Wind- en zonne-energie voor elektriciteitsopwekking: aanzienlijke maatregelen nodig om EU-streefdoelen te behalen
(uitgebracht krachtens artikel 287, lid 4, tweede alinea, VWEU)
Over het verslag:
De afgelopen jaren heeft elektriciteitsopwekking uit wind- en fotovoltaïsche zonne-energie een indrukwekkende groei doorgemaakt. Tegelijkertijd kan de kostprijs van elektriciteit uit wind- en zonne-energie steeds meer concurreren met de kostprijs van elektriciteit uit de verbranding van fossiele brandstoffen. Voor dit verslag beoordeelden we de vooruitgang die de EU en de lidstaten hebben geboekt in de richting van de streefdoelen voor hernieuwbare energiebronnen voor 2020 en onderzochten we de doeltreffendheid van hun maatregelen met het oog hierop.
We stelden vast dat er op de aanzienlijke vooruitgang, die in 2005 begon, een vertraging volgde in beide sectoren na 2014. Voor de helft van de EU-lidstaten wordt het bereiken van de streefdoelen voor 2020 een aanzienlijke uitdaging. We doen de Commissie een aantal aanbevelingen om de lidstaten te helpen bij de ondersteuning van een verdere aanwending — door veilingen te organiseren, de participatie van burgers te bevorderen en de omstandigheden voor de aanwending te verbeteren, waaronder de aanpak van tekortkomingen van het net.
Samenvatting
ITussen 2005 en 2007 verdubbelde het aandeel hernieuwbare energiebronnen in de opwekking van elektriciteit in de EU, van ongeveer 15 % tot bijna 31 %. De belangrijkste drijvende kracht achter deze groei was de toename van wind- en fotovoltaïsche zonne-energie.
IIDoor middel van deze controle beoordeelden wij of het aandeel hernieuwbare energiebronnen in het bruto-eindverbruik van energie voldoende is toegenomen zodat de EU uiterlijk in 2020 het streefdoel van 20 %, zoals vastgesteld in de richtlijn ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, kan behalen, evenals de doeltreffendheid van de steun van de EU en de lidstaten voor de elektriciteitsopwekking uit wind- en fotovoltaïsche zonne-energie. De publicatie van dit controleverslag zal samenvallen met de bekendmaking van het nieuwste in de reeks voortgangsverslagen inzake hernieuwbare energie van de Europese Commissie in 2019, waarin de vooruitgang van de lidstaten in de richting van het behalen van hun streefdoelen voor 2020 gedetailleerd zal worden beschreven. Deze verslagen zullen een laatste kans bieden om corrigerende maatregelen te nemen en een bijdrage te leveren tot de besprekingen over de situatie inzake hernieuwbare energie na 2020.
IIIDe eerste katalysator voor vooruitgang op het gebied van hernieuwbare energie was de richtlijn zelf en de tweede waren de steunregelingen van de lidstaten om investeringen te stimuleren. Op de aanzienlijke vooruitgang sinds 2005 volgde na 2014 echter een vertraging in de sectoren windenergie en PV (photovoltaics — fotovoltaïek). Tegen 2017 had de helft van de lidstaten zijn streefdoelen voor 2020 al behaald of bijna behaald. Voor de overige lidstaten blijft het bereiken van hun nationale streefdoelen een aanzienlijke uitdaging waarvoor meer inspanningen nodig zijn.
IVWe stelden vast dat met de oorspronkelijke steunregelingen te veel subsidie werd verstrekt voor de uitrol van windenergie en PV, maar dat het verlagen van de steun ertoe leidde dat van potentiële investeringen werd afgezien. Het is van cruciaal belang veilingen aan te moedigen en de participatie van burgers te benutten om investeringen aan te trekken en de omstandigheden voor de uitrol te verbeteren, door bijvoorbeeld restrictieve regels inzake ruimtelijke ordening, lange administratieve procedures en tekortkomingen van het net weg te nemen.
VMet het oog op 2030 constateerden we dat het pakket “Schone energie” van de Commissie de basis legt voor een beter investeringsklimaat. Het ontbreken van nationale streefdoelen kan het behalen van het EU-streefdoel van ten minste 32 % voor 2030 echter in gevaar brengen.
VINaar aanleiding van onze controle bevelen wij het volgende aan:
- een nadruk op het opvullen van kloven om de streefdoelen voor 2020 te behalen;
- een verbetering van de tijdigheid van statistische gegevens over hernieuwbare energiebronnen;
- het organiseren van voldoende veilingen om de hernieuwbare capaciteit voor elektriciteit te vergroten;
- het creëren van een gunstiger klimaat voor elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare bronnen door administratieve procedures te vereenvoudigen;
- de bevordering van investeringen in netinfrastructuur en interconnectoren, en
- een betere monitoring om het gebrek aan bindende nationale streefdoelen te beperken.
Inleiding
01Tussen 1990 en 2017 nam het elektriciteitsverbruik in de EU gemiddeld met 1 % per jaar toe, van minder dan 2,2 miljard GWh1 tot bijna 2,8 miljard GWh per jaar. In de periode tot 2020 zal het verbruik naar verwachting met minder dan 0,3 % per jaar toenemen indien specifieke maatregelen inzake energie-efficiëntie worden ingevoerd, en met 0,7 % per jaar indien er geen nieuw efficiëntiebeleid wordt vastgesteld in de periode 2020‑20502.
02Elektriciteit kan worden opgewekt uit niet-hernieuwbare bronnen, zoals fossiele brandstoffen (steenkool, aardgas, ruwe olie), niet-hernieuwbaar afval en nucleair materiaal in conventionele reactoren, of uit hernieuwbare bronnen (waterkracht, wind, zon, biomassa, biogas, vloeibare biomassa, afval, geothermische energie en golf-, getijden- en oceaanenergie). Naast elektriciteit worden hernieuwbare bronnen ook gebruikt om energie te produceren die wordt omgezet in verwarming en koeling en brandstof voor vervoer. In tabel 1 zijn de belangrijkste hernieuwbare technologieën en de toepassing ervan weergegeven.
Tabel 1 — De belangrijkste hernieuwbare technologieën en de toepassing ervan in de elektriciteits-, verwarmings- en koelings- en vervoerssectoren
| Hernieuwbare technologie | Energieomzetting | Toepassing |
|---|---|---|
| Waterkracht | Waterstromen en watervallen in elektriciteit | Elektriciteit |
| Windturbines | Wind in elektriciteit | |
| (Fotovoltaïsche3 en thermische (met inbegrip van geconcentreerde)) zonne-energie4 | Zonlicht in elektriciteit | |
| Biomassa/biogas/vloeibare biomassa | Biomassa/biogas/vloeibare biomassa in elektriciteit | |
| Afvalverbranding | Afval in elektriciteit | |
| Golf-, getijden- en oceaanenergie | Golf- en getijdenenergie in elektriciteit | |
| Geothermische energie | Temperatuurverschillen in elektriciteit | |
| Thermische zonne-energie | Zonlicht in verwarming en koeling | Verwarming en koeling |
| Biobrandstoffen/biogas | Biomassa in vloeibare brandstoffen of gas | |
| Afvalverbranding | Afval in verwarming en koeling | |
| Geothermische energie | Temperatuurverschillen in verwarming en koeling | |
| Biobrandstoffen/biogas | Biomassa in vloeibare brandstoffen of gas | Vervoer |
Bron: ERK, op basis van de handleiding van het Shares-instrument, Eurostat, 2018.
03Afhankelijk van de energiebron die wordt gebruikt, kan elektriciteitsopwekking negatieve gevolgen hebben voor het milieu, de menselijke gezondheid en het klimaat. 79 % van de totale broeikasgasemissies van de EU wordt veroorzaakt door het gebruik van fossiele brandstoffen om energie op te wekken5. De Commissie schat dat een hoger aandeel hernieuwbare elektriciteit de EU zal helpen haar doelstelling te behalen om de broeikasgasemissies uiterlijk in 2030 met 40 %6 en uiterlijk in 2050 met 80 % tot 95 %7 te verminderen. Daarnaast zal een toename van het gebruik van hernieuwbare bronnen om te voorzien in de elektriciteitsbehoeften de EU minder afhankelijk maken van de invoer van fossiele brandstoffen.
04Tussen 2005 en 2017 verdubbelde het aandeel hernieuwbare energiebronnen in de opwekking van elektriciteit in de EU, van ongeveer 15 % tot bijna 31 % (zie figuur 1).
Figuur 1
Aandeel hernieuwbare energiebronnen in elektriciteitsopwekking in de EU, 2005‑2017
Bron: ERK, op basis van gegevens van Eurostat.
De hernieuwbare-energietechnologieën die het belangrijkst waren voor deze groei zijn wind- en zonne-energie. Hoewel windenergie qua volume nog steeds na waterkracht komt, nam het jaarlijkse volume van elektriciteit uit windenergie tussen 2005 en 2017 met 414 % toe. Voor zonne-energie was dit 8 086 %. Het volume elektriciteit uit waterkracht bleef ondertussen grotendeels constant. In 2017 was waterkracht goed voor een aandeel van 35 % van de totale productie van hernieuwbare elektriciteit in de EU, terwijl wind- en zonne-energie goed waren voor respectievelijk 34 % en 12 % (zie figuur 2).
Figuur 2
Aandeel uit hernieuwbare bronnen opgewekte elektriciteit in de EU‑28,
Bron: ERK, op basis van gegevens van Eurostat.
Omdat de kosten van de technologieën zijn afgenomen, kunnen windenergie en fotovoltaïek (PV) nu economisch veel beter concurreren met fossiele brandstoffen dan in het verleden (zie tekstvak 1).
Tekstvak 1
De kosten van elektriciteitsopwekking uit windenergie en PV zijn nu vergelijkbaar met die van fossiele brandstoffen
In de elektriciteitsopwekkingsindustrie wordt de indicator “levelised cost” van elektriciteit (LCOE) gebruikt om de kosten van de elektriciteitsproductie met verschillende hernieuwbare en niet-hernieuwbare technologieën te berekenen. De indicator vertegenwoordigt de kosten per MWh van de bouw en exploitatie van een elektriciteitscentrale gedurende een aangenomen financiële levensduur8.
Volgens Irena9 waren de kosten van de elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare bronnen in 2017 vaak vergelijkbaar met de kosten van fossiele brandstoffen (zie figuur 3). De mondiale LCOE voor windenergie bevindt zich sinds enkele jaren binnen de ordegrootte van de kosten van fossiele brandstoffen. Meer recentelijk is ook de LCOE voor PV-installaties gedaald tot vergelijkbare niveaus, dankzij een daling van 81 % van de kosten van panelen en andere installatie-onderdelen sinds eind 2009.
Figuur 3
Mondiale LCOE van technologieën voor de opwekking van hernieuwbare energie,
Bron: ERK, op basis van het verslag “Renewable power generation costs in 2017” van Irena, blz. 17.
EU-beleid inzake elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare bronnen
07Het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in een gedeelde bevoegdheid van de EU en haar lidstaten op het gebied van energie. De lidstaten behouden echter het recht om te besluiten hoe zij hun energiebronnen het best kunnen benutten, welke energiebronnen zij willen gebruiken en hoe zij hun energievoorziening structureren. In artikel 194 VWEU zijn de vier kerndoelstellingen van het EU-energiebeleid opgenomen, waaronder de ontwikkeling van nieuwe en hernieuwbare vormen van energie.
08De beleidsdoelstellingen die specifiek verband houden met de ontwikkeling van hernieuwbare energie werden vastgesteld in de richtlijn hernieuwbare energie (RED I) van 200910. RED I verplichtte de lidstaten ertoe te zorgen dat uiterlijk eind 2020 ten minste 20 % van het bruto-eindverbruik van energie in de gehele EU afkomstig is uit hernieuwbare bronnen (zie tekstvak 2).
Tekstvak 2
Nationale streefdoelen voor het aandeel hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie
Met het oog op het behalen van het globale EU-streefdoel van 20 % voor 2020 werden in RED I specifieke nationale streefdoelen vastgesteld voor het aandeel van het bruto-eindverbruik van energie dat afkomstig is uit hernieuwbare bronnen. Deze nationale streefdoelen liepen uiteen van 10 % tot 49 % en werden vastgesteld met inachtneming van variabelen zoals het aandeel hernieuwbare energie dat in 2005 werd bereikt, de forfaitaire bijdrage11 en het bbp per hoofd van de bevolking. Om de vooruitgang ten aanzien van de streefdoelen te monitoren, werd in RED I een wiskundige formule aangereikt om tussentijdse tweejaarlijkse streefdoelen te specificeren waarmee een indicatieve keten voor hernieuwbare energie12 wordt voorschreven voor elke lidstaat. Indien een lidstaat zijn nationale streefdoel niet uiterlijk in 2020 haalt, kan de Commissie juridische stappen ondernemen in de vorm van een inbreukprocedure.
Het in RED I vastgestelde nationale streefdoel had betrekking op het gecombineerde energieverbruik van drie verschillende sectoren: de elektriciteits-, verwarmings- en koelings-, en vervoerssectoren. In de richtlijn werden geen specifieke EU- of nationale streefdoelen bepaald voor de elektriciteits- en verwarmings- en koelingssectoren, maar werd een uniform streefdoel van 10 % voor de vervoerssector vastgesteld. De lidstaten moesten hun eigen algemene en sectorale indicatieve ketens vaststellen voor de elektriciteits- en verwarmings- en koelingssectoren in hun nationale actieplan voor energie uit hernieuwbare bronnen (NREAP — national renewable energy action plan), dat ook het beleid en de maatregelen voor 2020 inzake hernieuwbare energie omvat. De lidstaten moesten bovendien indicatieve ketens voor de capaciteit vaststellen per hernieuwbare technologie.
Op 30 november 2016 publiceerde de Commissie de mededeling “Schone energie voor alle Europeanen”13. Vier van de acht wetgevingsvoorstellen van het pakket traden in 2018 in werking. Over de overige vier voorstellen werd in november en december 2018 politieke overeenstemming bereikt. In RED II is een bindend EU-streefdoel van ten minste 32 % vastgesteld voor 203014, met een optie om het streefdoel in 2023 nogmaals te verhogen. Ten minste 32 % zal echter moeten worden bereikt zonder dat bindende nationale streefdoelen worden vastgesteld.
Nationale steunregelingen en andere maatregelen voor het behalen van de streefdoelen voor 2020
10In RED I werden de lidstaten aangemoedigd om nationale steunregelingen voor hernieuwbare energie in te voeren, op basis van stimulansen voor investeerders uit de particuliere sector, om hun streefdoelen voor 2020 te behalen (zie tekstvak 3). RED I verplichtte bovendien de zogenaamde “voorrang inzake nettoegang” voor hernieuwbare elektriciteit om de verkoop van de geproduceerde elektriciteit te waarborgen.
Tekstvak 3
Soorten steun voor hernieuwbare energie
Steun wordt over het algemeen geboden door middel van gegarandeerde verkoopprijzen (feed-in-tarieven — FIT) of aanvullende premies bovenop de marktprijs (feed-in-premies — FIP). Beide vormen van steun voorzien in een gegarandeerd tarief/gegarandeerde premie voor een aanzienlijk aantal jaar. Voor deze twee steunopties geldt dat oproepen tot het indienen van blijken van belangstelling (waarbij deelnemers zich inschrijven voor een opdracht om elektriciteit te produceren) en veilingen (waarbij deelnemers door middel van een vergelijkende procedure worden geselecteerd) de gangbaarste manieren zijn voor lidstaten om nieuwe capaciteit voor hernieuwbare energie toe te wijzen.
Een alternatief steunmechanisme is het gebruik van verhandelbare certificaten van oorsprong, die de staat afgeeft als bewijs dat elektriciteit is opgewekt uit hernieuwbare bronnen. Nutsbedrijven die elektriciteit opwekken met fossiele brandstoffen moeten dergelijke certificaten kopen, waardoor producenten van hernieuwbare energie extra inkomsten verwerven. In tegenstelling tot FIT-/FIP-regelingen krijgen producenten geen gegarandeerde prijs voor hun elektriciteitsproductie, aangezien de waarde van de certificaten schommelt naargelang van vraag en aanbod. De staat kan echter maatregelen vaststellen om een minimale winst voor producenten van hernieuwbare energie te garanderen.
De lidstaten kunnen ook investeerders aantrekken door leninggaranties, leningen met een lage rente, investeringssubsidies en verschillende belastingstimulansen aan te bieden.
In de regel worden nationale regelingen niet gecofinancierd door de EU en gelden hierop de staatssteunregels. Het directoraat-generaal Concurrentie (DG COMP) analyseert deze regelingen om ervoor te zorgen dat zij verenigbaar zijn met de regels van de interne markt. Tot 2016 konden de lidstaten elk soort en elke combinatie van regelingen kiezen die zij geschikt achtten voor hun markt. De meeste lidstaten voerden een regeling op basis van FIT's in door middel van oproepen tot het indienen van blijken van belangstelling, al dan niet in combinatie met een andere soort stimulans. Sinds 2016 moeten alle nieuwe steunregelingen voor de opwekking van hernieuwbare elektriciteit uit hoofde van de richtsnoeren van de Commissie inzake staatssteun15 werken door middel van FIP's en sinds 2017 moeten deze voornamelijk worden toegewezen door middel van veilingen16, die op niet-discriminerende basis openstaan voor alle elektriciteitsproducenten17.
12Tot slot werden de lidstaten in RED I aangemoedigd om samen te werken om hun streefdoelen voor 2020 te behalen. Potentiële mechanismen voor samenwerking omvatten gezamenlijke projecten, gezamenlijke steunregelingen en bilaterale overeenkomsten inzake de overdracht van een aandeel energie uit hernieuwbare bronnen door een lidstaat die meer hernieuwbare energie produceert aan een andere lidstaat die minder produceert, een zogenaamde “statistische overdracht”.
Steun voor wind- en zonne-energie uit het EFRO en het CF
13Met EU-fondsen kan aanvullende financiering worden verstrekt om de maatregelen van de lidstaten te versterken en nationale of regionale steunregelingen aan te vullen door middel van investeringssteun.
14Voor de programmeringsperioden 2007‑2013 en 2014‑2020 werd ongeveer 8,8 miljard EUR toegewezen aan projecten voor hernieuwbare energie door middel van cohesiebeleidsfinanciering uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) en het Cohesiefonds (CF). Zoals weergegeven in tabel 2 werd sinds 2007 ongeveer 972 miljoen EUR toegewezen aan investeringen in windenergie en werd 2 868 miljoen EUR toegewezen aan zonne-energieprojecten. De toewijzingen uit het EFRO en CF voor investeringen in wind- en zonne-energie per lidstaat tijdens beide perioden zijn weergegeven in de bijlagen I en II.
Tabel 2 — Toewijzingen uit het EFRO en CF voor investeringen in hernieuwbare energie in de EU, 2007‑2020, in miljoen EUR
| Hernieuwbare technologie | Programmeringsperiode | Totaal | % | |
|---|---|---|---|---|
| 2007‑2013 | 2014‑2020 | |||
| Windenergie | 541 | 431 | 972 | 11 % |
| Zonne-energie | 1 064 | 1 804 | 2 868 | 33 % |
| Biomassa | 1 267 | 1 576 | 2 843 | 33 % |
| Overige hernieuwbare energiebronnen | 851 | 1 195 | 2 046 | 23 % |
| Totaal hernieuwbare energiebronnen | 3 723 | 5 006 | 8 729 | 100 % |
Bron: ERK, op basis van gegevens van de Commissie, geëxtraheerd op 9.4.2019.
15Voor de periode 2021‑2027 heeft de Commissie voorgesteld om 30 % aan cohesiebeleidsmiddelen uit het EFRO en 37 % uit het CF te gebruiken om bij te dragen tot acties ter ondersteuning van klimaatdoelstellingen, waaronder de bevordering van hernieuwbare energie18. Indien dit wordt berekend op basis van de algemene voorgestelde bedragen voor het EFRO/CF (zonder de CF-bijdrage aan de Connecting Europe Facility — vervoer), vertegenwoordigt dit 60,2 miljard EUR uit het EFRO en 11,6 miljard EUR uit het CF19. In de effectbeoordeling voor het voorstel voor RED II werd geconcludeerd dat investeringen van ongeveer 254 miljard EUR nodig waren om het oorspronkelijke EU-streefdoel van 27 % voor 2030 te behalen20. Met andere woorden, de totale financiële bijdrage van ongeveer 71,8 miljard EUR voor steun aan de klimaatdoelstellingen uit het EFRO en het CF zal moeten worden aangevuld met een aanzienlijk bedrag aan openbare en particuliere nationale en andere EU-financiering om het huidige EU-streefdoel van ten minste 32 % voor 2030 te behalen.
Reikwijdte en aanpak van de controle
16We behandelden de doeltreffendheid van de steun van de EU en de lidstaten voor de elektriciteitsopwekking uit wind- en fotovoltaïsche zonne-energie, de belangrijkste drijvende krachten achter de toename van het aandeel hernieuwbare bronnen. Daartoe onderzochten wij of:
- het aandeel hernieuwbare energie in het bruto-eindverbruik van energie sinds 2005 is verbeterd in overeenstemming met de vastgestelde streefdoelen;
- de nationale steunregelingen investeringen in elektriciteitsopwekking uit wind- en fotovoltaïsche zonne-energie hebben kunnen aantrekken;
- overige noodzakelijke voorwaarden voor hernieuwbare energie, waaronder de uitbreiding en verbetering van het net, van invloed waren op de uitrol hiervan;
- de beschikbare cohesiefinanciering voor investeringen in windenergie en PV duurzame outputs en resultaten heeft opgeleverd, met passende steunniveaus;
- het herziene EU-rechtskader voor de periode 2021‑2030 een gunstig klimaat creëert voor de ontwikkeling van windenergie- en PV-installaties.
Het onderwerp van de controle is zeer relevant, aangezien klimaatverandering en energieduurzaamheid hoog op de politieke en economische agenda staan. De publicatie van dit controleverslag zal samenvallen met de bekendmaking van het nieuwste in de reeks voortgangsverslagen inzake hernieuwbare energie van de Commissie in 2019, waarin de vooruitgang van de lidstaten in de richting van het behalen van hun streefdoelen voor 2020 gedetailleerd zal worden beschreven. Deze verslagen zullen een laatste kans bieden om corrigerende maatregelen te nemen en een bijdrage te leveren tot de besprekingen over de situatie inzake hernieuwbare energie na 2020.
18De controle had betrekking op het gebruik van de financiering uit het EFRO en het CF voor de programmeringsperioden 2007‑2013 en 2014‑2020. Op EU-niveau onderzochten we de werkzaamheden van de vijf directoraten-generaal van de Commissie die een belangrijke rol speelden in het gebruik van windenergie en PV en de werkzaamheden van Eurostat21. We bezochten daarnaast een aantal belanghebbenden in Brussel en de lidstaten op het gebied van wind- en/of fotovoltaïsche zonne-energie en het Europees Milieuagentschap in Kopenhagen.
19We bezochten vier lidstaten: Duitsland, Griekenland, Spanje en Polen. Deze lidstaten waren goed voor een toewijzing van ongeveer 50 % van de totale EFRO- en CF-middelen die zijn toegewezen aan hernieuwbare wind- en zonne-energie voor de perioden 2007‑2013 en 2014‑2020 en voor respectievelijk 52 % en 47 % van de geïnstalleerde capaciteit voor windenergie en PV in 2017. In deze landen onderzochten we 24 projecten (9 inzake wind, 12 inzake fotovoltaïek en 3 gemengde windenergie-/PV-installaties) die cofinanciering uit het EFRO of het CF ontvingen, op basis van materialiteit en de relevantie voor het controlegebied windenergie en PV. In bijlage III is een lijst van deze projecten opgenomen.
20Tot slot hadden we bij het opstellen van de conclusies en aanbevelingen van dit verslag baat bij de opmerkingen van deskundigen op het gebied van hernieuwbare energie over onze bevindingen.
Opmerkingen
Het verhoogde aandeel hernieuwbare energie in het bruto-eindverbruik van energie is onvoldoende om de streefdoelen te behalen
21We evalueerden de vooruitgang die sinds 200522 voor de EU in haar geheel en door de vier onderzochte lidstaten is geboekt in de richting van het algemene streefdoel voor hernieuwbare energiebronnen, evenals sectorspecifieke streefdoelen voor elektriciteit (zie tekstvak 2). We onderzochten bovendien de rol die de richtlijn hernieuwbare energie (RED I) van 2009 speelde en we beoordeelden de monitoring door de Commissie van de vooruitgang van de lidstaten in de richting van hun streefdoelen en haar maatregelen om te trage ontwikkeling aan te pakken.
Aanzienlijke vooruitgang, met name op het gebied van elektriciteit, is mogelijk onvoldoende om het EU-streefdoel voor 2020 te behalen
22In RED I werd een indicatieve minimumketen voor elk land vastgesteld, waarin tussentijdse streefdoelen voor het totale aandeel hernieuwbare energie werden gespecificeerd die vóór 2020 moesten worden behaald. Daarnaast verplichtte de richtlijn elke lidstaat om in zijn NREAP (nationale actieplannen voor energie uit hernieuwbare bronnen) zijn eigen algemene en sectorspecifieke ketens te definiëren (voor elektriciteit, verwarming en koeling en vervoer)23.
23In 2017 bedroeg het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van energie in de EU 17,5 % ten opzichte van het algemene streefdoel van 20 % voor 2020. Dit was bijna twee keer het aandeel van 2005 (9,1 %)24. 11 van de 28 lidstaten hebben hun streefdoel voor 2020 reeds behaald. Dit zijn: Bulgarije, de Tsjechische Republiek, Denemarken, Estland, Kroatië, Italië, Litouwen, Hongarije, Roemenië, Finland en Zweden. Van de overige 17 lidstaten:
- zullen Griekenland, Letland en Oostenrijk hun streefdoel voor 2020 zeer waarschijnlijk halen als zij in het huidige tempo maatregelen gericht op hernieuwbare energie blijven uitvoeren. Deze drie landen moeten het aandeel hernieuwbare energie voor 2020 met minder dan 2 procentpunten (pp) verhogen.
- moet het aandeel hernieuwbare energie in nog eens acht lidstaten (België, Duitsland, Spanje, Cyprus, Malta, Portugal, Slovenië en Slowakije) toenemen met tussen de 2 en 4 pp om het streefdoel voor 2020 te behalen (d.w.z. in een hoger tempo dan tot nu toe), en
- zullen zes lidstaten hun streefdoel voor 2020 waarschijnlijk niet halen, aangezien zij hun aandeel hernieuwbare energie moeten verhogen met: Nederland 7,4 pp, Frankrijk 6,7 pp, Ierland 5,3 pp, het Verenigd Koninkrijk 4,8 pp, Luxemburg 4,6 pp en Polen 4,1 pp. In bijlage IV tonen we voor elke lidstaat de gemiddelde tot nu toe geboekte vooruitgang en de gemiddelde vooruitgang die nodig is om de streefdoelen te behalen.
Het percentage van de toename in de richting van het algemene EU-streefdoel daalde tussen 2014 en 2016 en steeg licht in 2017. De toename van jaar tot jaar bedroeg 5,1 % tussen 2013 en 2014, vervolgens 3,3 % tussen 2014 en 2015, 1,8 % tussen 2015 en 2016 en 2,9 % tussen 2016 en 2017 (zie de geleidelijke stijgingen in tabel A van bijlage V).
25De elektriciteitssector heeft relatief het meest bijgedragen tot het behalen van het algemene streefdoel. Hier verdubbelde het aandeel van ongeveer 15 % in 2015 tot bijna 31 % in 2017, terwijl in 2017 het aandeel 19,5 % bedroeg voor verwarming en koeling en 7,6 % voor vervoer (zie tabel A van bijlage V). In absolute cijfers is het echter de verwarmings- en koelingssector die op EU-niveau de grootste bijdrage heeft geleverd op het gebied van hernieuwbare energie. In 2017 leverde verwarming en koeling in totaal 102 Mtoe25 op, in vergelijking met 86,7 Mtoe voor hernieuwbare elektriciteit en 23,7 Mtoe voor de vervoerssector.
26De streefdoelen voor elektriciteit voor 2020 van de vier onderzochte lidstaten, zoals vastgesteld in hun respectieve NREAP's, zijn: 38,6 % in Duitsland, 39,8 % in Griekenland, 39 % in Spanje en 19,1 % in Polen. Tussen 2010 en 2017 presteerden Duitsland en Spanje beter dan hun respectievelijke nationale ketens voor hernieuwbare elektriciteit. Polen haalde het streefdoel voor sommige jaren niet en Griekenland haalde dit in geen enkel jaar: eind 2017 liep het land 7 procentpunten achter op het streefdoel. Hoewel in Griekenland de lager dan verwachte toename van het aandeel voor elektriciteit werd gecompenseerd door een toename van het aandeel voor verwarming en koeling, geldt het tegenovergestelde voor Duitsland en Spanje, waar hernieuwbare elektriciteit verwarming en koeling compenseert. In de tabellen B en C van bijlage V is een jaarlijkse uitsplitsing voor deze lidstaten opgenomen.
RED I zorgde voor een toename van de uitrol van hernieuwbare energie, maar de verslaglegging is onvoldoende tijdig om corrigerende maatregelen te nemen
27RED I droeg bij tot een toename van de uitrol van hernieuwbare energiebronnen door de vaststelling van een algemeen nationaal streefdoel en een indicatieve minimumketen voor elke lidstaat en de verplichting voor de lidstaten om ketens te definiëren en maatregelen uit te voeren voor de drie sectoren die bijdragen tot het behalen van het streefdoel. De nationale ketens en streefdoelen hebben gezorgd voor een nuttig langetermijnperspectief voor investeringsplanning. De nationale ketens dienen bovendien als een referentiepunt voor de verslaglegging en monitoring van de Commissie.
28Het wettelijke kader moet ervoor zorgen dat de lidstaten actuele informatie verstrekken, zodat de Commissie kan vaststellen of zij corrigerende maatregelen moeten nemen. In de verordening betreffende energiestatistieken26 is bepaald dat eenmaal per jaar, en niet later dan elf maanden na het einde van het jaar, alle energiegegevens moeten worden verstrekt aan Eurostat27. Krachtens de verordening krijgt Eurostat twee maanden de tijd om met de lidstaten te communiceren en deze gegevens te valideren; het directoraat-generaal Energie (DG ENER) heeft vervolgens nog eens twee maanden nodig om zijn tweejaarlijkse verslag over beleidsontwikkelingen op het vlak van hernieuwbare energie op te stellen, wat is voorgeschreven door RED I. Als in het verslag wordt aangegeven dat een lidstaat niet voldoet aan zijn indicatieve keten zoals vastgesteld in de richtlijn, kan DG ENER van de lidstaat vereisen dat deze een herzien NREAP indient en corrigerende maatregelen opstelt om de keten opnieuw te volgen.
29DG ENER heeft tot nu toe vier van deze voortgangsverslagen gepubliceerd: in 2013, 2015, 2017 en 201928. Het recentste verslag, dat in april 2019 werd gepubliceerd, heeft betrekking op de situatie in 2015‑2017. Uiteindelijk zal pas in het voorjaar van 2022 duidelijk zijn of de lidstaten hun algemene streefdoelen voor 2020 hebben behaald. Omdat de verslaglegging is gebaseerd op gegevens die twee oud zijn, kunnen de Commissie en beleidsmakers hierdoor niet tijdig corrigerende maatregelen nemen wanneer en waar deze het hardst nodig zijn.
30Bovendien beperkt RED I het mandaat van de Commissie tot de monitoring van het feit of de lidstaten hun tweejaarlijkse indicatieve keten behalen. De richtlijn vereist niet dat de Commissie monitort of de lidstaten de algemene of sectorale streefdoelen van hun NREAP's behalen. Tot nu toe moest de Commissie slechts één keer vragen om corrigerende maatregelen toen Nederland niet voldeed aan zijn streefdoel van de indicatieve keten van 2015‑2016. Nederland diende echter geen herzien NREAP in; dit was de corrigerende maatregel die moest worden genomen.
De bezochte lidstaten stimuleerden investeringen in windenergie- en PV-installaties, maar de beperking van de steunregelingen vertraagde de uitrol
31We onderzochten of de nationale steunregelingen in de vier bezochte lidstaten doeltreffend hadden bijgedragen tot de ontwikkeling van projecten op het vlak van wind- en fotovoltaïsche zonne-energie en of er sprake was van samenwerking tussen de lidstaten. We onderzochten bovendien wie de kosten van de steun voor hernieuwbare energie draagt en hoe latere verlagingen van het niveau van de steun, met name voor investeringen in PV, van invloed waren op de uitvoering van nieuwe projecten. Daarnaast beoordeelden we of veilingen (het belangrijkste instrument voor de toewijzing van nieuwe capaciteit sinds 2017, zie paragraaf 11) en de participatie van burgers (als “prosumenten”29 of georganiseerd in “energiegemeenschappen”30) kunnen helpen om de trage groei in de sectoren windenergie en PV aan te pakken.
De vier onderzochte lidstaten stimuleerden investeringen in wind- en fotovoltaïsche zonne-energie, maar maakten weinig gebruik van samenwerkingsmechanismen
32In RED I werden de lidstaten verzocht om steunregelingen te ontwikkelen op basis van stimulansen voor investeerders uit de particuliere sector om de nieuwe “groene economie” te bevorderen. In de richtlijn werd daarnaast vereist dat zij het concept van “voorrang inzake nettoegang” voor hernieuwbare elektriciteit opnamen in de nationale wetgeving en werd voorgestelde dat zij gebruikmaakten van samenwerkingsmechanismen om synergieën met andere energiemarkten te creëren.
33Alle vier de onderzochte lidstaten hadden steunregelingen ingevoerd. Totdat de Commissie veilingen verplicht stelde voor grootschalige installaties (zie paragraaf 11 en voetnoten 16 en 17), maakten Duitsland en Spanje gebruik van FIT's en FIP's en Griekenland bijna uitsluitend van FIT's, alle drie door middel van oproepen tot het indienen van blijken van belangstelling. Polen maakte gebruik van het stelsel van verhandelbare certificaten. In bijlage VI wordt voor elke lidstaat een tijdlijn weergegeven van het gebruik van steunregelingen en de ontwikkeling van de capaciteit voor windenergie en PV van 1999 tot en met 2017.
34Investeerders ontdekten de nieuwe zakelijke kans, die twee voordelen bood:
- het tarief/de premie per kWh werd vastgesteld in contracten met een looptijd van ten minste twintig jaar, zodat investeerders gedurende een lange periode zekerheid werd geboden, en
- ondanks de hoge kapitaalvereiste vooraf, waren de exploitatiekosten, met inbegrip van personeelskosten, over het algemeen laag.
Zodra een lidstaat bepalingen inzake steun voor hernieuwbare energie had ingevoerd in de nationale wetgeving, volgde de uitrol hiervan al snel. Sinds de regelingen in werking traden, nam het aandeel windenergie in de totale elektriciteitsopwekking constant en vrij lineair toe, behalve in Spanje, waar de capaciteit voor windenergie sinds 2014 is gestagneerd (zie figuur 4). Het aandeel zonne-energie nam in de periode 2008‑2010 snel toe in Duitsland, Griekenland en Spanje, voordat dit in Griekenland en Spanje stagneerde na 2013 vanwege de maatregelen die werden genomen om de oorspronkelijke hoge steun aan te pakken. In Polen heeft zonne-energie bijna niets bijgedragen tot de opwekking van elektriciteit, aangezien Polen geen ambitieuze streefdoelen voor PV heeft vastgesteld (zie tabel E van bijlage V).
Figuur 4
Aandeel wind- en zonne-energie in totale elektriciteitsopwekking in de vier lidstaten en de EU‑28, 2005‑2017
- Het cijfer voor zonne-energie betreft zowel fotovoltaïsche als thermische zonne-energie voor elektriciteit. PV is echter goed voor 98 % van de twee technologieën in de EU in haar geheel (zie voetnoot 3).
Bron: ERK, op basis van gegevens van Eurostat.
Hoewel alle vier de lidstaten de “voorrang inzake nettoegang” voor hernieuwbare elektriciteit in de nationale wetgeving vastlegden, maakten zij weinig gebruik van de samenwerkingsmechanismen waarnaar in de richtlijn wordt verwezen. Samenwerkingsmechanismen werden slechts drie keer gebruikt: een gezamenlijke aanbestedingsprocedure voor investeringen in PV van Duitsland en Denemarken; een gezamenlijke certificatenregeling van Zweden en Noorwegen; en overeenkomsten voor statistische overdracht tussen Luxemburg en Litouwen en Estland (die beide hun streefdoelen voor 2020 reeds in 2014 hadden behaald), met een overdrachtsprijs van ongeveer 15 EUR/MWh. In de Refit-evaluatie van RED I van november 2016 werd gewezen op de schijnbare impopulariteit van de samenwerkingsmechanismen31. We hebben reeds gemeld dat het zorgen voor samenwerking tussen de lokale, regionale en nationale energiemarkten met het oog op de ontwikkeling van de interne energiemarkt een uitdaging vormt voor de EU32.
De aanpassing van de hoge oorspronkelijke steunniveaus, met name voor PV, schrok mogelijke investeerders af
37Gunstige steunvoorwaarden zorgen ervoor dat de “groene economie” groeit. De lidstaten moeten de markt echter regelmatig monitoren, zodat wanneer die zelfregulerend wordt, de steun naar beneden kan worden bijgesteld om overcompensatie, hoge elektriciteitsprijzen voor verbruikers en wegvloeiing van de overheidsfinanciën te voorkomen.
Oversubsidiëring van projecten door de lidstaten
38Een doelmatige steunregeling moet investeringen bevorderen zonder te leiden tot overcompensatie. Om dit doel te bereiken, moeten de “levelised costs” van elektriciteit (LCOE, zie tekstvak 1) worden gebruikt om de kosten van de opwekking van hernieuwbare energie vast te stellen en de FIT's/FIP's die worden aangeboden aan mogelijke investeerders te helpen bepalen33.
39In 2010 bedroegen de LCOE voor PV-installaties 360 USD/MWh (ongeveer 270 EUR/MWh, zie figuur 3). Zo bedroeg het FIT voor PV-installaties in Duitsland, Griekenland en Spanje tussen de 18 % en 67 % meer dan de LCOE tussen 2008 en 2010, wat leidde tot aanzienlijke winsten voor producenten (zie tekstvak 4).
Tekstvak 4
Voorbeelden van het niveau van tarieven voor PV-projecten in de drie onderzochte lidstaten die gebruikmaakten van FIT's
In 2009 liep het FIT voor een contract van twintig jaar in Duitsland uiteen van 430 EUR/MWh voor kleine installaties tot 30 kWp34 tot 319 EUR/MWh voor grote grondinstallaties.
In 2009 en 2010 bood Griekenland een FIT van twintig jaar aan van 450 EUR/MWh voor installaties tussen de 10 en 100 kWp en van 400 EUR/MWh voor installaties boven de 100 kWp.
In 2008 ondertekende Spanje contracten met een looptijd van 25 jaar met een FIT van 440 EUR/MWh voor installaties van minder dan 100 kW en van 418 EUR/MWh voor installaties tussen de 100 kW en 10 MW.
In 2010 bedroegen de LCOE voor PV-installaties ongeveer 270 EUR/MWh.
De prijzen van verhandelbare certificaten in Polen waren tot 2011 ook erg aantrekkelijk: de waarde van certificaten per geproduceerd MWh was gemiddeld gelijk aan 59 % van de inkomsten van de producenten. In 2011 bedroeg de prijs van de certificaten 282 PLN/MWh (ongeveer 60 EUR/MWh), terwijl de prijs die werd betaald voor elektriciteit gemiddeld 199 PLN/MWh (ongeveer 50 EUR/MWh) bedroeg.
41In dezelfde periode leidde de technologische innovatie tot een verhoogde productiecapaciteit van nieuwe installaties en een daling van de materiaal- en bijkomende kosten, met name voor PV. In Duitsland daalden de kosten voor een typisch PV-systeem op het dak van tussen de 10 kWp en 100 kWp volgens het Federale Ministerie van Economische Zaken en Energie tussen 2008 en 2009 met ongeveer 27 % (van 4 100 EUR/kWp tot 3 000 EUR/kWp). In Griekenland daalden de kosten van hetzelfde soort installatie van dezelfde omvang volgens het Ministerie van Milieu en Energie tussen 2009 en medio 2013 met 70 %.
42Duitsland, Griekenland en Spanje boden ook langer dan een decennium tarieven/premies voor onshorewindenergie aan, die uiteenliepen van 80 EUR/MWh tot 100 EUR/MWh. In 2010 was onshorewindenergie veel voordeliger per geproduceerd MWh dan PV. In bijlage VI wordt weergegeven hoe de tarieven voor zowel windenergie als PV zich hebben ontwikkeld in de vier lidstaten.
43In de beginjaren leidde de combinatie van royale FIT-/FIP-regelingen, hoge prijzen voor verhandelbare certificaten en dalende technologiekosten tot aanzienlijke winsten, in het bijzonder voor PV-installaties. De situatie werd nog gunstiger wanneer een project naast een aantrekkelijk FIT/aantrekkelijke FIP investeringssteun (een subsidie die een deel van de installatiekosten dekt) was toegekend. We stelden vast dat een aantal van de projecten die wij onderzochten binnen vier tot zes jaar kostendekkend waren en derhalve zelfs met een lager steunniveau zouden zijn uitgevoerd (zie paragraaf 72).
Het hoge steunniveau heeft geleid tot hogere elektriciteitsprijzen en nationale overheidstekorten
44De kosten van het stimuleren van hernieuwbare energie door middel van FIT's/FIP's worden rechtstreeks door de eindverbruiker of door de staatsbegroting gedekt. In Duitsland vormen de kosten van de ondersteuning van hernieuwbare energie een belangrijk onderdeel van de elektriciteitsrekeningen in de vorm van een “toeslag” (zie tekstvak 5). Uit studies blijkt dat de “toeslag” pas zal afnemen wanneer de huidige FIT-/FIP-contracten met een looptijd van twintig jaar aflopen35.
Tekstvak 5
Door de steun voor hernieuwbare energie zijn de elektriciteitsrekeningen in Duitsland aanzienlijk gestegen
De Duitse elektriciteitsprijzen (met inbegrip van alle belastingen en heffingen) voor huishoudelijke36 en niet-huishoudelijke37 verbruikers liggen traditioneel hoger dan het EU-gemiddelde (respectievelijk 44 % en 39 % hoger voor het eerste semester van 2018), deels vanwege de “toeslag”. Bovendien is volgens de regelgeving een vrijstelling van de “toeslag” van 80 % tot 85 % voor bepaalde sectoren toegestaan als een mededingingsmaatregel. De 4 000 bedrijven die deze vrijstelling betreft, vertegenwoordigen een vijfde van het totale stroomverbruik van het land en hun vrijstelling van 4,8 miljard EUR moet worden gedekt door alle andere verbruikers.
In Spanje wordt de steun voor hernieuwbare energie voornamelijk gedekt door de nationale begroting. Bijgevolg leidden hoge FIT's/FIP's tot een aanzienlijke druk op de overheidsfinanciën. De regering was in staat de kosten van de FIT-/FIP-steun voor alle hernieuwbare energiebronnen sinds 2013 te stabiliseren op ongeveer 6,5 miljard EUR/jaar door middel van een reeks maatregelen die gericht waren op de producenten. In Griekenland was het oorspronkelijk de bedoeling om de steun uit de nationale begroting te financieren. Vanwege de economische crisis werden de kosten van de steun echter doorberekend aan producenten en, in mindere mate, aan verbruikers, door middel van de verhoging van een speciale heffing voor hernieuwbare energie. Het overheidstekort dat kon worden toegerekend aan hernieuwbare energie werd in januari 2018 volledig gecompenseerd.
46De situatie is anders ten aanzien van verhandelbare certificaten, waar een overaanbod rechtstreekse gevolgen heeft voor het inkomen van producenten van hernieuwbare energie, in het bijzonder wanneer de staat niet ingrijpt door een minimumprijs voor de certificaten te garanderen, zoals het geval was in Polen (zie tekstvak 6).
Tekstvak 6
Door ondoeltreffende voorwaarden van nationale steunregelingen draaien veel Poolse windparken met verlies
In Polen vormde de hoge startprijs van certificaten, in combinatie met aantrekkelijke niveaus van investeringssteun, een reden voor talrijke investeerders om de markt voor hernieuwbare energie te betreden. Dit leidde vervolgens tot een overaanbod van certificaten, waarvan de prijs gestaag afnam, met een domino-effect op het inkomen van de producenten. Tegen 2017 waren de certificaten 86 % minder waard dan in 201138. Volgens gegevens van het Poolse agentschap voor de energiemarkt draaide 70 % van de Poolse windparken van meer dan 10 MW in de eerste helft van 2017 met verlies.
De verlaging van de steunniveaus door de lidstaten had gevolgen voor het groeipercentage van het aandeel windenergie en PV in de elektriciteitsopwekking
47Om de kosten van de steun voor hernieuwbare energie te beperken, hebben de lidstaten enkele maatregelen aangenomen die rechtstreeks gericht zijn op producenten. Afhankelijk van de omvang van de maatregelen en de manier waarop deze werden toegepast (met terugwerkende kracht, met onmiddellijke ingang of na een overgangsperiode), werd de aanwending van hernieuwbare energie in drie van de vier onderzochte lidstaten sterk beïnvloed, zoals ook werd benadrukt in de Refit-evaluatie van RED I39.
48Duitsland was een van de eerste landen die hun tarieven verlaagden: op de eerste daling in 2009 volgde in 2012 een nog sterkere verlaging, die wijzigingen omvatte van de formule voor de berekening van tarieven om rekening te houden met de capaciteit die in het voorgaande jaar was geïnstalleerd. Omdat de verlaging van de tarieven echter transparant en voorspelbaar was en overgangsperioden omvatte, werden investeerders niet ontmoedigd (zie tekstvak 7).
Tekstvak 7
Door de transparantie en voorspelbaarheid van steun bleven investeringen in zowel windenergie als PV toenemen in Duitsland
In de periode 2012‑2016, toen in de meeste lidstaten het gebruik van windenergie afnam en het gebruik van PV stagneerde, bleef de Duitse capaciteit voor windenergie en PV groeien, hoewel deze voor PV minder snel toenam (zie figuur 4). De vertraagde toename sinds 2014 kan echter worden toegeschreven aan een nieuwe maatregel in de vorm van jaarlijkse boven- en ondergrenzen voor de capaciteit (de zogenaamde “uitrolcorridors”).
Sterke tariefverlagingen hebben echter investeerders in PV in Griekenland afgeschrikt. In 2010 verlaagde het land eerst zijn FIT voor PV, hoewel geen bepaling voor prijsaanpassingen was opgenomen in de met producenten ondertekende contracten. Sindsdien heeft het de tarieven nog meerdere keren verlaagd, waarvan twee keer met terugwerkende kracht. Tussen 2013 en 2016, toen Griekenland zijn eerste proefveilingen organiseerde, werd vrijwel geen nieuwe capaciteit voor PV geïnstalleerd. De tarieven voor de Griekse windenergiesector werden daarentegen nooit verlaagd en de capaciteit voor windenergie is bijna lineair gestegen met ongeveer 10 % per jaar, zelfs tijdens de Griekse economische crisis.
50Door veranderingen in het Spaanse wettelijke kader kwamen investeringen in windenergie en PV gedurende een aantal jaar volledig tot stilstand. In 2010 begon de Spaanse regering het aantal uur waarvoor de hernieuwbare producenten een vergoeding kon ontvangen te beperken en verplichtte zij producenten zelfs een vergoeding te betalen voor het leveren van elektriciteit aan het net; tegen 2012 werden geen subsidies voor nieuwe windenergie- of PV-installaties meer verstrekt. Het FIT-/FIP-model werd in 2013 definitief opgegeven ten gunste van een compensatieregeling die rendement op investeringen bood op basis van vastgestelde criteria. De nieuwe maatregelen, die in sommige gevallen met terugwerkende kracht werden toegepast, hadden gevolgen voor het vertrouwen van investeerders en hierdoor kwamen investeringen in windenergie (2012) en PV (2011) in Spanje volledig tot stilstand. Tot 2015, toen de eerste proefveilingen van start gingen, werd in het land geen nieuwe capaciteit ontwikkeld.
51In Polen waren strikte locatievereisten schadelijk voor investeringen in windenergie. In de wet inzake investeringen in windturbines van 2016 werden strikte locatievereisten vastgesteld, werd de modernisering van bestaande turbines die niet voldeden aan de nieuwe locatievereisten verboden en werd de belasting op windkrachtinstallaties sterk verhoogd (de moderniserings- en belastingsbepalingen werden uiteindelijk medio 2018 geschrapt). Het stelsel van verhandelbare certificaten werd medio 2016 gesloten voor nieuwkomers en tot medio 2018 werden geen veilingen georganiseerd voor windkrachtinstallaties van standaardgrootte. Als gevolg hiervan nam de capaciteit voor windenergie in Polen tussen medio 2016 en medio 2018 slechts marginaal toe.
De groei van hernieuwbare elektriciteit wordt gehinderd door ontoereikende veilingen en praktische belemmeringen voor producenten
52Als onderdeel van onze controle beoordeelden we of veilingen en de participatie van burgers de trage groei in de sectoren windenergie en PV kunnen aanpakken — veilingen door de niveaus van staatssteun te verlagen en burgers door een aanvullende bron van particuliere financiering te bieden.
In twee van de onderzochte lidstaten zal de capaciteit die volgens de planning zal worden geveild onvoldoende zijn om ervoor te zorgen dat de streefdoelen voor 2020 worden gehaald
53We constateerden dat alle vier de bezochte lidstaten, in overeenstemming met de recentste richtsnoeren inzake staatssteun (zie paragraaf 11), veilingen hebben georganiseerd voor het toewijzen van nieuwe capaciteit voor hernieuwbare energie. Uit de resultaten van de veilingen die in 2016 en 2017 werden gehouden, blijkt dat sommige investeringen in windenergie en PV in Duitsland (en, volgens DG ENER, in Nederland) nu worden gedaan zonder staatssteun — hoewel de netverbindingen door de staat worden gefinancierd. Ook in Spanje werden recente contracten toegekend zonder enige andere overheidssteun dan een garantie om de prijs van elektriciteit te dekken wanneer deze daalt tot onder een bepaalde drempel. In Griekenland40 en Polen41 leidden recente veilingen daarentegen tot prijzen die nog steeds hoger liggen dan die voor fossiele brandstoffen, maar in Griekenland in veel mindere mate dan in het kader van de FIT-regeling.
54Spanje heeft echter geen veilingen gepland en de nieuwe capaciteit van ongeveer 8 500 MW die tussen 2015 en 2017 werd geveild, is onvoldoende om de vertraging van de afgelopen jaren te compenseren. Polen organiseerde tot medio 2018 geen veilingen voor windenergie- en PV-installaties met een capaciteit van meer dan 1 MW (wat gelijk is aan een onshorewindturbine uit 198542). Deze feiten geven aanleiding tot verdere bezorgdheid over de vraag of deze twee lidstaten in een positie zullen verkeren om hun streefdoelen voor 2020 te behalen, rekening houdend met de noodzakelijke termijn voor de uitvoering van windenergieprojecten. In Duitsland en Griekenland zijn veilingen gepland die volgens planning plaatsvinden. Toch blijven uitrolcorridors de veilingcapaciteit beperken in Duitsland en heeft Griekenland nog steeds problemen om voldoende investeerders aan te trekken die willen deelnemen aan zijn veilingen.
55De belangrijkste factor voor het succes van een veiling is het winnen van het vertrouwen van investeerders door deelnemers toe te staan de biedprijs op transparante wijze te bepalen (zie tekstvak 8).
Tekstvak 8
Transparantie bij veilingen bevordert de mededinging: het IT-platform van de Griekse regelgevende instantie
De Griekse regelgevende instantie heeft een onlineplatform ontwikkeld voor de aanbesteding door middel van veilingen. Elke veiling duurt 30 minuten en deelnemers bieden in realtime en kunnen biedingen van hun concurrenten zien. Bij de windenergieveiling die in juli 2018 werd gehouden, dienden in totaal 14 deelnemers 342 biedingen in; de prijs daalde tijdens de veiling van 90 EUR/MWh tot 68,2 EUR/MWh.
De participatie van burgers in investeringen in windenergie en PV, als prosumenten of georganiseerd in energiegemeenschappen, wordt belemmerd
56We stelden vast dat alle vier de bezochte lidstaten in overeenstemming met RED I wetgeving hebben vastgesteld om prosumenten of energiegemeenschappen toe te staan elektriciteit voor eigen verbruik te produceren. In 2017 was in Duitsland 49 % van de capaciteit voor zonne-energie en 41 % van de capaciteit voor onshorewindenergie in handen van particulieren en particuliere parken43. In de meeste gevallen waren de particulieren georganiseerd in energiegemeenschappen. Enkele Spaanse regio's hebben zelfs streefdoelen voor eigen verbruik vastgesteld. In enkele gevallen wordt de ontwikkeling van dit segment echter belemmerd. Zo moeten prosumenten in Spanje deelnemen aan de spotmarkt voor energie om te worden betaald voor de extra elektriciteit die zij aan het net leveren. Dit is lastig voor kleine producenten, aangezien hiervoor meerdere vergunningen nodig zijn en kosten verbonden zijn aan de deelname. In Polen zijn prosumenten het segment op het gebied van hernieuwbare energie dat zich het snelst ontwikkelt, ondanks het feit dat zij te maken krijgen met bepaalde beperkingen (zoals belastingheffing en beperkte voordelen voor het leveren van energie aan het net).
Diverse beperkingen vertragen investeringen in windenergie en PV
57We onderzochten of ruimtelijke ordening en administratieve regels investeringen in windenergie en PV ondersteunen. We beoordeelden daarnaast hoe tekortkomingen van het net van invloed zijn op de uitrol van projecten voor hernieuwbare energie, hoe slechte interconnectiecapaciteiten met buurlanden de samenwerking beperken en hoe belangrijk het is om in de nabije toekomst in beide te investeren.
Regels inzake ruimtelijke ordening beperken de ontwikkeling van windkrachtinstallaties in twee van de onderzochte lidstaten
58Belemmeringen op het vlak van ruimtelijke ordening kunnen de ontwikkeling van nieuwe projecten aanzienlijk beperken. Bepalingen voor het bepalen van de minimumafstand tussen een windpark en woongebieden kunnen bijzonder beperkend zijn. De uitdaging voor de lidstaten bestaat erin bepalingen inzake ruimtelijke ordening vast te stellen die stedelijke gebieden en natuurreservaten beschermen, maar ook de uitrol van wind- en fotovoltaïsche zonne-energie mogelijk maken.
59We constateerden dat dit een probleem was in twee van de onderzochte lidstaten. Sinds een Duitse regio de minimale toegestane afstand tussen een turbine en de dichtstbijzijnde huizen vaststelde op 10 keer de totale hoogte van de turbine (wat kan oplopen tot 2 km), werden hier geen nieuwe aanvragen ingediend voor de bouw van windkrachtinstallaties. De impact van de maatregel was dat het land dat kon worden gebruikt voor windparken werd beperkt tot ongeveer 0,3 % in plaats van de beoogde 2 % tot 3 % van het grondgebied van de regio. Dezelfde bepaling werd in 2016 in Polen ingevoerd. Er is nog geen officiële effectbeoordeling beschikbaar, maar uit studies44 blijkt dat deze bepaling het land dat in aanmerking kwam voor investeringen in windenergie beperkte tot slechts 0,1 % van het nationale grondgebied in plaats van de beoogde 2,6 % wanneer een buffer van 1 kilometer breed wordt aangehouden tussen de installaties en woongebieden.
Lange administratieve procedures compliceren het zakelijke klimaat voor met name nieuwe windenergieprojecten
60Administratieve regels voor hernieuwbare windkrachtinstallaties vereisen normaal gesproken dat autoriteiten vergunningen afgeven of beslissingen nemen in verband met milieuaspecten, bouwwerkzaamheden, netverbindingen of licenties om elektriciteit op te wekken en te verkopen. De lidstaten moeten voorzien in procedures met minimale administratieve belemmeringen om investeerders aan te trekken voor de markt voor hernieuwbare energie, terwijl zij tegelijkertijd kwesties zoals de gezondheid en het milieu in landelijke en stedelijke gebieden in acht moeten nemen.
61Een onshorewindkrachtinstallatie kan gemiddeld, afhankelijk van de omvang, in vijf jaar worden opgeleverd (met inbegrip van de tijd voor de afgifte van de administratieve documenten), een offshorewindpark in acht jaar en een PV-installatie in twee jaar; voor PV-projecten op het dak is minder dan een jaar nodig. We stelden echter vast dat de éénloketaanpak van Duitsland een doeltreffende manier is om de administratieve belemmeringen tot een minimum te beperken (zie tekstvak 9).
Tekstvak 9
Wegwerken van administratieve belemmeringen: de éénloketaanpak in Duitsland
Om lange administratieve procedures te voorkomen en de uitrol te versnellen, heeft Duitsland een éénloketaanpak ingevoerd. Dit is een kantoor dat ondersteuning biedt bij het verkrijgen van een enkele goedkeuring die alle noodzakelijke vergunningen omvat. In het geval van een onshorewindpark dat wij onderzochten, werd een vergunning van 43 pagina's, waarvoor de goedkeuring van acht autoriteiten en vijf afdelingen nodig was, in minder dan zes maanden verleend.
Hoewel de lidstaten maximale termijnen hebben vastgesteld voor hun administratieve procedures, constateerden we dat deze in Griekenland en Spanje voor windenergieprojecten niet werden nageleefd. In beide landen kan het tot zeven jaar duren om een project voor onshorewindenergie uit te voeren. In Spanje troffen we ook lange procedures aan voor kleinschalige installaties voor eigen verbruik, waarbij de verlening van de vergunning gemiddeld een jaar duurde.
Vertragingen bij investeringen in het net, met inbegrip van interconnectie-infrastructuur, hebben de uitrol tegengehouden
63Elektriciteit bereikt verbruikers via het transmissie- en distributienet. De belangrijkste uitdagingen met betrekking tot het net en de uitrol van windenergie- en PV-installaties houden verband met de mate waarin het net intermitterende elektriciteit45 kan absorberen, de afgelegenheid van gebieden met een groot potentieel voor windenergie en PV, en de lange afstanden tussen gebieden met een hoog potentieel en gebieden met een hoge vraag naar elektriciteit46. Een andere uitdaging bestaat in het zorgen dat de interconnectiecapaciteit47 toereikend is om grensoverschrijdende stromen mogelijk te maken wanneer deze nodig of het voordeligst zijn.
Vertragingen bij investeringen in het net hebben gevolgen voor de uitrol van hernieuwbare energie
64Investeringen in het net liepen in alle vier de lidstaten aanzienlijke vertraging op. Het probleem is echter het dringendst in Duitsland, waar eind 2017 minder dan 10 % van de geplande uitbreiding van het net in het land (slechts 750 km van 7 900 km) was voltooid. Het onderontwikkelde net van Duitsland leidt tot lusstromen van energie48 met buurlanden wanneer het Duitse net de extra energieoverdrachten niet aankan. Zo is het net soms niet in staat alle elektriciteit naar het zuiden van het land en naar Oostenrijk te leiden, waar de grootste vraag bestaat, wanneer de windparken in het noorden van Duitsland extra energie opwekken. De elektriciteit moet worden omgeleid via Polen, de Tsjechische Republiek en Slowakije. Als gevolg hiervan ontving het Poolse net in 2017 meer dan acht keer meer elektriciteit van Duitsland dan gepland, ondanks het feit dat de Poolse autoriteiten de Duitse energiestromen vaak beperkten.
65We troffen tekortkomingen van het net aan die de ontwikkeling belemmerden van hernieuwbare energie in gebieden met een hoog potentieel voor wind- en zonne-energie in Griekenland (Peloponnesos) en Spanje (Andalusië), waar nieuwe centrales voor hernieuwbare energie niet kunnen worden geïnstalleerd. Volgens de Griekse transmissiesysteembeheerder (TSB)49 zullen sommige Griekse eilanden niet voor 2023 volledig zijn verbonden met het vasteland, hoewel dit een besparing van 350 miljoen EUR/jaar zou betekenen voor de nationale begroting, bijvoorbeeld doordat de kosten van het vervoer van petroleum naar de eilanden zouden worden beperkt.
66Volgens een schatting van de Commissie zullen hernieuwbare energiebronnen goed moeten zijn voor ongeveer de helft van de totale elektriciteitsopwekking om het oorspronkelijk voorgestelde algemene streefdoel van 27 % van het bruto-eindverbruik van energie voor 2030 te behalen50; Irena heeft uitgerekend dat het goedgekeurde streefdoel van 32 % een aandeel van 55 % van de opgewekte elektriciteit zal vereisen51. Gezien het feit dat hernieuwbare energiebronnen momenteel goed zijn voor een aandeel van bijna 31 % van de elektriciteitssector en dat dit reeds leidt tot problemen met de opname voor het net, zijn dringend investeringen nodig. Met het oog hierop kunnen beheercentra voor hernieuwbare energie helpen de absorptie van hernieuwbare energiebronnen te maximaliseren (zie tekstvak 10).
Tekstvak 10
Een voorbeeld van netbeheer voor het maximaliseren van de absorptie van hernieuwbare energiebronnen: het IT-beheersysteem CECRE in Spanje
Het Renewable Energies Control Centre (CECRE) in Spanje heeft een IT-beheerinstrument ontwikkeld dat in realtime (elke 12 seconden) informatie kan verwerken over de status van de productie en netverbinding van elke faciliteit voor de opwekking van hernieuwbare elektriciteit in het land. Het instrument verifieert of de uit hernieuwbare bronnen opgewekte elektriciteit aan het systeem kan worden geleverd en anticipeert op de vraag welke maatregelen nodig zijn om het systeem in evenwicht te houden en de voorzieningszekerheid te waarborgen. De monitoringscapaciteit van CECRE stelt Spaanse windparken in staat deel te nemen aan de gereguleerde energiemarkt, wat ongeveer de helft van de windparken doet.
Het niveau van interconnectie tussen de lidstaten is onvoldoende om de uitrol van hernieuwbare energie te ondersteunen
67De Raad van Barcelona van 2002 stelde voor de lidstaten een streefcijfer van 10 % voor de interconnectie van elektriciteit vast voor 2020 om het gebruik van hernieuwbare energie uit te breiden door grensoverschrijdende stromen mogelijk te maken wanneer deze nodig of het voordeligst zijn. In 2015 waren de netten van twaalf lidstaten echter nog niet klaar voor dit streefdoel52. Spanje is een van deze lidstaten. Met een transmissiecapaciteit naar Frankrijk van slechts 5 % van de geïnstalleerde capaciteit in 2017, blijft Spanje (en het Iberisch schiereiland) grotendeels een energie-eiland. Reeds goedgekeurde projecten zullen het percentage doen toenemen tot 8 %, maar niet voor 2025.
68De Europese Raad van oktober 201453 steunde het voorstel van de Commissie van mei 201454 om het streefcijfer van 10 % voor de interconnectie van elektriciteit te verhogen tot 15 % tegen 2030, maar zonder inbreukprocedures wanneer het streefdoel niet wordt behaald. In een verslag van 201755 van de deskundigengroep van de Commissie betreffende streefcijfers voor de interconnectie van elektriciteit werden Duitsland, Griekenland en Spanje genoemd als drie van de acht lidstaten die nog dringender moesten investeren.
Cohesiebeleidsfinanciering droeg bij tot een toename van de capaciteit voor windenergie en PV, maar hierbij was er ook sprake van gevallen van oversubsidiëring
69We onderzochten of de beschikbare cohesiebeleidsfinanciering (uit het EFRO en het CF) voor investeringen in windenergie en PV duurzame outputs en resultaten heeft opgeleverd. We beoordeelden met name hoe goed een steekproef van 24 gecofinancierde projecten, ondersteund in het kader van 9 OP's in een van de twee perioden (2007‑2013 of 2014‑2020), werden uitgevoerd en welke resultaten hiermee werden behaald. Negen van deze projecten hadden betrekking op windenergie en twaalf op PV. Drie projecten betroffen gemengde installaties waar de twee technologieën werden gecombineerd (zie bijlage III).
70Van de 24 projecten die we onderzochten, evalueerden we de projecten die waren afgerond en operationeel waren op het moment van de controle. Ten aanzien van deze twintig afgeronde projecten constateerden we dat de projecten in alle gevallen in overeenstemming met de projectaanvraag waren uitgevoerd (de verwachte capaciteit was zonder kostenoverschrijdingen geïnstalleerd), dat deze op het moment van de controle operationeel waren, dat er geen sprake was van duurzaamheidsproblemen en dat de projecten winstgevend waren.
71We stelden vast dat dertien van de afgeronde projecten de beoogde volumes elektriciteit produceren. Van de overige zeven projecten produceerden twee windenergieprojecten in Griekenland minder dan gepland en verstrekten vijf kleine installaties voor eigen verbruik los van het net in Spanje ons geen gegevens. 17 van de afgeronde projecten werden zonder aanzienlijke vertraging uitgevoerd (d.w.z. niet langer dan drie maanden). Twee projecten in Polen en één project in Griekenland werden iets minder dan een jaar te laat afgerond.
72We constateerden dat er bij cohesiebeleidsfinanciering als investeringssteun voor windenergie- en PV-projecten sprake was van gevallen van oversubsidiëring. Negen van de 24 gecontroleerde projecten (drie in Duitsland, vier in Griekenland, één in Spanje en één in Polen56) hadden een zeer aantrekkelijke interne rentevoet (IRV)57, die 3 tot 11 procentpunten hoger was dan de opbrengsten van de staatsobligaties met een looptijd van tien jaar58 van de maand waarin deze werden goedgekeurd. Dit was voornamelijk het geval omdat de projecten naast een zeer gul FIT voor de ondersteuning van hun exploitatiekosten profiteerden van investeringssteun (zie paragraaf 39). Ook bij vier andere projecten los van het net in Spanje die uitsluitend investeringssteun in de vorm van een EU-subsidie ontvingen, werd het rendement op investering59, vertegenwoordigd door de energiebesparing op het moment van de projectaanvraag, zeer snel bereikt (in 3,6 tot 6,2 jaar).
73In ons eerdere verslag over hernieuwbare energie60 wezen we op de oversubsidiëring van een aantal projecten voor hernieuwbare energie; ook in diverse controleverslagen van nationale hoge controle-instanties werd dit probleem aan de orde gesteld61.
In vergelijking met RED I biedt het herziene regelgevingskader van de EU meer steun voor de uitbreiding van hernieuwbare energie, maar belangrijke tekortkomingen blijven bestaan
74In 2016 stelde de Commissie het pakket “Schone energie” voor (zie paragraaf 09), dat erop gericht is versterkte verbanden tot stand te brengen tussen de verschillende beleidsterreinen die verband houden met energie. De onderdelen van dit pakket die het relevantst zijn voor hernieuwbare energie zijn RED II62 en de verordening inzake governance63. We onderzochten de wetgeving om te beoordelen in welke mate hiermee enkele van de in de voorgaande hoofdstukken van dit verslag benadrukte problemen worden aangepakt en of hiermee wordt gezorgd voor een ondersteunend klimaat voor de ontwikkeling van hernieuwbare energie, waaronder windenergie en PV voor elektriciteitsopwekking.
75We constateerden dat RED II steun omvat voor elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare bronnen, in het bijzonder uit wind- en fotovoltaïsche zonne-energie:
- de richtlijn vereist de verbetering van het ontwerp en de stabiliteit van de steunregelingen. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat deze regelingen niet op zodanige wijze worden herzien dat zij negatieve gevolgen hebben voor de rechten van de producenten van hernieuwbare energie en de economische levensvatbaarheid van installaties ondermijnen die reeds steun ontvangen, wat het geval was in drie van de onderzochte lidstaten (zie paragraaf 47);
- in de richtlijn zijn de twee beginselen van eigen verbruik van hernieuwbare energie en energiegemeenschappen verankerd. We troffen beperkingen aan in twee van de onderzochte lidstaten (zie paragraaf 56);
- door de lidstaten te verplichten om één enkel loket op te zetten om de volledige vergunningsprocedure voor hernieuwbare installaties te coördineren en uiterlijke termijnen vast te stellen voor de verlening van alle noodzakelijke vergunningen, draagt de richtlijn bij tot de vereenvoudiging van de administratieve procedures. In twee van de onderzochte lidstaten constateerden we dat gecompliceerde administratieve procedures de ontwikkeling van nieuwe windenergie- en PV-installaties belemmerden (zie paragraaf 62), en
- de richtlijn moedigt het opzetten van financiële instrumenten aan die gericht zijn op projecten die: a) zijn bedoeld om de stabiliteit van het net te verbeteren, congestie op het net te beheren en de flexibiliteit van het transmissiesysteem te vergroten, met inbegrip van projecten die bijdragen tot het behalen van het streefcijfer van 15 % voor de interconnectie van elektriciteit tegen 2030, allemaal problemen ten aanzien waarvan wij bevindingen deden (zie de paragrafen 64-68), en b) samenwerkingsmechanismen tussen lidstaten en tussen lidstaten en derde landen verbeteren, die in het kader van RED I weinig werden gebruikt (zie paragraaf 36).
Uit onze beoordeling van de verordening inzake governance blijkt dat het uitgebreide mandaat van de Commissie moet leiden tot een betere monitoring van de inspanningen van de lidstaten om het aandeel hernieuwbare energie in de drie sectoren elektriciteit, verwarming en koeling, en vervoer te verhogen. De Commissie is nu bevoegd om:
- de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen (NECP's) te monitoren die de lidstaten elke tien jaar moeten indienen en ten minste een keer moeten bijwerken in 2024, en die betrekking hebben op het beleid en de maatregelen ten aanzien van de vijf energiedimensies64. Met andere woorden, de rol van de Commissie wordt niet beperkt tot hoofdzakelijk de monitoring van de indicatieve keten zoals in het kader van RED I (zie paragraaf 30), en
- de doelmatigheid van de steun te monitoren die is toegekend door middel van veilingen, die momenteel het belangrijkste instrument vormen voor het verhogen van de capaciteit voor hernieuwbare energie en waarbij de staatssteun tot een minimum lijkt te worden beperkt (zie paragraaf 53) en hierover om de drie jaar verslag uit te brengen aan het Europees Parlement.
We stelden ook vast dat enkele nieuwe tekortkomingen zijn gecreëerd en dat een eerdere tekortkoming is blijven bestaan. Hoewel de Commissie in 2016 opmerkte dat de nationale streefdoelen van RED I werden gezien als de belangrijkste drijvende kracht achter het beleid en investeringen op het gebied van hernieuwbare energie in veel lidstaten65, worden deze streefdoelen in RED II vervangen door één bindend streefdoel van ten minste 32 % op Europees niveau. Hierdoor ontstaan de risico's dat lidstaten beter of slechter presteren dan vereist op het vlak van hernieuwbare energie en dat de aanwending van hernieuwbare energiebronnen door de lidstaten afwijkt van de indicatieve ketens van de EU.
78De verordening inzake governance vereist dat de Commissie de algemene indicatieve keten van de EU in de richting van 2022, 2025 en 2027 monitort. De nieuwe wetgeving biedt echter geen oplossing voor de tekortkoming die wij aantroffen met betrekking tot de tijdige verslaglegging over ontoereikende vooruitgang (zie de paragrafen 28 en 29). Dit ondermijnt de doeltreffendheid van de monitoring nog verder. Als gevolg hiervan kan de Commissie misschien niet tijdig reageren om de vooruitgang te waarborgen indien sommige lidstaten hun streefdoelen niet behalen.
79RED II en de verordening inzake governance werden tweeënhalf jaar voor het vervallen van RED I, op 1 juli 2021, vastgesteld door het Europees Parlement en de Raad. De lidstaten hebben tot 30 juni 2021 de tijd om alle nieuwe elementen van RED II om te zetten in nationaal recht. We constateerden dat alle vier de onderzochte lidstaten de voorgaande richtlijn vertraagd hadden omgezet in nationaal recht. Met name Polen had meer dan vier jaar nodig.
Conclusies en aanbevelingen
80Over het algemeen stelden we vast dat de helft van de EU-lidstaten het risico loopt onvoldoende elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen op te wekken om hun streefdoel voor 2020 te bereiken. We stelden bovendien vast dat met de oorspronkelijke steunregelingen te veel subsidie werd verstrekt voor de uitrol van windenergie en PV, maar dat het verlagen van de steun ertoe leidde dat van potentiële investeringen werd afgezien. Het is van cruciaal belang veilingen aan te moedigen en de participatie van burgers te benutten om investeringen aan te trekken en de omstandigheden voor de uitrol te verbeteren, door bijvoorbeeld restrictieve regels inzake ruimtelijke ordening, lange administratieve procedures en tekortkomingen van het net weg te nemen.
81Tussen 2005 en 2017 nam het aandeel hernieuwbare energiebronnen in het bruto-eindverbruik van energie aanzienlijk toe, van 9,1 % tot 17,5 %, waarbij de helft van de lidstaten hun streefdoel voor 2020 al heeft behaald of bijna heeft behaald. Voor de andere helft blijft het bereiken van het nationale streefdoel echter een aanzienlijke uitdaging. Bijgevolg bestaat er bezorgdheid over de vraag of de resultaten van de lidstaten die goed presteren op het vlak van hernieuwbare energie voldoende zullen zijn om de resultaten van de slecht presterende lidstaten te compenseren en om het algemene EU-streefdoel van 20 % te halen (zie de paragrafen 22-24).
82De belangrijkste bijdrage tot de toename van het aandeel hernieuwbare energie in het bruto-eindverbruik van energie werd geleverd door de elektriciteitssector, dat tussen 2005 en 2017 verdubbelde van ongeveer 15 % tot bijna 31 %. De technologieën die het belangrijkst waren voor de groei in de elektriciteitssector waren windenergie en PV (zie de paragrafen 25 en 26).
Aanbeveling 1 — Leg nadruk op het opvullen van kloven om de streefdoelen voor 2020 te behalenDe Commissie moet onderzoeken welke lidstaten het risico lopen om hun streefdoelen voor 2020 niet te halen en hen adviseren om doeltreffende maatregelen te nemen om het tekort aan capaciteit voor hernieuwbare energie op te vullen. Bij deze maatregelen moeten ook de planning van veilingen, de vereenvoudiging van administratieve procedures en investeringen in netinfrastructuren en interconnectoren in aanmerking worden genomen.
Tijdpad: uiterlijk eind 2019.
83RED I heeft een belangrijke rol gespeeld bij de ontwikkeling van hernieuwbare energie door de vaststelling van bindende streefdoelen op EU- en lidstaatniveau die uiterlijk in 2020 moeten worden behaald. Het wettelijke kader voorziet echter niet in tijdige verslaglegging over de vooruitgang van hernieuwbare energie of in een mandaat voor de Commissie om trage vooruitgang aan te pakken wanneer niet wordt voldaan aan de indicatieve ketens (zie de paragrafen 27-30).
Aanbeveling 2 — Verbeter de tijdigheid van statistische gegevens over hernieuwbare energiebronnenDe Commissie moet een wijziging van de relevante onderdelen van de verordening betreffende energiestatistieken voorbereiden, zodat de lidstaten jaarlijkse energiestatistieken, met inbegrip van statistieken over hernieuwbare energiebronnen, aan Eurostat verstrekken binnen negen maanden na het eind van het jaar.
Tijdpad: medio 2021.
84Nationale steunregelingen hebben de investeringen in hernieuwbare energie bevorderd, maar door de terughoudendheid van de lidstaten om samen te werken op energiegebied blijft er versnippering bestaan op de energiemarkt (zie de paragrafen 31-36).
85De kosten van technologie daalden zo snel en de belangstelling in investeringen in de nieuwe “groene economie” nam zo snel toe dat deze leidden tot oversubsidiëring van projecten, waarvoor werd betaald door middel van hogere elektriciteitsprijzen en/of overheidstekorten. Om de lasten voor verbruikers en de druk op de nationale begrotingen te verlichten, voerden de lidstaten corrigerende maatregelen in, die het vertrouwen van investeerders temperden en bijdroegen tot een marktvertraging in de twee sectoren. We stelden vast dat door de EU geleide maatregelen, zoals veilingen en de participatie van burgers in projecten voor hernieuwbare energie, door prosumenten en energiegemeenschappen te stimuleren, kunnen bijdragen tot een toename van de nieuwe capaciteit voor windenergie en PV en een deel van de investeringen kunnen dekken die nodig zijn om het streefdoel voor 2030 te behalen (zie de paragrafen 37-56).
Aanbeveling 3 — Zorg dat voldoende veilingen worden gepland om de hernieuwbare capaciteit voor elektriciteit te vergrotenDe Commissie moet:
- vaststellen welke lidstaten geen plannen hebben voor veilingen voor hernieuwbare energie die zorgen voor de aanvullende capaciteit die nodig is voor het behalen van de streefdoelen voor 2020 en hen aanmoedigen een plan op te stellen, en
- de resultaten van door deze lidstaten georganiseerde veilingen monitoren en hierover regelmatig verslag uitbrengen.
Tijdpad: uiterlijk eind 2019.
86Restrictieve regels inzake ruimtelijke ordening beperken de uitrol van nieuwe installaties en lange administratieve procedures compliceren het zakelijke klimaat voor met name nieuwe windenergieprojecten (zie de paragrafen 57-62).
Aanbeveling 4 — Vereenvoudig de procedures om een gunstiger klimaat te creëren voor de elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare bronnenDe Commissie moet de lidstaten vragen na te denken over de vereenvoudiging van hun huidige administratieve procedures op het gebied van hernieuwbare energie, met het oog op een snellere uitrol en de bevordering van investeringen.
Tijdpad: uiterlijk eind 2019.
87In RED II is het bindende EU-streefdoel voor het aandeel hernieuwbare energie in het bruto-eindverbruik van energie vastgesteld op ten minste 32 % voor 2030. Voor het behalen van dit streefdoel moet het aandeel elektriciteit uit hernieuwbare bronnen in de elektriciteitssector 55 % zijn. In 2017 bedroeg het aandeel elektriciteit uit hernieuwbare bronnen bijna 31 %. De vertragingen bij investeringen in het net, met inbegrip van interconnectie-infrastructuur, belemmeren de uitrol van hernieuwbare energie en de ontwikkeling van synergieën tussen de lidstaten (zie de paragrafen 63-68).
Aanbeveling 5 — Bevorder investeringen in netinfrastructuur en interconnectorenDe Commissie moet:
- onderzoeken voor welke lidstaten het net een beperkende factor is voor de verdere uitrol van hernieuwbare energie;
- lidstaten waar het net de uitrol van hernieuwbare energie mogelijk belemmert, aanbevelen maatregelen te nemen om tekortkomingen van het net aan te pakken, en
- lidstaten aanmoedigen beschikbare steun uit het EFRO en het CF in verband met maatregelen op het gebied van klimaatverandering aan te wenden voor de ontwikkeling en het beheer van het net en interconnectoren.
Tijdpad: medio 2020.
88Gecofinancierde projecten leverden over het algemeen de beoogde outputs en resultaten wat betreft de elektriciteitsopwekking en zullen waarschijnlijk duurzaam zijn. Er was echter sprake van gevallen van oversubsidiëring (zie de paragrafen 69-73).
89Met het oog op de toekomst zullen met RED II en de verordening inzake governance van het pakket “Schone energie” maatregelen worden ingevoerd die kunnen bijdragen tot een beter investeringsklimaat voor elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare bronnen indien deze naar behoren en tijdig worden omgezet (bijv. het verbeteren van het ontwerp en de stabiliteit van de nationale steunregelingen en het verankeren van het beginsel van eigen verbruik). Het ontbreken van nationale streefdoelen, in combinatie met het feit dat de tekortkomingen in verband met de tijdige monitoring door de Commissie niet worden aangepakt, brengt de verwezenlijking van het nieuwe EU-streefdoel in gevaar (zie de paragrafen 74-79).
Aanbeveling 6 — Verbeter de monitoring om het gebrek aan bindende nationale streefdoelen te beperkenDe Commissie moet de lidstaten monitoren en er bij hen op aandringen het pakket “Schone energie”, met inbegrip van RED II, naar behoren en tijdig om te zetten in nationale wetgeving en moet regelmatig verslag uitbrengen van de in dit opzicht geboekte vooruitgang.
Tijdpad: uiterlijk eind juni 2021.
Dit verslag werd door kamer II, onder leiding van mevrouw Iliana Ivanova, lid van de Rekenkamer, vastgesteld te Luxemburg op haar vergadering van 30 april 2019.
Voor de Rekenkamer
Klaus-Heiner LEHNE
President
Bijlagen
Bijlage I
Gegevens voor windenergie in de EU‑28
Streefdoel 20201, capaciteit 20172, eindverbruik van energie 20163, financiering uit het EFRO/CF voor de perioden 2007‑2013 en 2014‑20204 en belangrijkste nationale regelingen5
Bron: 1Richtlijn 2009/28/EG van 23.4.2009, bijlage I; 2Irena, “Renewable Capacity Statistics 2018” en ministeries van energie en/of nationale regelgevende instanties (van Duitsland, Griekenland, Spanje en Polen); 3Eurostat, “EU Energy in figures”, Statistical pocketbook 2016, deel 5 (eindverbruik van energie: het totale verbruik van energie door eindverbruikers, zoals huishoudens, de industrie en landbouw, maar exclusief de energie die door de energiesector zelf wordt gebruikt); 4DG REGIO, uittreksel van 9.4.2019 en 5DG ENER, www.res-legal.eu.
Bijlage II
Gegevens voor zonne-energie in de EU‑28
Streefdoel 20201, capaciteit 20172, eindverbruik van energie 20163, financiering van het EFRO/CF voor de perioden 2007‑2013 en 2014‑20204 en belangrijkste nationale regelingen5
Bron: 1Richtlijn 2009/28/EG van 23.4.2009, bijlage I; 2Irena, “Renewable Capacity Statistics 2018” en ministeries van energie en/of nationale regelgevende instanties (van Duitsland, Griekenland, Spanje en Polen); 3Eurostat, “EU Energy in figures”, Statistical pocketbook 2016, deel 5 (eindverbruik van energie: het totale verbruik van energie door eindverbruikers, zoals huishoudens, de industrie en landbouw, maar exclusief de energie die door de energiesector zelf wordt gebruikt); 4DG REGIO, uittreksel van 9.4.2019 (de Commissie vermeldt fotovoltaïsche zonne-energie en thermische zonne-energie onder dezelfde code) en 5DG ENER www.res-legal.eu.
Bijlage III
Lijst van onderzochte projecten
| LS | Projectcode | Operationeel programma | Technologie | Capaciteit | Financieringsbron | EU-bijdrage (EUR) |
|---|---|---|---|---|---|---|
| DE | 801 45 110 | OP Brandenburg EFRO 2007‑2013 | Windenergie | 7,6 MW | EFRO | 1 078 125 |
| DE | 101000680201 | OP Sachsen EFRO 2007‑2013 | PV | 0,1 MW | EFRO | 47 896 |
| DE | 101000670521 | OP Sachsen EFRO 2007‑2013 | PV | 0,1 MW | EFRO | 48 219 |
| DE | 101000481261 | OP Sachsen EFRO 2007‑2013 | PV | 0,1 MW | EFRO | 39 999 |
| DE | EFRE 0800572 | OP Nordrhein-Westfalen EFRO 2014‑2020 | Windenergie (onderzoek) | N.v.t. | EFRO | 210 526 |
| DE | EFRE 0800573 | OP Nordrhein-Westfalen EFRO 2014‑2020 | Windenergie (onderzoek) | N.v.t. | EFRO | 297 273 |
| EL | 350483‑1433 | OP Concurrentievermogen, ondernemerschap en innovatie 2007‑2013 | Windenergie | 38 MW | EFRO | 16 504 920 |
| EL | 350546-592 | OP Concurrentievermogen, ondernemerschap en innovatie 2007‑2013 | Windenergie | 23 MW | EFRO | 10 851 660 |
| EL | 395905‑1606 | OP Infrastructuur voor vervoer, milieu en duurzame ontwikkeling 2007‑2013 | Windenergie | 20 MW | CF | 8 515 677 |
| EL | 296664-960 | OP Infrastructuur voor vervoer, milieu en duurzame ontwikkeling 2007‑2013 | PV | 4 MW | CF | 7 079 400 |
| EL | 395910‑2144 | OP Infrastructuur voor vervoer, milieu en duurzame ontwikkeling 2007‑2013 | PV | 5 MW | CF | 4 999 372 |
| EL | 448142‑3835 | OP Concurrentievermogen, ondernemerschap en innovatie 2007‑2013 | PV | 2 MW | EFRO | 1 610 446 |
| ES | F0704391AVE0000000000520 | OP Comunidad Valenciana 2007‑2013 | Windenergie | 0,02 MW | EFRO | 12 920 |
| ES | F07043901AVE00000000003580 | OP Comunidad Valenciana 2007‑2013 | Windenergie en PV | 0,06 MW + 0,05 MW | EFRO | 36 296 |
| ES | F07044001AVE00000000001019 | OP Comunidad Valenciana 2007‑2013 | PV | 0,1 MW | EFRO | 63 611 |
| ES | AM30044012005 | OP Andalucía 2007‑2013 | Windenergie en PV | 0,06 MW + 0,03 MW | EFRO | 18 430 |
| ES | AM300440120008 | OP Andalucía 2007‑2013 | Windenergie en PV | 0,02 MW + 0,01 MW | EFRO | 1 945 |
| ES | 243014 | OP Andalucía 2007‑2013 | PV | 0,01 MW | EFRO | 5 139 |
| PL | RPPK.02.02.00-18-164/12 | ROP Podkarpackie 2007‑2013 | PV | 2 MW | EFRO | 1 942 371 |
| PL | RPPK.02.02.00-18-153/12 | ROP Podkarpackie 2007‑2013 | PV | 0,5 MW | EFRO | 1 482 093 |
| PL | POIS.09.04.00-00-108/09 | OP Infrastructuur en milieu 2007‑2013 | Windenergie | 48 MW | CF | 9 763 718 |
| PL | POIS.09.04.00-00-093/09 | OP Infrastructuur en milieu 2007‑2013 | Windenergie | 20 MW | CF | 8 020 263 |
| PL | RPPK.03.04.00-18-0001/17 | ROP Podkarpackie 2014‑2020 | PV | 8,3 MW | EFRO | 8 536 781 |
| PL | RPPK.03.01.00-18-0450/17 | ROP Podkarpackie 2014‑2020 | PV | 0,2 MW | EFRO | 234 259 |
Bron: ERK.
Bijlage IV
Gemiddelde geboekte vooruitgang ten aanzien van het aandeel hernieuwbare energie in het bruto-eindverbruik van energie tot 2017 en gemiddelde benodigde vooruitgang voor het behalen van de streefdoelen voor 2020 voor alle lidstaten en de EU
Bron: ERK, op basis van gegevens van Eurostat.
Bijlage V
Aandeel en capaciteit van hernieuwbare energie in de EU‑28 en de vier onderzochte lidstaten: streefdoelen en eindwaarden, 2010‑2017
Tabel A — Procentueel aandeel hernieuwbare energie in het bruto-eindverbruik van energie in de EU‑28*, 2010‑2017
| 2005 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015 | 2016 | 2017 | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Aandeel hernieuwbare energie EU‑28 | Definitief | 9,1 | 13,1 | 13,4 | 14,7 | 15,4 | 16,2 | 16,7 | 17,0 | 17,5 |
| Geleidelijke stijging | 2,0 | 9,7 | 4,9 | 5,1 | 3,3 | 1,8 | 2,9 | |||
| Elektriciteit EU‑28 | Definitief | 14,8 | 19,7 | 21,7 | 23,5 | 25,4 | 27,4 | 28,8 | 29,6 | 30,8 |
| Geleidelijke stijging | 10,1 | 8,4 | 7,8 | 8,2 | 5,0 | 2,6 | 4,0 | |||
| Verwarming en koeling EU‑28 | Definitief | 11,1 | 15,4 | 16,0 | 17,1 | 17,6 | 18,4 | 18,8 | 19,1 | 19,5 |
| Geleidelijke stijging | 4,0 | 6,6 | 2,9 | 4,8 | 2,2 | 1,3 | 2,3 | |||
| Vervoer EU‑28 | Definitief | 1,8 | 5,2 | 4,0 | 5,3 | 5,7 | 6,1 | 6,6 | 7,2 | 7,6 |
| Geleidelijke stijging | -23,9 | 33,5 | 7,2 | 7,1 | 8,8 | 9,2 | 4,9 |
- Er zijn geen geconsolideerde gegevens beschikbaar op het niveau van de EU‑28 van de NREAP-ketens van de lidstaten en hun indicatieve ketens van RED I voor het aandeel hernieuwbare energie in het bruto-eindverbruik van energie en de drie sectoren die bijdragen aan het aandeel.
Bron: ERK, op basis van gegevens van Eurostat.
Tabel B — Procentueel aandeel hernieuwbare energie in het bruto-eindverbruik van energie in de vier onderzochte lidstaten tussen 2010 en 2017 en ketens tot 2020
| 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015 | 2016 | 2017 | 2018 | 2019 | 2020 | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Duitsland | Nationale keten NREAP | 10,1 | 10,8 | 11,4 | 12,0 | 12,8 | 13,5 | 14,4 | 15,7 | 16,7 | 17,7 | 19,6 |
| Indicatieve keten RED I | - | 8,2 | 8,2 | 9,5 | 9,5 | 11,3 | 11,3 | 13,7 | 13,7 | - | 18,0 | |
| Definitief | 11,7 | 12,5 | 13,6 | 13,8 | 14,4 | 14,9 | 14,9 | 15,5 | - | - | - | |
| Griekenland | Nationale keten NREAP | 8,0 | 8,8 | 9,5 | 9,9 | 10,5 | 11,4 | 12,4 | 13,7 | 14,6 | 16,0 | 18,0 |
| Indicatieve keten RED I | - | 9,1 | 9,1 | 10,2 | 10,2 | 11,9 | 11,9 | 14,1 | 14,1 | - | 18,0 | |
| Definitief | 9,8 | 10,9 | 13,5 | 15,0 | 15,4 | 15,4 | 15,1 | 16,3 | - | - | - | |
| Spanje | Nationale keten NREAP | 13,2 | 14,4 | 15,1 | 15,6 | 16,1 | 16,7 | 17,3 | 18,1 | 18,9 | 19,7 | 20,8 |
| Indicatieve keten RED I | - | 11,0 | 11,0 | 12,1 | 12,1 | 13,8 | 13,8 | 16,1 | 16,1 | - | 20,0 | |
| Definitief | 13,8 | 13,2 | 14,3 | 15,3 | 16,1 | 16,2 | 17,4 | 17,5 | - | - | - | |
| Polen | Nationale keten NREAP | 9,6 | 10,2 | 10,7 | 11,2 | 11,6 | 12,1 | 12,7 | 13,4 | 14,1 | 14,9 | 15,9 |
| Indicatieve keten RED I | - | 8,8 | 8,8 | 9,5 | 9,5 | 10,7 | 10,7 | 12,3 | 12,3 | - | 15,0 | |
| Definitief | 9,3 | 10,3 | 10,9 | 11,4 | 11,5 | 11,7 | 11,3 | 10,9 | - | - | - |
Bron: NREAP's en nationale voortgangsverslagen inzake de bevordering en het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen.
Tabel C — Procentueel aandeel hernieuwbare elektriciteit in het bruto-eindverbruik van elektriciteit in de vier onderzochte lidstaten tussen 2010 en 2017 en ketens tot 2020
| 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015 | 2016 | 2017 | 2018 | 2019 | 2020 | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Duitsland | Nationale keten NREAP | 17,4 | 19,3 | 20,9 | 22,7 | 24,7 | 26,8 | 28,8 | 31,0 | 33,3 | 35,9 | 38,6 |
| Definitief | 18,2 | 20,9 | 23,6 | 25,3 | 28,1 | 30,9 | 32,2 | 34,4 | - | - | - | |
| Griekenland | Nationale keten NREAP | 13,3 | 15,7 | 18,8 | 21,8 | 25,1 | 27,6 | 29,7 | 31,8 | 33,7 | 36,7 | 39,8 |
| Definitief | 12,3 | 13,8 | 16,4 | 21,2 | 21,9 | 22,1 | 22,7 | 24,5 | - | - | - | |
| Spanje | Nationale keten NREAP | 29,2 | 31,0 | 32,0 | 32,7 | 33,5 | 34,1 | 34,4 | 35,5 | 36,4 | 37,4 | 39,0 |
| Definitief | 29,8 | 31,6 | 33,5 | 36,7 | 37,8 | 37,0 | 36,6 | 36,3 | - | - | - | |
| Polen | Nationale keten NREAP | 7,5 | 8,9 | 10,2 | 11,1 | 12,2 | 13,0 | 13,9 | 14,7 | 15,6 | 16,8 | 19,1 |
| Definitief | 6,7 | 8,2 | 10,7 | 10,7 | 12,4 | 13,4 | 13,4 | 13,1 | - | - | - |
Bron: NREAP's en nationale voortgangsverslagen inzake de bevordering en het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen.
Tabel D — Ontwikkeling van de capaciteit voor windenergie in de vier lidstaten tussen 2010 en 2017en streefdoelen tot 2020 (in MW)
| 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015 | 2016 | 2017 | 2018 | 2019 | 2020 | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Duitsland | Streefdoel | 27 676 | 29 606 | 31 357 | 32 973 | 34 802 | 36 647 | 38 470 | 40 154 | 41 909 | 43 751 | 45 750 |
| Definitief | 26 903 | 28 712 | 30 979 | 33 477 | 38 614 | 44 580 | 49 587 | 55 873 | - | - | - | |
| Griekenland | Streefdoel | 1 327 | 1 924 | 2 521 | 3 119 | 3 716 | 4 303 | 4 906 | 5 430 | 6 153 | 6 776 | 7 500 |
| Definitief | 1 298 | 1 640 | 1 753 | 1 809 | 1 978 | 2 091 | 2 370 | 2 624 | - | - | - | |
| Spanje | Streefdoel | 20 744 | 21 855 | 23 555 | 24 988 | 26 438 | 27 869 | 29 330 | 30 810 | 32 369 | 34 049 | 35 750 |
| Definitief | 20 693 | 21 529 | 22 789 | 22 958 | 22 925 | 22 943 | 22 990 | 23 100 | - | - | - | |
| Polen | Streefdoel | 1 100 | 1 550 | 2 010 | 2 520 | 3 030 | 3 540 | 4 060 | 4 580 | 5 100 | 5 620 | 6 650 |
| Definitief | 1 180 | 1 616 | 2 497 | 3 389 | 3 834 | 4 582 | 5 807 | 5 849 | - | - | - |
Bron: NREAP's en gegevens van nationale ministeries van energie en/of regelgevende instanties.
Tabel E — Ontwikkeling van de capaciteit voor PV in de vier lidstaten tussen 2010 en 2017 en streefdoelen tot 2020 (in MW)
| 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 | 2015 | 2016 | 2017 | 2018 | 2019 | 2020 | ||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Duitsland | Streefdoel | 15 784 | 20 284 | 23 783 | 27 282 | 30 781 | 34 279 | 37 777 | 41 274 | 44 768 | 48 262 | 51 753 |
| Definitief | 18 006 | 25 916 | 34 077 | 36 710 | 37 900 | 39 224 | 40 716 | 42 376 | - | - | - | |
| Griekenland | Streefdoel | 184 | 357 | 531 | 778 | 1 024 | 1 300 | 1 566 | 1 782 | 1 998 | 2 234 | 2 450 |
| Definitief | 202 | 612 | 1 536 | 2 579 | 2 596 | 2 604 | 2 604 | 2 606 | - | - | - | |
| Spanje | Streefdoel | 3 787 | 4 265 | 4 669 | 4 894 | 5 143 | 5 416 | 5 716 | 6 047 | 6 410 | 6 810 | 7 250 |
| Definitief | 3 921 | 4 352 | 4 646 | 4 785 | 4 854 | 4 856 | 4 716 | 4 725 | - | - | - | |
| Polen | Streefdoel | 1 | 1 | 2 | 2 | 2 | 2 | 2 | 3 | 3 | 3 | 3 |
| Definitief | 0 | 1 | 1 | 2 | 21 | 71 | 99 | 104 | - | - |
Bron: NREAP's en gegevens van nationale ministeries van energie en/of regelgevende instanties.
Bijlage VI
De belangrijkste steunregelingen van de vier lidstaten, ontwikkeling van capaciteit voor windenergie en PV (1999‑2017) en aangeboden tarieven voor producenten van hernieuwbare energie in dezelfde periode
Duitsland
Bron: ERK, op basis van gegevens van het Duitse federaal Ministerie van Economische Zaken en Energie (BMWi).
Griekenland
Bron: ERK, op basis van gegevens van het Ministerie van Milieu en Energie (YPEKA).
Spanje
Bron: ERK, op basis van gegevens van het Spaanse Ministerie van Ecologische Transitie.
Polen
Bron: ERK, op basis van gegevens van de PMOZE- en PMOZE A-indexen van de Poolse Energiebeurs.
Acroniemen en afkortingen
Bbp: Bruto binnenlands product
BKG: Broeikasgas
CF: Cohesiefonds
DG COMP: Directoraat-generaal Concurrentie van de Europese Commissie
DG ENER: Directoraat-generaal Energie van de Europese Commissie
EEA: Europees Milieuagentschap (European Environment Agency)
EFRO: Europees Fonds voor regionale ontwikkeling
ESTAT: Directoraat-generaal Statistiek van de Europese Commissie (Eurostat)
ETS: Europese territoriale samenwerking
FIP: Feed-in-premie
FIT: Feed-in-tarief
Irena: Internationaal Agentschap voor hernieuwbare energie (International Renewable Energy Agency)
LCOE: “Levelised cost” van elektriciteit (Levelised cost of electricity)
MW: Megawatt
MWh: Megawattuur
NECP: Nationaal energie- en klimaatplan (2021‑2030) (National energy and climate plan)
NREAP: Nationaal actieplan voor energie uit hernieuwbare bronnen (2010‑2020) (National renewable energy action plan)
OP: Operationeel programma
PV: Fotovoltaïek (Photovoltaics)
RED: Richtlijn hernieuwbare energie (Renewable Energy Directive)
TSB: Transmissiesysteembeheerder
VWEU: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie
Antwoorden van de Commissie
Samenvatting
VIEerste streepje: De Commissie aanvaardt de aanbeveling.
Dit is een duidelijke en voortdurende prioriteit bij de communicatie van de Commissie met de EU-lidstaten op alle niveaus.
Tweede streepje: De Commissie aanvaardt de aanbeveling.
Derde streepje: De Commissie aanvaardt de aanbeveling om de lidstaten te stimuleren op dezelfde voet door te gaan en de gemaakte voortgang te monitoren. De organisatie van de veilingen valt echter onder de bevoegdheid van de lidstaten.
Vierde streepje: De Commissie aanvaardt de aanbeveling.
De Commissie is het met de Rekenkamer eens dat een vereenvoudiging van de administratieve procedures in het kader van de nationale wetgeving de omstandigheden voor de elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare bronnen zou verbeteren. Deze vereenvoudigingsinspanning vormt de kern van de herschikte richtlijn die op 11 december 2018 is vastgesteld.
Vijfde streepje: De Commissie aanvaardt de aanbeveling ten dele, aangezien zij van mening is dat de ontwikkeling van het net onder de bevoegdheid van de lidstaten valt. De EU verleent reeds steun voor investeringen in netinfrastructuur en interconnectoren.
Zesde streepje: De Commissie aanvaardt de aanbeveling en zal deze in overeenstemming met de verordening inzake de governance van de energie-unie uitvoeren.
Inleiding
15De Commissie heeft herhaaldelijk benadrukt dat het grootste deel van de investering in hernieuwbare energie uit de particuliere sector moet komen. Overheidsfinanciering, met inbegrip van EU-financiering, mag niet in de plaats komen van particuliere investeringen, maar moet, wanneer dit relevant is, deze aanvullen en moet fungeren als hefboom daarvoor, in overeenstemming met de staatssteunregels.
Andere EU-instrumenten ter aanvulling van particuliere investeringen zijn onder meer InvestEU, Horizon Europa, het LIFE-programma en de Connecting Europe Facility.
In het kader van het nieuwe InvestEU, de opvolger van het plan-Juncker (EFSI), wordt 11,5 miljard EUR uitgetrokken voor duurzame infrastructuur om via verschillende financiële instrumenten particuliere duurzame investeringen te stimuleren.
In het kader van Horizon Europa heeft de Commissie voorgesteld om 15 miljard EUR uit te trekken voor energie, klimaat en mobiliteit, met het oog op de ontwikkeling van de volgende generatie technologieën die de energietransitie vergemakkelijken en het concurrentievermogen van Europa versterken.
Het LIFE-milieuprogramma heeft een versterkt budget en omvat een nieuwe lijn met 1 miljard EUR die specifiek is gericht op het faciliteren van kleinschalige hernieuwbare energie, zoals projecten op het gebied van zonne-energie en energie-efficiëntie.
Tot slot heeft de Commissie in de Connecting Europe Facility, het belangrijkste begrotingsinstrument voor de financiering van de verbindingsinfrastructuur tussen de lidstaten, zoals interconnectoren, een nieuw element opgenomen dat specifiek bedoeld is om de samenwerking tussen lidstaten in alle sectoren van hernieuwbare energie te bevorderen.
Opmerkingen
23Derde streepje: De betrokken lidstaten beschikken nog over verschillende mogelijkheden om de doelstelling voor 2020 te halen, onder meer door samenwerkingsmechanismen zoals statistische overdrachten te gebruiken.
De Commissie houdt nauwlettend toezicht op de vooruitgang van alle lidstaten en biedt ondersteuning. Samen met de door EU-lidstaten gestarte taakgroep voor energie-efficiëntie worden op alle niveaus inspanningen verricht om de doelstellingen voor 2020 te halen. Zo nodig zal verdere actie worden ondernomen om de verplichtingen van de lidstaten af te dwingen.
27De Commissie merkt op dat de nationale ketens en streefdoelen een nuttig langetermijnperspectief hebben geboden voor de investeringsplanning en voor de Commissie een referentiepunt zijn voor verslaglegging en monitoring.
Gezamenlijk antwoord van de Commissie op de paragrafen 28 en 29:
De Commissie heeft in april 2019 tijdens het overleg tussen de diensten een voorstel tot wijziging van de verordening betreffende energiestatistieken ingediend in het kader van de regelgevingsprocedure met toetsing. Deze wijziging heeft geen betrekking op de termijn voor de indiening van gegevens over de jaarlijkse energiestatistieken. Zij zal echter de publicatie van maandelijkse gegevens over elektriciteit en steenkool (met inbegrip van wind- en zonne-energie) met één maand versnellen (twee maanden in plaats van drie).
De Commissie heeft in 2016 met de lidstaten een project opgezet om de publicatie van ramingen van jaarlijkse energiestatistieken, -balansen en -indicatoren over het aandeel hernieuwbare energie te versnellen.
30De Commissie voert een permanente dialoog met de Nederlandse autoriteiten over deze kwestie. In de energieovereenkomst van 2013 is duidelijk de politieke wil uitgesproken om inspanningen te mobiliseren voor een streefdoel van 14 % hernieuwbare energie in Nederland in 2020 (en 16 % in 2023).
36De Commissie moedigt de lidstaten aan de mogelijkheid te overwegen om statistische overdrachten te gebruiken (de mogelijkheid om het overschot aan productie uit een andere lidstaat als eigen productie in aanmerking te nemen), zoals bepaald in de richtlijn hernieuwbare energie (RED I), hetzij als een manier om te zorgen voor verwezenlijking van het streefdoel wanneer er sprake is van een tekort, hetzij om hun potentiële overschotten aan andere lidstaten te verkopen. De Commissie is bereid om de lidstaten in dit verband actief te ondersteunen en de nodige samenwerking te faciliteren.
58De Commissie erkent ook dat administratieve procedures de ontwikkeling van hernieuwbare-energieprojecten kunnen beperken. RED II heeft tot doel dit probleem aan te pakken en daarbij rekening te houden met het feit dat de lidstaten op het gebied van ruimtelijke ordening een milieueffectbeoordeling en een strategische milieueffectbeoordeling moeten uitvoeren.
De Commissie heeft richtsnoeren inzake windenergieprojecten en Natura 2000 goedgekeurd66; zij beoogt daarmee de lidstaten de ondersteunen bij de procedures die zij volgen bij het toestaan van windenergieprojecten binnen of buiten Natura 2000-gebieden. De actualisering van deze richtsnoeren zal naar verwachting eind 2019 plaatsvinden.
63De integratie van de toenemende capaciteit van hernieuwbare energiebronnen in het net blijft voor de meeste lidstaten een uitdaging. De belemmeringen vloeien voornamelijk voort uit de hoge kosten voor aansluiting op het net en het gebrek aan voorspelbaarheid en transparantie van de netaansluitingsprocedures. De Commissie volgt nauwgezet de ontwikkelingen op basis van de nationale energie- en klimaatplannen van de lidstaten en ziet toe op de naleving van het streefdoel van 15 % interconnectie door de lidstaten.
72De Commissie erkent dat het belangrijk is de overheidssteun te beperken tot het minimum dat nodig is in het geval van een resterend financieringstekort voor inkomstengenererende projecten. De Commissie is niet betrokken bij de selectie van projecten in het kader van het cohesiebeleid, behalve bij de goedkeuring van grote projecten. De beheersautoriteiten in de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor de selectie van projecten moeten ervoor zorgen dat de overheidsfinanciering in overeenstemming met de staatssteunregels de particuliere investeringen niet vervangt, maar aanvult en stimuleert wanneer dat nodig is. De Commissie wijst er echter op dat de marktvoorwaarden voor wind- en PV-zonne-energieprojecten in de betrokken periode snel veranderden. Om aan de bindende streefdoelen voor hernieuwbare energie te voldoen, moesten de lidstaten investeringen in hernieuwbare-energieprojecten aanmoedigen, aangezien die wellicht zonder publieke investeringssteun onvoldoende particulier kapitaal zouden aantrekken, gezien het risicoprofiel van dergelijke investeringen in het verleden, toen de betrokken technologieën zich nog in de beginfase bevonden.
77De Commissie is van mening dat het nieuwe programmerings- en monitoringmechanisme uit hoofde van de verordening inzake governance zal bijdragen tot de betrokkenheid van de lidstaten bij de vaststelling van de respectieve verdeling van de inspanningen die nodig zijn om het streefdoel van ten minste 32 % hernieuwbare energie in 2030 te halen. De verordening inzake governance omvat instrumenten om het risico te beperken dat lidstaten ofwel zeer goed presteren ofwel slecht presteren op het gebied van hernieuwbare energie (bv. aanbevelingen en voorstellen voor EU-brede maatregelen). Dit is belangrijk om het risico te beperken dat op EU-niveau een kloof ontstaat bij de beoordeling van de afzonderlijke bijdragen van de lidstaten.
78Het in de verordening inzake governance vastgelegde iteratieve proces zorgt ervoor dat de situatie in de lidstaten nauwlettend in het oog wordt gehouden. Zodra de informatie van de lidstaten is geanalyseerd, zal de Commissie zo nodig snel reageren.
79De Commissie is van mening dat de omzettingsperiode lang genoeg is om een tijdige omzetting door alle lidstaten mogelijk te maken.
Conclusies en aanbevelingen
80Volgens de gegevens van 2017 is er inderdaad een groep lidstaten die meer inspanningen moeten leveren om hun streefdoelen voor 2020 te halen, niet alleen in de elektriciteitssector, maar ook in de sectoren verwarming en koeling, en vervoer.
81Met een aandeel hernieuwbare energie in het eindenergiegebruik van 17,5 % (gegevens van 2017), ligt de EU over het algemeen op schema om het streefdoel van 20 % voor 2020 te halen.
De Commissie houdt toezicht op de vooruitgang die met de ontwikkeling van hernieuwbare energie is geboekt en staat in nauw contact met de lidstaten. Er worden op dit gebied nog steeds inspanningen geleverd.
Aanbeveling 1 — Leg nadruk op het opvullen van kloven om de streefdoelen voor 2020 te behalenDe Commissie aanvaardt de aanbeveling en zal haar inspanningen op dit gebied opvoeren om de lidstaten in dit verband actief te ondersteunen en de nodige samenwerking te faciliteren.
In het kader van het vierde voortgangsverslag hernieuwbare energie van 9 april 2019 spoort de Europese Commissie de lidstaten aan hun inspanningen te blijven intensiveren om tegelijkertijd in alle drie de sectoren hernieuwbare energie uit te rollen en het energieverbruik te verminderen.
De Europese Commissie adviseert de lidstaten de mogelijkheid te overwegen om statistische overdrachten te gebruiken, zoals voorzien in RED I, hetzij als een manier om te zorgen voor verwezenlijking van het streefdoel wanneer er een tekort is, hetzij om hun potentiële overschotten aan andere lidstaten te verkopen.
83RED I biedt een duidelijk tijdschema voor de tweejaarlijkse monitoring van de vorderingen van elke lidstaat, die noodzakelijkerwijs gekoppeld is aan het doorlopende gebruik van jaarlijkse statistieken.
Wat de energiestatistieken betreft verwijst de Commissie naar haar gezamenlijk antwoord op de paragrafen 28 en 29.
Aanbeveling 2 — Verbeter de tijdigheid van statistische gegevens over hernieuwbare energiebronnenDe Commissie aanvaardt de aanbeveling.
De Commissie zal met de lidstaten samenwerken om de termijn voor de jaarlijkse energiestatistieken met twee maanden in te korten.
De Commissie heeft in april 2019 tijdens het overleg tussen de diensten een voorstel tot wijziging van de verordening betreffende energiestatistieken ingediend in het kader van de regelgevingsprocedure met toetsing. Deze wijziging heeft geen betrekking op de termijn voor de indiening van gegevens over de jaarlijkse energiestatistieken. Zij zal echter de publicatie van maandelijkse gegevens over elektriciteit en steenkool (met inbegrip van wind- en zonne-energie) met één maand versnellen (twee maanden in plaats van drie).
De Commissie heeft in 2016 met de lidstaten een project opgezet om de publicatie van ramingen van jaarlijkse energiestatistieken, -balansen en -indicatoren over het aandeel hernieuwbare energie te versnellen.
85De herschikking van RED I (Richtlijn (EU) 2018/2001) bevat verschillende initiatieven om het gebruik van veilingen alsook deelname van burgers en energiegemeenschappen te vergroten en om een regelgevingskader voor consumenten op te zetten.
Aanbeveling 3 — Zorg dat voldoende veilingen worden gepland om de hernieuwbare capaciteit voor elektriciteit te vergrotena) De Commissie aanvaardt de aanbeveling.
b) De Commissie aanvaardt de aanbeveling.
De voortgang die de lidstaten maken met betrekking tot veilingen wordt tot het einde van de lopende periode gemonitord en met die lidstaten besproken tijdens de follow-up van hun voortgangsverslagen.
Aanbeveling 4 — Vereenvoudig de procedures om een gunstiger klimaat te creëren voor de elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare bronnenDe Commissie aanvaardt de aanbeveling.
In RED II komt deze kwestie aan de orde en worden ook verdere verplichtingen voorgesteld om de vergunningverleningsprocedures en eenvoudige kennisgevingsprocedures voor de aansluiting op het net te versnellen. De Commissie zal in dit verband toezien op de omzetting van de richtlijn en stappen ondernemen om ervoor te zorgen dat de richtlijn wordt nageleefd.
87De Commissie is het ermee eens dat investeringen in het net van het grootste belang zijn voor de uitrol van hernieuwbare energiebronnen.
Aanbeveling 5 — Bevorder investeringen in netinfrastructuur en interconnectorena) De Commissie aanvaardt deze aanbeveling ten dele.
De aanpak van problemen in verband met de ontwikkeling van het net valt onder de bevoegdheid van de lidstaten. De Commissie zal dit punt aanpakken in de bredere context van de governance van de energie-unie, in verband met de nationale energie- en klimaatplannen in het kader van de verordening inzake governance, waarbij ook de ontwikkelingen op het gebied van infrastructuur zullen worden geanalyseerd.
b) De Commissie aanvaardt deze aanbeveling ten dele.
De aanpak van problemen in verband met de ontwikkeling van het net valt onder de bevoegdheid van de lidstaten. De Commissie zal dit punt onderzoeken in de bredere context van de governance van de energie-unie, in verband met de nationale energie- en klimaatplannen in het kader van de governanceverordening, waarbij ook de ontwikkelingen op het gebied van infrastructuur zullen worden geanalyseerd.
c) De Commissie aanvaardt de aanbeveling met betrekking tot de door het EFRO en het Cohesiefonds gecofinancierde operationele programma's voor de periode 2014-2020 en zal de uitvoering blijven ondersteunen, met inbegrip van toewijzingen voor slimme netten en interconnectoren.
88De Commissie erkent dat het belangrijk is de overheidssteun te beperken tot het minimum dat nodig is in het geval van een resterend financieringstekort voor inkomstengenererende projecten. De beheersautoriteiten in de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor de selectie van projecten moeten ervoor zorgen dat de overheidsfinanciering in overeenstemming met de staatssteunregels de particuliere investeringen niet vervangt, maar aanvult en stimuleert, wanneer dat relevant is. De Commissie wijst er echter op dat de marktvoorwaarden voor wind- en PV-zonne-energieprojecten in de betrokken periode snel veranderden. Om aan de bindende streefdoelen voor hernieuwbare energie te voldoen, moesten de lidstaten investeringen in hernieuwbare-energieprojecten aanmoedigen, aangezien die wellicht zonder publieke investeringssteun onvoldoende particulier kapitaal zouden aantrekken, gezien het risicoprofiel van dergelijke investeringen in het verleden, toen de betrokken technologieën zich nog in de beginfase bevonden.
89De Commissie is van mening dat het nieuwe programmerings- en monitoringmechanisme uit hoofde van de verordening inzake governance de actieve deelname van de lidstaten zal bevorderen bij de vaststelling van de respectieve verdeling van de inspanningen die nodig zijn om het streefdoel van ten minste 32 % hernieuwbare energie in 2030 te halen. De verordening inzake governance omvat instrumenten om het risico te beperken dat lidstaten ofwel zeer goed presteren ofwel slecht presteren op het gebied van hernieuwbare energie (bv. aanbevelingen en EU-brede maatregelen). Dit is belangrijk om het risico te beperken dat op EU-niveau een kloof ontstaat bij de beoordeling van de afzonderlijke bijdragen van de lidstaten.
Aanbeveling 6 — Verbeter de monitoring om het gebrek aan bindende nationale streefdoelen te beperkenDe Commissie aanvaardt de aanbeveling.
De Commissie zal nauwlettend toezicht houden op de uitvoering van de verordening inzake governance en op het omzettingsproces van RED II (wordt afgerond op 30 juni 2021).
De Commissie zal verslag uitbrengen over de vorderingen bij de uitvoering van het pakket "schone energie", zoals bepaald in de verordening inzake governance.
Voetnoten
1 GWh: een eenheid voor het meten van de output van grote elektriciteitscentrales. Een kWh komt overeen met een constant vermogen van één kilowatt gedurende één uur.
2 Eurostat, “EU reference scenario 2016, energy, transport and GHG emissions, trends to 2050”, juli 2016, blz. 53.
3 Fotovoltaïsche zonne-energie betreft de omzetting van zonlicht in elektriciteit met gebruik van PV-panelen.
4 Hoewel fotovoltaïsche en thermische zonne-energie voor elektriciteit normaal gesproken worden ingedeeld in dezelfde categorie, is fotovoltaïsche zonne-energie (PV) goed voor 98 % van de capaciteit in de gehele EU. Internationaal Agentschap voor hernieuwbare energie (Irena), “Renewable capacity statistics 2018”, januari 2018, blz. 21-27.
5 Europees Milieuagentschap, “EEA greenhouse gas — data viewer”, 2017, https://www.eea.europa.eu/data-and-maps/data/data-viewers/greenhouse-gases-viewer.
6 COM(2014) 15 final, “Een beleidskader voor klimaat en energie in de periode 2020‑2030”.
7 COM(2011) 112 definitief, “Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050”.
8 Amerikaanse Energy Information Administration, “Levelized Cost and Levelized Avoided Cost of New Generation Resources in the Annual Energy Outlook 2018”, maart 2018.
9 Irena, “Renewable power generation costs in 2017”, januari 2018, blz. 5. Irena is een intergouvernementele organisatie die landen ondersteunt bij hun overgang naar een duurzame toekomst op energiegebied. De organisatie wordt ondersteunt door de Verenigde Naties en heeft 160 volwaardige leden (waaronder 27 van de EU-lidstaten en de EU zelf) en 23 kandidaat-leden (waaronder Oostenrijk).
10 Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16).
11 De “forfaitaire bijdrage” verwijst naar een vast aantal procentpunten van toename van hernieuwbare energie dat aan elke lidstaat wordt toegekend op basis van een reeks objectieve criteria (bbp per hoofd is de belangrijkste). In het algemeen zorgt deze factor ervoor dat streefdoelen voor hernieuwbare energie de economische draagkracht van de lidstaten weerspiegelen in plaats van het potentieel voor het aandeel van hernieuwbare energie, of de kosten van de toename hiervan.
12 De indicatieve keten werd in de laatste jaren ambitieuzer gemaakt vanwege de verwachte voordelen van de technologische vooruitgang en de verwachte schaalvoordelen. De lidstaten moesten hun eigen lineairdere nationale keten bepalen.
13 COM(2016) 860 final, “Schone energie voor alle Europeanen”. In de mededeling werden vier verordeningen voorgesteld: inzake de governance van de energie-unie (die op 24.12.2018 in werking trad), betreffende de interne markt voor elektriciteit (die volgens de planning in mei 2019 in werking zal treden), betreffende risicoparaatheid in de elektriciteitssector (die volgens de planning in mei 2019 in werking zal treden) en tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (die volgens de planning in mei 2019 in werking zal treden). Er werden daarnaast vier richtlijnen voorgesteld: betreffende de energieprestatie van gebouwen (die op 9.7.2018 in werking trad), betreffende hernieuwbare energie (RED II) en energie-efficiëntie (die beide op 24.12.2018 in werking traden) en inzake gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (die volgens de planning in mei 2019 in werking zal treden).
14 De Commissie stelde in eerste instantie een EU-streefdoel van 27 % voor 2030 voor, maar het Europees Parlement en de Raad verhoogden dit aandeel tot 32 %.
15 “Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2014‑2020”, 2014/C 200/01.
16 FIT's kunnen desalniettemin nog steeds worden gebruikt voor nieuwe kleinschalige installaties tot 500 kW en windkrachtinstallaties tot 3 MW (of drie turbines) en voor contracten die vóór 2016 werden ondertekend.
17 De lidstaten kunnen aanbestedingsprocedures beperken tot specifieke technologieën wanneer de toegang tot steunregelingen voor alle producenten van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen zou leiden tot een suboptimale uitkomst.
18 COM(2018) 372 final, “Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds”, toelichting, paragraaf 4, en overweging 14, respectievelijk blz. 7 en 12.
19 Snelle evaluatie “Toewijzing van middelen van het cohesiebeleid aan de lidstaten voor 2021‑2027”, figuur 1 en tabel 9. ERK, maart 2019.
20 SWD(2016) 418 final, “Impact assessment accompanying the document Proposal for a Directive of the European Parliament and of the Council on the promotion of the use of energy from renewable sources (recast)”, COM(2016) 767 final, deel 2, blz. 190.
21 De directoraten-generaal Energie (DG ENER), Regionaal Beleid en Stadsontwikkeling (DG REGIO), Concurrentie (DG COMP), Klimaat (DG CLIMA) en Milieu (DG ENV).
22 2005 is het eerste jaar waarvoor gegevens over het aandeel hernieuwbare energie in het bruto-eindverbruik van energie beschikbaar zijn.
23 De lidstaten konden een ambitieuzer algemeen nationaal streefdoel en een ambitieuzer sectoraal streefdoel voor vervoer vaststellen dan gedefinieerd in RED I.
24 https://ec.europa.eu/eurostat/web/energy/data/shares.
25 “Miljoen ton olie-equivalent (Mtoe)”; de hoeveelheid energie die vrijkomt bij de verbranding van een miljoen ton ruwe olie.
26 Verordening (EG) nr. 1099/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende energiestatistieken (PB L 304 van 14.11.2008, blz. 1).
27 Verordening (EG) nr. 1099/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende energiestatistieken (PB L 304 van 14.11.2008, bijlage B, blz. 48).
28 https://ec.europa.eu/commission/publications/4th-state-energy-union_en.
29 Eigenaren van hernieuwbare micro-installaties die elektriciteit produceren en consumeren om te voorzien in een deel van of de volledige eigen behoefte, met de mogelijkheid om extra elektriciteit aan het net te leveren.
30 Groepen die zijn opgericht door eigenaren van hernieuwbare installaties om de door deze installaties geproduceerde energie te verkopen en te beheren.
31 SWD(2016) 417 final, “Regulatory Fitness and Performance evaluation of Directive 2009/28, accompanying the proposal for a Directive on the promotion of the use of energy from renewable sources (recast)”, blz. 5.
32 Speciaal verslag nr. 16/2015: “Verbetering van de energievoorzieningszekerheid door ontwikkeling van de interne energiemarkt: meer inspanningen nodig”.
33 Ecofys, “Design features of support schemes for renewable electricity”, 27.1.2014.
34 Kilowatt-piek (kWp): het piekvermogen van een PV-paneel. PV-panelen produceren in kilowatturen (kWh) wanneer zij worden geëxploiteerd. Zo zullen PV-panelen met een piekvermogen van 300 kWp 300 kWh produceren wanneer zij gedurende één uur op maximumcapaciteit werken.
35 Agora Energiewende, “Die Energiewende im Stromsektor: Stand der Dinge 2017. Rückblick auf die wesentlichen Entwicklungen sowie Ausblick auf 2018”, figuur 7-4, blz. 46.
36 http://appsso.eurostat.ec.europa.eu/nui/show.do?dataset=nrg_pc_204&lang=en.
37 http://appsso.eurostat.ec.europa.eu/nui/show.do?dataset=nrg_pc_205&lang=en.
38 In 2017 waren de certificaten minder waard dan 39 PLN (9 EUR)/MWh, terwijl de elektriciteitsprijs gemiddeld 164 PLN (39 EUR)/MWh bedroeg. Met andere woorden, slechts 19,2 % van de gemiddelde inkomsten van 202 PLN (48 EUR)/MWh van producenten was afkomstig van hun certificaten.
39 Refit-evaluatie van RED I, blz. 6.
40 De geboden gewogen gemiddelde prijzen bij de Griekse veilingen van 2018 waren: voor PV (max. 1 MW) 78,4 EUR/MWh; voor PV (1 tot 20 MW) 63,8 EUR/MWh; en voor windenergie (3 tot 50 MW) 69,5 EUR/MWh.
41 De geboden prijzen bij de Poolse veilingen van 2017 liepen uiteen van 195 PLN (47 EUR)/MWh tot 390 PLN (93 EUR)/MWh voor PV (max. 1 MW); en van 285 PLN (68 EUR)/MWh tot 320 PLN (76 EUR)/MWh voor windenergie (max. 1 MW).
42 Volgens de associatie voor windenergie WindEurope was de gemiddelde capaciteit van een onshorewindturbine in 1985 minder dan 1 MW, tegen 2012 was deze gestegen tot 2,5 MW en in 2018 lag de capaciteit tussen de 2,5 en 3 MW. Vandaag de dag zijn er turbines met een capaciteit van 7,5 MW, zijn turbines met een capaciteit van 15 MW gepland en zullen turbines met een capaciteit van 20 MW in de nabije toekomst theoretisch mogelijk zijn.
43 Magazin für Wind-, Solar- und Bioenergien, “Bürger sind die wahren Treiber der Energiewende”, februari 2018.
44 Bijv. EARSeL 34e symposiumprocedure, “Spatial consequences of adopting selected criteria for wind farm siting”, juni 2014.
45 Elektriciteit uit energiebronnen die niet constant produceren vanwege een externe factor wordt intermitterend genoemd. Zo wekken windturbines geen elektriciteit op wanneer de wind niet waait en PV-installaties produceren niet 's nachts of wanneer de zon schuilgaat achter een dik wolkendek.
46 De integratie van intermitterende hernieuwbare energiebronnen, zoals windenergie en PV, in het net zal ook een aanzienlijke uitbreiding van het gebruik van energieopslagtechnologieën vereisen om vraag en aanbod in evenwicht te kunnen houden. In ons briefingdocument inzake “EU-steun voor energieopslag”, dat we in april 2019 uitbrachten, wijzen wij echter op een aantal uitdagingen voor de ontwikkeling en uitrol van energieopslagtechnologieën in de EU.
47 Interconnectiecapaciteit wordt gedefinieerd als de verhouding tussen de nettotransmissiecapaciteit van een land en zijn geïnstalleerde productiecapaciteit.
48 Lusstromen zijn verschillen tussen de geplande energiestromen (zoals gedefinieerd door markttransacties) en fysieke energiestromen (de daadwerkelijke stromen op het elektriciteitsnet). Thema consulting group, “Loop-flows Final advice”, oktober 2013, blz. 4.
49 Een nationale of regionale openbare of particuliere entiteit die verantwoordelijk is voor het vervoer van energie in de vorm van aardgas of elektrische stroom met gebruik van vaste infrastructuur.
50 COM(2017) 718 final, mededeling over het versterken van de energienetten van Europa.
51 Irena, “Renewable Energy Prospects for the European Union”, februari 2018, blz. 117.
52 In aflopende volgorde van behaalde percentages zijn dit: Ierland, Italië, Roemenië, Portugal, Estland, Letland, Litouwen, het Verenigd Koninkrijk, Spanje, Polen, Cyprus en Malta. COM(2015) 82, Pakket energie-unie, “Bereiken van het streefcijfer van 10 % voor de interconnectie van elektriciteit. Het Europese elektriciteitsnet voorbereiden voor 2020”, blz. 5.
53 Conclusies van de Raad van 23 en 24.10.2014.
54 COM(2014) 330 final, “Europese strategie voor energiezekerheid”.
55 Verslag van de deskundigengroep van de Commissie betreffende streefcijfers voor de interconnectie van elektriciteit, “Towards a sustainable and integrated Europe”, november 2017, bijlage 3.
56 Bij dit ene Poolse project bleek later dat de voorspelde IRV geen werkelijkheid werd (zie tekstvak 6).
57 Een rentepercentage dat, in vergelijking met de kosten van het kapitaal dat ermee gemoeid is, wordt gebruikt om de levensvatbaarheid van een project te bepalen.
58 OESO, “Long-term interest rates”, data.oecd.org/interest/long-term-interest-rates.htm, geraadpleegd op 9.1.2019.
59 Het aantal jaar totdat de opbrengsten van een investering de kosten van de investering dekken.
60 Speciaal verslag nr. 6/2014: “Heeft de steun met middelen voor cohesiebeleid voor opwekking van hernieuwbare energie goede resultaten opgeleverd?”, paragraaf 43.
61 De Tsjechische Republiek, “Finances earmarked for the support of energy production from renewable energy”, Nejvyssi kontrolni urad, 2014; Denemarken, “Report on the amendment of the legislation concerning the support for photovoltaics”, Rigsrevisionen, 2014; Cyprus, “Renewable energy sources”, Ελεγκτική Υπηρεσία της Δημοκρατίας της Κύπρου, 2016; en het Verenigd Koninkrijk, “Early contracts for renewable electricity”, National Audit Office, 2014.
62 Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (herschikking) (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82).
63 Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Richtlijn 94/22/EG, Richtlijn 98/70/EG, Richtlijn 2009/31/EG, Verordening (EG) nr. 663/2009, Verordening (EG) nr. 715/2009, Richtlijn 2009/73/EG, Richtlijn 2009/119/EG van de Raad, Richtlijn 2010/31/EU, Richtlijn 2012/27/EU, Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 16).
64 a) de continuïteit van de energievoorziening; b) de interne energiemarkt; c) energie-efficiëntie; d) decarbonisatie van de economie; en e) onderzoek, innovatie en concurrentievermogen.
65 Refit-evaluatie, blz. 5.
66 http://ec.europa.eu/environment/nature/natura2000/management/docs/Wind_farms.pdf
| Gebeurtenis | Datum |
|---|---|
| Vaststelling controleplan ("APM")/begin van de controle | 8.11.2017 |
| Ontwerpverslag officieel verzonden aan de Commissie (of andere gecontroleerde) | 7.3.2019 |
| Vaststelling van het definitieve verslag na de contradictoire procedure | 30.4.2019 |
| Officiële antwoorden in alle talen ontvangen van de Commissie (of andere gecontroleerde) | 3.6.2019 |
Controleteam
In de speciale verslagen van de ERK worden de resultaten van haar controles van EU-beleid en -programma's of beheersthema's met betrekking tot specifieke begrotingsterreinen uiteengezet. Bij haar selectie en opzet van deze controletaken zorgt de ERK ervoor dat deze een maximale impact hebben door rekening te houden met de risico's voor de doelmatigheid of de naleving, de omvang van de betrokken inkomsten of uitgaven, de verwachte ontwikkelingen en de politieke en publieke belangstelling.
Deze doelmatigheidscontrole werd verricht door controlekamer II “Investeringen ten behoeve van cohesie, groei en inclusie”, die onder leiding staat van ERK-lid Iliana Ivanova. De controle werd geleid door ERK-lid George Pufan, ondersteund door Patrick Weldon, kabinetschef, en Mircea Radulescu, kabinetsattaché; Niels-Erik Brokopp, hoofdmanager; Chrysoula Latopoulou, taakleider; Fernando Pascual Gil, Katarzyna Solarek Lutz Venske, Radka Papouskova, Francisco De Assis Carretero Llorente en Pirmin Getzner, controleurs. Thomas Everett, Elli-Anna Tzortzi en Paulina Pruszko verleenden taalkundige ondersteuning.
Van links naar rechts: Pirmin Getzner, Thomas Everett, Chrysoula Latopoulou, Patrick Weldon, Fernando Pascual Gil, George Pufan, Lutz Venske, Radka Papouskova, Niels-Erik Brokopp, Katarzyna Solarek.
Contact
EUROPESE REKENKAMER
12, rue Alcide De Gasperi
L-1615 Luxemburg
LUXEMBURG
Tel. +352 4398-1
Inlichtingen: eca.europa.eu/nl/Pages/ContactForm.aspx
Website: eca.europa.eu
Twitter: @EUAuditors
Meer gegevens over de Europese Unie vindt u op internet via de Europaserver (http://europa.eu).
Luxemburg: Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2019
| ISBN 978-92-847-1965-5 | ISSN 1977-575X | doi:10.2865/679802 | QJ-AB-19-006-NL-N | |
| HTML | ISBN 978-92-847-1977-8 | ISSN 1977-575X | doi:10.2865/04850 | QJ-AB-19-006-NL-Q |
© Europese Unie, 2019.
Voor iedere vorm van gebruik of reproductie van (beeld)materiaal dat niet onder het auteursrecht van de Europese Unie valt, dient rechtstreeks toestemming aan de auteursrechthebbende te worden gevraagd.
HOE NEEMT U CONTACT OP MET DE EU?
Kom langs
Er zijn honderden Europe Direct-informatiecentra overal in de Europese Unie. U vindt het adres van het dichtstbijzijnde informatiecentrum op: https://europa.eu/european-union/contact_nl
Bel of mail
Europe Direct is een dienst die uw vragen over de Europese Unie beantwoordt. U kunt met deze dienst contact opnemen door:
- te bellen naar het gratis nummer: 00 800 6 7 8 9 10 11 (bepaalde telecomaanbieders kunnen wel kosten in rekening brengen)
- te bellen naar het gewone nummer: +32 22999696, of
- een e mail te sturen via: https://europa.eu/european-union/contact_nl
Waar vindt u informatie over de EU?
Online
Informatie over de Europese Unie in alle officiële talen van de EU is beschikbaar op de Europa-website op: https://europa.eu/european-union/contact_nl
EU-publicaties
U kunt publicaties van de EU downloaden of bestellen bij EU Bookshop op: https://op.europa.eu/nl/publications (sommige zijn gratis, andere niet). Als u meerdere exemplaren van gratis publicaties wenst, neem dan contact op met Europe Direct of uw plaatselijke informatiecentrum (zie https://europa.eu/european-union/contact_nl).
EU-wetgeving en aanverwante documenten
Toegang tot juridische informatie van de EU, waaronder alle EU-wetgeving sinds 1951 in alle officiële talen, krijgt u op EUR-Lex op: http://eur-lex.europa.eu/homepage.html?locale=nl
Open data van de EU
Het opendataportaal van de EU (http://data.europa.eu/euodp) biedt toegang tot datasets uit de EU. Deze gegevens kunnen gratis worden gedownload en hergebruikt, zowel voor commerciële als voor niet-commerciële doeleinden.
