Landenverslag

België

Monitor Toolbox - België

Kort samengevat

De participatiegraad in voor- en vroegschoolse educatie en opvang blijft hoog in België, maar er zijn personeelstekorten en capaciteitsproblemen. De Gemeenschappen voeren grote hervormingen door in het schoolonderwijs om de kwaliteit van het onderwijs en de verantwoordingsplicht van scholen te verbeteren. Niettemin blijven de ongelijkheden in het onderwijs in de loop van de tijd grotendeels stabiel, aangezien de vaardigheden op het gebied van wiskunde en wetenschappen over de hele linie verslechteren. Remediërende maatregelen en activiteiten die taal en rekenen in de vroege kinderjaren stimuleren, tonen positieve effecten. Op het gebied van beroepsonderwijs en -opleiding, richten de Gemeenschappen hun hervormingen op een grotere deelname aan werkplekleren. België handhaaft een hoog tertiair opleidingsniveau, maar het aandeel van studenten in STEM-studies blijft een van de laagste in de EU, met name onder vrouwen, wat van invloed is op de productiviteitsgroei. In het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap zijn STEM-strategieën ingevoerd en in de Franse Gemeenschap zijn deze aangekondigd. De deelname van volwassenen aan een leven lang leren blijft achter bij de nationale en EU-streefcijfers, en de vooruitgang hiervan kan worden vertraagd als gevolg van bezuinigingen.

1. STEM-onderwijs

Het geringe aanbod van STEM-specialisten vormt een uitdaging voor de productiviteit van België. In 2023 was 18,7% van de studenten ingeschreven voor STEM-vakken op tertiair niveau, een van de laagste percentages in de EU (gemiddeld 26,9%). De belangstelling voor met name technische studies en studies in informatie- en communicatietechnologie (ICT) neemt toe, waardoor het aantal STEM-studenten sinds 2015 met 28% is toegenomen (+9,2% van de totale studentenpopulatie). In het ICT-veld is het aantal studenten sinds 2015 verdubbeld (van 12 000 naar 24 000), maar op doctoraatsniveau vertegenwoordigen zij slechts 0,6% van alle studenten (116), wat het laagste percentage is in de EU (3,8%) en verre van het voorgestelde EU-streefcijfer van 5%. In beroepsonderwijs en -opleiding op middelhoog niveau volgden minder dan 3 op de 10 studenten een STEM-richting (27,7%), vergeleken met een EU-gemiddelde van 36,3% in 2023. Het lage aanbod van STEM-afgestudeerden op alle kwalificatieniveaus, maar vooral van hooggekwalificeerden, belemmert de productiviteitsgroei. Twee derde van de vacatures in België zal naar verwachting een hoog kwalificatieniveau vereisen (Cedefop, 2025), inclusief beroepen in verband met de groene transitie (Barslund et al., 2024). Een verhoging van het aandeel tertiair gekwalificeerde STEM-specialisten met 10% bij een typisch productiebedrijf zou een productiviteitswinst van 20% opleveren (Bijnens & Dhyne, 2021). België beschikt momenteel niet over een mechanisme om de behoeften aan STEM-vaardigheden te voorspellen. Vlaanderen ontwikkelt een geïntegreerd kader voor informatie over vaardigheidsbehoeften, dat in 2026 geïmplementeerd zal worden (OESO, 2024b).

Vrouwen zijn ondervertegenwoordigd in STEM op tertiair niveau, maar steeds meer vrouwen schrijven zich voor ICT-programma’s in. Van het aantal leerlingen dat initieel beroepsonderwijs of initiële beroepsopleiding op middelhoog niveau in een STEM-richting volgt, is bijna een op de vier vrouw (23,2%). Dat komt dicht in de buurt van het voorgestelde EU-streefcijfer van ten minste 25% (EU: 15,4% in 2023). Op tertiair niveau zijn slechts 26,8% van de STEM-studenten vrouwen, tegenover 32,2% in de EU (2023). In ICT zijn slechts 14,9% van de ingeschreven STEM-studenten vrouwen (EU: 20,3%), en vrouwelijke doctoraatsstudenten vertegenwoordigen 22,4% van alle doctoraatsstudenten in ICT (EU: 24,3%). In de Franse Gemeenschap is het aantal vrouwen dat aan ICT-programma’s deelneemt meer dan verdrievoudigd en is hun aandeel tussen 2014/2015 en 2022/2023 verdubbeld (van 6,9% tot 13,5%) (ARES, 2021). In Vlaanderen steeg het aandeel vrouwelijke studenten in bachelor- en masteropleidingen op ICT-gebied in dezelfde periode van 8,2% naar 15,8% (Dataloep, 2025).

Figuur 1: Veranderingen in STEM-inschrijvingen in het tertiair onderwijs naar geslacht (%) in de EU en België tussen 2015 en 2023

Bron: Eurostat, educ_uoe_enrt03.

De STEM-studiekeuzes van meisjes zijn gekoppeld aan zelfeffectiviteit en motivatie op het gebied van wiskunde. Meisjes vertonen minder zelfeffectiviteit en zelfvertrouwen dan jongens, wat negatief gecorreleerd is met wiskundige prestaties (Dupont et al., 2024; Europese Commissie, 2021). Vrouwen die ervaren dat hun interesse en hun studieomgeving goed op elkaar zijn afgestemd, zullen zich eerder dan mannen inschrijven voor hoger onderwijs in een STEM-richting (Schelfhout et al., 2021). Een andere belangrijke factor is hun (verwachte) gevoel van verbondenheid op professionele gebieden (Veldman et al., 2021). Bovendien kiezen meisjes met sterke wiskundige en wetenschappelijke vaardigheden vaak voor studies die buiten de STEM-classificatie vallen, maar wel STEM-vaardigheden vereisen. In de Franse Gemeenschap verwacht een kwart van de best presterende meisjes in wetenschappen of wiskunde in de gezondheidszorg te zullen werken, en slechts 16% van hen in wetenschap of engineering (vergeleken met 30% van de best presterende jongens (OESO, 2023b)). De Vlaamse STEM-academies hebben tot nu toe een positieve invloed gehad op de intentie van meisjes om een studie en loopbaan in STEM te volgen (Blondeel & Coussement, 2023).

Maatregelen in het secundair onderwijs zijn cruciaal om de interesse in STEM te behouden. Uit onderzoek blijkt dat een geïntegreerd STEM-leerplan in het secundair onderwijs, zoals de STEM@school en iSTEM-leermodules in Vlaanderen, een positieve invloed heeft op de belangstelling van studenten voor STEM en hen mogelijk kan aanmoedigen om hoger onderwijs in STEM te volgen (Meester et al., 2020; Polanco-Jimenez & De Witte, 2025). In de Franse Gemeenschap bleek uit een studie onder leerlingen van het 6e jaar (laatste jaar van secundair onderwijs) dat de verwachtingen van leerkrachten verband hielden met de ambities van jongens en meisjes om wiskunde-intensieve vakken te studeren door de zelfperceptie van het kunnen van de leerlingen te beïnvloeden, en in scholen met een hogere concentratie van goed presterende leerlingen was dit effect sterker (Jaegers et al., 2023). Uit een enquête onder 6 240 leerlingen van 12-25 jaar in Wallonië bleek dat percepties van studiemoeilijkheden en houdingen ten opzichte van wetenschappelijke en technische beroepen ook een rol spelen bij het kiezen van een STEM-loopbaan (Bouchat et al., 2020).

Vlaanderen voert een alomvattend STEM-actieplan uit. De STEM-agenda 2030 volgt het STEM-actieplan 2012‑2020 op en is gericht op zowel algemene STEM-geletterdheid als het verhogen van het aantal STEM-specialisten (Departement Werk en Sociale Economie, 2021). Voor onderwijs wordt de vooruitgang gemonitord aan de hand van vijf kernindicatoren en gepubliceerd in het jaarlijkse verslag, de STEM-Monitor. Tegen 2024 was de deelname aan duale en volwasseneneducatie in STEM verbeterd, maar dit heeft niet geleid tot een groter aantal hogeronderwijsdiploma’s in STEM (Departement Onderwijs en Vorming, 2025). Ook het aandeel leerlingen dat STEM-vakken in het secundair onderwijs studeert, blijft laag (36,4%; streefcijfer Vlaanderen: 40,25%), met name voor meisjes in beroepsonderwijs (10,40%; streefcijfer Vlaanderen: 20%) (Departement Onderwijs en Vorming, 2025).

De Franse Gemeenschap zet zich in om carrières op het gebied van wetenschap, technologie, engineering, kunst en wiskunde (STEAM) aantrekkelijker te maken. De lopende hervorming van het verplicht onderwijs (Pacte pour un enseignement d’excellence) omvat een multidisciplinaire STEAM-benadering. In oktober 2022 werd een ministerieel initiatief “La rentrée des sciences” gelanceerd om STEAM-onderwijs op scholen te bevorderen. De nieuwe regering van de Franse Gemeenschap heeft haar toezegging voor 2024-2029 bevestigd om nauw samen te werken met lokale en regionale overheden om ondernemerschap en STEAM te bevorderen, met name onder vrouwen.

STEM-academies in Vlaanderen

Organisaties met relevante expertise kunnen erkende STEM-academies worden en financiering ontvangen om na schooltijd praktische, geïntegreerde STEM-activiteiten aan te bieden aan kinderen van 5-18 jaar. Uit de eerste evaluatie blijkt dat meisjes, oudere kinderen en degenen met een lagere motivatie zich positiever opstellen ten opzichte van STEM (Blondeel & Coussement, 2023).

Bron: https://www.technopolis.be/nl/bezoekers/

2. Voor- en vroegschoolse educatie en kinderopvang

De participatiegraad in voor- en vroegschoolse educatie en opvang blijft hoog in België, maar risicogezinnen met kinderen maken minder vaak gebruik van kinderopvang. Bijna alle kinderen (98%) in de leeftijd van drie tot vijf jaar (begin van het verplicht onderwijs) nemen deel aan voor- en vroegschoolse educatie en opvang, waarmee het EU-streefcijfer van 96% wordt overtroffen. Onder kinderen jonger dan drie jaar hebben degenen die geen risico lopen op armoede of sociale uitsluiting drie keer meer kans om deel te nemen aan formele kinderopvang (59,3%) dan degenen die risico lopen (20,1%). Dit was de op één na grootste kloof in de EU in 2024. Uit onderzoek naar het gebruik van formele kinderopvang in België blijkt dat arbeidskansen een grotere rol spelen dan de beschikbaarheid van lokale kinderopvangmogelijkheden of andere gezinsafspraken (Biegel & Maes, 2024).

De nieuwe Vlaamse regering wil investeren in kinderopvang en de werving van extra personeel. In april 2025 kondigde zij aan middelen ter beschikking te stellen voor 10 000 extra plaatsen in kinderopvang, met een investering van 200 miljoen EUR in het kader van het nieuwe “Plan kinderopvang 2025-2029” (Vlaamse Regering, 2025a). Op basis van objectieve criteria zullen regio's met een lage dekking prioriteit krijgen, naast steden als Brussel, Antwerpen en Gent, maar het is nog niet duidelijk of dit voldoende zal zijn om aan de vraag te voldoen. In 2025 heeft het Grondwettelijk Hof de hervorming van de voorrangsregels van 2024 om toegang te krijgen tot gesubsidieerde kinderopvang op basis van inkomen ongedaan gemaakt, waarbij de voorkeur werd gegeven aan de toelating van kinderen van wie de ouders 80% van de tijd werken. Het Hof oordeelde dat de maatregel kansarme gezinnen, personen die deeltijds werken en alleenstaande ouders op oneerlijke wijze benadeelt. Bovendien wordt de begeleider/kind-ratio verlaagd naar 1 op 5 (in groepen met alleen kinderen jonger dan één jaar), 1 op 8 (in groepen met kinderen ouder dan één jaar) en 1 op 7 (in gemengde groepen) (Europese Commissie/EACEA, 2025). Dit is echter nog steeds vrij hoog in vergelijking met andere EU-systemen en kan bijdragen tot de geringe aantrekkelijkheid van het beroep (Teppers & Van Regenmortel, 2023). Om zijinstromers aan te trekken, zijn onder meer betaalde opleidingen ontwikkeld voor geïnteresseerde personen en studenten in alternerend onderwijs, die hun opleiding kunnen voltooien terwijl ze in kinderopvangcentra werken.

Franstalig België blijft de beschikbaarheid van kinderopvang vergroten en richt zich op het aanpakken van het personeelstekort. In 2025 kondigde de Waalse regering de oprichting aan van 106 bijkomende plaatsen in centra voor kinderopvang, als reactie op het groeiende tekort aan plaatsen. De beschikbaarheid van kinderopvangfaciliteiten is momenteel het laagst in Henegouwen (43,8%) en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (40,5%). Het Office de la Naissance et de l’Enfance heeft een analyse gepubliceerd van tekorten in de kinderopvangsector in afwachting van een actieplan om dit probleem aan te pakken. In het verslag werd een aanzienlijke discrepantie vastgesteld tussen de ervaring van werkzoekenden en de verwachtingen van werkgevers, waardoor de kansen voor beginners werden beperkt. 29,4% van de werknemers in de kinderopvangsector is ouder dan 56 jaar, wat wijst op een dringende noodzaak om nieuwe professionals aan te trekken en op te leiden (Gerard et al., 2025).

3. Schoolonderwijs en basisvaardigheden

Voortijdig schoolverlaten en schoolverzuim zijn een groeiende zorg. Hoewel onder het EU-gemiddelde (EU: 9,3%), is het aandeel voortijdige verlaters van onderwijs en opleiding (tussen 18 en 24 jaar) sinds 2021 gestegen naar 7% in 2024. De hoogste percentages werden waargenomen in Wallonië (8,1%) en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (9,8%), bijna net zo hoog als tijdens de pandemie. Op langere termijn zijn de verschillen tussen in België geboren jongeren en in een ander land geboren jongeren aanzienlijk kleiner geworden (van 9,2 procentpunt tot 1,8 procentpunt tussen 2015 en 2024). Het schoolverzuim is toegenomen, met name in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest: het aandeel leerlingen met meer dan 30 halve dagen niet-gerechtvaardigde afwezigheid in het voltijds secundair onderwijs bedroeg 8,3% in Nederlandstalige scholen in 2023/24 (tegenover 4,5% in 2014/2015). De Franse Gemeenschap heeft in 2024 een decreet aangenomen ter bestrijding van schooluitval en schoolverzuim. De uitvoering ervan is met een jaar uitgesteld: 2026 in het kleuter- en lager onderwijs en 2027 in het secundair onderwijs. De Vlaamse regering heeft ook een meer gecoördineerde aanpak tegen voortijdig schoolverlaten aangekondigd (Vlaams Parlement, 2024).

België loopt achter op het gebied van wiskunde en wetenschappen. De Trends in Mathematics and Science Study (TIMSS) van 2023 wijst op de verslechtering van de basisvaardigheden bij leerlingen van het vierde leerjaar lager onderwijs. Leerlingen in de Franse Gemeenschap scoorden het op één na laagste van de deelnemende EU-landen op het gebied van wiskunde en het laagste in wetenschappen. Het percentage ondermaats presterende leerlingen was ook een van de hoogste in wiskunde, met 42%, en in wetenschappen, met 41 %. De Vlaamse Gemeenschap deed het beter, maar van de deelnemende landen zijn de resultaten van de Vlaamse Gemeenschap het sterkst gedaald sinds 2015. Het percentage ondermaats presterende leerlingen in wiskunde is verdubbeld (27%). In beide Gemeenschappen is het aandeel van de best presterende leerlingen in wetenschappen erg laag (2%), vergeleken met het EU-gemiddelde (6,6%). De genderkloof in zowel wetenschap als wiskunde is aanzienlijk en er is een verslechterende trend waarneembaar in Vlaanderen. Nieuw onderzoek suggereert dat remediërende maatregelen zoals zomerscholen effectief zijn geweest in het verminderen van de leerachterstand bij kansarme studenten in Vlaanderen en dat de resultaten van toppresteerders in wiskunde bleven dalen, maar tegen 2024 opnieuw het niveau van vóór de pandemie hadden bereikt (Gambi & De Witte, 2024, 2025).

Figuur 2: Aandeel ondermaats presterende en best presterende leerlingen in wiskunde in het 4e jaar lager onderwijs, TIMSS 2023

Bron: IEA TIMSS, 2023.

Ongelijkheid in leerresultaten blijft groot in de loop van de tijd. Het aandeel 15-jarigen uit zowel kansarme als bevoorrechte milieus dat goed presteert in ten minste één domein van het Programme for International Student Assessment (PISA) van de OESO (lezen, wiskunde, wetenschappen) is sinds 2015 gedaald (van 22,7% naar 16,6% voor kansarme studenten en van 71,3% naar 66,3% voor bevoorrechte studenten), maar blijft iets boven het EU-gemiddelde (16,3%). Als gevolg daarvan blijft de kloof tussen bevoorrechte en kansarme studenten vrij groot (49,6 procentpunten in 2022) en boven het EU-gemiddelde (42,7 procentpunten), in beide Gemeenschappen (BEnl: 46,3 procentpunten, BEfr: 52,6 procentpunten) en ook gemiddeld (BE 2015: 48,5 procentpunten). Ongelijkheden in basisvaardigheden hangen samen met de sociaal-economische en migratieachtergronden van leerlingen (Europese Commissie, 2024a), maar houden ook verband met leeractiviteiten thuis en kwalitatief hoogwaardige voor- en vroegschoolse educatie en opvang. In TIMSS 2023 scoorden leerlingen die zich bezighouden met thuis- en voorschoolse leeractiviteiten die taal en rekenen stimuleren hoger in zowel wiskunde als wetenschappen (Verhelst et al., 2024).

Vlaamse leerlingen presteren bovengemiddeld in digitale vaardigheden. Leerlingen in het tweede jaar van de middelbare school in de Vlaamse Gemeenschap scoorden in de International Computer and Information Literacy Study 2023 aanzienlijk hoger dan hun leeftijdsgenoten in andere EU-landen. Hoewel het percentage ondermaats presterende leerlingen (36%) lager is dan het EU-gemiddelde (43%), ligt het nog steeds ver boven het streefcijfer van 15%. De digitalisering van het onderwijs in Vlaanderen, ondersteund door Digisprong, is effectief geweest: ten opzichte van 2018 is de infrastructuur verbeterd, is het aantal scholen met ICT-plannen toegenomen en heeft 95% nu een ICT-coördinator (MICTIVO 4, 2024). Een nieuw project in het kader van het instrument voor technische ondersteuning zal Vlaanderen en Nederland helpen de relevantie en doeltreffendheid te verbeteren van de permanente professionele ontwikkeling van leerkrachten. In 2025 keurde de regering DigiPlan goed, de opvolger van Digisprong. Het is een beleidsverschuiving door een evenwichtiger gebruik van digitale en traditionele onderwijsinstrumenten (bv. schrijven met pen en papier) te bevorderen, en te investeren in fysieke infrastructuur en gedeelde apparaten. De Franse Gemeenschap heeft 170 miljoen EUR geïnvesteerd in digitalisering via het programma Digital School (onderdeel van het plan Digitaal Wallonië) en biedt, in samenwerking met het Pix-platform, een instrument aan om digitale vaardigheden te evalueren.

De Gemeenschappen streven ernaar de kwaliteit te verbeteren en ongelijkheden te verminderen door de verantwoordingsplicht van scholen te versterken. Het onderwijs in België wordt gekenmerkt door een hoge mate van schoolautonomie; tegelijkertijd zijn de recente hervormingen erop gericht de verantwoordingsplicht te versterken. Ten eerste worden er (laagdrempelige) gestandaardiseerde toetsen ingevoerd. De Vlaamse Gemeenschap is in 2024 begonnen met het toetsen van leerlingen op hun Nederlands en wiskundevaardigheden (vierde jaar lager en tweede jaar middelbaar onderwijs), en de Franse Gemeenschap is van plan om vanaf 2026 de basisvaardigheden (wiskunde, lezen en schrijven) van leerlingen van het derde jaar lager onderwijs te testen om reeds vroeg een diagnose te kunnen stellen. De Duitstalige Gemeenschap ontwikkelt ook een nieuw systeem om de basisvaardigheden van leerlingen te monitoren als onderdeel van haar Visie 2040-strategie (OESO, 2023a, 2024a). De Gemeenschappen bewegen zich ook in de richting van een meer voorschrijvende leerplanbegeleiding. De Franse Gemeenschap heeft een toezichtcomité opgericht om de uitvoering van het kerncurriculum in het kader van het “Pacte pour un enseignement d’excellence” op schoolniveau te beoordelen. Vanaf september 2025 moderniseert Vlaanderen de leerplannen in het basisonderwijs met een focus op Nederlands en wiskunde (50% van de onderwijstijd) evenals STEM, persoonlijke ontwikkeling en sociale vaardigheden. Het nieuwe “kennisrijke” leerplan is opgebouwd rond minimumdoelen en moet ervoor zorgen dat leerlingen systematisch kennis opbouwen, verbanden kunnen leggen en diepgaande kennis kunnen ontwikkelen.

4. Beroepsonderwijs en -opleiding

In België is het aantal leerlingen op middelhoog niveau die zijn ingeschreven voor programma’s voor beroepsonderwijs en -opleiding hoger dan het EU-gemiddelde, maar er is ruimte om het leren op de werkplek te bevorderen. In 2023 volgde 57,3% van de leerlingen op middelhoog niveau een beroepsgericht programma, en dit is ongeveer 5 procentpunten meer dan het EU-gemiddelde (52,4%). Echter kreeg minder dan de helft van de Belgische afgestudeerden van beroepsonderwijs en -opleiding tijdens hun opleidingsprogramma te maken met werkplekleren (48,8% in 2024). Dit ligt ver onder het EU-streefcijfer van 60% voor werkplekleren tegen 2025 en onder het meest recente EU-gemiddelde van 65,2%.

Om de arbeidsmarktrelevantie van beroepsonderwijs en -opleiding te verbeteren, wil Vlaanderen werkplekleren uitbreiden. Dit heeft tot doel om duaal leren in beroepsonderwijs en -opleiding te vergemakkelijken door de voorwaarden flexibeler te maken en duaal leren als hoogwaardig leertraject te blijven bevorderen. Het gebruik blijft echter bescheiden: slechts 6,6% van de leerlingen neemt deel aan de relevante trajecten (Verhaest & De Witte, 2025). De geringe aantrekkelijkheid van beroepsonderwijs en -opleiding is aangemerkt als een risicofactor voor met name voortijdig schoolverlaten, onder meer in arbeidsmarktgerichte STEM-programma’s (IDEA Consult, 2025). Vlaanderen onderneemt stappen om het secundair onderwijs te moderniseren en te actualiseren, met inbegrip van het stelsel voor beroepsonderwijs en -opleiding en enkele duale leerprogramma’s (Vlaamse Regering, 2025b).

Ook het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschap hebben inspanningen aangekondigd om het leren op de werkplek te bevorderen. In hun respectievelijke regeringsverklaringen staat dat zij voornemens zijn samen te werken aan het ontwikkelen van duaal leren en leerlingplaatsen op alle onderwijsniveaus, secundair, volwassenen- en tertiair onderwijs inbegrepen. Als onderdeel van het “Pacte d’excellence” in het onderwijs heeft de Franse Gemeenschap in 2024 het beheer van het aanbod van beroepsonderwijs en -opleiding in het hoger secundair onderwijs hervormd. Tot de veranderingen behoort een betere integratie van onderwijs- en sociaal-economische actoren in de besluitvorming omtrent beroepsonderwijs en -opleiding. De geplande rationalisering van de begroting (97% van het huidige niveau) en de stopzetting van 1-jarige postsecundaire beroepsopleidingsprogramma’s (het zogeheten 7e jaar) voor volwassenen en houders van een certificaat van secundair onderwijs ten gunste van volwasseneneducatie hebben sterke reacties bij belanghebbenden uitgelokt.

5. Tertiair onderwijs

Het niveau van het tertiair onderwijs blijft hoog. In 2024 was ongeveer de helft (50,7%) van de jongeren tussen 25 en 34 jaar in het bezit van een diploma tertiair onderwijs, wat meer is dan het EU-streefcijfer van 45%. Het hoogste percentage hoger opgeleiden woont in Waals-Brabant (64,4%) en het laagste percentage in Henegouwen (37,8 %). De arbeidsparticipatie van pas afgestudeerden van het tertiair onderwijs is constant hoog (87,8% in 2024, EU: 86,7%), maar er is een gebrek aan vergelijkbare en betrouwbare gegevens over de afstemming tussen de profielen van afgestudeerden en de behoeften van de arbeidsmarkt. Volgens het Belgische statistiekbureau, Statbel, voelt ongeveer een vijfde van de tertiair opgeleide jongeren tussen 15 en 34 jaar zich overgekwalificeerd voor hun baan, en vier op de tien werken niet op het gebied waarop zij onderwijs hebben gevolgd (Statbel, 2025). In de follow-up van de aanbeveling van de Raad van 2017 over het volgen van afgestudeerden ontbreekt de beleidsfocus in de twee Gemeenschappen, die beide actief lid zijn van het Europees netwerk voor het volgen van afgestudeerden. Er worden inspanningen geleverd om de dekking te verbreden (BEfr) en de bestaande traceringsmaatregelen te hervormen (BEnl) via het gebruik van administratieve gegevens.

Studenten in België hebben meer tijd nodig om hun studie af te ronden vanwege keuzeproblemen. In 2023 voltooide slechts 33% (BEnl) en 23% (BEfr) van de nieuwe bachelorstudenten hun studie binnen het theoretische tijdsbestek van hun opleiding, ruim onder het EU-gemiddelde (EU-25: 43%)(OESO, 2025). In de Vlaamse Gemeenschap slaagde 70% van de studenten uiteindelijk binnen zes jaar (EU-25: 67%), terwijl in de Franse Gemeenschap slechts 51% afstudeert en de meeste studenten (21%) na het eerste jaar afhaken (OESO, 2025). Dit kan onder meer worden toegeschreven aan het ontbreken van ex-ante-toelatingsmechanismen in Belgische instellingen voor hoger onderwijs, wat leidt tot een mismatch tussen studenten en hun studiekeuze en verlenging van de studietijd (Declercq & Verboven, 2018). In de Franse Gemeenschap is bij het “Landschapsdecreet” (décret paysage) een leerkredietsysteem ingevoerd om de efficiëntie van studies in het hoger onderwijs te vergroten (zie Europese Commissie 2024). De eerste studie om de effecten ervan te onderzoeken waarschuwt echter voor mogelijke risico's van uitval van studenten in een later stadium, vooral onder kansarme studenten (Dehon & Lebouteiller, 2025). Het ADA-oriëntatie-instrument helpt jongeren bij het afstemmen van hun interesses op bestaande banen en programma's voor postsecundair onderwijs. Ook in Vlaanderen zijn initiatieven zoals Columbus ontwikkeld om de match tussen studieprogramma's en studenten te verbeteren.

Vlaanderen heeft de implementatie van het Voorsprongfonds hoger onderwijs afgerond. Alle instellingen voor hoger onderwijs hebben geprofiteerd van financiering in het kader van het Belgische plan voor herstel en veerkracht, ten bedrage van 54 miljoen EUR, hetzij individueel, hetzij in samenwerking. Tegelijkertijd is er nog geen hervormd financieringsmodel ontwikkeld om rekening te houden met het toenemende aantal studenten. De nieuwe regering wil de financiering voor studenten uit niet-EU-landen beperken (maximaal 2% per instelling), wat het aantrekken van buitenlands talent zou kunnen bemoeilijken.

6. Vaardigheden van volwassenen en volwasseneneducatie

Ondanks de genomen maatregelen heeft België nog een lange weg te gaan om zijn nationale streefcijfer voor 2030 voor de deelname van volwassenen aan opleidingen te halen. Volgens de enquête volwasseneneducatie 2022 bedroeg de deelname van volwassenen aan onderwijs en opleiding 34,9% in België, ver verwijderd van het nationale streefcijfer voor 2030 (60,9%). België presteert ook onder het EU-gemiddelde van 39,5% en, in tegenstelling tot de EU als geheel, is de deelname gedaald ten opzichte van 2016 (laatste gemeten periode). Uit de EU-arbeidskrachtenenquête blijkt echter dat de deelname van volwassenen aan onderwijs en opleiding tussen 2022 en 2024 is toegenomen.

In 2023 noteerde Vlaanderen betere resultaten dan het EU-gemiddelde op het gebied van basisvaardigheden voor volwassenen. 13,3% van de volwassenen presteerde slecht op alle gebieden (geletterdheid, rekenvaardigheid en adaptieve probleemoplossing), wat aanzienlijk lager is dan het EU-gemiddelde van 19,9%. Hoewel België een toename van zwak presterende 15-jarigen (PISA) heeft geregistreerd, zijn de prestaties van volwassenen op het gebied van basisvaardigheden sinds 2013 grotendeels stabiel gebleven. De ongelijkheid in de taalvaardigheden van volwassenen neemt echter toe, waarbij de kloof tussen sterk en zwak presterende volwassenen toeneemt.

De verschillende regeringen nemen maatregelen om volwasseneneducatie en -vaardigheden te stimuleren in overeenstemming met de doelstellingen van de vaardigheidsunie, hoewel ook enkele bezuinigingen zijn aangekondigd. In 2023 publiceerde de Franse Gemeenschap een inventarisatie van de sector volwasseneneducatie. Deze analyse heeft geleid tot een nieuw geschetste hervorming van het formele stelsel voor volwassenenonderwijs, die een naamswijziging omvat van “Enseignement de Promotion Sociale” naar “Enseignement pour Adultes” (Federatie Wallonië-Brussel, 2025). Het “Contrat 2035” heeft tot doel volwassenenonderwijs toegankelijker en flexibeler te maken, en met name het leeraanbod beter af te stemmen op de behoeften van de arbeidsmarkt. Gezien de lage perceptie van leerbehoeften en de grote kloof in deelname aan leeractiviteiten, heeft Vlaanderen studies uitgevoerd om de drijfveren van de (waargenomen) leerbehoeften van volwassenen te analyseren (Vissers & van Cauwenberghe, 2024). Tegelijkertijd heeft de nieuwe Vlaamse regering bezuinigd op haar begroting voor een leven lang leren (Vlaamse Regering, 2025c). De nieuwe Belgische federale regering is ook van plan de Federal Learning Account te schrappen (op gewestelijk niveau is er een individuele opleidingsrekening in Vlaanderen).

Referenties

Publication details

  • Catalogue numberNC-01-25-123-NL-Q
  • ISBN978-92-68-29337-9
  • ISSN2466-9997
  • DOI10.2766/6242440

Opmerkingen of vragen kunt u mailen naar:

EAC-MONITOR@ec.europa.eu