Europa in 12 lessen

Europa in 12 lessen

Europa in 12 lessen Editie augustus 2017

Pascal Fontaine

door Pascal Fontaine

Wat is het nut van de Europese Unie (EU)? Waarom en hoe werd de EU opgericht? Hoe werkt de EU? Welke voordelen heeft zij haar burgers al gebracht en met welke uitdagingen wordt de EU vandaag geconfronteerd?

Kan de EU in een geglobaliseerde wereld succesvol concurreren met andere grote economieën en haar sociale normen in stand houden? Hoe moet worden omgegaan met immigratie? Wat zal de komende jaren de rol van de EU in de wereld zijn? Waar liggen de grenzen van de EU? En hoe ziet de toekomst van de euro eruit?

Dit zijn slechts enkele vragen waarop EU-deskundige Pascal Fontaine in deze populaire brochure Europa in 12 lessen (editie 2017) een antwoord geeft. Pascal Fontaine was assistent van Jean Monnet en hoogleraar aan het Institut d’études politiques in Parijs.

De standpunten in deze publicatie zijn die van de auteur en geven niet noodzakelijkerwijs het officiële standpunt van de Europese Commissie weer.

Inhoud

  1. De Europese Unie: waarom?
  2. Twaalf mijlpalen
  3. Uitbreiding van de EU en betrekkingen met de buurlanden
  4. Hoe werkt de Europese Unie?
  5. Wat doet de Europese Unie?
  6. De interne markt
  7. De euro
  8. Investeringen en groei in de digitale economie
  9. Wat betekent het om EU-burger te zijn?
  10. Een Europa van vrijheid, veiligheid en recht
  11. De rol van de EU in de wereld
  12. Hoe ziet de toekomst van Europa eruit?
  13. Belangrijke data in de geschiedenis van de Europese integratie

Hoofdstuk 1: De Europese Unie: waarom?

Hoofdstuk 1: De Europese Unie: waarom?

HET DOEL VAN DE EU IS OM:

I. VREDE

Voor het een echte politieke doelstelling werd, was een verenigd Europa niet meer dan een droom van filosofen en visionairs. Het idee van een vreedzame „Verenigde Staten van Europa”, zoals bijvoorbeeld Victor Hugo voor ogen had, sloot aan bij een humanistisch ideaal. De droom werd echter ruw verstoord door de gruwelijke oorlogen die Europa in de eerste helft van de twintigste eeuw teisterden.

Uit het puin van de Tweede Wereldoorlog rees echter nieuwe hoop. Mensen die zich tijdens de oorlog tegen het totalitarisme hadden verzet, waren vastbesloten een einde te maken aan de haat en de rivaliteit tussen de Europese landen en duurzame vrede mogelijk te maken. Enkele moedige politici, onder wie Robert Schuman, Konrad Adenauer, Alcide De Gasperi en Winston Churchill, begonnen tussen 1945 en 1950 hun landgenoten te overtuigen dat er een nieuw tijdperk moest aanbreken. Er zouden in West-Europa nieuwe structuren komen, op basis van gemeenschappelijke belangen en op grond van verdragen die recht en gelijkheid tussen alle landen moesten waarborgen.

Geïnspireerd door een idee van Jean Monnet stelde de toenmalige Franse minister van Buitenlandse Zaken, Robert Schuman, op 9 mei 1950 voor een Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal op te richten. In landen die voorheen elkaars vijanden waren geweest, zou de productie van kolen en staal onder een gemeenschappelijke Hoge Autoriteit worden geplaatst. Op een praktische maar ook zeer symbolische wijze werden de grondstoffen voor de oorlog nu omgevormd tot instrumenten van verzoening en vrede.

Momenteel is er vrede in de landen van de Europese Unie en leven mensen in een democratie waarin de rechtsstaat en de grondrechten worden geëerbiedigd. De landen van het voormalige Joegoslavië, die in de jaren negentig nog in oorlog met elkaar waren, zijn inmiddels ofwel lid van de EU, of bereiden zich voor op lidmaatschap.

Niettemin moet vrede nooit als vanzelfsprekend worden gezien. Sinds de recente economische en sociale crisis is er een toename merkbaar van populistische, extremistische en nationalistische overtuigingen die de democratie en het proces van Europese integratie bedreigen. Veel bewegingen zijn gekant tegen de bestaande instellingen, zowel op nationaal als op Europees niveau. Het valt af te wachten of nieuwe economische groei gebaseerd op gemeenschappelijke oplossingen deze spanningen kan wegnemen.

II. EUROPA VERENIGEN

De Europese Unie stond achter de hereniging van Duitsland na de val van de Berlijnse Muur in 1989. Toen de Sovjet-Unie in 1991 uiteenviel, konden de Centraal- en Oost-Europese landen die tientallen jaren door het IJzeren Gordijn van de rest van Europa waren afgesneden, weer hun eigen pad uitstippelen. De meeste wilden bij de familie van democratische Europese naties horen. Acht van deze landen traden in 2004 toe tot de EU, twee andere volgden in 2007, en Kroatië trad in 2013 toe. De mediterrane landen Cyprus en Malta zijn ook sinds 2004 lid.

Het proces van de EU-uitbreiding is nog steeds gaande. Zeven landen bevinden zich in verschillende fasen van voorbereiding op een mogelijk lidmaatschap. Door de moeilijke economische situatie in Europa is het echter onwaarschijnlijk dat in de nabije toekomst nieuwe landen tot de EU zullen toetreden.

Tegelijkertijd heeft het Verenigd Koninkrijk in juni 2016 een referendum gehouden, waarin een meerderheid van de kiezers aangaf de Europese Unie te willen verlaten.

Op 29 maart 2017 heeft het Verenigd Koninkrijk de Europese Raad op de hoogte gesteld van zijn voornemen de Europese Unie te verlaten, overeenkomstig artikel 50 van het Verdrag van de Europese Unie. Op 19 juni 2017 is gestart met de onderhandelingen tussen de EU en het VK op grond van artikel 50.

III. VEILIGHEID

Veiligheid is een belangrijke kwestie waar Europa ook in de 21e eeuw niet omheen kan.

Ten zuiden van de EU is er een toename van religieus fanatisme, wat regelmatig leidt tot terrorisme. Als gevolg van terroristische aanslagen in Europa door de zogeheten Islamitische Staat of „Da’esh” hebben de EU-landen besloten intensiever informatie en inlichtingen uit te wisselen.

Ten oosten voert Rusland onder leiding van Vladimir Poetin een strategie om zijn macht te vergroten. De Russische annexatie van de Krim in 2014 en de oorlogen in het oosten van Oekraïne zijn drama’s die zich aan de grenzen van de Europese Unie afspelen. Met name de EU-landen die ervaring hebben met de onderdrukking in de Sovjet-Unie, verwachten dat de EU zich solidair opstelt ten opzichte van Oekraïne.

Burgers verwachten dat de EU doeltreffende maatregelen neemt om de veiligheid van de lidstaten te waarborgen. Zij moet ook constructief samenwerken met de omringende regio’s: de Balkan, Noord-Afrika, de Kaukasus en het Midden-Oosten. Daarnaast moet de EU echter haar militaire en strategische belangen verdedigen door samen te werken met haar bondgenoten, met name in NAVO-verband, en door een echt Europees gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid te ontwikkelen.

Interne en externe veiligheid zijn twee kanten van dezelfde medaille. Voor de bestrijding van terrorisme en georganiseerde misdaad moeten de politiediensten van alle EU-landen nauw met elkaar samenwerken. De zoektocht naar gezamenlijke Europese oplossingen op het gebied van asiel en migratie staat sinds 2015 hoog op de agenda van de EU, nu Europa te maken krijgt met nog niet eerder vertoonde aantallen mensen die op de vlucht zijn voor oorlog, dictaturen en honger.

Het scheppen van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht binnen de EU, waar iedereen dezelfde rechtsbescherming geniet en gelijke toegang heeft tot de rechter, is een van de nieuwe uitdagingen voor Europa, waarvoor nauwe samenwerking tussen de regeringen nodig is. Instanties als Europol (het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving) en Eurojust (dat de samenwerking bevordert tussen parketten, rechters en politiediensten in de verschillende EU-landen) kunnen daarin ook een actieve rol spelen.

IV. ECONOMISCHE EN SOCIALE SOLIDARITEIT

De Europese Unie is opgericht om politieke doelen te bereiken via economische samenwerking.

De bevolking van de EU-landen groeit minder snel dan het wereldgemiddelde. De EU-landen moeten daarom hun krachten blijven bundelen om hun economische groei veilig te stellen en met andere economische grootmachten te kunnen concurreren. Geen enkel EU-land is in zijn eentje sterk genoeg om politieke beslissingen over de wereldeconomie te beïnvloeden. Om schaalvoordelen te behalen en nieuwe klanten te vinden, moeten Europese bedrijven over de grens van hun eigen land kijken, en de Europese interne markt is daar heel geschikt voor. Om ervoor te zorgen dat zo veel mogelijk mensen profiteren van de Europese markt van ruim 510 miljoen consumenten, probeert de EU obstakels voor de handel uit de weg te ruimen en bedrijven te verlossen van administratieve rompslomp.

Europa-brede vrije concurrentie moet wel gepaard gaan met Europa-brede solidariteit. Dit heeft concrete voordelen voor de Europese burgers: slachtoffers van overstromingen of andere natuurrampen ontvangen bijvoorbeeld hulp uit de Europese begroting. De structuurfondsen, die door de Europese Commissie worden beheerd, bevorderen de initiatieven van de EU-landen en de regio’s om de ongelijke ontwikkeling van verschillende delen van de EU recht te trekken. Ook is er geld beschikbaar uit de EU-begroting en via kredieten van de Europese Investeringsbank om de vervoersinfrastructuur in Europa (zoals uitbreiding van het snelwegen- en hogesnelheidsnet) uit te bouwen, zodat afgelegen regio’s gemakkelijker kunnen worden bereikt en de handel binnen de EU wordt bevorderd.

De wereldwijde financiële crisis van 2008 heeft geleid tot de grootste economische achteruitgang in de geschiedenis van de EU. Regeringen en EU-instellingen moesten snel ingrijpen om banken te redden en de EU heeft financiële steun verleend aan de hardst getroffen landen. De bijstandsprogramma’s voor Cyprus, Ierland, Portugal en Spanje werkten goed en na vaak moeilijke hervormingen konden deze landen — voor het merendeel in 2014 — hun programma’s afsluiten. Griekenland had grotere problemen om de vereiste structurele hervormingen van de openbare sector door te voeren en na moeilijke onderhandelingen over de Griekse overheidsschuld werden in de zomer van 2015 nieuwe overeenkomsten over hervormingen in Griekenland gesloten.

Ondanks de specifieke situatie in Griekenland hielp de gedeelde munteenheid de eurozone tijdens de crisis te beschermen tegen speculatie en devaluatie. De EU en de EU-landen hebben gezamenlijk geprobeerd hun overheidsschulden terug te dringen. De komende jaren zal de grote uitdaging voor Europese landen erin bestaan om uit de recessie te komen, en wel op zo’n manier dat er nieuwe, duurzame banen worden gecreëerd, met name op het gebied van digitale en groene technologieën.

Jean-Claude Juncker, voorzitter van de Europese Commissie.

Economische en sociale solidariteit is een van de fundamentele doelstellingen van de Europese Unie en de Commissie, onder leiding van Jean-Claude Juncker.

V. EUROPESE IDENTITEIT EN DIVERSITEIT IN EEN GEMONDIALISEERDE WERELD

De postindustriële samenleving in Europa wordt steeds complexer. Hoewel de levensstandaard voortdurend is gestegen, bestaat er nog altijd een flinke kloof tussen arm en rijk. Deze kloof kan nog breder worden door factoren zoals economische recessie, vergrijzing, het verplaatsen van fabrieken en problemen met de overheidsfinanciën. Het is belangrijk dat de EU-landen samenwerken om deze uitdagingen aan te pakken.

Maar samenwerking betekent niet het overboord gooien van de taal en cultuur van landen of regio’s. Integendeel, veel EU-activiteiten stimuleren de groei van een economie die gestoeld is op unieke regionale elementen en de rijke verscheidenheid van de Europese tradities en culturen — van regionale gastronomie tot toerisme en kunst. Door het toenemend gebruik van digitale technologieën zal de culturele verscheidenheid een nog sterkere factor worden, omdat het technisch makkelijker wordt om lokale culturele producten te verspreiden.

Een koor van jonge kinderen zingt onder leiding van hun lerares.

In verscheidenheid verenigd: samenwerken voor betere resultaten.

65 jaar Europese integratie heeft bewezen dat de EU meer is dan de som van haar delen: haar optreden heeft veel meer economische, sociale, technologische, commerciële en politieke invloed dan dat van de individuele landen. Wanneer de EU-landen gezamenlijk kunnen optreden en met één stem kunnen spreken, betekent dat beslist een meerwaarde.

Andere wereldmachten zoals China en de Verenigde Staten streven ernaar de regels van de wereldeconomie te beïnvloeden. Daarom is het nu belangrijker dan ooit dat de EU-landen de handen ineenslaan en een kritieke massa vormen om een rol te kunnen blijven spelen op het wereldtoneel. Een voorbeeld van hoe dit in de praktijk gebeurt, is de rol van de EU in de wereldwijde onderhandelingen over de handelsregels. De EU-landen hebben afspraken gemaakt over een groot aantal beginselen en technische voorschriften die van invloed zijn op het dagelijks leven en die als model kunnen dienen voor veel andere delen van de wereld. Zo zijn er de normen voor gezondheid en veiligheid, het stimuleren van hernieuwbare energiebronnen, het zogeheten voorzorgsbeginsel in de voedselveiligheid, ethische aspecten van nieuwe technologie en nog veel meer. De EU loopt voorop in de wereldwijde strijd tegen de opwarming van de aarde.

De Europese waarden zijn ook in de hele wereld zichtbaar in de vorm van door de EU beheerde ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp.

Het oude gezegde „Eendracht maakt macht” is voor de Europeanen van vandaag dus nog steeds relevant.

VI. WAARDEN

De EU bevordert humanitaire en progressieve waarden en zorgt ervoor dat de mens niet slechter, maar beter wordt van de grote veranderingen in de wereld. Via pure marktwerking of door het unilaterale optreden van één land kan niet in de behoeften van mensen worden voorzien.

De EU staat dus voor een mensbeeld en een samenlevingsmodel waar de overgrote meerderheid van de inwoners zich in kan vinden. Het rijke Europese erfgoed van normen en waarden heeft bijvoorbeeld betrekking op mensenrechten, sociale solidariteit, vrij ondernemerschap, een eerlijke verdeling van de welvaart, het recht op een gezond leefmilieu, respect voor culturele, taalkundige en religieuze diversiteit en een harmonieus samengaan van traditie en vooruitgang.

Het wettelijk bindende Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is in december 2000 in Nice afgekondigd. Hierin staan alle rechten die momenteel door alle EU-landen en hun inwoners worden erkend. De Europeanen vinden elkaar in hun gezamenlijke rechten en waarden. Zo is bijvoorbeeld in alle EU-landen de doodstraf afgeschaft.

Hoofdstuk 2: Twaalf mijlpalen

Hoofdstuk 2: Twaalf mijlpalen
  1. Op 9 mei 1950 werd in de Verklaring van Schuman voorgesteld een Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal op te richten, wat gebeurde door de ondertekening van het Verdrag van Parijs van 18 april 1951. Hierdoor ontstond een gemeenschappelijke markt voor kolen en staal tussen de zes oprichtende landen (België, de Bondsrepubliek Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg en Nederland). Het doel, zo kort na de Tweede Wereldoorlog, was om te zorgen voor vrede tussen de overwinnende en de overwonnen landen van Europa. Het ging erom dat de betrokken landen op voet van gelijkheid moesten gaan samenwerken binnen gezamenlijke instellingen.
  2. Met de ondertekening van de Verdragen van Rome op 25 maart 1957 besloten de Zes vervolgens tot de oprichting van een Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en een Europese Economische Gemeenschap. De EEG zou de gemeenschappelijke markt uitbreiden met een hele reeks goederen en diensten. Op 1 juli 1968 werden de douanerechten tussen de zes landen afgeschaft. In de jaren zestig kwam ook een gemeenschappelijk beleid van de grond, met name op het gebied van handel en landbouw.
  3. Dit werd zo’n succes dat Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk besloten zich bij de Gemeenschap aan te sluiten. Deze eerste uitbreiding, van zes naar negen leden, vond plaats in 1973. Tegelijkertijd kwam een sociaal en een milieubeleid tot stand. In 1975 werd het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling opgezet.
Een archieffoto van Robert Schuman tijdens zijn beroemde verklaring in Parijs op 9 mei 1950.

De Franse minister van Buitenlandse Zaken Robert Schuman presenteerde op 9 mei 1950 voor het eerst in het openbaar de ideeën die tot de oprichting van de Europese Unie hebben geleid. Daarom wordt elk jaar op 9 mei de verjaardag van de EU gevierd.

  1. Juni 1979 betekende een belangrijke stap vooruit, met de eerste verkiezingen voor het Europees Parlement. De leden worden om de vijf jaar via rechtstreekse algemene verkiezingen verkozen.
  2. In 1981 trad Griekenland toe tot de Gemeenschappen, in 1986 gevolgd door Spanje en Portugal. Dit gebeurde na de val van de dictaturen in deze drie landen. De uitbreidingen richting het zuiden van Europa maakten de regionale steunprogramma’s des te noodzakelijker.
  3. De wereldwijde economische recessie aan het begin van de jaren tachtig bracht een golf van europessimisme teweeg. Maar er begon weer hoop te gloren toen de Europese Commissie, onder voorzitterschap van Jacques Delors, in 1985 een witboek publiceerde met een stappenplan voor de voltooiing van de Europese interne markt op 1 januari 1993. Deze ambitieuze doelstelling werd opgenomen in de Europese Akte, die in februari 1986 werd ondertekend en op 1 juli 1987 in werking trad.
  4. Het politieke landschap in Europa veranderde ingrijpend door de val van de Berlijnse Muur in 1989. Deze gebeurtenis leidde tot de hereniging van Duitsland in oktober 1990 en tot de komst van democratie in de Centraal- en Oost-Europese landen die zich uit de Sovjetoverheersing hadden losgemaakt. De Sovjet-Unie hield in december 1991 op te bestaan.

    Ondertussen onderhandelden de lidstaten over een nieuw verdrag, dat in Maastricht in december 1991 werd aangenomen door de staatshoofden en regeringsleiders. De bestaande communautaire structuren werden uitgebreid met intergouvernementele samenwerking op bepaalde terreinen (zoals buitenlands beleid, justitie en interne aangelegenheden), waardoor de Europese Unie (EU) een feit werd. Het Verdrag van Maastricht is op 1 november 1993 in werking getreden.

  5. Finland, Oostenrijk en Zweden traden in 1995 toe tot de EU, waardoor het aantal EU-landen op 15 kwam. In die periode werden de uitdagingen die de globalisering met zich meebracht, al zichtbaar. Nieuwe technologieën en het almaar toenemende gebruik van internet veranderden de economieën, maar brachten ook sociale en culturele uitdagingen met zich mee.

    Ondertussen werkte de EU aan haar meest ambitieuze project ooit: een gemeenschappelijke munt om het leven van bedrijven, consumenten en reizigers gemakkelijker te maken. Op 1 januari 2002 verving de euro de oude munteenheden van twaalf EU-landen, die nu samen de eurozone vormden. Sindsdien is de euro een belangrijke internationale munteenheid.

  6. Midden jaren negentig begonnen de voorbereidingen voor de grootste EU-uitbreiding ooit. Zes voormalige Oostbloklanden (Bulgarije, Hongarije, Polen, Roemenië, Slowakije en Tsjechië), de drie Baltische staten die deel hadden uitgemaakt van de Sovjet-Unie (Estland, Letland en Litouwen), een van de republieken van het voormalige Joegoslavië (Slovenië) en twee landen in de Middellandse Zee (Cyprus en Malta) hadden het lidmaatschap aangevraagd.

    De EU verwelkomde deze kans om meer stabiliteit te brengen op het Europese continent en om deze jonge democratieën te laten meeprofiteren van de Europese integratie. De onderhandelingen werden in december 1997 geopend en tien van de kandidaat-lidstaten werden op 1 mei 2004 lid van de EU. Bulgarije en Roemenië volgden in 2007. Kroatië werd lid in 2013, waarmee het aantal EU-lidstaten op 28 kwam.

  7. Om goed te kunnen inspelen op de complexe problemen van de 21e eeuw moest deze grote EU een eenvoudigere en efficiëntere besluitvormingsmethode vinden. Er werden nieuwe regels voorgesteld in een ontwerpgrondwet voor de EU, die werd ondertekend in oktober 2004 en die alle voorgaande verdragen zou vervangen. Maar deze tekst werd in 2005 verworpen in twee nationale referenda in Frankrijk en Nederland.

    De grondwet werd daarom vervangen door het Verdrag van Lissabon, dat op 13 december 2007 werd ondertekend en op 1 december 2009 in werking trad. Met dit Verdrag worden de voorgaande verdragen niet vervangen, maar gewijzigd. De meeste van deze wijzigingen waren ook terug te vinden in de afgewezen grondwet. Zo heeft de Europese Raad een permanente voorzitter gekregen en is er nu ook een hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid.

Een jubelende menigte boven op de Berlijnse Muur op de dag van de val van de Muur.

De val van de Berlijnse Muur in 1989 leidde tot een geleidelijke afbraak van de oude scheidslijnen op het Europese continent.

  1. Bij de Europese verkiezingen in mei 2014 werd een nieuwe institutionele werkwijze ingevoerd: de politieke partijen stelden kandidaten voor de functie van voorzitter van de Europese Commissie voor. Vervolgens benoemde de Europese Raad de kandidaat van de partij die de meeste zetels had gekregen, zoals voorzien in het Verdrag van Lissabon. Dat was de Luxemburger Jean-Claude Juncker, die deel uitmaakt van de Europese Volkspartij. Zijn benoeming werd goedgekeurd door een brede pro-Europese coalitie in het Europees Parlement, waaronder de socialistische en de liberale fractie.

    De verkiezingen van 2014 brachten ook winst voor eurosceptische partijen, die ongeveer 100 van de 751 zetels wonnen. Zij stemmen vaak tegen de politieke lijn die de overhand heeft in de EU-instellingen, zijn meestal sceptisch over EU-integratie en hebben een ongezouten mening over immigratie.

  2. In 2008 ontstond een wereldwijde financiële en economische crisis. Als antwoord hierop zijn nieuwe EU-mechanismen ingesteld om de stabiliteit van de banken te garanderen, de overheidsschulden terug te brengen en het economische beleid van de lidstaten te coördineren, met name van de landen die de euro gebruiken. Na meerdere jaren beginnen de structurele hervormingen en de verbeteringen van de overheidsfinanciën te leiden tot nieuwe economische groei.

    Het economische beleid in de eurozone wordt versterkt onder leiding van de Commissie en de Raad, die nu over nieuwe juridische instrumenten beschikken voor het uitvoeren van de afspraken die de lidstaten hebben gemaakt om gezonde overheidsfinanciën zeker te stellen. De Europese Centrale Bank verhoogt de liquiditeit en houdt de rente zeer laag. De EU stimuleert ook nieuwe investeringen met behulp van het Fonds voor strategische investeringen, met name in publiek-private partnerschappen.

Hoofdstuk 3: Uitbreiding van de EU en betrekkingen met de buurlanden

Hoofdstuk 3: Uitbreiding van de EU en betrekkingen met de buurlanden

I. VOORWAARDEN VOOR LIDMAATSCHAP

a) Wettelijke voorschriften

De Europese integratie is altijd een politiek en economisch proces geweest dat openstaat voor alle Europese landen die bereid zijn de Verdragen te tekenen en alle EU-wetgeving over te nemen. Volgens het Verdrag van Lissabon (artikel 49) mag elke Europese staat lid van de EU worden op voorwaarde dat hij de beginselen van vrijheid, democratie, respect voor de mensenrechten en fundamentele vrijheden en de rechtsstaat respecteert.

b) De criteria van Kopenhagen

De Europese Raad heeft in 1993, nadat de voormalige communistische landen hadden gevraagd tot de Unie te mogen toetreden, drie toetredingscriteria vastgesteld. Op het moment van toetreding moeten de nieuwe lidstaten:

c) Het toetredingsproces

De besprekingen over het lidmaatschap (toetredingsonderhandelingen) worden gevoerd tussen het land dat wil toetreden en de Europese Commissie, die de EU vertegenwoordigt. Na die onderhandelingen moet de beslissing over de toetreding van dit land in de Raad door alle landen die al lid zijn, unaniem worden goedgekeurd. Het Europees Parlement moet ook met een absolute meerderheid zijn toestemming geven. Het toetredingsverdrag moet daarna door de EU-landen en de kandidaat-lidstaat worden geratificeerd volgens de procedure die hun grondwet voorschrijft.

Tijdens de onderhandelingsperiode ontvangen kandidaat-lidstaten normaal gesproken financiële pretoetredingssteun van de EU, zodat zij een economische inhaalslag kunnen maken. Zij hebben meestal ook een zogeheten stabilisatie- en associatieovereenkomst met de EU. Volgens zo’n overeenkomst houdt de EU toezicht op de economische en administratieve hervormingen die moeten worden doorgevoerd om te voldoen aan de voorwaarden voor EU-lidmaatschap.

II. EEN CONTINENT SAMENBRENGEN

a) Een unie met 28 leden

De Europese Raad nam in december 2002 te Kopenhagen een van de meest gedenkwaardige beslissingen uit de hele geschiedenis van de Europese eenwording. Door twaalf landen uit te nodigen om lid te worden, breidde de EU niet alleen haar oppervlak en inwonertal uit, maar maakte zij ook een einde aan de breuk die het continent sinds 1945 in tweeën verdeelde. Europese landen die decennialang geen democratische vrijheid hadden gekend, konden zich eindelijk weer aansluiten bij de familie van democratische Europese naties. Zo werden Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Slovenië, Slowakije en Tsjechië in 2004 lid van de EU, net als de mediterrane eilandstaten Cyprus en Malta. Bulgarije en Roemenië volgden in 2007. Kroatië vroeg in 2003 het lidmaatschap aan en werd uiteindelijk in 2013 lid.

Een luchtfoto van Dubrovnik, een stad in Kroatië.

Dubrovnik, de „parel van de Adriatische Zee” in Kroatië, de nieuwste lidstaat van de EU.

b) Lopende onderhandelingen

Turkije, een lid van de NAVO dat al lang een associatieovereenkomst met de EU heeft, vroeg in 1987 het EU-lidmaatschap aan. De EU heeft wegens de geografische ligging en de politieke geschiedenis van het land lang geaarzeld over dit verzoek. Maar in oktober 2005 zijn de toetredingsonderhandelingen eindelijk begonnen. Een aantal EU-landen twijfelt nog of Turkije wel EU-lid zou moeten worden. Zij denken aan een ander soort regeling — een geprivilegieerd partnerschap. In 2015 is de onderhandelingen nieuw leven ingeblazen toen Turkije met de EU heeft afgesproken het aantal asielzoekers dat via het land naar de EU komen, te helpen verlagen en beheersen. De EU wil voor Turkije een referentiepunt blijven wat politieke hervormingen en grondrechten betreft. Zij blijft erbij dat over eerbiediging van deze waarden als voorwaarde voor toetreding niet wordt onderhandeld.

De meeste landen op de Westelijke Balkan maakten ooit deel uit van Joegoslavië. Zij richten nu hun hoop op de EU om hun economische wederopbouw te versnellen, hun door etnische en religieuze oorlogen gehavende onderlinge betrekkingen te verbeteren en hun democratische instellingen te verstevigen. De EU heeft de status van kandidaat-lidstaat toegekend aan Albanië, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Montenegro en Servië. Bosnië en Herzegovina heeft in 2016 een aanvraag voor lidmaatschap ingediend. Kosovo (deze benaming laat de standpunten over de status van Kosovo onverlet, en is in overeenstemming met Resolutie 1244/99 van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo) heeft zich in 2008 onafhankelijk verklaard en zou ook een kandidaat-lidstaat kunnen worden zodra de lopende onderhandelingen over zijn toekomst zijn afgerond.

Met Montenegro en Servië zijn formele onderhandelingen over toetreding tot de EU begonnen.

IJsland, dat hard werd getroffen door de financiële crisis van 2008, heeft in 2009 het lidmaatschap aangevraagd. De toetredingsonderhandelingen zijn in 2013 op verzoek van het land zelf gestaakt. De publieke opinie in IJsland was minder positief over EU-lidmaatschap toen de economie weer aantrok.

In zijn inaugurele rede voor het Europees Parlement in 2014 heeft Jean-Claude Juncker aangekondigd dat er tijdens zijn voorzitterschap, dat tot 2019 duurt, geen nieuwe landen zouden toetreden.

III. HOE GROOT MAG DE EU WORDEN?

a) Geografische grenzen

Het publieke debat over de toekomst van de EU laat zien dat veel Europeanen zich zorgen maken over waar de grenzen van de EU moeten worden getrokken. Er is ook discussie over wat de Europese identiteit inhoudt. Op die vragen bestaat geen eenvoudig antwoord, in het bijzonder omdat ieder land zijn geopolitieke en economische belangen anders ziet. De Baltische landen en Polen stonden tot nu toe positief tegenover toetreding van Oekraïne, maar het conflict tussen Oekraïne en Rusland, dat leidde tot de Russische annexatie van de Krim, heeft geopolitieke spanningen veroorzaakt waardoor dit geen realistische optie meer is. Daarnaast maakt de strategische positie van Moldavië duidelijk dat er spanningen zijn tussen westerse landen en een Rusland dat zijn regionale ambities niet onder stoelen of banken steekt.

Hoewel zij aan de voorwaarden voor lidmaatschap voldoen, zijn Liechtenstein, Noorwegen en Zwitserland geen lid van de Europese Unie omdat de bevolking in die landen daartegen is.

In verschillende EU-landen is de publieke opinie verdeeld over de vraag waar de uiteindelijke grenzen van de EU liggen. Als er alleen geografische grenzen golden, en er geen rekening zou worden gehouden met democratische waarden, dan zou de EU uiteindelijk wel 47 leden kunnen tellen, net als de Raad van Europa (dat geen EU-orgaan is).

De verstandige aanpak is te zeggen dat elk Europees land het EU-lidmaatschap mag aanvragen als het in staat is alle EU-wet- en regelgeving over te nemen en bereid is de euro in te voeren. De Europese integratie is een proces dat al sinds 1950 gaande is en elke poging om de buitengrenzen van de EU vast te leggen, zou tegen dat proces ingaan.

b) Nabuurschapsbeleid

Door de uitbreidingen van 2004 en 2007 zijn de EU-grenzen verder naar het oosten en zuiden komen te liggen. Daardoor moest de EU zich herbezinnen op de betrekkingen met haar buurlanden. Stabiliteit en veiligheid zijn vaak heikele punten in de regio’s aan de andere kant van de EU-grenzen. De EU wil daarom voorkomen dat er een nieuwe scheidslijn ontstaat tussen de EU-landen en die regio’s. Opkomende veiligheidsproblemen, zoals illegale immigratie, onderbroken energieleveringen, milieuverontreiniging, grensoverschrijdende georganiseerde misdaad en terrorisme waren zaken waarmee de EU zich intensiever moest gaan bezighouden.

Daarom heeft de EU een nieuw nabuurschapsbeleid ontwikkeld voor de betrekkingen met haar buurlanden:

Sinds 2004 hebben bijna al deze landen bilaterale partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten of associatieovereenkomsten ondertekend met de EU. Dit betekent dat zij bepaalde gemeenschappelijke waarden (zoals democratie, mensenrechten en de rechtsstaat) zullen respecteren en zullen werken aan een markteconomie, duurzame ontwikkeling en armoedebestrijding. De EU biedt van haar kant financiële, technische en macro-economische hulp, eenvoudigere visaprocedures en een reeks ontwikkelingsmaatregelen.

De recente geopolitieke ontwikkelingen hebben de situatie echter ingrijpend veranderd.

In het oosten heeft de val van de autoritaire regering van Oekraïne geleid tot de verkiezingen in mei 2014 van een nieuwe president — Petro Porosjenko — die meer aansluiting heeft bij de westerse waarden. Dit resulteerde in de ondertekening van een associatieovereenkomst tussen Oekraïne en de EU in september 2014. De moeilijke economische situatie en de militaire confrontaties tussen Oekraïense strijdkrachten en door Rusland gesteunde separatistische groeperingen hebben het land in een zeer lastige positie gebracht. Dit betekent echter niet dat de banden met de EU niet kunnen worden aangehaald. Tussen 2014 en 2015 heeft de EU Oekraïne voor meer dan 7 miljard euro aan financiële bijstand verleend voor politieke en democratische hervormingen.

De Arabische Lente van 2011 bracht grote veranderingen teweeg in de politieke situatie aan de zuidelijke kust van de Middellandse Zee en in het Midden-Oosten. Zo waren er machtswisselingen in Tunesië en Egypte, een burgeroorlog in Syrië, chaos in Libië na de omverwerping van het Kadhafiregime en het ontstaan van de zogenoemde „Islamitische Staat” of „Da’esh” — die door middel van terreurdaden grote delen van Syrië en Irak innam.

Sommige EU-landen maken deel uit van de militaire coalitie tegen de zogenoemde „Islamitische Staat” of „Da’esh”; ondertussen heeft de EU te maken met grote aantallen vluchtelingen uit Syrië, de Hoorn van Afrika en Afrika ten zuiden van de Sahara, die allemaal op de vlucht zijn voor oorlog, godsdienstvervolging of economische ellende. In 2015 hebben een miljoen mensen vanaf de Libische of Turkse kust geprobeerd de Middellandse Zee over te steken in boten van criminele mensenhandelaars. Vanwege deze humanitaire ramp is de EU haar gemeenschappelijke asiel- en immigratiebeleid aan het bijstellen (zie hoofdstuk 10).

Een bouwvakker werkt aan de bouw van een nieuwe brug.

De EU geeft financiële steun voor de opbouw van de economie van haar buurlanden.

Hoofdstuk 4: Hoe werkt de Europese Unie?

Hoofdstuk 4: Hoe werkt de Europese Unie?

I. DE BESLUITVORMINGSDRIEHOEK

De Europese Unie is meer dan een statenbond, maar is geen federale staat. Haar structuur valt eigenlijk buiten de traditionele juridische categorieën. Haar besluitvormingsstelsel evolueert ook al zo’n zestig jaar voortdurend.

De Verdragen vormen het primaire EU-recht. Hiervan wordt een grote hoeveelheid secundaire wetgeving afgeleid die rechtstreeks invloed heeft op het dagelijks leven van de EU-burgers. Het gaat hierbij voornamelijk om verordeningen, richtlijnen en aanbevelingen die door de Europese instellingen worden aangenomen.

Deze wetgeving en het beleid van de Europese Unie in het algemeen komen tot stand door besluiten van het Europees Parlement (dat de burgers vertegenwoordigt), de Raad (die de regeringen van de EU-landen vertegenwoordigt) en de Europese Commissie (het uitvoerend orgaan dat politiek onafhankelijk is van de EU-regeringen en het collectief belang van de Unie behartigt). Hieronder wordt uitgelegd wat de rol van de overige EU-instellingen is.

a) Het Europees Parlement

Het Europees Parlement is het gekozen orgaan dat de EU-burgers vertegenwoordigt. Het houdt toezicht op de EU-activiteiten en stelt samen met de Raad EU-wetgeving vast. De leden van het Europees Parlement worden sinds 1979 om de vijf jaar via rechtstreekse algemene verkiezingen gekozen.

In 2017 is de Italiaan Antonio Tajani (van de Europese Volkspartij ofwel de christendemocraten) verkozen tot voorzitter van het Parlement voor een periode van tweeënhalf jaar.

Een lid van het Europees Parlement steekt haar hand op in het Europees Parlement.

Het Europees Parlement, hier kunt u uw stem laten horen.

Aantal zetels van ieder land in het Europees Parlement

België 21
Bulgarije 17
Cyprus 6
Denemarken 13
Duitsland 96
Estland 6
Finland 13
Frankrijk 74
Griekenland 21
Hongarije 21
Ierland 11
Italië 73
Kroatië 11
Letland 8
Litouwen 11
Luxemburg 6
Malta 6
Nederland 26
Oostenrijk 18
Polen 51
Portugal 21
Roemenië 32
Slovenië 8
Slowakije 13
Spanje 54
Tsjechië 21
Verenigd Koninkrijk 73
Zweden 20
Totaal 751

Het Parlement vergadert elke maand (de plenaire sessies, die in principe door alle Europarlementariërs worden bijgewoond). Deze plenaire sessies worden normaal gesproken in Straatsburg (Frankrijk) gehouden, maar een paar keer per jaar vinden zij in Brussel plaats. Het voorbereidende werk wordt meestal in Brussel gedaan: tijdens de voorzittersconferentie, waaraan de voorzitters van de politieke fracties samen met de voorzitter van het Parlement deelnemen, wordt de agenda van de plenaire sessie opgesteld, terwijl de twintig parlementaire commissies werken aan de amendementen die besproken zullen worden. De dagelijkse administratieve werkzaamheden van het Parlement worden uitgevoerd door het secretariaat-generaal, dat zowel in Luxemburg als in Brussel gevestigd is. Elke politieke fractie heeft haar eigen secretariaat.

Het Europees Parlement neemt op twee manieren deel aan het wetgevende werk:

Het Parlement moet ook samen met de Raad de begroting van de Europese Unie goedkeuren, die door de Commissie wordt voorgesteld. Het Parlement kan de voorgestelde begroting verwerpen, wat al meermaals is gebeurd. In dat geval moet de gehele begrotingsprocedure van voren af aan beginnen. Het Parlement heeft op deze manier een flinke invloed op de beleidsvorming van de EU.

Tot slot, maar daarom niet minder belangrijk, is het Parlement het orgaan dat verantwoordelijk is voor het uitoefenen van de democratische controle op de Unie, en met name op de Europese Commissie.

Het Europees Parlement wordt om de vijf jaar verkozen. De achtste rechtstreekse verkiezingen vonden tussen 22 en 25 mei 2014 plaats, met een opkomst van 42,5 % van de 380 miljoen stemgerechtigden. Dit opkomstpercentage was ongeveer even hoog als dat van de vorige verkiezingen in 2009.

Na het Verdrag van Lissabon en voor het eerst in 2014 kozen de Europese politieke partijen elk hun topkandidaat, die tevens kandidaat was voor de functie van voorzitter van de Europese Commissie. De Europese Volkspartij won de meeste zetels en de Europese Raad besloot bij gekwalificeerde meerderheid de kandidaat van die partij op de functie te benoemen. Dit was Jean-Claude Juncker, voormalig premier van Luxemburg. Een grote meerderheid van het Parlement stemde voor hem (422 stemmen vóór, 250 tegen en 47 onthoudingen).

Daarna hield het Parlement zogeheten hoorzittingen van de 27 voorgestelde kandidaten uit elke lidstaat. Tijdens deze hoorzittingen wordt beoordeeld of de kandidaten geschikt zijn om tot lid van de Commissie te worden benoemd, voordat de hele Commissie wordt goedgekeurd.

Op elk moment kan het Parlement met een motie van afkeuring de Commissie naar huis sturen. Hiervoor is een tweederdemeerderheid nodig. Het Parlement controleert ook het dagelijks beheer van het EU-beleid door mondelinge en schriftelijke vragen te stellen aan de Commissie en aan de Raad.

Leden van het Europees Parlement en nationale parlementariërs werken vaak nauw samen. Dit gebeurt binnen de politieke partijen en in instanties die speciaal daarvoor bestaan. Sinds 2009 omschrijft het EU-Verdrag de rol van de nationale parlementen in de EU. Zij kunnen hun mening geven over alle nieuwe wetten die door de Commissie worden voorgesteld, en op die manier garanderen dat het subsidiariteitsbeginsel wordt gevolgd. Dit beginsel houdt in dat de EU zich alleen met een onderwerp moet bezighouden als actie op Europees niveau efficiënter is dan actie op nationaal of regionaal niveau.

 

Politieke fracties van het Europees Parlement

Fracties van het Europees Parlement.

b) De Europese Raad

De Europese Raad is de hoogste politieke instelling van de EU. Deze bestaat uit de staatshoofden en regeringsleiders (de president en/of de premier) van alle EU-landen, plus de voorzitter van de Europese Commissie. Normaal gesproken vergadert de Europese Raad vier keer per jaar in Brussel. Hij heeft een vaste voorzitter, wiens taak het is de werkzaamheden van de Europese Raad te coördineren en de continuïteit te garanderen. De vaste voorzitter wordt verkozen voor een periode van tweeënhalf jaar door een gekwalificeerde meerderheid van de leden van de Europese Raad. De voorzitter kan één keer herkozen worden. De voormalige Poolse premier Donald Tusk bekleedt deze functie sinds 1 december 2014.

De Europese Raad bepaalt de doelstellingen van de EU en de manier waarop deze bereikt kunnen worden. Hij geeft een impuls aan de belangrijkste EU-beleidsinitiatieven en besluit over kwesties waar de Raad van Ministers niet uitkomt. De Europese Raad pakt ook actuele internationale onderwerpen aan via het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, een mechanisme voor het coördineren van het beleid van de EU-landen.

c) De Raad

De Raad (ook wel de Raad van Ministers genoemd) bestaat uit ministers van de EU-landen. De EU-landen zijn bij toerbeurt voorzitter van de Raad, gedurende een periode van zes maanden. De Raad bestaat uit één minister uit elk land van de Europese Unie. Welke ministers een bijeenkomst bijwonen, hangt af van het onderwerp dat op de agenda staat: buitenlandse zaken, landbouw, industrie, vervoer, milieu enzovoort.

Voorzitterschap van de Raad van Ministers

Jaar Januari-juni Juli-december
2017 Malta Estland
2018 Bulgarije Oostenrijk
2019 Roemenië Finland
2020 Kroatië Duitsland
2021 Portugal Slovenië

De bijeenkomsten van de Raad van ministers van Buitenlandse Zaken worden voorgezeten door de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, die tevens vicevoorzitter van de Commissie is. Federica Mogherini, voormalig minister van Buitenlandse Zaken van Italië, bekleedt deze functie sinds november 2014.

De belangrijkste taak van de Raad is het goedkeuren van EU-wetten. Normaal gesproken deelt hij deze verantwoordelijkheid met het Europees Parlement. Het Parlement stelt ook samen met de Raad de begroting van de Europese Unie vast. De Raad sluit ook de internationale overeenkomsten waarover van tevoren door de Commissie is onderhandeld.

De Raad moet zijn beslissingen naargelang het onderwerp bij eenvoudige meerderheid, gekwalificeerde meerderheid of met eenparigheid van stemmen nemen.

Eenparigheid van stemmen is in de Raad vereist bij belangrijke onderwerpen zoals belastingen, wijziging van de Verdragen, een nieuw gemeenschappelijk beleid of de toetreding van een nieuw land tot de Unie.

In de meeste andere gevallen worden beslissingen met gekwalificeerde meerderheid genomen. Dat betekent dat de Raad alleen een besluit kan nemen met een zogeheten dubbele meerderheid. Een besluit wordt aangenomen als 55 % van de lidstaten vóór stemt (16 van de 28 landen) en als deze minstens 65 % van de EU-bevolking vertegenwoordigen (ongeveer 332 van de 510 miljoen burgers).

Bij de invoer van de euro werd een nieuwe instantie opgericht in de Raad — de Eurogroep — waarvan de vergaderingen worden bijgewoond door alle ministers van Economische Zaken en Financiën van de 19 landen van de eurozone.

d) De Europese Commissie

De Commissie is een van de belangrijkste EU-instellingen. Zij heeft als enige het recht om wetsvoorstellen op te stellen, die ze vervolgens voorlegt aan de Raad en het Parlement.

Haar leden worden voor vijf jaar in onderling overleg door de EU-landen benoemd, mits het Europees Parlement, zoals hierboven beschreven, met hun benoeming instemt. De Commissie moet verantwoording afleggen aan het Parlement en is verplicht in haar geheel ontslag te nemen wanneer het Parlement een motie van afkeuring tegen haar aanneemt.

Een zogeheten burgerdialoog in Polen.

De Europese Commissie is het uitvoerend orgaan van de EU en haar leden moeten voortdurend luisteren naar wat de bevolking wenst, zoals hier tijdens een van de „burgerdialogen” van de Commissie.

Er is één lid van de Commissie (commissaris) uit elk EU-land, inclusief de voorzitter en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, die ook een van de vicevoorzitters is. De huidige Commissie, met Jean-Claude Juncker als voorzitter, trad op 1 november 2014 aan. Hij benoemde zeven vicevoorzitters om het werk van de commissarissen te coördineren en ervoor te zorgen dat de nadruk zou liggen op zijn prioriteiten, zoals banen en groei, de digitale eengemaakte markt, energie en klimaatverandering en de Economische en Monetaire Unie. Om zeker te zijn dat de Commissie zich concentreert op de belangrijkste prioriteiten en het subsidiariteitsbeginsel respecteert, heeft de voorzitter Frans Timmermans benoemd tot eerste vicevoorzitter, die verantwoordelijk is voor betere regelgeving en betrekkingen tussen de instellingen.

De Commissie heeft bij de uitoefening van haar bevoegdheden een ruime onafhankelijkheid. Zij verdedigt het algemeen belang van de Europese Unie en mag geen enkele instructie van een regering van een EU-land aanvaarden. Als „hoedster van de Verdragen” ziet zij toe op de tenuitvoerlegging van de door de Raad en het Parlement aangenomen verordeningen en richtlijnen in de landen van de Europese Unie. Zij kan zich tot het Hof van Justitie wenden om ervoor te zorgen dat de partij die in overtreding is, de EU-wetgeving naleeft.

Als uitvoerende macht van de EU zorgt de Commissie voor de uitvoering van de besluiten die de Raad heeft genomen, bijvoorbeeld op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Zij beschikt over ruime bevoegdheden voor het voeren van het gemeenschappelijk beleid van de EU op gebieden als onderzoek en technologie, overzeese hulp, regionaal beleid enzovoort. Ook beheert zij de begroting voor deze beleidsterreinen.

De commissarissen worden bijgestaan door een ambtenarenapparaat, dat voornamelijk in Brussel en Luxemburg is gevestigd. Er zijn ook agentschappen die zijn opgericht om specifieke taken voor de Commissie uit te voeren. Zij zijn voornamelijk in andere Europese steden gevestigd.

e) Het Hof van Justitie

Het in Luxemburg gevestigde Hof van Justitie van de Europese Unie bestaat uit één rechter per EU-land en wordt bijgestaan door elf advocaten-generaal. De rechters worden in onderlinge overeenstemming door de regeringen van de lidstaten voor een ambtstermijn van zes jaar benoemd en zijn herbenoembaar. Hun onafhankelijkheid wordt gewaarborgd. Het Hof heeft tot taak te zorgen voor de naleving van de EU-wetgeving en de juiste uitlegging en toepassing van de Verdragen.

f) De Europese Centrale Bank

De Europese Centrale Bank in Frankfurt is verantwoordelijk voor het beheer van de euro en het monetair beleid van de Europese Unie (zie hoofdstuk 7: De euro). De Raad van bestuur bestaat uit zes directieleden en de presidenten van de nationale centrale banken van de 19 landen van de eurozone. De belangrijkste taken van de Centrale Bank zijn de instandhouding van de prijsstabiliteit en toezicht op de banken in de eurozone. Voormalig president van de centrale bank van Italië Mario Draghi is sinds 2011 president van de Europese Centrale Bank.

g) De Rekenkamer

De Rekenkamer in Luxemburg werd in 1975 opgericht. Zij telt één lid uit elk land van de Europese Unie, dat door de EU-landen, in onderling overleg en na raadpleging van het Europees Parlement, voor een ambtstermijn van zes jaar wordt aangesteld. De Rekenkamer controleert de wettigheid en juistheid van alle inkomsten en uitgaven van de Europese Unie en het beheer van de EU-begroting.

II. ANDERE ORGANEN

a) Het Europees Economisch en Sociaal Comité

De Raad en de Commissie moeten op een aantal beleidsterreinen het Europees Economisch en Sociaal Comité raadplegen alvorens besluiten te nemen. Dit Comité is samengesteld uit leden die de verschillende belangengroepen vertegenwoordigen die samen het maatschappelijk middenveld vormen. De leden worden door de Raad voor een ambtstermijn van vijf jaar benoemd.

b) Het Europees Comité van de Regio’s

Het Europees Comité van de Regio’s bestaat uit vertegenwoordigers van regionale en lokale overheden. Zij worden voorgedragen door de EU-landen en benoemd door de Raad voor een termijn van vijf jaar. De Raad en de Commissie moeten het Europees Comité van de Regio’s raadplegen over zaken die de regio’s aangaan. Het Comité kan ook op eigen initiatief adviezen uitbrengen.

c) De Europese Investeringsbank

De in Luxemburg gevestigde Europese Investeringsbank verstrekt leningen voor projecten ter ondersteuning van de minst ontwikkelde regio’s van de Europese Unie en ter bevordering van het concurrentievermogen van het bedrijfsleven.

d) De Europese Ombudsman

De Ombudsman wordt benoemd door het Europees Parlement voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar. Zijn rol is klachten over slecht bestuur binnen de EU-instellingen te onderzoeken. Burgers, bedrijven en inwoners van de EU kunnen een klacht indienen. Voormalig ombudsman van Ierland Emily O’Reilly is sinds 2013 Europees Ombudsman.

Een persoon met een handicap werkt aan een computer.

Het Hof van Justitie zorgt ervoor dat de EU-wetgeving ten volle wordt gerespecteerd. Zo heeft het bevestigd dat discriminatie van werknemers met een handicap verboden is.

Hoofdstuk 5: Wat doet de Europese Unie?

Hoofdstuk 5: Wat doet de Europese Unie?

I. INNOVATIEBELEID

De activiteiten van de Europese Unie beïnvloeden het dagelijkse leven van haar burgers door veel van de echte problemen van de maatschappij aan te pakken: milieubescherming, gezondheid, technologische innovatie, energie enzovoort.

a) Milieu en duurzame ontwikkeling

Wetenschappers waarschuwen al sinds de jaren zestig dat de aarde aan het opwarmen is. Politieke leiders reageerden aanvankelijk traag, maar in 1988 hebben de Verenigde Naties een Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering in het leven geroepen. Dit deskundigenpanel slaagde erin de potentieel rampzalige gevolgen van de opwarming van de aarde door de uitstoot van schadelijke gassen — met name de verbranding van fossiele brandstoffen die koolwaterstoffen bevatten — wereldwijd onder de aandacht te brengen.

Een alleenstaand zonnepaneel op de grond op het platteland.

De EU staat vooraan in de strijd tegen klimaatverandering en voor duurzame ontwikkeling.

In 2008 heeft de Europese Unie een belangrijke bijdrage geleverd aan de strijd tegen klimaatverandering. De Europese Raad is overeengekomen dat de EU tegen 2020 haar uitstoot met 20 % zal terugdringen (vergeleken met 1990), 20 % hernieuwbare energie gaat gebruiken en 20 % minder energie zal gebruiken. In 2014 hebben de EU-leiders overeenkomst bereikt over de ambitieuzere doelstelling van minstens 40 % tegen 2030 in vergelijking met 1990. De EU-landen zijn samen ook daadkrachtig opgetreden om ervoor te zorgen dat de VN-conferentie over klimaatverandering in Parijs in december 2015 leidde tot een bindende overeenkomst tussen 195 landen over een plafond van 2 °C voor de opwarming van de aarde. De armste landen van de wereld hebben financiële bijstand nodig om hun uitstoot te verminderen en zich aan te passen aan de klimaatverandering. Daarom zal de EU tussen 2014 en 2020 minstens 14 miljard euro uit het Europees Ontwikkelingsfonds hiervoor uittrekken. Het politieke proces van de ratificatie van de Overeenkomst van Parijs werd op 4 oktober 2016 afgerond met de goedkeuring van het Europees Parlement, waarmee de overeenkomst in werking trad.

De EU-landen zijn het eens geworden over bindende wetgeving om de uitstoot van schadelijke stoffen in de EU te verlagen. Veel daarvan heeft te maken met investeren in nieuwe technologie, wat ook banen en economische groei schept. Een emissiehandelsregeling voor de gehele EU moet ervoor zorgen dat de vereiste verminderingen van de emissie van schadelijke gassen efficiënt worden uitgevoerd.

De EU werkt ook aan allerlei andere milieukwesties, zoals geluidsoverlast, afval, bescherming van natuurlijke habitats, uitlaatgassen, chemicaliën, industriële ongevallen en de kwaliteit van zwemwater. Daarnaast werkt zij aan de preventie van natuurlijke of door de mens veroorzaakte rampen zoals olielekken of bosbranden.

De EU past voortdurend haar wetgeving aan om de volksgezondheid beter te beschermen. Zo is de EU-wetgeving over chemicaliën gewijzigd: versnipperde regels zijn samengevoegd tot één systeem dat REACH heet. Dit systeem gebruikt een centrale databank die wordt beheerd door het Europees Agentschap voor chemische stoffen in Helsinki. Het is ingevoerd om verontreiniging van lucht, water, grond en gebouwen te voorkomen, de biodiversiteit in stand te houden en de gezondheid en veiligheid van de EU-burgers te bevorderen, met behoud van de concurrentiekracht van de Europese industrie.

b) Technologische innovatie

De oprichters van de Europese Unie zagen terecht in dat de toekomstige welvaart van Europa afhankelijk is van zijn vermogen om technologisch aan de top te blijven. Zij zagen de enorme voordelen van gezamenlijk onderzoek op Europees niveau. Daarom werd, naast de Europese Economische Gemeenschap, in 1958 Euratom opgericht — de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie. Het doel hiervan was nucleaire energie gezamenlijk vreedzaam te gebruiken, met behulp van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek, dat uit zeven onderzoeksinstituten bestaat.

Maar om de wereldwijde concurrentie bij te houden, moest Europees onderzoek diversifiëren en moesten de barrières tussen nationale onderzoeksprogramma’s worden afgebroken, waarbij zo veel mogelijk wetenschappers uit verschillende vakgebieden met elkaar moesten gaan samenwerken en industriële toepassingen voor hun ontdekkingen moesten vinden.

Het huidige gezamenlijk onderzoek op EU-niveau moet een aanvulling zijn op nationale onderzoeksprogramma’s. Het richt zich op projecten waarbij een aantal laboratoria uit verschillende EU-landen samenwerken. Ook steunt het fundamenteel onderzoek op gebieden als beheerste kernfusie: een potentieel onuitputtelijke energiebron voor de 21e eeuw. Daarnaast stimuleert het onderzoek en technologische ontwikkeling in strategische industrieën die met zware concurrentie van buiten Europa kampen, zoals de elektronica- en computerindustrie.

De EU wil 3 % van haar bbp aan onderzoek uitgeven. Het EU-onderzoek wordt vooral gefinancierd via een reeks kaderprogramma’s. Horizon 2020 is het achtste kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling en bestrijkt de periode 2014-2020. Het leeuwendeel van het budget van meer dan 80 miljard euro zal gaan naar onderzoek op gebieden zoals gezondheid, voedsel en landbouw, informatie- en communicatietechnologie, nanowetenschappen, energie, milieu, vervoer, veiligheid, ruimte en sociaaleconomische wetenschappen. Andere programma’s stimuleren internationale samenwerking in het kader van baanbrekende onderzoeksprojecten en steunen onderzoekers en hun carrièreontwikkeling.

c) Energie

Momenteel wordt meer dan de helft van alle energiebronnen in de EU ingevoerd, waarmee de EU de grootste importeur van energie ter wereld is. Europeanen zijn kwetsbaarder voor internationale crisissen die de aanvoer kunnen verstoren of de prijzen kunnen doen stijgen. In deze context werkt de EU eraan om het verbruik van fossiele brandstoffen te verminderen en de opwarming van de aarde tegen te gaan.

Er worden diverse maatregelen genomen, onder andere om energie te besparen door een intelligenter energiegebruik, door alternatieve energiebronnen te ontwikkelen (in het bijzonder duurzame energiebronnen) en de internationale samenwerking te intensiveren. Betere isolatie van gebouwen is een van de belangrijkste uitdagingen: gebouwen zijn verantwoordelijk voor 40 % van het energieverbruik in de EU en 36 % van de uitstoot van schadelijke gassen zoals broeikasgassen. Onderzoek en ontwikkeling op het gebied van energie in Europa richt zich op zonne-energie, biomassa en kernenergie.

Een belangrijke prioriteit van het energiebeleid is een betere connectiviteit van de energie- en vervoersnetwerken in heel Europa. Dit kan leiden tot een efficiënter energieverbruik, om technische redenen maar ook vanwege de gemeenschappelijke markten. De meeste projecten die profiteren van het Investeringsplan voor Europa, dat voorzitter Juncker in 2014 heeft gelanceerd, bevorderen efficiënte, schone en hernieuwbare energie. Hierbij worden onder andere de energienetwerken van Spanje en Portugal gekoppeld aan dat van Frankrijk en worden de netten rondom de Oostzee aan elkaar gekoppeld.

Europa onderneemt ook actie op het internationale toneel, met name met Rusland en het Midden-Oosten, om de continuïteit van de energievoorziening zeker te stellen.

Gascompressorstation.

De energienetten moeten in heel Europa beter op elkaar worden aangesloten om veiliger en efficiënter energie te leveren.

II. SOLIDARITEITSBELEID

Om ervoor te zorgen dat de interne markt (zie hoofdstuk 6) goed werkt, moeten onevenwichtige situaties in balans worden gebracht. Daarom is het solidariteitsbeleid van de EU erop gericht om steun te bieden aan onderontwikkelde regio’s en zwakke economische sectoren. Ook draagt de EU bij tot de herstructurering van economische sectoren die ernstig getroffen zijn door de snel groeiende internationale concurrentie.

a) Regionale steun en cohesiebeleid

In de periode 2014-2020 is 325 miljard euro, ofwel 34 % van de EU-begroting, geoormerkt voor de uitvoering van het cohesiebeleid, in de lidstaten, regio’s en steden van de EU. Zo wordt bijgedragen tot de verwezenlijking van de EU-doelstellingen van het creëren van groei en banen en het aanpakken van de klimaatverandering, energieafhankelijkheid en sociale uitsluiting.

Voor de verwezenlijking van deze doelstellingen bestaan er specifieke EU-fondsen, die de investeringen van de private sector en de nationale en regionale overheden aanvullen of stimuleren:

b) Het gemeenschappelijk landbouw- en visserijbeleid

De doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid van de EU uit het oorspronkelijke Verdrag van Rome van 1957 waren een eerlijke levensstandaard voor boeren, een stabiele markt, eerlijke marktprijzen en modernisering van de landbouwinfrastructuur. Deze doelstellingen zijn grotendeels bereikt. Bovendien kunnen consumenten vandaag de dag rekenen op een constante aanvoer van landbouwproducten en stabiele prijzen die beschermd worden tegen de fluctuaties op de wereldmarkt. Het gemeenschappelijk landbouwbeleid wordt gefinancierd door het Europees Landbouwgarantiefonds en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling.

Een jonge vrouw houdt toezicht op kinderen in een speeltuin.

Anna uit Lublin (Polen) leidt haar eigen kinderdagverblijf, onder meer dankzij een project voor vrouwelijke ondernemers dat wordt ondersteund door het Europees Sociaal Fonds.

Het gemeenschappelijk landbouwbeleid van de EU is helaas slachtoffer geworden van zijn eigen succes. De productie groeide sneller dan de consumptie, wat zwaar op de EU-begroting woog. Om dit probleem op te lossen, moest het landbouwbeleid worden hervormd. Deze hervormingen hebben resultaat gehad: de productie loopt terug.

De nieuwe rol van de landbouwbevolking is te zorgen voor een bepaald niveau van economische bedrijvigheid in ieder plattelandsgebied en de diversiteit en duurzaamheid van de landschappen van Europa te beschermen. Deze diversiteit en de erkenning van de „landelijke levensstijl” — een harmonieuze relatie tussen de mens en het land — zijn een belangrijk onderdeel van de identiteit van Europa. De Europese landbouw vervult ook een belangrijke rol in de strijd tegen klimaatverandering, bij de bescherming van flora en fauna en bij de wereldwijde voedselvoorziening.

Daarnaast zijn er regelingen om de namen van lokale en regionale kwaliteitslandbouwproducten en levensmiddelen van hoge kwaliteit in de EU te beschermen.

De Europese Unie heeft tevens een gemeenschappelijk visserijbeleid. Op Europees niveau worden er regels opgesteld voor het beheren van de vissersvloten en voor het behoud van de visbestanden.

c) De sociale dimensie

De doelstelling van het sociaal beleid van de Europese Unie is het wegnemen van de meest in het oog springende verschillen in de Europese samenleving. Het Europees Sociaal Fonds werd in 1961 opgericht om de werkgelegenheid te bevorderen en werknemers te helpen bij het veranderen van baan en/of hun verhuizing naar een ander geografisch gebied.

Financiële steun is niet het enige instrument waarmee de EU de sociale omstandigheden in Europa probeert te verbeteren. Geld alleen kan immers nooit alle problemen oplossen die worden veroorzaakt door economische recessie of door de ontwikkelingsachterstand van bepaalde regio’s. De groeidynamiek moet vooral leiden tot maatschappelijke vooruitgang. Dit gaat samen met wetgeving die een flink aantal minimumrechten garandeert. Een aantal van deze rechten zijn in de Verdragen vastgelegd, bijvoorbeeld het recht op gelijke beloning voor vrouwen en mannen die gelijke arbeid verrichten. Andere zijn vastgelegd in richtlijnen over de bescherming van werknemers (gezondheid en veiligheid op het werk) en essentiële veiligheidsnormen.

In het EU-Handvest van de sociale grondrechten van de werkenden, dat sinds 1997 deel uitmaakt van het EU-Verdrag, staan de rechten van alle werknemers in de EU: vrij verkeer, een billijk loon, betere arbeidsomstandigheden, sociale bescherming, het recht vakverenigingen op te richten en collectieve onderhandelingen te voeren, het recht op beroepsopleidingen, gelijke behandeling van mannen en vrouwen, werknemersvoorlichting, -raadpleging en –participatie, gezondheidsbescherming en veiligheid op het werk, bescherming van kinderen, ouderen en mensen met een handicap.

Momenteel worden er discussies gevoerd over de vraag hoe de Europese sociale bescherming kan worden georganiseerd op een arbeidsmarkt die in toenemende mate wordt beïnvloed door nieuwe technologieën en globalisering.

III. DE EU-BEGROTING

De Europese Unie beschikt voor de financiering van haar beleid over een jaarlijkse begroting die in 2017 meer dan 157 miljard euro bedraagt. Dit is ongeveer 1 % van het totale bruto nationaal inkomen van alle lidstaten samen.

Deze begroting wordt gefinancierd door wat de EU „eigen middelen” noemt. Deze middelen zijn hoofdzakelijk afkomstig van:

In 2017 is het geld als volgt verdeeld:

Iedere jaarlijkse begroting is een onderdeel van een zevenjarige begrotingscyclus, die het meerjarig financieel kader wordt genoemd. Dit wordt door de Europese Commissie opgesteld, moet unaniem door de EU-landen worden goedgekeurd en moet na onderhandelingen de instemming van het Europees Parlement krijgen. Het meerjarig financieel kader voor 2014-2020 is in 2013 vastgesteld. De totale uitgavenlimiet werd beperkt met ongeveer 3 % in reële termen ten opzichte van de vorige periode (2007-2013).

Dit uitgavenplan heeft als doel meer banen en groei te creëren in Europa, duurzame landbouw te ondersteunen en Europa milieuvriendelijker te maken. Er wordt meer financiering uitgetrokken voor onderzoek en innovatie, onderwijs en opleiding en externe betrekkingen. Ook zal een deel van de middelen specifiek gaan naar de bestrijding van criminaliteit en terrorisme, alsmede naar het migratie- en asielbeleid. Minstens 20 % van de EU-uitgaven in de periode 2014-2020 zal naar verwachting naar de aanpak van de klimaatverandering gaan.

Tien prioriteiten voor Europa

Sinds november 2014 heeft de Europese Commissie, onder leiding van Jean-Claude Juncker, de volgende tien topprioriteiten gesteld:

  1. Een nieuwe impuls voor banen, groei en investeringen
  2. Een connectieve digitale eengemaakte markt
  3. Een veerkrachtige energie-unie en een toekomstgericht klimaatveranderingsbeleid
  4. Een diepere en eerlijkere interne markt met een sterkere industriële basis
  5. Een diepere en billijkere Economische en Monetaire Unie
  6. Een redelijke en evenwichtige vrijhandelsovereenkomst met de Verenigde Staten
  7. Een op wederzijds vertrouwen gebaseerde ruimte van recht en grondrechten
  8. Een nieuw migratiebeleid
  9. Een krachtiger optreden op het wereldtoneel
  10. Een Unie van democratische verandering

Wie doet wat? Verdeling van verantwoordelijkheden tussen de EU en de EU-landen.

De Europese Unie is zelf verantwoordelijk voor:
  • de douane-unie
  • de regels voor concurrentie op de interne markt
  • het monetair beleid in de eurozone
  • de instandhouding van de biodiversiteit op zee in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid
  • het gemeenschappelijk handelsbeleid
  • het sluiten van internationale overeenkomsten, indien dit zo bepaald is in de EU-wetgeving
De Europese Unie en de EU-landen delen de verantwoordelijkheid voor:
  • de interne markt
  • sommige aspecten van het sociaal beleid, zoals vastgelegd in het Verdrag van Lissabon
  • de economische en sociale cohesie
  • de landbouw en visserij, met uitsluiting van de instandhouding van de biodiversiteit op zee
  • het milieu
  • de consumentenbescherming
  • het vervoer
  • de trans-Europese netwerken
  • het creëren van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht
  • sommige aspecten van de gemeenschappelijke volksgezondheidskwesties, zoals vastgelegd in het Verdrag van Lissabon
  • onderzoek, technologische ontwikkeling en ruimtevaart
  • ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp
Onderwerpen waarvoor de EU-landen zelf verantwoordelijk blijven en waar de EU alleen een ondersteunende of coördinerende rol kan spelen:
  • de bescherming en verbetering van de menselijke gezondheid
  • industrie
  • cultuur
  • toerisme
  • onderwijs, beroepsopleiding, jeugd en sport
  • civiele bescherming
  • bestuurlijke samenwerking

Hoofdstuk 6: De interne markt

Hoofdstuk 6: De interne markt

I. DE VERWEZENLIJKING VAN DE DOELSTELLING VAN 1993

a) De oorspronkelijke gemeenschappelijke markt

Door het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap uit 1957 konden de douanebarrières tussen de lidstaten worden afgeschaft en kon een gemeenschappelijk douanetarief op invoer uit landen buiten de Gemeenschap worden toegepast. Deze doelstelling werd op 1 juli 1968 gehaald.

Douanerechten waren echter maar één vorm van protectionisme. In de jaren zeventig stonden nog andere handelsbelemmeringen de voltooiing van de gemeenschappelijke markt in de weg. Typische obstakels voor het vrije verkeer van personen, goederen en kapitaal waren technische, gezondheids- en veiligheidsnormen, deviezencontroles en nationale regelgeving betreffende het recht om bepaalde beroepen uit te oefenen.

b) De doelstelling van 1993

In juni 1985 heeft de Commissie, onder leiding van voorzitter Jacques Delors, een witboek gepresenteerd dat een plan bevatte om in zeven jaar tijd alle fysieke, technische en fiscale hinderpalen voor het vrije verkeer binnen de EEG af te schaffen. Het was de bedoeling om zo de handel en de industriële activiteit te stimuleren in de „interne markt”: een groot eengemaakt economisch gebied dat vergelijkbaar zou zijn met de Amerikaanse markt.

De onderhandelingen tussen de lidstaten leidden tot een nieuw verdrag: de Europese Akte, die in juli 1987 van kracht werd. Door de Europese Akte:

II. DE INTERNE MARKT WORDT VERDER UITGEBOUWD

a) Fysieke belemmeringen

Binnen de EU zijn alle grenscontroles voor goederen afgeschaft, net als de douanecontroles op personen. De politie blijft wel steekproefsgewijze controles houden in het kader van de strijd tegen criminaliteit en drugs.

In juni 1985 ondertekenden vijf van de tien lidstaten het Schengenakkoord, waardoor hun nationale politiediensten gingen samenwerken en er een gemeenschappelijk asiel- en visumbeleid kwam. Hierdoor konden de personencontroles aan de grenzen tussen de Schengenlanden volledig worden afgeschaft (zie hoofdstuk 10: Een Europa van vrijheid, veiligheid en recht). Vandaag de dag bestaat het Schengengebied uit 26 Europese landen, waaronder 4 die geen lid zijn van de Europese Unie (IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en Zwitserland).

b) Technische belemmeringen

De EU-landen zijn overeengekomen om elkaars regels voor de verkoop van de meeste goederen te erkennen. Sinds het beroemde Cassis de Dijon-arrest van het Europees Hof van Justitie uit 1979 moet ieder product dat legaal in één EU-land wordt geproduceerd en verkocht, ook in alle andere EU-landen op de markt toegelaten zijn.

In verband met diensten erkennen de EU-landen elkaars nationale regels of coördineren zij deze, waardoor mensen uit andere EU-landen actief kunnen zijn in juridische en medische beroepen, in het toerisme, in het bankwezen en in verzekeringen. Het vrije verkeer van personen is echter nog niet volledig gerealiseerd. Ondanks de richtlijn van 2005 over de erkenning van beroepskwalificaties zijn er nog steeds belemmeringen voor mensen die naar een ander EU-land willen verhuizen of daar bepaalde beroepen willen uitoefenen. Toch wordt dit steeds makkelijker voor gekwalificeerde professionals (of ze nu advocaat, dokter, bouwvakker of loodgieter zijn).

De Europese Commissie heeft maatregelen genomen om de mobiliteit van werknemers te verbeteren, zodat onder andere diploma’s en beroepskwalificaties uit het ene EU-land in alle andere worden erkend.

Sommige mensen werken tijdelijk in een ander EU-land, bijvoorbeeld als een bouwbedrijf een project in een ander EU-land heeft dan waar het is gevestigd. Volgens de EU-regels moeten de arbeidsvoorwaarden voor deze zogeheten gedetacheerde werknemers op hetzelfde niveau zijn als voor andere werknemers in het land waar het werk wordt verricht.

c) Fiscale belemmeringen

De fiscale belemmeringen zijn verminderd door een gedeeltelijke gelijkschakeling van de nationale btw-tarieven. De lidstaten hebben gemeenschappelijke regels en minimumtarieven afgesproken om concurrentieverstoring tussen landen binnen de EU te voorkomen.

d) Overheidsopdrachten

Opdrachten voor werkzaamheden in de openbare sector vormen een belangrijk onderdeel van de economie: zij zijn goed voor 19 % van het bbp. Opdrachten staan nu open voor gegadigden uit de hele Unie. Dit werd mogelijk dankzij richtlijnen over diensten, leveringen en werken in een heleboel sectoren zoals water, energie en telecommunicatie.

De interne markt komt alle consumenten ten goede. Zo heeft het openstellen van de nationale markten voor diensten de tarieven voor nationale telefoongesprekken herleid tot een fractie van die van 10-15 jaar geleden. De concurrentiedruk heeft in Europa verder ook de prijzen van vliegtuigtickets opmerkelijk goedkoper gemaakt.

III. WERK IN UITVOERING

a) Financiële diensten

In 2008 heeft de subprime-hypotheekcrisis in de Verenigde Staten een zware financiële crisis ontketend die in de hele wereld banksystemen en economieën op hun grondvesten deed daveren en de Europese Unie in 2009 in een recessie deed belanden. Als reactie hierop volgde onder meer een hervorming van de manier waarop banken en financiële instellingen functioneren, zodat zij transparanter worden en verantwoording moeten afleggen. Dit was mogelijk door de oprichting van de bankenunie. De nieuwe EU-regels bieden een betere bescherming voor bankdeposito’s, verhogen het kapitaal dat banken moeten aanhouden om ze stabieler te maken, reguleren gecompliceerde financiële producten en stellen limieten aan de bonussen voor bankdirecteurs. De banken in de eurozone vallen onder toezicht van een Europees systeem onder leiding van de Europese Centrale Bank. Er zijn ook nieuwe regels voor de manier waarop falende banken moeten worden gesloten. Er is nu een speciaal fonds dat ervoor zorgt dat deze sluitingen op kosten van de banken en niet van de belastingbetaler plaatsvinden.

De Europese leiders werken aan het versterken van de eengemaakte kapitaalmarkten. Het doel is om het voor kleine bedrijven gemakkelijker te maken om hun activiteiten te financieren en het aantrekkelijker te maken om in Europa te investeren.

Er wordt ook nagedacht over een hervorming van de vennootschapsbelasting. Daarbij wordt uitgegaan van het idee dat de EU-landen het eens moeten worden over gemeenschappelijke regels voor de berekening van de basis waarop zij vennootschapsbelasting heffen. Landen zouden nog steeds verschillende belastingtarieven hebben, maar dankzij gemeenschappelijke regels zou het voor bedrijven veel goedkoper worden om in andere lidstaten zaken te doen, en zou belastingontwijking worden tegengegaan. Individuele landen zouden bedrijven dan ook geen aantrekkelijke belastingregelingen meer kunnen aanbieden om investeringen uit het buitenland aan te trekken.

Een man gebruikt zijn smartphone.

Door de telecommarkt open te stellen voor concurrentie, heeft de EU de prijzen flink doen dalen.

b) Piraterij en namaak

Producten uit de EU moeten worden beschermd tegen piraterij en namaak. Volgens schattingen van de Europese Commissie kosten die misdrijven de EU jaarlijks duizenden banen. Daarom werken de Commissie en de nationale regeringen samen aan een betere bescherming van copyright en octrooien.

IV. HET BELEID DAT TEN GRONDSLAG LIGT AAN DE INTERNE MARKT

a) Vervoer

De activiteiten van de EU hebben zich vooral toegespitst op de vrije verstrekking van diensten inzake landvervoer. Dit betekent met name dat vervoerbedrijven uit alle EU-landen vrije toegang krijgen tot de internationale vervoersmarkt en worden toegelaten tot de nationale vervoersmarkt van de andere EU-landen. De EU levert ook inspanningen om de eerlijke mededinging in de sector van het wegverkeer te verzekeren, bijvoorbeeld door geharmoniseerde regels betreffende kwalificaties van werknemers en toegang tot de markt, de vrijheid een bedrijf op te richten en diensten te verlenen, rijtijden en verkeersveiligheid.

Het luchtvervoer was in Europa vroeger hoofdzakelijk in handen van nationale luchtvaartmaatschappijen en luchthavens die in handen van de overheid waren. De interne markt heeft daar verandering in gebracht. Alle luchtvaartmaatschappijen uit de EU mogen nu op alle routes binnen de EU luchtdiensten exploiteren en zelf hun prijzen bepalen. Hierdoor zijn veel nieuwe routes opengesteld en zijn de prijzen sterk gedaald. Zowel passagiers als luchtvaartmaatschappijen, luchthavens en personeel zijn er wel bij gevaren.

De passagiers hebben eveneens baat bij een grotere concurrentie tussen spoorwegmaatschappijen.

De scheepvaart, door Europese ondernemingen of door schepen die niet onder de vlag van een land uit de Europese Unie varen, valt onder de Europese mededingingsregels. Deze regels dienen om oneerlijke prijsstellingsmethoden te bestrijden (goedkope vlaggen) en de problemen van de Europese scheepsbouwindustrie te verhelpen.

De EU financiert ambitieuze projecten rond nieuwe technologie zoals het satellietnavigatiesysteem Galileo, het Europees systeem voor het beheer van het spoorwegverkeer en Sesar, een programma voor de modernisering van luchtverkeersbeveiligingssystemen. De voorschriften voor een veilig wegverkeer (voertuigonderhoud, vervoer van gevaarlijke stoffen en veiligheid van de wegen) zijn veel strenger geworden. De rechten van de passagiers worden beter beschermd dankzij de toepassing van een uitgebreid pakket aan rechten voor alle vormen van vervoer: over de weg, door de lucht, per spoor of over het water. Alle passagiers in de EU, onder wie personen met een handicap of personen met beperkte mobiliteit, hebben het recht op juiste, bijtijdse en toegankelijke informatie, bijstand en, in bepaalde gevallen, compensatie bij annulering of grote vertragingen. Investeren in vervoersinfrastructuur is een van de belangrijkste prioriteiten van het investeringsplan voor Europa waarmee de EU in 2014 is gestart.

Een bankbediende bestudeert de financiële markten op haar computerschermen.

Met de „bankenunie” heeft de EU strengere regels vastgesteld om te garanderen dat de banken betrouwbaar functioneren.

b) Concurrentie

Het EU-concurrentiebeleid is essentieel om ervoor te zorgen dat de concurrentie binnen de Europese interne markt niet alleen vrij maar ook eerlijk verloopt. De Europese Commissie voert dit beleid uit en ziet er samen met het Hof van Justitie op toe dat het geëerbiedigd wordt.

Het mededingingsbeleid moet ervoor zorgen dat alle bedrijven in de eengemaakte markt eerlijk en op gelijke basis met elkaar concurreren, wat in het voordeel werkt van de consument, het bedrijfsleven en de Europese economie als geheel.

Alle afspraken die onder de regels van het Verdrag vallen, moeten door de betrokken ondernemingen of instanties bij de Europese Commissie worden aangemeld. Ook fusies of overnames die ondernemingen op een bepaalde markt een dominante positie kunnen bezorgen, moeten bij de Commissie worden aangemeld. De Commissie kan ondernemingen die de concurrentieregels overtreden of de verplichting tot aanmelding niet nakomen, rechtstreeks beboeten. Zo kreeg Microsoft in 2008 een boete van 900 miljoen euro. In 2017 heeft de Commissie Google een geldboete van 2,42 miljard euro opgelegd wegens misbruik van de dominante machtspositie van zijn zoekmachine door bevoordeling van de resultaten van eigen prijsvergelijkingen ten opzichte van die van concurrenten.

Als een EU-land onwettige steun verleent of steun niet aanmeldt, kan de Commissie eisen dat deze steun wordt terugbetaald. Belastingvoordelen die regeringen aan afzonderlijke ondernemingen geven, kunnen ook worden gezien als verboden staatssteun. Zo kwam de Europese Commissie in augustus 2016 tot de conclusie dat Ierland de onderneming Apple voor 13 miljoen euro onrechtmatige belastingvoordelen had verleend.

c) Bescherming van de consument en de volksgezondheid

De EU-wetgeving op dit gebied is bedoeld om alle consumenten dezelfde financiële en gezondheidsbescherming te bieden, ongeacht waar ze in de EU wonen, reizen of winkelen. De behoefte aan bescherming die in de hele EU geldt, werd pijnlijk duidelijk toen er eind jaren negentig problemen met de voedselveiligheid rezen, o.a. door de gekkekoeienziekte. Daarom werd in 2002 de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid opgericht, die voor een degelijke wetenschappelijke basis voor de voedselveiligheidswetgeving moet zorgen.

Ook op veel andere gebieden is er behoefte aan consumentenbescherming op Europees niveau. Daarom zijn er allerhande EU-richtlijnen voor de veiligheid van cosmetica, speelgoed en vuurwerk, om maar enkele voorbeelden te noemen. In 1993 is het Europees Geneesmiddelenbureau opgericht, dat aanvragen voor Europese vergunningen voor het in de handel brengen van geneesmiddelen behandelt. Geen enkel geneesmiddel mag zonder vergunning in de EU in de handel worden gebracht.

De Europese Unie neemt ook maatregelen om de consument te beschermen tegen bedrieglijke of misleidende reclame, defecte producten en misbruiken op het gebied van consumentenkrediet, postorderverkoop en onlineverkoop.

Hoofdstuk 7: De euro

Hoofdstuk 7: De euro

I. HOE DE EURO TOT STAND KWAM

a) Het Europees Monetair Stelsel

In 1971 besloten de Verenigde Staten een einde te maken aan de koppeling tussen de dollar en de officiële goudprijs, die na de Tweede Wereldoorlog voor wereldwijde monetaire stabiliteit had gezorgd. Zo kwam er een einde aan het stelsel van vaste wisselkoersen. De presidenten van de centrale banken van de EEG-landen besloten de koersschommelingen tussen hun munten tot 2,25 % te beperken. Zo ontstond het Europees Monetair Stelsel, dat in maart 1979 in werking trad.

Op de Europese Raad van juni 1989 te Madrid werd een driestappenplan voor een Economische en Monetaire Unie aangenomen. Dit plan werd een onderdeel van het Verdrag van Maastricht betreffende de Europese Unie, dat in december 1991 door de Europese Raad werd aangenomen.

b) Economische en Monetaire Unie in drie fasen

De eerste fase, die op 1 juli 1990 begon, omvatte:

De tweede fase begon op 1 januari 1994 en omvatte:

De derde fase was de geboorte van de euro. Van 1 januari 1999 tot 1 januari 2002 werd de euro geleidelijk ingevoerd als gemeenschappelijke munt van de deelnemende EU-landen (België, Duitsland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal en Spanje). De Europese Centrale Bank volgde het Europees Monetair Instituut op en werd verantwoordelijk voor het monetair beleid dat nu in de nieuwe munteenheid werd bepaald en uitgevoerd.

Drie landen (Denemarken, Zweden en het Verenigd Koninkrijk) besloten om politieke en technische redenen de euro niet meteen in te voeren. Slovenië werd in 2007 lid van de eurozone, in 2008 gevolgd door Cyprus en Malta, in 2009 door Slowakije, in 2011 door Estland, in 2014 door Letland en in 2015 door Litouwen.

De eurozone bestaat nu dus uit 19 EU-landen en elk van de andere lidstaten zal naar verwachting ook toetreden zodra zij voldoen aan de voorwaarden, behalve de landen die tijdens de onderhandelingen over het Verdrag een uitzondering hebben bedongen.

c) De convergentiecriteria

Om tot de eurozone te kunnen toetreden, moet een EU-land aan de volgende vijf convergentiecriteria voldoen:

Een kop koffie op een tafel in een restaurant met eurobiljetten en -munten.

Sinds 1999 kunnen consumenten en bedrijven de prijzen gemakkelijker vergelijken dankzij een gemeenschappelijke munt, de euro.

d) Het stabiliteits- en groeipact

In juni 1997 heeft de Europese Raad van Amsterdam een stabiliteits- en groeipact aangenomen. Dit pact gaf vorm aan het voornemen om permanent naar begrotingsstabiliteit te streven, en maakte het mogelijk om boetes op te leggen aan elk land uit de eurozone met een begrotingstekort van meer dan 3 %. Hetzelfde idee werd verder versterkt in 2012, toen de regeringen van 25 EU-landen een internationale overeenkomst ondertekenden dat het „Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de Economische en Monetaire Unie” werd genoemd. Door dit verdrag, ook wel het begrotingspact genoemd, werden de deelnemende landen verplicht om regels inzake begrotingsevenwicht in nationale wetgeving te verankeren.

Na jaren van wereldwijde economische crisis voldoen sommige landen van de eurozone nog lang niet aan de criteria van deze overeenkomsten. De Commissie en de Eurogroep blijven hen aansporen om aan de criteria te voldoen, vooral wat betreft het verlagen van hun overheidsschulden.

e) De Eurogroep

De Eurogroep is samengesteld uit de ministers van Financiën van de landen uit de eurozone. Ze komen bijeen om hun economisch beleid op elkaar af te stemmen en het financieel en begrotingsbeleid van hun landen te volgen. De Eurogroep vertegenwoordigt de belangen van de euro in internationale fora. In januari 2013 werd de Nederlandse minister van Financiën Jeroen Dijsselbloem verkozen tot voorzitter van de Eurogroep. In juli 2015 werd hij voor een tweede termijn herkozen.

II. ECONOMISCH EN MONETAIR BELEID SINDS 2008

a) De effecten van de financiële crisis

De financiële crisis van 2008 heeft de overheidsschuld van de meeste EU-landen gevoelig doen stijgen. De euro heeft de kwetsbaarste economieën beschermd tegen het devaluatierisico toen de crisis toesloeg en ze te maken kregen met aanvallen van speculanten op de wereldwijde financiële markten.

Een koppel dineert in een restaurant aan de waterkant in Griekenland.

Het Europees stabiliteitsmechanisme heeft EU-landen geholpen die bijzonder hard zijn getroffen door de economische crisis, zoals Griekenland.

Aan het begin van de crisis kwamen veel banken in moeilijkheden: zij moesten worden gered door de nationale overheden waardoor de overheidsschulden toenamen. Daarna richtte de aandacht zich op de overheidsschulden: sommige landen met een grote overheidsschuld en een groeiend begrotingstekort waren met name het doelwit in de winter van 2009-2010. Om die reden hebben de EU-leiders het Europees stabiliteitsmechanisme opgezet. Deze buffer heeft een kredietverleningscapaciteit van 500 miljoen euro in fondsen die door de eurolanden worden gegarandeerd en wordt gebruikt om de financiële stabiliteit in de eurozone zeker te stellen. Tussen 2010 en 2013 hebben vijf landen (Cyprus, Griekenland, Ierland, Portugal en Spanje) overeenkomsten met de verschillende EU-organen en het Internationaal Monetair Fonds gesloten voor financiële bijstand. De overeenkomsten zijn afgestemd op de situatie in elk land, maar bevatten in het algemeen wel hervormingen om de efficiëntie van de openbare sector in de desbetreffende landen te verbeteren. Eind 2013 was Ierland het eerste land dat het afgesproken economische aanpassingsprogramma afrondde en onmiddellijk weer rechtstreeks op de kapitaalmarkten geld ging lenen. Portugal en Spanje gingen ook vooruit en de EU-bijstand voor deze landen eindigde in 2014. Cyprus volgde in 2016.

Voor Griekenland was het echter moeilijker om structurele economische hervormingen door te voeren, zoals het stroomlijnen van de openbare sector, het doorvoeren van privatiseringen en het opzetten van houdbare pensioenstelsels. Deze hervormingen werden afgesproken in het kader van twee bijstandsprogramma’s in 2010 en 2014. De programma’s werden gefinancierd door de EU, de Europese Centrale Bank en het Internationaal Monetair Fonds voor een totale waarde van 226 miljard euro. Er waren lange en complexe onderhandelingen nodig voor er in juli 2015 een derde overeenkomst werd bereikt, gebaseerd op een ferme toezegging van de Griekse regering om een beleid te voeren dat de overheidsfinanciën zou verbeteren en de economie zou hervormen.

b) Versterking van de euro

Als onderdeel van de reactie op de crisis hebben de EU-landen en -instellingen zich gebaseerd op een aantal bepalingen van het Verdrag van Lissabon om het economisch bestuur van de EU te versterken. In een proces dat het Europees Semester wordt genoemd, worden de lidstaten verplicht om in oktober van elk jaar hun ontwerpbegroting voor het volgende jaar bij de Commissie in te dienen. Zo nodig moeten zij het ontwerp aanpassen aan de hand van de opmerkingen die de Commissie maakt over verdere maatregelen die nodig zijn om de eerder afgesproken doelstellingen te bereiken. Voorafgaande besprekingen over de nationale begrotingsplannen, toezicht op de nationale economieën en striktere regels betreffende concurrentiekracht, met sancties voor landen die de financiële regels met de voeten treden, vormen steeds meer de basis voor een economisch en monetair bestuur van de eurozone.

Ingevolge de wereldwijde financiële en economische veranderingen moet de EU dus krachtdadiger optreden om ervoor te zorgen dat de EU-landen hun begrotingen op een verantwoorde manier beheren en elkaar financieel steunen. Alleen zo kan de euro een geloofwaardige gemeenschappelijke munt blijven en kunnen de EU-landen samen de economische uitdagingen van de globalisering aan. Zowel de Commissie als het Europees Parlement benadrukt het belang van coördinatie tussen het nationaal economisch en sociaal beleid van de verschillende lidstaten, omdat de Europese gemeenschappelijke munt op lange termijn niet kan overleven zonder een vorm van gemeenschappelijk economisch bestuur.

In september 2015 heeft voorzitter Jean-Claude Juncker van de Commissie zijn voorstellen gepresenteerd over hoe de eurozone kan worden versterkt. Deze waren gebaseerd op een verslag van de vijf voorzitters van de EU-instellingen die zich bezighouden met de euro. Het plan omvat een gemeenschappelijk stelsel om bankdeposito’s te garanderen; één vertegenwoordiger van de eurozone in mondiale financiële instellingen zoals het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank; een democratischer en efficiënter systeem om toezicht te houden op de nationale begrotingen; coördinatie van het fiscaal beleid, en een basis voor de regels inzake sociale bescherming en de arbeidsmarkt. Uiteindelijk zou dit kunnen leiden tot de oprichting van een gemeenschappelijke schatkist voor de eurozone.

De Europese Centrale Bank ziet het nu als een van haar taken om te helpen de economie aan te zwengelen. In 2015 heeft de bank de zogeheten kwantitatieve versoepeling ingevoerd, waarbij de bank schulden, met name overheidsschulden, opkoopt om de economie te stimuleren. Hierdoor gaat de rente omlaag, wat investeringen stimuleert en de overheidsschulden verlicht. Bovendien daalt daardoor de wisselkoers van de euro ten opzichte van andere valuta’s, wat goed is voor de Europese export.

Hoofdstuk 8: Investeringen en groei in de digitale economie

Hoofdstuk 8: Investeringen en groei in de digitale economie

HET DOEL VAN HET ECONOMISCH BELEID VAN DE EU IS OM:

I. EUROPA GETROFFEN DOOR DE CRISIS

Aan het begin van de jaren negentig begon de globalisering de economie en het dagelijks leven van mensen over de hele wereld ingrijpend te veranderen. De economieën in de hele wereld werden steeds meer afhankelijk van elkaar. De productie in Europa kreeg te maken met forse concurrentie van opkomende economieën zoals China en andere Aziatische landen, die vanwege hun lage lonen competitiever waren. Dit veroorzaakte een grote schok in het Europese maatschappelijke model, dat gebaseerd is op openbare sociale diensten en een hoge levensstandaard.

Maar tegelijkertijd ontstonden door de technologische revolutie, waaronder de ontwikkeling van het internet en nieuwe informatie- en communicatietechnologieën, nieuwe mogelijkheden voor groei en werkgelegenheid.

Meer recentelijk werd de wereld geteisterd door grote financiële en economische crises. De crisis begon in de Amerikaanse financiële sector met de zogeheten subprimeleningen, waarbij het hoge schuldenniveau de situatie nog verergerde. Dit leidde tot een ernstige economische neergang en hogere werkloosheid in Europa, met als gevolg de ergste crisis sinds die van 1929, die uiteindelijk tot de Tweede Wereldoorlog leidde. De sociale gevolgen van de recessie — die in 2010 het hoogste punt bereikte en vanaf 2014 na matige groei begon af te zwakken — werden duidelijk uit de dramatische stijging van de werkloosheid, met name in Zuid-Europa en onder jongeren.

II. WAT WERD ER OP NATIONAAL EN EUROPEES NIVEAU GEDAAN?

De inspanningen om de economie aan te zwengelen, waren vooral nodig op nationaal niveau. De belangrijkste prioriteit voor de EU-landen was een vermindering van hun overheidsschuld, die na de crisis was opgelopen als gevolg van de hogere sociale uitgaven. Sommige landen streefden dit doel rigoureus na, terwijl andere om meer tijd moesten vragen voor het behalen van het afgesproken streefdoel, met name een overheidsschuld van maximaal 3 %. Vanzelfsprekend hadden de politieke keuzes van elke regering bij het aanpakken van de crisis directe gevolgen voor hun burgers: zouden zij een hogere pensioengerechtigde leeftijd, lagere ziektekostenvergoedingen, een minder goede kwaliteit van de sociale voorzieningen of een modernisering van hun overheidsdiensten accepteren? Of welke gevolgen hebben de militaire uitgaven voor hun veiligheid en moeten die worden verlaagd, op een bepaald niveau blijven of in tijden van internationale onrust worden verhoogd?

De EU en haar instellingen hebben ook in deze tijd een actieve rol gespeeld om de economie aan te jagen. Niet alleen zijn maatregelen genomen om de Economische en Monetaire Unie te consolideren (zie hoofdstuk 7), de Commissie is bovendien gestart met diverse initiatieven om de productiviteit en de sociale samenhang te verbeteren.

Een groep jonge ondernemers brainstormt over nieuwe ideeën.

Jongeren kunnen meer nieuwe bedrijven oprichten als zij financiering kunnen vinden dankzij een efficiënte kapitaalmarkt in Europa.

Als onderdeel van deze strategie hebben de 28 EU-landen afgesproken om:

Jean-Claude Juncker begon zijn ambtstermijn als voorzitter van de Commissie in 2014 met een ambitieus programma om de groei, werkgelegenheid en investeringen te stimuleren. Hij lanceerde zijn „investeringsplan voor Europa”, met als doel de investeringen tussen 2015 en 2017 met 315 miljard euro te doen toenemen. Dit was mogelijk dankzij het nieuwe Europees Fonds voor strategische investeringen in samenwerking met de Europese Investeringsbank. Gezien het succes van dit Fonds in het eerste jaar stelde voorzitter Juncker in september 2016 in zijn „Staat van de Unie” voor om de duur van het Fonds te verdubbelen en tegen 2020 500 miljard euro en tegen 2022 tot 630 miljard euro aan investeringen te verstrekken. Het Fonds garandeert leningen voor publieke of particuliere investeringen die anders wellicht niet zouden hebben plaatsgevonden. Het Fonds heeft toegang tot een startbedrag aan publieke middelen, wat betekent dat het een hefboomeffect heeft voor het aantrekken van particuliere investeringen voor dezelfde projecten. Het Fonds is gericht op investeringen in infrastructuur, met name supersnelle datanetwerken en energienetwerken, vervoersinfrastructuur, onderwijs, onderzoek en innovatie, hernieuwbare energie en kleine ondernemingen. In 2016 heeft de Commissie voorgesteld om volgens hetzelfde systeem investeringen in Afrika en de buurlanden van Europa te stimuleren.

III. EEN CONNECTIEVE DIGITALE EENGEMAAKTE MARKT

Internet en digitale technologieën spelen een belangrijke rol in het creëren van de banen van de toekomst. Europeanen lopen op bepaalde vlakken weliswaar voorop, maar toch worden niet alle digitale mogelijkheden voor mensen en bedrijven gebruikt. Slechts 15 % van de EU-burgers winkelt online in andere EU-landen. Internetbedrijven en starters profiteren niet optimaal van de onlinegroeimogelijkheden: slechts 7 % van de kleine bedrijven verkoopt over de grens.

Een jong meisje met een hoofdtelefoon dat met een tablet speelt, zit in een trein naast een oudere vrouw.

Toegang tot films, muziek en IT-diensten uit andere EU-landen, dat noemen wij de „digitale eengemaakte markt”.

Daarom kwam de Commissie in 2015 met een actieplan om een volledig eengemaakte digitale markt te realiseren. Dit betekent onder andere het coördineren van het contractenrecht voor onlineaankopen ten behoeve van een betere consumentenbescherming, goedkopere bezorging van pakketjes over de grens, beëindiging van geoblocking waarbij sommige onlinediensten niet in alle landen verkrijgbaar zijn, modernisering van de auteursrechten en herziening van de regels voor telecombedrijven. Volgens de Commissie kunnen deze maatregelen leiden tot 415 miljard euro aan extra groei van de EU-economie en 3,8 miljoen nieuwe banen.

Hoofdstuk 9: Wat betekent het om EU-burger te zijn?

Hoofdstuk 9: Wat betekent het om EU-burger te zijn?

I. REIZEN, WONEN EN WERKEN IN EUROPA

Het burgerschap van de Europese Unie is vastgelegd in artikel 20, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie: „Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie komt naast het nationale burgerschap doch komt niet in de plaats daarvan.” Maar wat betekent het burgerschap van de Europese Unie in de praktijk?

Als EU-burger hebt u het recht vrij te reizen, werken en wonen in de hele Europese Unie.

Als u een universitaire opleiding van minimaal drie jaar hebt gevolgd, wordt uw diploma overal in de EU erkend. De EU-landen hebben namelijk vertrouwen in de kwaliteit van elkaars onderwijs- en opleidingssystemen.

Kapsters aan het werk in een kapsalon.

Europeanen mogen in elk EU-land van hun keuze wonen en werken.

U kunt in elk EU-land in de gezondheidszorg, het onderwijs en andere overheidsdiensten (behalve voor de politie, het leger enzovoort) werken. Want wat is logischer dan dat een Duitse docent wordt aangenomen om Duits te onderwijzen aan leerlingen in Rome of dat een jonge Belgische gediplomeerde wordt gestimuleerd haar kans te wagen bij een door de Franse overheid georganiseerd examen?

Voordat u binnen de EU gaat reizen, kunt u bij uw nationale instanties een Europese ziektekostenverzekeringskaart aanvragen. Met deze kaart worden uw medische kosten vergoed als u ziek wordt terwijl u in een ander land bent.

II. HOE U UW RECHTEN ALS EUROPEES BURGER KUNT LATEN GELDEN

Als burger van de Europese Unie bent u niet alleen maar een werknemer of een consument: u hebt ook bepaalde politieke rechten. Sinds het Verdrag van Maastricht hebt u, ongeacht uw nationaliteit, actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen en verkiezingen voor het Europees Parlement in het land waar u woont.

Sinds 2012 hebt u daarnaast het recht bij de Commissie een petitie in te dienen voor een nieuw wetgevingsvoorstel. U moet dan wel een miljoen mensen uit minstens zeven EU-landen bereid vinden om uw petitie te ondertekenen.

III. GRONDRECHTEN

Dat de Europese Unie de rechten van de burgers hoog in het vaandel draagt, werd in december 2000 in Nice duidelijk gemaakt. De Europese Raad kondigde toen plechtig het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie af. Dit Handvest is opgesteld door leden van de nationale parlementen en van het Europees Parlement, vertegenwoordigers van de nationale regeringen en een lid van de Europese Commissie. In 54 artikelen, onderverdeeld in 6 hoofdstukken (waardigheid, vrijheden, gelijkheid, solidariteit, burgerschap en rechtspleging), wordt aangegeven wat de fundamentele waarden van de Europese Unie zijn en welke politieke, economische, sociale en burgerrechten de EU-burgers hebben.

De openingsartikelen gaan over de menselijke waardigheid en het recht op leven, menselijke integriteit en vrijheid van meningsuiting en geweten. In het hoofdstuk over solidariteit worden de sociale en economische rechten bijeengebracht. Tot die rechten behoren onder meer:

Het Handvest bevordert ook de gelijkheid van mannen en vrouwen. Daarnaast introduceert het Handvest enerzijds rechten, zoals het recht op de bescherming van persoonsgegevens, het recht op een hoog niveau van milieubescherming, de rechten van kinderen en ouderen en het recht op behoorlijk bestuur, en anderzijds verboden, zoals het verbod op praktijken met betrekking tot rasverbetering en het reproductief klonen van mensen.

Het Verdrag van Lissabon, dat sinds 1 december 2009 van kracht is, geeft het Handvest dezelfde rechtskracht als de Verdragen. Het kan dus als basis worden gebruikt om een rechtszaak aan te spannen bij het Europees Hof van Justitie. Een protocol specificeert evenwel de toepassing van het Handvest in Polen en het Verenigd Koninkrijk.

Artikel 6 van het Verdrag van Lissabon biedt de EU een rechtskader om het Europees Verdrag van de rechten van de mens te ondertekenen. Dit verdrag zou dan zelf rechtskracht hebben in de EU-landen, waardoor de rechten van de mens in de Europese Unie beter zouden worden beschermd.

IV. EUROPA BETEKENT ONDERWIJS EN CULTUUR

Het gevoel bij elkaar te horen en een gemeenschappelijke toekomst te hebben, kan niet kunstmatig worden gecreëerd. Dit gevoel kan alleen ontstaan uit een besef van een gemeenschappelijke culturele identiteit. Daarom is het belangrijk dat Europa zijn aandacht niet alleen op de economie, maar ook op onderwijs, burgerschap en cultuur richt.

De EU schrijft niet voor hoe de scholen en het onderwijs georganiseerd moeten worden of hoe het studieprogramma er precies moet uitzien: dat wordt op nationaal of lokaal niveau beslist. De EU heeft wel speciale programma’s onder de naam Erasmus+ opgezet om uitwisselingen op onderwijsgebied te stimuleren. Hierdoor kunnen jongeren nieuwe talen leren, deelnemen aan gezamenlijke activiteiten met scholen in andere landen en naar het buitenland gaan om een studie te volgen. Naar verwachting zullen in de periode 2014-2020 ruim vier miljoen mensen van deze steun profiteren, nu het budget ten opzichte van de vorige periode met 40 % verhoogd is tot 16 miljard euro.

De Europese landen werken (via het Bolognaproces) samen om een Europese ruimte voor hoger onderwijs te creëren. Dit betekent bijvoorbeeld dat de universitaire opleidingen in alle betrokken landen vergelijkbare en wederzijds erkende titels (bachelor, master en doctoraat) zullen opleveren.

Op het vlak van cultuur beschikt de EU over het programma Creatief Europa, dat de samenwerking tussen programmamakers, regisseurs, organisatoren, omroeporganisaties en culturele instanties uit verschillende landen bevordert. Dat vormt een stimulans om meer Europese audiovisuele producten te maken, wat het evenwicht tussen de Europese en de Amerikaanse productie helpt te herstellen.

Een van de belangrijkste kenmerken van Europa is de verscheidenheid aan talen. Het in stand houden van deze verscheidenheid is dan ook een belangrijke doelstelling van de EU. Meertaligheid is van groot belang voor de manier waarop de Europese Unie werkt. De wetgeving van de EU moet in alle 24 officiële talen beschikbaar worden gesteld, en elk lid van het Europees Parlement heeft het recht om in een van deze talen deel te nemen aan de debatten.

V. DE OMBUDSMAN EN HET RECHT VAN PETITIE

Om de EU dichter bij haar burgers te brengen, is bij het Verdrag van Maastricht de functie van Europese Ombudsman ingesteld. De Ombudsman wordt door het Europees Parlement verkozen en zijn ambtstermijn duurt tot het einde van de zittingsperiode van het Parlement. De Ombudsman heeft als taak klachten tegen EU-instellingen en -organen te onderzoeken. Elke EU-burger en elke persoon of organisatie die in een EU-land woont of is gevestigd, heeft het recht om een klacht in te dienen bij de Ombudsman.

Elke inwoner van een EU-land kan een petitie indienen bij het Europees Parlement. Dit is ook een belangrijke schakel tussen de Europese instellingen en het publiek.

VI. HET GEVOEL BIJ ELKAAR TE HOREN

Het idee van een „Europa van de burgers” is heel nieuw. Er bestaan al een aantal symbolen voor de gemeenschappelijke Europese identiteit, zoals het Europees paspoort dat sinds 1985 in gebruik is. De EU heeft een motto („In verscheidenheid verenigd”) en op 9 mei wordt de Dag van Europa gevierd.

Het Europese volkslied („Ode aan de Vreugde” van Beethoven) en de Europese vlag (een cirkel van twaalf gouden sterren tegen een blauwe achtergrond) zijn in 1985 aangenomen als de belangrijkste EU-symbolen. Deze mogen worden gebruikt door de EU-landen, lokale autoriteiten en individuele burgers.

Maar mensen kunnen pas het gevoel hebben dat ze bij de Europese Unie horen als ze weten wat de EU precies doet en waarom. De EU-instellingen en -landen moeten meer doen om de burgers aan te spreken, die de EU vaak afstandelijk en niet erg toegankelijk vinden.

Ook moeten de mensen kunnen merken dat de EU een tastbaar verschil maakt voor hun leven. In dat opzicht heeft de invoering van de euro in 2002 een groot effect gehad. Omdat de prijzen van goederen en diensten in euro’s worden aangegeven, kan de consument nu rechtstreeks de prijzen van het ene land met die van het andere land vergelijken.

De grenscontroles tussen de meeste EU-landen zijn bij het Schengenakkoord afgeschaft. Dit geeft de burgers het gevoel dat ze bij één verenigd geografisch gebied horen.

Het gevoel bij de EU te horen, ontstaat vooral wanneer de mensen zich persoonlijk betrokken voelen bij de besluitvorming van de EU. Elke volwassen EU-burger heeft het recht om zich verkiesbaar te stellen en te stemmen bij verkiezingen voor het Europees Parlement. Dat vormt een belangrijke basis voor de democratische legitimiteit van de EU. De indirecte verkiezing van de voorzitter van de Europese Commissie tijdens de Europese verkiezingen van mei 2014, waarbij de politieke partijen elk hun eigen kandidaat mochten voordragen, was een stap die het zogeheten democratische tekort in de loop der tijd waarschijnlijk kleiner zal maken. Tegelijkertijd was het feit dat de populisten en de eurosceptische partijen stemmenwinst haalden, een waarschuwingssignaal voor de EU-instellingen.

Een laptop en dossiers, een knuffel en een melkfles van een baby in een keuken.

Een van de grondrechten in het Handvest van de grondrechten van de EU is het recht op een goede balans tussen werk en privéleven.

De Europese Unie werd opgericht om de burgers van Europa te dienen. Haar toekomst moet worden vormgegeven door de actieve betrokkenheid van mensen uit alle lagen van de bevolking. De grondleggers van de EU zijn zich hier goed van bewust. „Wij voegen geen staten samen, wij verenigen mensen”, zei Jean Monnet al in 1952. De publieke opinie winnen voor de Europese integratie vormt nog steeds een van de grootste uitdagingen, niet alleen voor de Europese instellingen, maar ook voor de nationale instanties en het maatschappelijk middenveld.

Hoofdstuk 10: Een Europa van vrijheid, veiligheid en recht

Hoofdstuk 10: Een Europa van vrijheid, veiligheid en recht

I. VRIJ VERKEER BINNEN DE EU EN BESCHERMING VAN DE BUITENGRENZEN

De burgers van Europa hebben het recht om overal in de Europese Unie in vrijheid te leven, zonder angst voor vervolging of geweld. Internationale misdaad en terrorisme behoren echter tot de zaken die de Europeanen tegenwoordig de meeste zorgen baren.

Door opeenvolgende wijzigingen van de Verdragen is de Europese Unie in de loop van de tijd actiever geworden op dit gebied, met als doel een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te scheppen.

De besluitvorming op dit vlak is voor het laatst herzien in het Verdrag van Lissabon, dat sinds 2009 van kracht is. Tot dan toe hadden de EU-landen zelf de volledige verantwoordelijkheid voor het creëren en beheren van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht. Het werk werd vooral door de Raad uitgevoerd (bijvoorbeeld door overleg en overeenstemming tussen regeringsleiders). Hierdoor speelden de Commissie en het Parlement maar een kleine rol. Dit is met het Verdrag van Lissabon veranderd: de Raad neemt nu de meeste beslissingen met gekwalificeerde meerderheid, het Parlement is een gelijkwaardige partner in het besluitvormingsproces en de Commissie heeft het initiatiefrecht.

Het recht van personen om zich binnen de EU vrij te bewegen, stelt de EU-landen voor veiligheidsproblemen, omdat aan de meeste binnengrenzen geen controles meer worden doorgevoerd. Ter compensatie moeten bij de buitengrenzen van de EU extra veiligheidsmaatregelen worden getroffen. Omdat ook misdadigers gebruikmaken van het recht op vrijheid van verkeer binnen de EU, moeten de nationale politiediensten en justitiële autoriteiten samenwerken om de internationale misdaad te bestrijden.

In 1985 werd een van de belangrijkste maatregelen getroffen om het reizen in de EU gemakkelijker te maken: de regeringen van België, de Bondsrepubliek Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en Nederland ondertekenden dat jaar een akkoord in de kleine Luxemburgse grensstad Schengen. Ze spraken af dat personen niet langer gecontroleerd zouden worden bij het passeren van de gemeenschappelijke grenzen, ongeacht hun nationaliteit. Verder spraken ze af de controles aan de grenzen met landen buiten de EU op elkaar af te stemmen en een gemeenschappelijk visumbeleid in te voeren. Op die manier vormden ze een gebied zonder binnengrenzen: het Schengengebied. Niet-EU-burgers hoeven niet altijd in het bezit zijn van een visum om het Schengengebied binnen te komen. De Europese Unie heeft overeenkomsten met een aantal landen ondertekend om hun onderdanen vrij te stellen van de visumplicht. In noodsituaties kan een lidstaat voor een beperkte periode weer grenscontroles instellen. Dit is in enkele landen gebeurd na de plotselinge aankomst van grote aantallen asielzoekers in 2015 en 2016.

De afspraken van Schengen maken sindsdien onderdeel uit van de EU-Verdragen en het Schengengebied is geleidelijk uitgebreid. Sinds 2017 worden de Schengenregels toegepast door alle EU-landen behalve Bulgarije, Cyprus, Ierland, Kroatië, Roemenië en het Verenigd Koninkrijk. Ook vier landen van buiten de EU — IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en Zwitserland — maken deel uit van het Schengengebied.

Vluchtelingen op een rubberboot naderen het strand van een Grieks eiland.

De enorme toename van het aantal asielzoekers dat in 2015 naar Europa kwam, heeft tot veel nieuwe EU-initiatieven geleid.

Het verscherpen van de controles aan de buitengrenzen van de EU is een prioriteit geworden. Het Europees agentschap Frontex is opgericht in 2014 en is gevestigd in Warschau. Het is verantwoordelijk voor het beheer van de Europese samenwerking op het gebied van de beveiliging van de buitengrenzen. De EU-landen kunnen dit Agentschap boten, helikopters en vliegtuigen lenen om gezamenlijke patrouilles uit te voeren, bijvoorbeeld in kwetsbare gebieden van het Middellandse Zeegebied. In noodsituaties kan het Agentschap ook snelle-grensinterventieteams sturen, die bestaan uit leden van de nationale grenswachten uit de EU-landen. De EU-leiders besloten in 2016 meer middelen voor dit Agentschap uit te trekken zodat het snelle grensinterventies kan uitvoeren. Het werd omgedoopt tot de Europese Grens- en kustwacht en is officieel van start gegaan in oktober 2016.

II. ASIEL- EN IMMIGRATIEBELEID

Europa is er trots op dat het vreemdelingen altijd gastvrij heeft ontvangen, en altijd bereid is geweest om asiel te verlenen aan vluchtelingen die aan gevaar en vervolging proberen te ontsnappen. De EU-regeringen staan nu echter voor de prangende vraag wat ze moeten doen met het toenemende aantal legale en illegale immigranten in een gebied zonder binnengrenzen.

De regeringen van de EU zijn overeengekomen om de nationale asielregels met elkaar in overeenstemming te brengen, zodat in de gehele Europese Unie bij de behandeling van asielaanvragen dezelfde basisbeginselen kunnen worden gehanteerd. Er zijn gemeenschappelijke minimumnormen vastgesteld voor de toelating van asielzoekers en voor het verlenen van de vluchtelingenstatus.

De laatste jaren zijn er veel immigranten naar Europa gekomen en het aanpakken van dit probleem behoort tot de grootste prioriteiten van de EU. De regeringen van de EU-landen werken samen om mensensmokkel aan te pakken, en sluiten overeenkomsten over de repatriëring van illegale immigranten. Tegelijkertijd wordt de legale immigratie beter gecoördineerd dankzij de EU-regels over gezinshereniging, over de status van mensen van buiten de EU die langdurig in de EU wonen, en over de toelating van mensen van buiten de EU die naar Europa willen komen om te studeren of onderzoek te doen.

In 2015 en 2016 is het aantal asielzoekers dat uit het Midden-Oosten en Afrika naar Europa kwam, enorm toegenomen, waarbij duizenden mensen op tragische wijze zijn omgekomen bij het oversteken van de Middellandse Zee. Dit heeft grote uitdagingen met zich meegebracht. Het heeft ook een nieuwe dimensie gegeven aan de asielkwestie, waarbij het verschil tussen politieke en economische vluchtelingen moeilijker is vast te stellen. De EU-landen waar enorme aantallen asielzoekers aankomen aan de kust en in hun territoriale wateren, zoals Griekenland en Italië, hadden gehoopt op meer solidariteit van de andere EU-landen om dit probleem het hoofd te bieden. In 2015 bleek Duitsland het land te zijn dat het meest bereid was politieke vluchtelingen asiel te verlenen.

De EU-leiders maakten afspraken over verschillende maatregelen om met deze nieuwe situatie om te gaan. Het ging daarbij onder andere om beslissingen om asielzoekers die vanuit Griekenland en Italië in andere EU-landen aankomen, en ook om mensen die geen asiel konden krijgen, sneller te repatriëren. De EU heeft hierover een speciale overeenkomst met Turkije afgesloten, aangezien veel asielzoekers via dat land overstaken naar Europa. De EU heeft experts uit andere landen gestuurd om deze grote aantallen mensen op te vangen waar zij aankomen, de capaciteit van de Europese Grens- en kustwacht om zoek- en reddingsoperaties uit te voeren en criminele netwerken aan te pakken uitgebreid, en een militaire missie in de Middellandse Zee opgestart.

In 2015, 2016 en 2017 ging ruim 10 miljard euro van het EU-budget naar humanitaire hulp aan vluchtelingen in en buiten de EU.

III. BESTRIJDING VAN DE INTERNATIONALE MISDAAD EN HET TERRORISME

Er moet gecoördineerd worden opgetreden tegen criminele bendes die mensensmokkelnetwerken runnen en die kwetsbare personen, in het bijzonder vrouwen en kinderen, uitbuiten.

De georganiseerde misdaad wordt steeds geraffineerder en maakt regelmatig gebruik van Europese en internationale netwerken. Gebleken is dat terroristen overal ter wereld met grote brutaliteit kunnen toeslaan.

Om die reden is het Schengeninformatiesysteem (SIS en later SIS II) opgezet. Dat is een complexe databank die de politie en justitiële autoriteiten in staat stelt informatie uit te wisselen over personen voor wie een arrestatiebevel is uitgevaardigd of een uitleveringsverzoek is gedaan en over gestolen voorwerpen zoals auto’s of kunstwerken.

Een van de doeltreffendste manieren om criminelen op te sporen, is hun onrechtmatig verkregen winst te traceren. Om die reden, en om de geldstromen naar criminele en terroristische organisaties af te snijden, heeft de EU wetgeving ingevoerd ter voorkoming van het witwassen van geld.

Verreweg de belangrijkste ontwikkeling van de laatste jaren op het gebied van de samenwerking tussen politie- en douanediensten is de oprichting van Europol. Deze EU-instantie is in Den Haag gevestigd. Europol bestrijdt een breed scala van internationale misdrijven: drugshandel, handel in gestolen voertuigen, mensensmokkel en illegale immigratienetwerken, seksuele uitbuiting van vrouwen en kinderen, kinderporno, vervalsing, handel in radioactief materiaal en materiaal voor het maken van kernwapens, terrorisme, witwassen van geld en vervalsing van de euro.

Europa is het doelwit geweest van islamitisch terrorisme door groepen die banden hebben met Al Qaida en de zogeheten „Islamitische Staat” of „Da’esh”. Zij hebben de wereld geschokt door de symbolen van fundamentele Europese waarden zoals godsdienstvrijheid en vrijheid van meningsuiting aan te vallen. Voorbeelden van deze terroristische daden zijn de aanslag op de medewerkers van een satirisch tijdschrift in Parijs in januari 2015 en de moord op honderden mensen bij verschillende aanslagen in Europa. De Europeanen staan tegenover een onvoorspelbare vijand, vaak met een financiële en militaire basis in het Midden-Oosten en Afrika, en overwegen daarom zowel intensievere samenwerking tussen de Europese inlichtingendiensten als politiek en militair optreden buiten Europa.

De Commissie heeft verschillende maatregelen voorgesteld om deze bedreiging te lijf te gaan, bijvoorbeeld door een Europees kenniscentrum voor de bestrijding van radicalisering in het leven te roepen, terroristen de toegang tot financiering te ontnemen door samenwerking tussen de financiële inlichtingendiensten, en de strijd tegen cybercriminaliteit en de verspreiding van onlinepropaganda door extremisten op te voeren.

Andere maatregelen ter bestrijding van het terrorisme in Europa zijn een betere controle door de luchtvaartmaatschappijen van mensen die de EU binnenkomen en verlaten. Het is nu verplicht voor luchtvaartmaatschappijen om hun gegevens in een informatiesysteem voor passagiersgegevens in te voeren, dat onder bepaalde voorwaarden kan worden gebruikt door de politie in heel Europa om terrorisme te bestrijden.

IV. NAAR EEN „EUROPESE RECHTSRUIMTE”

De Europese Unie telt momenteel veel verschillende rechtsstelsels die naast elkaar functioneren, elk binnen de nationale grenzen. De internationale misdaad en het terrorisme houden echter geen rekening met nationale grenzen. De EU heeft daarom een gemeenschappelijk kader nodig voor de bestrijding van terrorisme, drugssmokkel en witwassen, om haar burgers een zo groot mogelijke bescherming te bieden en de internationale samenwerking op dit gebied te vergroten. Verder heeft de EU een gemeenschappelijk strafbeleid nodig om ervoor te zorgen dat de justitiële samenwerking tussen de landen niet wordt belemmerd doordat hun wettelijke definities van bepaalde misdrijven van elkaar verschillen.

Drie agenten van de EU-grenspolitie overleggen op een weggetje.

De EU-leiders hebben meer middelen ter beschikking gesteld van de Europese grens- en kustwacht om de buitengrenzen van de EU beter te beschermen.

Het belangrijkste voorbeeld van praktische samenwerking op dit gebied is Eurojust, een centraal coördinatieorgaan dat in 2003 in Den Haag werd gevestigd. Het doel van Eurojust is de onderlinge samenwerking van nationale onderzoeks- en vervolgingsautoriteiten mogelijk te maken bij het onderzoek naar grensoverschrijdende misdaden. Op grond van de ervaringen van Eurojust op dit gebied heeft de Raad besloten een Europees openbaar ministerie op te richten, dat tot taak zou krijgen inbreuken op de financiële belangen van de EU te onderzoeken.

Een ander hulpmiddel voor praktische grensoverschrijdende samenwerking is het Europees arrestatiebevel, dat sinds januari 2004 is ingevoerd. Het vervangt de trage uitleveringsprocedures.

Op civielrechtelijk gebied heeft de EU wetgeving goedgekeurd om vonnissen in grensoverschrijdende zaken in verband met echtscheiding, scheiding van tafel en bed, ouderlijke verantwoordelijkheid en alimentatievorderingen makkelijker te kunnen uitvoeren. Op die manier moet ervoor worden gezorgd dat vonnissen in het ene land ook gelden in een ander land. De EU heeft gemeenschappelijke procedures ingesteld voor een eenvoudigere en snellere afhandeling van grensoverschrijdende zaken over kleine en niet-betwiste burgerlijke vorderingen, zoals faillissementen en de inning van schulden.

Hoofdstuk 11: De rol van de EU in de wereld

Hoofdstuk 11: De rol van de EU in de wereld

I. HET GEMEENSCHAPPELIJK BUITENLANDS EN VEILIGHEIDSBELEID

De Europese Unie is in economisch, monetair en handelsopzicht uitgegroeid tot een grote wereldmacht. Er wordt wel eens gezegd dat de EU een economische reus is geworden, maar een politieke dwerg blijft. Dat is wat overdreven. De Europese Unie heeft aanzienlijke invloed binnen internationale organisaties als de Wereldhandelsorganisatie en de gespecialiseerde organen van de Verenigde Naties en op wereldconferenties over milieu en ontwikkeling.

Maar dat neemt niet weg dat de EU-landen op diplomatiek en politiek vlak nog een lange weg te gaan hebben voordat ze met één stem kunnen spreken over belangrijke wereldkwesties. Bovendien blijft defensie (de hoeksteen van de nationale soevereiniteit) in handen van de nationale regeringen, die lid zijn van bondgenootschappen zoals de NAVO.

a) Totstandbrenging van een Europese diplomatieke dienst

Het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) bepalen de belangrijkste taken van de EU op het vlak van buitenlands beleid. Het GBVB en GVDB werden ingevoerd bij de Verdragen van Maastricht (1992), Amsterdam (1997) en Nice (2001). Zij vormden de tweede pijler van de Europese Unie: een beleidsterrein waarop tot acties wordt besloten op basis van een overeenkomst tussen de regeringen en waarbij de Commissie en het Parlement slechts een kleine rol spelen. De besluiten op dit terrein worden unaniem genomen, al kunnen individuele EU-landen zich van stemming onthouden. Hoewel het Verdrag van Lissabon een einde maakte aan de „pijlers” in de Europese structuur, is de manier waarop over veiligheids- en defensiekwesties wordt besloten, niet gewijzigd. Toch heeft dit beleid meer zichtbaarheid gekregen door de instelling van het ambt van hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid.

Sinds 2014 wordt deze functie bekleed door Federica Mogherini, die ook vicevoorzitter van de Europese Commissie is. Zij moet bij internationale organisaties en conferenties het collectieve standpunt van de EU vertegenwoordigen en uit naam van de EU handelen. Daarbij krijgt ze hulp van de nationale en EU-ambtenaren die samen de Europese Dienst voor extern optreden (in feite de diplomatieke dienst van de EU) vormen.

Doel van het buitenlands beleid van de EU is met name het garanderen van veiligheid, stabiliteit, democratie en het respect voor de mensenrechten, en niet alleen in de directe omgeving (zoals de Balkan), maar ook in andere probleemgebieden in de wereld, zoals Afrika, het Midden-Oosten en de Kaukasus. Haar belangrijkste hulpmiddel is „zachte kracht”. Hieronder vallen bijvoorbeeld verkiezingswaarnemingsmissies, humanitaire hulpverlening en ontwikkelingshulp. In 2015 heeft de EU voor maar liefst ruim anderhalf miljard euro humanitaire hulp verleend, en daarbovenop heeft zij 5 miljard euro beschikbaar gesteld voor ontheemden sinds het begin van de oorlog in Syrië. De EU voorziet in 60 % van de ontwikkelingshulp in de wereld en helpt de armste landen ter wereld om de armoede te bestrijden, hun inwoners te voeden, rampen te voorkomen, toegang te hebben tot drinkwater en ziekten te bestrijden. Tegelijkertijd moedigt de EU deze landen actief aan de rechtsorde, de mensenrechten en de ondersteuning van het maatschappelijk middenveld te respecteren en hun markten open te stellen voor internationale handel. De Commissie en het Europees Parlement zorgen er zorgvuldig voor dat de hulp op een verantwoorde manier wordt verleend en goed wordt beheerd en gebruikt.

Kan en wil de EU verder gaan dan deze diplomatie van de „zachte kracht”? Dat is de grootste uitdaging voor de komende jaren. Een belangrijke concrete verwezenlijking op diplomatiek vlak, waarbij de EU een doorslaggevende rol heeft gespeeld, was de totstandkoming van de overeenkomst tussen Iran en de leidende grootmachten in 2015 over het Iraanse nucleaire programma en de opheffing van de aanslepende economische sancties tegen dat land.

Ook bij de internationale onderhandelingen over de burgeroorlog in Syrië is de EU zeer actief.

Toch vinden veel mensen dat de gezamenlijke verklaringen en standpunten van de Europese Raad over belangrijke internationale kwesties niet meer dan een minimale gemeenschappelijke basis vormen. Ondertussen blijven de grote EU-landen hun eigen diplomatieke rol spelen. Pas als de Europese Unie met één stem spreekt, zal zij als een echte wereldspeler worden gezien. De geloofwaardigheid en de invloed van Europa worden groter wanneer de EU haar economische en handelsmacht combineert met de geleidelijke uitvoering van een gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid.

b) Tastbare resultaten van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid

Sinds 2003 heeft de Europese Unie de capaciteit om crisisbeheersingsoperaties uit te voeren, omdat de EU-landen hiervoor vrijwillig een deel van hun eigen strijdmachten aan de EU ter beschikking stellen.

De verantwoordelijkheid voor het uitvoeren van deze operaties ligt bij een aantal politiek-militaire instanties: het Politiek en Veiligheidscomité, het Militair Comité, het Comité voor de civiele aspecten van crisisbeheersing en de Militaire Staf van de Europese Unie. Deze instanties zijn verantwoording verschuldigd aan de Raad en zijn gevestigd in Brussel.

Deze set hulpmiddelen geeft invulling aan het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid en stelt de EU in staat haar taken op dit gebied (humanitaire en vredesmissies) uit te voeren. Bij deze missies moet worden vermeden dat ze het werk van de NAVO overlappen. Dit gebeurt via de Berlijn Plus-regeling. Dankzij deze regeling krijgt de EU toegang tot de logistieke middelen van de NAVO (voor opsporing, communicatie, bevel en vervoer).

Sinds 2003 heeft de Europese Unie meer dan dertig militaire operaties en civiele missies gestart. De eerste vond plaats in Bosnië en Herzegovina. Daar vervingen de EU-troepen de NAVO-macht. Deze missies en operaties worden of zijn op drie continenten onder de Europese vlag uitgevoerd. Voorbeelden van deze missies zijn: de operatie „Atalanta” om de Somalische piraterij in de Golf van Aden te bestrijden, de missie om Kosovo te helpen de rechtsorde stevig te vestigen, de militaire opleidingsmissie in Mali, de missie voor civiele bescherming in Oekraïne en de maritieme operatie Sophia ter bestrijding van mensensmokkelaars op de Middellandse Zee.

Omdat de militaire technologie steeds geavanceerder en duurder wordt, vinden de EU-regeringen het steeds belangrijker om samen te werken bij de fabricage van wapens. Dat is nog eens extra belangrijk wanneer landen hun overheidsuitgaven proberen terug te dringen om de financiële crisis te kunnen doorstaan. Als hun strijdkrachten gezamenlijke missies buiten Europa uitvoeren, moeten hun systemen bovendien uitwisselbaar zijn en moet hun materieel voldoende gestandaardiseerd zijn. Daarom heeft de Europese Raad in 2003 besloten een Europees Defensieagentschap op te richten om de militaire capaciteiten van de EU te helpen ontwikkelen.

Jean-Claude Juncker, voorzitter van de Europese Commissie, heeft gewezen op de noodzaak op lange termijn om een echt Europees defensiebeleid tot stand te brengen. Deze visie zou meer en meer terrein kunnen winnen naarmate meer Europeanen zich realiseren dat hun gemeenschappelijke veiligheidsbelangen moeten worden gekoppeld aan de verdediging van hun waarden en strategische belangen. Geen enkele mogendheid, groot of klein, beschikt momenteel alleen over de militaire macht om de veiligheid van haar bevolking te waarborgen in een onstabiele wereld.

II. EEN HANDELSBELEID DAT OPENSTAAT VOOR DE WERELD

De EU is bevoegd om namens haar lidstaten handelsaangelegenheden te behandelen. Het belang als handelsmacht geeft de EU aanzienlijke internationale invloed. Zij staat achter het op regels gebaseerde stelsel van de Wereldhandelsorganisatie, waarvan 164 landen lid zijn. Dit stelsel garandeert een bepaald niveau van rechtszekerheid en transparantie in het internationale handelsverkeer. De Wereldhandelsorganisatie heeft vastgelegd onder welke voorwaarden de leden zich kunnen verdedigen tegen oneerlijke praktijken als dumping (onder de kostprijs verkopen), waarmee exporteurs proberen te concurreren met hun mededingers. Verder zorgt zij voor een procedure om geschillen tussen twee of meer handelspartners op te lossen.

Het handelsbeleid van de EU is nauw verbonden met haar ontwikkelingsbeleid. De EU hanteert een schema van algemene tariefpreferenties. Daarmee mogen ontwikkelingslanden of landen met een overgangseconomie vrij van douanerechten of tegen verlaagd preferentieel tarief het grootste deel van hun producten op de EU-markt verkopen. De EU gaat zelfs nog verder voor de 49 armste landen van de wereld. Al hun producten (wapens uitgezonderd) kunnen vrij van douanerechten op de Europese markt worden gebracht.

De EU heeft echter geen speciale handelsovereenkomsten met haar belangrijkste handelspartners onder de industrielanden, zoals de Verenigde Staten en Japan. Deze handelsbetrekkingen verlopen via de WTO-mechanismen, maar er wordt onderhandeld over bilaterale overeenkomsten. Canada en de Europese Unie sloten in 2014 een economische en handelsovereenkomst, die door beide partijen werd ondertekend in oktober 2016.

In 2013 gingen tussen de EU en de Verenigde Staten onderhandelingen van start over een grote vrijhandelsovereenkomst („TTIP”). Daarin gaat het onder meer om douanebarrières, harmonisatie van normen, toegang tot overheidsopdrachten, de erkenning van oorsprongsbenamingen en geschillenbeslechting. Samen zijn de twee partners goed voor 40 % van de wereldhandel en voldoen zij aan de wensen van 800 miljoen consumenten. Een ander kernelement van de overeenkomst moet ervoor zorgen dat de normen die wereldwijd worden gebruikt, in de toekomst niet worden bepaald door andere concurrenten, zoals China. De EU dringt erop aan dat hoge normen in acht worden genomen inzake voedselveiligheid, sociale bescherming, gegevensbeveiliging en culturele diversiteit. Als de overeenkomst in werking treedt, zal de economische groei in de EU-landen naar verwachting toenemen.

De Europese Unie voert steeds meer handel met de opkomende machten in andere delen van de wereld, van China en India tot Midden- en Zuid-Amerika. De handelsovereenkomsten met die landen omvatten ook technische en culturele samenwerking. China is uitgegroeid tot de op een na belangrijkste handelspartner van de EU (na de Verenigde Staten) en is het belangrijkste invoerland. De EU is de belangrijkste handelspartner van Rusland en zijn grootste bron van buitenlandse investeringen. Toch stelde de Europese Unie uit protest tegen de annexatie van de Krim in 2014 handelssancties in tegen Rusland. Daardoor werden de handels- en investeringsstromen ernstig verstoord.

Een landbouwer onderzoekt een bananentros in Uganda.

De EU stimuleert de openstelling van markten en de ontwikkeling van de handel in de hele wereld.

III. ONTWIKKELINGSBELEID EN AFRIKA

De betrekkingen tussen Europa en Afrika ten zuiden van de Sahara dateren al van lang geleden. Door het Verdrag van Rome in 1957 werden de toenmalige koloniën en overzeese gebieden van de EU-landen geassocieerde leden van de Gemeenschap. Als gevolg van het dekolonisatieproces, dat begin jaren zestig begon, is deze band omgezet in een associatie tussen soevereine staten.

De Overeenkomst van Cotonou, die in 2000 in de hoofdstad van Benin werd ondertekend, betekende het begin van een nieuwe fase in het ontwikkelingsbeleid van de EU. Deze overeenkomst tussen de Europese Unie en de staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (de ACS-landen) is de meest ambitieuze en verreikende handels- en hulpovereenkomst die ooit is gesloten tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden. Het is de opvolger van de Overeenkomst van Lomé, die in 1975 in de hoofdstad van Togo werd ondertekend en vervolgens regelmatig werd geactualiseerd.

Deze overeenkomst gaat veel verder dan de eerdere overeenkomsten: het gaat niet langer alleen om handelsbetrekkingen op basis van de toegang tot de markt, maar om handelsbetrekkingen in een ruimere zin. Zo zijn bijvoorbeeld procedures ingevoerd voor het aanpakken van schendingen van de mensenrechten.

Zweedse mariniers nemen deel aan een gezamenlijke oefening met een Zweeds oorlogsschip in het kader van de EU-taskforce om jacht te maken op Somalische piraten.

De EU voert civiele en militaire vredesoperaties uit, zoals deze antipiraterijmacht voor de kust van Somalië.

De Europese Unie heeft de minst ontwikkelde landen speciale handelsconcessies verleend. 39 van deze landen zijn partij bij de Overeenkomst van Cotonou. Sinds 2005 kunnen die landen nagenoeg elk product vrij van douanerechten naar de Europese Unie uitvoeren.

Dit traditionele beleid van de EU heeft positieve effecten gehad op Afrika, maar komt niet tegemoet aan de behoeften in de huidige situatie. In grote delen van Afrika ten zuiden van de Sahara is de economie gegroeid en konden de infrastructuur en de levensstandaard dankzij de enorme natuurlijke rijkdommen worden verbeterd. Maar andere regio’s zijn zwaar getroffen door oorlog, onrust of dictatuur. De hele Sahelregio net ten zuiden van de Sahara is ontwricht: religieuze fanatici zoals Boko Haram blijven terreur zaaien, terwijl de Hoorn van Afrika wordt overheerst door burgeroorlog en dictatoriale regimes.

Hierdoor zijn er veel politieke vluchtelingen. Ook door de droogte als gevolg van de klimaatverandering en door het stijgende bevolkingsaantal proberen mensen naar Europa te migreren. De EU heeft dan ook redenen om niet alleen humanitaire hulp te verstrekken, maar ook een relevante strategie te ontwerpen om economische groei te creëren op het Afrikaanse continent en de migratiestromen in evenwicht te brengen. Bovendien zou een gemeenschappelijk Europees immigratiebeleid tegemoetkomen aan de langetermijnbehoefte aan nieuwe arbeidskrachten in Europa als gevolg van de vergrijzing.

Hoofdstuk 12: Hoe ziet de toekomst van Europa eruit?

Hoofdstuk 12: Hoe ziet de toekomst van Europa eruit?

„Europa wordt niet in één keer of volgens één plan opgebouwd, maar door middel van concrete vorderingen die eerst een feitelijke solidariteit tot stand brengen.” Dat zei Robert Schuman op 9 mei 1950 in zijn beroemde verklaring bij de lancering van het project voor Europese integratie. Bijna zeventig jaar later hebben zijn woorden nog niet aan betekenis ingeboet. De solidariteit tussen de bevolking en de landen van Europa moet voortdurend worden aangepast om de nieuwe uitdagingen die een veranderende wereld met zich meebrengt, het hoofd te kunnen bieden.

Zolang de Europese Unie bestaat, is dat altijd het geval geweest. In de beginjaren na de Tweede Wereldoorlog lag de nadruk op verhoging van de productie om ervoor te zorgen dat er genoeg voedsel was voor iedereen. De voltooiing van de interne markt in het begin van de jaren negentig was een geweldige prestatie. Later werden de euro en de Europese Centrale Bank in het leven geroepen om de markt beter te laten functioneren. Terzelfder tijd werden aanzienlijke inspanningen geleverd om de tegenstellingen ongedaan te maken die de communistische regimes tijdens de Koude Oorlog hadden gecreëerd. De economische crisis die in 2008 begon, heeft laten zien dat de euro kwetsbaar is voor een aanval door wereldwijde speculanten. Om dit tegen te gaan, besloten de EU-landen hun nationaal economisch beleid nauwer te coördineren, en namen zij maatregelen om een bankenunie tot stand te brengen. De laatste tijd hebben problemen op het gebied van veiligheid en immigratie de Europese agenda gedomineerd.

Jean Monnet, de grote architect van de Europese integratie, eindigde zijn memoires uit 1976 met de volgende woorden: „De soevereine naties van het verleden kunnen de huidige problemen niet meer oplossen: ze kunnen hun eigen vooruitgang niet meer garanderen en hebben geen controle over hun eigen toekomst. En de Gemeenschap zelf is slechts een fase op weg naar de manier waarop de wereld van morgen georganiseerd zal zijn.” Moeten wij in 2017, tegen de achtergrond van de globalisering, fatalistisch zijn en de Europese Unie als niet langer politiek relevant beschouwen? Of moeten we ons juist afvragen hoe we alle mogelijkheden van ruim een half miljard Europeanen met dezelfde waarden en belangen kunnen benutten?

De Europese Unie bestaat uit bijna dertig landen met een zeer uiteenlopende geschiedenis, verschillende talen en culturen en aanzienlijke verschillen qua levensstandaard. Kan zo’n diverse familie van landen een gemeenschappelijke politieke „publieke ruimte” vormen? Kunnen de inwoners van de EU het gevoel ontwikkelen dat ze „Europees zijn” en tegelijk sterk verbonden blijven met hun eigen land, streek en lokale gemeenschap? Misschien is dat mogelijk, als de EU-landen van nu het voorbeeld volgen van de allereerste Europese Gemeenschap, die uit het puin van de Tweede Wereldoorlog ontstond. De morele legitimiteit van deze Gemeenschap was gebaseerd op verzoening en vrede tussen de voormalige vijanden. Zij was voorstander van het principe dat alle lidstaten, groot of klein, gelijke rechten hadden en de minderheden respecteerden.

Is het mogelijk de Europese integratie te blijven stimuleren vanuit de veronderstelling dat de EU-landen en hun inwoners allemaal hetzelfde willen? Of zullen de EU-leiders meer gebruikmaken van nauwere samenwerkingsverbanden, waarbij ad-hocgroepen van EU-landen zonder de andere een bepaalde richting kunnen inslaan? Als meer gebruik zou worden gemaakt van dergelijke overeenkomsten, zou een situatie kunnen ontstaan waarin elk EU-land vrij kan beslissen een bepaald beleid te volgen of deel uit te maken van een bepaalde instelling. Deze oplossing lijkt misschien aantrekkelijk in haar eenvoud, maar de EU is altijd gebaseerd geweest op het concept solidariteit, wat betekent dat zowel de kosten als baten worden gedeeld. Dat betekent dat gemeenschappelijke regels en een gemeenschappelijk beleid moeten worden gevolgd.

Twee peuters zitten op de grond en spelen met blokken.

Europeanen moeten samen aan de toekomst werken.

Tegelijkertijd heeft de recente economische crisis laten zien dat de landen die de euro als munt gebruiken, zich in een speciale afhankelijkheidspositie bevinden, waardoor zij als een groep kernlanden binnen de EU fungeren. De Europese Commissie heeft een toegenomen integratie binnen de eurozone voorgesteld, met nauwere beleidssamenwerking op het gebied van financiën, begroting en economie, maar ook met een grotere legitimiteit en democratische aansprakelijkheid op deze gebieden. De achterliggende gedachte is dat een kwalitatieve sprong om de eurozone om te vormen tot een gebied met een eengemaakt economisch bestuur, de Unie als geheel een nieuwe dynamiek zal geven, die voordelig is voor het hele continent.

De recente gebeurtenissen hebben duidelijk gemaakt dat er behoefte is aan meer Europese samenwerking op gebieden die traditioneel tot het domein van de nationale soevereiniteit behoren: veiligheid en defensie, evenals justitie en binnenlandse zaken, en in het bijzonder de vluchtelingenkwestie. De EU zal juist op deze gebieden voor de grootste uitdagingen staan en gemeenschappelijke oplossingen moeten vinden, zodat de burgers zich veiliger voelen en opnieuw vertrouwen krijgen in de Europese Unie.

Door de globalisering moet Europa niet alleen met zijn traditionele rivalen Japan en de Verenigde Staten concurreren, maar ook met snel opkomende economische machten zoals Brazilië, China en India. Kan Europa zijn sociale en milieunormen blijven beschermen door de toegang tot de Europese markten te beperken? Zelfs als dat het geval is, kan de EU niet ontkomen aan de harde realiteit van internationale concurrentie. Waarschijnlijk zal door tal van factoren de druk voor Europa blijven toenemen om een echte wereldmacht te worden, die eendrachtig optreedt op het wereldtoneel en die effectief opkomt voor zijn belangen door met één stem te spreken.

Tegelijk zeggen veel Europeanen dat de EU dichter bij de burgers moet staan. Het Europees Parlement, dat bij elk nieuw verdrag meer bevoegdheden heeft gekregen, wordt om de vijf jaar rechtstreeks gekozen via algemene verkiezingen. Het percentage van de bevolking dat daadwerkelijk gaat stemmen voor deze verkiezingen, verschilt echter per land, en de opkomst is vaak laag. De uitdaging voor de EU-instellingen en de nationale regeringen ligt erin betere manieren te vinden om het publiek voor te lichten (door onderwijs, ngo-netwerken enzovoort) en op die manier een gemeenschappelijke Europese publieke ruimte tot stand te brengen, waarin EU-burgers de politieke agenda kunnen vormgeven. Dit is een van de belangrijkste uitdagingen die de EU-landen en -instellingen moeten aangaan om het hoofd te bieden aan het euroscepticisme, dat het populisme aanwakkert en de democratie verzwakt.

Een van de sterkste punten van de EU is dat zij in staat is de Europese waarden buiten haar grenzen te verspreiden: waarden als respect voor de mensenrechten, handhaving van de rechtsorde, bescherming van het milieu en een vrije economie in een stabiel georganiseerd kader, en instandhouding van de sociale normen. De mate waarin Europa zijn eigen waarden kan onderschrijven, zal bepalen in hoeverre andere regio’s in de wereld het als positief voorbeeld beschouwen.

Wij zullen pas kunnen beoordelen of de EU in haar opzet is geslaagd en tastbare resultaten heeft bereikt, als wij kunnen antwoorden op vragen als deze:

Als Europa al deze kwesties kan regelen, zal het ook in de toekomst gerespecteerd worden en een bron van inspiratie blijven voor de rest van de wereld.

Belangrijke data in de geschiedenis van de Europese integratie

Belangrijke data in de geschiedenis van de Europese integratie
Belangrijke data in de geschiedenis van de Europese integratie

CONTACT OPNEMEN MET DE EU

ONLINE

Informatie in alle officiële talen van de Europese Unie is beschikbaar op de website van Europa:

https://europa.eu/european-union/index_nl

KOM LANGS

In heel Europa zijn er honderden lokale EU-informatiecentra. U vindt het adres van het dichtstbijzijnde centrum via

https://europa.eu/european-union/contact_nl

BELLEN OF MAILEN

Europe Direct is een dienst die uw vragen over de Europese Unie beantwoordt. U kunt deze dienst bereiken via het gratis telefoonnummer 00 800 6 7 8 9 10 11 (sommige telecomaanbieders bieden geen toegang tot 00 800-nummers of brengen verbindingen met deze nummers in rekening), of, vanuit een land buiten de EU, tegen betaling op het nummer +32 22999696, of door een e-mail te sturen via https://europa.eu/european-union/contact_nl

LEZEN OVER EUROPA

Publicaties over de EU zijn online te vinden op de website

https://op.europa.eu/nl/web/general-publications/publications

VERTEGENWOORDIGINGEN VAN DE EUROPESE COMMISSIE

INFORMATIEBUREAUS VAN HET EUROPEES PARLEMENT

DELEGATIES VAN DE EUROPESE UNIE

Meer informatie

Europa in 12 lessen

Europese Commissie
Directoraat-generaal Communicatie
Voorlichting aan burgers
1049 Brussel
BELGIË

Tekst bijgewerkt in augustus 2017

© Europese Unie, 2017

Hergebruik met bronvermelding toegestaan. De voorwaarden voor het hergebruik van documenten van de Commissie zijn vastgelegd in Besluit 2011/833/EU (PB L 330 van 14.12.2011, blz. 39). Voor gebruik of reproductie van de foto’s of ander materiaal dat niet onder het EU-auteursrecht valt, dient u rechtstreeks toestemming te vragen aan de houders van het auteursrecht.

Identifiers

PDF ISBN 978-92-79-71572-3 doi:10.2775/788817 NA-04-17-736-NL-N
Print ISBN 978-92-79-71585-3 doi:10.2775/496993 NA-04-17-736-NL-C
HTML ISBN 978-92-79-71551-8 doi:10.2775/301660 NA-04-17-736-NL-Q

HOE NEEMT U CONTACT OP MET DE EU?

Kom langs
Er zijn honderden Europe Direct-informatiecentra overal in de Europese Unie. U vindt het adres van het dichtstbijzijnde informatiecentrum op: https://europa.eu/european-union/contact_nl

Bel of mail
Europe Direct is een dienst die uw vragen over de Europese Unie beantwoordt. U kunt met deze dienst contact opnemen door:

WAAR VINDT U INFORMATIE OVER DE EU?

Online
Informatie over de Europese Unie in alle officiële talen van de EU is beschikbaar op de Europa-website op: https://europa.eu/european-union/index_nl

EU-publicaties
U kunt publicaties van de EU downloaden of bestellen op: https://op.europa.eu/nl/web/general-publications/publications (sommige zijn gratis, andere niet). Als u meerdere exemplaren van gratis publicaties wenst, neem dan contact op met Europe Direct of uw plaatselijke informatiecentrum (zie https://europa.eu/european-union/contact_nl).

EU-wetgeving en aanverwante documenten
Toegang tot juridische informatie van de EU, waaronder alle EU-wetgeving sinds 1951 in alle officiële talen, krijgt u op EUR Lex op: https://eur-lex.europa.eu

Open data van de EU
Het opendataportaal van de EU (https://data.europa.eu/euodp/nl) biedt toegang tot datasets uit de EU. Deze gegevens kunnen gratis worden gedownload en hergebruikt, zowel voor commerciële als voor niet-commerciële doeleinden.