd om de in de EU geconsumeerde levensmiddelen te vrijwaren van chemische gevaren?” Wij stelden vast dat het model wel degelijk een goede basis heeft en wereldwijd wordt nageleefd. Wij constateerden echter ook dat het model momenteel te ambitieus is, omdat de Commissie en de lidstaten niet de mogelijkheden hebben om het volledig uit te voeren.

III

Wat chemicaliën betreft, wordt het voedselveiligheidsmodel van de EU wereldwijd als een referentiepunt beschouwd en volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) genieten Europese burgers een van de hoogste niveaus van voedselveiligheid ter wereld. De kracht van het Europese voedselveiligheidsmodel is gebaseerd op:

  1. de bestuursstructuur, met een scheiding van bevoegdheden tussen de gedecentraliseerde EU-agentschappen en de Commissie, waardoor risicobeoordeling en risicomanagement los van elkaar staan;
  2. het doel om de veiligheid van chemicaliën te evalueren voordat ze in de voedselketen worden gebruikt; en
  3. de duidelijke bevoegdheidsverdeling tussen de private sector en openbare controle-instanties.

Bovendien vereist de EU van niet-EU-landen dat ze de EU-normen naleven zodat levensmiddelen die in de EU worden ingevoerd aan dezelfde hoge veiligheidsnormen voldoen.

IV

We stelden echter vast dat de uitvoering van het model momenteel nog enkele uitdagingen kent. Wij hebben met name het volgende geconstateerd:

  1. Het rechtskader van de EU met betrekking tot chemicaliën in levensmiddelen, diervoeders, planten en levende dieren blijft werk in uitvoering en heeft nog niet de mate van uitvoering bereikt die in de EU-levensmiddelenwetgeving wordt beoogd. Bovendien heeft de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA), die wetenschappelijk advies verstrekt met het oog op Europese wet- en regelgeving en beleidsvorming, te kampen met een achterstand, onder andere in haar werk op het gebied van chemicaliën. Dit beïnvloedt de goede werking van delen van het systeem en de houdbaarheid van het model als geheel.
    Daarnaast maken de door de overheidsinstanties uitgevoerde controles slechts een klein deel uit van alle uitgevoerde controles. We stelden vast dat in sommige controles van lidstaten bepaalde groepen van chemische stoffen vaker aan bod komen dan andere, en dat het rechtskader zo uitgebreid is dat overheidsinstanties moeite hebben om alle op hen rustende verantwoordelijkheden alleen te vervullen. De geloofwaardigheid van het EU-model kan het best in stand worden gehouden door openbare controlesystemen aan te vullen met controles door de private sector. De synergieën tussen openbare en private controlesystemen worden echter nu pas verkend.
  2. De EU streeft ernaar te waarborgen dat ingevoerde levensmiddelen voldoen aan de hoge Europese veiligheidsnormen. Momenteel heeft de EU het gebruik van bestrijdingsmiddelen op basis van gevarencriteria beperkt. Desondanks kunnen residuen van dergelijke bestrijdingsmiddelen worden getolereerd in producten die in de EU worden ingevoerd als een risicobeoordeling heeft aangetoond dat er geen risico bestaat voor de consumenten.
  3. Het controlesysteem heeft beperkingen; zo hadden lidstaten moeite met het bepalen van de aard van de handhavingsmaatregelen die moeten worden getroffen in het geval van niet-naleving. Daarnaast heeft de Commissie mogelijkheden vastgesteld ter verbetering van haar procedures voor de monitoring en handhaving van wetgeving inzake voedingsmiddelen.
V

Op basis van deze bevindingen moedigen we de Commissie aan om het rechtskader verder te ontwikkelen zodat dit de burgers beschermt tegen chemische gevaren en doen we daarnaast drie aanbevelingen. De Commissie moet:

  1. als onderdeel van de huidige programmaronde voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (Refit) inzake het rechtskader voor levensmiddelen, diervoerders, levende dieren en planten, potentiële veranderingen van de wetgeving op het gebied van chemische gevaren beoordelen in het licht van de capaciteit om deze consequent toe te passen. Ze moet voortbouwen op het werk waarmee al is begonnen om complementariteit te bevorderen door de vervolgstappen te bepalen zodat de overheidsinstanties van de lidstaten, voor zover gerechtvaardigd, in grotere mate kunnen vertrouwen op de door de private sector uitgevoerde controles om de coördinatie en de doelmatigheid van de controles te verbeteren alsook de houdbaarheid van het EU-oedselveiligheidsmodel.
  2. Wat residuen van bestrijdingsmiddelen in levensmiddelen betreft, moet de Commissie toelichten welke stappen ze zal ondernemen om dezelfde mate van zekerheid te bieden voor zowel in de EU geproduceerde als ingevoerde levensmiddelen in overeenstemming met de WTO-regels.
  3. De Commissie moet de lidstaten nadere richtsnoeren verstrekken voor de toepassing van handhavingsmaatregelen. De Commissie moet ook de mogelijkheden die ze heeft vastgesteld, toepassen ter verbetering van haar procedures voor het monitoren van de naleving van EU-levensmiddelenwetgeving.

Inleiding

1

Voedselveiligheid is een belangrijke prioriteit voor de EU en al haar burgers. Met het EU-voedselveiligheidsbeleid, dat berust op de hoofdverantwoordelijkheid van particuliere exploitanten1, wordt ernaar gestreefd mensen te beschermen tegen ziekten die worden veroorzaakt door het voedsel dat ze eten. Voedselveiligheid kan de gezondheid van alle burgers beïnvloeden en hangt nauw samen met de waarborging van het vrije verkeer van levensmiddelen en diervoeders binnen de Unie en de bevordering van de internationale handel2 in veilige diervoerders en veilige en gezonde levensmiddelen. De Europese levensmiddelenwetgeving streeft ernaar „een hoog niveau van bescherming van het leven en de gezondheid van de mens (…) te waarborgen”3. De Commissie heeft het belang van dit beleid benadrukt door te stellen dat de waarborging dat de in de EU verkochte levensmiddelen veilig blijven, centraal staat in een Europa dat beschermt4.

2

Volgens de schattingen van de WHO inzake de mondiale lasten van door voedsel overgedragen ziekten5, is Europa een van de veiligste plekken ter wereld om te eten.

Wat zijn chemische gevaren in levensmiddelen?

3

Het doel van een voedselveiligheidsmodel is om drie soorten gevaren te bestrijden6: fysische7, biologische8 en chemische gevaren. Deze controle was gericht op chemische gevaren.

4

Alle levensmiddelen bevatten chemicaliën. Chemische gevaren zijn stoffen met mogelijk nadelige gevolgen voor de gezondheid die van nature in levensmiddelen voorkomen of er tijdens de productie of bewerking aan zijn toegevoegd (zie tabel 1). Voorbeelden hiervan zijn sommige additieven, bestrijdingsmiddelen en bepaalde metalen. Residuen van bepaalde stoffen kunnen achterblijven en kunnen verderop in de voedselvoorzieningsketen of voor diverse categorieën producten gevolgen hebben. Residuen van bestrijdingsmiddelen die worden gebruikt om planten als diervoeder te kweken, kunnen bijvoorbeeld later in tests voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong worden vastgesteld. Daarom kent het voedselveiligheidsmodel van de EU een geïntegreerde aanpak die maatregelen omvat met betrekking tot de gehele voedselketen: van diervoeder, de gezondheid van dieren, de bescherming van planten en de productie van levensmiddelen tot de verwerking, opslag, het vervoer, de in- en uitvoer en de detailhandel. Chemische gevaren kunnen in alle levensmiddelen aanwezig zijn, ook in biologische levensmiddelen9.

Tabel 1

Groepen van chemische gevaren die zijn onderworpen aan EU-regelgeving en die onder de reikwijdte van deze controle vallen

Gereguleerde voedselingrediënten Levensmiddelenadditieven
Voedingsenzymen
Levensmiddelenaroma's
Bronnen van nutriënten (voedingssupplementen / plantaardige stoffen)
Residuen in de voedselketen Toevoegingsmiddelen in diervoeding
Diergeneesmiddelen
Bestrijdingsmiddelen
Contaminanten Milieuverontreinigende stoffen
Natuurlijke contaminanten
Procescontaminanten
Materialen die met levensmiddelen in contact komen
5

Het rechtscorpus van de Europese Unie betreffende chemicaliën in verband met voedselveiligheid is enorm uitgebreid en versnipperd. De EU heeft tal van wetgevingsinstrumenten10, waaronder richtlijnen, verordeningen, besluiten en overeenkomsten, aangenomen op elk specifiek gebied (levensmiddelenadditieven, aroma's, toevoegingsmiddelen in diervoeding, bestrijdingsmiddelen, enz.). Over het algemeen worden met dit rechtscorpus ongeveer 8 000 chemische stoffen gereglementeerd (zie bijlage I).

Gezondheidsrisico's in verband met chemische gevaren in levensmiddelen

6

De effecten van levensmiddelen die chemicaliën in toxische hoeveelheden bevatten, zijn moeilijk te meten. Studies over door levensmiddelen overgedragen ziekten bevatten vaak minder cijfers over ziekten of sterfgevallen ten gevolge van chemische gevaren11 dan studies over door levensmiddelen overgedragen infecties. De reden hiervoor kan zijn dat de schade die door veel chemische gevaren wordt veroorzaakt pas op lange termijn zichtbaar wordt en in sommige gevallen het gevolg is van de onderlinge wisselwerking en het cumulatieve effect van deze gevaren op onze lichamen.

7

Spontane klachten over een specifiek product op de markt dat de toxiciteitsniveaus overschrijdt, zijn bijgevolg relatief zeldzaam. Het controlesysteem dat door overheidsinstanties wordt beheerd (zie de paragrafen 13-17) vervult een belangrijke rol in de bescherming van consumenten tegen potentiële risico's.

8

Chemicaliën in levensmiddelen — met inbegrip van natuurlijk voorkomende stoffen — kunnen hormoonontregelend werken en antibiotica die bij dieren worden gebruikt, kunnen antimicrobiële resistentie in de hand werken. Bijlage II bevat voorbeelden van niet te verwaarlozen gezondheidsrisico's in verband met chemicaliën in levensmiddelen.

9

Op de vraag naar enkele kwesties met betrekking tot levensmiddelen antwoordden burgers dat het gebruik van bestrijdingsmiddelen, antibiotica en additieven in de productie van levensmiddelen hen het meeste zorgen baarde. In een recente studie in opdracht van de EFSA werd vastgesteld dat 86 % van de respondenten zeer of redelijk bezorgd was over het gebruik van dergelijke stoffen in de productie van levensmiddelen (zie figuur 1).

Figuur 1

Risicopercepties in verband met verschillende kwesties — in de hele EU

Bron: Etienne, J. et al., EU Insights — Consumer perceptions of emerging risks in the food chain, EFSA, 18.4.2018. doi:10.2903/sp.efsa.2018.EN-1394 ICF.

Waarom er chemische gevaren aanwezig zijn in levensmiddelen

10

Levensmiddelen kunnen langs verschillende wegen aan toxische niveaus van chemicaliën worden blootgesteld, waaronder landbouwpraktijken, industriële processen, ongeschikte opslagomstandigheden, milieuverontreiniging en natuurlijke toxinen. Chemische gevaren kunnen op elk moment in de voedseltoeleveringsketen opduiken. Hieronder geeft koffiekopje 1 aan welke chemische gevaren een normaal product kan bevatten. Verderop in dit verslag gebruiken we nog eens twee koffiekopjes om te verduidelijken hoe ditzelfde product door het EU-voedselveiligheidsmodel wordt beïnvloed.

Koffiekopje 1

Houden de koffiebonen voor uw koffie een chemisch gevaar in?

De geroosterde koffiebonen die worden gebruikt om uw dagelijkse kopje koffie te bereiden, kunnen bijvoorbeeld het volgende bevatten:

  • residuen van bestrijdingsmiddelen die op de plant zijn aangebracht en in de bonen aanwezig zijn (bijvoorbeeld heptachloor);
  • milieucontaminanten zoals zware metalen die aanwezig zijn in de koffiebonen via de opname van zware metalen uit de bodem door de plant;
  • procescontaminanten die tijdens het koffiebrandproces ontstaan (bijvoorbeeld acrylamide).

Koffiekopje 2 (onder paragraaf 34) verduidelijkt hoe deze worden gecontroleerd.

Bron: ERK.

11

Naast een wettelijke verplichting hebben exploitanten van levensmiddelenbedrijven er een groot reputatiegerelateerd en economisch belang bij dat de door hen verkochte levensmiddelen veilig zijn. Chemicaliën, zoals ontsmettings- en conserveermiddelen, kunnen hen hierbij helpen. Daarnaast hebben exploitanten van levensmiddelenbedrijven economische belangen die hen ertoe kunnen aanzetten chemicaliën te gebruiken om bijvoorbeeld de kosten te kunnen drukken of nieuwe producten, texturen of smaken aan te kunnen bieden.

12

De chemische stoffen waarvoor EU-levensmiddelenwetgeving geldt, vertegenwoordigen slechts een deel van het totale aantal chemicaliën op de markt. Het precieze aandeel is niet bekend. Voor de meeste in levensmiddelen gebruikte chemicaliën gelden vergunningsprocedures vóór het in de handel brengen om te zorgen voor de naleving van de voorschriften van de EU-levensmiddelenwetgeving, waaronder die inzake voedselveiligheid. Het aantal verzoeken tot toelating van nieuwe stoffen neemt elk jaar toe12. De EU is van oudsher een toonaangevende speler op de wereldmarkt in agro-voedselchemicaliën. EFSA is het EU-orgaan dat verantwoordelijk is voor de risicobeoordeling op alle terreinen die verband houden met de voedselketen.

Hoe het EU-controlesysteem voor de voedselveiligheid werkt

13

Over de meeste bepalingen inzake voedselveiligheid wordt op EU-niveau beslist. Rekening houdend met het advies van gespecialiseerde EU-agentschappen stelt de Commissie regels voor die moeten worden opgevolgd om de veiligheid van de in de EU geconsumeerde levensmiddelen te waarborgen. Het directoraat-generaal Gezondheid en Voedselveiligheid (DG SANTE) is de afdeling binnen de Commissie die voor dit beleid bevoegd is.

14

De autoriteiten van de lidstaten zijn verantwoordelijk voor de handhaving van de wetgeving inzake de agro-voedselketen binnen hun grondgebied. Bevoegde autoriteiten organiseren officiële controlesystemen op hun grondgebied om na te gaan of de activiteiten van exploitanten en goederen die op de EU-markt worden gebracht voldoen aan de desbetreffende normen en eisen. De Commissie is verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen tegen niet-EU-landen (bijv. door inrichtingen van de lijst te schrappen) en voor het nemen van juridische stappen wanneer lidstaten hun verantwoordelijkheden niet nakomen.

15

Verordening (EG) nr. 882/2004 inzake officiële controles van levensmiddelen en diervoeders vormt de basis voor de uitgevoerde controles. Deze verordening beoogt een geïntegreerde en uniforme aanpak van officiële controles in de gehele agro-voedselketen. Ze verschaft het kader waarmee de bevoegde autoriteiten kunnen nagaan of de wetgeving inzake levensmiddelen en diervoeders wordt nageleefd en waarmee ze risico’s voor mens en dier kunnen voorkomen, wegnemen of tot een aanvaardbaar niveau terugbrengen. In de verordening zijn daarnaast specifieke regels vastgesteld voor officiële controles op ingevoerde producten. Het terrein van de chemische gevaren wordt bovendien gereglementeerd aan de hand van een groot aantal sectorspecifieke wettelijke instrumenten.

16

De EU is 's werelds grootste in- en uitvoerder van landbouw- en voedingsproducten. Controles op de invoer moeten ervoor zorgen dat ingevoerde producten evenzeer voldoen aan de EU-wetgeving als levensmiddelen die in de EU worden geproduceerd. Het onderliggende principe is dat alle voedingsproducten op de EU-markten veilig moeten zijn, ongeacht hun herkomst13.

17

Bedrijven die in de voedselketen werkzaam zijn, hebben de hoofdverantwoordelijkheid voor voedselveiligheid en beschikken vaak over kwaliteitsborgingssystemen die zich tot de plaats van levering uitstrekken.

Reikwijdte en aanpak van de controle

18

Tijdens deze controle onderzochten we de basis en werking van het voedselveiligheidsmodel van de EU op het gebied van chemische gevaren. Bij het bepalen van de reikwijdte van de controle werd met diverse factoren rekening gehouden: de relevantie van de risico's op het gebied van chemische gevaren, de relevantie van de verantwoordelijkheid van de EU ten aanzien van chemicaliën, de grote relevantie en mogelijke impact van een controle met een dergelijk zwaartepunt, en de reikwijdte van andere recente en lopende controles van de Rekenkamer. De algemene controlevraag luidde:

Heeft het Europese model voor voedselveiligheid een solide basis en wordt het deugdelijk uitgevoerd om de in de EU geconsumeerde levensmiddelen te vrijwaren van chemische gevaren?

19

We onderzochten in het bijzonder:

  • of het EU-voedselveiligheidsmodel voor chemicaliën geacht wordt overeen te stemmen met de internationale beste praktijken;
  • of de EU een degelijke rechtsgrondslag heeft om te garanderen dat de belangrijkste EU-voorschriften inzake chemicaliën in levensmiddelen, diervoeders, levende dieren en planten worden nageleefd bij de invoer ervan;
  • de uitvoering van het model, in het bijzonder de volledigheid van het rechtskader, de werking van het controlesysteem en de haalbaarheid van het model op middellange termijn.

De controle was er niet op gericht de wetenschappelijke evaluaties van voedselveiligheidskwesties opnieuw te beoordelen.

20

Bij de beoordeling van de werking van de controlesystemen in de lidstaten namen we het recentste jaar in aanmerking waarvoor volledige plannings-, uitvoerings- en monitoringdocumenten beschikbaar waren (d.w.z. 2016).

21

We verrichtten onze controle tussen december 2017 en mei 2018. We verzamelden controle-informatie aan de hand van:

  • controles van stukken en gesprekken met de Commissie (directoraat-generaal Gezondheid en Voedselveiligheid) en met de EFSA, de EU-autoriteit die, samen met het Europees Geneesmiddelenbureau, wetenschappelijk advies over voedselveiligheid verstrekt14; daarnaast onderzochten en analyseerden we de procedures, richtsnoeren, correspondentie met de lidstaten en notulen van vergaderingen van de Commissie, evenals externe evaluaties en controleverslagen;
  • bezoeken aan drie lidstaten: Italië, Nederland en Slovenië15. In elk van deze lidstaten bezochten we de relevante ministeries, exploitanten van levensmiddelenbedrijven en belangrijke punten in de controlesystemen van de betreffende lidstaat (zoals grensinspectieposten). Tijdens de bezoeken aan de lidstaten controleerden we niet alleen de werking van hun controlesystemen, maar ook de informatiestroom naar de Commissie en de EFSA over de resultaten van de controles en wetenschappelijke gegevens;
  • ontmoetingen met deskundigen die, in het kader van hun werk in de lidstaten of de EFSA, in internationale fora zetelen en toegang hebben tot actuele informatie over chemische gevaren en voedselveiligheid in het algemeen.

Opmerkingen

Het EU-voedselveiligheidsmodel op het vlak van chemicaliën dient wereldwijd als referentie

22

In dit deel van het verslag komen de elementen aan bod die van het EU-model een referentiepunt over de hele wereld maken. Daarnaast wordt er in dit deel beschreven op basis van welke rechtsgrondslag de EU kan eisen dat niet-EU-landen bij hun uitvoer naar de EU aan EU-normen voldoen om te garanderen dat zowel in de EU vervaardigde producten als ingevoerde producten aan dezelfde hoge veiligheidsnormen beantwoorden.

De kracht van het EU-model berust op een aantal onderscheidende elementen

23

In het kader van de programmaronde voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (Refit) van de Commissie16 worden in de recente resultaten van de geschiktheidscontrole van de algemene levensmiddelenwetgeving17, de belangrijkste wettekst van de EU voor de levensmiddelensector, een aantal positieve eigenschappen van het EU-voedselveiligheidsmodel erkend. In de studies die we beoordeelden en door de deskundigen die we spraken (zie paragraaf 21), werd het EU-voedselveiligheidsmodel steeds als een referentiepunt beschouwd18 19 20. Hoewel het Europese model een van de best ontwikkelde ter wereld is, komen de nalevingskosten voor landbouwers in de EU over het algemeen overeen met de kosten in andere delen van de wereld21. Verschillende elementen worden beschouwd als onderscheidend en kenmerkend voor de kracht van het EU-model. In dit deel bespreken we drie van deze elementen.

In het EU-model worden duidelijk drie componenten van risicoanalyse erkend en onderscheiden

24

In de EU-wetgeving, en in het bijzonder in de algemene levensmiddelenwetgeving (Verordening (EG) nr. 178/2002)22, worden drie componenten van risicoanalyse onderscheiden op EU-niveau: risicobeoordeling, risicomanagement en risicocommunicatie (zie figuur 2).

Figuur 2

De drie componenten van de risicoanalyse op EU-niveau

* Het EMA draagt de verantwoordelijkheid voor de EU-risicobeoordeling op het gebied van geneesmiddelen (met name diergeneesmiddelen).

** Maatschappelijke, economische, traditionele, ethische en milieufactoren alsmede de uitvoerbaarheid van controles.

Bron: ERK.

25

Teneinde deze drie componenten van elkaar te onderscheiden, werd in 2002 met de algemene levensmiddelenwetgeving een onafhankelijk Europees agentschap opgericht om wetenschappelijke risicobeoordelingen over voedselveiligheid te verstrekken: de EFSA23. Dankzij de oprichting van deze instantie kunnen Europese beleidsmakers op het gebied van voedselveiligheid niet alleen op volksgezondheidscrises reageren, maar ook een compleet voedselveiligheidssysteem opzetten dat normen en mechanismen omvat om de naleving ervan te garanderen. Met de algemene levensmiddelenwetgeving werd ernaar gestreefd dat deze instantie over voldoende bevoegdheden zou beschikken om de basis te leggen voor een wetenschappelijk gefundeerd voedselveiligheidsmodel.

Bij de EU-aanpak van voedselveiligheid wordt het voorzorgsbeginsel waar nodig toegepast

26

Het „voorzorgsbeginsel” is een risicobeheersinstrument dat wordt erkend in de algemene levensmiddelenwetgeving van de EU24 (zie tekstvak 1). Wanneer er redelijke gronden voor bezorgdheid bestaan en wetenschappelijke onzekerheid blijft voortduren, kan er op het beginsel een beroep worden gedaan tijdens het risicobeheerproces en kan voorzichtigheid geboden zijn.

Tekstvak 1

Het voorzorgsbeginsel zoals gedefinieerd in de algemene levensmiddelenwetgeving

Het voorzorgsbeginsel heeft betrekking op specifieke situaties waarin:

  • er redelijke gronden tot bezorgdheid bestaan vanwege een onaanvaardbaar risico voor de gezondheid;
  • de beschikbare ondersteunende informatie en gegevens niet volledig genoeg zijn om een alomvattende risicobeoordeling mogelijk te maken.

Indien deze specifieke situaties zich voordoen, kunnen de besluitvormers of risicomanagers op het voorzorgsbeginsel gebaseerde maatregelen treffen of andere acties ondernemen, en tegelijk streven naar meer volledige wetenschappelijke en andere gegevens. Deze maatregelen moeten beantwoorden aan de beginselen van non-discriminatie en evenredigheid en moeten van tijdelijke aard zijn totdat vollediger informatie over het risico kan worden vergaard en geanalyseerd.

27

In haar mededeling over het voorzorgsbeginsel uit 2000 verduidelijkte de Commissie dat het beginsel met een aantal beperkingen moet worden toegepast25. Het beginsel kan worden toegepast wanneer een risicobeoordeling werd uitgevoerd en werd geconcludeerd dat er, ondanks het bestaan van een concreet risico, verdere wetenschappelijke informatie nodig is om de omvang van dit risico te bepalen (zie figuur 3). „Het voorzorgsbeginsel [vormt] de grondslag voor maatregelen als de wetenschap geen duidelijk antwoord kan geven26.” Het stelt de risicomanager zodoende in staat om tijdelijke maatregelen te treffen terwijl hij op verdere wetenschappelijke informatie wacht die nodig is om een volledige risicobeoordeling uit te voeren.

Figuur 3

Gebruikmaking van het voorzorgsbeginsel

Bron: Europese Rekenkamer, op basis van de mededeling van de Commissie.

28

Het voorzorgsbeginsel heeft zowel voor- als tegenstanders. Voorstanders stellen dat het een goed instrument is om het publiek te beschermen tegen mogelijke schadelijke gevolgen (in dit geval: chemische gevaren). Tegenstanders vrezen dat de toepassing van het beginsel de innovatie belemmert en onnodig duur is. In haar mededeling uit 2000 trachtte de Commissie een evenwicht te zoeken tussen „de vrijheden en rechten van personen, het bedrijfsleven en organisaties enerzijds en de noodzaak tot beperking van het risico op schadelijke gevolgen voor milieu en de gezondheid van mensen, dieren en planten anderzijds”.

29

Krachtens de Overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen (de SPS-overeenkomst)27 verbinden de leden van de WTO zich ertoe om hun gezondheidsnormen te ontwikkelen op basis van op risico gebaseerde criteria28. Dit heeft belangrijke voordelen voor de EU als grote exporteur van levensmiddelen. Het huidige EU-rechtskader combineert twee soorten criteria: op risico gebaseerde (in de meeste gevallen) en op gevaren gebaseerde „uitsluitingscriteria” in de wetgeving met betrekking tot het verhandelen en het gebruik van bestrijdingsmiddelen (zie tekstvak 2). Op risico gebaseerde criteria houden in dat een specifieke stof het volledige risicobeoordelingsproces moet doorlopen29 om de veilige grenswaarden hiervan te bepalen, terwijl op gevaren gebaseerde criteria bepaalde stoffen verbieden30 louter omdat ze als mogelijk gevaarlijk (bijv. carcinogeen) worden beschouwd, zonder dat daarvoor een volledige risicobeoordeling nodig is.

Tekstvak 2

Verschil tussen gevaar en risico

In het EU-rechtskader wordt een onderscheid gemaakt tussen op gevaren en op risico gebaseerde criteria. Bestrijdingsmiddelen die niet voldoen aan op gevaren gebaseerde uitsluitingscriteria kunnen niet worden verhandeld of gebruikt in de EU. Residuen van dergelijke bestrijdingsmiddelen kunnen worden getolereerd in ingevoerde producten indien een risicobeoordeling heeft aangetoond dat er geen risico bestaat voor de consumenten.

Bron: EFSA.

30

Krachtens de WTO-regels kunnen invoerende landen op gevaren gebaseerde criteria alleen niet als basis gebruiken om mogelijke invoer te weigeren31. De Commissie heeft onlangs met de lidstaten, die aanvragen voor invoertolerantie beoordelen (zie paragraaf 38), besproken hoe ze de wettelijke voorschriften die zijn vastgesteld in de twee EU-verordeningen die van toepassing zijn op toelatingen en residuen van bestrijdingsmiddelen, kunnen invoeren32, en zich tegelijk kunnen houden aan hun verbintenissen in het kader van de SPS-overeenkomst33.

In de EU-wetgeving wordt de hoofdverantwoordelijkheid voor voedselveiligheid toegekend aan levensmiddelenbedrijven

31

Exploitanten van diervoeder- en levensmiddelenbedrijven zijn onder andere landbouwers, vissers, verwerkers, distributeurs, importeurs en detailhandelaren. Zij moeten zich allemaal houden aan algemene en specifieke wettelijke voorschriften34. Overeenkomstig de EU-levensmiddelenwetgeving wordt de verantwoordelijkheid voor het handhaven van deze wetgeving, en in het bijzonder van de normen voor voedselveiligheid, hoofdzakelijk bij de exploitanten van levensmiddelen- (of diervoeder)bedrijven gelegd35. Om dit beginsel aan te vullen en te steunen moeten de bevoegde autoriteiten van de lidstaten zorgen voor adequate en doeltreffende controles en moet de Commissie erop toezien dat het kader als geheel naar behoren werkt (zie figuur 4).

Figuur 4

Structuur van private en publieke controles op voedselveiligheid

NB: De exploitanten van levensmiddelenbedrijven kunnen ook onderworpen zijn aan aanvullende controles in het kader van particuliere certificeringsregelingen en nemen ze op in de structuur van controles op voedselveiligheid, maar ze zijn niet onderhevig aan de officiële controles van de lidstaten of aan monitoring door de Commissie.

Bron: ERK.

32

Gezien het grote volume aan levensmiddelen, diervoeders, levende dieren en planten die vallen onder de EU-wetgeving inzake (chemische) voedselveiligheid is een goede coördinatie van private36 en publieke controles noodzakelijk om efficiënt gebruik te maken van de middelen. Ter verduidelijking van het aantal controles waarom het gaat37, in 2016 analyseerden de bevoegde autoriteiten in de lidstaten 84 657 monsters in verband met residuen van bestrijdingsmiddelen (met inbegrip van door IJsland en Noorwegen gecontroleerde monsters) en 706 764 monsters in verband met stoffen en residuen die onder Richtlijn 96/23/EG38 vallen.

33

In 2016 ging de Commissie na of de lidstaten hun officiële controles op diervoeders konden plannen op basis van controles die door de private sector werden uitgevoerd39 en in 2017 onderzocht ze mogelijke synergieën tussen officiële controles, interne controles van exploitanten van levensmiddelenbedrijven en particuliere certificeringsregelingen40. Als resultaat van de diervoederevaluatie van 2016 heeft de Commissie vastgesteld dat het opzetten van een sterkere wisselwerking tussen het stelsel van officiële controles van diervoeders en de private kwaliteitsborgingssystemen zowel mogelijke voordelen als uitdagingen met zich meebrengt.

34

Hoewel de autoriteiten van de lidstaten het erover eens waren dat een behoorlijk toezicht op de kwaliteit van deze private systemen en van interne controles van exploitanten van levensmiddelenbedrijven belangrijk is, uitten de autoriteiten van minstens twee lidstaten hun bezorgdheid over deze ontwikkelingen41. Eén punt van zorg betreft het feit dat er een financiële band is tussen exploitanten van levensmiddelenbedrijven en certificeringsinstanties en dat controles van systemen in de meeste gevallen worden aangekondigd, aangezien voorafgaande kennisgeving de betrouwbaarheid van de informatie negatief kan beïnvloeden. Daarnaast zijn de autoriteiten bezorgd dat bepaalde wettelijke voorschriften niet precies worden overgenomen in de voedselveiligheidsnormen van de private sector, bijvoorbeeld in verband met de grenswaarden voor residuen.

Koffiekopje 2

Hoe controleert het koffiebedrijf uw koffie?

De koffiebonen voor uw koffie zijn vrijwel zeker ingevoerd en het kan zijn dat ze door een exploitant van een levensmiddelenbedrijf in de EU zijn verwerkt.

Deze exploitant van een levensmiddelenbedrijf beschikt over een op HACCP (gevarenanalyse en kritische controlepunten) gebaseerd beheersysteem om onder andere chemische gevaren in verband met zijn bedrijfsactiviteiten te identificeren. De exploitanten voorzien in specifieke procedures, zoals een regelmatige reiniging van de voorzieningen (ter voorkoming van in het milieu aanwezige contaminanten), laboratoriumtests bij aankomst van elke nieuwe zending van grondstoffen, computersystemen om de maximale temperatuur tijdens het koffiebrandproces te regelen (ter controle op de vorming van acrylamide), en vele andere.

Bovendien voeren exploitanten doorgaans extra controles uit om tegemoet te komen aan specifieke verzoeken van hun rechtstreekse klanten (bijv. om de afwezigheid van een specifieke stof te garanderen).

Als u wilt weten wat overheidsinstanties precies controleren, ga dan naar koffiekopje 3 (onder paragraaf 61).

Ingevoerde levensmiddelen uit niet-EU-landen moeten aan EU-normen voldoen

35

Ongeveer 13 % van de in de EU geconsumeerde producten is ingevoerd42. Buiten de EU kunnen voedselveiligheidsnormen verschillen van de normen die binnen de EU worden gehanteerd. De EU werkt samen met 188 landen aan de ontwikkeling van de Codex Alimentarius, een verzameling van normen, richtsnoeren en gedragscodes. De Codex vormt een essentieel kader om tal van zaken op het gebied van voedselveiligheid op elkaar af te stemmen. Hoewel een aantal van de landen de in de Codex overeengekomen normen naleeft, kent de standaardisering die deze kan bevorderen echter een aantal beperkingen43. Zo waren volgens de Commissie ongeveer de helft van de maximumresidugehalten voor bestrijdingsmiddelen die de afgelopen jaren zijn vastgesteld gelijk in de Codex en de EU-wetgeving.

36

De Commissie vermeldt op haar website en in haar publieke mededelingen dat strikte invoerregels met betrekking tot levensmiddelen- en diervoederhygiëne, de veiligheid van consumenten en diergezondheidsstatus ervoor moeten zorgen dat alle invoer voldoet aan dezelfde hoge normen als producten uit de EU zelf44. Uit het recentste jaarverslag van de EFSA over residuen van bestrijdingsmiddelen blijkt dat de invoer tweemaal zo vaak aan tests wordt onderworpen als de binnenlandse productie. Dit is het resultaat van de toepassing van een risicomodel voor voedselveiligheid45.

37

De EU onderhoudt op twee manieren handelsbetrekkingen met niet-EU-landen: 1) door middel van bilaterale overeenkomsten, en 2) zonder specifieke bilaterale overeenkomsten. In beide gevallen zijn niet-EU-landen verplicht aan EU-normen te voldoen wanneer ze naar de EU exporteren.

38

In gerechtvaardigde gevallen kunnen niet-EU-landen de EU vragen om bepaalde grenswaarden aan te passen (bijv. maximumresidugehalten voor een specifiek bestrijdingsmiddel of een specifiek voedingsproduct). Dit mechanisme staat bekend als „invoertolerantie”. Eerst beoordeelt een daartoe aangewezen lidstaat de aanvraag en de documentatie die door het niet-EU-land is verstuurd. Vervolgens verstrekt de EFSA een advies op basis van de risicobeoordeling van de lidstaat. Als dit advies positief is en hieruit blijkt dat de veiligheid van de consumenten niet in het gedrang komt, kan de Commissie beslissen om de aanvraag voor invoertolerantie van het niet-EU-land goed te keuren en het EU-rechtskader aan te passen om aan de behoeften van dit land te voldoen (bijv. door een specifiek voor de EU geldend MRL vast te leggen). Niet-EU-landen kunnen ook invoertoleranties aanvragen voor levensmiddelen die werkzame stoffen bevatten die niet in de EU zijn toegelaten46. Bijgevolg heeft de EU, in geval van invoertoleranties, een rechtskader ontwikkeld zodat ze van niet-EU-landen die naar de EU exporteren kan eisen dat ze aan dezelfde voedselveiligheidsnormen voldoen als EU-producten (zie paragraaf 30).

Het model kent uitdagingen

39

In dit deel van het verslag worden de uitdagingen vastgesteld die het EU-voedselveiligheidsmodel op dit ogenblik kent. In de volgende delen wordt ingegaan op: de mate van volledigheid van het rechtskader, een aantal bestaande elementen die de houdbaarheid van het voedselveiligheidsmodel op middellange termijn in gevaar brengen en de beperkingen van het controlesysteem.

Sommige elementen van de wettelijke EU-bepalingen moeten nog worden uitgevoerd of vereisen nog actie

40

In de jaren sinds de goedkeuring van de algemene levensmiddelenwetgeving in 2002 zijn diverse verordeningen betreffende chemische gevaren in levensmiddelen, diervoeders, levende dieren en planten in werking getreden. Sommige elementen van de wettelijke EU-bepalingen vereisen nog uitvoering of actie van de Commissie (zie paragraaf 53 en bijlage III). Daarom vallen sommige van deze elementen onder nationale maatregelen. Wij stelden vast dat dit de afdwingbaarheid van het rechtskader en de goede werking van de markt beïnvloedde en het niveau van bescherming tegen chemische gevaren dat de EU-wetgevers in 2002 voor ogen hadden in het gedrang kan brengen. In tabel 2 worden voorbeelden gegeven van elementen van wettelijke EU-bepalingen die nog uitvoering of actie van de Commissie vereisen.

Tabel 2

Voorbeelden van elementen van wettelijke EU-bepalingen in afwachting van de uitvoering en actie

Type stof Elementen die hangende zijn
Levensmiddelenadditieven Volledige herevaluatie
Methodologie om inname van levensmiddelenadditieven te meten
Voedingsenzymen Vaststelling van een lijst van goedgekeurde voedingsenzymen
Levensmiddelenaroma's Bijwerken van een lijst van levensmiddelenaroma’s
Methodologie om inname van levensmiddelenaroma’s te meten
Bronnen van nutriënten (voedingssupplementen / plantaardige stoffen) Vaststellen van maximum- en minimumgehalten aan vitamines en mineralen
Residuen van bestrijdingsmiddelen Harmonisatie van verwerkingsfactoren
Methodologie om MRL voor cumulatieve blootstelling vast te stellen
41

Wij stelden vast dat de EU-wetgeving op dit moment op bepaalde groepen stoffen (bijv. residuen van bestrijdingsmiddelen, diergeneesmiddelen) dieper ingaat dan op andere (bijv. enzymen en materialen die met levensmiddelen in contact komen). De Commissie heeft geen horizontale risicobeoordeling uitgevoerd die voldoende reden zou zijn voor dergelijke verschillen, of daartoe opdracht gegeven.

De houdbaarheid van het EU-voedselveiligheidsmodel wordt op de proef gesteld

42

Terwijl elementen van het rechtskader inzake chemicaliën in levensmiddelen, diervoeders, planten en levende dieren nog in ontwikkeling zijn (zie paragraaf 40 en bijlage III), blijft de chemische sector groeien. Er is aanzienlijke druk om nieuwe stoffen toe te laten. Zoals Ernst & Young in 2012 in zijn externe beoordeling van de EFSA vaststelde, is het aantal toegelaten producten sinds 2006 geleidelijk aan toegenomen, net zoals het aantal ingediende en goedgekeurde aanvragen. In het verslag van de evaluator wordt ook vermeld dat aanvragen meer dan 60 % van het werk van de EFSA uitmaken. Meer dan een derde van die aanvragen betreft nieuwe producten. Dit zet de capaciteit van de EFSA onder druk en kan tot gevolg hebben dat middelen worden ingezet voor beoordelingen die door de sector worden aangevraagd. Diverse afdelingen van de EFSA hebben inderdaad bevestigd dat ze met grote achterstanden te kampen hebben, met name op het gebied van gereguleerde voedselingrediënten. Ondanks recente vooruitgang zijn deze achterstanden echter nog niet naar behoren aangepakt.

43

De lidstaten verstrekken niet altijd de gegevens die nodig zijn om wetenschappelijke beoordelingen47 uit te voeren, hoewel ze daartoe bij wet verplicht zijn of hierom door de EFSA worden verzocht. Vertragingen bij wetenschappelijke beoordelingen, waaronder die van de EFSA, beletten de wetgevers om nieuwe wetten uit te vaardigen of bestaande wetten te wijzigen. Redenen voor deze vertragingen zijn onder andere de beperkte middelen en het feit dat wetenschappelijke instanties moeite hebben om een hoog niveau van wetenschappelijke expertise in stand te houden, bijvoorbeeld door het ontoereikende aantal deskundigen.

44

Het rechtskader is intussen zo uitgebreid dat overheidsinstanties onmogelijk alle gereguleerde stoffen aan uitvoerige tests kunnen onderwerpen (zie paragraaf 50 en bijlage I).

45

Deze factoren brengen de uitvoerbaarheid van het model op langere termijn in gevaar, omdat er meer van het model wordt verwacht dan het in zijn huidige vorm kan verwezenlijken. De EFSA heeft al ingezien dat er de komende jaren aandacht moet worden besteed aan de houdbaarheid van het model. Ook de Commissie denkt hier intussen over na in het kader van Refit en sectorspecifieke beoordelingen.

Beperkingen in het controlesysteem

Het controlesysteem voor producten die in de EU zijn vervaardigd of geteeld

46

De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de handhaving van de wetgeving die van toepassing is op de gehele agro-voedselketen „van boer tot bord” (zie figuur 5). Krachtens de EU-wetgeving voeren de relevante autoriteiten van de lidstaten controles uit om na te gaan of de activiteiten en goederen die exploitanten op de EU-markt brengen voldoen aan de betrokken normen en eisen. Ze moeten deze controles regelmatig uitvoeren, op basis van het risico en met een passende frequentie48.

Figuur 5

Controlesysteem van de lidstaten voor de agro-voedselketen

Bron: Europese Commissie.

47

Wij stelden vast dat de autoriteiten van de lidstaten inspecties uitvoeren van de controlesystemen die exploitanten van levensmiddelenbedrijven hebben ingesteld om chemische risico's aan te pakken en van de geboekte resultaten49. Bij inspecties kunnen zwakke punten worden vastgesteld ten aanzien van het gebruik van gereguleerde voedselingrediënten of gewasbeschermingsmiddelen en diergeneesmiddelen die kunnen leiden tot buitensporige concentraties van residuen van deze ingrediënten of middelen, of tot residuen van niet-toegelaten stoffen in levensmiddelen. Daarnaast kunnen autoriteiten van de lidstaten monsters nemen voor laboratoriumanalyses op basis van controleplannen.

© Europese Unie 2014.

In de tests van de lidstaten op in de EU op de markt gebrachte levensmiddelen komen sommige groepen chemicaliën vaker aan bod dan andere

48

De lidstaten zijn niet verplicht om alle door de EU gereguleerde stoffen in hun plannen op te nemen, maar moeten hun controles op basis van risico plannen. De drie door ons bezochte lidstaten voeren voor elk afzonderlijk plan een risicoanalyse uit, wat doorgaans voor verschillende groepen stoffen afzonderlijk gebeurt. Geen enkele van deze lidstaten voerde echter een horizontale risicobeoordeling uit om de verschillende groepen chemische stoffen te rangschikken op basis van hun risiconiveau.

49

We bestudeerden verslagen over laboratoriumanalyses voor verschillende groepen chemische stoffen in de drie lidstaten die we bezochten50. We stelden vast dat deze lidstaten bepaalde groepen stoffen grondiger evalueren dan andere. Ze spitsen hun controles vooral toe op residuen van bestrijdingsmiddelen, diergeneesmiddelen en contaminanten51, en besteden niet altijd aandacht aan gereguleerde voedselingrediënten zoals levensmiddelenaroma's en voedingsenzymen. In figuur 6 worden monsternemingen52 getoond die in 2016 in de drie bezochte lidstaten voor verschillende groepen chemische stoffen werden uitgevoerd.

Figuur 6

Monsters die in 2016 door de bezochte lidstaten werden getest

Bron: ERK, op basis van controleverslagen van de lidstaten.

50

De onvolledige harmonisatie van wettelijke bepalingen op EU-niveau (zie de paragrafen 40 en 41) kan deels het lage aantal — en in sommige gevallen de afwezigheid van — controles op bepaalde stoffen (bijv. enzymen en materialen die met levensmiddelen in contact komen, zie figuur 7) verklaren. Hoewel het huidige EU-rechtskader de lidstaten toestaat om bepaalde controles op additieven en aroma’s uit te voeren, verrichten zij slechts een klein aantal controles in verband met deze stoffen. Dit weerspiegelt het feit dat de lidstaten over beperkte middelen beschikken en het voor hen dus niet haalbaar is om op alle stoffen te testen53. In tabel 3 is een samenvatting getoond van mogelijke risico's die lidstaten niet zullen opvangen als ze bepaalde gereguleerde voedselingrediënten niet in hun controles opnemen.

Tabel 3

Mogelijke risico's in verband met bepaalde stoffen die aan levensmiddelen worden toegevoegd

Groep stoffen Risico's
Levensmiddelen-additieven
  • Andere dan de toegelaten additieven mogen worden gebruikt
  • Gebruikte additieven hoeven niet te voldoen aan de zuiverheidscriteria
  • Toegelaten additieven mogen in grote hoeveelheden worden gebruikt
  • Onvoldoende verificatie van de vereiste hoeveelheid (geen specifiek maximumgehalte, te gebruiken in overeenstemming met goede productiepraktijken)
Levensmiddelen-aroma's
(met inbegrip van rookaroma's)
  • Andere dan de toegelaten aroma's mogen worden gebruikt
  • Toegelaten aroma's mogen in grote hoeveelheden worden gebruikt
Voedingsenzymen
  • Schadelijke enzymen mogen worden gebruikt
  • Enzymen mogen in grote hoeveelheden worden gebruikt

Bron: ERK, op basis van een analyse van de huidige wetgeving.

Aanvullende richtsnoeren voor de behandeling van inbreuken

51

Wanneer de autoriteiten van een lidstaat tijdens een officiële inspectie een inbreuk vaststellen, moeten ze stappen ondernemen om te voorkomen dat onveilig voedsel op de markt terechtkomt en om ervoor te zorgen dat de exploitant de situatie rechtzet. Mogelijke handhavingsmaatregelen op nationaal niveau omvatten het vernietigen of uit de handel nemen van een specifiek product, dan wel het opschorten of stopzetten van de activiteit. Bovendien moeten de lidstaten hun eigen regels inzake sancties bepalen, die doeltreffend, evenredig en afschrikkend moeten zijn54.

52

Wij onderzochten de nationale regels en handhavingsmaatregelen die in de door ons bezochte lidstaten werden toegepast. We stelden vast dat ze regels hebben vastgesteld inzake sancties voor inbreuken in verband met chemische gevaren. Als uit laboratoriumtests blijkt dat een monster de in EU-wetgeving vastgestelde grenswaarde overschrijdt, behandelen de lidstaten de inbreuk en voeren ze een veiligheidsbeoordeling uit. Als de lidstaten het product in kwestie als veilig beschouwen, passen ze in eerste instantie doorgaans een waarschuwing of extra controles toe. Wanneer uit de veiligheidsbeoordeling blijkt dat er sprake is van een gezondheidsrisico, leggen ze boetes op.

53

We constateerden echter dat wanneer de lidstaten een geval van niet-naleving hadden vastgesteld, ze moeite hadden te bepalen welke handhavingsmaatregelen ze konden treffen voor een specifieke inbreuk. De lidstaten kunnen niet terugvallen op een vastgestelde waarde als basis voor de bepaling van de aard van de handhavingsmaatregelen die moeten worden getroffen in het geval van niet-naleving.

De Commissie beoordeelt de maatregelen die de autoriteiten van de lidstaten hebben genomen

54

De Commissie bezoekt de lidstaten om de maatregelen te controleren die de nationale autoriteiten hebben genomen om EU-regelgeving uit te voeren. Ze kan aanbevelingen aan de nationale autoriteiten doen en volgt de uitvoering van deze aanbevelingen op. Bovendien kan ze problemen vaststellen die van invloed zijn op de uitvoering van EU-wetgeving via andere mechanismen, zoals klachten, de monitoring van de verslaglegging van de lidstaten, meldingen van nationale ontwerpwetgeving en omzettingscontroles.

55

Wanneer de Commissie niet-naleving vaststelt, heeft zij een aantal opties, van een dialoog op een passend niveau tot formele inbreukprocedures. Ze kan ook brieven op hoog niveau versturen, juridische procedures inleiden en de verkoop van bepaalde levensmiddelen opschorten of aan speciale voorwaarden onderwerpen. De Commissie moet die maatregelen treffen wanneer de kans bestaat dat deze levensmiddelen een ernstig risico voor de volksgezondheid inhouden en wanneer er bewijzen zijn dat de controlesystemen van een lidstaat zwaar tekortschieten. Tot dusver heeft ze dit in minstens één geval gedaan, waarbij ze de verkoop verbood van kaas die werd gemaakt van melk waarin antibioticaresiduen zaten.

56

Wij onderzochten de aanbevelingen die voortvloeiden uit controles die de Commissie in 2016 verrichtte. We stelden aanbevelingen inzake bestrijdingsmiddelen, contaminanten en diergeneesmiddelen vast. De Commissie deed geen aanbevelingen of trof geen handhavingsmaatregelen ten aanzien van lidstaten in verband met gereguleerde voedselingrediënten.

Het controlesysteem voor in de EU geconsumeerde producten die elders worden vervaardigd of geteeld

57

Grenscontroles zijn belangrijk omdat het moment waarop producten uit niet-EU-landen de EU bereiken het eerste moment is waarop deze beschikbaar zijn voor controles door autoriteiten van lidstaten. Zodra ingevoerde producten zich op EU-grondgebied bevinden, zijn ze aan dezelfde controleregeling onderworpen als de binnenlandse productie. De meeste levensmiddelen die wij invoeren, zijn van niet-dierlijke oorsprong, waaronder granen, groenten en fruit, koffie, thee en specerijen (zie figuur 7).

Figuur 7

Invoer van verschillende soorten levensmiddelen en diervoeders in 2016

Note: Vetten en oliën kunnen zowel van dierlijke als niet-dierlijke oorsprong zijn en kunnen voor menselijke en niet-menselijke consumptie bestemd zijn.

Bron: ERK, volgens Eurostat, op basis van gewicht.

58

Het EU-controlesysteem voor invoer is gebaseerd op het risico voor de gezondheid van mens, dier en plant. Invoer met een hoger risico vereist striktere voorwaarden voor de binnenkomst in de EU en bijgevolg een hoger niveau van controles dan invoer met een lager risico. De benadering van de EU gaat ervan uit dat levensmiddelen van dierlijke oorsprong een hogere risicograad inhouden55 dan levensmiddelen van niet-dierlijke oorsprong. Bijgevolg wordt invoer van levensmiddelen van niet-dierlijke oorsprong doorgaans aan minder controles onderworpen dan die van dierlijke oorsprong, tenzij er sprake is van een specifiek gereglementeerd risico (zie paragraaf 60).

59

Levensmiddelen van dierlijke oorsprong mogen de EU binnenkomen zodra de Commissie het land van oorsprong56 alsook inrichtingen in niet-EU-landen op basis van door deze landen ingediende lijsten57 58 heeft goedgekeurd.

60

Over het algemeen wordt in wettelijke EU-bepalingen het bepalen van de frequentie en aard van controles op ingevoerde levensmiddelen van niet-dierlijke oorsprong overgelaten aan de lidstaten. Tekstvak 3 bevat informatie over de uitzonderingen op deze algemene regel en geeft een samenvatting van de speciale controleprocedures en invoervoorwaarden die in deze gevallen van toepassing zijn op zendingen van levensmiddelen van niet-dierlijke oorsprong aan de buitengrenzen van de EU.

Tekstvak 3

Uitzonderingen voor producten van niet-dierlijke oorsprong

De EU heeft de controles op bepaalde diervoeders en levensmiddelen van niet-dierlijke oorsprong die een bekend of nieuw risico inhouden, uitgebreid59. In figuur 8 worden de chemische gevaren beschreven die deze uitgebreidere controles omvatten60.

Figuur 8

Chemische risico’s die vallen onder de uitgebreidere controles op levensmiddelen van niet-dierlijke oorsprong

Bron: ERK, op basis van Verordening (EG) nr. 669/2009.

Bovendien heeft de EU bijzondere voorwaarden vastgesteld voor levensmiddelen van niet-dierlijke oorsprong met een hoog risico61. Krachtens deze voorwaarden zijn niet-EU-landen verplicht om, naast de resultaten van laboratoriumcontroles, een gezondheidscertificaat voor te leggen.

61

De lidstaten zijn verantwoordelijk voor controles aan de buitengrenzen van de EU. Zij verrichten controles op stukken, overeenstemmingscontroles en fysieke controles om na te gaan of de producten van dierlijke en niet-dierlijke oorsprong beantwoorden aan de beschrijving en voldoen aan de EU-invoervoorwaarden (zie figuur 9).

Figuur 9

De verschillende soorten controles

Bron: ERK, op basis van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 882/2004.

Koffiekopje 3

Hoe controleren overheidsinstanties de koffiebonen die worden gebruikt voor uw koffie?

Koffiebonen die buiten de EU zijn geteeld, kunnen de EU binnenkomen via bijvoorbeeld een haven in een lidstaat. Aangezien de EU-wetgeving geen controles op koffie omvat, zijn overheidsinstanties in lidstaten vrij om te beslissen of ze aan de buitengrenzen van de EU controles op koffie willen uitvoeren.

Zodra ze zich op Europees grondgebied bevinden, zijn de koffiebonen op dezelfde manier aan officiële controles onderworpen als producten die in de EU worden geteeld/geproduceerd. Op basis van hun sectorale plannen (voor bestrijdingsmiddelen, contaminanten, enz.) inspecteren overheidsinstanties de gebouwen van exploitanten van levensmiddelenbedrijven (fabrieken, opslagplaatsen, supermarkten, restaurants, enz.) en controleren ze de procedures ter voorkoming en opsporing van chemische gevaren van deze exploitanten. Inspecteurs kunnen ook monsters nemen en deze naar een laboratorium sturen om te achterhalen of de ruwe of gebrande koffiebonen schadelijke residuen van beschermingsmiddelen, contaminanten en/of niet-toegelaten gereguleerde voedselingrediënten bevatten.

Over het algemeen zijn het hoofdzakelijk de lidstaten die beslissen over controles om chemische gevaren te identificeren

62

In de EU-wetgeving zijn frequenties vastgesteld voor fysieke controles op ingevoerde producten van dierlijke oorsprong (zie figuur 10) en voor bepaalde producten van niet-dierlijke oorsprong (zie figuur 11). Fysieke controles omvatten monsterneming voor laboratoriumtests, maar op EU-niveau zijn slechts voor een beperkt aantal ingevoerde producten minimumfrequenties vastgelegd62. Over het algemeen neemt dan ook elke lidstaat afzonderlijk de beslissing tot laboratoriumtests om chemische gevaren te identificeren.

Figuur 10

Grenscontroles op voedselveiligheid voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong

Bron: ERK, op basis van Richtlijn 97/78/EG van de Raad, Beschikking 94/360/EG van de Commissie en Verordening (EG) nr. 882/2004.

Figuur 11

Grenscontroles op voedselveiligheid voor levensmiddelen van niet-dierlijke oorsprong

Bron: ERK, op basis van de EU-bepalingen.

63

Het systeem voor snelle waarschuwingen voor levensmiddelen en diervoeders (RASFF) is een door de EU opgezet instrument aan de hand waarvan nationale autoriteiten snel informatie over gezondheidsrisico's in verband met levensmiddelen en diervoeders kunnen uitwisselen. Wij stelden vast dat het RASFF in de drie door ons bezochte lidstaten volop wordt gebruikt als informatiebron voor het plannen van laboratoriumtests, omdat het belangrijke gegevens over risico's biedt.

64

Onze controle bracht aan het licht dat de controleprocedures van de Commissie en de lidstaten zich toespitsen op de opsporing van residuen van diergeneesmiddelen, enkele contaminanten en bestrijdingsmiddelen op basis van Richtlijn 96/23/EG voor producten van dierlijke oorsprong. Fysieke controles op de invoer van levensmiddelen van niet-dierlijke oorsprong aan de buitengrenzen van de EU hebben hoofdzakelijk betrekking op residuen van bestrijdingsmiddelen en contaminanten.

65

Wij stelden ook vast dat in de bezochte lidstaten in het bijzonder controles op levensmiddelenaroma's, voedingsenzymen en voedingssupplementen voor producten van zowel dierlijke als niet-dierlijke oorsprong ontbreken. Bovendien worden levensmiddelen van dierlijke oorsprong zelden gecontroleerd op de aanwezigheid van additieven of bestrijdingsmiddelen en contaminanten die door andere rechtsinstrumenten van de EU dan Richtlijn 96/23/EG worden gereguleerd. Tekstvak 4 geeft een voorbeeld van een nationaal plan van een lidstaat dat niet voor alle groepen van chemische gevaren tests omvat.

Tekstvak 4

Voorbeeld van een plan van een lidstaat dat niet voor alle chemische gevaren tests op producten van dierlijke oorsprong omvat

Nederland legt zijn laboratoriumtests op chemische gevaren in een residuplan vast. Het plan van 2016 voorzag in het testen van 1 % van de ingevoerde zendingen op residuen van diergeneesmiddelen, een klein aantal contaminanten en residuen van bestrijdingsmiddelen. Er werden geen controles gepland op gereguleerde voedselingrediënten of bestrijdingsmiddelen en contaminanten die door andere rechtsinstrumenten van de EU dan Richtlijn 96/23/EG worden gereglementeerd.

Handhavingsmaatregelen worden niet optimaal benut

66

We beoordeelden de maatregelen die lidstaten nemen wanneer ze vaststellen dat ingevoerde levensmiddelen niet aan de EU-voorschriften voldoen. De autoriteiten van de lidstaten beoordelen de veiligheid van ingevoerde voedingsproducten op dezelfde manier als ze voor producten van EU-oorsprong doen (zie de paragrafen 52 en 53 ). Lidstaten weigeren de zending of halen de producten van de markt en eisen van importeurs dat zij de laboratoriumkosten betalen. Geen van de drie bezochte lidstaten legt extra boetes aan importeurs op.

67

De Commissie kan tekortkomingen aanpakken met aanbevelingen, follow-upcontroles, brieven op hoog niveau en bijeenkomsten met vertegenwoordigers van de betrokken niet-EU-landen. In tegenstelling tot de lidstaten kan de Commissie bijzondere voorwaarden voor de invoer opschorten of opleggen63 en maakt ze daadwerkelijk gebruik van deze instrumenten64. Ze heeft daarnaast bijzondere voorwaarden vastgesteld om van de autoriteiten van niet-EU-landen te eisen dat ze bepaalde controles, zoals laboratoriumanalyses, verrichten voordat ze voedingsproducten exporteren65.

68

De EU-wetgeving machtigt de Commissie ook om inrichtingen in niet-EU-landen die levensmiddelen van dierlijke oorsprong produceren van de lijst te schrappen66. De Commissie vertrouwt erop dat niet-EU-landen inrichtingen op de lijst zetten en van de lijst schrappen. De Commissie kan ze echter van de lijst schrappen wanneer de bevoegde autoriteiten in de niet-EU-landen onvoldoende garanties geven in verband met de inrichtingen. Tot voor kort heeft de Commissie geen gebruik gemaakt van dit voorrecht tot schrappen67. De diensten van de Commissie hebben aangevoerd dat de huidige wettelijke procedure om een inrichting van de lijst te schrappen het waard is te worden herzien.

69

De diensten van de Commissie hebben mogelijkheden vastgesteld om verbetering te brengen in de wijze waarop de Commissie omgaat met de uitdagingen waarvoor niet-EU-landen staan om te voldoen aan de EU-invoervereisten. Deze mogelijkheden omvatten een versterking van het gebruik van de bestaande controle- en follow-upactiviteiten om naleving aan te moedigen en vastgestelde problemen op te lossen.

Conclusies en aanbevelingen

70

Deze controle spitste zich toe op chemische gevaren, waarvan de schadelijke effecten vaak niet onmiddellijk zichtbaar zijn omdat het om langetermijn- en cumulatieve effecten gaat. Onze belangrijkste controlevraag luidde: „Heeft het Europese model voor voedselveiligheid een solide basis en wordt het deugdelijk uitgevoerd om de in de EU geconsumeerde levensmiddelen te vrijwaren van chemische gevaren?” We stelden vast dat het model een goede basis heeft, wereldwijd als een referentiemodel wordt beschouwd en EU-burgers een hoog niveau van voedselveiligheid biedt. Wij constateerden echter ook dat het model momenteel te ambitieus is, omdat de Commissie en de lidstaten niet de mogelijkheden hebben om het volledig uit te voeren.

71

We identificeerden een aantal inconsistenties en uitdagingen die het EU-voedselveiligheidsmodel momenteel kent.

72

Het rechtskader voor de veiligheid van chemicaliën in levensmiddelen, diervoeders, planten en levende dieren blijft werk in uitvoering en is nog niet zo ver uitgevoerd als in de EU-levensmiddelenwetgeving wordt beoogd (zie paragraaf 40). Bovendien hebben de diverse afdelingen van de EFSA die aanvragen voor gebruik van chemicaliën in levensmiddelen beoordelen en wetenschappelijk advies verstrekken met het oog op Europese wet- en regelgeving en beleidsvorming te kampen met een zware achterstand (zie paragraaf 42). Dit beïnvloedt de goede werking van delen van het systeem en de houdbaarheid van het model als geheel (zie de paragrafen 46-69).

73

De door de overheidsinstanties uitgevoerde controles maken slechts een klein deel uit van alle uitgevoerde controles. We stelden vast dat in sommige controles van lidstaten bepaalde groepen van chemische stoffen vaker aan bod komen dan andere (zie de paragrafen 48-50 en 62-65), en dat het rechtskader zo uitgebreid is dat overheidsinstanties moeite hebben om alle op hen rustende verantwoordelijkheden alleen te vervullen (zie de paragrafen 43-45). De geloofwaardigheid van het EU-model kan het best in stand worden gehouden door openbare controlesystemen aan te vullen met controles door de private sector. De synergieën tussen openbare en private controlesystemen worden echter nu pas verkend (zie de paragrafen 32-34). Derhalve volgt hieronder:

Aanbeveling 1 — De wetgeving beoordelen en de complementariteit tussen private en openbare controlesystemen verbeteren

  1. De Commissie moet als onderdeel van het huidige programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (Refit) inzake het rechtskader voor levensmiddelen, diervoerders, levende dieren en planten, potentiële veranderingen van de wetgeving op het gebied van chemische gevaren beoordelen in het licht van de capaciteit om deze consequent toe te passen.
  2. Streefdatum voor uitvoering: 2020.

  3. De Commissie moet voortbouwen op het werk waarmee al is begonnen om deze complementariteit te bevorderen door de vervolgstappen te bepalen zodat de overheidsinstanties van de lidstaten, voor zover dit gegrond is, in grotere mate kunnen vertrouwen op de door de private sector uitgevoerde controles om de doelmatigheid van de controles te verbeteren alsook de houdbaarheid van het EU-voedselveiligheidsmodel.
  4. Streefdatum voor uitvoering: 2020.

74

Een sterk punt van het EU-model is dat het als doel heeft te waarborgen dat in de EU vervaardigde producten en ingevoerde producten aan dezelfde veiligheidsnormen voldoen en consumenten op die manier worden beschermd. Wij stelden vast dat de EU over een toereikende rechtsgrondslag en een controlesysteem beschikt om te waarborgen dat producten ongeacht hun land van oorsprong aan EU-normen voldoen.

75

We stelden ook vast dat er voor bepaalde residuen van bestrijdingsmiddelen een risicobeoordeling wordt verricht en invoertoleranties worden toegestaan (wanneer ze veilig zijn voor consumenten), opdat er aan de EU-veiligheidsnormen voor de invoer van levensmiddelen wordt voldaan. Hierbij wordt rekening gehouden met specifieke omstandigheden in niet-EU-landen (zie de paragrafen 29, 30 en 38). Derhalve volgt hieronder:

Aanbeveling 2 — Dezelfde mate van zekerheid behouden voor zowel in de EU geproduceerde als ingevoerde levensmiddelen

Wat residuen van bestrijdingsmiddelen in levensmiddelen betreft, moet de Commissie toelichten welke stappen ze zal ondernemen om dezelfde mate van zekerheid te bieden voor zowel in de EU geproduceerde als ingevoerde levensmiddelen in overeenstemming met de WTO-regels.

Streefdatum voor uitvoering: 2019.

76

Hoewel exploitanten van levensmiddelen- en diervoederbedrijven er belang bij hebben dat er een hoog niveau van voedselveiligheid wordt aangehouden, hebben de overheidsinstanties van de lidstaten moeite met het bepalen van de aard van de handhavingsmaatregelen die moeten worden getroffen in het geval van niet-naleving (zie de paragrafen 51-53 en 66). De Commissie heeft mogelijkheden vastgesteld ter verbetering van haar procedures voor de monitoring en handhaving van wetgeving inzake voedingsmiddelen (zie de paragrafen 54-56 en 67-69). Derhalve volgt hieronder:

Aanbeveling 3 — Bevorderen van consequente toepassing van de EU-levensmiddelenwetgeving

  1. De Commissie moet de lidstaten nadere richtsnoeren verstrekken voor de toepassing van handhavingsmaatregelen.
  2. Streefdatum voor uitvoering: 2020.

  3. De Commissie moet de mogelijkheden die ze heeft vastgesteld, toepassen ter verbetering van haar procedures voor de monitoring van de naleving van EU-levensmiddelenwetgeving.
  4. Streefdatum voor uitvoering: 2020.

Dit verslag werd door kamer I onder leiding van de heer Nikolaos MILIONIS, lid van de Rekenkamer, te Luxemburg vastgesteld op haar vergadering van 14 november 2018.

Voor de Rekenkamer

Klaus-Heiner LEHNE
President

Bijlagen

Bijlage I

Chemische stoffen die gereguleerd zijn in de wettelijke bepalingen inzake levensmiddelen en diervoeders van de EU

Toegelaten Verboden
Levensmiddelenadditieven E 334-levensmiddelenadditieven
Bron: Verordening (EG) nr. 1333/2008 van 16 december 2008
BIJLAGE II EU-lijst van voor gebruik in levensmiddelen goedgekeurde levensmiddelenadditieven en gebruiksvoorwaarden Deel B — Lijst van alle additieven
Levensmiddelenaroma's 2 549 stoffen goedgekeurd op het gebied van levensmiddelenaroma's
Bron: Verordening (EG) nr. 1334/2008 van 16 december 2008
Bijlage I, tabel I: Lijst van voor gebruik in en op levensmiddelen goedgekeurde aroma's en uitgangsmaterialen
10 toegelaten rookaroma's
Bron: Verordening (EU) nr. 1321/2013 van 10 december 2013 — lijst van toegelaten primaire rookaromaproducten voor gebruik als zodanig in of op levensmiddelen en/of voor de bereiding van afgeleide rookaroma's
15 stoffen
Bron: Verordening (EG) nr. 1334/2008 van 16 december 2008 (geconsolideerde versie).
Bijlage III, deel A: Stoffen die niet als zodanig aan levensmiddelen mogen worden toegevoegd.
Toevoegingsmiddelen in diervoeding 1 584 toevoegingsmiddelen in diervoeding
Bron: Repertorium van toevoegingsmiddelen voor diervoeding van 11 oktober 2017 krachtens Verordening (EG) nr. 1831/2003. Bijlage I: Lijst van toevoegingsmiddelen
236 toevoegingsmiddelen waarvoor geen aanvraag tot herbeoordeling werd ingediend
Bron: Repertorium van toevoegingsmiddelen voor diervoeding van 11 oktober 2017 krachtens Verordening (EG) nr. 1831/2003. Bijlage II — Lijst van toevoegingsmiddelen waarvoor geen aanvraag tot herbeoordeling werd ingediend vóór de uiterste termijn van 8 november 2010
Verordening (EG) nr. 1831/2003 van 22 september 2003/artikel 17: De Commissie stelt een communautair repertorium van toevoegingsmiddelen voor diervoeding op en werkt dat regelmatig bij.
Materialen die met levensmiddelen in aanraking komen (FCM) 885 toegelaten FCM-stoffen
Bron: Verordening (EU) nr. 10/2011 van 14 januari 2011 (geconsolideerde versie): Bijlage I „EU-lijst van toegelaten monomeren, andere uitgangsstoffen, door microbiële fermentatie verkregen macromoleculen, additieven en polymerisatiehulpmiddelen”, tabel I — Lijst van toegelaten stoffen in de vervaardiging van FCM's van kunststof
34 groepsbeperkingen voor FCM-stoffen
Bron: Verordening (EU) nr. 10/2011 van 14 januari 2011. Bijlage I / tabel II — Groepsbeperking voor FCM-stoffen
Artikel 5 — Verordening (EG) nr. 1935/2004 van 27 oktober 2004
105 stoffen of groepen stoffen
Bron: Richtlijn 2007/42/EG van 29 juni 2007. Bijlage II — Lijst van stoffen of groepen van stoffen die zijn toegestaan voor de vervaardiging van folie van geregenereerde cellulose als materialen die met levensmiddelen in aanraking komen
3 niet-toegelaten stoffen
Bron: Verordening (EG) nr. 1895/2005
1 niet-toegelaten stof
Bron: Verordening (EU) nr. 10/2011 en Verordening (EU) nr. 2018/213
Bestrijdingsmiddelen 492 werkzame stoffen
Delen A en B — Lijst van goedgekeurde werkzame stoffen
20 Deel C — Basisstoffen
13 Deel D — Werkzame stof met een laag risico
71 Deel E — In aanmerking komend voor vervanging
Bron: EU Pesticides database (oktober 2018)
833 werkzame stoffen
niet goedgekeurd krachtens Verordening (EG) nr. 1107/2009
38 stoffen in behandeling
20 stoffen „Geen gewasbeschermingsmiddel”
Bron: EU Pesticides database
(oktober 2018)
Contaminanten 59 Contaminanten/ongewenste stoffen
— Anorganische verontreinigende stoffen en stikstofverbindingen (waaronder metalen): 9 stoffen
— Mycotoxinen: 9 stoffen
— Inherente plantentoxinen 7 stoffen
— Organische chloorverbindingen (met uitzondering van dioxinen en pcb’s): 10 stoffen
— Dioxinen en pcb’s: 3 stoffen
— Procescontaminanten: 3 stoffen
— Schadelijke botanische verontreinigingen: 7 stoffen
— Toegestane toevoegingsmiddelen (coccidiostatica) in niet-doeldiervoeders als gevolg van niet te voorkomen versleping: 11 stoffen
Bron: Richtlijn 2002/32/EG van 7 mei 2002 (geconsolideerde versie)
Diervoeders: Aanbeveling 2006/576/EG van de Commissie van 17 augustus 2006 (geconsolideerde versie).
Levensmiddelen: Verordening (EG) nr. 1881/2006 van 19 december 2006 (geconsolideerde versie):
Diergeneesmiddelen (met inbegrip van hormonen) 666 farmacologisch werkzame stoffen
Bron: Verordening (EG) nr. 37/2010 van 22 december 2009
Bijlage, tabel 1 — Toegestane stoffen
1 groep stoffen
Bron: Richtlijn 96/22/EG van 29 april 1996 (geconsolideerde versie). Bijlage II: Lijst van verboden stoffen:
Lijst B: verboden stoffen waarvoor afwijkingen kunnen worden toegestaan
9 stoffen
Bron: Verordening (EG) nr. 37/2010 van 22 december 2009
Bijlage, tabel 2 — Verboden stoffen
3 stoffen of groepen stoffen
Bron: Richtlijn 96/22/EG van 29 april 1996 (geconsolideerde versie). Bijlage II: Lijst van verboden stoffen. Lijst A: verboden stoffen
1 groep stoffen
Bron: Richtlijn 96/22/EG van 29 april 1996. Bijlage III: Lijst van stoffen waarvoor een voorlopig verbod geldt
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
6 groepen stoffen
Groep A — Stoffen met anabole werking en niet-toegestane stoffen
3 groepen stoffen
Groep B — Diergeneesmiddelen en contaminanten
Bron: Richtlijn 96/23/EG van 29 april 1996. Bijlage I

Bijlage II

Voorbeelden van chemicaliën en de gevolgen daarvan

Stof Voorbeelden van producten waarin de stof aanwezig kan zijn Voorbeelden van bijbehorende gevolgen
Bestrijdingsmiddelen (bij onwettig gebruik) Planten (granen, groenten, vruchten)diervoeder, dieren Laag geboortegewicht en vroeggeboorte, diverse geboorteafwijkingen, verschillende kankertypen, ischemische hartziekte, cerebrovasculaire ziekte
Niet-toegelaten kleur Rood 2G (128) Verschillende worsten en hamburgervlees Genotoxiciteit, carcinogeniteit
Methylkwik Vis (tonijn, marlijn, zwaardvis, snoek) Aangetaste cognitieve ontwikkeling, mentale achterstand, ziekte van Parkinson, ADHD, Minamataziekte
Lood Voedsel-/ water-/ bodemverontreiniging, planten Diverse geboorteafwijkingen, bloedarmoede, methemoglobinemie, aangetaste cognitieve ontwikkeling, mentale achterstand, ziekte van Parkinson, ADHD, Minamataziekte, gehoorverlies, ischemische hartziekte, cerebrovasculaire ziekte, nierstenen, chronische nierziekte
Cadmium Planten (rijst en andere granen, wortelgewassen, groenten) Ischemische hartziekte, cerebrovasculaire ziekte, nierstenen, chronische nierziekte, osteoporose, jicht
Dioxinen Diervoeder, producten van dierlijke oorsprong (melkproducten, vlees, eieren) Tal van kankers, waaronder long-, huid-, lever-, hersen-, nier-, prostaat-, beenmerg- en blaaskanker
Aflatoxinen Planten (als gevolg van schimmel die granen, oliezaden, specerijen en noten aantast), zuivelproducten Tal van kankers, waaronder long-, huid-, lever-, hersen-, nier-, prostaat-, beenmerg- en blaaskanker

Bron: Tabel geïnspireerd op Prüss-Ustün, A. et al., „Knowns and unknowns on burden of disease due to chemicals: a systematic review”. Tabel 1 — Voorbeelden van bronnen en routes van menselijke blootstelling aan enkele geselecteerde chemicaliën en tabel 2 — Belangrijkste ziektegroepen waarvoor een verband met chemicaliën wordt vermoed of is vastgesteld. Online gepubliceerd op 21.1.2011 doi:10.1186/1476-069X-10-9.

Bijlage III

Voorbeelden van elementen van wettelijke EU-bepalingen in afwachting van uitvoering en maatregelen

1. Levensmiddelenadditieven zijn stoffen die doelbewust aan levensmiddelen worden toegevoegd voor bepaalde technologische doeleinden, bijvoorbeeld om ze kleur te geven, te verzoeten of te helpen conserveren68. In 2011 heeft de EU een lijst van additieven die mogen worden gebruikt in levensmiddelen vastgesteld69 ter vervanging van de bepalingen van de voorgaande richtlijnen inzake levensmiddelenadditieven. Momenteel bevat de lijst 334 levensmiddelenadditieven70. Verordening EG nr. 1333/2008 maakte een verplichte herbeoordeling van 316 van deze additieven echter noodzakelijk zodat kon worden beslist of deze op de lijst moesten blijven staan. Tegen augustus 2018 waren 175 additieven opnieuw beoordeeld. De wettelijke termijn voor de afronding van het herbeoordelingsprogramma is eind 2020, maar dit kan worden beïnvloed door achterstanden bij de EFSA.

2. De verordening71 schrijft voor dat de EU een lijst van toegelaten voedingsenzymen opstelt. Tien jaar nadat deze verordening werd aangenomen, heeft de Commissie echter nog altijd geen lijst opgesteld. De reden hiervoor is dat in de verordening72 de opstelling van deze lijst als één stap werd gezien, waardoor dit pas mogelijk is wanneer de veiligheid van alle enzymen die in overweging worden genomen voor opname in de lijst is beoordeeld door de EFSA. Ten tijde van onze controle had de EFSA echter sluitende wetenschappelijke beoordelingen uitgebracht van nog maar 13 enzymen (waarbij de beoordeling van slechts 18 van de 281 enzymen waarvoor ze een volledige aanvraag had ontvangen, was voltooid).

3. In mei 2018 waren 318 van de 2 546 toegelaten aroma’s73 op de EU-lijst voorzien van voetnoten74, wat betekent dat ze op de markt mogen worden gebracht, maar dat de evaluatie nog niet is afgerond. De EFSA had de definitieve beoordeling van 117 van deze 318 stoffen voltooid op het moment van de controle.

4. De lidstaten zijn verplicht de consumptie en het gebruik van levensmiddelenadditieven en -aroma's te monitoren. Deze informatie is nuttig omdat de EFSA op basis daarvan beoordelingen van levensmiddelenaroma’s en herbeoordelingen van levensmiddelenadditieven, en in het bijzonder „blootstellingsschattingen”, een van de vier elementen van elke risicobeoordeling, kan verrichten. Conform de EU-wetgeving75, moest de Commissie uiterlijk op 20 januari 2011 een gemeenschappelijke methodologie voor de verzameling van deze vereiste informatie voor aroma’s door de lidstaten hebben vastgesteld (er was geen termijn gegeven voor levensmiddelenadditieven). Ten tijde van onze controle was een dergelijke methodologie echter nog niet goedgekeurd.

5. Ten aanzien van voedingssupplementen verplicht Richtlijn 2002/46/EG de Commissie om maximumhoeveelheden vast te stellen voor het vitamine- en mineraalgehalte in supplementen. Hoewel de EFSA in 2006 de „tolerance upper intake levels for vitamins and minerals” publiceerde, heeft de Commissie dergelijke grenswaarden nog niet ingesteld. Daarom blijven de grenswaarden van de lidstaten van toepassing. Volgens de Commissie is de kwestie opgeschort en zijn er voor de nabije toekomst geen maatregelen gepland. De autoriteiten van de lidstaten die wij tijdens onze controle bezochten, waren van mening dat deze waarden op EU-niveau moeten worden vastgesteld om de levensmiddelen- en diervoedersector duidelijke aanwijzingen te geven over wat wel en niet is toegelaten, en om te garanderen dat alle bedrijven die op de EU-markt actief zijn gelijk worden behandeld. Voorts merkten ze op dat de huidige situatie, waarbij elke lidstaat andere of helemaal geen grenzen vaststelt, een negatieve impact heeft op de beeldvorming bij consumenten over de veiligheid van deze producten.

6. Over materialen die met levensmiddelen in contact komen, zegt de EFSA het volgende: de veiligheid van materialen die met levensmiddelen in contact komen, moet worden beoordeeld, aangezien chemicaliën uit deze materialen naar levensmiddelen kunnen migreren. Een aantal van de specifieke wettelijke bepalingen voor de productie van materialen die met levensmiddelen in contact komen, is echter nog niet geharmoniseerd in de gehele EU.

  • Krachtens artikel 4 van Richtlijn 84/500/EEG had de Commissie tot 1987 de tijd om de in artikel 2 voor keramische voorwerpen vastgestelde grenzen opnieuw te onderzoeken. Ten tijde van onze controle was dit hernieuwde onderzoek echter nog niet voltooid of had het nog niet tot enig besluit geleid.
  • Volgens Verordening (EG) nr. 450/2009 betreffende actieve en intelligente materialen en voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in contact te komen, moest de Commissie een EU-lijst van actieve en intelligente materialen die met levensmiddelen in contact komen, opstellen nadat de EFSA haar advies over de aanvragen had uitgebracht. De EFSA bracht haar laatste advies over de eerste reeks aanvragen in 2013 uit, maar de Commissie heeft de EU-lijst nog niet opgesteld.
  • Tussen 2008 en 2018 ontving de EFSA voor materialen van gerecycleerde kunststof 156 aanvragen in verband met recyclingprocessen. De veiligheidsbeoordeling van de EFSA voor elk recyclingproces moet worden gevolgd door een risicobeoordelingsbeschikking over de eventuele toelating ervan. Op het moment van onze controle moesten nog 138 beschikkingen worden goedgekeurd. Bij de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 282/2008 stelde de Commissie bij wijze van overgangsmaatregel een EU-register met al deze geldige aanvragen op. Bijgevolg mogen alle recyclingprocessen in dit register momenteel nog worden gebruikt, ongeacht de definitieve beoordeling van de EFSA.

7. Hoewel het EU-rechtskader al een aantal bepalingen omvat over risico's in verband met cumulatieve blootstelling, bijvoorbeeld voor residuen van bestrijdingsmiddelen, is de methodologie zelf bovendien nog niet gereed om in een MRL-context te worden gebruikt.

8. Op het gebied van plantaardige stoffen heeft het wetenschappelijk comité van de EFSA een „Compendium of botanicals that are reported to contain toxic, addictive, psychotropic or other substances that may be of concern”76 samengesteld. Het doel van dit compendium is de aandacht te vestigen op aspecten waarmee rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van de veiligheid van plantaardige stoffen. Op EU-niveau zijn er echter nog geen regels aangenomen, en plantaardige stoffen blijven onderworpen aan de regels van de lidstaten. Er bestaat een systeem van wederzijdse erkenning, zodat een bedrijf dat een specifiek product dat bepaalde plantaardige stoffen bevat in één land op de markt brengt, toestemming kan vragen om datzelfde product in een ander land op de markt te brengen; het proces om deze wederzijdse erkenning te verkrijgen neemt echter veel tijd in beslag en houdt risico's in omdat de toelating in het tweede land uiteindelijk kan worden geweigerd. Vanwege deze situatie hebben enkele lidstaten de handen ineengeslagen om hun eigen gezamenlijke lijsten op te stellen van plantaardige stoffen die al dan niet in voedingssupplementen mogen worden gebruikt. Het belangrijkste voorbeeld hiervan is het BelFrIt-project77, dat gezamenlijk door België, Frankrijk en Italië werd opgezet, en dat als basis werd gebruikt voor nieuwe regelgeving in Italië en België.

Antwoorden van de Commissie

Samenvatting

I

De productie en consumptie van voedsel speelt een centrale rol in de economie van de Europese Unie. De Commissie erkent ten volle dat de voedselveiligheid derhalve een aangelegenheid van groot publiek belang is. Het is altijd een cruciale beleidsprioriteit voor de Commissie om ervoor te zorgen dat de EU de hoogste normen inzake voedselveiligheid hanteert. Deze prioriteit wordt met name weerspiegeld in een van de belangrijkste doelstellingen van de verordening algemene beginselen levensmiddelenwetgeving78 (waarmee in 2002 een breed pakket specifieke EU-wetten en -regels op het gebied van levensmiddelen is ingevoerd), te weten een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid.

III

De algemene conclusie van de geschiktheidscontrole79 luidde dat het beoogde hoge niveau van bescherming van de volksgezondheid is behaald. Het niveau van bescherming van de volksgezondheid is in het algemeen verhoogd. De huidige voedselveiligheidsniveaus zijn gunstiger dan in 2002. De wetenschappelijke basis van de maatregelen van de EU is ook aanzienlijk verbeterd. Deze zijn het gevolg van de oprichting van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA), verantwoordelijk voor het verstrekken van wetenschappelijk advies met betrekking tot alle kwesties inzake de voedselketen, de strikte scheiding tussen risicobeoordeling en risicobeheer op EU-niveau en de systematische toepassing van het risicoanalysebeginsel in de voedselwetgeving van de EU. De Commissie merkt op dat er geen systematische inconsistenties in de toepassing van de risicoanalyse op het niveau van de EU zijn vastgesteld.

Het kader voor voedselveiligheid heeft in sommige gevallen ook gediend als bron van inspiratie voor derde landen bij de ontwikkeling van hun nationale wetgeving. Ook de EU-normen in verband met de voedselketen worden tot de strengste ter wereld gerekend. Dit is grotendeels te danken aan de sterke en wetenschappelijk onderbouwde risicobeoordelingen, geleverd door de gedecentraliseerde agentschappen van de EU.

IV
  1. De Commissie erkent dat bepaalde wettelijke bepalingen nog niet zijn uitgevoerd (maximumgehalten aan vitaminen en mineralen in supplementen) en dat bepaalde wetenschappelijke methodologieën (bijvoorbeeld voor het bepalen van de cumulatieve blootstelling voor stoffen met dezelfde werking) nog niet beschikbaar zijn vanwege de wetenschappelijke complexiteit.
  2. In artikel 14, lid 9, van de algemene levensmiddelenwetgeving is bepaald dat wanneer er geen specifieke bepalingen van de Unie zijn, levensmiddelen veilig worden geacht wanneer zij voldoen aan de specifieke bepalingen van de nationale levensmiddelenwetgeving van de lidstaat op wiens grondgebied de levensmiddelen in de handel worden gebracht, rekening houdend met de bepalingen inzake het vrije verkeer van goederen van het Verdrag. Het niveau van bescherming tegen chemische gevaren in de gebieden waar de uitvoering hangende is, wordt dus niet in het gedrang gebracht.

    De Commissie is het ermee eens dat er een achterstand bestaat, met name op het gebied van gereglementeerde voedselingrediënten. Momenteel wordt een Refit-evaluatie van de wet- en regelgeving betreffende pesticiden uitgevoerd en wordt, in het wetgevingsvoorstel van de Commissie houdende wijziging van de algemene levensmiddelenwetgeving, onder meer de duurzaamheid van de EU-risicobeoordeling in de voedselketen en meer in het bijzonder de wetenschappelijke capaciteit van de EFSA80 aan de orde gesteld.

    Uit de geschiktheidscontrole is gebleken dat de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen de particuliere sector en de publieke controle-instanties ook heeft gezorgd voor meer efficiëntie. De particuliere sector is primair verantwoordelijk voor de naleving van de levensmiddelenwetgeving en voor het uitvoeren van "eigen controles". De publieke controle-instanties zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van officiële controles. Dankzij deze opdeling konden de openbare controle-instanties een meer geharmoniseerde en doelgerichte, op risico's gebaseerde aanpak van officiële controles ontwikkelen, rekening houdend met de particuliere controles indien deze betrouwbaar waren.

  3. Om ook op het gebied van voedselveiligheid een gelijk speelveld te verzekeren, moeten alle levensmiddelen die in de EU worden geïmporteerd, voldoen aan de toepasselijke voorschriften in de EU-wetgeving of aan de voorwaarden die de EU als equivalent of beter heeft erkend. De EU heeft aanzienlijke inspanningen gedaan om de levensmiddelenwetgeving van de EU af te stemmen op de internationale normen. Als belangrijke wereldwijde handelaar in levensmiddelen en diervoeders heeft de EU geregeld aanzienlijk bijgedragen tot de ontwikkeling van internationale normen op basis van de EU-normen. Wanneer de geharmoniseerde EU-normen echter stringenter zijn dan de normen op internationaal niveau, deelt de EU haar standpunt op een transparante manier mee, zodat exporteurs naar de EU zich kunnen voorbereiden om te voldoen aan de EU-normen.
  4. De Commissie heeft sinds 2005 systematische procedures voor de opvolging van auditaanbevelingen, en er zijn incrementele handhavingsmaatregelen in geval van aanhoudende niet-naleving van EU-regels.

De Commissie werkt aan de verbetering van haar procedures voor het toezicht op en de handhaving van alle gezondheids- en levensmiddelenwetgeving en houdt daarbij rekening met de aanbevelingen die voortvloeien uit de audits van de Commissie.

V

V. De Commissie aanvaardt alle aanbevelingen van de Europese Rekenkamer.

  1. De Commissie hecht grote waarde aan de constante evaluatie van de EU-wetgeving in het kader van het Refit-programma, waarmee eventuele verbeterpunten in kaart kunnen worden gebracht. Een aantal sectorale evaluaties op het gebied van de levensmiddelenwetgeving worden momenteel uitgevoerd of gepland in de nabije toekomst.
  2. De Commissie heeft onlangs een wetgevingsvoorstel vastgesteld houdende wijziging van de algemene levensmiddelenwetgeving en nog acht andere sectorspecifieke handelingen. Daarin wordt de duurzaamheid op de lange termijn van de EU-risicobeoordeling in de voedselketen en meer in het bijzonder de wetenschappelijke capaciteit van de EFSA81 aan de orde gesteld..

    Volgens de Commissie wordt in de gebieden waar de uitvoering hangende is, het niveau van bescherming tegen chemische gevaren niet in het gedrang gebracht.

    De Commissie merkt op dat artikel 9, lid 1, onder d), van de nieuwe, vanaf 14 december 2019 van toepassing zijnde verordening betreffende officiële controles (Verordening (EU) 2017/625) bepaalt dat de bevoegde autoriteiten officiële controles verrichten met inachtneming van — onder andere — particuliere kwaliteitsborgingssystemen, waar toepasselijk.

    De Commissie zal — binnen haar mandaat — de bevoegde autoriteiten van de lidstaten proberen te steunen bij de tenuitvoerlegging van deze bepaling. Bij de lopende werkzaamheden ter voorbereiding van de tertiaire wetgeving wordt rekening gehouden met de behoeften in de verordening en in het bijzonder de complementariteit van de verantwoordelijkheden van de autoriteiten van de lidstaten en de particuliere sector.

  3. Wat residuen van bestrijdingsmiddelen betreft, biedt de EU-verordening betreffende maximumresidugehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen dezelfde consumentenbescherming voor alle levensmiddelen, ongeacht hun herkomst, aangezien er maar één set MRL's is voor alle producten. Er loopt momenteel een Refit-evaluatie van deze wetgeving. Er zal in 2019 een verslag aan het Europees Parlement en de Raad worden opgesteld met betrekking tot bestrijdingsmiddelen en residuen daarvan. Meer in het algemeen blijft het EU-kader dezelfde mate van zekerheid bieden voor zowel in de EU geproduceerde als ingevoerde levensmiddelen door de reeds vastgestelde wettelijke vereisten strikt na te leven.
  4. De Commissie zal overwegen dergelijke richtsnoeren te verstrekken wanneer dat nodig lijkt. De Commissie heeft reeds haar gebruik van bestaande audit- en follow-upactiviteiten versterkt als middel om derde landen aan te moedigen om de EU-invoervoorschriften na te leven.

Inleiding

1

Levensmiddelenwetgeving, zowel op Unieniveau als op nationaal niveau, is gericht op een hoog niveau van bescherming van het leven en de gezondheid van mensen te allen tijde en op het doeltreffend functioneren van de interne markt. Met dat doel voor ogen zijn in de verordening algemene beginselen levensmiddelenwetgeving een aantal algemene beginselen en voorschriften vastgelegd die zowel op Unie- als nationaal niveau van toepassing zijn, zoals het risicoanalysebeginsel, de primaire verantwoordelijkheid van exploitanten, de eis dat geïmporteerde levensmiddelen en diervoeders aan alle wettelijke EU-voorschriften voldoen, het traceerbaarheidsbeginsel en de eis dat alleen veilige levensmiddelen en diervoeders in de Unie in de handel mogen worden gebracht82.

11

Exploitanten van levensmiddelenbedrijven, waaronder ook importeurs, zijn onder de algemene levensmiddelenwetgeving wettelijk verplicht erop toe te zien dat levensmiddelen die in de EU in de handel worden gebracht, ongeacht hun herkomst, veilig zijn en voldoen aan alle voorschriften van de levensmiddelenwetgeving zoals deze op uniaal en nationaal niveau van kracht zijn83.

13

Volgens het risicoanalysebeginsel en op basis van de risicobeoordeling van de EFSA (verstrekking van wetenschappelijk advies) is het aan de EU-/nationale risicobeheerders84 (afhankelijk van het feit of een gebied al dan niet is geharmoniseerd) om passende maatregelen te nemen, ook op het gebied van voedselveiligheid (bijvoorbeeld om een levensmiddel al dan niet goed te keuren en zo ja, onder welke voorwaarden).

Bij deze maatregelen moet rekening worden gehouden met de resultaten van de risicobeoordeling (en op EU-niveau met name ook met de inbreng van de EFSA), alsook met andere legitieme factoren85 en het voorzorgsbeginsel, voor zover van toepassing.

Opmerkingen

23

Uit de geschiktheidscontrole van de algemene levensmiddelenwetgeving blijkt onder meer dat de huidige voedselveiligheidsniveaus gunstiger zijn dan die van vóór 2002. De wetenschappelijke grondslag van de EU-maatregelen is aanzienlijk verbeterd. Er werden geen systematische inconsistenties bij de toepassing van de risicoanalyse op EU-niveau vastgesteld. Het levensmiddelenwetgevingsmodel van de EU heeft derde landen geïnspireerd bij de ontwikkeling van hun nationale wetgeving en heeft bijgedragen tot de wereldwijde erkenning van de veiligheid van EU-producten. Er is ook een hoge mate van harmonisatie van de EU-levensmiddelenwetgeving, die heeft bijgedragen tot de goede werking van de interne markt.

Tekstvak 1 — Het voorzorgsbeginsel als omschreven in de algemene levensmiddelenwetgeving

Op grond van het voorzorgsbeginsel kunnen de EU-risicobeheerders (maar ook nationale risicobeheerders) voorlopige maatregelen voor risicomanagement vaststellen wanneer na beoordeling van de beschikbare informatie de mogelijkheid van schadelijke gevolgen voor de gezondheid is vastgesteld, maar er nog wetenschappelijke onzekerheid heerst.

De toepassing van het voorzorgsbeginsel vereist een wetenschappelijke beoordeling en een beoordeling en afweging van de betrokken risico's, d.w.z. of de geïdentificeerde potentiële risico's de drempel overschrijden van hetgeen aanvaardbaar is voor de samenleving, alsmede de gevolgen van niet-optreden door de EU/nationale risicobeheerders. Derhalve is de toepassing van het voorzorgsbeginsel een bijzonder instrument voor risicobeheer.

28

Volgens de bevindingen van de geschiktheidscontrole hebben EU-beheerders in slechts weinig gevallen gekozen voor de toepassing van het voorzorgsbeginsel. Er werd geen bewijs gevonden van de concrete schadelijke gevolgen van elk van deze maatregelen voor innovatie en handel.

In de afgelopen jaren en met betrekking tot politiek gevoelige kwesties hebben belanghebbenden en met name bepaalde ngo's en bepaalde lidstaten op grond van het voorzorgsbeginsel opgeroepen tot een totaal verbod, met name voor hormoonontregelende stoffen, gewasbeschermingsmiddelen of ggo's. Deze oproepen voldoen echter niet aan de twee voorwaarden voor de toepassing van het voorzorgsbeginsel. Daarom lijken deze verzoeken betrekking te hebben op oproepen om rekening te houden met andere legitieme factoren, en niet op de toepassing van het voorzorgsbeginsel.

Tekstvak 2 — Verschil tussen gevaar en risico

Ingevoerde producten worden onderworpen aan een risicobeoordeling die moet aantonen dat levensmiddelen veilig zijn voor de consument alvorens die stoffen kunnen worden getolereerd in ingevoerde producten. Bovendien moeten de wettelijke limieten (MRL's) in acht worden genomen.

30

De Commissie blijft zekerheid verschaffen dat alle levensmiddelen die in de EU worden verkocht, ongeacht hun herkomst, voldoen aan dezelfde veiligheidsnormen: er is slechts één set MRL's voor alle producten op de EU-markt, ongeacht hun oorsprong. Wanneer een stof niet is toegelaten in de EU om andere redenen dan om redenen van volksgezondheid (bv. milieuredenen), kunnen in goed gemotiveerde gevallen invoertoleranties worden gehanteerd, maar alleen indien deze volledig worden ondersteund door gegevens en als ze veilig zijn voor de consument.

33

De geschiktheidscontrole heeft verder vastgesteld dat de verdeling van verantwoordelijkheden tussen de particuliere sector en de publieke controle autoriteiten ook heeft gezorgd voor meer efficiëntie. De particuliere sector is primair verantwoordelijk voor de naleving van de levensmiddelenwetgeving en voor het uitvoeren van "eigen controles". De openbare controle-instanties zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van officiële controles. Dankzij deze opdeling konden de openbare controle-instanties een meer geharmoniseerde en doelgerichte, op risico's gebaseerde aanpak van officiële controles ontwikkelen, rekening houdend met de particuliere controles indien deze betrouwbaar waren.

34

Uit de geschiktheidscontrole van de algemene levensmiddelenwetgeving is gebleken dat nationale verschillen niet systematisch zijn, maar veeleer geval per geval optreden. De Commissie probeert deze nationale verschillen te verkleinen door gesprekken met de werkgroepen (bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten), door het werk van de audit- en inspectiediensten van het directoraat-generaal Gezondheid en voedselveiligheid, en tot slot ook door algemene richtsnoeren te verstrekken/te actualiseren, voor zover mogelijk.

35

Hoewel de teksten van de Codex voedselveiligheid als referentie zijn gebruikt in de WTO/SPS-overeenkomst, belet het niet dat de WTO-leden verschillende normen mogen vaststellen op voorwaarde dat dit wetenschappelijk gerechtvaardigd is.

40

In de jaren na de invoering van de algemene levensmiddelenwetgeving in 2002 heeft een vergaande harmonisatie op dit gebied plaatsgevonden86.

Relatief weinig gebieden op het vlak van voedselveiligheid zijn slechts deels geharmoniseerd87. Bij gebrek aan een volledige harmonisatie op dit gebied wordt de risicoanalyse op nationaal niveau uitgevoerd. Hoewel het beschermingsniveau in die gevallen niet in gevaar komt, aangezien elke nationale maatregel conform de algemene levensmiddelenwetgeving een hoog niveau van bescherming van het leven en de gezondheid van de mens moet waarborgen en genomen moet worden op basis van het risicoanalysebeginsel, kan de vaststelling van dergelijke nationale maatregelen leiden tot verschillen die negatieve gevolgen kunnen hebben voor de interne markt88. Deze impact wordt momenteel meer in detail geëvalueerd in een aantal sectorale beoordelingen.

41

De Commissie streeft ernaar de veiligheid te verzekeren zonder onnodige administratieve lasten of complexiteit, en de veiligheid van de definitieve toepassing van de stoffen te waarborgen. Zij acht het niet noodzakelijk een sectoroverschrijdende risicobeoordeling uit te voeren.

42

Zie het antwoord van de Commissie op paragraaf 40.

Volgens de geschiktheidscontrole is de wetenschappelijke capaciteit van de EFSA geleidelijk toegenomen. Deze voldeed in het algemeen aan de toegenomen vraag naar wetenschappelijk advies. De EFSA heeft in de loop van de tijd de achterstanden verminderd en doet dat nog steeds door passende maatregelen te nemen. De Commissie heeft bovendien onlangs een wetgevingsvoorstel vastgesteld waarin onder meer de duurzaamheid op de lange termijn van de EU-risicobeoordeling in de voedselketen aan de orde wordt gesteld89.

43

Volgens de geschiktheidscontrole van de algemene levensmiddelenwetgeving was het merendeel van nationale levensmiddelenwetgeving vastgesteld op basis van een risicoanalyse. Indien deze niet heeft plaatsgevonden, is dit volgens de geraadpleegde bevoegde autoriteiten van de lidstaten toe te schrijven aan de problemen bij de toepassing van het risicoanalysebeginsel, zoals de beperkte beschikbare middelen. De intensiteit van deze problemen verschilt per geval. Er is ook bewijs dat aantoont dat wanneer nationale maatregelen niet werden vastgesteld op basis van een risicoanalyse, deze vervolgens werden gewijzigd of ingetrokken90.

44

In het kader waarbinnen de lidstaten handelen - Verordening (EG) nr. 882/2004 - is het concept van op risico's gebaseerde controles vastgelegd, in tegenstelling tot tests voor alle gereguleerde stoffen.

45

De geschiktheidscontrole legde een tekortkoming bloot in de duurzaamheid op lange termijn. De EFSA heeft gewerkt aan opleiding rond capaciteitsopbouw, en de Commissie ondersteunt ook opleidingen over risicobeoordeling via het initiatief Betere opleiding voor veiliger voedsel.

48

Zie het antwoord van de Commissie op paragraaf 41.

49

Alle groepen van stoffen moeten immers worden onderworpen aan officiële controles. Op het moment van de handhaving is het echter belangrijk een op risico's gebaseerde aanpak toe te passen, die kan leiden tot een verschillende intensiteit en frequentie van controles voor verschillende groepen van stoffen.

50

In de (in aantal beperkte) gedeeltelijk geharmoniseerde gebieden, moeten nationale maatregelen worden genomen op basis van het risicoanalysebeginsel en moet worden gestreefd naar een hoog beschermingsniveau van de volksgezondheid. De Commissie is het met de Rekenkamer eens dat de lidstaten geen gereglementeerde producten mogen uitsluiten van hun controles.

53

Volgens artikel 6 van de algemene levensmiddelenwetgeving moet nationale levensmiddelenwetgeving gebaseerd zijn op het risicoanalysebeginsel; de voedselveiligheid komt daarom niet in gevaar.

56

Aangezien er geen controles werden verricht op gereglementeerde voedselingrediënten, was er geen aanleiding voor de Commissie om (eventuele) aanbevelingen aan de lidstaten te doen. De Commissie heeft in 2015 en 2016 echter een aantal onderzoeksmissies uitgevoerd in verband met levensmiddelenadditieven en rookaroma's. Onderzoeksmissies leiden per definitie niet tot aanbevelingen. De resultaten van deze missies werden verwerkt in een overzichtsverslag dat in 2017 werd gepubliceerd. Dat verslag somde een reeks acties op van de Commissie op basis van de resultaten van de missies en belichtte hoe de lidstaten hun prestaties bij officiële controles kunnen verbeteren. Voorts is de Commissie in 2018 begonnen met een reeks audits in zes lidstaten om hun officiële controlesysteem voor voedselverbeteraars (levensmiddelenadditieven, (rook)aroma's en bepaalde voedselingrediënten met aromatiserende eigenschappen) te evalueren. De verslagen daarvan bevatten aanbevelingen aan de lidstaten.

58

Over het algemeen is er voldoende bewijs dat levensmiddelen van dierlijke oorsprong doorgaans meer kans maken om een risico op te leveren voor de volksgezondheid en de (vooral microbiologische) diergezondheid dan levensmiddelen van plantaardige oorsprong.

60

De bevoegde autoriteiten van de lidstaten voeren geregeld officiële controles uit op levensmiddelen van niet-dierlijke oorsprong die in de Unie worden ingevoerd, op een geschikte plaats, met inbegrip van het punt van binnenkomst van de goederen in de Unie op basis van de nationale controleplannen in het licht van potentiële risico's en deze controles moeten betrekking hebben op alle aspecten van de levensmiddelenwetgeving (zie artikel 15, de leden 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 882/2004).

66

De door de lidstaten genomen maatregelen, d.w.z. het afwijzen van de zending en het doorberekenen van laboratoriumkosten (en de daarmee gepaard gaande vertragingen), zijn niet "gratis" en werken als een afschrikmiddel of als de facto sanctie. Zij kunnen ook contractuele gevolgen hebben voor de betrokken marktdeelnemers.

Conclusies en aanbevelingen

72

De Commissie erkent dat bepaalde wettelijke bepalingen nog niet zijn uitgevoerd (maximumgehalten vitamines en mineralen in voedingssupplementen) en bepaalde wetenschappelijke methoden zoals cumulatieve blootstellingen nog niet beschikbaar zijn vanwege de wetenschappelijke complexiteit. In artikel 14, lid 9, van de algemene levensmiddelenwetgeving is bepaald dat wanneer er geen specifieke bepalingen van de Unie zijn, levensmiddelen veilig worden geacht wanneer zij voldoen aan de specifieke bepalingen van de nationale levensmiddelenwetgeving van de lidstaat op wiens grondgebied de levensmiddelen in de handel worden gebracht, rekening houdend met de bepalingen inzake het vrije verkeer van goederen van het Verdrag. Het niveau van bescherming tegen chemische gevaren in de gebieden waar de uitvoering hangende is, wordt dus niet in het gedrang gebracht.

De Commissie is het ermee eens dat er een achterstand bestaat, met name op het gebied van gereglementeerde voedselingrediënten. Momenteel wordt een Refit-evaluatie van de wet- en regelgeving betreffende pesticiden uitgevoerd. In het onlangs door de Commissie vastgestelde wetgevingsvoorstel houdende wijziging van de algemene levensmiddelenwetgeving wordt onder meer de duurzaamheid op de lange termijn van de EU-risicobeoordeling in de voedselketen, en meer in het bijzonder de wetenschappelijke capaciteit van de EFSA91 aan de orde gesteld.

73

Uit de geschiktheidscontrole is gebleken dat de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen de particuliere sector en de publieke controle-instanties ook heeft gezorgd voor meer efficiëntie. De particuliere sector is primair verantwoordelijk voor de naleving van de levensmiddelenwetgeving en voor het uitvoeren van "eigen controles". De publieke controle-instanties zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van officiële controles. Dankzij deze opdeling konden de openbare controle-instanties een meer geharmoniseerde en doelgerichte, op risico's gebaseerde aanpak van officiële controles ontwikkelen, rekening houdend met de particuliere controles indien deze betrouwbaar waren.

Aanbeveling 1 — Herziening van de wetgeving en verbetering van de complementariteit tussen particuliere en publieke controlesystemen
  1. De Commissie aanvaardt de aanbeveling.
  2. De Commissie hecht grote waarde aan de constante evaluatie van de EU-wetgeving in het kader van het Refit-programma, waarmee eventuele verbeterpunten in kaart kunnen worden gebracht. Een aantal sectorale evaluaties op het gebied van de levensmiddelenwetgeving worden momenteel uitgevoerd of gepland in de nabije toekomst.

    De Commissie heeft onlangs een wetgevingsvoorstel vastgesteld houdende wijziging van de algemene levensmiddelenwetgeving en nog acht andere sectorspecifieke handelingen. Daarin wordt onder meer de duurzaamheid op de lange termijn van de EU-risicobeoordeling in de voedselketen aan de orde gesteld, in het bijzonder de wetenschappelijke capaciteit van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA)92.

    Volgens de Commissie wordt in de gebieden waar de uitvoering hangende is, het niveau van bescherming tegen chemische gevaren niet in het gedrang gebracht.

  3. De Commissie aanvaardt de aanbeveling.

De Commissie merkt op dat in artikel 9, lid 1, onder d), van de nieuwe, vanaf 14 december 2019 van toepassing zijnde verordening betreffende officiële controles (Verordening (EU) 2017/625) is bepaald dat de bevoegde autoriteiten officiële controles verrichten met inachtneming van — onder andere — particuliere kwaliteitsborgingssystemen, waar toepasselijk.

De Commissie zal — binnen haar mandaat — de bevoegde autoriteiten van de lidstaten proberen te steunen bij de tenuitvoerlegging van deze bepaling. Bij de lopende werkzaamheden ter voorbereiding van de tertiaire wetgeving wordt rekening gehouden met de behoeften in de verordening en in het bijzonder de complementariteit van de verantwoordelijkheden van de autoriteiten van de lidstaten en de particuliere sector.

Aanbeveling 2 — Handhaving van dezelfde mate van zekerheid voor zowel in de EU geproduceerde als ingevoerde levensmiddelen

De Commissie aanvaardt de aanbeveling.

Op het gebied van bestrijdingsmiddelenresiduen biedt de verordening betreffende de maximumresidugehalten hetzelfde consumentenbeschermingsniveau voor alle levensmiddelen, ongeacht hun oorsprong, omdat er slechts één set MRL's voor alle producten is. Er loopt momenteel een Refit-evaluatie van deze wetgeving. Er zal in 2019 een verslag aan het Europees Parlement en de Raad worden opgesteld met betrekking tot bestrijdingsmiddelen en residuen daarvan. Meer in het algemeen blijft het EU-kader dezelfde mate van zekerheid bieden voor zowel in de EU geproduceerde als ingevoerde levensmiddelen door de reeds vastgestelde wettelijke vereisten strikt na te leven.

76

De Commissie heeft sinds 2005 systematische procedures voor de opvolging van auditaanbevelingen, en er zijn incrementele handhavingsmaatregelen in geval van aanhoudende niet-naleving van EU-regels.

De Commissie werkt aan de verbetering van haar procedures voor het toezicht op en de handhaving van alle gezondheids- en levensmiddelenwetgeving en houdt daarbij rekening met de aanbevelingen die voortvloeien uit de audits van de Commissie.

Aanbeveling 3 — bevordering van de consistente toepassing van de EU-levensmiddelenwetgeving
  1. De Commissie aanvaardt de aanbeveling en zal overwegen dergelijke richtsnoeren te verstrekken wanneer dat nodig lijkt.
  2. De Commissie aanvaardt de aanbeveling.

De Commissie heeft reeds haar gebruik van bestaande audit- en follow-upactiviteiten versterkt als middel om derde landen aan te moedigen om de EU-invoervoorschriften na te leven.

Termen en afkortingen

ADI: Aanvaardbare dagelijkse inname

ARfD: Acute referentiedosis

Codex: De Codex Alimentarius, of „levensmiddelencode”, is een verzameling van normen, richtsnoeren en gedragscodes die door de Codex Alimentarius Commissie (de CAC) worden aangenomen. De CAC vormt de kern van het gezamenlijk programma van de FAO en WHO inzake voedselnormen en werd door de FAO en WHO opgericht om de gezondheid van consumenten te beschermen en eerlijke praktijken in levensmiddelenhandel te bevorderen.

DG SANTE: Directoraat-generaal Gezondheid en Voedselveiligheid

DPE's: Aangewezen punten van binnenkomst (Designated Point of Entry)

DPI's: Aangewezen punten van invoer (Designated Points of Import)

EFSA: Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (European Food Safety Authority)

EMA: Europees Geneesmiddelenbureau (European Medicines Agency)

FAO: Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (Food and Agriculture Organisation)

FBO's: Exploitanten van levensmiddelen- of diervoederbedrijven (Food or Feed Business Operators)

FDA: Amerikaanse inspectie van voedings- en geneesmiddelen (Food and Drug Administration)

GATT: Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel (General Agreement on Tariffs and Trade)

Gereguleerd voedselingrediënt: Gereguleerde voedselingrediënten zijn voedselingrediënten waarvoor momenteel een vergunning voor het in de handel brengen vereist is. Het gaat hierbij om chemische stoffen die worden gebruikt als levensmiddelenadditieven, voedingsenzymen, aroma's, rookaroma's en bronnen van vitamines en mineralen die aan levensmiddelen worden toegevoegd.

HACCP: Gevarenanalyse en kritische controlepunten (Hazard Analysis and Critical Control Points)

Hormoonontregelaars: Chemicaliën die in bepaalde doses de hormoonhuishouding kunnen ontregelen (d.w.z. klieren en de hormonen die deze klieren aanmaken). Deze ontregeling kan kankergezwellen, geboorteafwijkingen en andere ontwikkelingsstoornissen veroorzaken.

Invoertolerantie: Een MRL, vastgesteld ten behoeve van de eisen van het internationale handelsverkeer voor ingevoerde producten, waarbij:

  • het gebruik van de werkzame stof in een gewasbeschermingsmiddel op een bepaald product in de Gemeenschap niet is toegestaan uit andere dan volksgezondheidsoverwegingen voor het product en het gebruik in kwestie; of
  • een ander niveau moet worden toegepast omdat het bestaande communautaire MRL werd vastgesteld uit andere dan volksgezondheidsoverwegingen voor het product en het gebruik in kwestie.

MRL: Maximumresidugehalte (Maximum Residual Levels)

Plantaardige stoffen: Plantaardige stoffen uit planten, algen, schimmels of korstmossen zijn alom beschikbaar op de Europese markt in de vorm van voedingssupplementen. Voorbeelden hiervan zijn ginkgo, knoflook en ginseng. Deze producten staan doorgaans bekend als natuurlijk voedsel. Ze kunnen zonder recept in apotheken, in supermarkten, in speciaalzaken en via internet worden gekocht.

Risicobeoordeling: Een wetenschappelijk gefundeerd proces, bestaande uit vier stappen: gevareninventarisatie, gevarenkarakterisatie, blootstellingsschatting en risicokarakterisatie.

Risicocommunicatie: Interactieve uitwisseling van informatie en standpunten gedurende het hele risicoanalyseproces betreffende gevaren en risico's, met de risico's verband houdende factoren en risicopercepties, tussen risicobeoordelaars, risicomanagers, consumenten, levensmiddelen- en diervoederbedrijven, de academische wereld en andere belanghebbenden, met inbegrip van de toelichting van de resultaten van de risicobeoordeling en de grondslag voor risicomanagementbeslissingen.

Risicomanagement: Van risicobeoordeling te onderscheiden proces waarin de beleidsalternatieven in overleg met de belanghebbenden tegen elkaar worden afgewogen, rekening houdende met de risicobeoordeling en andere legitieme factoren, en, zo nodig, passende preventie- en beheersingsmaatregelen worden gekozen.

SPS-overeenkomst: Sanitaire en fytosanitaire maatregelen

Systeem voor snelle waarschuwingen voor levensmiddelen en diervoeders (RASFF — Rapid Alert System for Food and Feed): Systeem voor snelle waarschuwingen voor levensmiddelen en diervoeders dat de toezichthoudende autoriteiten op het gebied van levensmiddelen en diervoeders van de lidstaten (nationale autoriteiten voor voedselveiligheid van de EU‑28, de Commissie, EFSA, ESA, Noorwegen, Liechtenstein, IJsland en Zwitserland) in staat stelt om informatie uit te wisselen over maatregelen die zijn genomen als reactie op ernstige risico's in verband met levensmiddelen of diervoeders. Het systeem is 24 uur per dag en zeven dagen per week bemand zodat spoedmededelingen collectief en efficiënt worden verzonden, ontvangen en beantwoord.

WHO: Wereldgezondheidsorganisatie (World Health Organization)

WTO: Wereldhandelsorganisatie (World Trade Organization)

Voetnoten

1 Exploitanten zijn in de eerste plaats verantwoordelijk voor a) de naleving van alle voorschriften van de levensmiddelenwetgeving van de Unie en de nationale voorschriften hieromtrent (met inbegrip van, maar niet beperkt tot die inzake voedselveiligheid) die van toepassing zijn op hun bedrijvigheid en binnen de bedrijven onder hun toezicht, en b) het daartoe verrichten van hun eigen controles. Dit vormt een essentieel onderdeel van de preventie van voedselcrises, met name in verband met voedselveiligheid, want hierdoor worden meerdere controlepunten ingevoerd in de voedselketen.

2 Internationale handel valt onder de WTO-regels. Zowel de EU als de afzonderlijke EU-lidstaten zijn lid van de WTO.

3 Artikel 5 van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1) (algemene levensmiddelenverordening).

4 Europese Commissie, „Food safety EU budget for the future”, 7 juni 2018 (https://ec.europa.eu/food/sites/food/files/future_budget_factsheet_en.pdf).

5 Wereldgezondheidsorganisatie, „WHO estimates of the global burden of foodborne diseases, Foodborne Disease Burden Epidemiology Reference Group 2007‑2015”, figuur 12, blz. 80.

6 In artikel 3, lid 14, van Verordening (EG) nr. 178/2002 is een „gevaar” gedefinieerd als een biologisch, chemisch of fysisch agens in een levensmiddel of diervoeder, of de toestand van een levensmiddel of diervoeder, met mogelijk nadelige gevolgen voor de gezondheid van mensen.

7 Fysische gevaren zijn voorwerpen in levensmiddelen die schade kunnen toebrengen wanneer ze worden opgegeten. Ze zijn doorgaans het gevolg van een onveilige voedselbewerking of onopzettelijke verontreiniging.

8 Biologische gevaren zijn kiemen die mensen ziek kunnen maken. Het gaat daarbij om parasieten, virussen en bacteriën. Een correcte uitvoering van het HACCP-systeem (gevarenanalyse en kritische controlepunten) vormt het voornaamste hulpmiddel dat wordt gebruikt om biologische gevaren te voorkomen.

9 Biologische levensmiddelen zijn levensmiddelen die zijn gecertificeerd als zijnde geproduceerd aan de hand van methoden die voldoen aan de normen inzake biologische landbouw. De naleving van deze normen betekent echter niet dat de aanwezigheid van alle chemische gevaren, zoals contaminanten, uitgesloten is.

10 Drie van de belangrijkste wetgevingsinstrumenten die niet specifiek betrekking hebben op chemische gevaren, maar eerder op voedselveiligheid in het algemeen, zijn de volgende:

  • Het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vormt de basis voor het EU-voedselveiligheidsbeleid aangezien het Verdrag de EU bevoegdheden verleent om op te treden op het gebied van volksgezondheid en consumentenbescherming.
  • In Verordening (EG) nr. 178/2002 worden de algemene beginselen en voorschriften van de wetgeving inzake levensmiddelen en diervoeders vastgesteld (algemene levensmiddelenverordening). Deze beginselen en voorschriften creëren een kader voor de ontwikkeling van wetgeving inzake levensmiddelen en diervoeders in zowel de EU als de lidstaten, en bestrijken alle stadia van de productie en distributie van levensmiddelen en diervoeders.
  • Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1).

11 WHO, „WHO estimates of the global burden of food-borne diseases: Food-borne disease burden epidemiology reference group 2007‑2015”, 3.12.2015. Dit is de eerste en, tot dusver, compleetste studie van de WHO over schattingen inzake door levensmiddelen overgedragen ziekten. Ze bevat gegevens over vier chemische stoffen (aflatoxine, cyanide uit cassave, dioxine en pindanootallergenen).

12 Vastgesteld door Ernst and Young in zijn externe beoordeling van de EFSA in 2012.

13 „The European Commission works to ensure that Europe’s food supply is the safest in the world and that the same standards of food safety apply to all products regardless of origin” (De Europese Commissie zorgt ervoor dat de voedselvoorziening van Europa de veiligste is ter wereld en dat dezelfde standaarden van voedselveiligheid van toepassing zijn op alle producten, ongeacht hun oorsprong) — Citaat van de webpagina van directoraat-generaal Gezondheid en Voedselveiligheid https://ec.europa.eu/food/safety/international_affairs/trade_en. Dit beginsel komt ook terug in de gezamenlijke lezing van de algemene levensmiddelenwetgeving, artikelen 11 (ingevoerde levensmiddelen en diervoeders) en 14 (voedsel moet veilig zijn).

14 De EFSA is verantwoordelijk voor de beoordeling van het voedselveiligheidsrisico terwijl het EMA verantwoordelijk is voor de beoordeling van EU-geneesmiddelen (waaronder diergeneesmiddelen).

15 De drie lidstaten werden op basis van de volgende criteria geselecteerd: 1) evenwicht tussen lidstaten met een groot invoervolume en lidstaten met een veel lager volume, 2) lidstaten met verschillende stoffen als voornaamste oorzaak van chemische gevaren in levensmiddelen, en 3) locatie van het belangrijkste EU-agentschap dat wetenschappelijk advies over chemicaliën in levensmiddelen verstrekt (de EFSA in Parma). Er werd bij de selectie van de landen ook gestreefd naar een geografisch evenwicht. Vanwege zijn regionale structuur voerden we in Italië de meeste van onze controles in slechts één regio (Ligurië) uit.

16 Het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving maakt deel uit van de agenda voor betere regelgeving van de Commissie. Het streven is, daarmee de EU-wetgeving simpel te houden, overbodige lasten weg te nemen en wetgeving aan te passen zonder afbreuk te doen aan de beleidsdoelstellingen.

17 SWD(2018) 38 final, „Fitness Check on the General Food Law (Regulation (EC) No 178/2002)”.

18 Spiric, D. et al., „Convergence on EU and USA Food safety Regulation approach, regarding foodborne outbreaks”, International 58th Meat Industry Conference „Meat Safety and Quality: Where it goes?”, Procedia Food Science 5(2015) 266-269. Uit het verslag blijkt dat de EU-levensmiddelenwetgeving een referentie is voor de VS.

19 Humphrey, J., „Food Safety, Private Standards Schemes and Trade: The Implications of the FDA Food Safety Modernization Act”, IDS Working Paper, deel 2012, nr. 403, september 2012.

20 EIOP: Text 2008-006 — European governance still technocratic? New modes of governance for food safety regulation in the European Union. Robert Fischer. 2018. „Inspired by the EU, a number of countries, e.g. France and Germany, have established independent evaluation agencies and have taken over the principle of organisational separation of risk assessment and risk management.” (Geïnspireerd door de EU heeft een aantal landen, zoals Frankrijk en Duitsland, onafhankelijke evaluatieagentschappen opgericht en het beginsel van organisatorische scheiding van risicobeoordeling en risicobeheer overgenomen.)

21 Assessing farmers’ cost of compliance with EU legislation in the fields of environment, animal welfare and food safety, CPRA voor de Europese Commissie. AGRI 2011-EVAL-08.

22 Met name overweging 17 van Verordening (EG) nr. 178/2002 bepaalt: „Ingeval levensmiddelenwetgeving gericht is op het beperken, wegnemen of vermijden van een gezondheidsrisico, vormen de drie samenhangende onderdelen van risicoanalyse — risicobeoordeling, risicomanagement en risicocommunicatie — een systematische methodologie voor het vaststellen van doeltreffende, evenredige en doelgerichte maatregelen of andere acties ter bescherming van de gezondheid”. Overweging 19 van dezelfde verordening luidt als volgt: „Erkend wordt dat in sommige gevallen een wetenschappelijke risicobeoordeling alleen onvoldoende gegevens biedt om daarop een risicomanagementbeslissing te baseren, en dat op goede gronden ook andere relevante factoren in aanmerking moeten worden genomen, waaronder maatschappelijke, economische, traditionele, ethische en milieufactoren alsmede de uitvoerbaarheid van controles”. Artikel 3 bevat definities van deze drie componenten.

23 Het EMA werd opgericht bij Verordening (EG) nr. 726/2004, maar bestond reeds sinds 1995 op basis van oudere richtlijnen. Het draagt de verantwoordelijkheid voor de EU-risicobeoordeling op het gebied van geneesmiddelen.

24 Overweging 21 en artikel 7 van Verordening (EG) nr. 178/2002.

25 Overeenkomstig de mededeling van de Commissie over het voorzorgsbeginsel (COM(2000) 1 definitief van 2.2.2000) dienen maatregelen die op grond van het voorzorgsbeginsel worden genomen: in verhouding te staan tot het gekozen beschermingsniveau, bij toepassing niet tot discriminatie te leiden, samen te hangen met eerdere soortgelijke maatregelen, te berusten op een onderzoek naar de mogelijke voordelen en kosten van wel of niet handelen (waaronder, indien wenselijk en uitvoerbaar, een economische kosten-batenanalyse), in het licht van nieuwe wetenschappelijke gegevens opnieuw te worden bekeken en aan te geven wie de taak heeft om het wetenschappelijk bewijs te verstrekken dat voor een vollediger risico-evaluatie nodig is.

26 Europese Commissie — Persbericht — Commissie neemt een mededeling over het voorzorgsbeginsel aan.

27 De WTO-Overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen (de „SPS-overeenkomst”) werd van kracht ten tijde van de oprichting van de Wereldhandelsorganisatie op 1 januari 1995. De overeenkomst betreft de toepassing van verordeningen inzake voedselveiligheid en de gezondheid van dieren en planten.

28 Artikel 5 van de SPS-overeenkomst.

29 Een volledige risicobeoordeling bestaat uit vier stappen: gevareninventarisatie, gevarenkarakterisatie, blootstellingsschatting en risicokarakterisatie.

30 Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1).

31 WTO ANALYTICAL INDEX, SPS-overeenkomst — Preambule (jurisprudentie). Punt 1.5.2 Relationship of the precautionary principle with the SPS Agreement. Januari 2018.

32 Respectievelijk Verordening (EU) nr. 1107/2009 en Verordening (EU) nr. 396/2005.

33 Samenvattend verslag van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders in Brussel op 16 en 17 februari 2017: De lidstaten benadrukten de moeilijkheden die dit op internationaal niveau met zich kan brengen (Codex Alimentarius), evenals de problemen ten aanzien van de verantwoordelijkheid voor dergelijke beleidsbeslissingen op hun niveau, gezien hun rol als eerste evaluator in de procedure voor de behandeling van aanvragen voor invoertolerantie; en samenvattend verslag van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders in Brussel op 13 en 14 juni 2018, agendapunt A.14.

34 De exploitanten van levensmiddelen- en diervoederbedrijven moeten ervoor zorgen dat de levensmiddelen en diervoeders in alle stadia van de productie, verwerking en distributie in de bedrijven onder hun beheer voldoen aan de voorschriften van de levensmiddelenwetgeving die van toepassing zijn op hun activiteiten en controleren of deze voorschriften worden nageleefd.

35 De duidelijke verdeling van verantwoordelijkheden tussen exploitanten van levensmiddelenbedrijven en overheidsinstanties in de voedselketen wordt in de resultaten van de geschiktheidscontrole van de algemene levensmiddelenwetgeving erkend als een efficiëntievoordeel.

36 Overeenstemming artikel 17, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002.

37 Cijfers gebaseerd op verslagen van de EFSA.

38 Richtlijn 96/23/EG van de Raad van 29 april 1996 inzake controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en in producten daarvan (PB L 125 van 23.5.1996, blz. 10).

39 In het overzichtsverslag „Interaction Between the System of Official Feed Controls and Private Assurance Schemes” van DG Gezondheid en Voedselveiligheid-2016‑8975 wordt een aantal voordelen erkend voor bevoegde autoriteiten die een wisselwerking tot stand brengen met private kwaliteitsborgingssystemen. http://ec.europa.eu/food/audits-analysis/overview_reports/

40 Health and Food Audits and Analysis Programme 2017. Directoraat-generaal Gezondheid en Voedselveiligheid.

41 Bijvoorbeeld DG SANTE 2017‑6072. Definitief verslag van een onderzoeksmissie die van 28 november 2017 tot en met 6 december 2017 in Duitsland werd uitgevoerd om informatie te vergaren over synergieën van officiële controles met eigen controles van exploitanten van levensmiddelenbedrijven en certificeringsregelingen van derde partijen. http://ec.europa.eu/food/audits-analysis/audit_reports/ . Nederland heeft een soortgelijke zorgen geuit tijdens het controlebezoek dat plaatsvond in de context van deze controle.

42 Geschatte consumptie = productie in de EU + invoer - uitvoer. Gegevens over de productie in de EU — 734 miljoen ton (bron: „EU agricultural production volumes for 2013 in million tonnes”, Faostat). Gegevens over de invoer — bijna 93 miljoen ton in 2016, en uitvoer — 91 miljoen ton (bron: http://ec.europa.eu/eurostat/web/products-eurostat-news/-/EDN-20171016-1?inheritRedirect=true).

43 Zo zijn de in de Codex opgenomen lijsten van chemische stoffen wellicht niet uitputtend of kunnen de lidstaten nog steeds verschillende wettelijke grenswaarden hanteren voor een bepaalde stof (bijv. verschillende MRL).

44 https://ec.europa.eu/food/safety/official_controls/legislation/imports_en

45 Terwijl 13 % van de in de EU geconsumeerde producten is ingevoerd (zie voetnoot 42), betrof 26,4 % (22 345) van het totale aantal monsters (84 657) producten die uit niet-EU-landen waren ingevoerd en was 67 % (56 749) afkomstig uit de rapporterende landen (EU, IJsland en Noorwegen). Het verslag van de Europese Unie uit 2016 over residuen van bestrijdingsmiddelen in levensmiddelen — Europese Autoriteit voor voedselveiligheid.

46 Als bijv. deze stoffen niet zijn toegelaten om andere dan gezondheidsredenen.

47 Zoals gegevens over het vóórkomen van de verontreinigingen of over voedselconsumptie.

48 In principe zijn de lidstaten vrij om het passende aantal controles te bepalen, maar de EU-wetgeving kan frequenties voor specifieke producten bepalen, bijvoorbeeld bijlage IV van Richtlijn 96/23/EG van de Raad, waarin de „niveaus en frequentie van de monsternemingen” voor levende dieren en producten daarvan zijn vastgesteld.

49 Artikel 10 van Verordening (EG) nr. 882/2004.

50 De opgenomen informatie verwijst uitsluitend naar de drie lidstaten die tijdens de controle werden bezocht. Voor gereguleerde voedselingrediënten en contaminanten die niet in Richtlijn 96/23/EG zijn opgenomen, bestaan er op EU-niveau geen verslagen. Voor residuen van bestrijdingsmiddelen en diergeneesmiddelen stelt de EFSA jaarverslagen op over de resultaten van de tests van de lidstaten.

51 Deze tests behandelen echter niet alle aspecten van chemische risico's, zoals de ophoping van bestrijdingsmiddelen (zie paragraaf 7 in bijlage III).

52 Een monster kan verschillende tests voor diverse stoffen omvatten.

53 De gebruiksvoorwaarden in Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake levensmiddelenadditieven nemen 314 bladzijden in beslag (bijlagen 2-4).

54 Artikelen 54 en 55 van Verordening (EG) nr. 882/2004.

55 „Imported products of animal origin and live animals present a high level of risk as they can transmit serious human and animal diseases” (Ingevoerde producten van dierlijke oorsprong en levende dieren houden een hoog risico in, want ze kunnen ernstige menselijke en dierziekten overdragen). Webpagina van DG SANTE: https://ec.europa.eu/food/safety/official_controls/legislation/imports/animal_en

56 Overeenkomstig artikel 11, lid 4, van Verordening (EG) nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (PB L 139 van 30.4.2004, blz. 206) beoordeelt de Commissie de toestand van de volksgezondheid en diergezondheid in het betreffende niet-EU-land door documenten op te vragen en te onderzoeken en, in de regel, door het land te bezoeken. Op het gebied van chemische risico's heeft deze beoordeling betrekking op de wetgeving inzake producten van dierlijke oorsprong van het niet-EU-land, alsook op het gebruik van geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik, het bereiden en gebruiken van voedermiddelen, en de goedkeuring van het programma voor de bewaking van residuen.

57 De Commissie inspecteert een steekproef van deze inrichtingen tijdens controles in niet-EU-landen. De Commissie heeft ons ook meegedeeld dat ze momenteel een verslag voorbereidt over de resultaten van haar evaluatie van inrichtingen in een niet-EU-land die zijn goedgekeurd voor uitvoer naar de EU.

58 Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 853/2004 en de artikelen 11 en 12 van Verordening (EG) nr. 854/2004 zijn de autoriteiten in niet-EU-landen verantwoordelijk voor het controleren en garanderen dat deze inrichtingen voldoen aan EU-voorschriften voor elke categorie voedingsproducten.

59 Verordening (EG) nr. 669/2009 van de Commissie van 24 juli 2009 ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft meer uitgebreide officiële controles op de invoer van bepaalde diervoeders en levensmiddelen van niet-dierlijke oorsprong en tot wijziging van Beschikking 2006/504/EG (PB L 194 van 25.7.2009, blz. 11).

60 Verordening (EG) nr. 669/2009 heeft momenteel betrekking op 35 verschillende producten en 24 niet-EU-landen. De meest voorkomende producten zijn noten, groenten, kruiden en specerijen. In de verordening zijn frequenties bepaald voor overeenstemmings- en fysieke controles, waaronder laboratoriumtests (5, 10, 20 of 50 %). De lijst van de producten en de frequenties van de controles worden elke zes maanden herzien op basis van de resultaten van de controles.

61 Overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) nr. 884/2014 van de Commissie van 13 augustus 2014 tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor de invoer van bepaalde diervoeders en levensmiddelen uit bepaalde derde landen in verband met het risico van verontreiniging met aflatoxinen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1152/2009 (PB L 242 van 14.8.2014, blz. 4), Uitvoeringsverordening (EU) 2015/175 van de Commissie van 5 februari 2015 tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor de invoer van guarpitmeel van oorsprong of verzonden uit India wegens de risico's van verontreiniging met pentachloorfenol en dioxinen (PB L 30 van 6.2.2015, blz. 10) en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 885/2014 van de Commissie van 13 augustus 2014 tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor de invoer van okra's en kerrieblad uit India en houdende wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 91/2013 (PB L 242 van 14.8.2014, blz. 20), Uitvoeringsverordening (EU) 2017/186 van de Commissie van 2 februari 2017 tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor het binnenbrengen in de Unie van zendingen uit bepaalde derde landen wegens microbiologische besmetting (PB L 29 van 3.2.2017, blz. 24), heeft de EU deze bijzondere voorwaarden voor bepaalde producten uit twaalf niet-EU-landen vastgesteld, voornamelijk vanwege het risico op contaminanten in noten en gedroogde vruchten.

62 Naast de bepalingen waarnaar wordt verwezen in tekstvak 3, Beschikking 2002/805/EG van de Commissie van 15 oktober 2002 betreffende beschermende maatregelen ten aanzien van bepaalde uit Oekraïne ingevoerde producten van dierlijke oorsprong bestemd voor diervoeding (PB L 278 van 16.10.2002, blz. 24); Besluit 2010/381/EU van de Commissie van 8 juli 2010 betreffende noodmaatregelen van toepassing op uit India ingevoerde zendingen aquacultuurproducten voor menselijke consumptie (PB L 174 van 9.7.2010, blz. 51); Besluit 2010/220/EU van de Commissie van 16 april 2010 betreffende noodmaatregelen van toepassing op uit Indonesië ingevoerde zendingen gekweekte visserijproducten voor menselijke consumptie (PB L 97 van 17.4.2010, blz. 17) en Beschikking 2002/251/EG van de Commissie van 27 maart 2002 betreffende beschermende maatregelen ten aanzien van slachtpluimvee en bepaalde visserij- en aquacultuurproducten, bestemd voor menselijke consumptie en ingevoerd uit Thailand (PB L 84 van 28.3.2002, blz. 77).

63 Artikel 53, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 178/2002.

64 Bijvoorbeeld: Uitvoeringsverordening (EU) 2015/943 van de Commissie van 18 juni 2015 inzake noodmaatregelen tot opschorting van de invoer van gedroogde bonen uit Nigeria en tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 669/2009 (PB L 154 van 19.6.2015, blz. 8).

65 Bijvoorbeeld: Uitvoeringsverordening (EU) 2015/175 van de Commissie en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 885/2014 van de Commissie.

66 Artikel 12, lid 4, onder c), van Verordening (EG) nr. 854/2004.

67 De eerste inrichting die de Commissie op eigen initiatief van de lijst schrapte, was er een in Brazilië. Deze werd van de lijst geschrapt vanwege de aanwezigheid van salmonella en fraude met betrekking tot de laboratoriumcertificering van vlees en vleesproducten die naar de EU werden uitgevoerd.

68 https://www.efsa.europa.eu/en/topics/topic/food-additive-re-evaluations

69 Verordening EG nr. 1129/2011 van de Commissie van 11 november 2011 tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad door opstelling van een EU-lijst van levensmiddelenadditieven (PB L 295 van 12.11.2011, blz. 1-177).

70 Bijlage II van Verordening (EG) nr. 1333/2008 omvat de EU-lijst van voor gebruik in levensmiddelen goedgekeurde levensmiddelenadditieven en gebruiksvoorwaarden.

71 Artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1332/2008.

72 Overweging 14 en artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1332/2008.

73 Bron: Database van de Commissie voor levensmiddelenaroma's.

74 Deel A van de EU-lijst heeft vier verschillende voetnoten: 1. De beoordeling moet nog door de Autoriteit worden afgerond; 2. Uiterlijk 31 december 2012 moeten aanvullende wetenschappelijke gegevens worden ingediend; 3. Uiterlijk 30 juni 2013 moeten aanvullende wetenschappelijke gegevens worden ingediend; en 4. Uiterlijk 31 december 2013 moeten aanvullende wetenschappelijke gegevens worden ingediend.

75 Artikel 20, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1334/2008.

76 EFSA Journal 2012;10(5):2663. https://efsa.onlinelibrary.wiley.com/doi/epdf/10.2903/j.efsa.2012.2663

77 https://effl.lexxion.eu/article/EFFL/2013/3/241

78 Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).

79 De Commissie heeft onlangs een omvattende empirisch onderbouwde beoordeling voltooid van het beleid van de verordening algemene levensmiddelenwetgeving (geschiktheidscontrole) voor de hele sector in het kader van het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (Refit); Werkdocument van de diensten van de Commissie – "The REFIT Evaluation of the General Food Law (Regulation (EC) No 178/2002)" (geschiktheidscontrole), SWD(2018)38 van 15.1.2018.

80 Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de transparantie en duurzaamheid van de EU-risicobeoordeling in de voedselketen en houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 178/2002 [betreffende de algemene levensmiddelenwetgeving], Richtlijn 2001/18/EG [inzake de doelbewuste introductie van ggo's in het milieu], Verordening (EG) nr. 1829/2003 [inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders], Verordening (EG) nr. 1831/2003 [betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding], Verordening (EG) nr. 2065/2003 [inzake rookaroma's], Verordening (EG) nr. 1935/2004 [inzake materialen die met levensmiddelen in contact komen], Verordening (EG) nr. 1331/2008 [inzake de uniforme toelatingsprocedure voor levensmiddelenadditieven, voedingsenzymen en levensmiddelenaroma's], Verordening (EG) nr. 1107/2009 [betreffende gewasbeschermingsmiddelen] en Verordening (EU) 2015/2283 [betreffende nieuwe voedingsmiddelen], COM(2018) 179 final van 11.4.2018.

81 Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de transparantie en duurzaamheid van de EU-risicobeoordeling in de voedselketen en houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 178/2002 [betreffende de algemene levensmiddelenwetgeving], Richtlijn 2001/18/EG [inzake de doelbewuste introductie van ggo's in het milieu], Verordening (EG) nr. 1829/2003 [inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders], Verordening (EG) nr. 1831/2003 [betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding], Verordening (EG) nr. 2065/2003 [inzake rookaroma's], Verordening (EG) nr. 1935/2004 [inzake materialen die met levensmiddelen in contact komen], Verordening (EG) nr. 1331/2008 [inzake de uniforme toelatingsprocedure voor levensmiddelenadditieven, voedingsenzymen en levensmiddelenaroma's], Verordening (EG) nr. 1107/2009 [betreffende gewasbeschermingsmiddelen] en Verordening (EU) 2015/2283 [betreffende nieuwe voedingsmiddelen], COM(2018) 179 final van 11.4.2018.

82 Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1) (verordening algemene beginselen levensmiddelenwetgeving).

83 Artikelen 14 en 17 (1) van de verordening algemene beginselen levensmiddelenwetgeving.

84 De risicobeheerders zijn voornamelijk de Commissie met de hulp van de vertegenwoordigers van de lidstaten in het Permanent Comité voor plant- en diergezondheid en levensmiddelen en diervoeders (PAFF) en, afhankelijk van de toepasselijke procedures, de Raad en het Europees Parlement. Het directoraat-generaal Gezondheid en Voedselveiligheid (DG SANTE) is de verantwoordelijke van de Commissie die belast is met risicobeheer op het gebied van voedsel aan Commissiezijde.

85 In overweging 19 van de algemene levensmiddelenwetgeving staat een niet-limitatieve lijst met legitieme factoren, te weten maatschappelijke, economische, traditionele, ethische en milieufactoren alsmede de uitvoerbaarheid van controles. Het gebruik van legitieme factoren in de besluitvorming van de EU is niet statisch; de precieze waaier van factoren en het gewicht die eraan is toegekend, varieert per geval, afhankelijk van het onderwerp en de betrokken maatregel.

86 Werkdocument van de diensten van de Commissie, "The REFIT Evaluation of the General Food Law (Regulation (EC) No 178/2002)", SWD(2018)38 final van 15.1.2018 (geschiktheidscontrole), blz. 89.

87 Zoals andere materialen dan kunststoffen die in contact komen met levensmiddelen, voedingssupplementen en levensmiddelen met toegevoegde vitaminen en mineralen met betrekking tot de vaststelling van de maximale concentraties van stoffen, alsmede het ontbreken van volledige tenuitvoerlegging op EU-niveau met betrekking tot voedings- en gezondheidsclaims aangaande botanische preparaten.

88 Werkdocument van de diensten van de Commissie, "The REFIT Evaluation of the General Food Law (Regulation (EC) No 178/2002)", SWD(2018)38 final van 15.1.2018 (geschiktheidscontrole), blz. 89.

89 Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de transparantie en duurzaamheid van de EU-risicobeoordeling in de voedselketen en houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 178/2002 [betreffende de algemene levensmiddelenwetgeving], Richtlijn 2001/18/EG [inzake de doelbewuste introductie van ggo's in het milieu], Verordening (EG) nr. 1829/2003 [inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders], Verordening (EG) nr. 1831/2003 [betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding], Verordening (EG) nr. 2065/2003 [inzake rookaroma's], Verordening (EG) nr. 1935/2004 [inzake materialen die met levensmiddelen in contact komen], Verordening (EG) nr. 1331/2008 [inzake de uniforme toelatingsprocedure voor levensmiddelenadditieven, voedingsenzymen en levensmiddelenaroma's], Verordening (EG) nr. 1107/2009 [betreffende gewasbeschermingsmiddelen] en Verordening (EU) 2015/2283 [betreffende nieuwe voedingsmiddelen], COM(2018) 179 final van 11.4.2018.

90 Werkdocument van de diensten van de Commissie, "The REFIT Evaluation of the General Food Law (Regulation (EC) No 178/2002)", SWD(2018)38 final van 15.1.2018 (geschiktheidscontrole), blz. 39.

91 Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de transparantie en duurzaamheid van de EU-risicobeoordeling in de voedselketen en houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 178/2002 [betreffende de algemene levensmiddelenwetgeving], Richtlijn 2001/18/EG [inzake de doelbewuste introductie van ggo's in het milieu], Verordening (EG) nr. 1829/2003 [inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders], Verordening (EG) nr. 1831/2003 [betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding], Verordening (EG) nr. 2065/2003 [inzake rookaroma's], Verordening (EG) nr. 1935/2004 [inzake materialen die met levensmiddelen in contact komen], Verordening (EG) nr. 1331/2008 [inzake de uniforme toelatingsprocedure voor levensmiddelenadditieven, voedingsenzymen en levensmiddelenaroma's], Verordening (EG) nr. 1107/2009 [betreffende gewasbeschermingsmiddelen] en Verordening (EU) 2015/2283 [betreffende nieuwe voedingsmiddelen], COM(2018) 179 final van 11.4.2018.

92 Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de transparantie en duurzaamheid van de EU-risicobeoordeling in de voedselketen en houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 178/2002 [betreffende de algemene levensmiddelenwetgeving], Richtlijn 2001/18/EG [inzake de doelbewuste introductie van ggo's in het milieu], Verordening (EG) nr. 1829/2003 [inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders], Verordening (EG) nr. 1831/2003 [betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding], Verordening (EG) nr. 2065/2003 [inzake rookaroma's], Verordening (EG) nr. 1935/2004 [inzake materialen die met levensmiddelen in contact komen], Verordening (EG) nr. 1331/2008 [inzake de uniforme toelatingsprocedure voor levensmiddelenadditieven, voedingsenzymen en levensmiddelenaroma's], Verordening (EG) nr. 1107/2009 [betreffende gewasbeschermingsmiddelen] en Verordening (EU) 2015/2283 [betreffende nieuwe voedingsmiddelen], COM(2018) 179 final van 11.4.2018.

Gebeurtenis Datum
Vaststelling controleplan ("APM")/begin van de controle 29.11.2017
Ontwerpverslag officieel verzonden aan de Commissie (of andere gecontroleerde) 27.9.2018
Vaststelling van het definitieve verslag na de contradictoire procedure 14.11.2018
Officiële antwoorden in alle talen ontvangen van de Commissie (of andere gecontroleerde) 6.12.2018

Controleteam

In de speciale verslagen van de ERK worden de resultaten van haar controles van EU-beleid en -programma’s of beheersthema’s met betrekking tot specifieke begrotingsterreinen uiteengezet. Bij haar selectie en opzet van deze controletaken zorgt de ERK ervoor dat deze een maximale impact hebben door rekening te houden met de risico’s voor de doelmatigheid of de naleving, de omvang van de betrokken inkomsten of uitgaven, de verwachte ontwikkelingen en de politieke en publieke belangstelling.

Dit verslag werd vastgesteld door controlekamer I, die onder leiding staat van ERK-lid Nikolaos Milionis en gespecialiseerd is in het duurzame gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Deze controle werd geleid door ERK-lid Janusz Wojciechowski, ondersteund door Kinga Wisniewska-Danek, kabinetschef en Katarzyna Radecka-Moroz, kabinetsattaché; Michael Bain, hoofdmanager; Maria Eulàlia Reverté i Casas, taakleider; Päivi Piki, adjunct-taakleider; Ioannis Papadakis, Manuel Dias Ferreira Martins en Ermira Vojka, controleurs; en Terje Teppan-Niesen, assistent. De taalkundige ondersteuning werd verzorgd door Philippe Colmant, Vesna Marn en Michael Pyper.

Van links naar rechts: Eulàlia Reverté i Casas, Katarzyna Radecka-Moroz, Janusz Wojciechowski, Michael Bain, Päivi Piki, Manuel Dias Ferreira Martins.

Contact

EUROPESE REKENKAMER
12, rue Alcide De Gasperi
L-1615 Luxemburg
LUXEMBURG

Tel. +352 4398-1
Inlichtingen: eca.europa.eu/nl/Pages/ContactForm.aspx
Website: eca.europa.eu
Twitter: @EUAuditors

Meer gegevens over de Europese Unie vindt u op internet via de Europaserver (http://europa.eu).

Luxemburg: Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2018

PDF ISBN 978-92-847-1560-2 ISSN 1977-575X doi:10.2865/03184 QJ-AB-18-032-NL-N
HTML ISBN 978-92-847-1564-0 ISSN 1977-575X doi:10.2865/5478 QJ-AB-18-032-NL-Q

© Europese Unie, 2018.

Voor iedere vorm van gebruik of reproductie van (beeld)materiaal dat niet onder het auteursrecht van de Europese Unie valt, dient rechtstreeks toestemming aan de auteursrechthebbende te worden gevraagd.

HOE NEEMT U CONTACT OP MET DE EU?

Kom langs
Er zijn honderden Europe Direct-informatiecentra overal in de Europese Unie. U vindt het adres van het dichtstbijzijnde informatiecentrum op: https://europa.eu/european-union/contact_nl

Bel of mail
Europe Direct is een dienst die uw vragen over de Europese Unie beantwoordt. U kunt met deze dienst contact opnemen door:

  • te bellen naar het gratis nummer: 00 800 6 7 8 9 10 11 (bepaalde telecomaanbieders kunnen wel kosten in rekening brengen)
  • te bellen naar het gewone nummer: +32 22999696, of
  • een e mail te sturen via: https://europa.eu/european-union/contact_nl

Waar vindt u informatie over de EU?

Online
Informatie over de Europese Unie in alle officiële talen van de EU is beschikbaar op de Europa-website op: https://europa.eu/european-union/contact_nl

EU-publicaties
U kunt publicaties van de EU downloaden of bestellen bij EU Bookshop op: https://publications.europa.eu/nl/publications (sommige zijn gratis, andere niet). Als u meerdere exemplaren van gratis publicaties wenst, neem dan contact op met Europe Direct of uw plaatselijke informatiecentrum (zie https://europa.eu/european-union/contact_nl).

EU-wetgeving en aanverwante documenten
Toegang tot juridische informatie van de EU, waaronder alle EU-wetgeving sinds 1951 in alle officiële talen, krijgt u op EUR-Lex op: http://eur-lex.europa.eu/homepage.html?locale=nl

Open data van de EU
Het opendataportaal van de EU (http://data.europa.eu/euodp) biedt toegang tot datasets uit de EU. Deze gegevens kunnen gratis worden gedownload en hergebruikt, zowel voor commerciële als voor niet-commerciële doeleinden.