Speciaal verslag
01 2021

Afwikkelingsplanning in het kader van het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme

Over het verslag: In 2014 heeft de EU het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (GAM) ingesteld om ervoor te zorgen dat falende banken op een ordelijke manier worden afgewikkeld, met minimale lasten voor de belastingbetaler, waarbij dure bail-outs worden vermeden. Wij beoordeelden of het beleidskader en de organisatorische opzet van de afwikkelingsplanning passend waren, alsook de kwaliteit en het tijdschema van de voor banken vastgestelde afwikkelingsplannen. We constateerden dat er vooruitgang is geboekt bij het GAM, maar dat enkele essentiële elementen ontbreken en dat verdere stappen nodig zijn. Met name was de reeks beleidslijnen nog niet op alle relevante gebieden gericht of vertoonde deze tekortkomingen. Bepaalde tekortkomingen, zoals financiering bij afwikkeling of harmonisatie van nationale insolventieprocedures voor banken, moeten door de wetgevers worden verholpen. Wij bevelen aan dat de GAR zijn beleidslijnen voor de afwikkelingsplanning verbetert, ervoor zorgt dat afwikkelingsplannen tijdig worden vastgesteld en volledig in overeenstemming zijn met de wettelijke vereisten, en voldoende personeel toewijst om toezicht te houden op de afwikkelingsplanning van de nationale afwikkelingsautoriteiten voor minder belangrijke banken. Wij verzoeken de wetgevers om objectievere en gekwantificeerde drempels vast te stellen voor het activeren van vroegtijdige-interventiemaatregelen.

Speciaal verslag van de ERK, uitgebracht krachtens artikel 287, lid 4, tweede alinea, VWEU.

De publicatie is beschikbaar in 23 talen en in het volgende formaat:
PDF
PDF General Report

Samenvatting

I

In 2014 heeft de EU een rechtskader vastgesteld voor het aanpakken van falende banken, namelijk het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (GAM), de tweede pijler van de Europese bankenunie. Het mechanisme is van toepassing op banken in de lidstaten van de eurozone. Het verenigt de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) — de afwikkelingsautoriteit die verantwoordelijk is voor belangrijke banken en grensoverschrijdende banken, ongeacht hun belang — en de nationale afwikkelingsautoriteiten (NAA’s), die verantwoordelijk zijn voor minder belangrijke banken in hun respectieve rechtsgebieden.

II

Doel van het mechanisme is het beschermen van de financiële stabiliteit en ervoor te zorgen dat falende banken op een ordelijke manier worden afgewikkeld met zo weinig mogelijk kosten voor de belastingbetaler en de reële economie. Daartoe voorziet het kader in instrumenten voor de afwikkeling van banken die falen of waarschijnlijk zullen falen, zodra de afwikkelingsautoriteit heeft besloten dat de bank geen normale insolventieprocedure kan doorlopen overeenkomstig het nationale recht. Ter voorbereiding moeten de autoriteiten voor elke bank een afwikkelingsplan opstellen en dit in principe jaarlijks actualiseren.

III

In 2017 publiceerden wij ons eerste controleverslag waarin werd beoordeeld of de GAR was toegerust om de afwikkeling van belangrijke banken doeltreffend uit te voeren. Om beleidsmakers en belanghebbenden te informeren over de huidige mate van gereedheid van het GAM, hebben wij deze tweede controle uitgevoerd om het toezicht van de GAR op afwikkelingsplannen voor minder belangrijke banken onder de loep te nemen en om follow-up te geven aan onze eerdere controleresultaten.

IV

Daartoe hebben wij onderzocht of het beleidskader en de organisatorische opzet passend waren, en of er vooruitgang is geboekt wat betreft de kwaliteit en het tijdschema van de vastgestelde afwikkelingsplannen. De controlewerkzaamheden vonden plaats van april 2019 tot januari 2020 en in dit kader onderzochten we een steekproef van afwikkelingsplannen die tussen 2019 en 2020 zijn vastgesteld.

V

Wij merken op dat er bepaalde tekortkomingen zijn die alleen door de wetgevers kunnen worden verholpen, zoals i) financiering bij afwikkeling en ii) het feit dat nationale insolventieprocedures niet zijn geharmoniseerd. Daarnaast merken wij op dat de regels inzake lastenverdeling verschillen naargelang een bank in het kader van een insolventieprocedure wordt afgewikkeld of staatssteun ontvangt.

VI

Onze algemene conclusie is dat er de afgelopen jaren vooruitgang is geboekt bij het GAM, maar dat enkele essentiële elementen ontbreken en dat verdere stappen in de afwikkelingsplanning voor banken nodig zijn. We constateerden met name dat de beleidslijnen nog niet op alle relevante gebieden waren gericht of tekortkomingen vertoonden. Op enkele uitzonderingen na waren de beleidslijnen tot augustus 2020 niet op de NAA’s en banken die onder hun bevoegdheid vallen gericht, maar konden zij wel als uitgangspunt dienen. In augustus 2020 werd een eerste reeks richtsnoeren vastgesteld voor NAA's met betrekking tot banken die onder hun bevoegdheid vallen.

VII

Specifiek met betrekking tot belemmeringen voor de afwikkelbaarheid heeft de GAR nog geen wezenlijke belemmeringen vastgesteld. De GAR heeft gekozen voor een stapsgewijze aanpak, waarbij potentiële belemmeringen in kaart worden gebracht voordat wezenlijke belemmeringen worden vastgesteld. Op die manier hebben banken de tijd om hangende kwesties op te lossen. Bijgevolg wordt de administratieve procedure voor het wegnemen van wezenlijke belemmeringen waarin het rechtskader voorziet, niet ingeleid. Zolang er geen conclusie over de aard van de belemmeringen is, wordt er geen conclusie getrokken over de afwikkelbaarheid van een bank.

VIII

Wij hebben vastgesteld dat de kwaliteit van de afwikkelingsplannen was verbeterd in die zin dat het percentage vereisten van het gemeenschappelijk rulebook waaraan is voldaan, was gestegen tot 60 % in het geval van een steekproef van plannen van 2018, ten opzichte van slechts 14 % in een steekproef van plannen van 2016. De GAR heeft de afwikkelingsplannen van 2018 echter laat vastgesteld en slechts een beperkt aantal plannen geactualiseerd in 2019. De NAA’s hebben ook vooruitgang geboekt met het vaststellen van hun afwikkelingsplannen, maar sommige hebben hun streefdoelen niet bereikt en/of hun plannen voor complexere banken uitgesteld.

IX

De GAR heeft goed samengewerkt met de NAA’s. Hetzelfde geldt voor de samenwerking tussen de Afwikkelingsraad en de Europese Centrale Bank (ECB) in haar rol van bankentoezichthouder. Een doeltreffende afwikkeling is echter afhankelijk van de vraag of de toezichthouder vroeg genoeg een besluit neemt over de “vroegtijdige-interventiemaatregelen” die banken moeten nemen en over de kwestie of een bank faalt of waarschijnlijk zal falen. De huidige rechtsgrondslag voorziet niet in objectieve en gekwantificeerde criteria voor het activeren van dergelijke besluiten.

X

De personeelssituatie bij de GAR is verbeterd, maar het toezicht op de door NAA’s ingediende afwikkelingsplannen voor minder belangrijke banken wordt nog steeds gehinderd door een gebrek aan personeel. De personeelssituatie op het niveau van de NAA’s verschilt aanzienlijk. Wij hebben ook vastgesteld dat het aandeel van het personeel van de GAR dat is toegewezen aan belangrijke banken en aan banken die grensoverschrijdend actief zijn, is toegenomen. Tegelijkertijd hebben de NAA’s iets minder personeel ter beschikking gesteld.

XI

Om de mate van gereedheid van het GAM te verbeteren, bevelen wij aan dat de GAR:

  • zijn reeks beleidslijnen die richting geven aan de afwikkelingsplanning in het kader van het GAM verbetert;
  • ervoor zorgt dat afwikkelingsplannen tijdig worden vastgesteld en volledig voldoen aan de wettelijke vereisten;
  • de organisatorische opzet van het GAM verbetert;
  • samen met de Commissie de wetgevers verzoekt om objectieve en gekwantificeerde criteria vast te stellen voor tijdige toezichtmaatregelen.

Inleiding

Gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme — achtergrond

01

Vóór de financiële crisis die uitbrak in de periode 2007‑2008, werden falende banken geliquideerd overeenkomstig het nationale insolventierecht. Wanneer banken te groot om te falen (“too big to fail”) werden geacht, grepen de nationale autoriteiten terug op het gebruik van belastinggeld om te voorkomen dat deze banken zouden omvallen. Het falen van een grensoverschrijdende bank kon ook extra risico’s met zich meebrengen. Aangezien uit de crisis is gebleken dat de autoriteiten niet over de procedures en instrumenten beschikten om banken ordelijk te liquideren, heeft de EU in 2014 het GAM in het leven geroepen, de tweede pijler van de Europese bankenunie.

02

Bij het GAM zijn de GAR, de Raad, de Commissie en de NAA’s van de deelnemende lidstaten betrokken. Het mechanisme wordt ondersteund door het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (GAF), dat wordt gefinancierd door de banken in de eurozone.

03

Het GAM voorziet in een kader voor de ordelijke liquidatie van banken1. Het heeft tot doel significante nadelige gevolgen voor de financiële stabiliteit te vermijden, de gedekte deposanten te beschermen en overheidsmiddelen veilig te stellen door het beroep op buitengewone openbare financiële steun zoveel mogelijk te beperken. Afwikkeling is een laatste redmiddel dat ervoor moet zorgen dat de kritieke functies van een bank kunnen worden voortgezet. Kritieke functies zijn bankactiviteiten, -diensten of -operaties die niet kunnen worden stopgezet zonder dat dit waarschijnlijk leidt tot de verstoring van de financiële stabiliteit of diensten die essentieel zijn voor de reële economie. Indien een bank geen kritieke functies heeft en het falen ervan geen risico voor de financiële stabiliteit met zich mee zou brengen, zou de bank overeenkomstig het nationale insolventierecht worden afgewikkeld.

04

De afgelopen jaren is de EU bezig met de ontwikkeling van een reeks geharmoniseerde regels voor het bankentoezicht en de afwikkeling van banken. Deze regels zijn bekend onder het begrip “gemeenschappelijk rulebook”. Wat afwikkeling betreft, omvat het gemeenschappelijk rulebook voornamelijk de richtlijn herstel en afwikkeling van banken (Bank Recovery and Resolution Directive — BRRD2), de verordening inzake het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (GAM-verordening3), gedelegeerde of uitvoeringsverordeningen van de Commissie en normen en richtsnoeren van de Europese Bankautoriteit (EBA). Ter voorbereiding van de afwikkeling stellen de afwikkelingsautoriteiten bovendien handleidingen en richtsnoeren op waarin de toe te passen beleidslijnen worden vastgelegd (zie figuur 1).

Figuur 1

Regels en beleidslijnen

Bron: ERK.

Samenwerking in het kader van het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme

De rol van de GAR en de NAA’s

05

Sinds januari 2015 is de GAR verantwoordelijk voor de afwikkeling, indien nodig, van alle belangrijke banken in de eurozone, en van minder belangrijke banken die grensoverschrijdend actief zijn4. Eind 2019 bestreek de GAR 128 banken, die ongeveer 85 % van de totale bankactiva in de eurozone vertegenwoordigen.

06

De NAA’s zijn verantwoordelijk voor alle andere banken, d.w.z. minder belangrijke banken (2 249 volgens het werkprogramma 2020 van de GAR, zie figuur 2). De GAR is echter verantwoordelijk voor de doeltreffende en consistente werking van het GAM en is derhalve belast met het toezicht op de afwikkelingsplanning van de NAA’s in de eurozone. Indien dit nodig is om de consistente toepassing van de afwikkelingsnormen te waarborgen, kan de GAR bovendien op eigen initiatief of op verzoek van een NAA besluiten om al zijn bevoegdheden rechtstreeks uit te oefenen ten aanzien van banken die oorspronkelijk onder de bevoegdheid van de NAA vielen.

Figuur 2

Minder belangrijke banken per lidstaat in de eurozone

Bron: ERK, op basis van het werkprogramma 2020 van de GAR.

07

Een bank moet aan ten minste één van de criteria in tabel 1 voldoen om als belangrijk te worden aangemerkt, anders wordt zij als minder belangrijk geclassificeerd.

Tabel 1

Criteria voor de mate van belang van banken

Criterium Toelichting
Omvang De totale waarde van de activa van de bank bedraagt meer dan 30 miljard EUR
Economisch belang Voor het betrokken land of de economie van de EU als geheel
Grensoverschrijdende activiteiten De totale waarde van de activa van de bank bedraagt meer dan 5 miljard EUR en de verhouding van haar grensoverschrijdende activa/passiva in meer dan één andere deelnemende lidstaat ten opzichte van haar totale activa/passiva bedraagt meer dan 20 %
Rechtstreekse openbare financiële bijstand De bank heeft financiering gevraagd of gekregen van het Europees stabiliteitsmechanisme of de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit
Andere Een onder toezicht staande bank wordt belangrijk geacht als ze een van de drie belangrijkste banken is die in een welbepaald land gevestigd zijn

Bron: ECB.

08

Om voorbereid te zijn op een mogelijk falen van een bank, doet de afwikkelingsautoriteit het volgende:

  1. afwikkelingsplannen opstellen voor alle banken die onder haar bevoegdheid vallen;
  2. het minimumpercentage passiva en eigen vermogen vaststellen met verliesabsorptiecapaciteit in het geval van een afwikkeling (een veiligheidsbuffer die bekendstaat als het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (minimum requirement for own funds and eligible liabilities — MREL)).

De taken in verband met de feitelijke uitvoering van een afwikkeling (crisisbeheersing) worden hier niet beschreven, aangezien deze niet binnen de reikwijdte van deze controle vallen.

09

De afwikkelingsplannen moeten ten minste jaarlijks worden geëvalueerd en geactualiseerd. De periode van het opstellen van een plan tot de vaststelling ervan staat bekend als de planningscyclus. Een afwikkelingsplan is een alomvattend document waarin onder meer de kenmerken van de bank moeten worden gespecificeerd, de kritieke functies ervan moeten worden bepaald, eventuele belemmeringen voor de afwikkelbaarheid ervan moeten worden vastgesteld en aangepakt, en het MREL van de bank moet worden vastgesteld. In het plan moet ook een conclusie worden getrokken over i) de voorkeursafwikkelingsstrategie, d.w.z. of de bank overeenkomstig het nationale insolventierecht moet worden geliquideerd, dan wel om afwikkeling moet verzoeken, en ii) de vraag of de bank afwikkelbaar is (d.w.z. gerust mag falen) (zie paragraaf 03).

10

Indien de afwikkelingsautoriteit van oordeel is dat een bank moet worden afgewikkeld, moet in het plan worden beschreven welke afwikkelingsinstrumenten moeten worden toegepast (zie figuur 3). In het plan moet ook worden gespecificeerd op welke entiteiten in de bankgroep (moedermaatschappij en/of dochtermaatschappijen) de afwikkelingsinstrumenten moeten worden toegepast, d.w.z. het zogenoemde “kanaal” (eenkanalig of meerkanalig).

Figuur 3

Afwikkelingsinstrumenten waarin het wetgevingskader voorziet

Bron: Aangepast overgenomen van de GAR.

11

De GAR neemt besluiten tijdens bestuursvergaderingen en plenaire vergaderingen. De laatstgenoemde worden bijgewoond door een vertegenwoordiger van elke NAA (zie Bijlage I voor meer informatie). De afwikkelingsplannen voor banken die onder de bevoegdheid van de GAR vallen, worden ter goedkeuring voorgelegd aan de bestuursvergadering.

Interactie met andere EU- en nationale autoriteiten

12

De GAR werkt nauw samen met de NAA’s, de Commissie, de EBA en de toezichthouders die verantwoordelijk zijn voor de banken in de eurozone (de ECB en nationale bevoegde autoriteiten) (zie figuur 4). Zo worden afwikkelingsplannen voor belangrijke banken opgesteld door interne afwikkelingsteams (IAT’s), die onder leiding staan van de GAR en worden bemand door personeel van de GAR en de betrokken NAA. De belangrijkste praktische regelingen voor de samenwerking tussen de GAR en de NAA’s zijn vastgelegd in een in 2016 gesloten en in 2018 gewijzigde kaderovereenkomst inzake samenwerking.

Figuur 4

Rollen en verantwoordelijkheden bij de afwikkelingsplanning in het kader van het GAM

Bron: ERK, op basis van de GAM-verordening.

13

De samenwerking tussen de afwikkelingsautoriteit en de banktoezichthouder omvat onder meer het volgende:

  • de toezichthouder geeft feedback over het ontwerpafwikkelingsplan;
  • de afwikkelingsautoriteit geeft feedback over het herstelplan van de bank dat door de toezichthouder wordt beoordeeld. Het herstelplan bevat de maatregelen die de bank voornemens is te treffen wanneer bepaalde indicatoren worden overschreden.

De samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de GAR en de ECB zijn gebaseerd op een memorandum van overeenstemming, dat in mei 2018 is herzien.

14

De EBA is onder meer verantwoordelijk voor:

  • het ontwikkelen van ontwerpen van technische regulerings- en uitvoeringsnormen en richtsnoeren zoals de inhoud van een volwaardig afwikkelingsplan;
  • het ontwikkelen van templates, bijvoorbeeld voor de verslaglegging over en openbaarmaking van MREL;
  • het monitoren van afwikkelingsautoriteiten op basis van periodieke evaluaties om ervoor te zorgen dat zij over de deskundigheid, middelen en operationele capaciteit beschikken om hun afwikkelingsactiviteiten uit te voeren.
15

De EBA moet ook in kennis worden gesteld wanneer de GAR of een NAA tot de conclusie komt dat een bank niet afwikkelbaar is.

16

De Commissie is verantwoordelijk voor de periodieke evaluatie van de toepassing van het gemeenschappelijk rulebook. In april 2019 heeft zij het verslag over haar eerste evaluatie gepubliceerd en geconcludeerd dat het te vroeg was om wetgevingsvoorstellen te ontwikkelen en vast te stellen5. De door de EBA ontwikkelde technische regulerings- en uitvoeringsnormen worden vastgesteld door de Commissie in de vorm van gedelegeerde verordeningen/uitvoeringsverordeningen.

Reikwijdte en aanpak van de controle

Reikwijdte en methodologie

17

In 2017 heeft de ERK de GAR voor het eerst gecontroleerd en zich daarbij op zijn afwikkelingsplanning voor belangrijke banken gericht6. Aangezien de GAR pas in 2015 werd opgericht en onze eerste controle had uitgewezen dat de GAR nog een lange weg te gaan had, hebben wij besloten om nog een controle uit te voeren en daarbij de afwikkelingsplanning voor minder belangrijke banken onder de loep te nemen en follow-up te geven aan de vorige controle. We wilden licht werpen op de huidige stand van zaken wat betreft de mate waarin het GAM gereed is voor de afwikkeling van banken.

18

Om te onderzoeken of het GAM goed was voorbereid op het aanpakken van de afwikkeling van banken, zijn we nagegaan of:

  • de GAR over een passend beleidskader beschikte om ervoor te zorgen dat de afwikkelingsplannen voor banken die onder de bevoegdheid van de GAR vallen, van optimale kwaliteit waren;
  • bij het opstellen van de afwikkelingsplannen voor belangrijke en minder belangrijke banken het goede spoor werd gevolgd;
  • de organisatorische opzet van het GAM geschikt was.
19

Ten behoeve van de controle hebben wij de bij de GAR beschikbare documentatie onderzocht en vraaggesprekken gevoerd met personeel van de GAR. Wij hebben een steekproef van afwikkelingsplannen uit de cyclus van 2018 beoordeeld (zie paragraaf 09). De cyclus van 2018 was gebaseerd op de financiële gegevens van de banken aan het einde van 2017 en eindigde in 2020, toen de laatste plannen werden vastgesteld. Onze steekproef bestond uit zes plannen met betrekking tot banken zonder afwikkelingscollege en twee plannen inzake banken met een afwikkelingscollege. We hebben ook een steekproef onderzocht van drie door de GAR uitgevoerde beoordelingen van 16 door NAA’s ingediende plannen voor minder belangrijke banken, en een steekproef van twee vereenvoudigde afwikkelingsplannen die ook door NAA’s zijn ingediend.

20

Wij hebben vraaggesprekken gevoerd met personeel van de Commissie (directoraat-generaal Financiële Stabiliteit, Financiële Diensten en Kapitaalmarktenunie (DG FISMA)) en de EBA. We hebben ook informatiebezoeken gebracht aan vier NAA’s (in Duitsland, Italië, Letland en Luxemburg) die verantwoordelijk waren voor een groot aantal banken of reeds ervaring hadden met de afwikkeling van banken. Tot slot hebben we een enquête gehouden onder de 19 NAA’s van de Europese bankenunie.

21

De controlewerkzaamheden ter plaatse werden verricht tussen april 2019 en januari 2020 en werden dus vóór de uitbraak van COVID-19 afgerond. Tenzij anders vermeld, wordt in dit verslag bijgevolg geen rekening gehouden met eventuele beleidsontwikkelingen of veranderingen die zich hebben voorgedaan naar aanleiding van de pandemie.

Toegang tot controle-informatie en vertrouwelijkheidskwesties

22

Het recht om deze doelmatigheidscontrole te verrichten en het mandaat ervoor vloeien voort uit de algemene bepalingen van artikel 287 VWEU7, dat de ERK volledige toegang verleent tot alle documenten die nodig zijn voor haar controleopdracht. Het personeel van de GAR heeft echter documenten bewerkt door alle informatie en gegevens onleesbaar te maken aan de hand waarvan we zouden achterhalen op welke bank het afwikkelingsplan in de steekproef betrekking had, en riep daarbij vertrouwelijkheidsredenen in. We waren dan ook niet in staat om MREL-berekeningen (in verband met ECB-gegevens, zie paragraaf 23) aan te sluiten, het kritieke karakter van bankfuncties te beoordelen of de consistentie van de beoordelingen door de GAR van het kritieke karakter van de bankfuncties in de afwikkelingsplannen te onderzoeken. In vergelijking met de vorige controle is de toegang tot informatie evenwel verbeterd, aangezien volledige afwikkelingsplannen beschikbaar werden gesteld in plaats van alleen geselecteerde hoofdstukken.

23

Bovendien hebben wij geen toegang gekregen tot de volgende documenten die afkomstig zijn van de ECB, maar ook door de GAR worden bewaard: i) herstelplannen van banken en ii) de feedback van de ECB over de ontwerpafwikkelingsplannen van de GAR. Wij hadden de GAR al bij de aanvang van de controle om deze documenten gevraagd. Toen de GAR ons meedeelde dat de ECB ermee had ingestemd dat wij toegang zouden krijgen tot de documenten in een fysieke dataroom in de gebouwen van de GAR, waren de afzonderingsmaatregelen naar aanleiding van de COVID-19-pandemie in werking getreden, waardoor we de documenten niet konden inkijken. Na overleg met de ECB liet de GAR ons weten dat er geen akkoord was om dergelijke documenten beschikbaar te stellen in een virtuele dataroom om redenen van gegevensbeveiliging.

24

Voor het overige beschikten wij over de nodige bewijsstukken voor de opmerkingen en conclusies in dit verslag.

Opmerkingen

Het beleidskader is versterkt, maar er zijn nog steeds tekortkomingen op bepaalde cruciale gebieden

25

De GAR heeft gedetailleerde beleidslijnen ontwikkeld met het oog op de kwaliteit en consistentie van de afwikkelingsplannen voor banken die onder de bevoegdheid van de GAR vallen en de mogelijke afwikkelingsmaatregelen daarin. De beleidslijnen, die worden vastgesteld door de bestuursvergadering van de GAR, zijn opgenomen in het handboek voor afwikkelingsplanning, het intern beleidsdocument van de GAR, alsook in horizontale technische nota’s. De inhoud van deze nota’s, die tussen 2016 en 2019 zijn uitgebracht, werd opgenomen toen het handboek in 2019 werd geactualiseerd, zij het minder gedetailleerd. Er werden ook afzonderlijke beleidsdocumenten inzake het MREL opgesteld, en in april 2020 heeft de GAR een document gepubliceerd met haar verwachting voor banken, getiteld “Expectations for Banks” (zie figuur 5).

Figuur 5

Overzicht van de beleidslijnen van de GAR

Bron: ERK.

26

Behalve wat betreft het MREL hoefden de NAA’s in de periode waarop onze controle betrekking heeft deze beleidslijnen niet in acht te nemen bij het opstellen van de plannen voor minder belangrijke banken. Gezien de relevantie voor alle categorieën van banken konden de NAA’s deze niettemin als uitgangspunt gebruiken bij de ontwikkeling van hun eigen beleidslijnen.

27

De GAR heeft zijn beleidslijnen gegroepeerd rond acht gebieden die het proces van afwikkelingsplanning weerspiegelen (zie figuur 6). De beleidslijnen werden ontwikkeld in nauwe samenwerking met de NAA’s.

Figuur 6

Proces van afwikkelingsplanning

NB: In het handboek voor afwikkelingsplanning wordt een specifiek hoofdstuk gewijd aan elk van deze acht gebieden.

Bron: GAR.

28

In ons speciaal verslag van 2017 hebben wij geconcludeerd dat de GAR geen volledig systeem van beleidslijnen voor afwikkelingsplanning had. Wij hadden aanbevolen om i) het handboek voor afwikkelingsplanning bindend te maken, ii) duidelijke en consistente beleidslijnen inzake wezenlijke belemmeringen en het MREL op te stellen, en iii) richtsnoeren met betrekking tot alle afwikkelingsscenario’s op te nemen.

29

Daarom hebben wij beoordeeld of:

  1. de GAR alle relevante beleidslijnen heeft vastgesteld die nodig zijn om afwikkelingsplannen op te stellen voor banken die onder zijn bevoegdheid vallen;
  2. de ontwikkelde beleidslijnen van bevredigende kwaliteit waren.

Er ontbreken nog steeds enkele belangrijke beleidslijnen die van toepassing zijn op de banken die onder de bevoegdheid van de GAR vallen

30

De in het handboek vastgestelde beleidslijnen zijn bedoeld als leidraad voor de IAT’s bij het opstellen van de afwikkelingsplannen voor belangrijke banken. Dit handboek was niet bindend gemaakt. Wij hebben ook vernomen dat IAT’s niet verplicht zijn om eventuele afwijkingen van het handboek in het afwikkelingsplan te rechtvaardigen, en wij hebben een dergelijke rechtvaardiging dan ook nergens aangetroffen in de plannen in onze steekproef.

31

Wij hebben de beleidslijnen van de GAR onderzocht en geconstateerd dat er, in april 2020, verschillende ontbraken. Ten eerste was er geen beleidslijn inzake “financiële continuïteit”. Het is van cruciaal belang om financiering te garanderen zodra een afwikkelingsprocedure is gestart, aangezien het voor een bank moeilijk kan zijn om toegang te krijgen tot de liquiditeit die nodig is om haar verplichtingen te herfinancieren wanneer deze opeisbaar worden, bijvoorbeeld vanwege onzekerheid over de levensvatbaarheid van de bank. Om het belang van deze kwestie te benadrukken, dient het falen van Hypo Real Estate als voorbeeld: de Duitse overheidsinstanties moesten in 2008 145 miljard EUR aan liquiditeit verschaffen. De GAR is van mening dat de beleidsontwikkeling op dit gebied een meerjarig project is en verwacht niet dat dit vóór 2022 zal worden voltooid. Tot slot moeten banken overeenkomstig het document “Expectations for Banks” van de GAR (zie paragraaf 25) hun capaciteiten op het gebied van financiële continuïteit tegen 2023 aantonen.

32

Een aspect dat nauw samenhangt met de financiële continuïteit bij afwikkeling is het vangnetmechanisme van de publieke sector. Een dergelijk vangnetmechanisme zou tijdelijk door de GAR kunnen worden gebruikt om te zorgen voor financiering bij de afwikkeling van een bank die als falend of waarschijnlijk falend is aangemerkt. In december 2019 kwam de Eurogroep in beginsel overeen dat het Europees stabiliteitsmechanisme zou voorzien in een vangnet van ongeveer 65-70 miljard EUR. De beoogde wijziging van het Verdrag tot instelling van het Europees stabiliteitsmechanisme8 is nog niet ondertekend. Het vangnet is bedoeld om het instrument voor rechtstreekse herkapitalisatie te vervangen, waarvoor het Europees stabiliteitsmechanisme 60 miljard EUR had uitgetrokken. Deskundigen stellen dat het vangnet ontoereikend zou kunnen zijn om te voldoen aan de financieringsbehoeften bij afwikkeling, met name met betrekking tot liquiditeitsverstrekking, en pleiten voor aanvullende maatregelen9.

33

Ten tweede was er geen beleidslijn inzake “governance en communicatie” voor afwikkeling. Dit betreft bijvoorbeeld de governancestructuur die nodig is om gegevensverstrekking te waarborgen, evenals doeltreffend toezicht en doeltreffende besluitvorming, tijdens de afwikkelingsplanning en in een crisis. Aangezien veel besluiten binnen een uiterst kort tijdsbestek moeten worden genomen, is een gedegen governance- en communicatiestructuur van cruciaal belang.

34

Ten derde was er geen overkoepelende beleidslijn inzake “informatievereisten”. Dit heeft bijvoorbeeld betrekking op gegevens die banken aan de GAR moeten verstrekken voor de uitvoering van afwikkelingsinstrumenten of ter ondersteuning van waarderingen van activa in het geval van afwikkeling. Volgens een op verzoek van de commissie ECON uitgevoerde analyse zijn accurate waarderingsverslagen van essentieel belang voor het algehele succes van een bankafwikkeling. Onnauwkeurige waarderingsverslagen kunnen ertoe leiden dat de financiële moeilijkheden langer aanslepen of dat de aandeelhouders en crediteuren juridische stappen nemen en om compensatie vragen10.

35

Tot slot bevatte het handboek voor afwikkelingsplanning geen beleidslijn tot vaststelling van de entiteiten binnen een groep waarop afwikkelingsmaatregelen zouden worden toegepast (het zogenoemde kanaal, zie paragraaf 10). Het kanaal bepaalt hoeveel afwikkelingsautoriteiten bevoegdheden zullen uitoefenen en afwikkelingsinstrumenten zullen toepassen. Bij een eenkanalige aanpak worden de bevoegdheden aan slechts één autoriteit toegekend, terwijl bij een meerkanalige aanpak meer dan één afwikkelingsautoriteit betrokken is.

36

De GAR is voornemens zijn beleidslijnen op een aantal gebieden uit te brengen of te actualiseren in 2020. Als eerste stap heeft de Afwikkelingsraad eind april 2020 het document “Expectations for Banks” gepubliceerd. Dit document bevat echter nog geen gedetailleerde beleidslijnen inzake de hierboven beschreven aspecten.

De uitgebrachte beleidslijnen vertonen een aantal tekortkomingen

37

We beoordeelden de kwaliteit van de beleidslijnen die tijdens de gecontroleerde periode werden toegepast en stelden tekortkomingen vast met betrekking tot drie gebieden: i) de beoordeling van het openbaar belang, ii) de vaststelling van wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid, en iii) de toepassing van het MREL-vereiste en het bail-in-instrument.

Beoordeling van het openbaar belang
38

Wanneer wordt verklaard dat een bank faalt of waarschijnlijk zal falen, is een van de voorwaarden voor een afwikkeling dat deze in het openbaar belang is, d.w.z. dat de afwikkelingsdoelstellingen niet in dezelfde mate zouden worden verwezenlijkt als de bank overeenkomstig het nationale insolventierecht werd geliquideerd. Voorbeelden van dergelijke afwikkelingsdoelstellingen zijn:

  • de continuïteit van de kritieke functies van een bank garanderen;
  • significante nadelige gevolgen voor de financiële stabiliteit vermijden;
  • gedekte deposito’s beschermen;
  • overheidsmiddelen beschermen.
39

Om die reden moet de betrokken afwikkelingsautoriteit een beoordeling van het openbaar belang uitvoeren. Volgens een studie die op verzoek van de Commissie is uitgevoerd, hebben verschillende belanghebbenden verklaard dat deze beoordeling consistenter moet worden gemaakt in de hele EU11. Sommige belanghebbenden zijn het ook niet eens met het standpunt van de GAR dat afwikkeling eerder de uitzondering dan de regel moet zijn. Gezien het universum van banken in de eurozone is de GAR van mening dat afwikkelingsmaatregelen vanwege de beoordeling van het openbaar belang uiteindelijk slechts op enkele banken van toepassing zullen zijn, aangezien de meeste banken overeenkomstig het nationale insolventierecht zullen worden geliquideerd12.

40

Wat betreft de beoordeling van de vraag of bepaalde functies binnen een bank kritiek zijn (zie paragraaf 03), hebben wij geconstateerd dat de beleidslijn van de GAR niet voorziet in duidelijk omschreven drempels (zoals het percentage van het marktaandeel). Op basis van onze enquête en vraaggesprekken met de NAA’s, alsook onze analyse van de documenten van de GAR, concluderen wij dat er inconsistenties bestaan tussen de beoordelingen van kritieke functies door de IAT’s. Als gevolg van deze inconsistenties en het ontbreken van duidelijke richtsnoeren bestaat het risico dat de GAR een functie niet als kritiek aanmerkt, hoewel de reële economie negatieve gevolgen zou ondervinden indien de bank faalt.

41

Met betrekking tot de afwikkelingsdoelstelling inzake de bescherming van gedekte deposito’s hebben wij het volgende vastgesteld: wanneer wordt geoordeeld dat de financiering van op lidstaatniveau opgezette nationale depositogarantiestelsels ontoereikend is om een crisis aan te pakken, betekent dit dat gedekte deposito’s niet goed beschermd zijn. Dit is echter onvoldoende reden voor de GAR om te oordelen dat de afwikkeling van de betrokken bank in het openbaar belang zou zijn.

42

Wat de bescherming van overheidsmiddelen betreft, merken wij op dat de regels inzake de lastenverdeling tussen i) aandeelhouders en bepaalde crediteuren en ii) de publieke sector verschillen naargelang een afwikkeling of een nationale insolventieprocedure wordt toegepast (zie figuur 7):

  • overeenkomstig de rechtsgrondslag kan openbare steun bij afwikkeling via het GAF alleen worden verstrekt wanneer de verliezen van een bank zijn gedekt door een bail-in van ten minste 8 % van de totale passiva en het eigen vermogen van de bank. De bijdrage van het GAF is in beginsel beperkt tot 5 % van de totale passiva en het eigen vermogen van de bank13. Het Internationaal Monetair Fonds heeft voorgesteld een vrijstelling met het oog op financiële stabiliteit in te voeren14, d.w.z. een vrijstelling die alleen mag worden gebruikt in geval van een crisis in de gehele eurozone of in het hele land in kwestie. Uit onze enquête blijkt dat de meerderheid van de NAA’s (60 %) het eens is met dit voorstel;
  • indien een bank overeenkomstig het nationale insolventierecht wordt geliquideerd, kunnen de lidstaten het ook nodig achten om overheidssteun te verlenen. In overeenstemming met de bankenmededeling van de Commissie (Banking Communication — BC)15 gelden de vereisten inzake lastenverdeling voor aandeelhouders en houders van achtergestelde instrumenten: zij moeten ten volle bijdragen aan de kosten van de maatregelen. In tegenstelling tot in het afwikkelingsscenario moeten houders van niet-achtergestelde schulden niet bijdragen. Het Internationaal Monetair Fonds heeft aanbevolen om strengere beginselen inzake lastenverdeling vast te stellen in het kader van de staatssteunregels16.

Figuur 7

Bail-invereisten bij afwikkeling (BRRD) en staatssteun (BC)17

Bron: ERK, op basis van de genoemde rechtsgrondslag.

43

Zoals blijkt uit de derde regel van figuur 7 kan meer publieke steun (staatssteun) worden verleend in het kader van nationale insolventieprocedures dan bij afwikkeling, op basis van het huidige beleid van de Commissie inzake staatssteun, zoals weergegeven in haar BC. Dit is niet onbelangrijk bij het bepalen van wat in het openbaar belang is. Er zijn twee soorten beoordelingen, de ene wordt door de GAR en de andere door de Commissie uitgevoerd:

  • in overeenstemming met de afwikkelingsdoelstellingen (zie paragraaf 38) moet de GAR beoordelen of het falen van een bank significante nadelige gevolgen voor de financiële stabiliteit zou hebben, en moet hij de verlening van buitengewone openbare financiële steun tot een minimum beperken;
  • alvorens staatssteun goed te keuren die de lidstaten zouden verlenen gedurende de liquidatie van een bank in het kader van een nationale insolventieprocedure, moet de Commissie beoordelen of deze steun noodzakelijk is om een ernstige verstoring in de economie van een lidstaat op te heffen. In een eerdere controle merkten we op dat de Commissie van mening was dat de lidstaten het best in staat waren om een eerste beoordeling te maken van de vraag of een ongecontroleerd verlaten van de markt van een bepaalde bank de financiële stabiliteit zou bedreigen (of een andere ernstige verstoring in de lidstaat zou veroorzaken). We constateerden ook dat de Commissie de beweringen van de lidstaten dat het potentiële falen van een bank een bedreiging vormde voor de financiële stabiliteit niet betwistte18.
44

In recente gevallen van falende banken stelde de GAR vast dat de banken volgens een normale insolventieprocedure konden worden geliquideerd zonder significante nadelige gevolgen voor de financiële stabiliteit, en concludeerde hij derhalve dat het openbaar belang het gebruik van afwikkelingsinstrumenten niet rechtvaardigde. De Commissie heeft echter later staatssteun goedgekeurd, aangezien zij van mening was dat de liquidatie van deze banken volgens een normale insolventieprocedure de economie ernstig zou verstoren. Het IMF concludeert dat het afstemmen van de vereisten inzake lastenverdeling in het geval van een insolventieprocedure op die welke van toepassing zijn in geval van afwikkeling nadat alternatieve flexibiliteit met een vrijstelling voor financiële stabiliteit in het kader is ingevoerd, de onzekerheid zou beperken en de huidige prikkels voor de lidstaten zou verminderen om manieren te vinden waardoor ze met falende belangrijke instellingen kunnen omgaan in het kader van nationale insolventieprocedures19. Tot slot heeft het Europees Parlement er in zijn resolutie van 2020 over de bankenunie op gewezen “dat een gelijk speelveld en de consistente toepassing van de toets van het openbaar belang moeten worden gewaarborgd”20.

45

Wij merken op dat de harmonisatie van nationale insolventiewetgeving een andere kwestie is die steeds relevanter is geworden in het oriënterend debat21. Van de 18 NAA’s die onze enquête hebben beantwoord, hebben er 14 verklaard dat het nuttig of zeer nuttig zou zijn indien de nationale insolventieregelingen voor banken werden geharmoniseerd. Zo zijn de aanleidingen om nationale insolventieregelingen in te leiden in de meeste landen niet afgestemd op de aanleidingen om een afwikkeling in te leiden, en met name de omstandigheden die rechtvaardigen dat een bank wordt beschouwd als een instelling die faalt of waarschijnlijk zal falen22. Het bereiken van harmonisatie is echter een moeilijk proces, aangezien het betrekking heeft op rechtsgebieden die onder de bevoegdheid van de lidstaten vallen (zoals het vennootschapsrecht).

46

Tot slot moet in het afwikkelingsplan rekening worden gehouden met relevante scenario’s, met inbegrip van de mogelijkheid dat het falen idiosyncratisch (bankspecifiek) is of in een tijd van bredere financiële instabiliteit of systeembrede gebeurtenissen plaatsvindt. De GAR is echter van mening dat in de GAM-verordening (artikel 8) niet is bepaald dat dergelijke gebeurtenissen in aanmerking moeten worden genomen in het stadium waarin de beoordeling van het openbaar belang wordt uitgevoerd in gevallen waarin de toepassing van het nationale insolventierecht de voorkeursstrategie is. In het handboek voor afwikkelingsplanning van de GAR wordt dit aspect dan ook niet verduidelijkt (zie paragraaf 28). Er zijn NAA’s die de wet anders interpreteren. De Commissie erkent dat er enige ruimte voor interpretatie is.

Richtsnoeren voor de vaststelling van wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid
47

Overeenkomstig het gemeenschappelijk rulebook moet de GAR beoordelen of een bank afwikkelbaar is of niet. Een bank wordt afwikkelbaar geacht indien het haalbaar en geloofwaardig is dat zij ofwel overeenkomstig het normale insolventierecht wordt geliquideerd, ofwel wordt afgewikkeld door afwikkelingsinstrumenten toe te passen en afwikkelingsbevoegdheden uit te oefenen. Daarom moet de afwikkelingsautoriteit beoordelen of er obstakels zijn, d.w.z. belemmeringen voor de afwikkeling van een bank. De afwikkelingsautoriteit moet de EBA ook tijdig in kennis stellen wanneer een bank niet afwikkelbaar wordt geacht.

48

Zodra de GAR heeft geconcludeerd dat een belemmering van wezenlijke aard is, wordt een administratieve procedure ingeleid om ervoor te zorgen dat de betrokken bank de situatie rechtzet (zie figuur 8). Bij het administratieve proces zijn verschillende belanghebbenden betrokken. Het kan twaalf maanden of langer duren totdat de bank het definitieve uitvoeringsplan indient dat is bedoeld om de wezenlijke belemmering weg te nemen.

Figuur 8

Stappen bij de aanpak van wezenlijke belemmeringen voor banken die onder de bevoegdheid van de GAR vallen

Bron: ERK, aangepast overgenomen van de GAR.

49

Naar aanleiding van een aanbeveling in ons Speciaal verslag nr. 23/2017 (zie paragraaf 28) heeft de GAR in september 2018 zijn beleidslijn inzake het vaststellen en aanpakken van belemmeringen voor de afwikkelbaarheid uitgebracht. De GAR heeft deze beleidslijn op slechts een minderheid van de in 2019 opgestelde afwikkelingsplannen toegepast. De GAR werkt aan de verfijning van zijn richtsnoeren voor de IAT’s, en met name wat betreft de wijze waarop zijn methode in de praktijk moet worden toegepast.

50

Volgens de beleidslijn van 2018 moeten de IAT’s als eerste stap potentiële belemmeringen in kaart brengen. De IAT’s moeten dan op een schaal van klein tot groot het volgende beoordelen: i) de impact die dergelijke potentiële belemmeringen zouden hebben op de afwikkelingsstrategie en ii) de waarschijnlijkheid dat deze zich voordoen. Hoewel de beleidslijn voorziet in een matrix die aangeeft wanneer dergelijke beoordelingen tot de conclusie moeten leiden dat een belemmering wezenlijk is, is deze in feite louter indicatief. Zo worden potentiële belemmeringen waarvan de impact en de waarschijnlijkheid dat deze zich zullen voordoen als groot zijn beoordeeld, niet automatisch als wezenlijke belemmeringen beschouwd.

51

De beoordelingen zijn dus van dien aard dat deze een aanzienlijke vrijheid laten aan de IAT’s. Daarnaast neemt de GAR een aantal elementen in aanmerking alvorens een belemmering als wezenlijk aan te merken. Wanneer een bank bijvoorbeeld over een geloofwaardig plan beschikt om vastgestelde potentiële belemmeringen aan te pakken, hoeft de belemmering niet noodzakelijkerwijs als wezenlijk te worden beschouwd. De GAR ziet het wegnemen van belemmeringen voor de afwikkelbaarheid immers als een stapsgewijs proces tussen banken en de GAR, dat enige tijd in beslag kan nemen.

52

Deze beleidslijn wordt bevestigd in het document getiteld “Expectations for Banks” van de GAR (zie paragraaf 25): het voorziet in een geleidelijke invoering waarbij van de banken wordt verwacht dat zij uiterlijk eind 2023 hun capaciteiten hebben opgebouwd in alle zeven dimensies die in het document worden behandeld23, ongeacht het risiconiveau, de omvang of de complexiteit van de banken. Onder voorbehoud van overeenstemming kan een bank ook na 2023 haar capaciteiten opbouwen. Ter vergelijking: banken die onder de bevoegdheid van de Bank of England vallen, volgen striktere tijdschema's, aangezien al deze banken tegen 1 januari 2022 afwikkelbaar zouden moeten zijn24.

53

Bij deze verwachtingen in het kader van de Expectations for Banks staat het beginsel “samenwerking” centraal, d.w.z. de GAR en banken werken samen om afwikkelbaarheid te bereiken. Van de banken wordt verwacht dat zij een werkplan opstellen en een zelfbeoordeling maken van de geboekte vooruitgang in dat kader, met het oog op een tijdige uitvoering. Van de 18 NAA’s die onze enquête hebben beantwoord, zijn er 17 van mening dat dit een passende aanpak is. Het risico bestaat echter dat een bank weinig gemotiveerd is om samen met de GAR belemmeringen aan te pakken, met name wanneer bedrijfsmodellen een rol spelen, bijvoorbeeld wanneer de GAR voornemens was het instrument van verkoop van de onderneming toe te passen (zie figuur 3).

54

Bovendien voorziet het gemeenschappelijk rulebook niet in dergelijke overgangsperioden. Het vereist dat een duidelijke conclusie wordt getrokken over de vraag of de bank afwikkelbaar is (zie paragraaf 09), waarvoor eventuele wezenlijke belemmeringen vooraf moeten worden vastgesteld. Dit wordt bevestigd door een besluit van de EBA uit 2018, waarin is bepaald dat het vaststellen van potentiële belemmeringen zonder te bepalen of deze van wezenlijke aard zijn, niet in overeenstemming is met het gemeenschappelijk rulebook. De EBA concludeerde dat elk vastgesteld afwikkelingsplan een gedetailleerde beschrijving moet bevatten van de beoordeling van de afwikkelbaarheid. Deze gedetailleerde beschrijving moet alle vastgestelde wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid omvatten25.

55

Als gevolg van het door de GAR gekozen stapsgewijze proces dat tot de niet-vaststelling van wezenlijke belemmeringen leidde, heeft de GAR nog geen kennisgevingen ingediend bij de EBA (zie paragraaf 47) en hebben de NAA’s geen kennisgevingen ingediend met betrekking tot de minder belangrijke instellingen.

56

In een nota26 die de afdeling Ondersteuning economische governance van het Europees Parlement eind 2019 heeft uitgebracht, werd geconcludeerd dat in oktober 2019 geen van de afwikkelingsplannen een volledig uitgewerkte beoordeling van de belemmeringen voor de afwikkelbaarheid bevatte. In de nota werd gesteld dat dit twijfels doet rijzen over de vraag of banken gereed zijn voor een mogelijke afwikkeling in de komende jaren.

Richtsnoeren inzake het MREL en de bail-in
57

Een van de belangrijkste instrumenten voor het verbeteren van de afwikkelbaarheid van banken is het wettelijke vereiste dat alle banken de MREL-doelstellingen verwezenlijken die zijn vastgesteld door hun afwikkelingsautoriteit (zie paragraaf 08). Banken moeten een specifiek volume eigen vermogen en andere in aanmerking komende passiva aanhouden om hen in staat te stellen verliezen op te vangen en hun kapitaalpositie te herstellen zonder een beroep te doen op overheidsmiddelen.

58

Overeenkomstig het gemeenschappelijk rulebook hebben de banken tot 2024 de tijd om hun MREL-doelstelling volledig te verwezenlijken, maar zij moeten uiterlijk in januari 2022 een tussentijdse doelstelling bereiken, aangezien het voor banken lastig kan zijn om effecten van het MREL-type uit te geven.

59

De GAR en de NAA’s zijn wettelijk verplicht om voor elke bank een formeel MREL-besluit uit te vaardigen. Van de 18 NAA’s die onze enquête hebben beantwoord, zijn er acht (44 %) van mening dat een dergelijk formalisme niet zinvol is wanneer het MREL-vereiste overeenstemt met de prudentiële kapitaalvereisten, wat over het algemeen het geval is wanneer een bank overeenkomstig het nationale insolventierecht moet worden geliquideerd. Tot deze acht NAA’s behoren die met het hoogste aantal banken. Dit creëert een administratieve last voor alle betrokken partijen (de GAR, de NAA’s en de banken).

60

De GAR heeft de beleidslijn inzake het MREL die van toepassing is op de afwikkelingsplanningscyclus van 2018 in november 2018 gepubliceerd en in januari 2019 geactualiseerd (zie paragraaf 28). De Afwikkelingsraad heeft ook de beleidslijn inzake het MREL die van toepassing is op de afwikkelingsplanningscyclus van 2020 gepubliceerd in mei 2020. De meeste aangebrachte wijzigingen (zie Bijlage II voor een vergelijking) vloeien voort uit de herziene GAM-verordening27. Het is nog niet bekend hoe deze wetswijzigingen op de korte en middellange tot lange termijn van invloed zullen zijn op de MREL-doelstellingen. De GAR heeft ook aangekondigd dat hij voornemens is een beoordeling te maken van de mogelijke impact van de COVID-19-pandemie op de overgangsperioden die nodig zijn om uiteindelijk aan het MREL te voldoen (zie paragraaf 58).

61

Uit het herziene rechtskader vloeien onder meer de volgende wijzigingen voort:

  • het is niet langer verplicht om een marktvertrouwenbuffer op te nemen in de berekening van de MREL-doelstelling. De GAR is echter voornemens een dergelijke buffer te blijven toepassen;
  • bij de herziene BRRD28 wordt een verplicht vast MREL ingevoerd voor drie categorieën van banken29;
  • de herziene BRRD vereist een minimumniveau van achterstelling (8 % van de totale passiva en het eigen vermogen). Achterstelling houdt in dat een deel van de MREL-doelstelling moet worden verwezenlijkt met achtergestelde passiva, dus niet alleen met niet-achtergestelde schulden. De kosten van de uitgifte van achtergestelde schulden liggen over het algemeen hoger.
62

Ten gevolge van facultatieve bepalingen of het ontbreken van bepalingen in de rechtsgrondslag verschillen de praktijken van de afwikkelingsautoriteiten in de EU voor het bepalen van het MREL (zie tekstvak 1).

Tekstvak 1

Voorbeelden van uiteenlopende praktijken voor het bepalen van het MREL

Uit het kwantitatieve MREL-verslag 2020 van de EBA30 blijkt dat, wegens het ontbreken van een verplicht achterstellingsvereiste, de achterstellingspraktijken in de EU onder afwikkelingsautoriteiten verschillen. Sommige vereisen dat het MREL-streefdoel volledig wordt gehaald door middel van achtergestelde verplichtingen, terwijl de GAR vereist dat het minimumniveau van achterstelling tussen de 12 % en 16 % van de totale risicoblootstelling ligt, afhankelijk van de complexiteit van de bank. Bij de herziening van de BRRD is onlangs voor sommige categorieën van banken een verplicht vereiste ingevoerd.

Volgens hetzelfde verslag stelt de Tsjechische afwikkelingsautoriteit geen standaardniveau vast voor de marktvertrouwenbuffer. De Zweedse afwikkelingsautoriteit stemt het MREL niet af bij de overdracht van activa. De Roemeense afwikkelingsautoriteit staat niet toe dat deposito’s meetellen voor het MREL. In tegenstelling tot de GAR is de Poolse afwikkelingsautoriteit van mening dat met eigen vermogen en passiva die in het bezit zijn van kleine beleggers niet kan worden voldaan aan het MREL31.

63

Wanneer een bank faalt, kunnen kleine beleggers worden getroffen, ongeacht of de bank wordt geliquideerd in het kader van het nationale insolventierecht of wordt afgewikkeld. De recente gevallen van de falende banken Veneto Banca, Banca Popolare di Vicenza en Banco Popular hebben geleid tot een publiek debat over de vraag of kleine beleggers bij de bail-in moeten worden betrokken. De niet-achtergestelde en achtergestelde schulden die EU-banken in 2018 bij kleine beleggers in de eurozone, voornamelijk obligatiehouders in Italië (51 %) en Duitsland (19 %), plaatsten, werden op 262 miljard EUR geraamd32.

64

In de beleidslijn van de GAR inzake het instrument van bail-in worden operationele kwesties beschreven met betrekking tot de bail-in van effecten (aandelen en obligaties). Operationele kwesties in verband met andere in aanmerking komende passiva, zoals deposito’s, zijn hier echter niet in opgenomen. Bovendien wordt in de richtsnoeren van de GAR geen termijn vastgesteld waarbinnen een bail-in moet zijn voltooid. Ter vergelijking: de Duitse afwikkelingsautoriteit eist van de banken die onder haar bevoegdheid vallen dat zij de bail-in binnen 24 uur in hun boeken invoeren en bereid zijn om binnen 12 uur de externe uitvoering voor obligatie-/aandeelhouders in gang te zetten.

65

Volgens het gemeenschappelijk rulebook moet de beoordeling door de afwikkelingsautoriteit van de haalbaarheid en geloofwaardigheid van de voorkeursafwikkelingsstrategie (d.w.z. het te gebruiken instrument, zie figuur 3) een beoordeling omvatten van alle alternatieve strategieën die als onderdeel van die strategie worden voorgesteld. Dit is met name van belang in gevallen waarin de financiering bij afwikkeling niet is gewaarborgd (zie paragraaf 31), aangezien er een risico bestaat dat afwikkeling mislukt. In de beleidslijn van de GAR wordt echter niet voldoende gewezen op de noodzaak voor IAT’s om alternatieve strategieën te beoordelen wanneer het instrument van bail-in wordt toegepast.

Er is vooruitgang geboekt bij de afwikkelingsplanning, maar er is nog een lange weg te gaan voordat deze in overeenstemming is met de wettelijke vereisten

66

De door de afwikkelingsautoriteiten opgestelde afwikkelingsplannen moeten volledig voldoen aan het gemeenschappelijk rulebook en de GAR moet de datum bepalen waarop de eerste afwikkelingsplannen moeten worden opgesteld. Volgens de GAM-verordening moeten de afwikkelingsplannen in principe ten minste één keer per jaar worden geactualiseerd.

67

Zoals vermeld in paragraaf 06, is de GAR verantwoordelijk voor het toezicht op de werkzaamheden van de NAA’s met betrekking tot minder belangrijke banken. De GAR heeft daartoe het recht richtsnoeren en algemene instructies uit te vaardigen inzake de taken die de NAA’s moeten uitvoeren. Overeenkomstig de tussen de GAR en de NAA’s gesloten kaderovereenkomst inzake samenwerking moet de GAR ook de door de NAA’s opgestelde afwikkelingsplannen beoordelen.

68

Wij beoordeelden of:

  1. de kwaliteit van de door de GAR vastgestelde afwikkelingsplannen vergeleken met de resultaten van onze eerdere controle was verbeterd, d.w.z. of het aantal vereisten van het gemeenschappelijk rulebook waaraan de plannen voldeden, was toegenomen;
  2. de GAR afwikkelingsplannen voor banken die onder zijn bevoegdheid vallen tijdig heeft vastgesteld;
  3. de analyse door de GAR van de door de NAA’s ingediende plannen voor minder belangrijke banken consistent was.

De kwaliteit van de afwikkelingsplannen voor banken die onder de bevoegdheid van de GAR vallen, is verbeterd

69

Op basis van onze steekproef van zes afwikkelingsplannen uit de cyclus van 2018 hebben wij beoordeeld of zij voldeden aan de vereisten die in het gemeenschappelijk rulebook zijn vastgelegd. Wij hebben hiervoor 179 van dergelijke vereisten geselecteerd, die wij per gebied indeelden (zie figuur 6), en controleerden of hieraan was voldaan.

70

Uit onze resultaten blijkt dat aan 60 % van de vereisten was voldaan (zie tabel 2). Dit is een verbetering ten opzichte van onze eerdere controleresultaten met betrekking tot een steekproef van plannen uit de cyclus van 2016, waarbij slechts aan 14 % was voldaan. Naast dit resultaat was niet voldaan aan 30 % van de vereisten (2017: 64 %) en was aan 10 % gedeeltelijk voldaan (2017: 22 %).

Tabel 2

Controleresultaten per gebied

Is aan de vereisten voldaan
(per gebied)?
Ja (in %) Nee (in %) Gedeeltelijk
(in %)
Strategische bedrijfsanalyse 65 % 23 % 13 %
Afwikkelingsstrategie 78 % 16 % 6 %
MREL 70 % 27 % 2 %
Financiële en operationele continuïteit 47 % 39 % 13 %
Communicatie en informatieverstrekking 32 % 39 % 30 %
Beoordeling van de afwikkelbaarheid 51 % 40 % 9 %
Samenvatting 57 % 38 % 5 %
Totaal (plannen van 2018) 60 % 30 % 10 %

Bron: ERK.

71

De situatie met betrekking tot de plannen in de steekproef liep sterk uiteen; er was van 80 % (plan 1) tot 40 % (plan 6) aan de vereisten voldaan, zoals weergegeven in tabel 3.

Tabel 3

Controleresultaten per afwikkelingsplan

Is aan de vereisten voldaan
(per plan)?
Ja (in %) Nee (in %) Gedeeltelijk (in %)
Plan 1 80 % 16 % 4 %
Plan 2 65 % 28 % 6 %
Plan 3 60 % 24 % 15 %
Plan 4 58 % 33 % 10 %
Plan 5 53 % 42 % 5 %
Plan 6 40 % 41 % 19 %
Totaal (plannen van 2018) 60 % 30 % 10 %

Bron: ERK.

72

In tabel 4 geven we voorbeelden van vereisten in het gemeenschappelijk rulebook waaraan de afwikkelingsplannen in onze steekproef niet voldeden.

Tabel 4

Voorbeelden van wettelijke vereisten waaraan niet was voldaan

Vereisten per gebied Voorbeelden
Strategische bedrijfsanalyse In geen van de afwikkelingsplannen werd beschreven hoe de kritieke functies en kernbedrijfsonderdelen zouden kunnen worden gescheiden.
MREL Het MREL werd uitsluitend op geconsolideerd niveau vastgesteld, niet op het niveau van afzonderlijke entiteiten. Dit brengt het risico met zich mee dat het MREL niet wordt toegewezen aan of opgebouwd in de betrokken entiteiten van een bankgroep. Dit is nog relevanter in het geval van grensoverschrijdende banken.
Financiële en operationele continuïteit Geen van de plannen omvatte de financieringsbehoeften die uit de afwikkelingsstrategie voortvloeiden. Zie ook paragraaf 31.
Communicatie en informatieverstrekking Geen van de plannen bevatte een toereikende beschrijving van de regelingen die ervoor zorgen dat de informatie overeenkomstig artikel 11 van de BRRD actueel en waar nodig beschikbaar is.
Beoordeling van de afwikkelbaarheid Geen van de plannen bevatte eventuele belemmeringen met betrekking tot de stabilisatie van de bank op korte termijn of een bedrijfsreorganisatie. In drie van de vier plannen33 werd niet duidelijk aangegeven of de afwikkelingsstrategie tijdig en doeltreffend kon worden toegepast. Geen van de plannen bevatte een toereikende beschrijving van de impact van de afwikkelingsinstrumenten op crediteuren, tegenpartijen, klanten en werknemers. Drie van de zes plannen bevatten geen duidelijke verklaring over de vraag of de bank al dan niet afwikkelbaar was op het betrokken tijdstip.
Samenvatting Vijf van de zes plannen bevatten geen tijdschema voor de uitvoering van materiële aspecten van het plan. Alle plannen vertoonden tekortkomingen in de regelingen voor samenwerking en coördinatie tussen de betrokken autoriteiten en voor de uitwisseling van informatie.

Bron: ERK.

73

Behalve de voorbeelden van tekortkomingen die in bovenstaande tabel zijn opgenomen:

  • hebben wij in geen van de afwikkelingsplannen in de steekproef aanwijzingen gevonden voor een banktest van het instrument van bail-in, hoewel wij dit in ons speciaal verslag van 2017 wel hadden aanbevolen. Volgens het meest recente beleidsdocument van de GAR, “Expectations for Banks”, hebben de banken in feite tot 2022 de tijd om de benodigde infrastructuur op te zetten om de gegevens te genereren die nodig zijn voor de uitvoering van een dergelijke test;
  • heeft de GAR met betrekking tot de cycli van 2018 en 2019 alleen “potentiële” belemmeringen vastgesteld (vandaar dat er geen beoordeling was of deze al dan niet wezenlijk waren), hoewel het gerelateerde beleid voor het vaststellen van wezenlijke belemmeringen voor de meeste plannen beschikbaar was (zie paragraaf 49). Met betrekking tot de afwikkelingsplanningscyclus van 2020 zal de GAR alleen potentiële belemmeringen in kaart brengen. Zoals vermeld in de paragrafen 51 en 52 beschouwt de GAR de vaststelling van belemmeringen als een iteratief proces. Een ander gevolg van de huidige niet-vaststelling van wezenlijke belemmeringen is dat de GAR tot op heden geen hogere MREL-streefdoelen heeft vastgesteld als gevolg van belemmeringen, wat een optie binnen het rechtskader is. In november 2019 had de GAR voor 85 banken de MREL-streefdoelen op geconsolideerd niveau vastgesteld, terwijl de besluiten met betrekking tot ongeveer 32 banken nog niet waren genomen. 48 banken, voornamelijk geconcentreerd in vijf lidstaten (Frankrijk, Griekenland, Italië, Nederland en Spanje), hadden 137 miljard EUR tekort ten opzichte van het MREL.
  • De GAR heeft geen interne MREL-besluiten34 vastgesteld in het kader van de cyclus van 2018.
74

Tot slot beoordeelden we twee plannen (zie paragraaf 19), die later werden vastgesteld dan die in onze eerste steekproef, met betrekking tot de vaststelling van wezenlijke belemmeringen, omdat deze wat dat betreft verder gevorderd hadden moeten zijn. Wij hebben gecontroleerd of het eigen beleid van de GAR was toegepast.

  • Bij een van de plannen hebben wij geconstateerd dat de richtsnoeren slechts in beperkte mate waren toegepast. Er waren geen wezenlijke of potentiële belemmeringen vastgesteld. In plaats daarvan was alleen een lijst vastgesteld van aandachtspunten die in potentiële belemmeringen zouden kunnen uitmonden.
  • In het andere geval constateerden wij tekortkomingen bij de toepassing van de richtsnoeren. Het IAT was met name afgeweken van de suggesties van de beleidsnota met betrekking tot de evaluatie van deze waarschijnlijkheid (zie paragraaf 50) door discretionaire bevoegdheid uit te oefenen, d.w.z. door rekening te houden met bepaalde verzachtende omstandigheden. De bank moest bijvoorbeeld de tijd verder terugbrengen die nodig was om in het geval van afwikkeling gegevens over de waardering af te geven, en het feit dat zij aan oplossingen werkte, werd voldoende geacht om de belemmering niet aan te merken als belangrijk.
75

Wij constateerden dat het internecontrolesysteem van de GAR de tekortkomingen of de daaruit voortvloeiende uiteenlopende kwaliteitsniveaus van de afwikkelingsplannen niet kon opsporen (zie de paragrafen 69-74). In feite heeft één afdeling binnen de GAR (verantwoordelijk voor het afwikkelingsbeleid en de afwikkelingsprocessen en -methoden) kwaliteitscontroles verricht door na te gaan of de onder de verantwoordelijkheid van andere afdelingen opgestelde afwikkelingsplannen voldeden aan de beleidslijnen van de GAR en het gemeenschappelijk rulebook. Wegens de beperkte middelen binnen de afdeling was de beschikbare tijd voor deze controle beperkt. Bovendien werden de controleactiviteiten niet systematisch geregistreerd.

Vertragingen bij de vaststelling van afwikkelingsplannen die onder de bevoegdheid van de GAR vallen

76

Hoewel afwikkelingsplannen voor het eerst in het kader van de cyclus van 2016 werden opgesteld en de meest recente plannen nog niet volledig voldoen aan het gemeenschappelijk rulebook (zie de paragrafen 69-75), heeft de GAR nooit een datum vastgesteld voor de voltooiing van de afwikkelingsplannen voor iedere bank (zie paragraaf 66). Wij hebben een soortgelijke opmerking gemaakt in ons Speciaal verslag nr. 23/2017. In zijn meerjarig werkprogramma van 2018 heeft de GAR alleen aangegeven dat 2020 het streefdoel was voor de voltooiing van de opstelling van afwikkelingsplannen. Gezien de overgangsperioden die aan banken zijn toegekend in het kader van het document “Expectations for Banks” (zie de paragrafen 31 en 52), is het echter onwaarschijnlijk dat alle plannen voor 2020 volledig aan het gemeenschappelijk rulebook zullen voldoen.

77

Wat de planningscycli van 2018 en 2019 betreft, had de GAR vertragingen opgelopen bij de vaststelling van de afwikkelingsplannen. De vertragingen zijn weergegeven in tabel 5, waar wij de geplande en de werkelijke einddata vergelijken. Hoewel de GAR voornemens is alle plannen in het kader van de cyclus van 2020 binnen twaalf maanden vast te stellen, achten wij het risico op afwijkingen hoog. Naast de vertragingen die bij de eerdere plannen werden opgelopen, zijn de redenen voor dit risico de volgende:

  • afstemming van het proces op het toezichtsproces van de ECB: de GAR houdt rekening met het resultaat van de procedure voor toetsing en evaluatie door de toezichthouder (Supervisory Review and Evaluation Process, SREP), alsook met de beoordeling door de ECB van de door de banken ingediende herstelplannen;
  • de tijd die nodig is om de ECB te raadplegen over de ontwerpafwikkelingsplannen;
  • het aantal onvoltooide beleidsdocumenten (zie paragraaf 31);
  • de uitvoering van nieuwe regelgevingsvereisten (de herziene GAM-verordening en de herziene BRRD), en
  • de COVID-19-pandemie.

Tabel 5

Afwikkelingsplanning voor de cycli van 2018 en 2019

Soort bank Geplande datum van voltooiing Werkelijke datum van voltooiing (vaststelling van het laatste afwikkelingsplan) Vast te stellen afwikkelingsplannen Vastgestelde afwikkelingsplannen
Planningscyclus van 2018
1 Banken zonder afwikkelingscollege December 2018 November 2019 76 76
2 Banken met afwikkelingscollege Augustus 2019 Juli 2020 40 40
3 Banken zonder plan N.v.t. N.v.t. 3 Nv.t.(1)
4 Totaal 119 116
Planningscyclus van 2019
5 Prioriteitsbanken zonder afwikkelingscollege April 2020 April 2020 31 31
6 Banken zonder plan/zonder geactualiseerd plan N.v.t. N.v.t. 82 N.v.t.
7 Totaal 113 31

NB:
(1) De GAR had besloten geen plannen op te stellen, aangezien één bank op het punt stond in omvang te veranderen (en niet langer onder de bevoegdheid van de GAR zou vallen) en twee banken in hun bedrijfs- en organisatiestructuur en hun financiële positie materiële wijzigingen ondergingen.

Bron: ERK, op basis van gegevens van de GAR.

78

De planningscyclus van 2018 werd later afgerond dan oorspronkelijk gepland. Voor deze vertraging bestaan een aantal redenen:

  • inefficiënties in het voorbereidingsproces;
  • toevoeging van een kwaliteitscontrole (zie paragraaf 75);
  • gebrek aan middelen, met name binnen de IAT’s;
  • opname van bepaalde administratieve procedures zoals de procedure met betrekking tot het recht om te worden gehoord, in het kader waarvan banken opmerkingen kunnen maken over het MREL-streefdoel.
79

Als gevolg van deze vertraging heeft de GAR besloten niet voor alle banken geactualiseerde afwikkelingsplannen in de afwikkelingsplanningscyclus van 2019 vast te stellen, ook al is een jaarlijkse actualisering wettelijk vereist (zie paragraaf 66); in plaats daarvan heeft de GAR voor slechts 30 van de 113 banken afwikkelingsplannen vastgesteld.

80

Met betrekking tot de planningscyclus van 2018 heeft de GAR wat het tijdschema betreft prioriteit gegeven aan afwikkelingsplannen voor banken zonder afwikkelingscollege, in plaats van die met een afwikkelingscollege. Dit was niet in overeenstemming met geest van de GAM-verordening35, volgens welke de prioritering van systeemrelevante banken wordt vereist. Aangezien deze banken in het kader van de cyclus van 2018 de laatste waren waarvan de plannen moesten worden goedgekeurd (d.w.z. medio 2020 (zie tabel 5)), hoorden zij niet tot de banken waarvan de plannen in de loop van de cyclus van 2019 werden geactualiseerd.

Niet alle plannen van minder belangrijke banken werden door de GAR onderworpen aan hetzelfde niveau van kwaliteitscontrole

81

Aan het eind van het eerste kwartaal van 2020 hadden de NAA's 1 916 van de 2 260 afwikkelingsplannen opgesteld (85 %). De nog op te stellen plannen (15 %) hebben betrekking op 13 NAA’s. Van de 19 NAA’s hadden er 8 de streefdoelen van het werkprogramma van de GAR voor 2019 niet kunnen verwezenlijken. In sommige gevallen werden de streefdoelen bereikt door prioriteit te geven aan de eenvoudiger gestructureerde banken, waardoor de meest complexe banken op een later tijdstip aan de beurt kwamen.

82

Wij hebben onderzocht of de GAR richtsnoeren had verstrekt aan NAA’s die voor minder belangrijke banken verantwoordelijk waren om de consistente werking van het GAM te waarborgen (zie paragraaf 06). We hebben ook onderzocht of de GAR tijdig advies had verstrekt over de door de NAA’s ingediende afwikkelingsplannen voor minder belangrijke banken.

83

We constateerden dat de GAR pas in augustus 2020 een eerste reeks richtsnoeren aan de NAA’s heeft verstrekt. Voor het afgeven van dergelijke richtsnoeren heeft de GAR de medewerking van de NAA’s en de goedkeuring van de besloten bestuursvergadering van de GAR nodig (zodra de tijdens de plenaire vergadering bereikte standpunten in aanmerking zijn genomen, zie Bijlage I).

84

Onder bepaalde omstandigheden hoeven de afwikkelingsautoriteiten geen volwaardige afwikkelingsplannen op te stellen, maar kunnen zij kiezen voor een vereenvoudigde versie. De bestuursvergadering van de GAR heeft in 2016 een beleidsnota over de zogenoemde vereenvoudigde verplichtingen voor minder belangrijke banken vastgesteld en deze tijdens haar plenaire vergadering gepresenteerd, waarin voorbehouden ten aanzien van het beleid werden gemaakt. In augustus 2020 (vier jaar later) heeft de bestuursvergadering een nieuwe versie van deze beleidsnota vastgesteld. Deze keer sprak de meerderheid van de plenaire vergadering zijn algemene steun uit voor het beleid.

85

Tijdens vraaggesprekken bij de EBA, die richtsnoeren over dit onderwerp heeft gepubliceerd36, hebben wij vernomen dat er tot nu toe binnen de NAA’s, die ook deelnemen aan de plenaire vergadering van de GAR, geen animo is om verdere richtsnoeren te ontwikkelen inzake vereenvoudigde afwikkelingsplannen (d.w.z. inzake de inhoud van dergelijke plannen) zodat voldoende flexibiliteit wordt behouden om de specifieke kenmerken van de binnenlandse banksector te weerspiegelen.

86

Hoewel de beleidsnota van de GAR alleen van toepassing was op de banken die onder zijn bevoegdheid vallen, hebben wij op basis van deze nota twee vereenvoudigde NAA-afwikkelingsplannen gebenchmarkt (minder belangrijke banken). De NAA’s kunnen de vereenvoudigde benadering niet toepassen als de bank niet een minimumscore behaalt op basis van de toepasselijke criteria om in aanmerking te komen, maar de behaalde score werd niet in de plannen aangegeven. In beide gevallen hebben wij tekortkomingen geconstateerd met betrekking tot de verstrekte informatie over i) het managementinformatiesysteem, ii) communicatie met de verschillende belanghebbenden en iii) communicatie met het publiek.

87

De GAR moet een beoordeling maken en kan zijn standpunt kenbaar maken, maar geen bindend advies geven over de door de NAA’s ingediende afwikkelingsplannen. Als gevolg daarvan moet de GAR zijn beoordelingen binnen een bepaalde termijn afronden, wat een aanzienlijke werklast met zich meebrengt, aangezien er (volgens de gegevens eind 2019) 2 260 van dergelijke plannen zijn. De GAR heeft daarom besloten deze plannen naar omvang en complexiteit in drie clusters in te delen. Wij hebben vastgesteld dat de mate van gedetailleerdheid van de beoordelingen afhankelijk was van het cluster, waarbij meer aandacht werd besteed aan het eerste cluster. Wij onderzochten een steekproef van 3 beoordelingen die betrekking hadden op 16 afwikkelingsplannen. De GAR had ervoor gekozen voor twaalf plannen geen standpunt in te nemen, hoewel hij bij elf hiervan twijfels had over de geloofwaardigheid van de gekozen afwikkelingsstrategie, en voor het resterende plan een MREL-streefdoel ontbrak.

88

De GAR maakte ook geen opmerkingen over het ontbreken van de vaststelling van wezenlijke belemmeringen. Van de 18 NAA´s die onze enquête hebben beantwoord, verklaarden er inderdaad 15 dat zij geen wezenlijke belemmeringen hadden vastgesteld voor banken die onder hun bevoegdheid vallen. De overige drie NAA’s concludeerden dat er voor hun banken geen belemmeringen waren.

89

Wat de naleving van de termijnen betreft, hebben 5 van de 18 NAA’s die onze enquête hadden beantwoord, aangegeven dat de GAR niet altijd in staat was zich daaraan te houden.

Organisatorische opzet in het kader van het GAM nog niet optimaal

90

In ons speciaal verslag van 2017 hebben wij geconcludeerd dat i) de verdeling van operationele taken tussen NAA’s en de GAR, met inbegrip van de verdeling van verantwoordelijkheden, onduidelijk was en ii) het memorandum van overeenstemming tussen de GAR en de ECB in haar rol als toezichthouder er niet voor zorgde dat de GAR tijdig alle nodige informatie ontving.

91

In hetzelfde verslag kwamen wij tot de conclusie dat de GAR over onvoldoende personele middelen beschikte. Om zijn taken met betrekking tot de afwikkelingsplannen voor belangrijke banken te kunnen uitvoeren, is de GAR ook afhankelijk van het personeel dat de NAA’s ter beschikking stellen om in de IAT’s te werken.

92

Om de gereedheid op het niveau van het GAM te waarborgen en gezien het grote aantal minder belangrijke banken dat onder de bevoegdheid van de NAA’s valt (zie paragraaf 06), is een passende personeelsbezetting vereist.

93

Daarom hebben wij beoordeeld of:

  1. de samenwerking met de NAA’s en de ECB, in haar rol van toezichthouder, was verbeterd;
  2. het personeelsbestand vergeleken met de resultaten van onze eerdere controle op het niveau van de GAR en de IAT’s was toegenomen;
  3. de NAA’s voor iedere afzonderlijke bank over een vergelijkbaar aantal voltijdequivalenten beschikten.

De interactie tussen belanghebbenden is goed, maar afwikkelingsautoriteiten zijn afhankelijk van de tijdige reactie van toezichthouders

94

De samenwerking tussen de GAR en de NAA’s is verduidelijkt in een openbaar beschikbare kaderovereenkomst inzake samenwerking die in 2016 is gesloten en in 2018 is gewijzigd37. Dit betreft zowel de rol van het personeel van de NAA’s in de IAT’s die met belangrijke banken te maken hebben, als de samenwerking met betrekking tot de plannen voor minder belangrijke banken. Voorts werden in 2017 en 2018 beginselen op hoog niveau en een operationeel streefmodel voor de werkverdeling, en interne regelingen betreffende bijvoorbeeld de dagelijkse werkzaamheden van de IAT’s vastgesteld. Deze documenten zijn niet openbaar. Voor de overgrote meerderheid van de NAA’s waaronder wij een enquête hielden (83 %) is de taakverdeling binnen de IAT’s duidelijk.

95

Overeenkomstig de kaderovereenkomst inzake samenwerking moet de GAR regelmatig beoordelingen achteraf van de werkzaamheden van de IAT’s uitvoeren om een passende mate van consistentie tussen deze werkzaamheden te waarborgen. Tot op heden zijn slechts enkele aspecten beoordeeld door middel van een horizontale analyse. Er is nog geen volledige beoordeling overeenkomstig het samenwerkingskader.

96

Een positief aspect was dat 13 van de 18 NAA’s die onze enquête hebben beantwoord, verklaarden dat zij door de GAR volledig op de hoogte waren gebracht van de lessen die zijn getrokken uit de besluiten van de GAR over falende banken.

97

Het memorandum van overeenstemming met de ECB werd in mei 2018 herzien38. Wij constateerden dat de bepalingen betreffende de uitwisseling van informatie veelomvattend waren. Het personeel van de GAR toonde zich ook tevreden over de procedure.

98

Het memorandum van overeenstemming omvat onder meer bepalingen inzake de uitwisseling van informatie in het geval dat de ECB vroegtijdige-interventiemaatregelen neemt, hetgeen zij kan doen wanneer hiervoor aanleiding is. Deze informatie is noodzakelijk om de GAR in staat te stellen het betrokken afwikkelingsplan te actualiseren en zich voor te bereiden op de mogelijke afwikkeling van een bank en de waardering van de activa en passiva daarvan.

99

De Commissie concludeerde in 2019 dat banktoezichthouders de vroegtijdige-interventiemaatregelen slechts op zeer beperkte schaal hadden toegepast39. In ons speciaal verslag over het crisisbeheer van de ECB40 hebben wij geconcludeerd dat vroegtijdige-interventiebeoordelingen voornamelijk worden verricht in het kader van de jaarlijkse procedure voor toetsing en evaluatie door de toezichthouder (SREP), en niet als een reactie op bewijzen van een aanmerkelijke verslechtering in de financiële situatie van een bank. We hebben ook geconcludeerd dat de richtsnoeren van de ECB inzake crisisidentificatie, met inbegrip van vroegtijdige interventie, onvoldoende ontwikkeld waren en geen definities van objectieve criteria boden. Hoewel het belangrijk is dat dergelijke vroegtijdige-interventiemaatregelen doeltreffend worden gebruikt en ruim van tevoren worden ingezet om het risico en de gevolgen van een mogelijke afwikkeling voor zover mogelijk te beperken, is deze kwestie nog niet opgelost door wijzigingen in het rechtskader. Dit is belangrijk, aangezien deze maatregelen de GAR bijvoorbeeld het recht zouden verlenen de bank te instrueren potentiële kopers van haar activiteiten te benaderen. Wij merken op dat de EBA op 26 juni 2020 een raadpleging heeft gestart over de toepassing van vroegtijdige-interventiemaatregelen.

100

Om ervoor te zorgen dat de afwikkelingsmaatregelen worden toegepast terwijl een bank nog over een aanzienlijke liquiditeit beschikt, is het van belang tijdig het besluit te nemen waarin wordt verklaard dat een bank faalt of waarschijnlijk zal falen. Het is aan de toezichthouder van de bank om een dergelijk besluit te nemen. Volgens de GAM-verordening kan de GAR echter ook “op eigen initiatief” verklaren dat een bank faalt of waarschijnlijk zal falen, d.w.z. zonder een dergelijke verklaring door de ECB. Om een dergelijk besluit te kunnen nemen, moet de autoriteit zowel de huidige situatie van de bank als haar situatie in de nabije toekomst beoordelen. Noch het gemeenschappelijk rulebook, noch het beleid van de GAR geeft een definitie van “in de nabije toekomst”. Bovendien laat de definitie van “falen of waarschijnlijk falen” in de BRRD een aanzienlijke beoordelingsmarge41. De GAR heeft de wetgevers echter niet benaderd om te pleiten voor de vaststelling van objectieve en gekwantificeerde criteria.

Het personeelsbestand voor het GAM is toegenomen, maar de NAA’s hebben hun bijdrage enigszins verminderd

101

Eind maart 2020 had de GAR naast nationale deskundigen 358 personeelsleden in voltijdequivalenten (vte's) in dienst. Eind maart 2020 was er nog steeds een tekort van ongeveer 11 % ten opzichte van de in september 2019 goedgekeurde personeelsformatie (400 vte’s).

102

Aangezien de GAR-afdeling die verantwoordelijk is voor het afwikkelingsbeleid en de afwikkelingsprocessen en -methoden (zie ook paragraaf 75) niet over voldoende personeel beschikte, waren hiervoor vijf extra vte's in de bovengenoemde personeelsformatie opgenomen (een stijging van 31 % ten opzichte van 2018). Uit onze controle van 2017 bleek ook dat deze afdeling onderbezet was. De afdeling van de GAR die verantwoordelijk is voor het toezicht op de door de NAA’s ingediende plannen voor minder belangrijke banken had eind 2018 8,5 vte’s in dienst. Aangezien dit aantal niet toelaat dat alle plannen aan hetzelfde controleniveau worden onderworpen, moest de afdeling prioriteiten stellen (zie paragraaf 87). Ondanks deze situatie werden in de bovengenoemde personeelsformatie geen extra posten opgenomen.

103

In 2019 werd bijna 40 % van de GAR-middelen toegewezen aan de IAT’s die verantwoordelijk zijn voor het opstellen van de afwikkelingsplannen voor belangrijke banken. Tussen 2016 en 2019 (zie tabel 6) heeft de GAR de middelen voor de IAT’s aanzienlijk verhoogd, terwijl de NAA’s hun middelen enigszins beperkten. Bijgevolg heeft de GAR meer personeel ter beschikking gesteld dan alle NAA’s samen. De personeelsratio van de GAR ten opzichte van die van de NAA’s was dus gestegen; deze bedroeg eind 2019 4:3 en zal naar verwachting in 2020 op dit niveau blijven. Ter vergelijking: in de gezamenlijke toezichthoudende teams in het kader van het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme bedroeg in 2016 de ratio tussen het personeel van de ECB en dat van de nationale bevoegde autoriteiten 1:342.

Tabel 6

Personeelsbestand van de IAT’s43

2016 2019
GAR NAA's GAR NAA's
Totaalaantal personeelsleden die in de IAT’s werken (uitgedrukt in vte’s) 60 116 171 105
Tijd die het aan IAT's toegewezen personeel heeft besteed aan horizontale taken van de GAR (bijv. de formulering van het beleid) (uitgedrukt in vte’s) die in mindering moet worden gebracht -15 N.v.t. -32 N.v.t.
Werkelijke (netto) arbeidstijd van personeel in IAT’s (uitgedrukt in vte’s) 45 116 139 105
Vte per bank 0,4 0,9 1,1 0,8

Bron: ERK, op basis van gegevens van het GAM.

104

We constateerden dat er aanzienlijke verschillen waren in het aantal personeelsleden dat de NAA’s bijdroegen aan IAT’s: in verhouding tot het aantal belangrijke banken varieerde deze bijdrage in 2019 van 0,4 tot 3,25 vte's per bank44. De GAR heeft geen controle over het aantal personeelsleden dat de NAA’s aan de IAT’s bijdragen. In de kaderovereenkomst inzake samenwerking wordt immers alleen bepaald dat de GAR en de NAA’s elkaar moeten raadplegen en overeenstemming moeten bereiken over het gebruik van de middelen van de NAA’s.

105

De GAR heeft geen standaardsamenstelling van IAT's (d.w.z. met betrekking tot aantallen, aandeel personeel van de GAR en NAA's, en kwalificaties) vastgesteld. Dit maakt flexibiliteit mogelijk en vergroot de kans op heterogeniteit van het personeel van de IAT's.

Aanzienlijke verschillen in het personeelsbestand van de NAA’s

106

Hoewel de GAR verantwoordelijk is voor het toezicht op de afwikkelingsplanning van de NAA's (zie paragraaf 06), heeft de GAR geen juridische bevoegdheid om invloed uit te oefenen op de personeelsbezetting bij de NAA’s die nodig is voor de voorbereiding van plannen voor minder belangrijke banken. Dit blijft de bevoegdheid van de nationale begrotingsautoriteiten. Wij hebben vastgesteld dat er tussen de NAA’s aanzienlijke verschillen bestaan wat betreft het aantal per bank ter beschikking gestelde vte’s, variërend van 0,005 tot 0,375 vte per bank. Wij erkennen dat dit gemiddelde cijfers zijn die niet worden gewogen om rekening te houden met de omvang en de complexiteit van de afzonderlijke banken.

107

De EBA moet door middel van periodieke evaluaties monitoren of de afwikkelingsautoriteiten (d.w.z. de GAR en de NAA’s) over de nodige deskundigheid, middelen en operationele capaciteit beschikken. Zij maakt daarvoor gebruik van verschillende instrumenten, waaronder bilaterale vergaderingen en deelname aan afwikkelingscolleges. In 2017 heeft de EBA ook een enquête gehouden die beperkt was tot het inventariseren van de beschikbare middelen. De resultaten hiervan werden niet gepubliceerd. De datum van de volgende evaluatie is nog niet bepaald.


Conclusie en aanbevelingen

108

Onze algemene conclusie is dat er de afgelopen jaren vooruitgang is geboekt bij het in 2015 ingevoerde GAM, maar dat enkele essentiële elementen ontbreken en dat verdere stappen in de afwikkelingsplanning voor banken nodig zijn. Sommige van de redenen hiervoor hebben betrekking op de wetgevers, andere op de (nationale en EU-) begrotingsautoriteiten, en weer andere op de werkzaamheden van de GAR en de NAA's. De GAR heeft vooruitgang geboekt bij het vaststellen van beleidslijnen en het verbeteren van de kwaliteit van de afwikkelingsplannen. Wij hebben vastgesteld dat de GAR geen gevolg heeft gegeven aan een aantal van de aanbevelingen in ons speciaal verslag van 2017 (zie bijvoorbeeld de paragrafen 28, 30 of 76).

109

Er zijn met name twee belangrijke kwesties die betrekking hebben op de wetgevers: i) financiering bij afwikkeling (zie paragraaf 32) en ii) betere afstemming tussen het afwikkelingskader en de verschillende nationale insolventiekaders (zie paragraaf 45). Daarnaast merken wij op dat de regels inzake lastenverdeling en staatssteun verschillen naargelang van de vraag of wordt gekozen voor afwikkeling of insolventie om een falende bank aan te pakken (zie de paragrafen 42-44).

110

Deze kwesties hebben gevolgen voor de afwikkelingsplanning en de keuze van het afwikkelingsinstrument. In het kader van het GAM is met name geen beleid inzake “financiële continuïteit” vastgesteld, een onderwerp dat verband houdt met de bovengenoemde financiering bij afwikkeling. Andere gebieden waar een beleidsstandpunt ontbreekt, zijn “governance en communicatie” en “informatieverstrekking” (zie de paragrafen 31-36).

111

Bovendien wordt een consistente behandeling van de banken die onder de bevoegdheid van de GAR vallen, belemmerd doordat de praktijken bij de IAT’s verschillen als gevolg van tekortkomingen in de respectieve beleidslijnen (zie de paragrafen 38-41, 47-51 en 57-65). Dergelijke verschillen zijn bijvoorbeeld toe te schrijven aan i) de discretionaire bevoegdheid van de IAT’s om de wezenlijke aard van de belemmeringen vast te stellen en ii) een gebrek aan benchmarks of specifieke criteria voor de beoordeling van zowel kritieke functies als het openbaar belang. Tot slot zijn de beleidslijnen van de GAR, zoals weergegeven in het handboek voor afwikkelingsplanning, tot dusver niet bindend voor de IAT’s (zie paragraaf 30) en hoeven afwijkingen derhalve niet te worden gerechtvaardigd (d.w.z. dat deze de “pas toe of leg uit”-aanpak niet hoeven te volgen) in de afwikkelingsplannen.

112

In april 2020 heeft de GAR ook een document gepubliceerd over zijn verwachtingen voor banken (“Expectations for Banks”); zij moeten uiterlijk eind 2023 hun capaciteiten in alle relevante aspecten van de afwikkelbaarheid hebben opgebouwd maar kunnen, mits er een afzonderlijke overeenkomst is, deze datum zelfs overschrijden. De wetgevers hebben niet voorzien in een dergelijk tijdschema voor banken om volledig afwikkelbaar te worden. Het feit dat de GAR tot nu toe geen wezenlijke belemmeringen heeft vastgesteld en niet met het proces voor het wegnemen ervan is begonnen, strookt niet met het gemeenschappelijk rulebook (zie de paragrafen 52-56 en 73).

Aanbeveling 1 — Verbeter de beleidslijnen van het GAM

Met het oog op consistente behandeling van banken in het kader van het GAM, en rekening houdend met het huidige rechtskader, moet de GAR:

  1. de ontbrekende beleidslijnen vaststellen, d.w.z. op het gebied van financiële continuïteit, governance en communicatie en informatieverstrekking;
  2. tekortkomingen in de bestaande beleidslijnen en/of de toepassing daarvan verhelpen, d.w.z. met betrekking tot de beoordeling van het openbaar belang, de vaststelling van wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid en bail-in. Hij moet met name voldoen aan het gemeenschappelijk rulebook door in elk plan wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid vast te stellen en het voorgeschreven proces voor het wegnemen ervan te volgen;
  3. van IAT’s vereisen dat zij een “pas toe of leg uit”-aanpak volgen wanneer zij afwijken van de in het handboek voor afwikkelingsplanning vastgestelde beleidslijnen. Afwijkingen moeten aan de bestuursvergadering worden meegedeeld wanneer deze de afwikkelingsplannen goedkeurt.

Tijdpad: voor a) en b): maart 2022 en voor c): eind 2021

113

De GAR heeft de precieze datum voor de voltooiing van de afwikkelingsplannen voor elke afzonderlijke bank nog niet bepaald. De tijd die nodig is voor de voltooiing zal waarschijnlijk worden beïnvloed door de toepassing van “Expectations for Banks” (zie paragraaf 112). In vergelijking met onze controleresultaten inzake de planningscyclus van 2016 is vooruitgang geboekt wat betreft de kwaliteit van de afwikkelingsplannen. In het kader van de planningscyclus van 2018 was immers aan 60 % van de vereisten van het gemeenschappelijk rulebook voldaan in de steekproef van door ons gecontroleerde afwikkelingsplannen. Hoewel er een internecontrolesysteem bestaat, zijn er onvoldoende middelen om kwaliteitscontrole uit te voeren. Wij hebben vastgesteld dat aan 10 % van de vereisten slechts gedeeltelijk en aan 30 % helemaal niet was voldaan (zie de paragrafen 69-71 en 75).

114

De gebieden waarop het aantal vereisten waaraan is voldaan het laagst is, zijn die waar de GAR nog een beleidsstandpunt moet opstellen (financiering bij afwikkeling, communicatie en informatieverstrekking) of waar de beleidslijnen tekortkomingen vertoonden. Bovendien werd er in de helft van de gevallen in onze steekproef geen duidelijke verklaring gegeven over de afwikkelbaarheid van de betrokken bank (zie tabel 2 en de paragrafen 69-74).

115

De GAR heeft vertragingen opgelopen bij de vaststelling van de plannen voor de planningscyclus van 2018. Wat het tijdschema betreft, gaf de GAR geen prioriteit aan systeemrelevante banken (d.w.z. hun plannen werden het laatst goedgekeurd), wat niet in overeenstemming was met de preambule van de GAM-verordening. Daarom besloot de GAR dat de cyclus van 2019 slechts op een beperkt aantal banken betrekking had, terwijl de cyclus van 2020 volledig zou zijn. Afgezien van de impact van de COVID-19-pandemie en gezien de soms tijdrovende bestaande procedures, bestaat echter het risico dat het streefdoel om alle plannen van de cyclus van 2020 tegen maart 2021 af te ronden, niet zal worden gehaald (zie de paragrafen 76-80).

Aanbeveling 2 — Zorg dat de afwikkelingsplannen aan alle regels voldoen en tijdig worden vastgesteld

Om ervoor te zorgen dat conforme afwikkelingsplannen tijdig worden vastgesteld, moet de GAR:

  1. de kwaliteit van de plannen verbeteren om volledige naleving van het gemeenschappelijk rulebook te bereiken;
  2. het tijdrovend karakter van de procedures stroomlijnen en aanpakken, teneinde de doelstelling om alle plannen in een cyclus van één jaar vast te stellen niet in het gedrang te brengen.

Tijdpad: voor a), voor de cyclus 2021 (maart 2022); voor b), voor de cyclus 2020 (maart 2021)

116

De NAA’s hebben vooruitgang geboekt met betrekking tot het aantal vastgestelde afwikkelingsplannen voor minder belangrijke banken. Acht NAA's haalden hun streefdoelen echter niet. Een eerste reeks richtsnoeren, met inbegrip van richtsnoeren voor de toepassing van “vereenvoudigde verplichtingen”, die de consistente toepassing van de afwikkelingsnormen op minder belangrijke banken waarborgen, werd pas in augustus 2020 afgegeven (zie de paragrafen 81-85).

117

De GAR heeft de kwaliteit van alle door de NAA’s ingediende plannen beoordeeld, maar had moeite om dit binnen de gestelde termijnen te doen. De diepgang van de beoordeling varieerde afhankelijk van de omvang van de bank en de gekozen afwikkelingsstrategie. Dit was het gevolg van een gebrek aan middelen in de betrokken GAR-afdeling. De GAR koos er ook voor om niet over alle plannen die tekortkomingen vertoonden, een standpunt in te nemen (zie de paragrafen 87-89 en 102).

118

Daarnaast had de GAR begin 2020 bijna de personeelsbezetting bereikt die nodig was voor de uitvoering van zijn taken (89 %). De GAR heeft echter nog niet de standaardsamenstelling van een IAT (d.w.z. met betrekking tot aantallen, aandeel personeel van de GAR en NAA's, en kwalificaties) vastgesteld. We merkten ook op dat het aandeel GAR-personeel in de loop der tijd is toegenomen (zie de paragrafen 101-105).

119

De GAR heeft geen juridische bevoegdheden met betrekking tot de personeelsbezetting van de NAA’s, die onder de bevoegdheid van de nationale begrotingsautoriteiten blijft vallen. Wij constateerden dat het aantal personeelsleden per bank van de ene NAA tot de andere sterk uiteenliep. De EBA is echter belast met de monitoring van de deskundigheid, de middelen en de operationele capaciteit van de NAA’s. Tot op heden heeft zij echter nog geen uitgebreide evaluatie van deze aspecten gepubliceerd, aangezien zij de taak met behulp van verschillende instrumenten heeft benaderd (zie de paragrafen 106 en 107). Als er geen passende middelen beschikbaar zijn die in overeenstemming zijn met de doelstellingen van een organisatie, kan het verschil tussen de doelstellingen en de situatie ter plaatse steeds groter worden.

Aanbeveling 3 — Verbeter de organisatorische opzet van het GAM
  1. Om het toezicht door de GAR op de afwikkelingsplanning op het niveau van de NAA’s te verbeteren, moet de GAR voldoende personeel toewijzen aan de afdeling die verantwoordelijk is voor het toezicht op minder belangrijke banken en — wanneer tekortkomingen worden vastgesteld — duidelijke standpunten formuleren over de kwaliteit van afwikkelingsplannen voor minder belangrijke banken.
  2. Om te zorgen voor een passende personeelssamenstelling in IAT's moeten de GAR en de NAA’s overeenstemming bereiken over standaardcriteria.

Tijdpad: planningscyclus 2021 (maart 2022)

120

De rolverdeling tussen de GAR en de NAA’s werd verduidelijkt in een in 2016 gesloten en in 2018 gewijzigde samenwerkingsovereenkomst (zie de paragrafen 94 en 95). Een uitgebreid memorandum van overeenstemming regelt de uitwisseling van informatie tussen de GAR en de toezichthouder, de ECB.

121

Een doeltreffende afwikkeling is echter afhankelijk van de vraag of de toezichthouder van de bank i) ruim van tevoren vroegtijdige-interventiemaatregelen treft en deze doeltreffend toepast, en ii) vroeg genoeg op basis van duidelijke, objectieve en gekwantificeerde drempels een besluit neemt over een bank die “faalt of waarschijnlijk zal falen”. Hoewel er zelden gebruik is gemaakt van vroegtijdige-interventiemaatregelen en het rechtskader geen objectieve en gekwantificeerde criteria bevat om te verklaren dat een bank “faalt of waarschijnlijk zal falen”, heeft de GAR de wetgevers in dit verband niet benaderd (zie de paragrafen 97-100).

Aanbeveling 4 — Stel objectieve en gekwantificeerde criteria voor tijdige toezichtmaatregelen vast

Om ervoor te zorgen dat toezichtmaatregelen voldoende vroeg worden genomen, moeten de GAR en de Commissie de wetgevers en de ECB in haar rol van toezichthouder benaderen en objectieve en gekwantificeerde drempels bepleiten voor het activeren van vroegtijdige-interventiemaatregelen en voor het bereiken van het besluit dat een bank “faalt of waarschijnlijk zal falen”.

De Rekenkamer verzoekt het Europees Parlement en de Raad na te gaan hoe de bovenstaande verduidelijkingen het best in het rechtskader kunnen worden aangebracht.

Tijdpad: eind 2021

Dit verslag werd door kamer IV onder leiding van de heer Alex Brenninkmeijer, lid van de Rekenkamer, te Luxemburg vastgesteld op 24 november 2020.

Voor de Rekenkamer

Klaus-Heiner Lehne
President

Bijlagen

Bijlage I — De bestuursorganen van de GAR

Naargelang de taken komt de GAR in verschillende samenstellingen bijeen (zie figuur 9). De samenstelling van de “besloten” bestuursvergadering bestaat uit de voorzitter en vier andere voltijdse leden van de raad van bestuur. De vicevoorzitter neemt deel aan de “besloten” bestuursvergadering als lid zonder stemrecht, maar vervult de functies van de voorzitter bij diens afwezigheid.

Wanneer de bestuursvergadering over een specifieke bank beraadslaagt, wordt de samenstelling van de bestuursvergadering uitgebreid met de leden van de raad van bestuur die de betrokken NAA’s vertegenwoordigen (de “uitgebreide” bestuursvergadering). De samenstelling van de “uitgebreide” bestuursvergadering is derhalve afhankelijk van de betreffende afzonderlijke bank. Indien de “uitgebreide” bestuursvergadering geen gezamenlijke consensuele overeenkomst kan bereiken, nemen de voorzitter en de vier andere voltijdse leden van de raad van bestuur bij gewone meerderheid een besluit.

De plenaire vergadering is samengesteld uit de voorzitter, de vier andere voltijdse leden van de raad van bestuur en de leden van de raad van bestuur die alle NAA’s vertegenwoordigen. Net als bij de bestuursvergadering neemt de vicevoorzitter deel als lid zonder stemrecht, maar vervult hij de functies van de voorzitter bij diens afwezigheid.

De Commissie en de ECB hebben de status van permanent waarnemer in alle vergaderingen van de besloten en plenaire vergaderingen van de GAR. In voorkomend geval kunnen andere waarnemers op ad-hocbasis worden uitgenodigd voor de bestuurs- en plenaire vergaderingen. Indien de “uitgebreide” bestuursvergadering beraadslaagt over een bank met dochtermaatschappijen of belangrijke filialen in niet-deelnemende lidstaten, worden de afwikkelingsautoriteiten van die lidstaten uitgenodigd om aan de vergadering deel te nemen.

Figuur 9

Bestuursorganen van de GAR

Bron: ERK, op basis van een GAR-diagram.


Bijlage II — De MREL-streefdoelen van de GAR

In mei 2020 heeft de GAR na een openbare raadpleging zijn MREL-beleidslijn 2020 gepubliceerd. De onderstaande tabel toont de verschillende componenten van een MREL-streefdoel voor de cycli van de afwikkelingsplanning van 2018 en 2020. De verschillen tussen beide worden in het groen gemarkeerd.

MREL-beleidslijn 2018 van de GAR MREL-beleidslijn 2020 van de GAR
Uitgedrukt in totale risicoblootstelling (total risk exposure amount, TREA)
MREL-streefdoel Verliesabsorptiebedrag (Loss-absorption amount, LAA) + herkapitalisatiebedrag (recapitalisation amount, RCA) Verliesabsorptiebedrag (Loss-absorption amount, LAA) + herkapitalisatiebedrag (recapitalisation amount, RCA)
LAA (Pijler 1 + pijler 2 + gecombineerde kapitaalbuffervereisten45)*totale risicoblootstelling (TREA) (Pijler 1 + pijler 2)*totale risicoblootstelling (TREA)
RCA46 (Pijler 1 + Pijler 2 + marktvertrouwenbuffer (MCC))*TREA (Pijler 1 + Pijler 2 + marktvertrouwenbuffer (MCC47))*TREA
MCC Gecombineerde-kapitaalbuffervereisten — 1,25 % Gecombineerde-kapitaalbuffervereisten — anticyclische buffer
Uitgedrukt in blootstelling van de hefboomratio (leverage ratio exposure, LRE)
Standaard-MREL-vereiste N.v.t. Verliesabsorptiebedrag (Loss-absorption amount, LAA) + herkapitalisatiebedrag (recapitalisation amount, RCA)
LAA N.v.t. Hefboomratio*hefboomblootstelling
RCA N.v.t. Hefboomratio*hefboomblootstelling

Bron: ERK, aangepast overgenomen van de GAR.

In het geval van banken die naar verwachting de normale insolventieprocedures zullen volgen, komt het MREL in het algemeen overeen met de kapitaalvereisten in het kader van de verordening kapitaalvereisten (VKV), die alleen het verliesabsorptiebedrag (LAA) omvatten.

Volgens de nieuwe regels hoeft de TREA (totale risicoblootstelling) van het MREL voor het LAA niet langer de gecombineerde buffervereisten te omvatten; bovendien is een marktvertrouwenbuffer (MCC) niet vereist, maar de GAR kan het RCA nog aanpassen door toepassing van een MCC.

In dit geval wordt de aftrek van 1,25 % van de MCC zoals vastgelegd in de MREL-beleidslijn van de GAR van 2018 vervangen door de aftrek van de anticyclische buffer. De anticyclische buffer omvat een deel van de gecombineerde buffervereisten. Een aftrek neutraliseert een eerdere opslag van de gecombineerde buffervereisten.

Met het nieuwe bankenpakket ter omzetting van de Basel III-vereisten werd een hefboomratio van 3 % ingevoerd. Als gevolg daarvan heeft de GAR een tweede MREL-maatregel ingevoerd op basis van de blootstelling van de hefboomratio.


Acroniemen en afkortingen

BC: bankenmededeling (Banking Communication)

BRRD: Richtlijn herstel en afwikkeling van banken (Bank Recovery and Resolution Directive)

EBA: Europese Bankautoriteit

ECB: Europese Centrale Bank

GAF: gemeenschappelijk afwikkelingsfonds

GAM: gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme

GAM-verordening: Verordening inzake het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme

GAR: Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad

IAT: intern afwikkelingsteam

LAA: verliesabsorptiebedrag (Loss-absorption amount)

MCC: marktvertrouwenbuffer (market confidence charge)

MREL: minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (minimum requirement for own funds and eligible liabilities)

NAA: nationale afwikkelingsautoriteit

SREP: procedure voor toetsing en evaluatie door de toezichthouder (Supervisory Review and Evaluation Process)

Vte: voltijdequivalent

VWEU: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie


Verklarende woordenlijst

Achtergestelde instrumenten/verplichtingen: wanneer een bank faalt, hebben achtergestelde schulden een lagere prioriteit dan niet-achtergestelde schulden, maar een hogere prioriteit dan eigen vermogen.

Afwikkeling: afwikkeling is de ordelijke liquidatie van een falende bank om de continuïteit van de essentiële functies ervan te waarborgen en de financiële stabiliteit in stand te houden. Het doel ervan is ook om overheidsmiddelen te beschermen door het beroep op buitengewone openbare financiële steun zoveel mogelijk te beperken (zie artikel 2 van de BRRD).

Afwikkelingscollege: afwikkelingscolleges zijn de organen die zorgen voor samenwerking tussen alle partijen, zoals afwikkelingsautoriteiten, centrale banken, relevante ministeries of de EBA, in alle stadia van de planning en het proces van afwikkeling van een falende bank.

Afwikkelingsplan: een afwikkelingsplan is een alomvattend document waarin de kenmerken van een bank worden gespecificeerd en de voorkeursafwikkelingsstrategie voor die bank wordt beschreven, met inbegrip van welke afwikkelingsinstrumenten op welke entiteiten moeten worden toegepast. In dit plan worden alle belemmeringen voor de afwikkeling van de bank vastgesteld en aangepakt en wordt het MREL van de bank vastgesteld.

Depositogarantiestelsel: een depositogarantiestelsel is een stelsel ter bescherming van deposanten tegen verliezen tot een bepaald plafond en binnen bepaalde grenzen indien een bank faalt.

Europese bankenunie: de Europese bankenunie is de overdracht van de verantwoordelijkheid voor het bankenbeleid van het nationale naar het EU-niveau. Zij bestaat momenteel uit het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme en het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, die zijn gebaseerd op het gemeenschappelijk rulebook van de EU. De lidstaten van de eurozone nemen deel aan de Europese bankenunie.

Herstelplan: herstelplannen waarborgen dat banken voorbereid zijn om hun levensvatbaarheid te herstellen, zelfs in perioden van ernstige financiële stress.

Instrument van bail-in: een mechanisme dat het mogelijk maakt schulden, met enkele uitzonderingen zoals gedekte deposito’s, af te schrijven of om te zetten in aandelen in geval van afwikkeling van een financiële instelling. Passiva waarop het afwikkelingsinstrument zou kunnen worden toegepast, worden “bail-inbaar” genoemd.

Interne afwikkelingsteams: op grond van artikel 83 van de GAM-verordening kan de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad interne afwikkelingsteams oprichten bestaande uit eigen personeelsleden en personeelsleden van de nationale afwikkelingsautoriteiten, waaronder, indien nodig, waarnemers van lidstaten die niet tot de eurozone behoren. Interne afwikkelingsteams zijn van groot belang voor de samenwerking en communicatie tussen de GAR en de NAA's bij het opstellen van afwikkelingsplannen. Deze teams worden opgericht voor alle banken die onder de bevoegdheid van de GAR vallen. Ze worden voorgezeten door coördinatoren die worden aangewezen uit de senior medewerkers van de GAR.

Kernbedrijfsonderdeel: bedrijfsonderdeel of daarmee samenhangende diensten die materiële bronnen van inkomsten, winst of franchisewaarde vormen voor een instelling of voor een groep waarvan een instelling deel uitmaakt.

Kritieke functies: bankactiviteiten, -diensten of -operaties die, indien zij worden stopgezet, waarschijnlijk zullen leiden tot de verstoring van de financiële stabiliteit of van diensten die essentieel zijn voor de reële economie.

Minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva: een vereiste waaraan banken te allen tijde moeten voldoen door gemakkelijk “bail-inbare” instrumenten aan te houden en aldus te waarborgen dat verliezen kunnen worden opgevangen en dat de banken kunnen worden geherkapitaliseerd indien ze in financiële moeilijkheden komen en vervolgens onder afwikkeling worden geplaatst.

Niet-achtergestelde schuld: wanneer een bank faalt, wordt bij terugbetaling prioriteit gegeven aan niet-achtergestelde schuld. Als gevolg van deze prioritering houdt niet-achtergestelde schuld een lager risico in ten opzichte van achtergestelde schuld of eigen vermogen.

Prudentiële kapitaalvereisten: de prudentiële kapitaalvereisten hebben betrekking op het kapitaalbedrag dat banken aanhouden. Het doel van deze regels is het versterken van de veerkracht van banken en er tegelijkertijd voor te zorgen dat zij de economische activiteit en groei blijven financieren.

Toezicht: het toezicht op het bankwezen is het houden van toezicht door de overheid op de financiële prestaties en transacties van banken om te garanderen dat zij op een veilige en verstandige wijze en volgens de regels en voorschriften te werk gaan.

Waardering: het gemeenschappelijk rulebook voorziet in een formele procedure met drie waarderingen: om te bepalen of een bank faalt of waarschijnlijk zal falen (waardering 1), om te informeren over het gebruik van de afwikkelingsinstrumenten, met inbegrip van bail-in (waardering 2), en om ervoor te zorgen dat de voorwaarde dat “geen enkele crediteur slechter af mag zijn” wordt nageleefd (waardering 3).

Wezenlijke belemmeringen: ernstige obstakels die de liquidatie of afwikkeling van een bank kunnen verhinderen en die door de afwikkelingsautoriteiten als zodanig zijn onderkend tijdens de beoordeling van de afwikkelbaarheid van een bank. De afwikkelingsautoriteiten hebben vergaande bevoegdheden waarmee zij van banken kunnen eisen dat zij dergelijke belemmeringen binnen een bepaald tijdsbestek aanpakken of wegnemen. De GAR kan bijvoorbeeld eisen dat een bank afstand doet van specifieke activa, haar activiteiten beperkt of haar juridische of operationele structuur wijzigt.

Antwoorden van de GAR

Samenvatting

VI

De GAR is ingenomen met de door de Europese Rekenkamer erkende vooruitgang. De GAR is het echter niet eens met de conclusie van de Rekenkamer dat “essentiële elementen” ontbreken, aangezien dit de indruk zou kunnen wekken dat het GAM zijn taken nog niet zou vervullen omdat sommige voor de GAR relevante elementen ontbreken, hetgeen duidelijk niet het geval is. De belangrijkste ontbrekende elementen houden fundamenteel verband met de ontwikkeling van het kader (d.w.z. liquiditeit bij afwikkeling/vangnetmechanisme of bepaalde elementen met betrekking tot het MREL), wat elementen zijn waarover de GAR geen controle heeft. Bovendien heeft geen van deze “essentiële” elementen het GAM verhinderd zijn taken te vervullen. In dit verband moeten ten minste de volgende zaken worden opgemerkt:

  1. De GAR heeft een groot aantal beleidslijnen ontwikkeld en geactualiseerd in 2018 en 2019, een periode die werd gekenmerkt door een veranderend regelgevingskader met richtsnoeren van de Raad voor financiële stabiliteit en EBA-richtsnoeren die zich voortdurend ontwikkelden, en de komst van BRRD II. In dit uitdagende regelgevingsklimaat moest de GAR zijn regelgevende taken uitvoeren en ervoor zorgen dat belangrijke wetswijzigingen op een aantal punten, waaronder het MREL, correct werden uitgevoerd.
  2. De actualisering van de beleidslijnen inzake afwikkelingsplanning is een doorlopend proces dat blijk geeft van goed bestuur en de wijzigingen in het rechtskader weerspiegelt die de GAR moet uitvoeren. Met betrekking tot de bevinding dat de beleidslijnen van de GAR nog niet alle relevante gebieden bestrijken, is de ontwikkeling van beleidslijnen een proces van incrementele dynamiek, dat wordt voortgezet. Dit wordt geschraagd door het feit dat bepaalde elementen die nodig zijn voor de ontwikkeling van beleidslijnen, buiten de controle van de GAR vallen, zoals de vooruitgang op het gebied van liquiditeits- en vangnetopties.
  3. Het GAM neemt de vereiste besluiten met betrekking tot afwikkelingsactiviteiten in elke afwikkelingscyclus (MREL, afwikkelingsplannen, beoordeling van de afwikkelbaarheid, enz.). Waar dit in het verslag wordt overwogen, lijkt het belangrijkste bewijs voor de ontbrekende stukken in feite te zijn dat de ontwikkeling van de afwikkelingsplannen niet volledig aan het gemeenschappelijk rulebook voldoet. In dit verband moet worden opgemerkt dat 70 % van de elementen geheel of gedeeltelijk aan de voorschriften voldoet en dat een aanzienlijk aantal van de niet-conforme elementen deze status heeft als gevolg van de wijzigingen in het rechtskader.
VII

De in het handboek voor afwikkelingsplanning van de GAR weergegeven methode voor de beoordeling van de afwikkelbaarheid voorziet in de identificatie van belemmeringen voor de afwikkelbaarheid. De identificatie en mogelijke vaststelling van eventuele wezenlijke belemmeringen is niet afhankelijk van de tijd die banken nodig hebben om hangende kwesties op te lossen.

VIII

Wat betreft de banken die onder de bevoegdheid van de GAR vallen, zie de opmerking van de GAR over paragraaf 108 en de gemeenschappelijke opmerkingen met betrekking tot de paragrafen 69 tot en met 73, waarin wordt benadrukt dat aan 70 % van de vereisten is voldaan of gedeeltelijk is voldaan en dat de rest gedeeltelijk verband houdt met wijzigingen in delen van het regelgevingskader, zoals het geval is voor interne MREL-vereisten. Wat het tijdschema voor de afwikkelingsplanning betreft, zie de opmerkingen van de GAR bij de paragrafen 76 tot en met 80.

IX

In artikel 18, lid 4, onder a) tot en met d), van de GAM-verordening worden duidelijke criteria vastgesteld om te bepalen wanneer een bank kan worden beschouwd als falend of waarschijnlijk falend. Bovendien was EBA op grond van artikel 32, lid 6, van de BRRD verplicht richtsnoeren op te stellen voor de test of een bank faalt of waarschijnlijk zal falen. Dit deed zij in 2015, toen zij een uitgebreide reeks richtsnoeren publiceerde voor de interpretatie van verschillende omstandigheden waaronder een instelling moet worden beschouwd als een instelling die faalt of waarschijnlijk gaat falen in de zin van artikel 32, lid 6, van de BRRD. In dit verband zijn objectieve en gekwantificeerde criteria welkom, maar elk automatisme dat voortvloeit uit drempels, moet worden vermeden.

X

De GAR is het eens met de opmerking over de verbetering en de verschillende sterkten van het personeel dat bij de nationale afwikkelingsautoriteiten (NAA’s) wordt ingezet, maar dit houdt niet noodzakelijkerwijs verband met de toewijzing van personeel van de GAR (bij sommige NAA’s bijvoorbeeld nam het aanwervingsproces meer dan een jaar in beslag; bij andere NAA’s heeft het personeel een hogere anciënniteit en meer ervaring met afwikkelingsaangelegenheden, enz.).

Bovendien wenst de GAR erop te wijzen dat deze paragraaf van het verslag over het aan de IAT’s toegewezen personeel van de NAA’s een feit is waaraan geen interpretatie mag worden gegeven, want de personeelsvermindering van de kant van de NAA’s wordt gecompenseerd door een verhoging van de kant van de GAR. De GAR heeft een minimum aan personeel nodig om de kwaliteit van het werk onafhankelijk van het personeel van de NAA’s te waarborgen; bovendien zijn de drijvende krachten achter de verdeling van het werk binnen de IAT’s over het personeel van de GAR en dat van de NAA’s niet alleen afhankelijk van “het aantal vte’s”, maar ook van andere factoren (bv. een kleiner aantal vte’s met een hogere anciënniteit of deskundigheid op bepaalde gebieden kan relevanter zijn dan het aantal vte’s). (Zie de opmerkingen bij paragraaf 105.)

XI

Zie de gedetailleerde opmerkingen van de GAR in het hoofdstuk Conclusies en aanbevelingen.

Inleiding

Gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme – achtergrond

03

De GAR wijst erop dat het GAM ook tot doel heeft te zorgen voor een uniforme toepassing van de afwikkelingsregeling in de deelnemende lidstaten, zoals wordt benadrukt in overweging 11 van de GAM-verordening.

De noodzaak om de continuïteit van de kritieke functies van de bank te waarborgen en significante negatieve gevolgen voor de financiële stabiliteit te vermijden, wordt beoordeeld in het kader van de beoordeling van het openbaar belang.

Samenwerking in het kader van het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme

De rol van de GAR en de NAA’s

11

De GAR wenst te verduidelijken dat de NAA’s zowel de plenaire vergaderingen als bestuursvergaderingen over bankspecifieke aangelegenheden, waaronder afwikkelingsplannen, bijwonen.

De taken van de bestuursvergadering zijn die welke haar overeenkomstig artikel 54 van de GAM-verordening zijn toegewezen.

Daarnaast voorziet artikel 3, lid 1, van het reglement van orde voor de bestuursvergadering van de GAR – dat van toepassing was ten tijde van de beoordeling door de ERK (en vergelijkbaar was met het nieuwe reglement van orde voor de bestuursvergadering dat op 24 juni 2020 werd vastgesteld) -  in de deelname van:

  • een aangewezen vertegenwoordiger van de betrokken nationale afwikkelingsautoriteit van een lidstaat in gevallen waarin wordt beraadslaagd over een individuele entiteit of een groep entiteiten die in één deelnemende lidstaat is gevestigd, en een aangewezen vertegenwoordiger van de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, alsmede een aangewezen vertegenwoordiger van de betrokken nationale afwikkelingsautoriteit waarin een dochteronderneming of entiteit die onder geconsolideerd toezicht valt, is gevestigd, wanneer wordt beraadslaagd over een grensoverschrijdende groep.

Interactie met andere EU- en nationale autoriteiten

13

Het doel van de raadpleging van de afwikkelingsautoriteit met betrekking tot het herstelplan is het vaststellen van eventuele maatregelen in het plan die de afwikkelbaarheid van de bank negatief kunnen beïnvloeden.

14

EBA kan zowel technische regelgevings- als uitvoeringsnormen vaststellen die (door de Commissie) respectievelijk als gedelegeerde handeling en uitvoeringshandeling worden vastgesteld.

16

Zie de opmerking bij paragraaf 14.

Toegang tot controle-informatie en vertrouwelijkheidskwesties

22

Er zijn meerdere vraaggesprekken gevoerd waarin het MREL met betrekking tot de in de steekproef opgenomen plannen, alsmede toelichtingen op de wijze waarop het MREL was berekend, zijn besproken. Helaas viel dit samen met de lockdownmaatregelen vanwege de COVID-pandemie, waardoor de ERK de documenten niet kon raadplegen in het pand van de GAR.

De aanpak van de GAR met betrekking tot het beperkt onleesbaar maken van informatie en gegevens in documenten had tot doel de identiteit van individuele banken te beschermen. In dit verband voldoet de aanpak aan de geheimhoudingsplicht uit hoofde van artikel 88 van de GAM-verordening en is hij in overeenstemming met het besluit van de GAR inzake gegevensclassificatie en met het gegevensclassificatiesysteem van de ECB. Wanneer zich specifieke problemen voordeden in verband met het onleesbaar maken van tekst in documenten, en wanneer verzoeken van de ERK voldoende waren gemotiveerd, heeft de GAR ermee ingestemd het bewijsmateriaal over te leggen. Dit viel echter samen met de lockdownmaatregelen vanwege de COVID-pandemie.

23

Overeenkomstig punt 13 van het memorandum van overeenstemming van de GAR met de ECB moet de GAR de uitdrukkelijke schriftelijke instemming van de ECB verkrijgen voordat van de ECB ontvangen vertrouwelijke informatie aan een derde wordt bekendgemaakt. De GAR heeft vrijwillig contact onderhouden met de ECB om goedkeuring voor het delen van herstelplannen met de ERK te verkrijgen om de controle te vergemakkelijken. Hoewel de GAR alles in het werk heeft gesteld om het verzoek van de ERK in dit verband te vergemakkelijken, heeft de ECB de GAR ervan in kennis gesteld dat de ECB, om redenen van gegevensbeveiliging, de GAR geen toestemming gaf om herstelplannen te delen buiten een fysieke darkroom.

De herstelplannen zijn derhalve sinds 15 maart 2020 beschikbaar voor inspectie door de ERK in de fysieke gegevensruimte ter plaatse van de GAR. De herstelplannen hadden onder normale omstandigheden dus in het pand van de GAR kunnen worden beoordeeld. Bij afwezigheid van toestemming van de ECB kon de GAR de informatie van de ECB niet buiten de fysieke darkroom delen met de ERK. De GAR erkent dat het betreurenswaardig was dat de lockdownmaatregelen vanwege de COVID-pandemie tot gevolg hadden dat de ERK de herstelplannen niet kon bekijken.

Opmerkingen

Het beleidskader is versterkt, maar er zijn nog steeds tekortkomingen op bepaalde cruciale gebieden

25

Figuur 5:

Als onderdeel van de actualisering van het handboek voor afwikkelingsplanning 2020 beoordeelt de GAR de resterende inhoud van horizontale technische nota’s en richtsnoeren die in het handboek voor afwikkelingsplanning moet worden opgenomen, hetzij als kernbeleid, hetzij als educatief achtergrondmateriaal.

26

Tot augustus 2020 gebruikte de GAR de beschikbare beleidslijnen inzake belangrijke instellingen (SI) als referentie bij de beoordeling van de ontwerpafwikkelingsmaatregelen van de NAA’s voor minder belangrijke instellingen (LSI).

In augustus 2020 werd in de LSI-richtsnoeren een formele verplichting voor NAA’s ingevoerd om bij het opstellen van ontwerpafwikkelingsmaatregelen voor minder belangrijke banken naar het SI-beleid te verwijzen.

Er ontbreken nog steeds enkele belangrijke beleidslijnen die van toepassing zijn op de banken die onder de bevoegdheid van de GAR vallen.

30

Het handboek voor afwikkelingsplanning is door de bestuursvergadering van de GAR aangenomen op grond van artikel 5 ter van het samenwerkingskader: Richtsnoerennota’s zijn interne documenten van de GAR die gericht zijn tot IAT’s om hen richtsnoeren te verstrekken met betrekking tot de entiteiten en groepen die onder de directe verantwoordelijkheid van de GAR vallen, ongeacht hun aard of vorm.

Het handboek voor afwikkelingsplanning is bindend voor de IAT’s voor zover dit mogelijk is voor een handboek, dat naar zijn aard geen juridisch bindend document is, maar veeleer een leidraad voor de IAT’s bij hun werkzaamheden op het gebied van afwikkelingsplanning.

31

De ontwikkeling van een beleidslijn inzake financiële continuïteit is een meerjarig project dat naar verwachting vóór 2022 zal worden afgerond, in overeenstemming met het tijdschema voor de geleidelijke invoering van de beginselen uit “Expectations for Banks” (verwachtingen voor banken). In 2019 heeft het interne technische netwerk een ondersteuningsnota voor IAT’s over liquiditeit en financiering bij afwikkeling ontwikkeld, met richtsnoeren voor het opstellen van de afwikkelingsplannen voor 2020. De ondersteuningsnota, die door de NAA’s en het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme is becommentarieerd, heeft betrekking op aspecten die verband houden met de ramingen van de financieringsbehoeften bij afwikkeling en de beoordelingen van de capaciteiten van banken om beschikbare financiering en zekerheden bij afwikkeling vast te stellen en te mobiliseren. Voorts zijn in april 2020 de “Expectations for Banks” gepubliceerd, volgens welke banken geacht worden vóór de afwikkelingsplanningscyclus van 2021 methoden voor de raming van de financieringsbehoeften bij afwikkeling te hebben ontwikkeld.

Liquiditeit is een prioritair beleidsdomein voor de afwikkelingsplanningscyclus van 2021. Daartoe werkt het interne technische netwerk momenteel aan de ontwikkeling van een GAR-beleidslijn inzake liquiditeit en financiering bij afwikkeling.

Het beleidswerk op het gebied van financiële continuïteit wordt aangevuld met het werk van het interne technische netwerk voor de solvabele liquidatie van handelsportefeuilles, dat richtsnoeren en beleid opstelt voor mondiaal systeemrelevante banken en banken met aanzienlijke handelsactiviteiten, met de nadruk op kosten en liquiditeitsimplicaties.

32

In interne simulaties en analyses om de financieringsbehoeften bij afwikkeling te ramen wordt rekening gehouden met zorgen en claims met betrekking tot omvangsbeperkingen.

33

Het beleid van de GAR inzake governance- en communicatieregelingen voorafgaand aan en tijdens afwikkeling wordt verduidelijkt in de “Expectations for Banks”, en daarvóór in aan de banken gerichte prioritaire brieven.

Specifieke governanceregelingen worden ook verduidelijkt in de operationele richtsnoeren die de GAR op 29  juli 2020 heeft gepubliceerd voor operationele continuïteit bij afwikkeling en financiële marktinfrastructuren (https://srb.europa.eu/en/node/1042) en op 10 augustus 2020 heeft gepubliceerd voor de operationalisering van bail-in (https://srb.europa.eu/en/content/operational-guidance-bail-implementation).

34

Het beleid van de GAR inzake informatievereisten wordt verduidelijkt in de “Expectations for Banks”, in het bijzonder aangevuld met gerelateerde openbare richtsnoeren voor elke cyclus (https://srb.europa.eu/en/content/2020-resolution-reporting), in augustus 2020 gepubliceerde richtsnoeren inzake gegevenspunten voor de uitvoering van bail-in, in juli 2020 gepubliceerde richtsnoeren van de GAR inzake financiële marktinfrastructuren en operationele continuïteit in afwikkeling, waarin ook de vereisten inzake managementinformatiesystemen verder worden verduidelijkt, en het GAR-kader voor waardering en de GAR-dataset voor waardering (https://srb.europa.eu/en/content/public-consultation-srbs-data-set-valuation). Bovendien verzamelt de GAR al een aantal jaren informatie over banken op specifieke gebieden die verband houden met afwikkelingsplanning (https://srb.europa.eu/en/content/reporting).

35

Hoewel het beleid inzake de voorwaarden voor de toepassing van een meerkanalige strategie al in 2019 was ontwikkeld, was het niet geïntegreerd in het handboek voor afwikkelingsplanning. Het zal, zoals gepland, in 2020 worden opgenomen in het handboek voor afwikkelingsplanning.

36

De beleidslijnen bevatten de beginselen waaraan de plannen moeten voldoen, en hoeven niet voor alle onderwerpen even gedetailleerd te zijn.

De uitgebrachte beleidslijnen vertonen een aantal tekortkomingen

37

De regelmatige herziening van beleidslijnen is een goede bestuurspraktijk, met name om rekening te houden met veranderingen in het rechtskader, die niet als tekortkomingen kunnen worden beschouwd.

Beoordeling van het openbaar belang
38

De GAR wijst erop dat, wat betreft de bescherming van overheidsmiddelen, het doel is “overheidsmiddelen te beschermen door het beroep op buitengewone openbare financiële steun zoveel mogelijk te beperken”, overeenkomstig artikel 14, lid 2, onder c), van de GAM-verordening.

39

De GAR deelt de opvatting dat een consistente beoordeling van het openbaar belang een essentieel onderdeel is van het algemene afwikkelingskader. In juli 2019 heeft de GAR zijn aanpak van de beoordeling van het openbaar belang gepubliceerd. In het document wordt duidelijkheid verschaft over de factoren waarmee de GAR rekening houdt bij het uitvoeren van een beoordeling van het openbaar belang, en wordt uitgelegd hoe de GAR de in het EU-recht vastgelegde criteria toepast. De publicatie van de methodologie is bedoeld om de banken en de markten meer transparantie en zekerheid te bieden. De GAR voert zijn beoordeling van het openbaar belang consequent uit bij alle banken die onder zijn bevoegdheid vallen, en werkt aan de verbetering van de instrumenten om de consistentie te waarborgen. De aanpak van de beoordeling van het openbaar belang wordt, net als alle beleidslijnen van de GAR, voortdurend geëvalueerd en bevestigd, waarbij rekening wordt gehouden met de opgedane ervaringen op het gebied van afwikkelingsplanning en crisisbeheer en met de kwantitatieve en kwalitatieve analyses die door de GAR zijn uitgevoerd.

40

Het internecontroleverslag 2018 van de GAR bevatte een aantal aanbevelingen om de consistentie van de beoordelingen van kritieke functies binnen de GAR te verbeteren overeenkomstig het werkplan van de GAR voor de beoordeling van kritieke functies. Om gevolg te geven aan deze aanbevelingen is in 2019 en 2020 een actieplan met te leveren tussentijdse resultaten opgesteld. In november 2019 heeft de GAR als eerste stap een inventarisatie gemaakt van de huidige beoordelingen van kritieke functies van de GAR. Om de consistentie in de beoordeling van kritieke functies te verbeteren, heeft de GAR een aantal gestandaardiseerde dashboards ontwikkeld die door IAT’s tijdens de afwikkelingsplanningscyclus van 2020 moeten worden gebruikt. Deze dashboards zijn gebaseerd op de verslagen 2020 over kritieke functies, waardoor elk IAT de resultaten van de bank(en) waarvoor het team verantwoordelijk is, kan benchmarken ten opzichte van vergelijkbare banken in de bankenunie. Als volgende stap zal de GAR indicatieve drempels voor de afwikkelingsplanningscyclus van 2021 invoeren.

41

De GAR behandelt alle afwikkelingsdoelstellingen als even belangrijk. Bij de beoordeling van de GAR in de afwikkelingsplanning laat men zich leiden door de doelstelling om niet voorbij te gaan aan de verantwoordelijkheden van de nationale autoriteiten met betrekking tot de richtlijn depositogarantiestelsels.

42

Wat de bescherming van overheidsmiddelen betreft, wijst de GAR erop dat het doel is “overheidsmiddelen te beschermen door het beroep op buitengewone openbare financiële steun zoveel mogelijk te beperken”, overeenkomstig artikel 14, lid 2, onder c), van de GAM-verordening.

De beperking van de bail-in tot 8 % van de totale passiva en het eigen vermogen van de bank voor het gebruik van het GAF is van toepassing wanneer het GAF een bijdrage levert in plaats van de passiva die krachtens artikel 27, lid 5, van de GAM-verordening van bail-in zijn uitgesloten, of wanneer het gebruik ervan indirect ertoe leidt dat een deel van de verliezen van de entiteit wordt doorgegeven aan het GAF.

43

De GAR volgt de bepalingen van de BRRD en de GAM-verordening bij het uitvoeren van de beoordeling van het openbaar belang, alsook het openbare document waarin het beleid van de GAR wordt samengevat. Deze bepalingen hebben tot doel ervoor te zorgen dat normale insolventieprocedures de standaardoptie zijn om falende banken af te wikkelen. Als de GAR hiervan wil afwijken, moet de GAR ervoor zorgen dat afwikkelingsmaatregelen noodzakelijk zijn voor en evenredig zijn met een of meer afwikkelingsdoelstellingen, en dat liquidatie volgens normale insolventieprocedures de afwikkelingsdoelstellingen niet in dezelfde mate zou bereiken als afwikkelingsmaatregelen.

44

Zie de opmerkingen bij paragraaf 43. Met name moet worden benadrukt dat de GAR bij het uitvoeren van een beoordeling van het openbaar belang niet alleen beoordeelt of het faillissement van een bank aanzienlijke negatieve gevolgen voor de financiële stabiliteit zou hebben en de verlening van buitengewone openbare financiële steun zoveel mogelijk zou beperken, maar meer in het bijzonder moet afwegen of liquidatie volgens een normale insolventieprocedure de afwikkelingsdoelstellingen (zoals uiteengezet in artikel 31, lid 2, van de BRRD) niet in dezelfde mate zou bereiken als een afwikkelingsmaatregel. Daarbij beoordeelt de GAR natuurlijk ook de gevolgen voor de financiële stabiliteit. Maar in plaats van te beoordelen of het falen van een bank aanzienlijke negatieve gevolgen voor de financiële stabiliteit zou hebben, beoordeelt de GAR welk effect de toepassing van de nationale insolventieprocedures (NIP) op een bank zou hebben op de financiële stabiliteit, en vergelijkt hij dit met het effect dat een afwikkelingsmaatregel zou hebben op dezelfde doelstelling. Hetzelfde geldt voor de overige doelstellingen. Indien bij liquidatie (ongeacht of er al dan niet staatssteun wordt verleend) de afwikkelingsdoelstellingen in dezelfde mate worden bereikt als bij een afwikkelingsmaatregel, is er dus geen sprake van inconsistentie.

49

Momenteel evalueert de GAR zijn methodologie in het licht van de publicatie van de “Expectations for Banks”, hetgeen deel uitmaakt van de regelmatige actualisering van de richtsnoeren voor de IAT’s.

52

De verwachtingen voor banken en hun geleidelijke invoering kunnen worden afgestemd op de specifieke kenmerken van banken en afwikkelingsstrategieën. In de “Expectations for Banks” wordt dit expliciet verduidelijkt: Hoewel de verwachtingen algemeen van aard zijn, zal de toepassing ervan op elke bank moeten worden afgestemd, rekening houdend met het evenredigheidsbeginsel, en op basis van een dialoog tussen elke bank en haar IAT.

Daarnaast wordt in de “Expectations for Banks” voor banken het volgende gespecificeerd: In dit document wordt alleen ingegaan op de afwikkelbaarheid van banken waarvoor afwikkeling de strategie is. De verwachtingen voor banken zijn derhalve van toepassing op banken waarvoor de beoordeling van het openbaar belang positief is ten tijde van de planning.

54

IAT’s beoordelen belemmeringen voor de afwikkelbaarheid op jaarbasis. Van IAT’s wordt ook verwacht dat zij bij het opstellen van afwikkelingsplannen conclusies trekken over eventuele wezenlijke belemmeringen.

56

De uitspraak geeft de standpunten van de auteur weer, die niet door de GAR worden gedeeld. De GAR wenst te benadrukken dat het hier genoemde document inzake economische governance geen officieel standpunt van het Europees Parlement vertegenwoordigt en evenmin tot resoluties van het Europees Parlement heeft geleid.

Bovendien is het verslag over economische governance uitsluitend gebaseerd op openbare informatie.

Richtsnoeren inzake het MREL en de bail-in
61

De herziene BRRD/GAM-verordening introduceren vier categorieën banken, en alle vier categorieën moeten voldoen aan een MREL-doelstelling.

Slechts drie categorieën moeten echter altijd voldoen aan een minimumvereiste voor achterstelling (mondiaal systeemrelevante instellingen, top-tier banken en andere pijler-1-banken), die een onderdeel is van de MREL-doelstelling.

De vierde categorie (banken die niet tot pijler 1 behoren) heeft niet noodzakelijkerwijs een minimumvereiste voor achterstelling, d.w.z. de vaststelling van achterstellingsvereisten voor deze vierde categorie is gebaseerd op de beoordeling “geen enkele schuldeiser slechter af”.

62

Uiteenlopende praktijken zijn een duidelijk gevolg van de administratieve beoordelingsvrijheid van de afwikkelingsautoriteiten. Sommige van de genoemde verschillen zullen waarschijnlijk worden verkleind door BRRD II (bv. BRRD II voert voor mondiaal systeemrelevante instellingen, top-tier banken en andere pijler-1-banken uniforme minimumvereisten voor achterstelling in).

Tekstvak 1

Zie de opmerking bij paragraaf 62.

63

Kleine beleggers hebben en zullen het recht hebben om voor bail-in in aanmerking komende schulden te kopen (geen enkele wettelijke bepaling sluit een dergelijke mogelijkheid uit). Volgens het EU-recht zijn dergelijke beleggingsactiviteiten onderworpen aan de waarborgen van de richtlijn betreffende markten voor financiële instrumenten. BRRD II voorziet in aanvullende waarborgen voor niet-professionele beleggers. De lidstaten moeten de richtlijn uiterlijk op 28 december 2020 in nationale wetgeving omzetten.

64

In de operationele richtsnoeren van de GAR inzake het instrument van bail-in worden geen operationele kwesties beschreven, maar de verwachtingen voor de bail-in-playbooks van banken. Zo moet het playbook bijvoorbeeld aantonen welke processen nodig zijn om afdekkingen te identificeren die overeenkomen met de bail-inbare belangen. Deposito’s zijn uiteraard minder complex en worden op de eigen rekeningen van de bank aangehouden. De bail-in is operationeel dus veel eenvoudiger.

Wat het tijdschema betreft, zij erop gewezen dat de precieze termijnen sterk afhankelijk zijn van de operationele capaciteiten van de betrokken belanghebbenden (met name centrale effectenbewaarinstellingen), ongeacht de lidstaat.

65

Het beleid van de GAR ten aanzien van het vaststellen van een alternatieve strategie is in overeenstemming met de wettelijke vereisten. Het is de bedoeling een strategie op basis van een variant te ontwikkelen om, voor zover nodig, scenario’s en omstandigheden aan te pakken waarin de voorkeursafwikkelingsstrategie niet geloofwaardig of haalbaar zou zijn (handboek voor afwikkelingsplanning, dat hier is gebaseerd op artikel 23, lid 3, van Gedelegeerde Verordening 2016/1075 (EU) van de Commissie), ongeacht het gebruikte instrument, met inbegrip van de “open-bank bail-in”. Bovendien bepaalt artikel 25, lid 4, van Gedelegeerde Verordening 2016/1075 (EU) van de Commissie dat de afwikkelingsautoriteiten beoordelen of alternatieve afwikkelingsstrategieën noodzakelijk zijn in het geval van scenario’s of omstandigheden waarin de afwikkelingsstrategie niet haalbaar en geloofwaardig is.

Wanneer IAT’s oordelen dat de voorkeursafwikkelingsstrategie, wat een open-bank bail-in kan zijn, geloofwaardig en haalbaar is, hoeft er geen alternatieve strategie te worden vastgesteld.

Er is vooruitgang geboekt bij de afwikkelingsplanning, maar er is nog een lange weg te gaan voordat deze in overeenstemming is met de wettelijke vereisten

66

Wat de frequentie van de actualisering van afwikkelingsplannen betreft, zie de opmerking van de GAR over paragraaf II van de samenvatting.

Wat de datum voor een afwikkelingsplan betreft, wordt verwezen naar de opmerking van de GAR over paragraaf 113.

De kwaliteit van de afwikkelingsplannen voor banken die onder de bevoegdheid van de GAR vallen, is verbeterd

72

Tabel 4: Gemeenschappelijke opmerkingen bij de paragrafen 69 tot en met 73:

Strategische bedrijfsanalyse:

Wanneer de voorkeursafwikkelingsstrategie bail-in is, hoeft niet te worden aangetoond dat er sprake is van scheidbaarheid, want het gebruik van het instrument van bail-in brengt per definitie geen structurele veranderingen met zich mee. Alleen de toepassing van aanvullende instrumenten die de structuur veranderen (verkoop van bedrijfsactiviteiten, overbruggingsinstelling, afsplitsing van activa), zou een analyse en voorbereiding van scheidbaarheid vereisen.

MREL, Financiële en operationele continuïteit, Communicatie:

De plannen in de steekproef waren in overeenstemming met het beleid van de GAR ten tijde van het opstellen van die plannen. Het beleid op deze gebieden was echter nog niet volledig ontwikkeld toen de plannen in 2018 op basis van het evoluerende rechtskader werden opgesteld. Zonder overeenkomstige beleidslijnen zou het inconsistent zijn geweest als IAT’s bij het opstellen van de afwikkelingsplannen op eigen initiatief waren begonnen met het vaststellen van individuele MREL-vereisten voor banken. Met een dergelijke actie zou het niet mogelijk zijn geweest te zorgen voor een gelijk speelveld voor banken, en voor de GAR om verantwoorde administratieve besluiten te nemen. Hetzelfde geldt voor de hier genoemde andere beleidsterreinen. Indien de IAT’s zonder duidelijke beleidsrichtsnoeren zouden hebben gehandeld, zou dit tot een inconsistente toepassing van het rechtskader hebben geleid.

Beoordeling van de afwikkelbaarheid:

De genoemde voorbeelden wijzen elementen aan die, wanneer zij globaal worden beoordeeld, binnen de afwikkelingsplannen wellicht niet voor alle gevallen de meest relevante zijn. Zo zou een bedrijfsreorganisatie relevanter kunnen zijn voor grote internationale en gediversifieerde banken die bepaalde bedrijfsonderdelen kunnen afstoten.

73

Gemeenschappelijke opmerkingen bij de paragrafen 69 tot en met 73:

Banktest van het instrument van bail-in:

De toepassing van het instrument van bail-in is een complexe exercitie en banken hebben tijd nodig om de nodige IT-infrastructuur tot stand te brengen. Om dit resultaat te bereiken zijn talrijke interacties tussen afwikkelingsautoriteiten en banken vereist, zoals gegevenspuntenvereisten, bail-in-playbooks en beoordelingen van bail-in-playbooks. Het tijdschema waarin de “Expectations for Banks” voorzien, werd voor veel belanghebbenden dus toch al ambitieus gevonden.

Wezenlijke belemmeringen:

De GAR verwijst naar zijn antwoorden op de paragrafen VII en 48 met betrekking tot de methode voor het identificeren van potentiële belemmeringen en wezenlijke belemmeringen. De in de plannen gevolgde aanpak volgt de stapsgewijze methodologie van de GAR. Overeenkomstig het toepasselijke beleid voor het opsporen en laten optekenen van belemmeringen, bestaat de eerste stap uit de identificatie van potentiële belemmeringen. Wanneer IAT’s over voldoende informatie beschikken om conclusies te kunnen trekken over de aard van een belemmering, passen zij de scoringmethode toe in overeenstemming met dit beleid.

MREL:

De GAR heeft geen hogere MREL-streefdoelen vastgesteld als gevolg van wezenlijke belemmeringen, omdat bij de geleidelijke invoering van het MREL-vereiste geen daarmee verband houdende wezenlijke belemmeringen zijn vastgesteld. In feite maakt de GAM-verordening het mogelijk om overgangsperioden vast te stellen en hebben de banken in de afgelopen vijf jaar in het algemeen goede vooruitgang geboekt op weg naar naleving van het MREL. Deze toekomstgerichte benadering wordt ook bevestigd door de BRRD II/GAM II-verordening, waarin wettelijke overgangsperioden tot 2024 voor de volledige naleving van het MREL zijn vastgesteld.

74

Wat beide plannen betreft, moeten de IAT’s overeenkomstig de op deze plannen toepasselijke methodologie potentiële belemmeringen voor de afwikkelbaarheid (al dan niet in lijstvorm) identificeren, rekening houdend met het toepasselijke beleid en de informatie die door de banken is verstrekt voor de te beoordelen afwikkelingsvoorwaarde.

Wat het tweede plan betreft, beoordeelde het IAT de vooruitgang die de bank had geboekt met betrekking tot de afwikkelingsbeginselen van de GAR voor het relevante onderwerp. De algemene beoordeling omvat ook een kloofanalyse tussen de geboekte vooruitgang en de werkzaamheden die die bank nog moet verrichten om aan de afwikkelbaarheidsbeginselen van de GAR te voldoen. Het dichten van deze kloof binnen een realistische termijn is de kern van de werkzaamheden van het IAT en de bank in het proces van afwikkelingsplanning en verbetering van de afwikkelbaarheid. Het IAT heeft deze activiteit precies en zorgvuldig ondernomen door ervoor te zorgen dat de bank over een realistisch werkplan beschikt om deze kloof te dichten. De voortdurende controle van de te leveren resultaten en de herbeoordeling van de geboekte vooruitgang vormen een wezenlijk onderdeel van de afwikkelingsplanningsactiviteit en worden in elke iteratie van het afwikkelingsplan geregistreerd.

75

In 2020 heeft de GAR zijn methodologie voor het waarborgen van kwaliteitscontrole in afwikkelingsplanning aanzienlijk verbeterd, en wel in twee fasen: een voorlopige evaluatie tijdens de ontwerpfase en een definitieve evaluatie om verdere correcties vóór de definitieve goedkeuring mogelijk te maken. Beide fasen omvatten controleactiviteiten die systematisch worden geregistreerd.

Vertragingen bij de vaststelling van afwikkelingsplannen die onder de bevoegdheid van de GAR vallen

76

Zie de opmerkingen van de GAR bij paragraaf 113.

77

Wat de aangevoerde vertragingen bij de vaststelling van de afwikkelingsplannen in de planningscycli van 2018 en 2019 betreft, zijn er verschillende kwesties waarmee rekening moet worden gehouden. Deze overwegingen worden hier samengevat en zijn in het verslag van toepassing overal waar sprake is van vertragingen in de cycli van de afwikkelingsplanning.

Ten eerste moet worden opgemerkt dat het gegeven tijdschema een indicatieve planning is voor het operationeel maken van de jaarlijkse afwikkelingsplanningscycli. Het dient dus slechts als een mijlpaal op hoger niveau, en de planning moet worden aangepast naar gelang de concrete omstandigheden dat vereisen.

Bovendien kunnen sommige van deze omstandigheden niet worden voorzien bij de vaststelling van de initiële planning van de tijdschema’s. Zo kon de afwikkelingsraad (uitgebreide bestuursvergadering) in sommige gevallen geen consensus bereiken over het voorgestelde afwikkelingsplan, wat een stemproces of een nieuw voorstel voor de raad nodig maakt.

Voorts zijn veel van deze omstandigheden niet alleen afhankelijk van de GAR en houden zij wettelijke vereisten in die extra tijd vergen. Bijvoorbeeld,

  • raadpleging van het afwikkelingscollege van vier maanden;
  • de noodzaak om een procedure in te stellen voor banken om te worden gehoord met betrekking tot MREL-besluiten;
  • de noodzaak banken in staat te stellen hun hoofdtaal te gebruiken in de communicatie met de GAR, waardoor de nodige inspanningen en tijd nodig zijn voor vertalingen (uitgevoerd door de vertaaldienst van de Commissie en gecontroleerd door de IAT’s en NAA’s);
  • de samenstelling van de afwikkelingsraad vereist bankspecifieke uitgebreide bestuursvergaderingen. Deze wettelijke governancevereiste legt een extra kwestie op die extra tijd voor de organisatie van de afwikkelingsplanningscycli zal vergen.

Tabel 5:

Afwikkelingsplannen voor banken zonder afwikkelingscollege:

De GAR is van mening dat de manier waarop de statistieken in tabel 5 worden gepresenteerd, een veel te negatieve indruk van de situatie geeft. Het laatste plan voor banken zonder afwikkelingscollege werd in november 2019 vastgesteld.

Het is echter belangrijk op te merken dat in september 2019 71 van de 76 plannen (93 %) waren vastgesteld, en 64 daarvan reeds in mei 2019 (84 %). De overgrote meerderheid van de plannen werd dus veel eerder goedgekeurd.

Afwikkelingsplannen voor banken met afwikkelingscollege:

Ook hier is de GAR van mening dat de manier waarop de statistieken in tabel 5 worden gepresenteerd, een veel te negatieve indruk van de situatie geeft. Het laatste plan voor banken met afwikkelingscollege werd in juli 2020 vastgesteld, maar eind 2019 waren al 32 van de 40 plannen vastgesteld (80 %). Op één na waren alle plannen in februari 2020 vastgesteld (39 van de 40). De overgrote meerderheid van de plannen werd dus veel eerder goedgekeurd.

78

Zie de opmerkingen van de GAR bij paragraaf 77, waarin de systemische uitdagingen worden toegelicht die inherent zijn aan de goedkeuringsprocedure. In het licht van de geleidelijke invoering en operationalisering van de afwikkelingsplanningsprocedures in 19 verschillende rechtsgebieden is het vanzelfsprekend dat tijdens dat proces mogelijk aanpassingen moeten worden aangebracht.

79

Op basis van de ervaringen die de GAR tijdens de eerste cycli heeft opgedaan, heeft de GAR onder meer de afwikkelingsplanningscyclus geherstructureerd om een jaarlijkse actualisering te verzekeren, zoals vereist door het rechtskader. Deze herstructurering en de totstandbrenging van een stabiele structuur vergen echter planning en tijd. Daarom besloot de GAR strategisch om 2019 te gebruiken als overgangsjaar waarin hij zich uitsluitend zou richten op de plannen waarvoor de GAR de formele goedkeuring op grond van materiële wijzigingen of andere factoren prioriteerde. De GAR wenst erop te wijzen dat dit de werkzaamheden inzake afwikkelingsplanning voor GAR-banken niet heeft verhinderd. In 2019 hebben de IAT’s activiteiten op het gebied van afwikkelingsplanning voor alle banken die onder de bevoegdheid van de GAR vallen, voortgezet. Alleen wat betreft de formele goedkeuring voor banken zonder afwikkelingscollege richtte de GAR zich op een deel van de afwikkelingsplannen volgens een duidelijke procedure (op basis van de toegevoegde waarde). Bovendien bood de publicatie van het bankenpakket (BRRD II, enz.) in de zomer van 2019 de gelegenheid om alle banken die onder de bevoegdheid van de GAR vallen, weer op één lijn te brengen met een cyclus van 12 maanden en deze beter te synchroniseren met externe belanghebbenden (bv. ECB/gemeenschappelijk toezichtsmechanisme).

80

Er wordt verwezen naar de opmerkingen van de GAR over de paragrafen 77, 79 en 115.

De beoogde aanpak van de GAR voor de afwikkelingsplanningscyclus van 2018 was gebaseerd op de doelstelling ervoor te zorgen dat banken met afwikkelingscolleges die normaal gesproken de meest complexe zijn die onder de bevoegdheid van de GAR vallen, onder het meest geavanceerde afwikkelingsbeleid (met inbegrip van het MREL) zouden vallen, teneinde een hogere kwaliteit van de afwikkelingsplannen te waarborgen. Tegelijkertijd zouden banken zonder afwikkelingscollege worden onderworpen aan een tweeledige aanpak, afhankelijk van hun prioriteitsgraad, zoals overeengekomen door de GAR en de betrokken NAA’s, onder meer op basis van de omvang, de complexiteit en het risicoprofiel van de bank.

De aanpak voor de afwikkelingsplanningscyclus van 2019 richtte zich op banken zonder afwikkelingscollege en zorgde ervoor dat alle banken die onder de bevoegdheid van de GAR vallen, aan hetzelfde samenstel van afwikkelingsbeleidslijnen zijn onderworpen.

Voor de afwikkelingsplanningscyclus van 2020 zullen alle banken (met of zonder afwikkelingscollege) onder de meest uitgebreide reeks afwikkelingsbeleidslijnen vallen.

Niet alle plannen van minder belangrijke banken werden door de GAR onderworpen aan hetzelfde niveau van kwaliteitscontrole

83

Zie de opmerkingen van de GAR bij paragraaf VI.

84

In oktober 2018 heeft de GAR het richtsnoer voor vereenvoudigde verplichtingen voor de banken onder zijn directe bevoegdheid vastgesteld, dat in de plaats komt van de beleidsnota die de GAR oorspronkelijk in 2016 in zijn bestuursvergadering had vastgesteld, waarin de minimuminhoud van de afwikkelingsplannen voor minder belangrijke instellingen uit hoofde van de vereenvoudigde verplichtingen werd vastgesteld. Hoewel het richtsnoer van 2018 niet bindend is voor de NAA’s bij het opstellen van de LSI-afwikkelingsplannen/besluiten inzake vereenvoudigde verplichtingen, diende het niettemin als referentie – met toepassing van het evenredigheidsbeginsel – voor de beoordeling van LSI-plannen. De GAR heeft in combinatie met de goedkeuring van de LSI-ontwerpafwikkelingsplannen toezicht gehouden op de toepassing van de vereenvoudigde verplichtingen door de NAA’s en op de gedetailleerde kwantitatieve en kwalitatieve beoordelingen die zij in dit verband uitvoeren.

86

De GAR is sinds de afwikkelingsplanningscyclus van 2019 begonnen ook de gedetailleerde kwantitatieve en kwalitatieve beoordelingen die de NAA’s in dit verband uitvoeren, te verifiëren.

87

Het besluit om een standpunt kenbaar te maken is een beleidsbesluit en geen wettelijke verplichting. Bij het besluit om in de door de Rekenkamer onderzochte gevallen geen standpunt in te nemen, werd rekening gehouden met de argumenten van de betrokken NAA’s.

88

De opmerking van de Rekenkamer is juist, maar er zij op gewezen dat de analyse van belemmeringen voor de afwikkelbaarheid noch door de NAA’s noch door de GAR is uitgevoerd, aangezien het desbetreffende beleid in de voor de gecontroleerde LSI-ontwerpafwikkelingsplannen relevante afwikkelingsplanningscyclus van 2018 nog niet bestond. Bovendien heeft de GAR bij de beoordeling van de LSI-plannen voor de cycli van de afwikkelingsplanning van 2018 en met name 2019 een beoordeling uitgevoerd van potentiële belemmeringen voor de afwikkelbaarheid die uit de LSI-plannen naar voren kwamen. De resultaten van die beoordeling zijn gepresenteerd in een nota, die in de plenaire vergadering van de GAR van 24 juni 2020 is besproken.

89

Alleen in de LSI-afwikkelingsplanningscyclus van 2018 heeft de GAR bij enkele beoordelingen vertraging opgelopen als gevolg van nieuwe beleidskwesties. Dit was in het jaar erna niet het geval.

Organisatorische opzet in het kader van het GAM nog niet optimaal

De interactie tussen belanghebbenden is goed, maar afwikkelingsautoriteiten zijn afhankelijk van tijdige reacties van toezichthouders

94

De GAR is niet in staat om opmerkingen te maken over de bijdragen van de NAA’s in het kader van de enquête.

95

De GAR wenst erop te wijzen dat na elke afwikkelingsplanningscyclus op regelmatige basis beoordelingen achteraf in de vorm van een transversale analyse zijn uitgevoerd. Deze nota’s zijn altijd besproken in de managementvergadering, en de IAT’s zijn dus op de hoogte gebracht van hun conclusies. Voor de afwikkelingsplanningscyclus van 2019 worden bijeenkomsten met bepaalde IAT’s georganiseerd om de follow-up van de bevindingen te waarborgen.

96

De GAR is niet in staat om opmerkingen te maken over de bijdragen van de NAA’s in het kader van de enquête.

99

Wat vroegtijdige-interventiemaatregelen betreft, is het standpunt van de GAR dat er inderdaad wijzigingen in de niveau 1-wetgeving nodig zijn, aangezien het huidige regelgevingskader niet de juiste stimulansen en termijnen lijkt vast te stellen en evenmin voldoende tegenwicht biedt tegen vooringenomenheid van de toezichthouder. Dit blijkt duidelijk uit het beperkte gebruik van vroegtijdige-interventiemaatregelen door de bevoegde autoriteiten.

De vertegenwoordiger van de GAR voor EBA heeft deze zienswijzen ook naar voren gebracht tijdens de bespreking van het EBA-raadplegingsdocument in de vergadering van de raad van toezichthouders in mei 2020. De GAR is van mening dat de structuur van vroegtijdige-interventiemaatregelen kan worden herzien om ervoor te zorgen dat stimulansen op elkaar worden afgestemd en dat het continuüm van toezicht tot afwikkeling doeltreffend wordt beheerd door de relevante autoriteiten (bv. met duidelijkere en eerdere triggers voor samenwerking). De GAR heeft ook gevraagd dat de toezichthouder de afwikkelingsautoriteit op een vroeger tijdstip informeert en erbij betrekt dan momenteel in de BRRD/GAM-verordening is voorzien.

Dit is al een goede gewoonte in de praktijk en kan in de wetgeving worden weergegeven. Toezichthoudende en afwikkelingsautoriteiten moeten (in hun respectieve rol en bij hun voorbereidingen) informatie uitwisselen en samenwerken, niet alleen wanneer vroegtijdige-interventiemaatregelen worden genomen, maar ook bij de beoordeling of vroegtijdige-interventiemaatregelen worden nageleefd.

100

In artikel 18, lid 4, onder a) tot en met d), van de GAM-verordening zijn de criteria vastgesteld om te bepalen wanneer een bank kan worden beschouwd als falend of waarschijnlijk falend. EBA was op grond van artikel 32, lid 6, van de BRRD verplicht richtsnoeren op te stellen voor de test of een bank faalt of waarschijnlijk zal falen. Dit deed zij in 2015, toen zij een uitgebreide reeks richtsnoeren publiceerde voor de interpretatie van verschillende omstandigheden waaronder een instelling moet worden beschouwd als een instelling die faalt of waarschijnlijk gaat falen in de zin van artikel 32, lid 6, van de BRRD48. Er zij aan herinnerd dat EBA bij de ontwikkeling van de EBA-richtsnoeren heeft nagedacht over de kwestie van de definitie van “nabije toekomst” en tot de conclusie is gekomen dat de voordelen van het niet verstrekken van een dergelijke definitie zwaarder wegen dan het voordeel van het verstrekken ervan (zie blz. 26-27 van de desbetreffende EBA-richtsnoeren).

De personeelsbezetting voor het GAM is toegenomen, maar de NAA’s hebben hun bijdrage enigszins verminderd

101

Eind maart 2020 had de GAR 358 vte’s in dienst, maar had hij nog eens 15 bevestigde nieuwkomers en een aantal lopende selecties om alle resterende vacatures te vervullen. Een aantal vacante posten is gedeeltelijk gecompenseerd door uitzendkrachten (22 eind maart) in afwachting van de komst van de nieuwkomers of de afronding van de selecties. Bovendien moet rekening worden gehouden met het natuurlijke personeelsverloop.

103

De GAR wenst erop te wijzen dat de toewijzing van personeel van de NAA’s aan de IAT’s een feit is dat niet mag worden geïnterpreteerd, omdat de personeelsvermindering van de kant van de NAA’s wordt gecompenseerd door een verhoging van de kant van de GAR. De vergelijking van de ratio’s tussen de GAR en de ECB is niet noodzakelijk passend. Het soort, de opzet, de organisatie en de toewijzing van werkzaamheden op het gebied van toezicht en op het gebied van afwikkeling zijn totaal verschillend. Permanent toezicht vergt veel meer lokale middelen dicht bij de banken en ter plaatse.

Tabel 6: De GAR heeft de gegevensverzameling gecentraliseerd, maar is niet in staat om de door de NAA’s verstrekte gegevens te verifiëren.

104

De GAR heeft geen controle over de kwantitatieve bijdrage van de NAA’s aan de IAT’s. Bovendien is het mogelijk dat de verhouding van het aantal personeelsleden tot het aantal banken niet de beste referentie is. Aspecten als de anciënniteit van het personeel, de omvang of de complexiteit van de banken worden niet in aanmerking genomen.

105

Aspecten zoals aantal en anciënniteit van het personeel, omvang of complexiteit van de banken en specifieke vaardigheden van het personeel zijn relevante elementen in de samenstelling van een IAT. Flexibiliteit is echter onontbeerlijk om vaardigheden en kwalificaties efficiënt toe te wijzen waar deze nodig zijn en in overeenstemming met de specifieke kenmerken van elke bank. De heterogeniteit van de samenstelling van IAT’s is een natuurlijk en onmisbaar gevolg van het unieke karakter van elke bank. Een rigide samenstelling van het team zou leiden tot inefficiëntie bij de toewijzing van personeel.

Voorts moet bij de bespreking van de “ideale” of evenwichtige samenstelling van de IAT’s rekening worden gehouden met de volgende opmerkingen:

  • De bijdrage van de NAA’s kan niet alleen aan de hand van “aantallen” worden beoordeeld. De bijdrage en de kwaliteit van de bijdragen aan de opstelling van de plannen kunnen in bepaalde gevallen een kwestie zijn, en in sommige gevallen zou de bijdrage van de NAA’s beperkt kunnen zijn. De GAR vereist een minimumsterkte van het GAR-personeel om de kwaliteitsnormen te handhaven.
  • Ongeacht hoeveel mensen bij de NAA’s werken, heeft de GAR een minimumaantal vte’s per bank nodig om taken uit te voeren die alleen bij de GAR kunnen worden uitgevoerd, en om alle kwesties te volgen zonder volledig op deskundigen van de NAA’s te vertrouwen.

Conclusie en aanbevelingen

108

De GAR is ingenomen met de door de Europese Rekenkamer erkende vooruitgang. De GAR is het echter niet eens met de conclusie van de Rekenkamer dat “essentiële elementen” ontbreken, aangezien dit de indruk zou kunnen wekken dat het GAM zijn taken nog niet zou vervullen omdat sommige voor de GAR relevante elementen ontbreken, hetgeen duidelijk niet het geval is. In dit verband moeten ten minste de volgende zaken worden opgemerkt:

De GAR heeft een groot aantal beleidslijnen ontwikkeld en geactualiseerd in 2018 en 2019, een periode die werd gekenmerkt door een veranderend regelgevingskader met richtsnoeren van de Raad voor financiële stabiliteit en EBA-richtsnoeren die zich voortdurend ontwikkelden, en de komst van BRRD II. In dit uitdagende regelgevingsklimaat moest de GAR zijn regelgevende taken uitvoeren en ervoor zorgen dat belangrijke wetswijzigingen op een aantal punten, waaronder het MREL, correct werden uitgevoerd.

De actualisering van de beleidslijnen inzake afwikkelingsplanning is een doorlopend proces dat blijk geeft van goed bestuur en de wijzigingen in het rechtskader weerspiegelt die de GAR moet uitvoeren. Dit wordt geschraagd door het feit dat bepaalde elementen die nodig zijn voor de ontwikkeling van beleidslijnen, zelfs buiten de controle van de GAR vallen, zoals de vooruitgang op het gebied van liquiditeits- en vangnetopties.

Het GAM neemt de vereiste besluiten met betrekking tot afwikkelingsactiviteiten in elke afwikkelingscyclus (MREL, afwikkelingsplannen, beoordeling van de afwikkelbaarheid, enz.). Met betrekking tot de naleving van het gemeenschappelijk rulebook moet worden opgemerkt dat 70 % van de elementen geheel of gedeeltelijk aan de voorschriften voldoet en dat een aanzienlijk aantal van de niet-conforme elementen deze status heeft als gevolg van de wijzigingen in het rechtskader.

De GAR is ingenomen met de beoordeling door de Rekenkamer met betrekking tot de aanbevelingen in Speciaal verslag nr. 23/2017 en begrijpt dat een eventuele toekomstige follow-up alleen betrekking zal hebben op de aanbevelingen in het huidige verslag.

109

Wat de financiering bij afwikkeling betreft, moet worden vastgesteld dat aandacht van de wetgevers is geboden ten aanzien van de opmerking in paragraaf 32, d.w.z. beperkingen van het kader als gevolg van ontoereikende financiële capaciteiten.

110

Zie de opmerkingen van de GAR bij de paragrafen 31-36.

111

Zie de opmerkingen van de GAR bij de paragrafen 38-41, 47-56 en 57-65.

De GAR is van mening dat bij de toepassing van zijn beleidslijnen een deskundig oordeel vereist is om evenredigheid en een gelijk speelveld te waarborgen, hetgeen niet kan worden bereikt door een uniforme aanpak.

Er zij aan herinnerd dat het proces voor het identificeren en aanpakken van wezenlijke belemmeringen inherent specifiek van aard is en vereist dat de IAT’s hun discretionaire bevoegdheid uitoefenen op basis van de feiten van elk individueel geval en met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. Het belangrijkste is dat bij de onderliggende beoordeling belemmeringen worden geïdentificeerd die de algehele afwikkelbaarheid van elke bank in het kader van deze exercitie kunnen beïnvloeden. De factoren die worden gebruikt om deze beoordeling te voltooien, zijn onder andere gericht op onderzoek naar door de betrokken bank geboekte vooruitgang bij het verbeteren van haar afwikkelbaarheid voor de afwikkelingsvoorwaarde die wordt beoordeeld, de interactie met andere afwikkelingsvoorwaarden en de gevolgen daarvan voor de afwikkelbaarheid van de bank als geheel.

Wat het bindende karakter van het handboek voor afwikkelingsplanning betreft, wordt verwezen naar de opmerkingen van de GAR bij paragraaf 30.

112

In de “Expectations for Banks” wordt uiteengezet welke capaciteiten banken moeten aantonen om te laten zien dat zij afwikkelbaar zijn. Wanneer een bank niet volledig aantoont dat zij voldoet aan de beginselen van de verwachtingen voor banken, kan een bank toch als afwikkelbaar worden beoordeeld (bv. sommige verwachtingen zijn niet van toepassing, of het niet aantonen ervan vormt geen wezenlijke belemmering voor de succesvolle uitvoering van de strategie).

Wat betreft de zin dat de “wetgevers (...) niet [hebben] voorzien in een dergelijk tijdschema voor banken om volledig afwikkelbaar te worden”, zie de opmerking van de GAR over de paragrafen 52 en 54.

Aanbeveling 1 – Verbeter de beleidslijnen van het GAM

(a) Aanvaard, de werkzaamheden zijn reeds aangevat; zie de opmerkingen van de GAR bij de paragrafen 31-34.

(b) Aanvaard.

De GAR versterkt zijn beleidslijnen regelmatig, waar nodig, met name in de context van een evoluerend regelgevingskader (zie paragraaf 37 met betrekking tot het woord “tekortkomingen”).

(c) Gedeeltelijk aanvaard.

De GAR aanvaardt de aanbeveling IAT’s te verplichten een “pas toe of leg uit”-aanpak toe te passen voor zover deze betrekking heeft op significante afwijkingen. Zie de opmerking van de GAR over paragraaf 30.

Tijdpad: Gezien de uitdaging om beleidslijnen vast te stellen binnen een evoluerend rechtskader, is de GAR van mening dat de termijnen passend zijn zolang het rechtskader ruim van te voren is gestabiliseerd.

113

De afwikkelingsraad bepaalt de datum waarop de eerste afwikkelingsplannen moeten zijn opgesteld. De afwikkelingsraad heeft zich dus al publiekelijk verbonden aan de afwikkelingsplanningscyclus van 2020/2021 om dat te doen. Bovendien is afwikkelingsplanning in elk geval een doorlopend proces zoals vereist op grond van artikel 8, lid 12, van de GAM-verordening (waarin is bepaald dat afwikkelingsplannen ten minste één keer per jaar worden geëvalueerd en zo nodig geactualiseerd). Anders dan de Rekenkamer opmerkt, is de GAR van oordeel dat hij niet wettelijk verplicht is om voor elke bank afzonderlijk een precieze datum vast te stellen voor de voltooiing van elk afwikkelingsplan. Daarom is de GAR van oordeel dat aan het wettelijke vereiste is voldaan.

Gezien paragraaf 76 en de verwijzing naar de verwachtingen voor banken, is er een duidelijke route aangaande de periode binnen welke de verwachtingen voor banken moeten zijn verwezenlijkt, die onafhankelijk is van een volwaardig afwikkelingsplan dat in overeenstemming is met het gemeenschappelijk rulebook (zie ook de opmerkingen van de GAR bij paragraaf 112).

Zie ook de opmerkingen met betrekking tot de gebruikte statistieken in paragraaf 77 (tabel 5).

Wat het kwaliteitscontrolesysteem betreft, wordt verwezen naar de opmerkingen van de GAR bij paragraaf 75.

114

Bij de vaststelling en uitvoering van een volledig nieuwe (afwikkelings)regeling valt te verwachten dat mettertijd methodologieën, beleidslijnen, uitvoeringsrichtsnoeren en monitoring van de vooruitgang van de bank moeten worden ontwikkeld.

De GAR wenst te benadrukken dat een geloofwaardig en goed functionerend nieuw kader niet tot stand kan worden gebracht zonder een stapsgewijze aanpak op basis van ervaring te volgen. De GAR heeft daartoe de afgelopen jaren regelmatig richtsnoeren opgesteld en gepubliceerd (zie de opmerkingen bij de paragrafen 31-34).

115

Wat betreft de prioritering van banken tijdens de afwikkelingsplanningscyclus van 2018, zie de toelichting bij de paragrafen 76-80.

Prioritering van systeemrelevante banken, cyclus van 2018:

De GAR wenst erop te wijzen dat de GAM-verordening niet voorschrijft hoe deze vorm van prioritering moet worden uitgevoerd en dat het derhalve aan de GAR stond om in de preambule te bepalen hoe deze doelstelling moet worden verwezenlijkt, zij het in termen van tijd of kwaliteit. De GAR heeft prioriteit gegeven aan de kwaliteit van de plannen voor systeemrelevante banken.

Aantal banken, cyclus van 2019:

In het kader van het vereiste om prioriteiten vast te stellen heeft de GAR er rekening mee gehouden dat in de loop van de afwikkelingsplanningscycli van 2018 en 2019 werd onderhandeld over BRRD II en de GAM II-verordening. Als gevolg daarvan zou het contraproductief zijn geweest om op het punt van timing prioriteit te geven aan de banken met een afwikkelingscollege. Een dergelijke aanpak zou ertoe hebben geleid dat, ondanks het ontbreken van duidelijke wettelijke vereisten, voor het eerst bindende doelstellingen, overgangsperiodes, enz. zouden zijn vastgesteld voor banken met een aantal dochterondernemingen die individuele MREL-besluiten en goedkeuring van besluiten waarbij meerdere NAA’s zijn betrokken, vereisen.

Aanbeveling 2 – Zorg dat de afwikkelingsplannen aan alle regels voldoen en tijdig worden vastgesteld

Aanbeveling 2 a)

Aanvaard. De plannen die in het kader van de huidige afwikkelingsplanningscyclus (voor alle banken) zijn opgesteld, profiteren reeds van een versterkt pakket beleidsmaatregelen, met inbegrip van de “Expectations for Banks” en richtsnoeren voor het bail-in-playbook. Op basis van deze aanvullende richtsnoeren is de kwaliteit van alle plannen in de cyclus van 2020 aanzienlijk verbeterd ten opzichte van de cycli van 2018 en 2019.

Het meerjarenprogramma 2021-2023 voorziet in de tenuitvoerlegging van het herziene rechtskader. EBA zal in de komende maanden/jaren echter verschillende technische reguleringsnormen afronden die ook gevolgen zullen hebben voor het gemeenschappelijk rulebook. De naleving van het gemeenschappelijk rulebook evolueert dus voortdurend. Bijgevolg kan de volledige naleving van het gemeenschappelijk rulebook, met name voor 2018, als statische beoordeling niet het enige element zijn waarmee rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van de kwaliteit van de afwikkelingsplannen, zolang het relevante kader verandert. Pas wanneer de referentiebasis (technische reguleringsnormen van EBA, bankenpakket, nationale implementatie van BRRD II) een “stationaire toestand” bereikt, kan een statische benadering relevanter zijn.

Daarom is het in deze veranderende omgeving passender de aandacht te richten op relevantere indicatoren, zoals het toezicht op de naleving van het zich ontwikkelende gemeenschappelijke rulebook, en daarbij ook rekening te houden met het feit dat er na de voltooiing van de wetgeving van niveau 2 operationele richtsnoeren moeten worden ontwikkeld.

Aanbeveling 2 b)

Aanvaard. De GAR heeft de procedures reeds in 2020 gestroomlijnd om een cyclus van 12 maanden te kunnen realiseren. De afwikkelingsraad trekt regelmatig lering uit de ervaringen om ervoor te zorgen dat elke afwikkelingsplanningscyclus efficiënter wordt uitgevoerd dan de vorige. Hij zal dit ook in de toekomst blijven doen om ervoor te zorgen dat afwikkelingsplannen en MREL-besluiten tijdig worden aangenomen.

De GAR wenst te benadrukken dat de meest tijdrovende elementen van het afwikkelingsplanningsproces wettelijk vereist zijn (afwikkelingscollege, raadpleging van de ECB) en niet volledig in handen zijn van de GAR.

Bovendien is de afwikkelingsraad, in het geval van banken waarvoor een afwikkelingscollege is opgericht, verplicht de procedures voor de vaststelling van gezamenlijke besluiten over afwikkelingsplannen en het MREL in acht te nemen, zoals vereist door het rechtskader.

Samen maken deze tijdsbeperkingen het bijzonder moeilijk te voldoen aan de verplichting om afwikkelingsplannen ten minste één keer per jaar te evalueren (artikel 8, lid 12, van de GAM-verordening). De bovengenoemde beperkingen die door de EU-wetgeving worden opgelegd, zijn naar hun aard tijdrovend en de afwikkelingsraad moet binnen deze beperkingen opereren.

Tijdpad:

Aanbeveling 2 a):

Zie de opmerking hierboven. Het gemeenschappelijk rulebook omvat een evoluerende reeks verplichtingen, ook voor de GAR, zodat er geen nalevingstermijn kan worden vastgesteld zolang het rulebook nog niet is voltooid.

Aanbeveling 2 b):

Zie de opmerking hierboven. Het tijdpad voor de cyclus van 2020 is al vastgesteld. Verdere potentiële maatregelen (voor zover de GAR zeggenschap heeft) zouden dan gevolgen hebben voor de cyclus van 2021.

116

Zie de opmerkingen van de GAR bij de paragrafen 80-84.

117

Zie de opmerkingen van de GAR bij de paragrafen 86-88.

118

Aspecten zoals aantal en anciënniteit van het personeel, omvang of complexiteit van de banken en specifieke vaardigheden van het personeel zijn relevante elementen in de samenstelling van een IAT. Flexibiliteit is echter onontbeerlijk om vaardigheden en kwalificaties efficiënt toe te wijzen waar deze nodig zijn en in overeenstemming met de specifieke kenmerken van elke bank. De heterogeniteit van de samenstelling van IAT’s is een natuurlijk en onmisbaar gevolg van het unieke karakter van elke bank. Een rigide samenstelling brengt immers het risico met zich mee dat vaardigheden en middelen inefficiënt worden toegewezen.

De bijdrage van de NAA’s kan niet alleen aan de hand van “aantallen” worden beoordeeld. Ook de bijdrage en de kwaliteit van de bijdragen aan de opstelling van de plannen kunnen verschillen. Ongeacht hoeveel mensen bij de NAA’s werken, heeft de GAR een minimumaantal vte’s per bank nodig om taken uit te voeren die alleen bij de GAR kunnen worden uitgevoerd, en om alle kwesties te volgen zonder volledig op deskundigen van de NAA’s te vertrouwen. Zie de opmerkingen van de GAR bij paragraaf 105.

Aanbeveling 3 – Verbeter de organisatorische opzet van het GAM

(a) Aanvaard.

(b) Aanvaard. De GAR staat open voor het idee om criteria te ontwikkelen met het oog op het waarborgen van voldoende flexibiliteit en het verduidelijken van de input van het personeel van de GAR en de NAA’s in de IAT’s.

De GAR wenst erop te wijzen dat een rigide samenstelling van het team in termen van vaardigheden en anciënniteit tot inefficiëntie bij de toewijzing van personeel zou kunnen leiden. Bovendien heeft de GAR, ongeacht hoeveel mensen bij de NAA’s werken, een minimumaantal vte’s per bank nodig om taken uit te voeren die alleen bij de GAR kunnen worden uitgevoerd, en om alle kwesties te volgen zonder volledig op deskundigen van de NAA’s te vertrouwen.

121

In artikel 18, lid 4, onder a) tot en met d), van de GAM-verordening worden duidelijke criteria vastgesteld om te bepalen wanneer een bank kan worden beschouwd als falend of waarschijnlijk falend. Bovendien was EBA op grond van artikel 32, lid 6, van de BRRD verplicht richtsnoeren op te stellen voor de test of een bank faalt of waarschijnlijk zal falen. Dit deed zij in 2015, toen zij een uitgebreide reeks richtsnoeren publiceerde voor de interpretatie van verschillende omstandigheden waaronder een instelling moet worden beschouwd als een instelling die faalt of waarschijnlijk gaat falen in de zin van artikel 32, lid 6, van de BRRD. Deze bevatten richtsnoeren voor de objectieve elementen voor de eerste drie omstandigheden waaronder een bank faalt of waarschijnlijk zal falen. De aanpak van de GAR van beoordelingen of een bank faalt of waarschijnlijk zal falen, voldoet aan de genoemde EBA-richtsnoeren.

In dit verband zijn objectieve en gekwantificeerde criteria welkom, maar elk automatisme dat voortvloeit uit drempels, moet worden vermeden.

Aanbeveling 4 – Stel objectieve en kwantificeerbare criteria voor tijdige toezichtmaatregelen vast

Gedeeltelijk aanvaard, mits de Commissie de aanbeveling goedkeurt. Meer objectieve en gekwantificeerde drempels voor het initiëren van vroegtijdige-interventiemaatregelen en het nemen van het besluit dat een bank faalt of waarschijnlijk zal falen, zouden welkom zijn. Vroegtijdige interventie valt in de eerste plaats onder de verantwoordelijkheid van het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme. Wat betreft falen of waarschijnlijk gaan falen, moet worden opgemerkt dat de GAR zelf bevoegd is om te verklaren dat een bank waarvoor hij een aanpak heeft ontwikkeld die in overeenstemming is met de EBA-richtsnoeren, faalt of waarschijnlijk zal falen. Elk automatisme dat voortvloeit uit drempels, moet worden vermeden.

De institutionele mogelijkheden van de GAR om de wetgevers te benaderen voor mogelijke wetgevingsherzieningen zijn echter beperkt. Dit doet uiteraard geen afbreuk aan de beschikbaarheid van de GAR om de Commissie en de wetgevers uit technisch oogpunt voor deze taak bij te staan. De GAR onderhoudt immers contact met de Commissie en het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme in verband met de mogelijke verbetering van het kader voor crisisbeheer van banken en de verfijning van de praktijken, en zal dit blijven doen.

Bijlagen

Bijlage 1 – Figuur 9

Er zij op gewezen dat de bestuursorganen op basis van de GAM-verordening reeds een uitdaging vormen voor de tijdigheid van de jaarlijkse afwikkelingsplanningscycli. Voor de organisatie van bankspecifieke uitgebreide bestuursvergaderingen zijn veel verschillende samenstellingen van de afwikkelingsraad nodig. Het gaat om evenveel samenstellingen van de uitgebreide bestuursvergadering als er banken zijn die onder de directe bevoegdheid van de GAR vallen. Dit is een andere factor die van invloed is op de organisatie en operationalisering van de afwikkelingsplanningscycli, waarover de GAR geen controle heeft (naast de andere kwesties die in paragraaf 76 hierboven aan de orde zijn gesteld).

Antwoorden van de Commissie

Samenvatting

V

Het afwikkelingskader voorziet in afwikkelingsfinanciering door de verplichte oprichting van afwikkelingsfondsen in de hele EU. Met name op het niveau van de bankenunie voorziet het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (GAF) in afwikkelingsfinanciering. De Commissie merkt op dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor het gemeenschappelijk achtervangmechanisme van het GAF, dat moet worden verstrekt in de vorm van een doorlopende kredietlijn van het ESM. Ten slotte valt insolventie onder het nationale recht van de lidstaten en komen banken er alleen voor in aanmerking wanneer de betrokken afwikkelingsautoriteit besluit dat een falende bank niet via een afwikkelingsprocedure mag worden afgewikkeld.

Inleiding

02

De Commissie zou erop willen wijzen dat de ECB ook een rol moet spelen.

03

De Commissie wijst erop dat onder “gedekte deposanten” wordt verstaan: de deposanten die onder de richtlijn depositogarantiestelsels vallen.

04

De Commissie wijst erop dat de richtlijn depositogarantiestelsels ook een belangrijk onderdeel vormt van het afwikkelingskader.

06

De Commissie benadrukt dat de GAR ook verantwoordelijk is voor de goedkeuring van de afwikkelingsregeling van een minder belangrijke instelling wanneer die van het GAF gebruik moet maken.

09

De Commissie is van mening dat een bank afwikkelbaar is wanneer het haalbaar en geloofwaardig is om de bank af te wikkelen en tegelijkertijd de negatieve gevolgen voor de financiële stabiliteit tot een minimum te beperken en de continuïteit van kritieke functies te verzekeren.

14

Eerste streepje: de Commissie wenst te verduidelijken dat de EBA alleen verantwoordelijk is voor het ontwikkelen van ontwerpen van technische reguleringsnormen, die vervolgens bij de Commissie worden ingediend en via gedelegeerde of uitvoeringsverordeningen worden vastgesteld.

16

De Commissie wijst erop dat in haar verslag van april 2019 wordt vermeld dat deze conclusie tot stand is gekomen in het licht van onder meer de beperkte ervaring met de toepassing van het afwikkelingskader en het beperkte aantal gevallen, de gespreide tenuitvoerlegging van sommige bepalingen van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken (BRRD) en de onderhandelingen over de BRRD2, die inmiddels zijn afgerond en momenteel door de lidstaten worden omgezet.

Opmerkingen

38

De Commissie zou erop willen wijzen dat een afwikkelingsmaatregel overeenkomstig de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en de GAM-verordening wordt behandeld als zijnde in het algemeen belang indien deze noodzakelijk is om een of meer afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken en daarmee evenredig is, en indien deze doelstellingen met een liquidatie van de instelling volgens een normale insolventieprocedure niet in dezelfde mate zouden worden bereikt. Die afwikkelingsdoelstellingen zijn a) de continuïteit van de kritieke functies garanderen; b) significante nadelige gevolgen voor de financiële stabiliteit vermijden, met name door besmetting, onder meer van de marktinfrastructuur, te voorkomen en door de marktdiscipline te handhaven; c) overheidsmiddelen beschermen door het beroep op buitengewone openbare financiële steun zoveel mogelijk te beperken; d) het beschermen van deposanten die onder Richtlijn 2014/49/EU vallen en van beleggers die onder Richtlijn 97/9/EG vallen; en e) de gelden en activa van cliënten beschermen. Bij het nastreven van deze doelstellingen poogt de afwikkelingsautoriteit de afwikkelingskosten zoveel mogelijk te beperken en waardevernietiging te vermijden, tenzij die noodzakelijk is om de afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken.

42

Wat figuur 7 betreft, wenst de Commissie te verduidelijken dat het plafond voor de steun die het afwikkelingsfonds kan verlenen, niet afhangt van de beschikbare financieringsmiddelen. Het afwikkelingsfonds kan achteraf te betalen bijdragen innen of leningen verkrijgen (zie artikel 100, lid 4, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken).

Tweede streepje: de Commissie wenst er in de eerste plaats op te wijzen dat bevoorrechte crediteuren bij afwikkeling alleen aan het bail-inmechanisme zouden moeten worden onderworpen wanneer dat vereist is om aan de drempel van 8 % te voldoen, voordat het GAF tussenbeide kan komen. Bevoorrechte crediteuren worden daarom niet altijd onderworpen aan het bail-inmechanisme.

De Commissie merkt op dat insolventieprocedures niet geharmoniseerd zijn en, met uitzondering van de rangorde van crediteuren, niet door de richtlijn herstel en afwikkeling van banken worden geregeld.

De Commissie is van mening dat de vereisten die van toepassing zijn op staatssteun in insolventieprocedures niet relevant zijn voor de beoordeling van het openbaar belang die de afwikkelingsautoriteit uitvoert op basis van criteria met een andere rechtsgrondslag dan de staatssteunbeoordeling die de Commissie op grond van de artikelen 107 en 108 VWEU uitvoert.

43

Zoals de Rekenkamer zelf erkent, zijn er twee onafhankelijke beoordelingen die worden uitgevoerd door verschillende entiteiten, namelijk de GAR en de Commissie. De Commissie benadrukt dat die beoordelingen verschillende rechtsgrondslagen en doelstellingen hebben en bijgevolg rekening houden met verschillende criteria.

Met betrekking tot de verwijzing van de Rekenkamer naar haar opmerkingen over liquidatiesteun in een eerdere controle, merkt de Commissie het volgende op:

  • staatssteunregels zijn niet het belangrijkste onderwerp van deze controle. De toepassing van de staatssteunregels maakt geen deel uit van de activiteiten van de GAR, in tegenstelling tot de toepassing van de beoordeling van het openbaar belang. Daarom kan de Commissie slechts in het algemeen verwijzen naar haar antwoorden in de bijlage bij Speciaal verslag nr. 21/2020 van de Rekenkamer. Ten behoeve van de lezers worden de belangrijkste elementen van die antwoorden hieronder samengevat;
  • de Commissie beoordeelt staatssteun ter ondersteuning van banken op grond van artikel 107, lid 3, onder b), VWEU, dat steun toestaat om een ernstige verstoring in de economie op te heffen;
  • de betrokken lidstaat moet aantonen dat de steun noodzakelijk was omdat de economie zonder staatssteun ernstig verstoord zou zijn geweest. In die context gaat de Commissie na of de door de nationale autoriteiten aangevoerde argumenten deugdelijk zijn, dan wel of er, indien van toepassing en noodzakelijk, bijkomend bewijs nodig is;
  • wat betreft de liquidatiesteunmaatregelen die de Rekenkamer in het kader van die eerdere controle heeft beoordeeld, had de Commissie het door de lidstaten verstrekte bewijsmateriaal toereikend bevonden. In voorkomend geval werd dat bewijsmateriaal gecombineerd met de kennis van de Commissie van de algemene economische situatie in de betrokken lidstaat.
44

De Commissie herhaalt dat de door de GAR uitgevoerde beoordeling van het openbaar belang en de door de Commissie uitgevoerde staatssteunbeoordeling verschillende rechtsgrondslagen en doelstellingen hebben en bijgevolg rekening houden met verschillende criteria.

In het licht daarvan wijst de Commissie erop dat bij de beoordeling van het openbaar belang in het kader van de EU-regels voor de afwikkeling van banken alleen wordt gekeken naar de vraag of de liquidatie van banken van invloed is op de financiële stabiliteit, en of de afwikkelingsdoelstellingen met de nationale insolventiewetgeving niet evenzeer kunnen worden verwezenlijkt.

De Commissie merkt op dat deze paragraaf verschillende procedures van verschillende actoren combineert. Wat betreft de beoordeling van staatssteun door de Commissie in zaken die tijdens een eerdere controle zijn onderzocht, herinnert de Commissie eraan dat, hoewel de GAR op basis van de respectieve rechtsgrondslag (GAM-verordening) van oordeel was dat er geen openbaar belang was om die banken in afwikkeling te plaatsen, hun uittreding uit de markt nog steeds aanzienlijke negatieve economische gevolgen zou hebben gehad in de regio’s waar die banken het meest actief waren. Daarom is voldaan aan de voorwaarde dat de steun een ernstige verstoring in de economie moet opheffen in de zin van artikel 107 VWEU en kon de Commissie op basis daarvan liquidatiesteun goedkeuren zodat die banken de markt ordelijk konden verlaten. Aandeelhouders en achtergestelde crediteuren hebben in die gevallen een volledige bijdrage geleverd, waardoor de kosten voor de betrokken lidstaat zijn gedaald.

45

De Commissie acht het belangrijk te verduidelijken dat in deze paragraaf wordt gesproken over de harmonisatie van aspecten van de nationale insolventiewetgeving voor banken.

46

De Commissie wijst erop dat haar opmerkingen en standpunten over artikel 8, lid 6, van de GAM-verordening zijn geformuleerd in het kader van een schriftelijke procedure van de GAR en betrekking hadden op de toepassing van de bepaling in het specifieke geval van afwikkelingsplanning en het vaststellen van het MREL voor een bepaalde bank door een nationale afwikkelingsautoriteit. In die specifieke situatie kunnen verschillende interpretaties van de bepaling mogelijk zijn.

99

Wat vroegtijdige-interventiemaatregelen betreft, kunnen er, zoals blijkt uit de discussienota van de EBA daaromtrent, een aantal redenen zijn waarom ze niet mogen worden gebruikt. Drempels/aanleidingen vormen slechts een deel van de hele situatie, die zorgvuldig in aanmerking moet worden genomen wanneer de te volgen koers op dit gebied wordt uitgestippeld.

100

De Commissie is van mening dat de definitie van falen of waarschijnlijk falen in de richtlijn herstel en afwikkeling van banken voldoende nauwkeurig is. De voorwaarden om te beoordelen of een bank faalt of waarschijnlijk zal falen, zijn immers duidelijk en volledig onderworpen aan rechterlijke toetsing in geval van juridische betwistingen voor de rechtbank.

Overeenkomstig artikel 32, lid 4, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken wordt een instelling geacht te falen of waarschijnlijk te falen in een of meer van de volgende omstandigheden: “a) de instelling overtreedt de voor het behouden van de vergunning in acht te nemen vereisten, of er bestaan objectieve elementen ter ondersteuning van de vaststelling dat de instelling in de nabije toekomst deze op zodanige wijze zal overtreden, op zodanige wijze dat intrekking van de vergunning door de bevoegde autoriteit gerechtvaardigd zou zijn onder meer, doch niet uitsluitend omdat de instelling verliezen heeft geleden of waarschijnlijk verliezen zal lijden die haar eigen vermogen geheel of aanmerkelijk uitputten; b) de activa van de instelling zijn geringer, of er bestaan objectieve elementen ter ondersteuning van de vaststelling dat de activa van de instelling in de nabije toekomst waarschijnlijk geringer zullen zijn dan haar passiva; c) de instelling is niet in staat of er bestaan objectieve elementen ter ondersteuning van de vaststelling dat de instelling in de nabije toekomst niet in staat zal zijn haar schulden of andere passiva te betalen wanneer deze opeisbaar worden; d) er is buitengewone openbare financiële steun nodig, behalve wanneer, teneinde een ernstige verstoring in de economie van een lidstaat te vermijden of te verhelpen en de financiële stabiliteit te vrijwaren, de buitengewone openbare financiële steun een van de volgende vormen aanneemt [...].”

De toezichthouder oordeelt of een bank faalt of waarschijnlijk zal falen, waarbij een vereiste mate van discretionaire bevoegdheid blijft bestaan. Harde kwantitatieve aanleidingen kunnen een voldoende tijdige maatregel in de weg staan of omgekeerd een verklaring afdwingen dat een bank faalt of waarschijnlijk zal falen in een situatie waarin de toezichthouder niet oordeelt dat dit het geval is.

De aanleidingen waardoor een bank faalt of waarschijnlijk zal falen, zijn immers bedoeld om toezichthouders en afwikkelingsautoriteiten voldoende flexibiliteit te bieden wanneer zij dat besluit nemen, aangezien de toezichthouder bij het vellen van een oordeel rekening moet houden met de verwachtingen voor de toekomst.

Conclusie en aanbevelingen

121

De Commissie is van mening dat de juridische criteria die bepalen of een bank faalt of waarschijnlijk zal falen, nauwkeurig en duidelijk zijn en een volwaardige rechterlijke toetsing mogelijk maken in geval van een juridische betwisting door de betrokken bank.

De Commissie is van mening dat vroegtijdige-interventiemaatregelen die ruim op voorhand werden geactiveerd, bedoeld kunnen zijn om te vermijden dat banken falen of waarschijnlijk zullen falen en daardoor hun toevlucht moeten nemen tot afwikkeling/insolventie.

Zie ook het antwoord van de Commissie op paragraaf 99.

Aanbeveling 4 – Stel objectieve en gekwantificeerde criteria voor tijdige toezichtmaatregelen vast

De Commissie verwerpt deze aanbeveling.

Zoals blijkt uit de discussienota van de EBA over vroegtijdige-interventiemaatregelen, kunnen er een aantal redenen zijn waarom dergelijke maatregelen niet mogen worden gebruikt. Drempels/aanleidingen zijn slechts een deel van het totaalbeeld, dat zorgvuldig in aanmerking moet worden genomen wanneer de te volgen koers op dit gebied wordt uitgestippeld.

Een soortgelijk argument geldt voor de aanleidingen waardoor banken falen of waarschijnlijk zullen falen. De toezichthouder moet oordelen of een bank faalt of waarschijnlijk zal falen. Harde kwantitatieve aanleidingen kunnen een voldoende tijdige maatregel in de weg staan of omgekeerd een verklaring afdwingen dat een bank faalt of waarschijnlijk zal falen in een situatie waarin de toezichthouder niet oordeelt dat dit het geval is.

De aanleidingen waardoor een bank faalt of waarschijnlijk zal falen, zijn immers bedoeld om toezichthouders en afwikkelingsautoriteiten voldoende flexibiliteit te bieden wanneer zij dat besluit nemen, aangezien de toezichthouder bij het vellen van een oordeel rekening moet houden met de verwachtingen voor de toekomst.

De Commissie wil er ook aan herinneren dat zij het exclusieve initiatiefrecht heeft voor wetgevingshandelingen en amendementen.

Controleteam

In de speciale verslagen van de ERK worden de resultaten van haar controles van EU-beleid en -programma’s of beheersthema’s met betrekking tot specifieke begrotingsterreinen uiteengezet. Bij haar selectie en opzet van deze controletaken zorgt de ERK ervoor dat deze een maximale impact hebben door rekening te houden met de risico’s voor de prestaties of de naleving, de omvang van de betrokken inkomsten of uitgaven, de verwachte ontwikkelingen en de politieke en publieke belangstelling.

Deze doelmatigheidscontrole werd uitgevoerd door controlekamer IV “Marktregulering en concurrerende economie”, die onder leiding staat van ERK-lid Alex Brenninkmeijer. De controle werd geleid door ERK-lid Rimantas Šadžius, met ondersteuning van Mindaugas Pakštys, kabinetschef, en Tomas Mackevičius, attaché van het kabinet; Marion Colonerus, hoofdmanager; Helmut Kern, taakleider; Marion Schiefele, Satu Levelä-Ylinen, Christian Detry en Rafal Migasiewicz, controleurs. Cathryn Lindsay en Victoria Gilson verleenden taalkundige ondersteuning.

Voetnoten

1 De term “bank” in dit verslag verwijst naar de entiteiten die zijn genoemd in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB L 225 van 30.7.2014, blz. 1).

2 Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190).

3 Verordening (EU) nr. 806/2014, zoals vermeld in voetnoot 1.

4 Een minder belangrijke grensoverschrijdende bank bestaat uit een moedermaatschappij in de eurozone en ten minste één dochtermaatschappij in een andere lidstaat van de eurozone.

5 Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de toepassing en herziening van Richtlijn 2014/59/EU (richtlijn herstel en afwikkeling van banken) en Verordening (EU) nr. 806/2014 (verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme), COM(2019) 213 final van 30.4.2019, blz. 12.

6 Speciaal verslag nr. 23/2017 van de ERK: De Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad: de werkzaamheden aan een uitdagende opdracht voor de bankenunie zijn gestart, maar er is nog een lange weg te gaan (www.eca.europa.eu).

7 Geconsolideerde versie van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB C 202 van 7.6.2016, blz. 1).

8 Verdrag tot instelling van het Europees stabiliteitsmechanisme tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek en de Republiek Finland, ondertekend op 2.2.2012.

9 Zie bijvoorbeeld: “Providing funding in resolution: Unfinished business even after Eurogroup agreement on EMU reform”, Demertzis en Wolff, Bruegel, 7 december 2018 of “Banking Union: Towards new arrangements for the provision of liquidity in resolution”, door Deslandes en Magnus, Europees Parlement, PE 624.402, juli 2019.

10 Diepgaande analyse op verzoek van de commissie ECON, “Valuation reports in the context of banking resolution: What are the challenges?”, door Willem Pieter de Groen, Europees Parlement, PE 624.418, juni 2018.

11 Study on the differences between bank insolvency laws and on their potential harmonisation, VVA, Grimaldi & Bruegel, november 2019.

12 https://srb.europa.eu/en/node/622

13 De bijdrage mag meer dan 5 % bedragen indien wordt voldaan aan bepaalde voorwaarden, zoals bepaald in artikel 27, lid 10, van de GAM-verordening.

14 2018 Euro Area Policies Financial Sector Assessment Program Technical Note — Bank Resolution and Crisis management, Internationaal Monetair Fonds, juli 2018, blz. 7.

15 Mededeling van de Commissie betreffende de toepassing vanaf 1 augustus 2013 van de staatssteunregels op maatregelen ter ondersteuning van banken in het kader van de financiële crisis (“Bankenmededeling”), PB C 216 van 30.7.2013, blz. 1.

16 2018 Euro Area Policies Financial Sector Assessment Program Technical Note — Bank Resolution and Crisis management, Internationaal Monetair Fonds, juli 2018, blz. 7.

17 Speciaal verslag nr. 21/2020 van de ERK “Toezicht op staatssteun aan financiële instellingen in de EU: behoefte aan een geschiktheidscontrole” (www.eca.europa.eu).

18 Speciaal verslag nr. 21/2020 van de ERK “Toezicht op staatssteun aan financiële instellingen in de EU: behoefte aan een geschiktheidscontrole”, de paragrafen 66 en 68 (www.eca.europa.eu).

19 2018 Euro Area Policies Financial Sector Assessment Program Technical Note — Bank Resolution and Crisis management, Internationaal Monetair Fonds, juli 2018, blz. 21.

20 Resolutie van het Europees Parlement van 19 juni 2020 over de bankenunie — jaarverslag 2019 (2019/2130 (INI)), P9_TA (2020) 0165, punt 49.

21 Zie bijvoorbeeld het Eurofi-artikel door Elke König — Why we need an EU liquidation regime for banks, 5.9.2018 (www.srb.europa.eu/en/node/622).

22 Idem voetnoot 11.

23 Deze dimensies zijn de volgende: governance; verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit; liquiditeit en financiering bij afwikkeling; operationele continuïteit en toegang tot infrastructuurdiensten van financiële markten; informatiesystemen en gegevensvereisten; communicatie; afsplitsbaarheid en herstructurering.

24 Bank of England, Policy Statement: The Bank of England’s approach to assessing resolvability, juli 2019.

25 Besluit van de Europese Bankautoriteit over de beslechting van een geschil, gericht aan de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad en de Banca Naţională a României, 27 april 2018.

26 Diepgaande analyse op verzoek van de commissie ECON, “Impediments to resolvability of banks? Banking Union Scrutiny”, door Willem Pieter de Groen, afdeling Ondersteuning economische governance van het Europees Parlement, PE 634.358, december 2019.

27 Verordening (EU) 2019/877 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 806/2014 met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (PB L 150 van 7.6.2019, blz. 226), van toepassing met ingang van 28 december 2020.

28 Richtlijn (EU) 2019/879 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 tot wijziging van Richtlijn 2014/59/EU met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en Richtlijn 98/26/EG (PB L 150 van 7.6.2019, blz. 296).

29 De afwikkelingsautoriteiten moeten banken in vier categorieën indelen. Deze zijn i) mondiaal systeemrelevante banken, ii) top-tier banken, iii) andere systeemrelevante entiteiten en iv) alle banken die niet in de drie voorgaande categorieën vallen. Het verplichte vaste MREL geldt voor de eerste drie categorieën.

30 Bijlage 5 bij het kwantitatieve MREL-verslag van de EBA, EBA/Rep/2020/07.

31 Idem.

32 Statement of the EBA and ESMA on the treatment of retail holdings of debt financial instruments subject to the Bank Recovery and Resolution Directive, mei 2018.

33 In twee van de zes gevallen in de steekproef was in het plan geconcludeerd dat de bank volgens het nationale insolventierecht zou worden geliquideerd.

34 Externe MREL-effecten worden uitgegeven door de entiteit waarop de afwikkelingsautoriteit voornemens is het instrument van bail-in toe te passen. Deze worden aan externe inschrijvers afgegeven. Andere groepsentiteiten die tot dezelfde af te wikkelen afdeling behoren, schrijven in op de interne MREL-effecten.

35 Overweging 47 van de GAM-verordening

36 In 2015 heeft de EBA richtsnoeren gepubliceerd over de wijze waarop autoriteiten moeten beoordelen of een instelling in aanmerking komt voor vereenvoudigde verplichtingen (nu ingetrokken en vervangen door de technische reguleringsnormen over hetzelfde onderwerp) en een technische uitvoeringsnorm voor de toezending van relevante informatie aan de EBA opgesteld.

37 Decision of the Single Resolution Board of 17 December 2018 establishing the framework for the practical arrangements for the cooperation within the Single Resolution Mechanism between the Single Resolution Board and National Resolution Authorities (SRB/PS/2018/15).

38 Memorandum of understanding between the Single Resolution Board and the European Central bank in respect of cooperation and information exchange. https://srb.europa.eu/sites/srbsite/files/mou_with_the_single_resolution_board_on_cooperation_and_information_exchange_2018_.pdf.

39 Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de toepassing en herziening van Richtlijn 2014/59/EU (richtlijn herstel en afwikkeling van banken) en Verordening (EU) nr. 806/2014 (verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme), COM(2019) 213 final van 30 april 2019, blz. 6.

40 Speciaal verslag nr. 02/2018 van de ERK: De doelmatigheid van de crisisbeheersing voor banken door de ECB, paragraaf 125 (www.eca.europa.eu).

41 Understanding Bank Recovery and Resolution in the EU: A guidebook to the BRRD, World Bank Group, Financial Sector Advisory Centre, april 2017, blz. 106.

42 Speciaal verslag nr. 29/2016 van de ERK: Het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme — Een goede start maar verdere verbeteringen nodig, paragraaf 110 (www.eca.europa.eu).

43 De cijfers van de GAR omvatten assistenten, maar geen gedetacheerde nationale deskundigen. De GAR verstrekte vte-gegevens voor 2019 en een prognose voor 2020 voor alle NAA’s, behalve voor die van Portugal en Slowakije, waar we de gegevens van 2017 hebben gebruikt.

44 De marge was vergelijkbaar wanneer deze werd gemeten aan de hand van de totale activa van de banken.

45 Artikel 92, lid 1, van de verordening kapitaalvereisten (VKV), Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012, PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1 (VKV);Artikel 104 bis en artikel 128 van de richtlijn kapitaalvereisten (CRD), Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).

46 Alleen van toepassing op banken waarvan de afwikkelingsstrategie voorziet in afwikkelingsmaatregelen en de toepassing van afwikkelingsinstrumenten.

47 Volgens de MREL-beleidslijn van de GAR van 2020 (blz. 12) kan het RCA worden aangepast door de MCC, wat een wijziging is ten opzichte van de MREL-beleidslijn van de GAR van 2018 (blz. 10), waarbij dit verplicht werd gesteld in het geval van banken waarbij de GAR voornemens was om afwikkelingsinstrumenten en -bevoegdheden toe te passen. De GAR heeft in zijn MREL-beleidslijn voor 2020 ook overgangsperioden voor de MCC ingevoerd.

48 Richtsnoeren inzake de uitlegging van de verschillende omstandigheden waaronder een instelling beschouwd wordt als een instelling die faalt of waarschijnlijk gaat falen, overeenkomstig artikel 32, lid 6, van Richtlijn 2014/59/EU.

Tijdlijn

Gebeurtenis Datum
Vaststelling van het controleplan (APM) / aanvang van de controle 9.4.2019
Ontwerpverslag officieel verzonden naar de Commissie (of andere gecontroleerde) 27.7.2020
Vaststelling van het definitieve verslag na de contradictoire procedure 24.11.2020
Officiële antwoorden in alle talen ontvangen van de GAR 16.12.2020
Officiële antwoorden in alle talen ontvangen van de Commissie 21.12.2020

Contact

EUROPESE REKENKAMER
12, rue Alcide De Gasperi
L-1615 Luxemburg
LUXEMBURG

Tel. +352 4398-1
Inlichtingen: eca.europa.eu/nl/Pages/ContactForm.aspx
Website: eca.europa.eu
Twitter: @EUAuditors

Meer gegevens over de Europese Unie vindt u op internet via de Europaserver (http://europa.eu).

Luxemburg: Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2021

PDF ISBN 978-92-847-5516-5 ISSN 1977-575X doi:10.2865/904069 QJ-AB-21-001-NL-N
HTML ISBN 978-92-847-5542-4 ISSN 1977-575X doi:10.2865/963 QJ-AB-21-001-NL-Q

AUTEURSRECHT

© Europese Unie, 2021.

Het beleid van de Europese Rekenkamer (ERK) inzake hergebruik is geregeld bij Besluit nr. 6-2019 van de Europese Rekenkamer over het opendatabeleid en het hergebruik van documenten.

Tenzij anders aangegeven (bijv. in afzonderlijke auteursrechtelijke mededelingen), wordt voor de inhoud van de ERK die eigendom is van de EU een licentie verleend in het kader van de Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0)-licentie. Dit betekent dat hergebruik is toegestaan mits de bron correct wordt vermeld en wijzigingen worden aangegeven. De hergebruiker mag de oorspronkelijke betekenis of boodschap van de documenten niet wijzigen. De ERK is niet aansprakelijk voor mogelijke gevolgen van hergebruik.

U dient aanvullende rechten te verwerven indien specifieke inhoud personen herkenbaar in beeld brengt, bijvoorbeeld op foto’s van personeelsleden van de ERK, of werken van derden bevat. Indien toestemming wordt verkregen, wordt hiermee de bovengenoemde algemene toestemming opgeheven en zullen beperkingen van het gebruik daarin duidelijk worden aangegeven.

Wilt u inhoud gebruiken of reproduceren die geen eigendom van de EU is, dan dient u de auteursrechthebbende mogelijk rechtstreeks om toestemming te vragen.

Software of documenten waarop industriële-eigendomsrechten rusten, zoals octrooien, handelsmerken, geregistreerde ontwerpen, logo’s en namen, zijn uitgesloten van het beleid van de ERK inzake hergebruik; hiervoor wordt u ook geen licentie verleend.

De groep institutionele websites van de Europese Unie met de domeinnaam “europa.eu” bevat links naar sites van derden. Aangezien de ERK geen controle heeft over deze sites, wordt u aangeraden kennis te nemen van hun privacy- en auteursrechtbeleid.

Gebruik van het logo van de Europese Rekenkamer

Het logo van de Europese Rekenkamer mag niet worden gebruikt zonder voorafgaande toestemming van de Europese Rekenkamer.

Hoe neemt u contact op met de EU?

Kom langs
Er zijn honderden Europe Direct-informatiecentra overal in de Europese Unie. U vindt het adres van het dichtstbijzijnde informatiecentrum op: https://europa.eu/european-union/contact_nl

Bel of mail
Europe Direct is een dienst die uw vragen over de Europese Unie beantwoordt. U kunt met deze dienst contact opnemen door:

  • te bellen naar het gratis nummer: 00 800 6 7 8 9 10 11 (bepaalde telecomaanbieders kunnen wel kosten in rekening brengen),
  • te bellen naar het gewone nummer: +32 22999696, of
  • een e-mail te sturen via: https://europa.eu/european-union/contact_nl

Waar vindt u informatie over de EU?

Online
Informatie over de Europese Unie in alle officiële talen van de EU is beschikbaar op de Europa-website op: https://europa.eu/european-union/index_nl

EU-publicaties
U kunt publicaties van de EU downloaden of bestellen op: https://op.europa.eu/nl/publications (sommige zijn gratis, andere niet). Als u meerdere exemplaren van gratis publicaties wenst, neem dan contact op met Europe Direct of uw plaatselijke informatiecentrum (zie https://europa.eu/european-union/contact_nl).

EU-wetgeving en aanverwante documenten
Toegang tot juridische informatie van de EU, waaronder alle EU-wetgeving sinds 1952 in alle officiële talen, krijgt u op EUR-Lex op: http://eur-lex.europa.eu

Open data van de EU
Het opendataportaal van de EU (http://data.europa.eu/euodp/nl) biedt toegang tot datasets uit de EU. Deze gegevens kunnen gratis worden gedownload en hergebruikt, zowel voor commerciële als voor niet-commerciële doeleinden.