Speciaal verslag
15 2020

Bescherming van wilde bestuivers in de EU — de initiatieven van de Commissie hebben geen vruchten afgeworpen

Over het verslag: De abondantie en diversiteit van wilde bestuivers in de EU zijn de afgelopen decennia afgenomen. Met de lancering van het initiatief inzake bestuivers in 2018 heeft de Commissie een eerste stap gezet inzake de coördinatie van haar aanpak om de daling van het aantal wilde bestuivers tot staan te brengen. Wij constateerden dat dit weinig effect had op de daling en dat het initiatief beter moest worden beheerd om de doelstellingen ervan te bereiken. Bovendien omvatten het beleid inzake biodiversiteit en landbouw en de wetgeving inzake pesticiden geen adequate maatregelen voor de bescherming van wilde bestuivers. We doen aanbevelingen om de bescherming van wilde bestuivers in de bestaande EU-beleidslijnen en -wetgeving te verbeteren.
Speciaal verslag van de ERK, uitgebracht krachtens artikel 287, lid 4, tweede alinea, VWEU.

De publicatie is beschikbaar in 23 talen en in het volgende formaat:
PDF
PDF General Report

Samenvatting

I

Bestuivers brengen stuifmeel over van de mannelijke naar de vrouwelijke delen van bloemen, waardoor bevruchting en voortplanting van planten mogelijk wordt gemaakt. Zij vergroten de hoeveelheid en kwaliteit van voedsel en stellen uiteindelijk onze voedselvoorziening veilig. De abondantie en de diversiteit van wilde bestuivers in de EU nemen af wegens de toenemende bedreiging als gevolg van menselijke activiteit, met name de omschakeling naar intensieve landbouw en het gebruik van pesticiden en meststoffen.

II

De Commissie heeft op het gebied van milieu, pesticiden, landbouw, cohesie, en onderzoek en innovatie maatregelen getroffen die van invloed zijn op wilde bestuivers. In juni 2018 publiceerde de Commissie het initiatief inzake bestuivers dat een lijst van acties bevat om de voornaamste bedreigingen voor wilde bestuivers aan te pakken.

III

Wij hebben ervoor gekozen om een controle te verrichten van de aanpak van de Commissie inzake de bescherming van wilde bestuivers teneinde bij te dragen tot de actualiseringen van de wetgeving op het gebied van biodiversiteit, landbouw en pesticiden die voor de periode 2021‑2022 zijn gepland.

IV

Bij onze controle onderzochten wij of de Commissie de bescherming van wilde bestuivers in de EU consistent heeft aangepakt. Wij beoordeelden de mate waarin het door de Commissie opgestelde kader voor wilde bestuivers heeft bijgedragen tot het tot staan brengen van de daling van het aantal en de diversiteit van bestuivers, en of de Commissie gebruik heeft gemaakt van maatregelen voor het behoud van de biodiversiteit en maatregelen die beschikbaar zijn in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de wetgeving inzake pesticiden om de behoefte aan bescherming van wilde bestuivers aan te pakken.

V

We constateerden dat de Commissie over het geheel genomen de bescherming van wilde bestuivers in de EU niet consistent had aangepakt. We stelden hiaten vast in de belangrijkste EU-beleidslijnen voor de aanpak van de voornaamste bedreigingen voor wilde bestuivers en waren van mening dat het initiatief inzake bestuivers niet over de instrumenten en mechanismen beschikt om die hiaten op te vullen.

VI

Op basis van onze bevindingen doen wij aanbevelingen om de Commissie te helpen bij:

  • het beoordelen van de noodzaak van specifieke maatregelen voor wilde bestuivers in de follow-upacties en -maatregelen voor de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030;
  • het beter integreren van acties ter bescherming van wilde bestuivers in de EU-beleidsinstrumenten die het behoud van de biodiversiteit en de landbouw betreffen;
  • het beter beschermen van wilde bestuivers in het risicobeoordelingsproces voor pesticiden.

Inleiding

Het aantal bestuivers in de EU neemt af

01

Bestuivers zijn dieren die stuifmeel overbrengen van de mannelijke naar de vrouwelijke delen van bloemen, waardoor bevruchting en voortplanting van planten mogelijk wordt gemaakt. In Europa zijn bestuivers voornamelijk insecten, zoals bijen (met inbegrip van hommels, honingbijen en solitaire bijensoorten), wespen, zweefvliegen, vlinders, motten, kevers en andere soorten vliegen. De meeste bestuivende insecten zijn in het wild levende soorten, maar sommige worden voor hun economische waarde gehouden (zie figuur 1).

Figuur 1

Bestuivers in de EU

Bron: ERK.

02

Bestuivers zijn van essentieel belang voor de natuur en de mensheid. In de EU is bijna vier vijfde van de wilde bloemen en plantaardige producten in gebieden met een gematigd klimaat in verschillende mate afhankelijk van bestuiving door insecten. In een door de EU gefinancierd project werd de jaarlijkse bijdrage van bestuivende insecten aan de Europese landbouw op ongeveer 15 miljard EUR geraamd1. Bestuivers vergroten de hoeveelheid en kwaliteit van voedsel en stellen uiteindelijk onze voedselvoorziening veilig2.

03

De abondantie en diversiteit van wilde bestuivers in de EU zijn de afgelopen decennia afgenomen. In 2016 werd in de algemene beoordeling van de staat van bestuivers3 geconcludeerd dat het aantal wilde bestuivers afneemt wegens de toenemende bedreiging als gevolg van menselijke activiteit, met inbegrip van klimaatverandering. Een mondiaal beoordelingsverslag van 2019 over insecten4 bevestigde een negatieve trend in het aantal insecten in het algemeen, waarbij meer dan 40 % van de insectensoorten met uitsterven wordt bedreigd. De meest getroffen insectensoorten zijn vlinders, motten, bijen en kevers.

04

In 2020 plaatste het Wereld Economisch Forum5 biodiversiteitsverlies op de ranglijst van de vijf grootste mondiale risico’s voor de lange termijn. Het zag een daling van het aantal bestuivers die zal leiden tot een verschuiving in de teelt van voedingsgewassen met een hoge voedingswaarde (fruit, groenten en noten — waarvoor bestuivers noodzakelijk zijn) naar energierijke basisgewassen met een lage voedingswaarde (zoals rijst, maïs, tarwe, sojabonen en aardappelen). Het verlies van habitats als gevolg van de omschakeling naar intensieve landbouw en het gebruik van pesticiden en meststoffen behoren tot de belangrijkste oorzaken van de daling, zoals uiteengezet in figuur 2.

Figuur 2

Gevolgen van verschillende soorten bedreigingen voor bestuivers

Bron: ERK, op basis van informatie van IPBES.

EU-initiatieven ter bescherming van wilde bestuivers

05

In de EU-biodiversiteitsstrategie voor 20206 wordt het Europees kader voor prioritaire acties inzake biodiversiteit vastgesteld, waaronder acties betreffende wilde bestuivers. Daarnaast heeft de Commissie in het kader van bestaande beleidslijnen en wetgeving op het gebied van milieu, pesticiden, landbouw, cohesie, onderzoek en innovatie maatregelen getroffen die van invloed zijn op wilde bestuivers (zie figuur 3). De meeste van deze maatregelen zijn indirect en gericht op de bescherming of totstandbrenging van habitats die gunstig worden geacht voor bestuivers, het voorzien in voedselbronnen of de beheersing van invasieve uitheemse soorten. Sommige rechtstreekse maatregelen betreffen uitsluitend naar de honingbij als een gedomesticeerde bestuiver.

Figuur 3

Belangrijkste verantwoordelijkheden van de Commissie inzake wetgeving, beleid en initiatieven

Bron: ERK, op basis van informatie van de Commissie.

06

In juni 2018 heeft de Commissie het EU-initiatief inzake bestuivers7 (“het initiatief inzake bestuivers”) gepubliceerd in de vorm van een mededeling van de Commissie, vergezeld van een werkdocument van de diensten van de Commissie. In het initiatief inzake bestuivers, dat geen rechtsgevolg heeft, wordt de ernstige afname van de abondantie en diversiteit van wilde bestuivende insecten in de EU en de behoefte aan EU-optreden om dit probleem aan te pakken, erkend. Het bevat ook een lijst van acties voor de periode tot 2020 die tot doel hebben bij te dragen tot de verwezenlijking van drie langetermijndoelstellingen:

  • verbetering van de wetenschappelijke kennis van de daling van het aantal bestuivers;
  • aanpak van de voornaamste bedreigingen voor bestuivers, en
  • verbetering van de samenwerking tussen de betrokken partijen.

De voorgestelde acties om de voornaamste bedreigingen voor wilde bestuivers aan te pakken, zijn gericht op de instandhouding van habitats, met inbegrip van landbouw- en stedelijke habitats, en de vermindering van de effecten van pesticiden en invasieve uitheemse soorten.

07

Eind 2019 presenteerde de Commissie de Europese Green Deal8, een pakket maatregelen ter ondersteuning van de transitie van Europa naar duurzame ontwikkeling en koolstofneutraliteit tegen 2050. Hiermee wordt beoogd het natuurlijk kapitaal van de EU in stand te houden.

08

Nadat het publiek zich meer bewust was geworden van de daling van het aantal bestuivende insecten, lanceerden burgers in 2019 een Europees initiatief inzake de bescherming van bijen9. In het kader van dit initiatief werd de Commissie verzocht het gebruik van pesticiden in de EU-landbouw geleidelijk uit te faseren en landbouwers te steunen bij de overgang naar duurzame landbouwpraktijken. Volgens een stappenplan dat in januari 2020 werd gepubliceerd10, zien vooraanstaande wetenschappers de vermindering van het gebruik van pesticiden en de diversificatie van landschappen als instrumenten voor de instandhouding en het herstel van insectenpopulaties. Zij benadrukten de urgentie van de situatie en merkten op dat er voldoende informatie beschikbaar is betreffende enkele hoofdoorzaken van de daling van het aantal insecten om onverwijld oplossingen te formuleren.

Reikwijdte en aanpak van de controle

09

Wij hebben besloten een controle uit te voeren van het EU-optreden om de daling van het aantal wilde bestuivers aan te pakken gezien het toenemende belang van het probleem en rekening houdend met de mededeling van de Commissie over wilde bestuivers (zie paragraaf 06). We hebben ervoor gekozen de controle nu te verrichten om bij te dragen aan de voorbereiding en bespreking van de voor 2021 geplande lijst van acties ten behoeve van de nieuwe EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030, het evaluatiekader voor de strategische plannen van de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (strategische GLB-plannen) voor de periode 2022‑2027, en de herziening van de risicobeoordelingsmethode met betrekking tot de effecten van pesticiden op bijen.

10

Onze belangrijkste controlevraag luidde: “Heeft de Commissie de bescherming van wilde bestuivers in de EU consistent aangepakt?” Om deze vraag te beantwoorden, hebben wij onderzocht of de Commissie een kader voor wilde bestuivers heeft ingesteld waarmee:

  1. is bijgedragen tot het stopzetten van de daling van het aantal en de diversiteit van bestuivers;
  2. zij in staat was om ter bescherming van bestuivers maatregelen voor het behoud van de biodiversiteit en landbouwbeleidsmaategelen op elkaar af te stemmen;
  3. waarborgen voor bestuivers in de wetgeving inzake bestrijdingsmiddelen werden opgenomen en toegepast.
11

Tijdens onze controle hebben wij:

  • controle-informatie verzameld door middel van een analyse van de wetgeving, strategische documenten en richtsnoeren, en relevante evaluaties en verslagen;
  • vragenlijsten gestuurd naar en gesprekken gevoerd met personeel van vier directoraten van de Commissie (directoraat-generaal Milieu, directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling, directoraat-generaal Gezondheid en Voedselveiligheid, en directoraat-generaal Onderzoek en Innovatie) en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid;
  • een enquête gehouden onder vijf relevante Europese organisaties die producenten en niet-gouvernementele organisaties vertegenwoordigen (BirdLife, het Comité van professionele landbouworganisaties en de Algemene Confederatie van landbouwcoöperaties van de Europese Unie, de Europese gewasbeschermingsvereniging, Pollinis en Pan Europe) en wetenschappelijke deskundigen geraadpleegd om een goed begrip van de risico’s te verkrijgen en onze bevindingen te bevestigen.
12

Wij hebben onze werkzaamheden gericht op het behoud van de biodiversiteit, de landbouw en het gebruik van pesticiden (zie paragraaf 04). We hebben maatregelen uitgesloten die specifiek gericht zijn op de impact van milieuvervuiling en klimaatverandering of de beheersing van invasieve uitheemse soorten. Wij hebben ook maatregelen uitgesloten die de gezondheid van honingbijen en de bijenhouderij rechtstreeks aanpakken (zie figuur 3), aangezien deze uitsluitend betrekking hebben op gedomesticeerde bestuivers. We richtten ons op acties en maatregelen die door de Commissie waren uitgevoerd en wij hebben geen lidstaten bezocht of nationale maatregelen gecontroleerd. Deze controle vormt een aanvulling op en is verricht in coördinatie met onze werkzaamheden op het gebied van biodiversiteit op landbouwgrond, gewasbeschermingsmiddelen, Natura 2000 en klimaatverandering11. 

Opmerkingen

Het EU-kader voor wilde bestuivers heeft weinig impact gehad op de daling van het aantal bestuivers

13

Het EU-kader omvat de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020, een mededeling van de Commissie die is bekrachtigd door de Raad en het Parlement, en het initiatief inzake bestuivers, een mededeling van de Commissie. We onderzochten de invloed daarvan op de bescherming en instandhouding van wilde bestuivers.

De EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020 bevat geen specifieke acties voor wilde bestuivers

14

De EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020 heeft tot doel het biodiversiteitsverlies en de achteruitgang van ecosysteemdiensten in de EU tot staan te brengen. In 2011 stelde de Commissie de strategie voor de periode tot 2020 vast. Volgens de Commissie komen vier van de zes streefdoelen van de strategie indirect ten goede aan wilde bestuivers in de EU (zie tekstvak 1).

Tekstvak 1

De EU-biodiversiteitsstrategie voor 2011-2020

De EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020 omvat zes streefdoelen om het biodiversiteitsverlies en de achteruitgang van ecosysteemdiensten tot staan te brengen:

  1. De vogel- en de habitatrichtlijn volledig uitvoeren
  2. Ecosystemen en ecosysteemdiensten handhaven en verbeteren
  3. De bijdrage van de land- en bosbouw tot de biodiversiteit verhogen
  4. Zorgen voor duurzaam gebruik van visbestanden
  5. Invasieve uitheemse soorten bestrijden
  6. De bijdrage aan de aanpak van de mondiale biodiversiteitscrisis opvoeren

De Commissie acht de streefdoelen 1, 2, 3 en 5 bevorderlijk voor bestuivers en hun ecosysteemdiensten in de EU.

15

In de tussentijdse evaluatie van de strategie in 201512 werd geconcludeerd dat er sinds 2010 nog steeds sprake is van verder verlies aan biodiversiteit en verdere verslechtering van ecosysteemdiensten in de EU en werd vermeld dat bestuiving een van de meest aangetaste ecosysteemdiensten is, met name in bossen, heide, struikgewas en grasland. Met betrekking tot de vier streefdoelen die bevorderlijk worden geacht voor wilde bestuivers, werd in de evaluatie gemeld dat de uitvoering van streefdoel 5 op schema lag. Ten aanzien van de overige drie werd onvoldoende vooruitgang (de streefdoelen 1 en 2) of geen aanzienlijke vooruitgang (streefdoel 3) geboekt.

16

In zijn verslag van 2019 over de stand van het Europese milieu verklaarde het EEA dat negen van de dertien specifieke beleidsdoelstellingen voor 2020 op het gebied van de bescherming, het behoud en de verbetering van de Europese biodiversiteit en natuur in 2020 grotendeels niet op schema zullen liggen13. De negen doelstellingen omvatten de in de EU beschermde soorten en habitats, de gewone soorten (vogels en vlinders) en de toestand van het ecosysteem en de ecosysteemdiensten die in de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020 aan bod komen. De Commissie voert nu een evaluatie van de strategie uit en is voornemens het verslag eind 2020 te publiceren.

17

Wegens het ontbreken van gegevens voor andere insectensoorten kunnen monitoringgegevens die beschikbaar zijn voor vlinders informatie verschaffen over de staat van veel andere insecten in de EU. De EU-lidstaten verzamelen gegevens over 17 graslandvlindersoorten in het kader van de Europese monitoringregeling voor vlinders. Het Europees Milieuagentschap (EEA) gebruikt deze gegevens voor de berekening van de Europese graslandvlinderindex. Uit de index blijkt dat de populatie van gemonitorde vlinders sinds 1990 met 39 % is gedaald, wat wijst op een aanzienlijk afname, hoewel de situatie sinds 2013 lijkt te zijn gestabiliseerd (zie figuur 4).

Figuur 4

Graslandvlinderindex, 1990-2017

Bron: ERK, op basis van gegevens van het EEA.

Het initiatief inzake bestuivers heeft niet geleid tot wijzigingen in belangrijke beleidslijnen en maatregelen

18

In een mededeling van de Commissie over wilde bestuivers van 2018 erkende zij dat er behoefte is aan EU-optreden om de daling van het aantal wilde bestuivers aan te pakken (zie paragraaf 06). Het initiatief inzake bestuivers had voornamelijk tot doel de doelmatigheid van bestaande instrumenten, beleidslijnen en wetgeving op het gebied van milieu, pesticiden, landbouw, cohesie en onderzoek en innovatie te verhogen. Aangezien het initiatief inzake bestuivers een mededeling van de Commissie is, werd hiermee geen rechtskader vastgesteld voor de bescherming en het herstel van het bestand wilde bestuivende insecten in de EU, en heeft het niet tot de toewijzing van specifieke financiële middelen geleid.

19

Het initiatief inzake bestuivers was gericht op drie factoren die een rol spelen bij de daling van het aantal bestuivers, en omvatte specifieke acties daarvoor:

  • het verlies van habitats in stedelijke en agrarische gebieden;
  • het gebruik van pesticiden;
  • invasieve uitheemse soorten.

In de lijst van acties zijn geen maatregelen opgenomen voor andere directe bedreigingen die in het IPBES-verslag werden vastgesteld (zie figuur 5). Volgens de mededeling pakken andere specifieke EU-beleidslijnen en -acties die niet in het initiatief zijn opgenomen sommige van deze factoren aan (zoals klimaatverandering). Op bepaalde gebieden, zoals lichtvervuiling, kon de Commissie geen maatregelen voorstellen omdat destijds weinig onderzoek op dit gebied was verricht. De bedreiging die wordt veroorzaakt door ziekten van bestuivers is voornamelijk van belang voor gedomesticeerde bestuivers en werd daarom niet opgenomen.

Figuur 5

Factoren die een rol spelen bij de daling van het aantal bestuivers

Bron: ERK, op basis van IPBES en de Commissie.

20

Het initiatief inzake bestuivers omvatte 31 acties:

  • tien acties betreffende de verbetering van de kennis over bestuivers en de daling van hun aantal;
  • veertien acties die drie van de belangrijkste factoren aanpakken die een rol spelen bij de daling, en
  • zeven acties inzake bewustmaking van het publiek van deze kwestie.

Van de veertien voorgestelde acties om de belangrijkste factoren aan te pakken die een rol spelen bij de daling van het aantal bestuivers, waren er negen gericht op bestaande beleidslijnen en -maatregelen op het gebied van biodiversiteit en natuurbehoud, landbouw en pesticiden (acties 4A-4C, 5A-5C, 7A-7C). Deze acties hebben niet tot wijzigingen in deze beleidslijnen en maatregelen geleid. In sommige gevallen had de Commissie de actie al uitgevoerd voordat de lijst van acties werd gepubliceerd (zie tekstvak 2).

Tekstvak 2

Het initiatief inzake bestuivers heeft niet altijd geleid tot veranderingen in belangrijke beleidslijnen en maatregelen

  • Krachtens actie 4C moeten de lidstaten prioritaire maatregelen voor soorten en habitats van bestuivers vaststellen in de prioritaire actiekaders voor het beheer van Natura 2000-gebieden. De Commissie en de lidstaten ontwikkelden in 2018 het model 2021‑2027 voor deze kaders maar namen een dergelijk vereiste hierin niet op (zie paragraaf 29).
  • In het kader van actie 5C wordt de lidstaten verzocht te overwegen de bescherming van bestuivers in hun strategische GLB-plannen voor 2022‑2027 mee te nemen, en wordt de Commissie verzocht om in het prestatie- en monitoringkader van het GLB een indicator voor bestuivers op te nemen. De Commissie heeft in haar wetgevingsvoorstellen voor het GLB na 2020 die in juni 2018 werden gepubliceerd geen verwijzingen naar bestuivers opgenomen. De lidstaten bereiden momenteel strategische GLB-plannen voor zonder dat er richtsnoeren bestaan voor het meenemen van overwegingen met betrekking tot bestuivers.
  • In het kader van actie 7C moet de Commissie ieder buitenshuis gebruik van drie neonicotinoïden verbieden. Het verbod was al van kracht sinds mei 2018, vóór de publicatie van het initiatief inzake bestuivers. Het opnemen van deze actie in het plan had geen toegevoegde waarde.

Het initiatief inzake bestuivers voorziet niet in governance- en controlemechanismen

21

Het directoraat-generaal Milieu (DG Milieu) leidt de algemene uitvoering van het initiatief inzake bestuivers en is rechtstreeks verantwoordelijk voor 24 van de 31 acties. Het directoraat-generaal Gezondheid en Voedselveiligheid (DG Gezondheid en Voedselveiligheid) moet vier acties uitvoeren en de lidstaten de overige drie. Andere directoraten van de Commissie14 zijn co-leider of worden geraadpleegd.

22

De Commissie heeft een ambtenaar in DG Milieu aangewezen om zich voltijds bezig te houden met het initiatief inzake bestuivers. Zij schatte dat het personeel van DG SANTE dat betrokken is bij acties met betrekking tot de bescherming van bestuivers tegen het gebruik van pesticiden ook één voltijdequivalent bijdroeg. Wij constateerden dat de Commissie geen duidelijke rollen en verantwoordelijkheden had vastgesteld voor de betrokken directoraten van de Commissie. Ten tijde van onze controle had de Commissie noch follow-upvergaderingen met relevante belanghebbenden georganiseerd, noch monitoring- en verslagleggingsregelingen vastgesteld om de voortgang van de acties te evalueren. Er zijn geen streefdoelen of criteria vastgesteld om te beoordelen of de doelstellingen van de acties werden bereikt.

Biodiversiteits- en landbouwbeleid omvatten geen specifieke vereisten voor de bescherming van wilde bestuivers

23

We onderzochten de waarborgen voor wilde bestuivende insecten in de EU-maatregelen voor het behoud van de biodiversiteit en het GLB. Met betrekking tot het behoud van de biodiversiteit onderzochten we de habitatrichtlijn, met inbegrip van de monitoring van soorten in Natura 2000-gebieden. We hebben de belangrijkste GLB-maatregelen met milieudoelstellingen geanalyseerd, zowel de maatregelen die in de periode 2014‑2020 zijn uitgevoerd als de maatregelen die voor 2021‑2027 zijn voorgesteld.

De Commissie heeft sommige beschikbare opties in het kader van maatregelen voor het behoud van de biodiversiteit niet gebruikt

24

In 1964 introduceerde de Internationale Unie voor behoud van de natuur en de natuurlijke hulpbronnen (IUCN) de rode lijst van bedreigde soorten. Rode lijsten zijn inventarissen van de staat van instandhouding van biologische soorten. De Commissie financierde in 2010 het opstellen van een Europese rode lijst van vlinders en in 2014 een rode lijst van bijen15. Uit deze twee beoordelingen blijkt dat er in de EU ongeveer 1 900 bijensoorten en 421 vlindersoorten bestaan. Zo worden 659 bijensoorten ingedeeld als niet bedreigd en 6 als met uitsterven bedreigd. Er is echter geen informatie beschikbaar over de staat van instandhouding van 1 048 bijensoorten (zie figuur 6). Volgens de risicobeoordelingsprocedure van de IUCN vervallen rode lijsten na tien jaar en kunnen deze wegens het ontbreken van actualiseringen niet als indicatoren worden gebruikt van trends in de tijd. De Commissie heeft ons geïnformeerd dat zij voornemens is de twee rode lijsten bij te werken en nieuwe rode lijsten te publiceren voor zweefvliegen en motten.

Figuur 6

Staat van instandhouding van bijen en vlinders in de EU

Bron: ERK, op basis van de Europese rode lijsten voor bijen en vlinders.

25

De Commissie en de lidstaten voeren het EU-beleid voor het behoud van de biodiversiteit uit door middel van de habitat- en de vogelrichtlijn, ook wel de natuurrichtlijnen genoemd. Sinds 1992 is de habitatrichtlijn16 gericht op de bevordering van het behoud van zeldzame, bedreigde of endemische habitats, dier- en plantensoorten. De richtlijn omvat 56 soorten wilde bestuivende insecten; 42 hiervan zijn vlindersoorten en de rest zijn motten en kevers. Van de elf vlindersoorten die in de rode lijst worden aangemerkt als ernstig bedreigd en bedreigd in de EU (met uitzondering van Kroatië), worden vier soorten beschermd in het kader van de habitatrichtlijn. In de richtlijn zijn geen van de 52 ernstig bedreigde en bedreigde bijensoorten opgenomen, wat gevolgen heeft voor de beschikbare monitoring- en financieringsopties voor de bescherming van deze soorten.

26

Krachtens de habitatrichtlijn moeten de lidstaten de Commissie om de zes jaar verslag uitbrengen over de toepassing van de in het kader van de habitatrichtlijn17 genomen instandhoudingsmaatregelen, met inbegrip van informatie over de staat van instandhouding van de beschermde habitats en soorten. Door deze procedure is derhalve om de zes jaar informatie beschikbaar over de wilde bestuivende insecten die onder de richtlijn vallen. Het EEA verzamelt de door de lidstaten gerapporteerde gegevens en vat deze samen in het verslag over de stand van de natuur. Het meest recente verslag dat beschikbaar was ten tijde van onze controle, werd gepubliceerd in 201518 en bevatte geen verwijzingen naar de staat van instandhouding van beschermde vlinders, motten of kevers. In het verslag werd een onafhankelijke studie aangehaald over vlinders in zes landen en regio’s van de EU, die buiten de Natura 2000-gebieden was uitgevoerd en waarin werd geconcludeerd dat het aantal vlinders in beschermde gebieden even snel afneemt als het aantal vlinders buiten deze gebieden19. In het verslag werd ook vermeld dat Natura 2000-gebieden een positief effect hebben op de abondantie van specifieke soorten vlinders.

27

De Commissie ontwikkelt sinds 2008 EU-actieplannen voor geselecteerde soorten en habitats om de lidstaten te helpen bij de instandhouding daarvan. Zo heeft de Commissie in 2012 een EU-actieplan gepubliceerd voor een ernstig bedreigde vlindersoort — de bremvlinder — waarin specifieke acties voor de instandhouding en het herstel van het bestand werden vastgesteld die door de lidstaten op vrijwillige basis kunnen worden uitgevoerd. Wij constateerden dat het EU-actieplan geen impact had op de daling van het aantal van deze vlindersoort. In 2018 verkeerde de bremvlinder in de EU in een ongunstige staat van instandhouding (zie tekstvak 3).

Tekstvak 3

De bremvlinder (Colias myrmidone)

De bremvlinder is de enige ernstig bedreigde vlindersoort die is opgenomen in de habitatrichtlijn en de Europese rode lijst van vlinders. Sinds 2012 wordt in een specifiek EU-actieplan20 de daling van het aantal van deze vlindersoort aan de orde gesteld, naast de instandhoudings- en herstelmaatregelen die de lidstaten hebben opgenomen in het beheer van de Natura 2000-gebieden. De Commissie wijst geen specifieke financiële middelen aan de lidstaten toe voor de uitvoering van EU-actieplannen voor soorten.

Krachtens het actieplan moesten de lidstaten een reeks acties die in dit EU-plan zijn opgenomen en aanvullende specifieke monitoringregelingen voor de bremvlinder invoeren. Tot op heden heeft de Commissie de door de lidstaten uitgevoerde acties of hun specifieke monitoringregelingen niet beoordeeld.

Volgens de beschikbare gegevens over Natura 2000-gebieden bleef de staat van instandhouding van deze vlinder in 2018 in zeven van de elf lidstaten waar de vlinder volgens de gegevens voorkomt, gebrekkig of ongunstig. De staat in de andere vier lidstaten was onbekend21.

28

In oktober 2019 publiceerde de Commissie het eerste actieplan voor het behoud en herstel van een habitat: halfnatuurlijke kalkgraslanden en met struikgewas begroeid gebied. In het EU-actieplan werd erkend dat deze habitat van groot belang is voor wilde bestuiversoorten en het behoud van deze soorten werd in de algemene doelstellingen van het actieplan opgenomen. De Commissie heeft geen specifieke acties of maatregelen vastgesteld om deze doelstelling te bereiken en vermeldde geen vereisten inzake monitoring en evaluatie.

29

De meerjarige prioritaire actiekaders (PAK’s) zijn strategische planningsinstrumenten voor het beheer van Natura 2000-gebieden. De lidstaten beschrijven in de PAK´s hun behoeften op het gebied van biodiversiteit en natuurbehoud, maatregelen om deze aan te pakken en de financieringsvereisten. Volgens de habitatrichtlijn moeten de lidstaten, overeenkomstig het financieel kader van de Commissie, de Commissie om de zeven jaar geactualiseerde PAK’s toezenden. Volgens het initiatief inzake bestuivers, moeten de lidstaten maatregelen voor belangrijke bestuiverhabitats opnemen in de PAK’s. De Commissie en de lidstaten hebben het PAK-model voor 2021‑2027 in april 2018 gevalideerd zonder er vereisten inzake bestuivers aan toe te voegen.

30

Een van de doelstellingen van het financieringsinstrument van de EU voor het milieu en klimaatactie (LIFE) is bij te dragen tot de ontwikkeling en uitvoering van EU-beleid op het gebied van natuur en biodiversiteit, met inbegrip van het instandhouden en herstellen van populaties van soorten die in de habitatrichtlijn zijn opgenomen. De lidstaten en de Commissie cofinancieren specifieke projecten in het kader van het LIFE-programma22. Ongeveer een kwart van de LIFE-projecten is gericht op habitats. Vergeleken met andere benaderingen zal het volgens de Commissie over het algemeen waarschijnlijk doeltreffender en kostenefficiënter zijn om de instandhoudingsbehoeften van bestuivers via habitats aan te pakken. Aangezien deze projecten niet op bestuivers zijn gericht, monitort of beoordeelt de Commissie niet altijd de impact ervan op bestuiversoorten. Slechts 22 van de 5065 LIFE-projecten die in de periode 1992‑2018 werden gefinancierd, waren specifiek gericht op de bescherming en het herstel van bestuiverpopulaties en bestuivingsdiensten.

31

Sinds 2018 kunnen in het kader van het LIFE-programma projecten worden gefinancierd die gericht zijn op soorten die in de Europese of internationale rode lijsten als ernstig bedreigd of bedreigd zijn aangemerkt. Ten tijde van onze controle was geen enkel project gericht op de bescherming van bedreigde bijen en vlinders die niet in de habitatrichtlijn waren opgenomen.

Het GLB bevat geen specifieke wettelijke bepalingen voor wilde bestuivers

32

Bijna de helft van het grondgebied van de EU bestaat uit landbouwgrond. Het EEA heeft geconcludeerd dat het traditionele landbouwbedrijfsbeheer, dat een gunstige invloed had op een reeks landschappen, habitats en plant- en diersoorten, sinds de jaren 1950 plaats heeft gemaakt voor een snelle industrialisering van de landbouw die wordt gekenmerkt door een wijdverbreide intensivering van landbouwmethoden23. Intensieve landbouw speelt een rol bij de daling van het aantal bestuivers24. Ongeveer 38 % van de totale EU-begroting voor de periode 2014‑2020 is toegewezen aan de ondersteuning van de landbouw en het GLB heeft een grote invloed gehad op de vormgeving van de Europese landschappen en de natuur daarbinnen25. Verschillende instrumenten in het kader van het GLB voor 2014‑2020 zijn gericht op de bescherming en verbetering van de biodiversiteit (zie figuur 3), met name de randvoorwaarden, de betalingsregeling voor vergroening en de agromilieuklimaatmaatregelen. Er zijn echter geen specifieke wettelijke bepalingen ter bescherming van wilde bestuivers.

33

In het kader van de randvoorwaarden worden GLB-betalingen gekoppeld aan de naleving door landbouwers van basisvereisten (uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen — RBE’s — die van toepassing zijn op alle landbouwers, ongeacht of zij financiële middelen van de EU krijgen of niet) en de normen voor een goede landbouw- en milieuconditie (GLMC’s, die niet van toepassing zijn op landbouwers die onder de regelingen voor kleine landbouwers vallen)26. RBE’s betreffende het milieu vloeien voort uit wettelijke verplichtingen in de richtlijnen inzake natuurbehoud en water27. De GLMC’s moeten ervoor zorgen dat landbouwers de bodem, het water, landschapselementen, habitats en in het wild levende dieren op landbouwgrond beschermen. Zie tekstvak 4 voor onze recente beoordeling van de gevolgen van de randvoorwaarden voor de biodiversiteit van landbouwgrond.

Tekstvak 4

Speciaal verslag nr. 13/2020 — Biodiversiteit op landbouwgrond: met de bijdrage van het GLB is de achteruitgang niet tot staan gebracht

De RBE-component van de randvoorwaarden verschafte de landbouwers geen extra stimulansen om de biodiversiteit van landbouwgrond in stand te houden en te verbeteren, aangezien deze vereisten een herhaling zijn van de bestaande regels.

De GLMC-normen met betrekking tot de aanleg van bufferstroken langs waterlopen (GLMC 1), minimale bodembedekking (GLMC 4), grondbeheer om bodemerosie tegen te gaan (GLMC 5), handhaving van het gehalte aan organisch materiaal in de bodem (GLMC 6) en de instandhouding van landschapselementen (GLMC 7) hebben het grootste potentieel wat betreft de ondersteuning van landbouwbiodiversiteit, maar het wetgevingskader geeft de lidstaten een hoge mate van flexibiliteit om de inhoud ervan te bepalen. In de meeste gevallen controleren de betaalorganen tussen de 1 % en 2 % van de landbouwbedrijven waarop een specifieke GLMC-norm van toepassing is en leggen zij ongeveer 1 % van de gecontroleerde bedrijven sancties op.

In het verslag werd geconcludeerd dat bepaalde normen in het kader van de randvoorwaarden een aanzienlijke bijdrage aan de biodiversiteit zouden kunnen leveren, maar dat deze normen zwakke stimulansen bieden. Noch de Commissie noch de lidstaten hebben de impact van de randvoorwaarden op de biodiversiteit gemeten.

34

De Commissie voerde in 2013 de vergroeningsbetaling in om de milieuprestaties van het GLB te verbeteren door middel van drie landbouwpraktijken die landbouwers moeten toepassen: gewasdiversificatie (landbouwers met meer dan 10 hectaren bouwland), instandhouding van blijvend grasland of ecologische aandachtsgebieden (EAG’s — landbouwers met meer dan 15 hectaren bouwland). In 2017 publiceerde de ERK een verslag over vergroening28. In het verslag werd geconcludeerd dat de maatregel niet tot aanzienlijke wijzigingen in de beheerspraktijken leidde wegens de geringe vereisten van vergroening. Uit ons verslag over de biodiversiteit op landbouwgrond is verder gebleken dat de biodiversiteit weinig baat heeft bij vergroening (zie tekstvak 5).

Tekstvak 5

Speciaal verslag nr. 13/2020 — Biodiversiteit op landbouwgrond: met de bijdrage van het GLB is de achteruitgang niet tot staan gebracht

Het potentieel van ecologische aandachtsgebieden (EAG) om biodiversiteitsvoordelen te leveren, hangt af van de soorten EAG die worden toegepast en van de manier waarop de landbouwers deze beheren. De lidstaten en landbouwers gaven doorgaans de voorkeur aan opties met een geringe impact, zoals vang- of stikstofbindende gewassen.

Over het geheel genomen werd in het verslag geconcludeerd dat de biodiversiteit weinig baat heeft bij vergroening en dat vergroening weinig veranderingen in landbouwpraktijken teweeg heeft gebracht.

35

Volgens de evaluatie van de vergroeningsmaatregel die de Commissie in 2017 heeft gepubliceerd29, hebben de EAG’s het grootste potentieel om te voorzien in voedselbronnen en broedgebieden voor wilde bestuivers. Volgens het verslag zijn de EAG-soorten die het meest bevorderlijk zijn voor bestuivers de stikstofbindende gewassen, vanggewassen en bodembedekkers (afhankelijk van de landbouwpraktijken, zie paragraaf 36), braakland, landschapselementen (hagen, houtwallen en boomgroepen), akkerranden en bufferstroken. Zoals aanbevolen door het Parlement heeft de wetgever in 2018 twee nieuwe EAG-soorten geïntroduceerd die specifiek betrekking hebben op plantensoorten die bevorderlijk zijn voor bestuivers: braakliggend land met drachtplanten (planten die veel stuifmeel en nectar bevatten) en zonnekroon (Silphium perfoliatum)30.

36

In het GLB werden 13 EAG-opties31 vastgesteld waaruit de lidstaten konden kiezen. In 2018 kozen de meeste lidstaten voor vanggewassen en bodembedekkers, stikstofbindende gewassen en braakliggend land; deze zijn goed voor 96 % van de totale als EAG opgegeven landbouwgrond (zie figuur 7). Net als bij GLMC’s hangt de impact van deze EAG’s op bestuivers af van de door de lidstaten vastgestelde vereisten en voorwaarden betreffende het beheer (zoals locatie, maai- en oogstdata, en het gebruik van pesticiden en meststoffen). Zo biedt het maaien van vangstgewassen, bodembedekkers of stikstofbindende gewassen vóór of tijdens de bloei geen voordelen voor bestuivers. Volgens de evaluatie door de Commissie van de vergroeningsmaatregel vindt het maaien of omploegen van deze gewassen door landbouwers meestal plaats vóór de bloei. Bestuivers hebben baat bij braakliggend land wanneer dit met wilde bloemen wordt ingezaaid; het braak laten liggen van de bodem levert geen voordelen op. De Commissie heeft geen specifieke beheerseisen voor braakliggend land vastgesteld en de lidstaten verstrekken geen informatie over de wijze waarop landbouwers braakliggend land beheren.

37

In 2017 heeft de Commissie het gebruik van pesticiden in EAG’s met betrekking tot braakliggend land verboden, onder meer voor drachtplanten en zonnekroon, vanggewassen, groenbedekking en stikstofbindende gewassen32. Tenzij de lidstaten het gebruik van pesticiden voor andere EAG’s hebben beperkt, kunnen landbouwers bestrijdingsmiddelen toepassen op akkerranden, bufferstroken en andere niet-productieve landschapselementen.

Figuur 7

EAG-opties in de EU in 2018

Bron: ERK, op basis van informatie van de Commissie.

38

De lidstaten kunnen ook gebruikmaken van agromilieuklimaatmaatregelen om omstandigheden en habitats tot stand te brengen die gunstig zijn voor bestuivers. In het kader van agromilieuklimaatmaatregelen worden betalingen verricht aan landbouwers die vrijwillig milieuverbintenissen aangaan die vijf tot zeven jaar lopen en betrekking hebben op een breed scala aan milieukwesties. Volgens een recente evaluatie van de invloed van het GLB op de biodiversiteit33 zijn gerichte agromilieuklimaatmaatregelen, zoals het behoud van bestaande halfnatuurlijke habitats en landschapselementen, of het tot stand brengen van nieuwe habitats, de gunstigste GLB-maatregelen voor wilde bestuivers. Uit de evaluatie is ook gebleken dat de toepassing van deze maatregelen door de lidstaten en de landbouwers niet volstaat om het herstel van de populaties van wilde bestuivers te ondersteunen.

39

De wetgevingsvoorstellen voor het GLB voor de periode 2021‑2027 voorzien in conditionaliteit ter vervanging van de huidige vergroeningsvereisten en randvoorwaarden. In de voorstellen van de Commissie houdt conditionaliteit in dat de landbouwers die GLB-betalingen ontvangen, aan een reeks verplichtingen moeten voldoen. In de voorstellen wordt ook een nieuw systeem van regelingen voor klimaat en milieu geïntroduceerd (de ecoregelingen). De lidstaten moeten voor elke aan de landbouwers voorgestelde ecoregeling een lijst opstellen van in aanmerking komende landbouwpraktijken die gunstig zijn voor het klimaat en het milieu, in overeenstemming met een of meer van de specifieke milieudoelstellingen die zijn vastgesteld op EU-niveau. De ecoregelingen blijven vrijwillig voor de landbouwers. In de wetgevingsvoorstellen voor het GLB voor de periode 2021‑2027 heeft de Commissie geen ingrijpende wijzigingen voorgesteld ten aanzien van agromilieuklimaatmaatregelen (zie figuur 8).

Figuur 8

GLB-maatregelen die wilde bestuivers mogelijk ten goede komen in de huidige en volgende perioden

Bron: ERK, op basis van informatie van de Commissie.

40

In de voorstellen van de Commissie heeft de conditionaliteit geen betrekking op de productieve EAG’s (zoals vanggewassen, bodembedekkers en stikstofbindende gewassen) waarmee momenteel aan de vergroeningsvereisten kan worden voldaan, maar het vereiste van een minimumaandeel van niet-productieve oppervlakten en het vereiste inzake de instandhouding van landschapselementen blijven behouden. Daarnaast zouden de drempels voor de toepassing van de vergroeningsvereisten (zoals een minimum van 15 ha bouwland voor EAG’s) niet langer van toepassing zijn. De Commissie heeft voorgesteld dat de lidstaten elke GLMC in hun strategische GLB-plannen beschrijven, met inbegrip van een samenvatting van de landbouwpraktijken, het territoriale toepassingsgebied en het type landbouwers in kwestie. De Commissie zou verantwoordelijk zijn voor de controle van de opzet van GLMC’s en ecoregelingen in de strategische GLB-plannen van de lidstaten. Aangezien de Commissie de bescherming van bestuivers of bestuivingsdiensten niet heeft opgenomen in de doelstellingen van de ecoregelingen, is er geen garantie dat de lidstaten specifieke regelingen voor wilde bestuivers zullen vaststellen in hun strategische GLB-plannen.

De wetgeving inzake pesticiden bevatte waarborgen voor honingbijen, maar sommige worden niet toegepast

41

Wij hebben onderzocht of de Commissie bepalingen ter bescherming van wilde bestuivers had opgenomen in het wetgevingskader voor het gebruik van pesticiden in Europa. We zijn ook nagegaan of de Commissie het proces voor de beoordeling van de risico’s van pesticiden voor wilde bestuivers had geanalyseerd om tekortkomingen in het proces op te sporen, en of zij corrigerende maatregelen had genomen.

Krachtens de EU-wetgeving inzake gewasbeschermingsmiddelen moeten honingbijen worden beschermd

42

Pesticiden, die “gewasbeschermingsmiddelen” worden genoemd in de wetgeving, worden gebruikt om schadelijke organismen en ziekten te voorkomen, te vernietigen of te bestrijden. Deze worden gebruikt om planten en plantaardige producten vóór, tijdens en na de oogst te beschermen. Gewasbeschermingsmiddelen bestaan uit een of meer werkzame stoffen, die de effecten van het product veroorzaken.

43

Bestuivers worden veelvuldig blootgesteld aan gewasbeschermingsmiddelen. Gewasbeschermingsmiddelen kunnen een direct schadelijk effect op bestuivers hebben wanneer deze in rechtstreeks contact komen met spuitresidu op planten of verontreinigd stof, zich voeden met stuifmeel en nectar dat/die residuen van gewasbeschermingsmiddelen bevat, verontreinigd water drinken of aan verontreinigd materiaal worden blootgesteld in hun nesten. Gewasbeschermingsmiddelen kunnen ook een indirect schadelijk effect hebben. Zo verminderen herbiciden zowel de hoeveelheid als de diversiteit van bloemen, met een belangrijk negatief effect op het voedselaanbod voor bestuivers. Zij zijn afhankelijk van de aanwezigheid van diverse bloeiende soorten gedurende het hele deel van het jaar waarin zij actief zijn. Bestuivers kunnen afhankelijk zijn van specifieke bloeiende soorten, waaronder planten die geen andere waarde hebben voor landbouwers en bijgevolg als ongewenst onkruid worden behandeld. De effecten van gewasbeschermingsmiddelen op bestuivers zijn afhankelijk van de gebruikte producten, hoelang de producten in het milieu aanwezig blijven en waar, wanneer en hoe de producten worden gebruikt. In Figuur 9 wordt aangegeven hoe bestuivende insecten kunnen worden blootgesteld aan gewasbeschermingsmiddelen.

Figuur 9

Routes van blootstelling aan pesticiden voor bestuivers

Bron: ERK, op basis van informatie van de EFSA.

44

In 1991 werden bestuivers voor het eerst specifiek genoemd in EU-wetgeving inzake pesticiden34. Krachtens deze wetgeving moesten aanvragers informatie indienen over de (acute) toxiciteit op korte termijn van werkzame stoffen voor honingbijen en over de toxiciteit van gewasbeschermingsmiddelen buiten het laboratorium, onder veldomstandigheden. In 2009 heeft de wetgever de bescherming van honingbijen versterkt in de verordening betreffende gewasbeschermingsmiddelen35 door tests inzake kortstondige blootstelling aan te vullen met:

  • tests inzake (chronische) toxiciteit bij langdurige blootstelling;
  • tests inzake de subletale effecten op volwassen honingbijen en hun larven.

De verordening betreffende gewasbeschermingsmiddelen bevatte geen specifieke waarborgen voor wilde bestuiversoorten.

45

Alle gewasbeschermingsmiddelen zijn onderworpen aan een toelatingsprocedure in twee stappen. De Commissie keurt werkzame stoffen eerst goed op basis van wetenschappelijke beoordelingen. De lidstaten kunnen dan de verkoop en het gebruik op hun grondgebied toelaten van gewasbeschermingsmiddelen die een of meer goedgekeurde werkzame stoffen bevatten. Het besluit om een werkzame stof al dan niet goed te keuren, is gebaseerd op twee afzonderlijke stappen, zoals weergegeven in figuur 10.

Figuur 10

Proces voor de goedkeuring van werkzame stoffen

Bron: ERK, op basis van informatie van de Commissie.

De risicobeoordelingsprocedure voor honingbijen is momenteel niet afgestemd op wettelijke vereisten

46

De evaluatie- en besluitvormingscriteria voor werkzame stoffen en gewasbeschermingsmiddelen zijn vastgesteld op basis van gegevensvereisten36 en uniforme beginselen37. De Commissie verstrekt richtsnoeren aan aanvragers waarin wordt uiteengezet hoe de risico’s van het gebruik van werkzame stoffen en gewasbeschermingsmiddelen voor honingbijen moeten worden beoordeeld. De Commissie heeft de richtsnoeren vastgesteld in 200238.

47

Volgens deze richtsnoeren moeten aanvragers de risico’s van werkzame stoffen voor honingbijen alleen op basis van de acute toxiciteit daarvan beoordelen. In de richtsnoeren wordt geen rekening gehouden met de mogelijke effecten van chronische of herhaalde blootstelling van volwassen honingbijen aan deze stoffen, hoewel dit sinds 2009 is vereist voor alle werkzame stoffen en gewasbeschermingsmiddelen krachtens de verordening inzake gewasbeschermingsmiddelen. In tekstvak 6 is meer informatie opgenomen over de huidige risicobeoordelingscriteria.

Tekstvak 6

De huidige Europese risicobeoordelingsregeling voor het effect van gewasbeschermingsmiddelen op honingbijen

De Plantenbeschermingsorganisatie voor Europa en het gebied van de Middellandse Zee heeft de normen vastgesteld die momenteel worden gebruikt in de EU om de risico’s van gewasbeschermingsmiddelen voor bijen te beoordelen. Om vast te stellen of een gewasbeschermingsmiddel al dan niet toxisch is voor bijen, wordt het risiconiveau geschat door een gevarenquotiënt te berekenen.

Het gevarenquotiënt is de verhouding tussen de milieublootstelling van bijen aan een gewasbeschermingsmiddel en de (acute) toxiciteit op korte termijn van dat gewasbeschermingsmiddel. Als de waarde van het gevarenquotiënt lager is dan 50, wordt geconcludeerd dat er een laag risico voor bijen bestaat en zijn er geen verdere tests vereist. Als de waarde hoger is dan 50, moeten verdere tests worden uitgevoerd onder semiveld- of veldomstandigheden (“tests van een hoger niveau” genoemd). Er zijn geen drempelwaarden vastgesteld voor tests van een hoger niveau, en er is een oordeel van deskundigen nodig om de resultaten ervan te interpreteren. In de EU-risicobeoordelingsregeling voor het effect van gewasbeschermingsmiddelen op bijen wordt verwezen naar gedomesticeerde honingbijen. De bestudeerde blootstellingsroute is verstuiving, waardoor de regeling niet geschikt is voor gewasbeschermingsmiddelen die op de bodem of op zaden worden aangebracht (zoals neonicotinoïden).

48

In 2011 heeft de Commissie de EFSA verzocht een geactualiseerd document met richtsnoeren op te stellen over de beoordeling van de risico’s van gewasbeschermingsmiddelen voor bijen, in overeenstemming met de verordening betreffende gewasbeschermingsmiddelen. De EFSA heeft dit document in 2013 gepubliceerd39.

49

Het document met richtsnoeren van de EFSA van 2013 bevatte nieuwe vereisten voor tests inzake chronische en subletale toxiciteit op volwassen honingbijen en hun larven, zoals sinds 2009 vereist krachtens de verordening betreffende gewasbeschermingsmiddelen. In deze vereisten werd ook verwezen naar andere bijensoorten: de hommel en de solitaire bij. Het document omvatte nieuwe routes van blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen, zoals de blootstelling aan stofdeeltjes (met name relevant voor gewasbeschermingsmiddelen die bij de behandeling van zaden worden toegepast) en de consumptie van verontreinigde nectar en verontreinigd water (guttatievloeistof, oppervlaktewater en plassen). De richtsnoeren voorzagen ook in een uitbreiding en verfijning van de risicobeoordelingsregeling voor de blootstelling aan stuifmeel en nectar dat/die verontreinigd zijn door stoffen als gevolg van de ontbinding van gewasbeschermingsmiddelen in planten (metabolieten), aangezien sommige van deze stoffen toxischer kunnen zijn dan het gewasbeschermingsmiddel waarvan zij afkomstig zijn.

50

In de verordening betreffende gewasbeschermingsmiddelen zijn algemene doelstellingen voor de bescherming van honingbijen vastgesteld, maar geen specifieke criteria (zogenoemde specifieke beschermingsdoelstellingen) die moeten worden gehanteerd bij de beoordeling van testresultaten. Volgens de EFSA zijn specifieke beschermingsdoelstellingen van essentieel belang om een passende risicobeoordelingsregeling op te zetten. De EFSA heeft specifieke beschermingsdoelstellingen voor de drie betrokken bijensoorten (honingbijen, hommels en solitaire bijen) opgenomen in de richtsnoeren van 2013 inzake bijen. Volgens het document mag de omvang van kolonies honingbijen die aan gewasbeschermingsmiddelen zijn blootgesteld met niet meer dan 7 % verminderen (zie figuur 11 voor meer informatie), met bijkomende veiligheidsfactoren voor hommels en solitaire bijen.

Figuur 11

Vermindering in omvang van kolonies die wordt gebruikt voor de vaststelling van specifieke beschermingsdoelstellingen voor bijen in het document met richtsnoeren van de EFSA van 2013

Bron: ERK, op basis van bijlage A van het document met richtsnoeren inzake bijen van de EFSA van 2013.

51

In het document met richtsnoeren van de EFSA van 2013 werd aanbevolen de risico’s van gewasbeschermingsmiddelen voor bijen in stappen te beoordelen (een trapsgewijze aanpak), van eenvoudigere tests in het laboratorium (tests van niveau 1) naar complexere tests die buiten het laboratorium worden uitgevoerd (tests van een hoger niveau), onder semiveldomstandigheden (uitgevoerd met gebruikmaking van kooien en tunnels) en veldomstandigheden.

52

Sinds 2013 steunen 12 lidstaten het document met richtsnoeren van de EFSA van 2013, maar de andere lidstaten bleven zich verzetten tegen de goedkeuring ervan. De Commissie bespreekt ontwerp-uitvoeringswetgeving en -richtsnoeren inzake pesticiden met de lidstaten via een specifiek comité (in dit geval het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders — ScoPAFF). Het ScoPAFF heeft de richtsnoeren niet goedgekeurd op EU-niveau. Tijdens een bijeenkomst in Brussel in december 2013 werd geconcludeerd dat het document niet onmiddellijk volledig kon worden toegepast om drie belangrijke redenen:

  1. weinig voorgestelde aanvullende tests vielen onder beschikbare internationaal overeengekomen testmethoden;
  2. de specifieke beschermingsdoelstellingen voor honingbijen, hommels en solitaire bijen leidden tot besluitvormingscriteria die niet realistisch waren en op een zeer lage achtergrondsterfte waren gebaseerd;
  3. de voorgestelde methode voor de tests van een hoger niveau vereiste een groot aantal percelen en kolonies.
53

Van 2013 tot 2019 heeft de Commissie voorgesteld het document met richtsnoeren van 2013 zoals gepubliceerd door de EFSA geleidelijk toe te passen, zonder in te gaan op de drie door de lidstaten aan de orde gestelde punten. De meeste lidstaten bleven deze aanpak weigeren. In deze periode heeft de Commissie de EFSA niet verzocht deze punten nader te analyseren en een advies uit te brengen. Volgens de Commissie was dit voornamelijk te wijten aan lopende rechtszaken40 tegen de in 2013 ingestelde beperkingen van het gebruik van de drie neonicotinoïden (zie paragraaf 58). In maart 2019 heeft de Commissie de EFSA de opdracht gegeven om het document met richtsnoeren van 2013 te evalueren om te bepalen welke delen mogelijk moeten worden herzien. Normaal gezien loopt het evaluatieproces tot maart 2021. De Commissie heeft de EFSA onder meer gevraagd om bij deze evaluatie van het document met richtsnoeren van 2013:

  • de achtergrondsterfte bij bijen opnieuw te beoordelen;
  • de methodologie die wordt toegepast voor tests van een hoger niveau te toetsen aan de hand van realistische agromilieuomstandigheden.
54

De Commissie kon de eerste kwestie met betrekking tot de ontbrekende testmethoden niet oplossen. Sinds 2013 zijn internationaal overeengekomen testmethoden ontwikkeld, maar de Commissie heeft de aanvragers niet verzocht deze te gebruiken. Het document met richtsnoeren van 2013 omvatte ook tests waarvoor nog geen internationaal overeengekomen testmethoden bestaan (zie bijlage I). Landen kunnen internationaal overeengekomen testmethoden ontwikkelen in het kader van het relevante OESO-programma voor testrichtsnoeren, en drie lidstaten hebben dit ook daadwerkelijk gedaan. De Commissie kan ook projectvoorstellen indienen bij de OESO voor de ontwikkeling van nieuwe testmethoden, maar heeft dit niet gedaan. De reden hiervoor is dat de indienende instelling ook de ontwikkeling van de testmethoden moet leiden, waarvoor een hoog niveau van technische expertise is vereist. De Commissie heeft ons meegedeeld dat zij niet over de expertise beschikt om een dergelijke rol op zich te nemen.

55

In 2018 heeft de wetenschappelijke groep die advies verstrekt aan de Commissie aanbevolen om beschermingsdoelstellingen voor het milieu vast te stellen, in de context van het vereiste in de verordening betreffende gewasbeschermingsmiddelen dat deze geen onaanvaardbare effecten op het milieu mogen hebben. De Commissie is in 2018 begonnen met dit proces. De wetenschappelijke groep heeft niet aanbevolen om specifieke beschermingsdoelstellingen voor honingbijen of andere wilde bestuivers vast te stellen, maar volgens de Commissie zullen bijen in aanmerking worden genomen in het proces. De Commissie kon ons niet meedelen of het proces tot specifieke beschermingsdoelstellingen voor wilde bijensoorten zal leiden.

56

In agrarische en stedelijke landschappen worden bestuivers doorgaans aan meerdere pesticiden blootgesteld (bijvoorbeeld een combinatie van insecticiden, fungiciden en herbiciden). Aangezien landbouwers meerdere behandelingen kunnen gebruiken voor hetzelfde gewas, worden bestuivers die op dat gewas landen, blootgesteld aan een combinatie van gewasbeschermingsmiddelen (en werkzame stoffen). Het document met richtsnoeren van 2013 bevatte een voorstel voor de beoordeling van de toxiciteit voor bijen van gewasbeschermingsmiddelen die meer dan één werkzame stof bevatten. Aangezien de lidstaten deze richtsnoeren niet hebben goedgekeurd, zijn de tests niet opgenomen in de huidige risicobeoordelingsregeling. Begin 2020 is de EFSA begonnen met de ontwikkeling van een methodologie voor de beoordeling van de effecten van de combinatie van meer dan één werkzame stof op honingbijen (cumulatieve en synergetische effecten).

Het EU-kader bood de lidstaten de mogelijkheid om noodtoelatingen te blijven verlenen voor verboden gewasbeschermingsmiddelen die schadelijk zijn voor bestuivers

57

Neonicotinoïden zijn een klasse van pesticiden die van invloed zijn op het zenuwstelsel van insecten. Sinds de invoering ervan begin jaren 90 wordt er veelvuldig gebruikgemaakt van neonicotinoïden om gewassen te beschermen, meestal om zaden te behandelen voordat deze worden geplant. Neonicotinoïden zijn systemische pesticiden, wat betekent dat zij worden geabsorbeerd door de plant en gedurende de levensduur ervan in het weefsel van de plant circuleren. Sinds 2005 heeft de Commissie het gebruik van vijf neonicotinoïden in de EU goedgekeurd (zie figuur 12).

Figuur 12

Tijdschema voor de goedkeuring van de vijf neonicotinoïden

Bron: ERK, op basis van informatie van de Commissie.

58

Naar aanleiding van verschillende meldingen over de massale terugloop van honingbijen die wordt toegeschreven aan het gebruik van imidacloprid, thiamethoxam en clothianidin, heeft de Commissie in 2013 het gebruik van de drie neonicotinoïden beperkt tot kassen, wintergewassen en gewassen die niet aantrekkelijk voor bijen worden geacht41. In april 2018 heeft de Commissie het verbod uitgebreid naar alle toepassingen in open lucht van de drie stoffen42.

59

De verordening betreffende gewasbeschermingsmiddelen biedt de lidstaten de mogelijkheid om de standaardprocedure te omzeilen en noodtoelatingen te verlenen voor gewasbeschermingsmiddelen die niet zijn toegelaten op hun grondgebied, indien plaagorganismen een gevaar vormen dat op geen enkele andere redelijke manier kan worden beheerst. Tussen 2013 en 2019 verleenden de lidstaten 206 noodtoelatingen voor de drie neonicotinoïden waarvoor beperkingen gelden (zie figuur 13). Het aantal landen dat toelatingen verleent en het aantal verleende toelatingen steeg voortdurend tot 2017. Ondanks het totaalverbod op het gebruik in open lucht in de EU hebben 15 lidstaten het gebruik van de drie neonicotinoïden in 2018 toegelaten voor specifieke toepassingen en hebben 10 lidstaten het gebruik ervan toegestaan in 2019. Eind 2019 hadden zes lidstaten de Commissie reeds in kennis gesteld van 13 noodtoelatingen die in de eerste helft van 2020 van toepassing zouden zijn.

Figuur 13

Tussen 2013 en 2019 verleende noodtoelatingen voor het gebruik van neonicotinoïden

Bron: ERK, op basis van gegevens van de Commissie die op 24 januari 2020 uit het PPPAMS-systeem zijn geëxtraheerd. Het jaar komt overeen met het jaar waarin de noodtoelating werd verleend (en niet waarin deze in werking trad).

60

Wanneer de lidstaten noodtoelatingen verlenen, moeten zij de Commissie daarvan in kennis stellen. De kennisgevingstemplate bevat rubrieken waarin wordt gevraagd om informatie over de door de lidstaat uitgevoerde onderzoeksactiviteiten voor alle categorieën van gevaren die de noodsituatie staven. Wanneer de lidstaat opnieuw een toelating verleent in de volgende periode, moet deze ook aangeven welke vooruitgang is geboekt met deze onderzoeksactiviteiten. In 2018 en 2019 hebben de lidstaten 73 kennisgevingen verstuurd naar de Commissie. In 43 kennisgevingen was geen informatie opgenomen over onderzoeksactiviteiten die werden verricht om alternatieven te vinden. Van de 30 kennisgevingen waarin informatie werd verstrekt over alternatieven, verwezen er 11 naar projecten in het kader waarvan de impact van deze neonicotinoïden op bijen wordt gemonitord.

61

In 2017 heeft de EFSA op verzoek van de Commissie een analyse gemaakt van de noodtoelatingen die in datzelfde jaar zijn verleend door Bulgarije, Estland, Finland, Hongarije, Letland, Litouwen en Roemenië. De EFSA concludeerde dat vier lidstaten geschikte chemische of niet-chemische alternatieven (zoals vruchtwisseling of bodembewerking) hadden kunnen gebruiken, of het gevaar niet wetenschappelijk konden onderbouwen. In 2018 heeft de Commissie Bulgarije, Hongarije, Litouwen en Roemenië verzocht geen toelatingen meer te verlenen voor specifieke gewasbeschermingsmiddelen die imidacloprid, thiamethoxam en clothianidin bevatten. Litouwen en Roemenië bleven in 2018 en 2019 noodtoelatingen verlenen voor gevallen waarin geschikte alternatieven beschikbaar waren. Op 3 februari 2020 heeft de Commissie Litouwen en Roemenië wettelijk verplicht geen noodtoelatingen meer te verlenen voor het gebruik waarvoor de EFSA beschikbare alternatieven had gevonden43.

62

Doorgaans verlenen lidstaten noodtoelatingen omdat zij van mening zijn dat er geen geschikte alternatieven zijn om hun gewassen te beschermen. Landbouwers in de EU gebruikten neonicotinoïden voornamelijk voor zaadbehandelingen bij belangrijke gewassen zoals maïs, zonnebloemen, koolzaad en bieten. Ten tijde van het gedeeltelijke verbod in 2013 had de Commissie geen onderzoeksprojecten opgestart die op alternatieve oplossingen waren gericht, zoals pesticiden met een laag risico of alternatieve methoden. In 2019 heeft de Commissie twee onderzoekprojecten opgenomen in haar werkprogramma voor het Horizon 2020-instrument.

63

Praktijken van geïntegreerde gewasbescherming (integrated pest management — IPM) kunnen helpen het gebruik van neonicotinoïden in de EU terug te dringen. Volgens de beginselen van IPM moeten landbouwers alle andere beschikbare preventieve en niet-chemische alternatieven voor plaagbestrijding in overweging nemen voordat zij gebruikmaken van chemische gewasbeschermingsmiddelen. IPM is verplicht sinds 200944, maar uit het speciaal verslag van de ERK over het duurzame gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is gebleken dat de EU weinig vooruitgang had geboekt bij het bevorderen van het gebruik ervan (zie tekstvak 7).

Tekstvak 7

Speciaal verslag nr. 05/2020 — Duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen: beperkte vooruitgang bij het meten en beperken van de risico’s

Volgens de EU-regels moeten landbouwers IPM toepassen. Bij de toepassing van IPM mogen landbouwers alleen gebruikmaken van chemische gewasbeschermingsmiddelen indien dit nodig is nadat alle preventieve, fysische, biologische of andere niet-chemische plaagbestrijdingsmethoden zijn uitgeput.

De conclusie van de controle luidde dat de handhaving van IPM in de EU tot dusver ontoereikend was geweest en dat de Commissie en de lidstaten meer hadden kunnen doen om de risico’s van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te beperken. De Commissie is niet nagegaan of de lidstaten de richtlijn inzake het duurzame gebruik van pesticiden volledig en correct hebben omgezet in nationale wetgeving. Aangezien er geen duidelijke criteria zijn voor de wijze waarop gebruikers de algemene beginselen van IPM zouden moeten toepassen of de autoriteiten de naleving zouden moeten beoordelen, zijn er weinig lidstaten die de toepassing van de IPM-beginselen controleren.

De lidstaten verzamelen om de vijf jaar statistieken over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de landbouw voor geselecteerde gewassen en verstrekken de gegevens voor elke werkzame stof aan Eurostat. Door de strikte vertrouwelijkheidsregels die van toepassing zijn op gewasbeschermingsmiddelen kan Eurostat de beschikbare gegevens voor afzonderlijke werkzame stoffen niet publiceren en zelfs niet delen met andere directoraten van de Commissie.

64

Nadat het gebruik van imidacloprid, thiamethoxam en clothianidin werd beperkt, maakten landbouwers meer gebruik van thiacloprid45. In januari 2020 heeft de Commissie een uitvoeringsverordening vastgesteld tot het niet verlengen van de goedkeuring voor het gebruik van thiacloprid in de EU vanwege bezorgdheid over de impact ervan op het grondwater en de menselijke gezondheid. In haar verslag over thiacloprid concludeerde de EFSA dat de beoordeling van de risico’s voor bijen niet definitief kon worden afgerond op basis van de door de aanvrager verstrekte informatie46.

Conclusies en aanbevelingen

65

We hebben onderzocht of de Commissie de bescherming van wilde bestuivers in de EU consistent heeft aangepakt. Over het algemeen constateerden wij dat dit niet het geval was. We stelden hiaten vast in de belangrijkste EU-beleidslijnen voor de aanpak van de voornaamste bedreigingen voor wilde bestuivers en constateerden dat het initiatief inzake bestuivers niet voorziet in de instrumenten en mechanismen om deze aan te pakken.

66

Het initiatief inzake bestuivers is een stap op weg naar de bescherming van wilde bestuivers in de EU, maar voorziet niet in governance- en controlemechanismen om de voornaamste vastgestelde bedreigingen aan te pakken (zie de paragrafen 18-22). De EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020 bevat geen specifieke acties om de daling van wilde bestuivers aan te pakken. Om de nieuwe strategie voor 2030 praktisch vorm te geven, is de Commissie van plan om in 2021 follow-upacties en -maatregelen uit te brengen (zie de paragrafen 14-17).

Aanbeveling 1 — Ga na of er specifieke maatregelen voor wilde bestuivers nodig zijn

De Commissie moet:

  1. nagaan of er onder de follow-upacties en -maatregelen voor de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 acties moeten worden toegevoegd om de bedreigingen aan te pakken die momenteel niet in aanmerking worden genomen in het initiatief inzake bestuivers;
  2. passende governance- en monitoringmechanismen opzetten voor deze acties en maatregelen en daarbij duidelijke verantwoordelijkheden toewijzen aan de diensten van de Commissie die betrokken zijn bij beleidsterreinen die relevant zijn voor wilde bestuivers.

Tijdpad: 2023

67

De habitatrichtlijn heeft tot doel de in de bijbehorende bijlagen opgenomen soorten te beschermen en te herstellen. De richtlijn bestrijkt echter een beperkt aantal wilde bestuivers en biedt geen bescherming voor bijen- of zweefvliegsoorten. De strategische beheerplannen voor Natura 2000-gebieden bevatten geen specifieke vereisten voor bestuivers. In het kader van het LIFE-programma kan financiering worden verstrekt aan projecten die gericht zijn op de instandhouding van soorten met de status “bedreigd” of erger in de Europese rode lijsten, maar die niet onder de habitatrichtlijn vallen. Ten tijde van de controle had de Commissie dergelijke projecten niet geregistreerd (zie de paragrafen 24-31).

68

Het huidige GLB bevat geen specifieke maatregelen ter bescherming van wilde bestuivers. De voorstellen voor het GLB voor de periode 2021‑2027 bieden de lidstaten meer flexibiliteit bij de uitvoering van maatregelen die gunstig zijn voor het milieu en vereisen dat de Commissie de milieuambities van de lidstaten beoordeelt bij de goedkeuring van hun strategische GLB-plannen (zie de paragrafen 32-40).

Aanbeveling 2 — Verbeter de integratie van acties ter bescherming van wilde bestuivers in EU-beleidsinstrumenten voor de instandhouding van de biodiversiteit en de landbouw

De Commissie moet:

  1. verifiëren of de instrumenten voor strategische planning voor het beheer van Natura 2000-gebieden (PAK’s) vereisten omvatten voor de bescherming van wilde bestuivers, en de door de lidstaten voorgestelde relevante maatregelen in de PAK’s beoordelen;
  2. beoordelen welke beheerspraktijken voor maatregelen in het kader van het GLB 2014‑2020 positieve en negatieve effecten op wilde bestuivers hadden;
  3. bij de controle van de strategische GLB-plannen verifiëren of de lidstaten waar nodig beheerspraktijken die een significant en positief effect hebben op wilde bestuivers hebben opgenomen in de conditionaliteit, de ecoregelingen en de agromilieuklimaatmaatregelen op het gebied van plattelandsontwikkeling.

Tijdpad: 2023

69

Sinds 2009 bevat de wetgeving inzake gewasbeschermingsmiddelen aanvullende waarborgen ter bescherming van honingbijen. De risicobeoordelingsregeling die momenteel wordt gebruikt voor de goedkeuring van werkzame stoffen in de EU is gebaseerd op richtsnoeren van 2002 en houdt geen rekening met de waarborgen in meer recente wetgeving inzake gewasbeschermingsmiddelen, en ook niet met wetenschappelijke kennis die later is verworven. De afgelopen zeven jaar is de Commissie er niet in geslaagd de nodige steun van de lidstaten te krijgen om het document met richtsnoeren te actualiseren. Het EU-kader bood de lidstaten de mogelijkheid om noodtoelatingen te blijven verlenen voor verboden gewasbeschermingsmiddelen die schadelijk zijn voor bestuivers (zie de paragrafen 42-64).

Aanbeveling 3 — Zorg voor een betere bescherming van wilde bestuivers in het risicobeoordelingsproces voor pesticiden

De Commissie moet:

  1. voorstellen om uitvoeringsverordeningen inzake gewasbeschermingsmiddelen te wijzigen of in te voeren, teneinde:
    • i) waarborgen op te nemen voor een representatieve reeks van wilde bestuiversoorten die vergelijkbaar zijn met die voor honingbijen;
    • ii) te vereisen dat de lidstaten de verleende noodtoelatingen naar behoren rechtvaardigen, met inbegrip van specifieke informatie over de activiteiten die zijn uitgevoerd om alternatieve oplossingen te vinden en de resultaten daarvan;
  2. samen met de lidstaten een werkplan opstellen voor de ontwikkeling van testmethoden die op wilde bestuivers zijn gericht, en specifieke beschermingsdoelstellingen voor wilde bestuivers vaststellen.

Tijdpad: 2022

Dit verslag werd door kamer I onder leiding van de heer Samo Jereb, lid van de Rekenkamer, te Luxemburg vastgesteld op haar vergadering van 17 juni 2020.

Voor de Rekenkamer

Klaus-Heiner Lehne
President

Bijlage

Bijlage I — Toxiciteitstests voor bestuivers zoals vereist in documenten met richtsnoeren

De twee onderstaande tabellen geven de testvereisten weer die zijn opgenomen in de documenten met richtsnoeren van de EU waarin wordt uiteengezet hoe aanvragers de effecten van werkzame stoffen en gewasbeschermingsmiddelen op bestuivers moeten aantonen. De eerste tabel is op de huidige testvereisten gericht, in overeenstemming met het document met richtsnoeren van 2002 voor honingbijen. De tweede tabel is op de testvereisten gericht die de EFSA heeft aanbevolen in het document met richtsnoeren van 2013 voor bijen (honingbijen, hommels en solitaire bijen), dat nooit is goedgekeurd.

Document met richtsnoeren van 2002 — Testvereisten en beschikbare internationaal overeengekomen testmethoden

Document met richtsnoeren van 2002
Vereiste tests Honingbijen Hommels Solitaire bijen
Acute orale toxiciteit
  • Vereist afhankelijk van de blootstellingsroute.
  • Beschikbare gevalideerde testmethoden:
— OESO-test nr. 213 (1998)
— EPPO 170
  • Niet vereist
  • Niet vereist
Acute contacttoxiciteit
  • Vereist afhankelijk van de blootstellingsroute.
  • Beschikbare gevalideerde testmethoden:
— OESO 214 (1998)
  • Niet vereist
  • Niet vereist
Voedingsproef met bijenbroed
  • Vereist voor insectengroeiregulatoren.
  • Aanbevolen testmethode:
— Omen et al. (1992)
  • Niet vereist
  • Niet vereist
Tests van een hoger niveau
  • Vereist afhankelijk van de resultaten van standaardlaboratoriumtests.
  • Beschikbare gevalideerde testmethode:
— EPPO 170
  • Niet vereist
  • Niet vereist

Document met richtsnoeren van de EFSA van 2013 — Testvereisten en beschikbare internationaal overeengekomen testmethoden

Document met richtsnoeren van de EFSA van 2013
Vereiste tests Honingbijen Hommels Solitaire bijen
Acute orale toxiciteit
  • Altijd vereist (verstuiving en vaste producten).
  • Beschikbare gevalideerde testmethoden:
— OESO-test nr. 213 (1998)
— EPPO 170
  • Vereist. Geen gevalideerde testmethode beschikbaar, maar de testprocedure is beschreven.
  • In de richtsnoeren werd de toepassing van OESO 213 en EPPO 170 niet volledig geschikt geacht.
Sindsdien ontwikkeld:
  • OESO 247 (2017)
  • Vereist. Geen gevalideerde testmethode beschikbaar.
  • In de richtsnoeren is een testprocedure beschreven. In de richtsnoeren werd de toepassing van OESO 213 en EPPO 170 niet volledig geschikt geacht.
Sindsdien ontwikkeld:
  • Ringtest ICPPR
Acute contacttoxiciteit
  • Vereist, indien waarschijnlijk (aanbrengen via verstuiving en vaste producten).
  • Beschikbare gevalideerde testmethode:
— OESO-test nr. 214 (1998)
  • Vereist. Geen gevalideerde testmethode beschikbaar.
  • In de richtsnoeren werd de toepassing van OESO 214 geschikt geacht en werd dezelfde testprocedure als voor orale toxiciteit aanbevolen.
Sindsdien ontwikkeld:
  • OESO 246 (2017)
  • Vereist. Geen gevalideerde testmethode beschikbaar.
  • In de richtsnoeren werd de toepassing van OESO 214 geschikt geacht en werd dezelfde testprocedure als voor orale toxiciteit aanbevolen.
Sindsdien ontwikkeld:
  • Ringtest ICPPR
Werk in uitvoering:
  • OESO-project 2.65: Nieuwe testrichtsnoeren voor de test inzake acute contacttoxiciteit voor de solitaire metselbij (Osmia spp.) — goedkeuring verwacht in tweede kwartaal van 2021. (project geleid door Zwitserland)
Chronische toxiciteit
  • Vereist. Geen gevalideerde testmethode beschikbaar.
  • In de richtsnoeren werd voorgesteld tests inzake chronische orale toxiciteit uit te voeren op basis van informatie van Decourye et al. (2005), (Suchil et al., 2001), Thompson H. (Food and Environment Research Agency, persoonlijke communicatie, 2012) en CEB (2012).
Sindsdien ontwikkeld:
  • OESO-test nr. 245 (2017)
  • Vereist. Geen gevalideerde testmethode beschikbaar.
  • In de richtsnoeren werd aanbevolen gebruik te maken van de eindpunten die worden verkregen bij de tests op honingbijen totdat er een internationaal overeengekomen en goedgekeurd richtsnoer beschikbaar is voor deze tests.
  • Vereist. Geen gevalideerde testmethode beschikbaar.
  • In de richtsnoeren werd aanbevolen gebruik te maken van de eindpunten die worden verkregen bij de tests op honingbijen totdat er een internationaal overeengekomen en goedgekeurd richtsnoer beschikbaar is voor deze tests.
Effecten op de ontwikkeling van bijen en andere levensfasen van bijen (Toxiciteit voor larven)
  • Vereist. Geen gevalideerde testmethode beschikbaar.
  • In de richtsnoeren werd aanbevolen een studie naar de chronische toxiciteit voor larven uit te voeren op basis van de ontwerprichtsnoeren van de OESO voor tests inzake de toxiciteit voor larven (OESO-test nr. 237).
Sindsdien ontwikkeld:
  • OESO-test nr. 237 (2013);
  • Document met richtsnoeren nr. 239 van de OESO (2016)
  • Vereist. Geen gevalideerde testmethode beschikbaar.
  • In de richtsnoeren werd aanbevolen gebruik te maken van de eindpunten die worden verkregen bij de tests op honingbijen totdat er een internationaal overeengekomen en goedgekeurd richtsnoer beschikbaar is voor deze tests.
  • Volgens een in 2018 gepubliceerde studie van het Europees Parlement47 zijn er problemen met de technische haalbaarheid van dergelijke testmethoden.
  • Vereist. Geen gevalideerde testmethode beschikbaar.
  • In de richtsnoeren werd aanbevolen gebruik te maken van de eindpunten die worden verkregen bij de tests op honingbijen totdat er een internationaal overeengekomen en goedgekeurd richtsnoer beschikbaar is voor deze tests. In de richtsnoeren werd ook belang gehecht aan het uitvoeren van tests inzake orale toxiciteit op larven van solitaire bijen in het geval van tests van niveau 2 en werd een testprocedure voorgesteld.
  • Volgens een in 2018 gepubliceerde studie van het Europees Parlement zijn er problemen met de technische haalbaarheid van dergelijke testmethoden.
Subletale effecten
  • Vereist, met name de test inzake de ontwikkeling van de hypofarynxklieren. Geen gevalideerde testmethode beschikbaar.
  • In de richtsnoeren werd vermeld dat het op dat moment niet mogelijk was de subletale effecten in overweging te nemen in de risicobeoordelingsregelingen en werd de in de ontwerpversie opgenomen studie inzake de terugkeer naar de bijenkast niet aanbevolen. In de richtsnoeren werd aanbevolen de risicobeoordeling te richten op acute en chronische effecten op volwassen bijen en larven.
Werk in uitvoering:
  • OESO-project 2.60: Testrichtsnoer: Test inzake het terugvliegen naar de bijenkast op honingbijen (Apis mellifera L.) na eenmalige blootstelling aan subletale doses. Eerste ontwerp van de testrichtsnoeren verwacht in het vierde kwartaal van 2019 (project geleid door Frankrijk).
  • Vereist. Geen gevalideerde testmethode beschikbaar.
  • In de richtsnoeren werd niet ingegaan op tests inzake subletale effecten in bijlage P “Test protocols for bumble bees”.
  • Vereist. Geen gevalideerde testmethode beschikbaar.
  • In de richtsnoeren werd niet ingegaan op tests inzake subletale effecten in bijlage Q “Test protocols for solitary bees (Osmia cornuta and Osmia Bicornis = O. Rufa)”.
Hoger niveau (kooi, tunnel, veld)
  • Vereist onder voorwaarden. Er is geen gevalideerde testmethode beschikbaar voor volwassen honingbijen. Beschikbare methoden voor larven.
  • Voor tests onder semiveld- en veldomstandigheden werd in de richtsnoeren een aantal methoden aanbevolen om deze tests uit te voeren totdat er internationaal overeengekomen en goedgekeurde richtsnoeren beschikbaar zijn. In geval van bezorgdheid over mogelijke effecten op larven werd in de richtsnoeren voorgesteld gebruik te maken van twee bestaande methoden:
— OESO 75 (2007)
— De Omen-testmethode (1992)
  • Vereist onder voorwaarden. Geen gevalideerde testmethode beschikbaar.
  • In de richtsnoeren werd gesteld dat de OESO-methodologie voor honingbijen onder semiveldomstandigheden in voor insecten ondoordringbare tunnels gemakkelijk kon worden aangepast aan hommels. Wat veldonderzoek betreft, moet een combinatie van veld- en laboratoriumonderzoek worden gebruikt zolang deze nieuwe methode niet beschikbaar en gevalideerd is. Wat de combinatie van veld- en laboratoriumonderzoek betreft, werd in de richtsnoeren aanbevolen de protocollen te gebruiken die zijn voorgesteld door Whitehorn et al. (2012) en Gill et al. (2012).
  • Vereist onder voorwaarden. Geen gevalideerde testmethode beschikbaar.
  • Voor tests onder semiveldomstandigheden werden in de richtsnoeren enkele gepubliceerde testmethoden genoemd en werd een testprocedure beschreven. In de richtsnoeren werd vermeld dat veldonderzoek geschikt kan zijn om subletale effecten te bestuderen. Aangezien er geen protocol beschikbaar is voor Osmia, werd een aangepaste versie van een protocol uit een studie van 1983 over de luzernebehangersbij voorgesteld.
 

Bron: ERK, op basis van het document met richtsnoeren van 2013 van de EFSA en informatie van de OESO en het Europees Parlement.

Acroniemen en afkortingen

EAG’s: ecologische aandachtsgebieden

EEA: Europees Milieuagentschap (European Environment Agency)

EFSA: Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (European Food Safety Authority)

EIP: Europees innovatiepartnerschap

EU: Europese Unie

GLB: gemeenschappelijk landbouwbeleid

GLMC’s: goede landbouw- en milieucondities

IPBES: intergouvernementeel platform voor wetenschap en beleid inzake biodiversiteit en ecosysteemdiensten (Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services)

IPM: geïntegreerde gewasbescherming (Integrated Pest Management)

IUCN: Internationale Unie voor behoud van de natuur en de natuurlijke hulpbronnen (International Union for Conservation of Nature)

KP7: zevende kaderprogramma voor onderzoek en innovatie

PAK’s: prioritaire actiekaders

RBE’s: uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen

ScoPAFF: Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders (Standing Committee on Plants, Animals, Food and Feed)

Woordenlijst

Achtergrondsterfte: normaal sterftecijfer ongeacht de oorzaak.

Beheerspraktijken: een reeks landbouwpraktijken die worden gebruikt om de groei, ontwikkeling en opbrengst van landbouwgewassen te verbeteren. Deze omvatten waterbeheer, bodembewerking, grondvoorbereiding, kalkbemesting, controle van de zuurtegraad, gebruik van meststoffen en gewasbescherming.

Biodiversiteit: de variabiliteit onder levende organismen van allerlei herkomst, met inbegrip van onder meer terrestrische, mariene en andere aquatische ecosystemen en de ecologische complexen waarvan zij deel uitmaken; dit omvat diversiteit binnen soorten, tussen soorten en van ecosystemen.

Blootstellingsroute: manieren waarop levende organismen in contact kunnen komen met een gevaarlijke stof.

Braakland: bouwland dat minstens één jaar niet wordt bewerkt.

Bufferstroken: in de landbouw, een stuk land met permanente vegetatie dat bijdraagt tot de beheersing van milieuproblemen, onder meer op het gebied van de bodem en de waterkwaliteit.

Chemische stoffen: in het verslag, chemische gewasbeschermingsmiddelen, vaak op basis van synthetische stoffen, die zijn ontwikkeld om de levensvatbaarheid van populaties van plaagorganismen te verminderen zonder de planten te schaden.

Drachtplant: plant die stoffen produceert die door insecten kunnen worden verzameld en waarvan honing kan worden gemaakt.

Ecosysteem: een dynamisch complex van gemeenschappen van planten, dieren en micro-organismen en hun niet-levende omgeving, die in een onderlinge wisselwerking een functionele eenheid vormen.

Ecosysteemdiensten: directe en indirecte bijdragen van ecosystemen tot het voortbestaan en de levenskwaliteit van de mensheid.

Europese rode lijst: overzicht van de status van Europese soorten om te bepalen welke soorten met uitsterven zijn bedreigd op Europees niveau (pan-Europese regio en Europese Unie), opgesteld volgens de richtsnoeren voor regionale rode lijsten van de Internationale Unie voor behoud van de natuur en de natuurlijke hulpbronnen.

Eurostat: Bureau voor de statistiek van de Europese Unie.

Gewasbeschermingsmiddelen: producten die bestaan uit werkzame stoffen of deze bevatten, die bedoeld zijn om planten of plantaardige producten tegen schadelijke organismen te beschermen of de werking van dergelijke organismen te voorkomen, om de levensprocessen van planten te beïnvloeden, plantaardige producten te bewaren, ongewenste planten of delen van planten te vernietigen of hun groei te voorkomen.

Gewasbestuiving: bestuiving van kweekplanten.

Guttatie: afscheiding van vloeibaar water uit het onbeschadigde oppervlak van een plantenblad.

Habitat: fysieke locatie of soort milieu waarin een organisme of biologische populatie leeft of voorkomt, gedefinieerd door de som van de abiotische en biotische factoren van het milieu, zij het natuurlijk of aangepast, die van essentieel belang zijn voor het leven en de voortplanting van de soort.

Lichtvervuiling: kunstlicht dat 's nachts zichtbaar is en van invloed is op de natuurlijke cyclus dag-nacht/licht-donker volgens welke alle soorten en ecosystemen op aarde zijn geëvolueerd.

Meststoffen: alle vaste, vloeibare of gasvormige stoffen (synthetisch of organisch) die een of meer plantnutriënten bevatten en over de bodem worden verspreid om de bodemvruchtbaarheid in stand te houden of te verbeteren.

Natura 2000: netwerk van broed- en rustplaatsen voor zeldzame en bedreigde soorten en enkele zeldzame typen natuurlijke habitats die worden beschermd krachtens de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn.

Natuurlijk kapitaal: voorraden van natuurlijke hulpbronnen zoals mineralen, de bodem, de lucht, water en alle levende wezens.

Nectar: zoete vloeistof die wordt geproduceerd door bloemen en wordt verzameld door bijen en andere insecten.

Pesticiden: gewasbeschermingsmiddelen.

Representatieve reeks soorten: deelverzameling van soorten die het merendeel van de kenmerken van een grotere groep correct weerspiegelt.

Residu: één of meer stoffen die in of op planten of plantaardige producten, eetbare dierlijke producten, drinkwater of elders in het milieu aanwezig zijn ten gevolge van het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel, met inbegrip van de metabolieten en de afbraak- of reactieproducten.

Stikstofbindende gewassen: gewassen die bijdragen tot stikstofbinding, een proces waarbij moleculaire stikstof in de lucht wordt omgezet in ammoniak of verwante stikstofverbindingen in de bodem.

Stuifmeel: poeder dat wordt geproduceerd door het mannelijke deel van een bloem en ervoor zorgt dat het vrouwelijke deel van hetzelfde type bloem zaden produceert.

Subletale toxiciteit: vermogen of eigenschap van een stof om biologische, fysiologische, demografische of gedragseffecten te sorteren op levende organismen die blootstelling aan een giftige stof overleven.

Systemische pesticiden: in water oplosbare pesticiden die worden geabsorbeerd en systemisch over de hele plant worden verdeeld wanneer deze worden aangebracht op de wortels, zaden of bladeren van de plant.

Toxiciteit: vermogen of eigenschap van een stof om schadelijke effecten te veroorzaken.

Trips: klein zwart gevleugeld insect dat zich voornamelijk met planten voedt door deze te doorboren en de inhoud ervan op te zuigen.

Vanggewassen: in de landbouw, snelgroeiende gewassen die tussen opeenvolgende aanplantingen van een hoofdgewas worden geteeld.

Werkzame stoffen: het werkzame bestanddeel tegen plaagorganismen of plantenziekten in een gewasbeschermingsmiddel.

Antwoorden van de Commissie

Samenvatting

I

De Commissie is van mening dat de belangrijkste oorzaken van de verdwijning van wilde bestuivers meervoudig zijn en onder andere verandering van landgebruik, intensief landbouwbeheer (inclusief gebruik van pesticiden), klimaatverandering, milieuvervuiling en invasieve uitheemse soorten omvatten.

II

De Commissie merkt op dat het Europees Parlement en de Raad het algemene kader bepalen door verordeningen of richtlijnen vast te stellen en bepaalde uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie te verlenen. De Commissie kan alleen binnen dit kader optreden.

Er zijn veel andere acties dan actualiseringen van de wetgeving die kunnen worden uitgevoerd. De uitvoering van sommige acties/activiteiten duurt veel langer dan de periode 2021-2022 die door de Europese Rekenkamer is gekozen.

VI

De Commissie aanvaardt zes van de aanbevelingen in dit verslag en aanvaardt de andere aanbeveling gedeeltelijk.

Inleiding

05

Het PoshBee-project (pan-Europese beoordeling, monitoring en mitigatie van stressoren voor de gezondheid van bijen), dat is geselecteerd in het kader van maatschappelijke uitdaging 2 van H2020, oproep van 2016, is erop gericht de eerste omvattende, pan-Europese beoordeling te verrichten van het blootstellingrisico van chemische stoffen, mengsels van chemische stoffen, en het gezamenlijk voorkomen daarvan met pathogenen en voedingsstress, voor solitaire bijen, hommels en honingbijen in twee grote teeltsystemen (https://cordis.europa.eu/project/id/773921). Het project wordt uitgevoerd in samenwerking met de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA).

Enkele projecten van de operationele groepen van het EIP-AGRI, het Europees partnerschap voor innovatie in de landbouw, (https://ec.europa.eu/eip/agriculture/) hebben betrekking op bestuivers en meer specifiek op honingbijproductie en bijengezondheid.

Wilde bestuivers vallen impliciet onder de niet tot de doelsoorten behorende geleedpotigen in de verordening betreffende gewasbeschermingsmiddelen.

08

In het kader van de ambitie om alle verontreiniging tot nul terug te dringen, en van de “van boer tot bord”-strategie en de biodiversiteitsstrategie, tracht de Commissie de afhankelijkheid van pesticiden te verminderen en het gebruik van niet-chemische alternatieven met een laag risico te stimuleren. Daarnaast ondersteunt de EU ook onderzoek naar nieuwe gewasbeschermingsoplossingen en meer gebruik van indicatoren om te meten hoe het risico als gevolg van gewasbeschermingsmiddelen in Europa in de loop van de tijd verandert.

De geharmoniseerde risico-indicator 1, die wordt berekend door de hoeveelheden werkzame bestanddelen van in de handel gebrachte gewasbeschermingsmiddelen te vermenigvuldigen met een wegingsfactor, laat zien dat het risico voor de menselijke gezondheid en het milieu als gevolg van pesticiden in de Europese Unie in de periode 2011-2017 verminderd is met 20 %.

Opmerkingen

17

De Europese graslandvlinderindex kent representativiteitsbeperkingen. Momenteel is de graslandvlinderindex gebaseerd op de gegevens van 14 landen en situeren 75 % van de gemonitorde locaties zich in slechts drie landen, namelijk het Verenigd Koninkrijk, Nederland en Duitsland. Zelfs zonder het Verenigd Koninkrijk mee te rekenen, bevindt 74 % van de transecten zich in westelijke EU-landen.  Met respectievelijk 14 %, 11 % en 1 % zijn Noord-, Zuid- en Oost-Europa ondervertegenwoordigd48.

De Commissie heeft een proefproject (Assessing Butterflies in Europe – ABLE, https://butterfly-monitoring.net/able) opgezet om meer landen te laten deelnemen aan de monitoring.

Tekstvak 2 — Het initiatief inzake bestuivers heeft niet altijd geleid tot veranderingen in belangrijke beleidslijnen en maatregelen

Actie 4C: Het model van het prioritaire actiekader (PAK) werd ontwikkeld in 2017 en kon geen verzoek bevatten om maatregelen voor bestuivers te specificeren, omdat de identificatie van actie 4C later, in het tweede kwartaal van 2018, plaatsvond. Na de goedkeuring van het initiatief inzake bestuivers heeft de Commissie de lidstaten niettemin aangemoedigd om in de rubriek van het PAK-model over de socio-economische voordelen maatregelen voor bestuivers op te nemen.

Maatregel 5C:

Drie van de negen specifieke GLB-doelstellingen hebben betrekking op klimaat en milieu, met inbegrip van de specifieke doelstelling (f) “bijdragen tot de bescherming van de biodiversiteit, versterken van ecosysteemdiensten en in stand houden van habitats en landschappen”.

Deze doelstelling omvat de bescherming van bestuivers en bestuivingsdiensten.

In de periode 2022-2027 beschikken de lidstaten over meer subsidiariteit en flexibiliteit bij het ontwikkelen, uitvoeren en ondersteunen van maatregelen die het best aansluiten bij hun behoeften in het kader van de strategische GLB-plannen. Dit biedt de lidstaten en belanghebbenden de mogelijkheid om specifieke maatregelen voor bestuivers te ontwikkelen en uit te voeren aan de hand van collectieve en resultaatgerichte regelingen. Voorts bepaalt het voorstel van de Commissie voor het GLB na 2020 uitdrukkelijk dat de lidstaten rekening moeten houden met de nationale milieuplannen en de daarin vervatte streefdoelen, die voortvloeien uit de wetgeving van de Unie.

22

De Commissie heeft alle nodige interne regelingen voor de uitvoering van het initiatief vastgesteld. De rollen en verantwoordelijkheden werden duidelijk vastgesteld en er werden geen problemen op het gebied van interne governance geconstateerd. De Commissie brengt de lidstaten en belanghebbenden regelmatig op de hoogte van de voortgang van het initiatief in het kader van de coördinatiegroep voor natuur en biodiversiteit, het governancekader voor de uitvoering van de EU-biodiversiteitsstrategie tot 2020. Bij gebrek aan robuuste data over bestuivers en de vormen van druk die zij ondervinden, is het niet mogelijk concrete streefdoelen vast te stellen voor verschillende acties. De eerste actie van het initiatief is bedoeld om dit gebrek te verhelpen.

25

De meeste bekende soorten bestuivers (waaronder veel van de meest bedreigde soorten bestuivers) zijn gekoppeld aan de in de habitatrichtlijn genoemde habitats en profiteren als zodanig van de krachtens die richtlijn genomen beschermings-, beheers- en herstelmaatregelen.

26

De studie “The impact of Natura 2000 on non-target species, assessment using volunteer-based biodiversity monitoring” toonde aan dat de inspanningen die de lidstaten in de periode 2007-2013 hebben geleverd, onvoldoende waren om de algemene afname van de vlindersoorten in de Natura 2000-gebieden een halt toe te roepen.

29

Het PAK-model bevat geen specifieke vereisten voor bestuivers omdat het al in 2017 in het kader van verschillende overlegrondes werd opgesteld, vóór de opstelling van actie 4C in het kader van het initiatief inzake bestuivers. Desalniettemin bevatten bepaalde nationale PAK’s specifieke maatregelen voor bestuivers. Zo is in het Nederlandse PAK voorzien in een budget van 500 000 EUR per jaar voor de uitvoering van de nationale strategie inzake bestuivers.

Wanneer de Commissie feedback geeft over de nationale ontwerp-PAK’s, moedigt zij de lidstaten actief aan om in hun PAK’s strategieën of maatregelen op te nemen die specifiek gericht zijn op bestuivers.

32

Hoewel de Commissie van mening is dat intensivering van de landbouw een belangrijke rol speelt bij de achteruitgang van bestuivers, wil zij benadrukken dat ook van de verlating van landbouwgrond druk op bestuivers uit kan gaan, in gebieden met extensieve landbouwpraktijken die belangrijke halfnatuurlijke habitats voor wilde bestuivers in stand houden.

Het GLB-kader 2014-2020 omvat prioriteiten die rechtstreeks betrekking hebben op het herstel, de instandhouding en de verbetering van ecosystemen en biodiversiteit. Een en ander vormt de basis voor acties die gericht zijn op het creëren van omstandigheden die gunstig zijn voor bestuivers.

Het voorstel van de Commissie voor het GLB na 2020 versterkt de prioriteit inzake biodiversiteit en zet de ambitie van het beleid kracht bij door resultaat- en impactindicatoren te formuleren voor de gevolgen van het beleid voor de biodiversiteit, habitats, ecosystemen en het landschap — elementen die relevant zijn voor bestuivers.

Zie ook het antwoord op tekstvak 2.

33

Gezamenlijk antwoord van de Commissie op paragraaf 33 en tekstvak 4:

Wanneer wordt geconstateerd dat een landbouwer rechtsregels van de EU, met inbegrip van milieuregels, niet naleeft, kunnen ontvangen GLB-betalingen, in het kader van het randvoorwaardensysteem, worden verlaagd in verhouding tot de ernst van de inbreuk. Deze verlaging kan gaan van 1 % tot 100 %. In de praktijk zijn de meeste inbreuken niet opzettelijk en niet ernstig en liggen de opgelegde sancties in het kader van de randvoorwaarden bijgevolg tussen 1 % en 5 %.

Een aantal regels zijn vastgesteld in verordeningen en richtlijnen van de EU (uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen — RBE’s), en de randvoorwaarden helpen om landbouwers bewust te maken van de noodzaak om de bepalingen van deze EU-wetgeving na te leven. Andere regels zijn vastgelegd in het GLB (goede landbouw- en milieuconditie — GLMC-normen) en de lidstaten moeten nationale normen vaststellen die zijn aangepast aan de plaatselijke omstandigheden en behoeften. Als de lidstaten in het licht van de opgedane ervaring concluderen dat de biodiversiteitsvoordelen, waaronder voor bestuivers, niet worden gehaald, beschikken ze over een grote mate van flexibiliteit om de regels die van toepassing zijn op landbouwers in de vorm van RBE’s of GLMC-normen aan te passen.

De randvoorwaarden zijn niet de enige factor die van invloed is op de toestand van de biodiversiteit en het effect van de randvoorwaarden kan niet specifiek worden gemeten aan de hand van resultaat- of impactindicatoren, die multifactoriële trends weerspiegelen. Daarom baseert de Commissie zich op outputindicatoren, en niet op impactindicatoren, om de uitvoering van afzonderlijke instrumenten als de randvoorwaarden te meten.

De Commissie is derhalve van mening dat de randvoorwaarden, in samenhang met andere GLB-instrumenten, een gunstig effect hebben op de biodiversiteit van landbouwgrond.

34

Gezamenlijk antwoord op paragraaf 34, tekstvak 5 en de paragrafen 35, 36 en 37

Vergroening is een steunregeling in het kader van de rechtstreekse betalingen om landbouwers te vergoeden voor de collectieve goederen die zij leveren door middel van drie maatregelen: bescherming van blijvend grasland, met inbegrip van ecologisch kwetsbare gebieden, gewasdiversificatie en handhaving van een percentage bouwland als ecologisch aandachtsgebied. In de beoordeling door de Commissie van de uitvoering van de vergroening in 2016 werd geconcludeerd dat dit instrument een aanzienlijke potentie heeft, met name vanwege de brede dekking ervan (77 % van het totale landbouwareaal), maar dat deze potentie niet ten volle is benut door de lidstaten en de landbouwers. Daarom heeft de Commissie naar aanleiding van deze beoordeling een aantal verbeteringen geïntroduceerd, met name door het gebruik van pesticiden in ecologische aandachtsgebieden met ingang van 2018 te verbieden. Dit verbod maakt expliciet melding van productieve landbouwgrond, aangezien het risico van het gebruik van pesticiden op niet-productieve landbouwgrond zeer beperkt is.

Als de lidstaten in het licht van de opgedane ervaring concluderen dat de biodiversiteitsvoordelen niet worden gehaald, waaronder voor bestuivers, beschikken ze over een grote mate van flexibiliteit om de vergroeningsregels die van toepassing zijn op landbouwers aan te passen.

Vergroening is niet de enige factor die van invloed is op de toestand van de biodiversiteit en het effect van vergroening kan niet specifiek worden gemeten aan de hand van resultaat- of impactindicatoren, die multifactoriële trends weerspiegelen. Daarom baseert de Commissie zich op outputindicatoren, en niet op impactindicatoren, om de uitvoering van afzonderlijke instrumenten als vergroening te meten.

De Commissie is derhalve van mening dat de huidige vergroening de potentie heeft om de biodiversiteit, met inbegrip van bestuivers, ten goede te komen.

Deze potentie werd echter niet ten volle benut en het voorstel voor het GLB is erop gericht deze tekortkoming aan te pakken.

35

In de voetnoot wordt verwezen naar de externe studie ter ondersteuning van de evaluatie. De evaluatie van de Commissie is werkdocument van de diensten van de Commissie SWD(2018) 478 final.

In het werkdocument van de diensten van de Commissie (blz. 57) en in de ondersteunende studie (blz. 125 en 227) staat het volgende te lezen:

“Uit de analyse blijkt dat voor de EU-28 het EAG-element met de potentie om de grootste netto positieve impact te hebben, de braaklandoptie is, waarbij “braakland” bestaat uit stoppels met natuurlijke regeneratie van onkruid of mengsels van wildeplantenzaden. Nettovoordelen kunnen ook worden verkregen door middel van meerjarige stikstofbindende voedergewassen, bepaalde landschapselementen (bijvoorbeeld akkerranden, hagen, bomen, vijvers en sloten), bufferstroken en akkerranden.”

In het verslag van de externe evaluatiestudie over de impact van het GLB op de biodiversiteit (SWD aangekondigd) staat: “Braakliggend land, wat het gunstigste EAG-type voor biodiversiteit is [...]” (blz. 81).

37

De Commissie is van mening dat er in het algemeen geen stimulans voor landbouwers is om pesticiden te gebruiken op akkerranden, bufferstroken en andere niet-productieve landschapskenmerken aangezien zich daarop geen gewassen bevinden om te beschermen. Voorts kunnen de lidstaten in hun nationale actieplannen in het kader van de richtlijn duurzaam gebruik standaard bufferstroken langs bepaalde gebieden (zoals waterlopen) vaststellen. Indien zulks noodzakelijk wordt geacht, moeten zij specifieke verplichtingen vaststellen wat betreft risicobeperkende maatregelen in de toelatingen voor gewasbeschermingsproducten, die landbouwers moeten nakomen (bijvoorbeeld driftreductiedoppen of niet-sproeibufferzones binnen velden). Lidstaten leggen vaak dergelijke beperkingen op om waterlopen en/of gebieden naast velden te beschermen tegen drift.

38

Agromilieuklimaatmaatregelen (AMKM’s) behoren al jaren tot de belangrijkste GLB-instrumenten om landbouwers ertoe aan te zetten landbouwpraktijken te introduceren of te blijven gebruiken die verder gaan dan de verplichte vereisten en bijdragen aan de bescherming en verbetering van het milieu, het landschap, de biodiversiteit en de natuurlijke hulpbronnen. In de periode 2014-2020 is meer dan 16 % van alle EU-financiering voor plattelandsontwikkeling door de lidstaten toegewezen aan AMKM’s. Samen met de steun voor biologische landbouw en Natura 2000 heeft dit gezorgd voor een situatie waarin op meer dan 17 % van het landbouwareaal van de EU landbouwbeheerpraktijken worden toegepast die naar verwachting bevorderlijk zijn voor de biodiversiteit, waaronder bestuivers, en die worden ondersteund in het kader van deze maatregelen. Dit zijn ecologisch ambitieuze landbouwpraktijken die verder gaan dan de vereisten in het kader van de randvoorwaarden, en bijgevolg aanvullende collectieve milieugoederen leveren.

39

Gezamenlijk antwoord op de paragrafen 39 en 40.

In het voorstel voor een toekomstig GLB zijn de regels inzake randvoorwaarden aangescherpt tot een versterkte conditionaliteit, onder meer voor biodiversiteit en pesticiden, door nieuwe RBE’s en GLMC-normen in te voeren, en door vergroeningsverplichtingen in versterkte vorm samen te voegen. In dit verband zullen de nieuwe regelingen met rechtstreekse betalingen voor milieudoeleinden, de ecoregelingen, bijdragen aan deze doelstellingen.

Met betrekking tot de AMKM’s worden in het voorstel van de Commissie verdere verbeteringen voorgesteld:

- het bevordert samen met de lidstaten steun aan collectieve regelingen en resultaatgerichte betalingsregelingen — twee benaderingen die een significante verbetering in de kwaliteit van de collectieve milieugoederen op grote schaal en op een meetbare wijze kunnen bewerkstelligen. Beide kunnen zeer bevorderlijk zijn voor bestuivers, aangezien zij eerder op landschapsniveau dan op perceelniveau opereren.

- het voorziet, in uitzonderlijke en gerechtvaardigde gevallen, in de mogelijkheid om AMKM-verbintenissen voor een kortere periode dan 5 tot 7 jaar te ondertekenen als zo’n kortere periode volstaat om de milieuvoordelen te realiseren. Dit biedt verdere flexibiliteit voor de mogelijke begunstigden van AMKM’s, en vergroot zo de aantrekkelijkheid ervan.

- het verhoogt het bijdragepercentage voor AMKM-verbintenissen en andere relevante verbintenissen zoals biologische landbouw, Natura 2000-betalingen, niet-productieve investeringen, waardoor deze aantrekkelijker worden.

Het hoge ambitieniveau voor bestuivers zal niet met afzonderlijke instrumenten, maar enkel door de onderlinge samenhang daartussen worden bereikt. Advies in het kader van de bedrijfsadviesdiensten zal ook een belangrijk element zijn om landbouwers te helpen praktijken toe te passen die gunstig zijn voor onder andere bestuivers.

43

De vervanging van herbiciden door mechanisch wieden zal naar verwachting hetzelfde effect hebben op de hoeveelheid en de diversiteit van bloemen.

44

Bijen en andere insectensoorten vallen onder de verordening betreffende gewasbeschermingsmiddelen, en meer bepaald onder de bepalingen inzake niet tot de doelsoorten behorende geleedpotigen, waarvoor er specifieke bepalingen zijn. Deze bepalingen beschermen impliciet (of indirect) wilde bestuivers.

46

De Commissie wijst erop dat zij aanzienlijke inspanningen heeft geleverd om de risicobeoordelingsprocedure voor honingbijen in overeenstemming te brengen met de wettelijke voorschriften.

De Commissie benadrukt dat de richtsnoeren zijn goedgekeurd in 2002, dat wil zeggen vóór de vaststelling van de verordening van 2009. Ze kunnen dus niet op die verordening zijn afgestemd.

47

In de richtsnoeren uit 2002 wordt rekening gehouden met het risico voor larven van insectengroeiregulatoren en andere werkzame stoffen die op lange termijn schadelijke gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van het bijenvolk. In dergelijke gevallen moet het bewijs worden geleverd dat er gedurende een lange periode geen gevolgen zijn voor de gezondheid van het bijenvolk. (Zie het einde van punt 4.3 van de richtsnoeren van 2002).

53

De Commissie benadrukt dat het mandaat van de EFSA deel uitmaakte van een bredere oplossing. Het mandaat was namelijk gebaseerd op een verzoek van een grote meerderheid van de lidstaten en voor sommige was het een voorwaarde om steun te verlenen voor de wijziging van de uniforme beginselen die het mogelijk zouden hebben gemaakt de delen van de richtsnoeren inzake acute toxiciteit voor honingbijen te implementeren. Tegen deze wijziging van de uniforme beginselen werd vervolgens bezwaar gemaakt door het Europees Parlement in oktober 2019.

De Commissie merkt op dat zij de EFSA niet om een eerdere herziening van de richtsnoeren heeft verzocht omdat de beperkingen van 2013 voor de drie neonicotinoïden, waarvoor rechtszaken liepen tot 2018, waren vastgesteld op basis van een EFSA-beoordeling die ook ten grondslag lag aan de richtsnoeren van 2013. Bovendien was de Commissie toen van oordeel dat de richtsnoeren van 2013 het laatste beschikbare (meest actuele) wetenschappelijke advies over het onderwerp van de EFSA vormden.

54

De Commissie heeft nog niet voorgeschreven dat aanvragers na 2013 ontwikkelde testmethoden moeten gebruiken omdat het document met richtsnoeren nog niet door de lidstaten is goedgekeurd.

55

Over de herziening van de specifieke beschermingsdoelstelling voor bijen is een eerste bespreking met de lidstaten gehouden op 6 maart 2020.

De toetsing van de specifieke beschermingsdoelstellingen die zijn vastgesteld in het document met richtsnoeren van de EFSA van 2013 zal volgens de planning in mei 2020 worden voltooid. In het kader van deze toetsing zullen specifieke beschermingsdoelstellingen voor honingbijen, hommels en solitaire bijen worden besproken.

56

Het PoshBee-project dat is geselecteerd in het kader van maatschappelijke uitdaging 2 van H2020, oproep van 2016, is erop gericht de eerste omvattende, pan-Europese beoordeling te verrichten van het blootstellingsrisico van chemische stoffen, mengsels van chemische stoffen, en het gezamenlijk voorkomen daarvan met pathogenen en voedingsstress, voor solitaire bijen, hommels en honingbijen in twee grote teeltsystemen (https://cordis.europa.eu/project/id/773921). Het project wordt uitgevoerd in samenwerking met de EFSA.

In het kader van Horizon 2020 ondersteunt de Commissie ook onderzoeksactiviteiten die geïntegreerde benaderingen zullen testen en opleveren om vooruitgang te boeken bij de beoordeling van de effecten van gewasbeschermingsproducten en de metabolieten ervan op de gezondheid van planten, mensen, dieren en ecosystemen, met een specifiek onderzoeksproject in het kader van het werkprogramma van 2018-2020 voor maatschappelijke uitdaging 2 (zie SFS-04-2019-2020).

De Commissie merkt op dat de huidige gegevensvereisten voor gewasbeschermingsmiddelen (Verordening (EU) nr. 284/2013) ook acute-toxiciteitstest met bijen omvatten. Gewasbeschermingsmiddelen die meer dan één werkzame stof bevatten, worden derhalve reeds op het niveau van de lidstaten beoordeeld voor de nationale toelatingen.

58

De Commissie heeft in 2013 ook het gebruik van fipronil beperkt om bijen te beschermen.

Voorts hebben de aanvragers, na de beperkingen van april 2018, de aanvragen voor de verlenging van de goedkeuring voor clothianidin en thiametoxam ingetrokken en zal geen aanvraag worden ingediend voor imidacloprid. In januari 2020 heeft de Commissie de goedkeuring voor thiacloprid niet verlengd.

62

De verordening betreffende gewasbeschermingsmiddelen voorziet niet in een verplichting voor de Commissie om dergelijk onderzoek te initiëren. Toch werden verscheidene onderzoeksprojecten voltooid vóór 2019 en zijn andere lopende of gepland49.

Tekstvak 7 — Speciaal verslag nr. 05/2020 — Duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen: beperkte vooruitgang bij het meten en beperken van de risico’s

De autoriteiten van de lidstaten zorgen ervoor dat professionele gebruikers voldoen aan de verplichting om de IPM-beginselen toe te passen. Zij moeten duidelijke beoordelingscriteria hebben om over naleving of niet-naleving te kunnen oordelen.

In overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel is het omzetten van algemene beginselen voor geïntegreerde gewasbescherming in praktische criteria de verantwoordelijkheid van de lidstaten, en de Commissie zal de lidstaten in dit verband blijven ondersteunen.

Conclusies en aanbevelingen

65

Het regelgevingskader wordt vastgesteld door het Europees Parlement en de Raad, en stelt de grenzen waarbinnen de Commissie kan optreden.

Aanbeveling 1 — Ga na of er specifieke maatregelen voor wilde bestuivers nodig zijn

a) De Commissie aanvaardt de aanbeveling.

De Commissie zal uiterlijk eind 2020 een toetsing van het EU-initiatief inzake bestuivers verrichten, en op basis daarvan mogelijke vervolgacties inzake bestuivers in 2021 overwegen.

b) De Commissie aanvaardt de aanbeveling.

De governance- en monitoringmechanismen voor acties inzake bestuivers zullen worden behandeld in het kader van de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030.

68

Het GLB-kader 2014-2020 omvat prioriteiten die rechtstreeks betrekking hebben op het herstel, de instandhouding en de verbetering van ecosystemen en biodiversiteit. Een en ander vormt de basis voor acties die gericht zijn op het creëren van omstandigheden die gunstig zijn voor bestuivers. De GLB-voorstellen voor de periode na 2020 omvatten ook een specifieke doelstelling inzake de bescherming van biodiversiteit, ecosysteemdiensten, habitats en landschappen die de lidstaten veel ruimte biedt om acties te ontwerpen die bestuivers ten goede komen. De lidstaten zullen moeten aantonen dat hun plannen een grotere ambitie op milieugebied bieden.

Aanbeveling 2 — Verbeter de integratie van acties ter bescherming van wilde bestuivers in EU-beleidsinstrumenten voor de instandhouding van de biodiversiteit en de landbouw

a) De Commissie aanvaardt de aanbeveling.

b) De Commissie aanvaardt de aanbeveling gedeeltelijk.

In het onderzoeksverslag over de evaluatie van de impact van het GLB op de biodiversiteit wordt een analyse gegeven van de doeltreffendheid en potentie maar ook van de beperkingen van de huidige instrumenten en maatregelen van het GLB inzake algemene biodiversiteit, waarbij enkele keren naar bestuivers wordt verwezen (ESQ 6, blz. 103). Als zodanig is deze analyse ook bedoeld om de impact van de maatregelen op bestuivers te beoordelen, aangezien bestuivers een integrerend onderdeel van biodiversiteit vormen. Deze evaluatie zal worden aangevuld met het onderzoeksverslag betreffende actie 5A van het EU-initiatief inzake bestuivers. De Commissie zal hiervan gebruikmaken en zich blijven inzetten voor het aanwijzen van beste praktijken die gunstig zijn voor wilde bestuivers.

c) De Commissie aanvaardt de aanbeveling.

Hoewel in de strategische GLB-plannen moet worden aangetoond hoe zij bijdragen aan de algemene en specifieke doelstellingen van het GLB, waaronder die betreffende de bescherming van de biodiversiteit, ecosysteemdiensten, habitats en landschappen, genieten de lidstaten, in het GLB na 2020, meer flexibiliteit voor het vaststellen van de interventies. Daarom zal de keuze voor en het ontwerp van de door de lidstaten voorgestelde interventies en beheerpraktijken niet op vooraf vastgestelde praktijken berusten, maar op de analyse van hun ecologische omstandigheden, op grond waarvan behoeften worden aangewezen, waaronder inzake bestuivers indien relevant voor een bepaald territorium, die door de strategische GLB-plannen moeten worden aangepakt. Er moet worden aangetoond hoe deze plannen bijdragen aan de streefcijfers en streefdoelen die in de ter zake relevante milieuwetgeving zijn vastgelegd. Ook met de doelstellingen die zijn vastgesteld in de strategieën in het kader van de Green Deal en die relevant zijn voor het GLB zal rekening moeten worden gehouden.

Bij haar beoordeling van de GLB-plannen zal de Commissie nagaan of de voorgestelde interventies en beheerpraktijken in samenhang met elkaar en niet in isolatie hun potentieel verwezenlijken en op efficiënte wijze bijdragen aan de specifieke GLB-doelstellingen, aan de in het plan geïdentificeerde specifieke behoeften van de lidstaten, en aan het bereiken van de streefcijfers en doelstellingen.

69

Na aanzienlijke inspanningen is de Commissie erin geslaagd om in juli 2019 voldoende steun van de lidstaten te krijgen om de uniforme beginselen te wijzigen, waardoor de tenuitvoerlegging van de onderdelen van het document met richtsnoeren van de EFSA van 2013 in verband met de acute toxiciteit voor honingbijen mogelijk zou zijn geworden. Tegen dit voorstel werd in oktober 2019 bezwaar gemaakt door het Europees Parlement.

Aanbeveling 3 — Zorg voor een betere bescherming van wilde bestuivers in het risicobeoordelingsproces voor pesticiden

a) De Commissie aanvaardt de aanbeveling.

b) De Commissie aanvaardt de aanbeveling.

Controleteam

In de speciale verslagen van de ERK worden de resultaten van haar controles van EU-beleid en -programma’s of beheerthema’s met betrekking tot specifieke begrotingsterreinen uiteengezet. Bij haar selectie en opzet van deze controletaken zorgt de ERK ervoor dat deze een maximale impact hebben door rekening te houden met de risico’s voor de prestaties of de naleving, de omvang van de betrokken inkomsten of uitgaven, de verwachte ontwikkelingen en de politieke en publieke belangstelling.

Deze doelmatigheidscontrole werd verricht door controlekamer I “Duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen”, die onder leiding staat van ERK-lid Samo Jereb. De controle werd ook door hem geleid, ondersteund door Jerneja Vrabič, kabinetsattaché; Robert Markus, hoofdmanager; Mihaela Văcărașu, taakleider; Greta Kapustaitė, Anna Sfiligoi en Radostina Simeonova, controleurs. Richard Moore en Fiona Urquhart verleenden taalkundige ondersteuning.

Van links naar rechts: Anna Sfiligoi, Samo Jereb, Mihaela Văcărașu, Greta Kapustaitė en Jerneja Vrabič.

Voetnoten

1 Potts S. et al, “Status and trends of European pollinators. Key findings of the STEP project”, 14 januari 2015.

2 FAO, “The power of pollinators: why more bees means better food”, 24 augustus 2016. L. A. Garibaldi et al, “Mutually beneficial pollinator diversity and crop yield outcomes in small and large farms”, Science Magazine, 2016.

3 IPBES, “The assessment report of the Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services on pollinators, pollination and food production”, 2016.

4 Sanchez-Bayo F., A.G. Wyckhuys K. “Worldwide decline of the entomofauna: A review of its drivers”, 31 januari 2019.

5 Wereld Economisch Forum, “The Global Risks Report 2020”, 15th Edition, 15 januari 2020.

6 Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's "Onze levensverzekering, ons natuurlijk kapitaal: een EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020", COM(2011) 244 definitief.

7 Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, COM(2018) 395 final, 1 juni 2018.

8 Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s “De Europese Green Deal”, COM(2019) 640 final.

9 European Citizens’ Initiative “Save bees and farmers! Towards a bee-friendly agriculture for a healthy environment”, 30 september 2019.

10 Harvey, J.A., Heinen, R., Armbrecht, I. et al., “International scientists formulate a roadmap for insect conservation and recovery”, Nature Ecology & Evolution, 6 januari 2020.

11 Biodiversiteit op landbouwgrond: met de bijdrage van het GLB is de achteruitgang niet tot staan gebracht (Speciaal verslag nr. 13/2020), Duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen: beperkte vooruitgang bij het meten en beperken van de risico’s (Speciaal verslag nr. 05/2020), Meer inspanningen nodig om het Natura 2000-netwerk zo te ontwikkelen dat het volledige potentieel ervan wordt gerealiseerd (Speciaal verslag nr. 01/2017).

12 Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad “De tussentijdse evaluatie van de biodiversiteitsstrategie van de EU voor 2020”, COM(2015) 478 final, 2 oktober 2015.

13 EEA, “The European environment — state and outlook 2020”, volledig verslag, tabel ES.1 “Summary of past trends, outlooks and prospects of meeting policy objectives/targets”, blz. 12.

14 DG Landbouw en Plattelandsontwikkeling, DG Gezondheid en Voedselveiligheid, DG Onderzoek en Innovatie, het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek en DG Internationale Samenwerking en Ontwikkeling.

15 Van Swaay C. et al., “European Red List of Butterflies”, 2010, Bureau voor publicaties van de Europese Unie. Nieto A. at al., “European Red List of Bees”, 2014, Bureau voor publicaties van de Europese Unie.

16 Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).

17 Artikel 17 van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad.

18 EEA, “State of nature in the EU – Results from reporting under the nature directives 2007–2012”, Technical report no 2/2015, 2015.

19 Pellissier, V. et al., “The impact of Natura 2000 on non-target species, assessment using volunteer-based biodiversity monitoring”, EEA – European Topic Centre on Biological Diversity, Technical paper no 4/2014, 2014.

20 Europese Commissie, “Action Plan for the Conservation of the Danube Clouded Yellow Colias myrmidone in the European Union”, 13 april 2012.

21 Gegevens beschikbaar in https://www.eea.europa.eu/themes/biodiversity/state-of-nature-in-the-eu/article-17-national-summary-dashboards/conservation-status-and-trends.

22 Verordening (EU) nr. 1293/2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake de vaststelling van een programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE) (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 185).

23 EEA, SOER 2015, Agriculture Briefing, 15 november 2016.

24 IPBES, “The assessment report of the Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services on pollinators, pollination and food production”, 2016.

25 EEA, SOER 2020, Hoofdstuk 13 “Environmental pressures and sectors”, blz. 295.

26 Bijlage II, Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549).

27 Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PB L 375 van 31.12.1991, blz. 1).

28 Speciaal verslag nr. 21/2017 van de ERK “Vergroening: een complexere inkomenssteunregeling, die vanuit milieuoogpunt nog niet doeltreffend is”.

29 Europese Commissie, “Evaluation study of the payment for agricultural practices beneficial for the climate and the environment”, 2017.

30 Verordening (EU) 2017/2393 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2017 tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1305/2013, (EU) nr. 1306/2013, (EU) nr. 1307/2013, (EU) nr. 1308/2013 en (EU) nr. 652/2014 (PB L 350 van 29.12.2017, blz. 15).

31 Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 608) en Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot wijziging van bijlage X bij die verordening (PB L 181 van 20.6.2014, blz. 1).

32 Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/1155 van de Commissie van 15 februari 2017 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 en tot wijziging van bijlage X bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 (PB L 167 van 30.6.2017, blz. 1).

33 Europese Commissie, “Evaluation of the impact of the CAP on habitats, landscapes and biodiversity”, november 2019.

34 Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1).

35 Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1).

36 Verordening (EU) nr. 283/2013 van de Commissie van 1 maart 2013 tot vaststelling van de gegevensvereisten voor werkzame stoffen (PB L 93 van 3.4.2013, blz. 1) en Verordening (EU) nr. 284/2013 van de Commissie van 1 maart 2013 tot vaststelling van de gegevensvereisten voor gewasbeschermingsmiddelen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 (PB L 93 van 3.4.2013, blz. 85).

37 Verordening (EU) nr. 546/2011 van de Commissie van 10 juni 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat uniforme beginselen voor de evaluatie en de toelating van gewasbeschermingsmiddelen betreft (PB L 155 van 11.6.2011, blz. 127).

38 Guidance Document on terrestrial Ecotoxicology under Council Directive 91/414/EEC, SANCO/10329/2002.

39 EFSA, “Guidance Document on the risk assessment of plant protection products on bees (Apis mellifera, Bombus spp. and solitary bees)”, 4 juli 2013, geactualiseerd op 4 juli 2014.

40 Gevoegde zaken T-429/13, Bayer CropScience AG e.a. tegen Commissie, T-451/13, Syngenta Crop Protection AG e.a. tegen Commissie en T-584/13, BASF Agro BV e.a. tegen Commissie.

41 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 485/2013 van de Commissie van 24 mei 2013 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011, wat de voorwaarden voor goedkeuring van de werkzame stoffen clothianidin, thiamethoxam en imidacloprid betreft, en houdende een verbod op het gebruik en de verkoop van zaden die zijn behandeld met gewasbeschermingsmiddelen die deze werkzame stoffen bevatten (PB L 139 van 25.5.2013, blz. 12).

42 Uitvoeringsverordening (EU) 2018/783 van de Commissie (PB L 132 van 30.5.2018, blz. 31), Uitvoeringsverordening (EU) 2018/784 van de Commissie (PB L 132 van 30.5.2018, blz. 35) en Uitvoeringsverordening (EU) 2018/785 van de Commissie (PB L 132 van 30.5.2018, blz. 40) van 29 mei 2018 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de voorwaarden voor de goedkeuring van de werkzame stoffen imidacloprid, clothianidin en thiamethoxam.

43 Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/152 van de Commissie en Uitvoeringsbesluit (EU) 2020/153 van de Commissie van 3 februari 2020.

44 Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden.

45 Kathage J. et al, “The impact of restrictions on neonicotinoid and fipronil insecticides on pest management in maize, oilseed rape and sunflower in eight European Union regions”, 13 oktober 2017.

46 Uitvoeringsverordening (EU) 2020/23 van de Commissie van 13 januari 2020 tot niet-verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof thiacloprid overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie.

47 Europees Parlement, “Guidelines for submission and evaluation of applications for the approval of active substances in pesticides”, studie, september 2018.

48 In Zuid-Europa is enkel Spanje gedeeltelijk vertegenwoordigd; in Portugal, Italië, Griekenland, Malta en Cyprus wordt niet gemonitord. In de oostelijke landen is er zeer beperkte monitoring, met respectievelijk 12 en 8 transecten in Roemenië en Slovenië; in alle andere oostelijke landen worden geen tellingen uitgevoerd. In het noorden zijn Denemarken en Estland niet vertegenwoordigd en bevinden de meeste transecten zich in Zweden. (Zie van Sway et al., 2017).

49 1) Factsheet over onderzoek en innovatie op het gebied van plantgezondheid (met inbegrip van IPM), alternatieven voor pesticiden en opkomende plagen/ziekten) https://ec.europa.eu/info/sites/info/files/food-farming-fisheries/farming/documents/factsheet-agri-plant-health_en.pdf
Voorbeeld: EUCLID was erop gericht duurzamere methoden voor plaagbestrijding te ontwikkelen om de effecten van pesticiden te beperken. Dit project liep van september 2015 tot september 2019.
2) Een publicatie van tien onderzoeksprojecten en de resultaten daarvan in verband met IPM/pesticiden/plagen en ziekten in het kader van alle onderdelen van Horizon 2020 (Marie Curie, ERC, …) https://op.europa.eu/en/publication-detail/-/publication/cc7026c4-56b6-11ea-aece-01aa75ed71a1/language-en/format-PDF/source-117749527
Voorbeeld: nEUROSTRESSPEP was erop gericht “groenere” insecticiden te identificeren door insecten met hun eigen hormonen te bestrijden. Dit project liep van juni 2015 tot mei 2019.
3) Factsheet over ecologische benaderingen en onderzoek en innovatie op het gebied van biologische landbouw (inclusief agro-ecologie, biologische landbouw, biodiversiteit, ecosysteemdiensten, agrobosbouw, bestuiving, biologische bestrijding, diversificatie) https://ec.europa.eu/info/sites/info/files/food-farming-fisheries/farming/documents/factsheet-agri-research-ecological-approaches_en.pdf
Voorbeeld: ECOSTACK loopt sinds september 2018. Het project is onder meer gericht op het kwantificeren van de effecten van natuurlijke vijanden en bestuivers op gewasopbrengsten voor verschillende gewassen en bodem- en klimaatomstandigheden, het onderzoeken van mogelijke trade-offs tussen biologische bestuivers en verstrekkers van bestuivingsdiensten, het ontwikkelen van “biogeïnspireerde” gewasbeschermingsstrategieën en de beoordeling van de status in het veld van de gevoeligheid van ecosysteemdienstverstrekkers voor agrochemische middelen en de geschiktheid ervan voor geïntegreerde gewasbescherming.

Tijdlijn

Gebeurtenis Datum
Vaststelling van het controleplan (APM) / aanvang van de controle 18.9.2019
Ontwerpverslag officieel verzonden naar de Commissie (of andere gecontroleerde) 14.4.2020
Vaststelling van het definitieve verslag na de contradictoire procedure 17.6.2020
Officiële antwoorden in alle talen ontvangen van de Commissie (of andere gecontroleerde) 1.7.2020

Contact

EUROPESE REKENKAMER
12, rue Alcide De Gasperi
L-1615 Luxemburg
LUXEMBURG

Tel. +352 4398-1
Inlichtingen: eca.europa.eu/nl/Pages/ContactForm.aspx
Website: eca.europa.eu
Twitter: @EUAuditors

Meer gegevens over de Europese Unie vindt u op internet via de Europaserver (http://europa.eu).

Luxemburg: Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2020

PDF ISBN 978-92-847-4870-9 ISSN 1977-575X doi:10.2865/190617 QJ-AB-20-014-NL-N
HTML ISBN 978-92-847-4832-7 ISSN 1977-575X doi:10.2865/935591 QJ-AB-20-014-NL-Q

AUTEURSRECHT

© Europese Unie, 2020.

Het beleid van de Europese Rekenkamer (ERK) inzake hergebruik is geregeld bij Besluit nr. 6-2019 van de Europese Rekenkamer over het opendatabeleid en het hergebruik van documenten.

Tenzij anders aangegeven (bijv. in afzonderlijke auteursrechtelijke mededelingen), wordt voor de inhoud van de ERK die eigendom is van de EU een licentie verleend in het kader van de Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0)-licentie. Dit betekent dat hergebruik is toegestaan mits de bron correct wordt vermeld en wijzigingen worden aangegeven. De hergebruiker mag de oorspronkelijke betekenis of boodschap van de documenten niet wijzigen. De ERK is niet aansprakelijk voor mogelijke gevolgen van hergebruik.

U dient aanvullende rechten te verwerven indien specifieke inhoud personen herkenbaar in beeld brengt, bijvoorbeeld op foto’s van personeelsleden van de ERK, of werken van derden bevat. Indien toestemming wordt verkregen, wordt hiermee de bovengenoemde algemene toestemming opgeheven en zullen beperkingen van het gebruik daarin duidelijk worden aangegeven.

Wilt u inhoud gebruiken of reproduceren die geen eigendom van de EU is, dan dient u de auteursrechthebbende mogelijk rechtstreeks om toestemming te vragen.

Software of documenten waarop industriële-eigendomsrechten rusten, zoals octrooien, handelsmerken, geregistreerde ontwerpen, logo’s en namen, zijn uitgesloten van het beleid van de ERK inzake hergebruik; hiervoor wordt u ook geen licentie verleend.

De groep institutionele websites van de Europese Unie met de domeinnaam “europa.eu” bevat links naar sites van derden. Aangezien de ERK geen controle heeft over deze sites, wordt u aangeraden kennis te nemen van hun privacy- en auteursrechtbeleid.

Gebruik van het logo van de Europese Rekenkamer

Het logo van de Europese Rekenkamer mag niet worden gebruikt zonder voorafgaande toestemming van de Europese Rekenkamer.

Hoe neemt u contact op met de EU?

Kom langs
Er zijn honderden Europe Direct-informatiecentra overal in de Europese Unie. U vindt het adres van het dichtstbijzijnde informatiecentrum op: https://europa.eu/european-union/contact_nl

Bel of mail
Europe Direct is een dienst die uw vragen over de Europese Unie beantwoordt. U kunt met deze dienst contact opnemen door:

  • te bellen naar het gratis nummer: 00 800 6 7 8 9 10 11 (bepaalde telecomaanbieders kunnen wel kosten in rekening brengen),
  • te bellen naar het gewone nummer: +32 22999696, of
  • een e-mail te sturen via: https://europa.eu/european-union/contact_nl

Waar vindt u informatie over de EU?

Online
Informatie over de Europese Unie in alle officiële talen van de EU is beschikbaar op de Europa-website op: https://europa.eu/european-union/index_nl

EU-publicaties
U kunt publicaties van de EU downloaden of bestellen op: https://op.europa.eu/nl/publications (sommige zijn gratis, andere niet). Als u meerdere exemplaren van gratis publicaties wenst, neem dan contact op met Europe Direct of uw plaatselijke informatiecentrum (zie https://europa.eu/european-union/contact_nl).

EU-wetgeving en aanverwante documenten
Toegang tot juridische informatie van de EU, waaronder alle EU-wetgeving sinds 1952 in alle officiële talen, krijgt u op EUR-Lex op: http://eur-lex.europa.eu

Open data van de EU
Het opendataportaal van de EU (http://data.europa.eu/euodp/nl) biedt toegang tot datasets uit de EU. Deze gegevens kunnen gratis worden gedownload en hergebruikt, zowel voor commerciële als voor niet-commerciële doeleinden.