Speciaal verslag
26 2021

Regelmatigheid van de uitgaven in het kader van het cohesiebeleid van de EU: de Commissie maakt jaarlijks een minimaal geschat foutenpercentage bekend dat niet definitief is

Over het verslag:Het cohesiebeleid vormt een van de grootste onderdelen van de EU-begroting. Het is eveneens een beleidsterrein waarop wij het risico van onregelmatige uitgaven hoog achten. Een relevant en betrouwbaar geschat foutenpercentage voor cohesie-uitgaven speelt dan ook een essentiële rol bij de bekendmaking en monitoring door de Commissie omtrent de vraag of de uitgaven op dit beleidsterrein in overeenstemming zijn met de wettelijke bepalingen. Uit onze bevindingen leiden we af dat de gerelateerde kernprestatie-indicatoren die worden gepubliceerd in de jaarlijkse activiteitenverslagen van de relevante directoraten-generaal en in het jaarlijks beheers- en prestatieverslag van de Commissie een minimaal foutenpercentage vertegenwoordigen en niet definitief zijn. Dit komt door de beperkte dekking door de Commissie van zowel operationele programma's als concrete acties via haar nalevingsgerichte controles, de inherente beperkingen van haar controles aan de hand van stukken en kwesties in verband met haar controlewerkzaamheden.

Speciaal verslag van de ERK, uitgebracht krachtens artikel 287, lid 4, tweede alinea, VWEU.

De publicatie is beschikbaar in 23 talen en in het volgende formaat:
PDF
PDF Speciaal verslag: Regelmatigheid van de uitgaven in het kader van het cohesiebeleid van de EU

Samenvatting

I Cohesie is een van de grootste onderdelen van de EU-begroting. Het is eveneens een beleidsterrein waar het risico van onregelmatige uitgaven volgens ons groot is. Een relevant en betrouwbaar geschat foutenpercentage voor cohesie speelt een essentiële rol bij de bekendmaking en monitoring door de Commissie omtrent de vraag of de uitgaven op dit beleidsterrein in overeenstemming zijn met de wettelijke bepalingen. Het vormt tevens de basis voor het nemen van de vereiste corrigerende maatregelen.

II De informatie over de regelmatigheid van de uitgaven op het gebied van cohesie is gebaseerd op het werk van de auditautoriteiten van de lidstaten en de daaropvolgende verificatie en beoordeling door de Commissie van hun werk en resultaten. Het resultaat van deze controlewerkzaamheden wordt in de jaarlijkse activiteitenverslagen van de relevante directoraten-generaal en in het jaarlijks beheers- en prestatieverslag van de Commissie gepresenteerd als een kernprestatie-indicator voor het geschatte foutenpercentage in de uitgaven van de onderliggende programma’s.

III Wij hebben er eerder in onze jaarverslagen op gewezen dat de tekortkomingen die wij in het werk van de auditautoriteiten hebben aangetroffen, het vertrouwen beperken dat in dat werk kan worden gesteld. De voornaamste doelstelling van deze controle was derhalve te beoordelen of de controleprocessen van de Commissie deze beperking compenseren en haar in staat stellen een relevante en betrouwbare schatting van het foutenpercentage voor de cohesie-uitgaven bekend te maken in de jaarlijkse activiteitenverslagen en het jaarlijks beheers- en prestatieverslag.

IV Daartoe onderzochten wij de processen en procedures van de Commissie voor de goedkeuring van de rekeningen en voor haar beoordeling van de regelmatigheid van de uitgaven die ten grondslag liggen aan de jaarrekeningen, wat de basis vormt voor de validering en bevestiging van de jaarlijkse restfoutenpercentages die door de auditautoriteiten worden gemeld. Ook onderzochten we de wijze waarop de Commissie informatie over de regelmatigheid opstelt en presenteert in de jaarlijkse activiteitenverslagen en het jaarlijks beheers- en prestatieverslag.

V Hoewel de directoraten-generaal de kernprestatie-indicatoren presenteren als hun beste schatting van het foutenpercentage, concluderen we over het algemeen dat deze niet definitief zijn en een minimaal foutenpercentage vertegenwoordigen op het niveau van de directoraten-generaal en bijgevolg in het jaarlijks beheers- en prestatieverslag.

VI Volgens het regelgevingskader keurt de Commissie de jaarrekeningen van de lidstaten goed zonder rekening te houden met de regelmatigheid van de betrokken uitgaven. De inhouding van 10 % van de betalingen, die is ingevoerd om de EU-begroting veilig te stellen, wordt bijgevolg vrijgegeven, zelfs in situaties waarin de auditautoriteiten van de lidstaten een restfoutenpercentage boven de materialiteitsdrempel van 2 % hadden bevestigd en de regelmatigheidscontroles van de Commissie nog moesten worden afgerond.

VII Bij haar controles aan de hand van stukken controleert de Commissie de consistentie van de informatie over regelmatigheid die is opgenomen in de zekerheidspakketten. Controles aan de hand van stukken zijn echter niet ontworpen om bijkomende niet-subsidiabele uitgaven op te sporen, waardoor de toegevoegde waarde ervan beperkt is.

VIII Deze controles aan de hand van stukken dragen bij tot de op risico gebaseerde aanpak van de Commissie om auditautoriteiten te selecteren voor haar nalevingsgerichte controles. De Commissie heeft echter niet altijd de auditautoriteiten met de hoogste risicoscore geselecteerd en zij heeft de motivering voor de selectie van deze auditautoriteiten niet voldoende gedocumenteerd.

IX Nalevingsgerichte controles, waarbij de Commissie de subsidiabiliteit van concrete acties evalueert, vormen het belangrijkste element voor haar beoordeling van de werkzaamheden van de auditautoriteit en de bijbehorende resultaten. Hoewel de Commissie een aantal onopgemerkte fouten heeft aangetroffen bij de nalevingsgerichte controles die wij hebben onderzocht, heeft zij haar definitieve controleresultaten vaak herzien in een follow-upfase met de lidstaten. Wij wezen ook op de hoge frequentie van onopgemerkte fouten die de Commissie in de door ons onderzochte gevallen heeft aangetroffen. In combinatie met haar vaak beperkte steekproef van concrete acties wijst dit erop dat er waarschijnlijk nog meer soorten fouten voorkomen in de rest van de steekproef van de auditautoriteit die niet door de Commissie werd onderzocht. Dit betekent dat het totale restfoutenpercentage een minimumpercentage op programmaniveau is.

X De Commissie brengt verslag uit over de resultaten van haar werkzaamheden in de jaarlijkse activiteitenverslagen als een kernprestatie-indicator. Hoewel deze indicator de beste schatting door de Commissie van het foutenpercentage weergeeft, zijn wij van mening dat de door de directoraten-generaal gepubliceerde kernprestatie-indicatoren een minimum inhouden. Dit komt door de beperkte dekking van zowel operationele programma's als concrete acties via nalevingsgerichte controles, de inherente beperkingen van de controles aan de hand van stukken van de Commissie en andere kwesties in verband met haar controlewerkzaamheden. We zijn ook van mening dat de gepubliceerde kernprestatie-indicatoren niet definitief, maar van voorlopige aard zijn.

XI Met het oog op een betere rapportage van de informatie over de regelmatigheid op het gebied van cohesie voor de nieuwe programmeringsperiode bevelen wij de Commissie aan:

  • een herziening van de wetgeving voor te stellen om ervoor te zorgen dat het rechtskader de inhouding van betalingen adequaat beschermt voordat deze wordt vrijgegeven;
  • haar controlewerkzaamheden, controledocumentatie en evaluatieproces te verbeteren;
  • de voornaamste elementen van de in de jaarlijkse activiteitenverslagen verstrekte informatie over de regelmatigheid te versterken.

Wij bevelen eveneens aan dat de centrale diensten instructies over de opstelling van het jaarlijks beheers- en prestatieverslag ontvangen van de eigenaar ervan, het college van commissarissen.


Inleiding

Cohesie, een belangrijk EU-uitgaventerrein met twee controlecycli

01 Het cohesiebeleid, dat is gericht op het verkleinen van de verschillen in ontwikkeling tussen de verschillende lidstaten en regio’s van de EU, neemt een aanzienlijk deel van de EU-begroting in beslag. Het wordt uitgevoerd door middel van meerjarige operationele programma’s (OP’s) die de lidstaten gewoonlijk aan het begin van elke programmeringsperiode indienen. Figuur 1 illustreert voor de laatste vijf jaar de aanzienlijke bedragen die gemoeid zijn met de uitgaven voor cohesie in de programmeringsperiode 2014‑2020.

Figuur 1 — Aandeel van de uitgaven voor cohesie in de EU-begroting

Bron: ERK.

02 In de programmeringsperiode 2021‑2027 vertegenwoordigt rubriek 2 van het meerjarig financieel kader (MFK), die twee afzonderlijke subrubrieken omvat, “MFK 2a — Europese economische, sociale en territoriale cohesie” en “MFK 2b — Veerkracht en waarden”, 35 % van de EU-begroting en is deze het grootste beleidsterrein geworden. De begroting voor MFK 2a — het equivalent van “Cohesie” in het kader van het MFK 2014‑2020 — bedraagt 372,6 miljard EUR voor 2021‑2027.

03 In ons jaarlijks controleverslag beoordelen wij de uitgaven voor cohesie als zeer risicovol, omdat de regels complex zijn en een groot deel van de uitgaven gebaseerd is op de vergoeding van kosten die door de begunstigden zelf worden gedeclareerd[1]. Bij onze controlewerkzaamheden in het kader van de jaarlijkse betrouwbaarheidsverklaring stellen wij herhaaldelijk een materieel foutenpercentage voor cohesie vast. Samen met de aanzienlijke uitgaven die hiermee gemoeid zijn, vraagt dit om een robuust controle- en zekerheidssysteem waarmee de regelmatigheid van de uitgaven voor cohesie kan worden gegarandeerd. Het moet eveneens voorzien in een relevante en betrouwbare schatting van het werkelijke foutenpercentage op dit gebied.

04 Het controle- en zekerheidskader dat wordt gebruikt om deze informatie over de regelmatigheid van de uitgaven voor cohesie te verstrekken, werd herzien voor de programmeringsperiode 2014‑2020. Hierbij werd de jaarlijkse goedkeuring door de Commissie van door de lidstaten ingediende uitgaven voor cohesie ingevoerd; deze vormt een aanvulling op de regelingen voor de afsluiting aan het einde van de programmeringsperiode. Ook werd een jaarlijkse indicator voor het restrisico ingevoerd, het zogeheten totale restfoutenpercentage (TRFP). Het TRFP is een schatting van de onregelmatige uitgaven die overblijven in de jaarrekeningen van de OP’s, rekening houdend met het effect van alle controleprocedures, terugvorderingen en correcties door de autoriteiten van de lidstaten.

05 Het controle- en zekerheidskader is opgebouwd rond twee controlecycli, een nationale cyclus op het niveau van de lidstaten en een daaropvolgende cyclus op het niveau van de Commissie. Dit weerspiegelt het feit dat de Commissie en de autoriteiten van de lidstaten de uitvoering van het cohesiebeleid en de financiering ervan gezamenlijk beheren, een concept dat bekendstaat als gedeeld beheer.

De nationale controlecyclus

06 Het eerste element in het controle- en zekerheidskader is de nationale controlecyclus, die in figuur 2 wordt uiteengezet.

Figuur 2 — De jaarlijkse controlecyclus van de lidstaten

Bron: ERK.

07 De eerste verdedigingslinie in de nationale controlecyclus om de EU-begroting veilig te stellen, wordt gevormd door de certificerings- en beheersautoriteiten van de lidstaten. Terwijl de certificeringsautoriteiten zich bezighouden met de betalingsaanvragen van de lidstaten en de opstelling van hun rekeningen, zijn de beheersautoriteiten verantwoordelijk voor de selectie van de in het kader van de programma’s gefinancierde concrete acties en voor de beheersverificaties, die moeten garanderen dat de begunstigden alleen uitgaven vergoed krijgen die regelmatig zijn. Het aantal fouten dat bij de controlewerkzaamheden van de Commissie en die van ons wordt ontdekt, toont aan dat de bestaande controles het hoge inherente foutenrisico op dit terrein nog niet voldoende ondervangen. In ons jaarverslag rapporteerden wij dat het hierbij voornamelijk om beheersautoriteiten gaat waarvan de verificaties ondoeltreffend zijn om onregelmatigheden in de door de begunstigden gedeclareerde uitgaven te voorkomen of op te sporen[2].

08 De auditautoriteiten van de lidstaten vormen de tweede verdedigingslinie. Zij voeren jaarlijkse controles uit van de rekeningen van de programma’s en representatieve steekproeven van concrete acties waarvoor de uitgaven bij de Commissie zijn gedeclareerd. Zij zijn tevens verantwoordelijk voor het beoordelen van de goede werking van de beheers- en controlesystemen. In hun jaarlijkse controleverslagen brengen de auditautoriteiten verslag uit aan de Commissie over het vastgestelde foutenpercentage in de gedeclareerde uitgaven (totaal foutenpercentage, TFP). Wanneer op grond van hun werkzaamheden het TFP boven de 2 % uitkomt, bevelen de auditautoriteiten de correcties aan die nodig zijn om het totaal restfoutenpercentage (TRFP) tot onder de 2 % te brengen. De auditautoriteiten brengen verslag uit aan de Commissie over de uitvoering van deze correcties.

09 Het jaarlijkse controleverslag maakt deel uit van het jaarlijkse zekerheidspakket, dat een OP of groep van OP’s kan bestrijken. Dit pakket bestaat uit een reeks documenten die elke lidstaat ieder jaar bij de Commissie indient met betrekking tot de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen), bestaande uit de jaarrekeningen, de jaarlijkse samenvatting, de beheersverklaring en het controleoordeel van de auditautoriteit, samen met het jaarlijks controleverslag. De auditautoriteiten geven een controleoordeel af over de volledigheid, nauwkeurigheid en waarheidsgetrouwheid van de rekeningen, de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven op de rekening en de doeltreffende werking van het beheers- en controlesysteem. De zekerheidspakketten moeten uiterlijk op 15 februari van elk jaar voor het voorgaande boekjaar aan de Commissie worden toegezonden.

De controlecyclus van de Commissie

10 De Commissie blijft eindverantwoordelijk voor de bescherming van de financiële belangen van de EU. Na de voltooiing van de nationale controlecyclus start de Commissie haar jaarlijkse controlecyclus van de jaarrekeningen en beoordeelt zij de in dat jaar ontvangen zekerheidspakketten. Figuur 3 geeft een overzicht van de belangrijkste stappen, die uitmonden in de rapportage van de TRFP’s in de jaarlijkse activiteitenverslagen (JAV’s) van de Commissie.

Figuur 3 — De jaarlijkse controlecyclus van de Commissie

Bron: ERK.

Goedkeuring van de rekeningen

11 De Commissie voert administratieve controles uit op de volledigheid en de juistheid van de rekeningen. Indien de Commissie op grond van haar beoordeling de rekeningen van de lidstaat goedkeurt, kan zij vervolgens het jaarlijkse saldo van de aan de lidstaat verschuldigde uitgaven betalen, met inbegrip van de 10 % die wordt ingehouden bij tussentijdse betalingen en die is ingevoerd om de EU-begroting veilig te stellen[3].

Beoordeling van wettigheid en regelmatigheid

12 Volgens haar controlestrategie streeft de Commissie ernaar redelijke zekerheid te verkrijgen dat het TRFP voor elk OP onder de 2 % ligt. Daartoe beoordeelt de Commissie eerst door middel van een controle aan de hand van stukken de informatie over de regelmatigheid in de jaarlijkse controleverslagen van de auditautoriteiten. Ook gebruikt zij de informatie die zij tijdens de controles aan de hand van stukken en uit eerdere controlewerkzaamheden heeft verkregen, samen met haar beoordeling van de systeemcontroleverslagen van de auditautoriteiten, voor haar risicobeoordeling om de auditautoriteiten en OP’s te selecteren waarvoor zij een nalevingsgerichte controle ter plaatse zullen verrichten.

13 Nalevingsgerichte controles zijn hoofdzakelijk gericht op het opnieuw uitvoeren van controles van concrete acties op het niveau van de auditautoriteiten. Zij leveren de belangrijkste bijdrage tot de eigen zekerheid van de Commissie. Bij de nalevingsgerichte controles wordt de betrouwbaarheid van het werk van de auditautoriteit voor het controleoordeel en het TRFP beoordeeld. Waar nodig past de Commissie het TRFP aan en verzoekt zij om bijkomende financiële correcties; dat zijn maatregelen om de EU-begroting te beschermen tegen onregelmatige uitgaven door deze uitgaven in te trekken of terug te vorderen.

14 De Commissie berekent een gewogen gemiddelde van de aangepaste TRFP’s als haar kernprestatie-indicator (KPI 5). KPI 5 is de belangrijkste regelmatigheidsindicator die wordt vermeld in de JAV’s. Ten slotte consolideert de Commissie in haar jaarlijks beheers- en prestatieverslag (annual management and performance report — AMPR) de KPI’s van de DG’s (directoraten-generaal) Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Inclusie (EMPL) en Regionaal Beleid en Stadsontwikkeling (REGIO) teneinde haar schatting van het foutenpercentage in de uitgaven voor cohesie te geven (het zogeheten “risico bij betaling”).

Uit onze eerdere werkzaamheden blijkt dat we niet altijd kunnen vertrouwen op de door de auditautoriteiten gemelde foutenpercentages

15 In de vier jaar dat wij de uitgaven voor 2014‑2020 hebben onderzocht, hebben wij bijkomende fouten ontdekt in concrete acties die eerder door de auditautoriteiten waren gecontroleerd. Wij konden daarom de conclusies van de auditautoriteiten niet onderschrijven dat de TRFP’s voor de helft van de gecontroleerde zekerheidspakketten, die ook de helft van de gecontroleerde uitgaven uitmaken, onder de 2 % lagen. Op basis van deze vaststelling concludeerden we dat we niet altijd kunnen vertrouwen op de door de auditautoriteiten gerapporteerde foutenpercentages. Figuur 4 illustreert onze resultaten door de jaren heen[4].

Figuur 4 — Zekerheidspakketten waarbij onze controleresultaten neerkwamen op restfoutenpercentages van meer dan 2 %

Bron: ERK.

16 De foutenpercentages die in de JAV’s van de DG’s REGIO en EMPL worden vermeld en in het AMPR worden samengevoegd, kunnen derhalve alleen betrouwbaar zijn indien de controlecyclus van de Commissie deze beperkingen in het werk van de auditautoriteiten kan compenseren. Dat is het onderwerp van dit verslag. De resultaten van onze controle kunnen voor de Commissie een belangrijke input vormen bij de opzet van haar controlewerkzaamheden voor de programmeringsperiode 2021‑2027.

Reikwijdte en aanpak van de controle

17 Onze controle had betrekking op het controle- en zekerheidskader 2014‑2020 dat de Commissie in staat moest stellen een jaarlijks resterend foutenrisico voor elk boekjaar te rapporteren. Wij vroegen ons af of de Commissie:

  • voldoende en passende controlewerkzaamheden verricht om een betrouwbaar en relevant jaarlijks resterend foutenrisico op te leveren voor elk zekerheidspakket (TRFP);
  • een betrouwbaar jaarlijks resterend foutenrisico bekendmaakt in de JAV’s van elk DG (KPI 5);
  • in het AMPR een betrouwbaar jaarlijks foutenpercentage (risico bij betaling) voor cohesie presenteert.

18 Wij hebben de relevante processen en procedures beoordeeld voor de goedkeuring van de rekeningen, de beoordeling van de regelmatigheid van de uitgaven die ten grondslag liggen aan de jaarrekeningen van de zekerheidspakketten, alsook de wijze waarop de Commissie de informatie over de regelmatigheid opstelt en presenteert in de JAV’s en het AMPR.

19 Daartoe hebben wij het werk geanalyseerd dat de Commissie heeft verricht om een TRFP te berekenen voor de twee belangrijkste DG’s voor cohesie, namelijk de DG’s REGIO en EMPL, en op een geaggregeerd niveau in het AMPR:

  • Voor tien zekerheidspakketten — vijf van elk DG — analyseerden we de controles aan de hand van stukken die voor de boekjaren 2015/2016, 2016/2017 en 2017/2018 zijn verricht;
  • We selecteerden tien voltooide nalevingsgerichte controles — ook hier weer vijf voor elk DG — die de Commissie uitvoerde voor de boekjaren 2016/2017 en 2017/2018;
  • Voor elk van de geselecteerde nalevingsgerichte controles hebben wij één door de Commissie gecontroleerde concrete actie genomen en het controledossier in detail geëvalueerd;
  • We hebben de financiële correcties beoordeeld die voortvloeien uit 26 nalevingsgerichte controles die in 2018 zijn uitgevoerd.

20 Wij hebben het door de Commissie verrichte werk voor het boekjaar 2018/2019 uitgesloten van onze reikwijdte van de controle, aangezien de controlecyclus voor dat jaar ten tijde van onze controle nog niet was afgerond. Derhalve hebben wij ons vooral gericht op de werkzaamheden van de Commissie voor de boekjaren 2016/2017 en 2017/2018.

Opmerkingen

Met nieuwe wettelijke bepalingen worden enkele beperkingen in de goedkeuring van rekeningen aangepakt, maar de vrijgave van de ingehouden betalingen gaat nog steeds gepaard met enkele risico’s

21 Ons onderzoek van een steekproef van tien zekerheidspakketten bevestigde dat de Commissie overeenkomstig de wettelijke bepalingen gerichte werkzaamheden verricht op de rekeningen van de lidstaten. Zij keurt deze goed wanneer de auditautoriteit een controleoordeel zonder voorbehoud heeft afgegeven over de volledigheid, nauwkeurigheid en juistheid ervan, tenzij de Commissie over specifieke bewijzen beschikt dat dit controleoordeel onbetrouwbaar is. Het foutenpercentage speelt geen rol bij het bepalen van de goedkeuring. Bijgevolg geeft de Commissie de aanvankelijk ingehouden 10 % van betalingen vrij, zelfs als zij over bewijzen beschikt dat de uitgaven in de rekeningen een materieel foutenpercentage bevatten, namelijk een TRFP van meer dan 2 %. Met de wettelijke bepalingen inzake de goedkeuringsprocedure kan de algemene doelstelling om de EU-begroting te beschermen, derhalve niet worden verwezenlijkt totdat de beoordeling van de regelmatigheid is voltooid. Kader 1 illustreert deze beperking.

Kader 1

Goedkeuring van rekeningen met materieel foutenpercentage

De nationale auditautoriteit gaf een controleoordeel met voorbehoud af over het zekerheidspakket 2017‑2018 en bevestigde een TRFP van 8,54 %. De Commissie verzocht de auditautoriteit het controleoordeel over de rekeningen te wijzigen in een oordeel zonder voorbehoud, met als argument dat het hoge restfoutenpercentage geen gevolgen had voor de rekeningen, maar alleen voor de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven en de beheers- en controlesystemen. De auditautoriteit heeft haar oordeel met voorbehoud dan ook gewijzigd. Zij heeft haar voorbehoud ten aanzien van de rekeningen geschrapt, maar het voorbehoud ten aanzien van de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven en de werking van het beheers- en controlesysteem gehandhaafd. Overeenkomstig de verordening betekende dit dat de rekeningen werden goedgekeurd en de inhouding van 10 % werd vrijgegeven voordat de vereiste correcties waren uitgevoerd om het TRFP onder de 2 % te brengen.

22 Het nieuwe rechtskader voor de programmeringsperiode 2021‑2027 pakt de beperkingen wat betreft de goedkeuring van de rekeningen gedeeltelijk aan. De inhouding zal worden verlaagd tot 5 % en de Commissie kan de rekeningen niet goedkeuren indien het door de auditautoriteiten gerapporteerde TRFP meer dan 2 % bedraagt. De beoordeling door de Commissie van de betrouwbaarheid van het gerapporteerde TRFP en de bijbehorende regelmatigheid van de betrokken uitgaven zal echter nog steeds na de goedkeuring van de rekeningen plaatsvinden. Wij hebben deze kwestie aan de orde gesteld in ons Advies nr. 6/2018, waarin wij benadrukten dat er bij de goedkeuring van de rekeningen door de Commissie geen rekening wordt gehouden met latere financiële correcties door de Commissie of de noodzaak om foutenpercentages te wijzigen, aangezien de desbetreffende uitgaven na de goedkeuring van de rekeningen nog worden onderworpen aan aanvullende controles door de Commissie[5].

De inherente beperkingen van de controles aan de hand van stukken door de Commissie gaan ten koste van de bijdrage ervan tot de bevestiging van het TRFP

De controles aan de hand van stukken door de Commissie zijn niet ontworpen om bijkomende niet-subsidiabele uitgaven op te sporen

23 Bij de controles aan de hand van stukken ter beoordeling van de regelmatigheid analyseert de Commissie de in elk zekerheidspakket verstrekte informatie aan de hand van gestandaardiseerde checklists. In tegenstelling tot de procedure voor de goedkeuring van de rekeningen hebben deze controles aan de hand van stukken tot doel de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende concrete acties te controleren en de betrouwbaarheid van de door de auditautoriteiten gerapporteerde TRFP’s te bevestigen.

24 Daartoe beoordeelt de Commissie niet alleen de ontvangen zekerheidspakketten, maar houdt zij ook rekening met andere controle-informatie. Deze andere controle-informatie heeft gewoonlijk niet alleen betrekking op de werkzaamheden van de auditautoriteit, maar bestrijkt ook andere elementen van de beheers- en controlesystemen, gebaseerd op de vroegtijdige preventieve systeemcontroles en andere thematische controles van de Commissie.

25 De controle aan de hand van stukken waarbij informatie over de regelmatigheid wordt gecontroleerd, bestrijkt de informatie in het jaarlijks controleverslag, het controleoordeel en de andere documenten in het zekerheidspakket. Ter aanvulling op de controles aan de hand van stukken kan de Commissie ook vóór of na ontvangst van het zekerheidspakket onderzoeksmissies naar de auditautoriteiten uitvoeren. Tot de herziening van 2020 voorzag de methodologie van de Commissie voor controles aan de hand van stukken en onderzoeksmissies echter niet in de beoordeling of verificatie van de regelmatigheid van afzonderlijke concrete acties of uitgavenposten. Ons onderzoek van tien zekerheidspakketten wees uit dat de Commissie elk zekerheidspakket op gestructureerde wijze heeft beoordeeld, maar dat de impact van deze beoordelingen op de regelmatigheid van de uitgaven beperkt was, zoals in de volgende paragrafen wordt uiteengezet.

26 Wij constateerden dat de Commissie op basis van haar controles aan de hand van stukken eerder door de auditautoriteiten gemelde TRFP's had gewijzigd. We analyseerden een steekproef van tien van die gevallen met betrekking tot het boekjaar 2017/2018, waarin een ingrijpende wijziging plaatsvond. Wij constateerden dat de wijziging in alle gevallen gebaseerd was op een rekenfout van de auditautoriteit of op bevindingen van andere controleopdrachten, zoals de vroegtijdige preventieve systeemcontroles van de Commissie, haar eerdere nalevingsgerichte controles of onze eigen werkzaamheden. Om bijkomende fouten te vinden naast die welke reeds werden ontdekt door de auditautoriteit in het kader van haar controles van concrete acties, zou de Commissie aanvullende werkzaamheden moeten verrichten op het niveau van concrete acties, wat de inherente beperking van de controles aan de hand van stukken door de Commissie illustreert.

27 Daarnaast beoordeelt de Commissie elk auditverslag van een nationaal systeem en neemt zij de informatie in aanmerking voor de conclusie naar aanleiding van de controle aan de hand van stukken inzake de wettigheid en regelmatigheid van de in het zekerheidspakket gecertificeerde uitgaven. De documentatie van de Commissie van het werk dat is verricht om de controleverslagen van nationale systemen te beoordelen, was echter niet gedetailleerd genoeg. De checklists van de Commissie bevatten drie vragen die de auditors vaak alleen met ja/nee beantwoordden zonder toelichtend commentaar. Doordat gedetailleerdere informatie ontbrak, hadden wij geen inzicht in de werkzaamheden die waren verricht en konden wij niet bevestigen dat deze toereikend waren.

Zowel bij de nalevingsgerichte controles van de Commissie als bij onze controles werden fouten van materieel belang aangetroffen die niet tijdens de controles aan de hand van stukken ontdekt hadden kunnen worden

28 Uit onze analyse bleek dat de Commissie naar aanleiding van de nalevingsgerichte controles die zij tussen 2018 en 2020 voor de boekjaren 2016/2017 en 2017/2018 heeft verricht, een aanzienlijk aantal TRFP’s had aangepast. In ongeveer twee vijfde (42 %) van de gevallen trof de Commissie fouten aan die bijdroegen tot een verhoging van het TRFP tot boven de 2 %, zoals uiteengezet in figuur 5. In bijna een vijfde (17 %) van deze gevallen bedroeg het TRFP meer dan 5 %. De bijkomende fouten die leidden tot een aangepast TRFP waren niet ontdekt tijdens de eerdere controles aan de hand van stukken.

Figuur 5 — Aantal OP’s waarvoor de Commissie het TRFP heeft gewijzigd na een nalevingsgerichte controle

Bron: ERK.

29 Bovendien bleek uit onze eigen werkzaamheden in het kader van de betrouwbaarheidsverklaring in 2017[6], 2018[7] en 2019[8] dat het TRFP in 23 van de 47 zekerheidspakketten (49 %) aanzienlijk te laag was gerapporteerd door de auditautoriteit. In alle 23 gevallen had het gerapporteerde TRFP boven de materialiteitsdrempel van 2 % moeten liggen.

30 Hoewel de Commissie een gestructureerde beoordeling uitvoert van de in de zekerheidspakketten verstrekte informatie, met name van de jaarlijkse controleverslagen, heeft onze analyse uitgewezen dat onregelmatige uitgaven onopgemerkt en ongecorrigeerd zijn gebleven bij de controles aan de hand van stukken. De controles aan de hand van stukken door de Commissie zijn niet ontworpen om bijkomende niet-subsidiabele uitgaven op te sporen, waardoor de toegevoegde waarde ervan beperkt is wat betreft het bevestigen van de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen en de geldigheid van het door de auditautoriteiten gerapporteerde TRFP.

De Commissie heeft niet altijd haar op risico gebaseerde aanpak gevolgd om de meest risicovolle auditautoriteiten te selecteren voor nalevingsgerichte controles

31 De controlestrategie van de Commissie schrijft voor dat zij een op risico’s gebaseerde aanpak volgt. Daartoe voert zij jaarlijks een risicobeoordeling uit om de meest risicovolle auditautoriteiten te selecteren die onder haar nalevingsgerichte controles zullen vallen. Beide DG’s gebruiken dezelfde criteria en aanpak voor hun jaarlijkse risicobeoordeling, waarbij eveneens rekening wordt gehouden met de informatie die wordt verkregen uit de controle aan de hand van stukken van de zekerheidspakketten. Uit de risicobeoordeling vloeit voort dat de auditautoriteiten op risico worden beoordeeld en een specifieke risicoscore krijgen toegewezen.

32 Bovendien voert de Commissie voor elk OP een beoordeling van specifieke risicofactoren uit. Na het risiconiveau te hebben beoordeeld van de OP’s die onder de verantwoordelijkheid vallen van de auditautoriteiten waaraan eerder een risicoscore is toegekend, selecteert de Commissie de auditautoriteiten en OP’s voor haar nalevingsgerichte controles.

33 Bij ons onderzoek van de risicobeoordelingen die beide DG’s in de jaren 2018 en 2019 hebben verricht, hebben wij vastgesteld dat de Commissie haar procedure niet altijd heeft gevolgd. Zo kende zij aan een bepaald risico een waarde van twintig toe, terwijl de procedure slechts in vijf punten voorzag. In sommige gevallen kende zij geen waarde van nul (voor “ja”) en tien (voor “nee”) toe, maar kende zij vijf punten toe, terwijl haar procedures niet in deze mogelijkheid voorzagen. De inconsistenties hadden impact op de totale risicoscore voor de afzonderlijke auditautoriteiten en dus op de wijze waarop de Commissie deze rangschikte bij de opstelling van het controleplan. Zij wijzen ook op tekortkomingen in dit proces.

34 Om de degelijkheid van de risicobeoordeling van de Commissie te beoordelen, zijn wij nagegaan of de resultaten van de Commissie zoals gepresenteerd in de definitieve verslagen van nalevingsgerichte controles van 2017, 2018 en 2019 haar aanvankelijke risicobeoordeling bevestigden — d.w.z. of er terecht een hoog of laag risico werd toegekend aan de auditautoriteiten. Wij beschouwden een auditautoriteit als een autoriteit met een hoog risico wanneer haar risicoscore boven de gemiddelde risicoscore van de Commissie ligt, en dus als een autoriteit met een laag risico wanneer deze eronder ligt. We constateerden dat de Commissie het TRFP had herzien voor elf van de dertien auditautoriteiten met een laag risico. In twee gevallen steeg het TRFP door deze herziening tot boven de 2 %. In de resterende negen gevallen leidde deze herziening niet tot een wijziging van de conclusie dat het gerapporteerde TRFP onder de 2 % lag. Hieruit blijkt dat twee van de auditautoriteiten in feite geen laag risico hadden. Voor de auditautoriteiten met een hoog risico wijzigde de Commissie de foutenpercentages vaker tot boven de 2 % (in 20 van de 39 gevallen).

35 Op basis van onze eigen werkzaamheden in het kader van de betrouwbaarheidsverklaring zouden de TRFP’s volgens ons boven de 2 % liggen voor drie van de acht auditautoriteiten met een laag risico die werden bestreken door onze gegevensgerichte toetsing. Wat de impact betreft, illustreert figuur 6 dat de gemiddelde aanpassing van de door auditautoriteiten met een laag risico gemelde TRFP’s hoger is dan de aanpassing die nodig is voor auditautoriteiten met een hoog risico. Dit betekent dat de beoordeling door de Commissie om te bepalen wat een autoriteit met een laag risico is, afhankelijk is van de informatie die op een gegeven ogenblik beschikbaar is en dat deze inherente beperkingen heeft.

Figuur 6 — Gemiddelde impact van onze werkzaamheden op de restfoutenpercentages die zijn gemeld door auditautoriteiten (AA’s) met een hoog en met een laag risico

Bron: ERK.

36 Wij onderzochten eveneens het controleplan 2019 van de Commissie om na te gaan of de auditautoriteiten die als het meest risicovol waren aangemerkt, waren geselecteerd. We constateerden dat acht van de twaalf door DG EMPL geselecteerde auditautoriteiten een risicoscore onder het algemene gemiddelde van 32 % hadden. De Commissie heeft de motivering voor deze afwijking van het resultaat van haar risicobeoordeling echter niet gedocumenteerd. Bijgevolg konden wij niet bevestigen of de Commissie altijd haar op risico gebaseerde aanpak volgde bij de selectie van de meest risicovolle auditautoriteiten voor nalevingsgerichte controles. In tabel 1 zijn de risicoscores en geselecteerde auditautoriteiten per DG weergegeven.

Tabel 1 — Overzicht van risicoscores voor geselecteerde auditautoriteiten

2019 — risicobeoordeling REGIO EMPL
Aantal beoordeelde auditautoriteiten 83 101
Gemiddelde risicoscore van beoordeelde auditautoriteiten 38 % 30 %
2019 — controleplan    
Uitgevoerde nalevingsgerichte controles 14 12
Voor nalevingsgerichte controles geselecteerde auditautoriteiten 11 12
Gemiddelde risicoscore voor de geselecteerde auditautoriteiten 53 % 26 %
Geselecteerde auditautoriteiten met een risicoscore boven het gemiddelde 10 4

Bron: ERK.

Hoewel de Commissie onregelmatige uitgaven opspoort bij haar nalevingsgerichte controles, herziet zij vaak haar definitieve controleresultaten in de follow-upfase met de lidstaten

Bij nalevingsgerichte controles zijn onregelmatige uitgaven aangetroffen, maar in onze steekproef bleven twee fouten onopgemerkt

37 Met haar nalevingsgerichte controles wil de Commissie redelijke zekerheid verkrijgen dat het werk van de auditautoriteiten betrouwbaar is. Daartoe onderzoekt de Commissie bij elke nalevingsgerichte controle gewoonlijk acht tot tien concrete acties die eerder door de auditautoriteit zijn onderzocht.

38 Wij analyseerden een steekproef van tien nalevingsgerichte controles van de Commissie, waarbij in totaal 73 concrete acties waren betrokken. Voor 28 van deze 73 concrete acties rapporteerde de Commissie bevindingen met een financiële impact in haar definitieve verslag van de nalevingsgerichte controle. Dit betekent dat er niet-subsidiabele uitgaven zijn ontdekt die van invloed kunnen zijn op het TRFP. In onze steekproef van tien willekeurig geselecteerde concrete acties troffen wij voor twee acties bijkomende fouten aan die de Commissie niet had ontdekt.

39 In één geval stelden wij vast dat de overheadkosten werden vergoed op basis van een vast percentage (vereenvoudigde kostenoptie). Hoewel in de verordening wordt bepaald dat vereenvoudigde kostenopties vooraf moeten worden goedgekeurd en toegekend, werd het vaste percentage in dit geval pas tijdens de uitvoering van de concrete actie goedgekeurd. Bovendien hadden de auditautoriteit noch de auditors van de Commissie ontdekt dat de kosten niet waren gedeclareerd volgens de in de subsidieovereenkomst vastgestelde methodologie. In dit verband merkten wij op dat de Commissie in haar werkdocumenten naar de verkeerde wettelijke bepaling had verwezen. Wij concluderen dat de gedeclareerde kosten niet in overeenstemming waren met de rechtsgrondslag en derhalve niet subsidiabel waren. Deze fout heeft als gevolg dat het door de Commissie in haar definitieve verslag van de nalevingsgerichte controle gerapporteerde TRFP te laag was opgegeven.

40 In het tweede geval betrof een concrete actie de aankoop van twee vaartuigen die bestemd waren voor de organisatie van meerdaagse riviercruises. Volgens de autoriteiten van de lidstaat en de Commissie werden de activiteiten als “overige ontspanning en recreatie” ingedeeld, en was de steun vrijgesteld van de verplichting tot aanmelding van staatssteun. Aangezien de begunstigde in de aanvraag had aangegeven dat de vaartuigen gedeeltelijk zouden worden geëxploiteerd door entiteiten binnen dezelfde groep waartoe de begunstigde behoorde, is het waarschijnlijk dat de steun de activiteiten in de cruisesector zal bevorderen. De Commissie heeft deze sector uitdrukkelijk ingedeeld bij de vervoerssector, die niet is vrijgesteld van de verplichting tot aanmelding van staatssteun. Aangezien de groepsstructuur noch de exploitatieovereenkomsten door de lidstaten of de auditors van de Commissie werden geanalyseerd, concluderen wij dat er mogelijk niet is voldaan aan de vereiste subsidiabiliteitselementen voor de goedkeuring van de concrete actie en dat de uitgaven niet subsidiabel hadden mogen worden verklaard.

41 Naast de hierboven genoemde kwesties constateerden wij bij één van de tien door ons onderzochte nalevingsgerichte controles dat de DG’s REGIO en EMPL tot uiteenlopende conclusies waren gekomen over de definitieve TRFP’s (ziekader 2). In dit geval had de auditautoriteit een gemeenschappelijk foutenpercentage gemeld dat betrekking had op de middelen van beide DG’s. Een soortgelijk probleem hebben wij ook geconstateerd bij een van de controles aan de hand van stukken in onze steekproef. Wij wijzen in dit verband op de oprichting in juli 2021 van het gemeenschappelijk auditdirectoraat Cohesie (Joint audit directorate for Cohesion — DAC), waar alle controleactiviteiten van de uitgaven voor cohesie onder vallen. De opdracht van het DAC bestaat erin de beide directeuren-generaal zekerheids- en controlefuncties te verlenen en alle controlefuncties te bestrijken die onder hun verantwoordelijkheid vallen. De samenvoeging van de twee voorheen afzonderlijke auditdirectoraten van de DG’s REGIO en EMPL moet bijdragen tot de consistentie van de controlewerkzaamheden en -beoordelingen van de Commissie.

Kader 2

Nalevingsgerichte controle — Gemeenschappelijke steekproef van vier OP’s onder het EFRO en het ESF

Een auditautoriteit gaf haar oordeel inzake de wettigheid en regelmatigheid af op grond van een gemeenschappelijke steekproef van concrete acties in het kader van OP’s onder het EFRO en het ESF voor het boekjaar 2016/2017. Door een gemeenschappelijke steekproef onder twee fondsen te trekken, produceerde de auditautoriteit één gemeenschappelijk foutenpercentage voor beide fondsen.

Na de controle van de gemeenschappelijke steekproef van concrete acties meldde de auditautoriteit een gemeenschappelijk TRFP van 0,0 %. Zowel DG REGIO als DG EMPL besloten een nalevingsgerichte controle uit te voeren.

Naar aanleiding van de nalevingsgerichte controle door DG REGIO van acht concrete acties voor de OP’s in het kader van het EFRO stelde het DG het gemeenschappelijke TRFP bij tot 6,9 %. Terwijl DG REGIO het gemeenschappelijke foutenpercentage hanteerde, rapporteerde DG EMPL alleen een foutenpercentage voor de OP’s in het kader van het ESF, namelijk 0,3 %. Aangezien het TRFP voor alleen de OP’s in het kader van het EFRO 21,3 % zou bedragen, leidt dit tot een aanzienlijke onderschatting op het niveau van de Commissie.

In dit geval had door de steekproefomvang elk DG conclusies kunnen trekken over zijn middelen. Zij hadden echter moeten coördineren en dezelfde aanpak moeten volgen, hetzij door beide het TRFP voor hun middelen in aanmerking te nemen, hetzij door beide het gemeenschappelijke percentage in acht te nemen, teneinde een onderschatting van het risico op het niveau van de Commissie te voorkomen.

42 Wij onderzochten de documentatie van de Commissie over het werk dat zij heeft verricht voor de 73 concrete acties waarop haar nalevingsgerichte controles betrekking hadden. Adequate documentatie is een vereiste van de internationale controlenormen, met name wanneer andere auditors zich op de controlewerkzaamheden en de bevindingen willen baseren.

43 Elk DG heeft specifieke checklists voor het onderzoek van de geselecteerde concrete acties ontwikkeld. Wij constateerden dat meer dan een derde (37 %) van de checklists niet was ingevuld, aangezien een of meer controlevragen niet waren beantwoord. Als deze vragen wel waren beantwoord, bleef het antwoord vaak beperkt tot “ja” of “nee”, zonder aanvullende informatie aan de hand waarvan een onafhankelijke onderzoeker kon nagaan of het onderliggende werk dat tot dit antwoord had geleid, adequaat was. De documentatie met betrekking tot de door de Commissie getoetste uitgaven vertoonde eveneens tekortkomingen, aangezien voor bijna een vijfde (18 %) van de onderzochte controledossiers de informatie over het aantal en de waarde van de getoetste uitgavenposten niet beschikbaar was. Figuur 7 geeft een overzicht van de tekortkomingen die wij aantroffen in de controledocumentatie van de Commissie.

Figuur 7 — Tekortkomingen in de controledocumentatie van de Commissie

Bron: ERK.

De Commissie herziet haar definitieve controleresultaten vaak tijdens de follow-upfase met de lidstaten

44 Wanneer de Commissie haar werkzaamheden heeft voltooid, brengt zij een ontwerpcontroleverslag met de bevindingen van haar nalevingsgerichte controles uit. Overeenkomstig de bepalingen van de GB-verordening[9] (verordening gemeenschappelijke bepalingen) en internationale controlenormen hebben de lidstaten de gelegenheid opmerkingen te maken over de eerste beoordeling van de Commissie en deze te betwisten. Nadat de Commissie de antwoorden van de lidstaat heeft geanalyseerd, brengt zij overeenkomstig haar interne voorschriften een definitief controleverslag uit waarin haar eindconclusies en zo nodig de vereiste correcties worden vermeld. De Commissie heeft na haar controle ter plaatse drie maanden de tijd om haar ontwerpverslag in te dienen, en nog eens drie maanden om het eindverslag uit te brengen nadat zij een volledig antwoord van de nationale autoriteiten heeft ontvangen.

45 Nadat het definitieve controleverslag is uitgebracht, leidt de Commissie de follow-upfase in, waarbij zij verifieert of de autoriteiten van de lidstaten de uit haar bevindingen voortvloeiende correcties hebben aanvaard en toegepast, dan wel of zij een procedure voor financiële correctie moet inleiden[10]. In het algemeen moedigt de Commissie de autoriteiten van de lidstaten aan de correcties te verrichten en voert zij zo nodig verdere besprekingen.

46 Voor twee van de tien door ons onderzochte verslagen van nalevingsgerichte controles keurden de lidstaten de controleresultaten goed en voerden zij de correcties uit. Voor de overige acht verslagen stelden wij vast dat de Commissie en de lidstaten informatie en standpunten bleven uitwisselen. In drie gevallen heeft de Commissie haar beoordeling in het eindverslag herzien: in één geval heeft de Commissie één bevinding laten vallen; en in de twee andere gevallen heeft de Commissie de financiële impact van de fouten opnieuw beoordeeld — zie kader 3 hieronder. De overige vijf gevallen liepen nog ten tijde van onze controle; in één geval 24 maanden nadat het definitieve controleverslag was uitgebracht, zonder dat de Commissie een definitief besluit had genomen. Bijgevolg waren de conclusies in de door ons onderzochte definitieve controleverslagen in de praktijk niet definitief en gold daarvoor een voorbehoud van verdere wijzigingen. In dit verband merken wij op dat de Commissie een definitief foutenpercentage niet formeel bevestigt.

Kader 3

De definitieve foutenpercentages zijn in werkelijkheid niet definitief

DG EMPL heeft voor één OP een nalevingsgerichte controle uitgevoerd, waarbij het acht concrete acties heeft onderzocht die eerder door de auditautoriteit waren onderzocht. In het eindverslag van de Commissie werd geconcludeerd dat zes concrete acties bijkomende fouten bevatten, waarvan er één een fout van 100 % was omdat de actie niet voldeed aan de subsidiabiliteitscriteria van het OP. Zij heeft het TRFP herberekend en bijgesteld van 1,8 % naar 5,5 %. DG EMPL heeft de lidstaat eveneens in kennis gesteld van de door te voeren correcties om het TRFP terug te brengen tot onder 2 %.

De lidstaat was het echter niet eens met de beoordeling van de Commissie. In een latere follow-upbrief aanvaardde DG EMPL het argument van de lidstaat dat de fout niet “toevallig” was, d.w.z. niet in de rest van de populatie voorkwam, maar “systemisch” was, d.w.z. alleen in specifieke omstandigheden voorkwam, hetgeen tot een TRFP van 2,0 % leidde.

Naar onze mening was de herclassificatie van een toevallige fout tot een systemische fout niet gerechtvaardigd omdat de definitie in de richtsnoeren van de Commissie niet werd gevolgd[11]. De autoriteiten van de lidstaat bevestigden aan de Commissie dat deze fout geen impact had op niet-gecontroleerde concrete acties in de populatie. Bijgevolg was het TRFP niet definitief in het definitieve controleverslag en werd het nog steeds te laag geschat.

De Commissie heeft nog geen financiële nettocorrecties uitgevoerd

47 Uit onze beoordeling van de 26 nalevingsgerichte controles die in 2018 zijn uitgevoerd (het meest volledige jaar dat bij aanvang van onze controle beschikbaar was) bleek dat de uitvoering van correcties een langdurig proces is, dat meerdere jaren in beslag kan nemen; dit is het gevolg van het wettelijke recht van de lidstaten om het verzoek van de Commissie om financiële correcties aan te vechten[12]. Volgens het definitieve controleverslag van de Commissie was er voor 19 van deze nalevingsgerichte controles een financiële correctie nodig. In negen gevallen hebben de autoriteiten van de lidstaten de correcties tegen 31 december 2020 volledig uitgevoerd. Daardoor konden de autoriteiten van de lidstaten deze onregelmatige uitgaven in latere boekhoudperioden vervangen door andere uitgaven. In alle overige tien gevallen waren de besprekingen met de lidstaten, inclusief de door de auditautoriteiten te verrichten aanvullende werkzaamheden, nog gaande. Twee van deze tien nalevingsgerichte controles zijn goed voor meer dan 50 % van de door te voeren correcties.

48 Eind 2020 hadden de autoriteiten van de lidstaten slechts een derde van het te corrigeren bedrag gecorrigeerd. Dit lage uitvoeringspercentage weerspiegelt de duur van de procedure.

49 In het rechtskader voor de periode 2014‑2020 is bepaald dat de Commissie financiële nettocorrecties moet toepassen in geval van ernstige tekortkomingen die niet door de lidstaat zijn vastgesteld[13] onder de in artikel 145, lid 7, van de GB-verordening vastgestelde voorwaarden. Financiële nettocorrecties houden in dat de middelen voor de betrokken lidstaten definitief worden verminderd. Per november 2021 heeft de Commissie nog geen financiële nettocorrecties doorgevoerd.

50 Om een regelmatigheidsindicator op beleidsniveau vast te stellen, berekent elk DG (REGIO en EMPL) eerst een gewogen gemiddeld TRFP voor de OP’s onder zijn beheer en publiceert het deze als een KPI in de respectieve JAV’s. Bij deze berekeningen wordt rekening gehouden met de resultaten van zowel controles aan de hand van stukken als nalevingsgerichte controles.

51 Hoewel de DG’s de KPI presenteren als hun beste schatting van het TRFP, hebben wij een aantal methodologische problemen geconstateerd die aanduiden dat de door de DG’s gepubliceerde KPI slechts een minimaal geschat foutenpercentage weergeeft. Wij merken tevens op dat de gepubliceerde KPI’s niet definitief zijn, aangezien de onderliggende TRFP’s op het niveau van OP’s nog kunnen worden herzien naar aanleiding van lopende of toekomstige controlewerkzaamheden. Deze methodologische kwesties worden in de volgende paragrafen behandeld.

De beperkingen van de methodologie van de Commissie maken het doorgaans alleen mogelijk een minimaal foutenpercentage op het niveau van OP’s vast te stellen

52 De nalevingsgerichte controles van de Commissie zijn gebaseerd op een steekproef van OP’s die reeds door de auditautoriteit zijn gecontroleerd. Overeenkomstig haar methodologie onderzoekt de Commissie doorgaans acht tot tien concrete acties voor elk van haar nalevingsgerichte controles. De Commissie selecteert deze concrete acties gewoonlijk op grond van een beoordeling, waarbij zij rekening houdt met een aantal risicofactoren, zoals de mogelijke aanwezigheid van staatssteun, het gebruik van overheidsopdrachten en het soort begunstigde. Bij de selectie van de concrete acties houdt zij ook rekening met de omvang van de concrete actie en de verschillende prioritaire assen.

53 Wij beoordeelden de steekproefselectie van de Commissie en constateerden dat de documentatie voor ons ontoereikend was om specifieke risico’s aan de geselecteerde concrete acties te koppelen. Voorts merken wij op dat het aantal geselecteerde concrete acties het wellicht niet altijd mogelijk maakt alle soorten concrete acties in de steekproef van de auditautoriteiten en de bijbehorende risico’s te bestrijken en de diversiteit te weerspiegelen van de prioriteiten van OP’s en van concrete acties waarvoor cohesiemiddelen worden toegekend. Dit is met name het geval wanneer een jaarlijks controleverslag betrekking heeft op meerdere OP’s.

54 Voor de tien door ons onderzochte nalevingsgerichte controles analyseerden wij de foutenfrequentie (het aandeel concrete acties met fouten die niet door de auditautoriteiten werden ontdekt) en de toename van het TRFP in procentpunten — zie tabel 2.

Tabel 2 — Overzicht van bijkomende fouten die bij de tien onderzochte nalevingsgerichte controles zijn ontdekt

Controle nr. Steekproefgrootte AA1 Steekproefgrootte COM1 Dekking (aantal concrete acties2 Aantal concrete acties met fouten2 Frequentie van bijkomende fouten Toename in procentpunt van het TRFP
Totaal
Totaal voor tien onderzochte nalevingsgerichte controles 487 73 15 % 28 38 % 1,94 %
DG REGIO
controle 1 99 8 8 % 3 38 % 0,36 %
controle 2 34 8 24 % 1 13 % 6,82 %
controle 3 6 4 67 % 1 25 % 0,86 %
controle 4 146 8 5 %  6 75 % 2,25 %
controle 5 30 8 27 % 3 38 % 4,20 %
DG EMPL
controle 6 40 8 20 % 4 50 % 0,29 %
controle 7 30 8 27 % 1 13 % 0,05 %
controle 8 30 5 17 % 1 20 % 0,00 %
controle 9 30 8 27 % 4 50 % 2,22 %
controle 10 42 8 19 % 4 50 % 2,38 %

1 AA betekent auditautoriteit, COM betekent Commissie.

2 De aantallen verwijzen naar de steekproef van de Commissie.

Bron: ERK.

55 Het aantal concrete acties dat werd opgenomen in de steekproef door de Commissie was over het algemeen in overeenstemming met haar methodologie, waardoor zij de door de auditautoriteit gecontroleerde concrete acties gedeeltelijk kan bestrijken. Voor de tien nalevingsgerichte controles die wij hebben onderzocht, bestreken de DG’s 15 % van de door de auditautoriteiten gecontroleerde concrete acties, goed voor 24 % van de uitgaven die door de steekproef van de auditautoriteiten werden bestreken. Zij ontdekten bij 38 % van de door hen gecontroleerde concrete acties bijkomende fouten die niet eerder bij de controles van de auditautoriteiten waren ontdekt, waarbij vaak verschillende soorten fouten werden opgespoord. Voor de fouten die zij ontdekte, beoordeelde de Commissie of dezelfde soorten fouten zich ook bij andere door de auditautoriteiten gecontroleerde concrete acties hebben voorgedaan. Bij vijf van de tien door ons onderzochte nalevingsgerichte controles kwamen sommige fouten opnieuw voor en de Commissie heeft de impact van deze fouten bepaald. Bij negen van de tien nalevingsgerichte controles waren andere fouten volgens haar eenmalig. In deze gevallen breidt de Commissie haar steekproef niet uit om het risico op verschillende soorten bijkomende fouten die eerder niet werden ontdekt, te verminderen.

56 Volgens ons wijst de hoge frequentie van onopgemerkte fouten die de Commissie in haar vaak beperkte steekproef van concrete acties heeft aangetroffen erop dat er waarschijnlijk nog meer soorten fouten voorkomen in de rest van de steekproef van de auditautoriteit die niet door de Commissie werd onderzocht. Dit betekent dat het TRFP in dergelijke gevallen een minimumpercentage op het niveau van OP’s is.

57 Kader 4 illustreert hoe de Commissie met haar aanpak slechts een minimaal foutenpercentage kan vaststellen.

Kader 4

Nalevingsgerichte controles — bijkomende fouten bleven onopgemerkt en ongecorrigeerd

DG REGIO voerde een nalevingsgerichte controle uit met betrekking tot meerdere OP’s voor het boekjaar 2016‑2017. Tijdens de controle heeft het de controle van 8 van de 99 door de auditautoriteit gecontroleerde concrete acties overgedaan. Bij drie van de acht concrete acties trof het DG bijkomende fouten aan die de auditautoriteit niet had ontdekt. Deze bijkomende fouten hadden een effect op het TRFP, dat werd bijgesteld van 1,18 % naar 1,54 %. Hoewel er drie bijkomende fouten voorkwamen in de steekproef van de Commissie, meende zij redelijke zekerheid te hebben dat er geen onopgemerkte fouten overbleven in de 91 concrete acties die zij niet had gecontroleerd. DG REGIO vertrouwde op de controlewerkzaamheden van de auditautoriteit voor die concrete acties.

Tijdens onze controle voor de betrouwbaarheidsverklaring 2018 controleerden wij 9 van de 91 niet door de Commissie gecontroleerde concrete acties, en stelden wij kwantificeerbare fouten vast in zes daarvan. Deze zes concrete acties met kwantificeerbare fouten bevatten verschillende soorten fouten. De Commissie was weliswaar op de hoogte van de fouten op het gebied van staatssteun die we hebben aangetroffen, maar zij had de andere soorten fouten in haar steekproef niet ontdekt. Op basis van onze werkzaamheden schatten wij dat het TRFP ten minste 7,10 % bedroeg, in vergelijking met de 1,54 % die uit de nalevingsgerichte controle van de Commissie naar voren kwam. Gezien de hoge frequentie van fouten met een financiële impact is het waarschijnlijk dat er nog andere fouten voorkomen in de concrete acties die niet door de Commissie of door ons zijn gecontroleerd.

Met haar methodologie kan de Commissie slechts een minimaal foutenpercentage op het niveau van DG’s schatten

58 Wij stelden vast dat controles aan de hand van stukken niet zijn ontworpen om bijkomende niet-subsidiabele uitgaven op te sporen, waardoor de toegevoegde waarde ervan beperkt is wat betreft het bevestigen van de geldigheid van de gemelde foutenpercentages. Zij vormen geen vervanging voor nalevingsgerichte controles (zie paragraaf 30). Desondanks vertrouwen de DG’s op de controles aan de hand van stukken als onderdeel van hun methodologie voor het vaststellen van een foutenpercentage op het niveau van zowel de fondsen als de DG’s (KPI 5). Zij maken echter geen raming van de impact van de fouten die bij nalevingsgerichte controles op de niet-gecontroleerde OP’s zijn aangetroffen (controles aan de hand van stukken) om het geaggregeerde foutenpercentage (KPI 5) te ramen.

59 Volgens ons is het niet terecht dat ervanuit wordt gegaan dat niet-gecontroleerde OP’s geen bijkomende fouten bevatten. Hoewel de Commissie een aanzienlijk aantal niet-gemelde fouten in de steekproef van door de auditautoriteiten gecontroleerde concrete acties/OP’s ontdekt, betekenen de methodologische gebreken in haar aanpak dat de foutenpercentages die zij op het niveau van DG’s als KPI rapporteert slechts een minimaal foutenpercentage kunnen zijn. Derhalve is het waarschijnlijk dat het werkelijke foutenniveau hoger ligt.

60 Naast deze KPI maken beide DG’s sinds 2018 ook een geschat maximaal foutenpercentage bekend; dit is bedoeld om rekening te houden met de mogelijke impact van lopende controlewerkzaamheden op de in de JAV’s gepresenteerde informatie over de regelmatigheid. Om dit maximumpercentage vast te stellen, hebben beide DG’s vaste percentages gehanteerd voor de OP’s waarvoor de controlewerkzaamheden nog geen uitkomst hadden.

61 Sinds 2019 wordt in beide JAV’s ook uitgelegd dat in de maximumpercentages rekening wordt gehouden met mogelijke fouten die buiten de steekproef van concrete acties vallen in OP’s die door de Commissie of door de ERK worden gecontroleerd. In ons Jaarverslag 2019 achtten wij dit percentage geschikter, omdat daarbij rekening wordt gehouden met de potentiële impact van de lopende controlewerkzaamheden[14]. Terwijl DG REGIO de in het JAV beschreven aanpak toepaste, hield DG EMPL niet ten volle rekening met mogelijke fouten naast die welke ontdekt waren. De aanpak van de Commissie, zoals toegepast door DG REGIO, is bedoeld om gevolg te geven aan onze bevinding[15] dat de controlewerkzaamheden worden voortgezet nadat de percentages in de JAV’s zijn gerapporteerd. Er wordt echter niet ingegaan op andere methodologische kwesties, zoals het feit dat er met controles aan de hand van stukken geen niet-subsidiabele uitgaven kunnen worden opgespoord, de beperkte dekking van OP’s door de nalevingsgerichte controles van de Commissie en het risico dat fouten onopgemerkt blijven in haar onderzoek van concrete acties.

Jaarlijkse foutenpercentages op het niveau van de fondsen of de DG’s zijn niet definitief

62 In ons Jaarverslag 2018 benadrukten wij dat in de meeste bepalingen die betrekking hebben op de afsluiting van de programma’s voor 2014‑2020 de definitieve beoordeling van de subsidiabiliteit van kosten die voor bepaalde concrete acties zijn gedeclareerd, uitgesteld wordt tot een later stadium, gewoonlijk bij de afsluiting van de programma’s[16]. Dit is het geval voor een reeks concrete acties in tal van OP’s, met name voor acties in verband met investeringen in het kader van financieringsinstrumenten, de verrekening van staatssteunvoorschotten, de definitieve beoordeling van inkomstengenererende concrete acties en de behandeling van niet-functionerende concrete acties. Hoewel de Commissie voorschotten voor financieringsinstrumenten heeft uitgesloten van de KPI’s die zij rapporteert in haar JAV’s, kan de uitgestelde beoordeling van de andere subsidiabiliteitskwesties van invloed zijn op de foutenpercentages die voor de jaren in kwestie worden gemeld. Dit bevestigt des te meer onze conclusie dat de in de JAV’s vermelde percentages niet noodzakelijk de definitieve beoordeling van de DG’s weergeven. Indien zich later een fout voordoet bij dit soort concrete acties, zullen de foutenpercentages van de betrokken OP’s moeten worden herbeoordeeld en verhoogd.

Punten van voorbehoud worden beïnvloed door het gebrek aan volledige informatie

63 In de JAV’s van de DG’s geven de directeuren-generaal een verklaring af waarin zij verzekeren dat de ingevoerde controleprocedures de nodige waarborgen bieden betreffende de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen. De directeuren-generaal kunnen een voorbehoud toevoegen met betrekking tot welbepaalde gebieden van ontvangsten en uitgaven als zij van mening zijn dat de algemene verklaring niet van toepassing is. Op cohesiegebied maken de directeuren-generaal punten van voorbehoud op het niveau van de OP’s, en niet op het niveau van de fondsen.

64 Volgens de instructies van de Commissie worden OP’s in het voorbehoud voor de programmeringsperiode 2014‑2020 opgenomen als aan ten minste een van de volgende criteria is voldaan[17]:

  • een totaal foutenpercentage (TFP) van meer dan 10 %;
  • tekortkomingen in essentiële onderdelen van de systemen, die zouden kunnen resulteren in/leiden tot onregelmatigheden van meer dan 10 % en waarvoor nog geen adequate corrigerende maatregelen zijn getroffen om de tekortkomingen te verhelpen;
  • een TRFP van meer dan 2 %;
  • materiële kwesties in verband met de volledigheid, nauwkeurigheid en waarheidsgetrouwheid van de rekeningen.

Bij haar besluit om al dan niet een voorbehoud te maken, houdt de Commissie eveneens rekening met kwalitatieve tekortkomingen die van grote invloed zijn op haar reputatie.

65 De Commissie past deze criteria toe op de uitgaven die zijn gedeclareerd in de meest recente beschikbare zekerheidspakketten. De Commissie verricht haar werkzaamheden voor de goedkeuring van de rekeningen weliswaar in het jaar waarin de JAV’s worden gepubliceerd, maar voltooit haar beoordeling van de regelmatigheid en bevestigt de TRFP’s per OP in de JAV’s van de daaropvolgende jaren.

66 Wij hebben de bevestigde percentages voor de boekjaren 2016/2017 en 2017/2018 onderzocht in de JAV’s van de daaropvolgende jaren (respectievelijk 2018 en 2019). Voor elk van de OP’s van beide DG’s analyseerden wij informatie uit latere nalevingsgerichte en andere controlewerkzaamheden nadat er punten van voorbehoud waren gemaakt. De resultaten worden weergegeven in figuur 8 en illustreren de inherente beperkingen van het systeem.

Figuur 8 — Overzicht van OP’s onder voorbehoud met hoge foutenpercentages en/of percentages boven de materialiteitsdrempel

Bron: ERK.

67 Over het geheel genomen blijkt uit onze analyse dat de directeuren-generaal hadden verklaard redelijke zekerheid te hebben over de regelmatigheid van de uitgaven in de JAV’s op basis van de voorlopige percentages voor OP’s. Uit de daaropvolgende controlewerkzaamheden bleek echter dat de aangepaste waarden voor het TFP in een aanzienlijk aantal gevallen meer dan 10 % en/of het TRFP meer dan 2 % bedroegen. Dit illustreert de beperkingen die inherent zijn aan de aanpak van de Commissie om punten van voorbehoud te maken op basis van de uitgaven per kalenderjaar. In kader 5 geven wij een voorbeeld ter illustratie van deze inherente beperking.

Kader 5

DG EMPL — Punten van voorbehoud worden gemaakt zonder volledige informatie

Na zijn beoordeling van een zekerheidspakket voor het boekjaar 2017/2018, dat betrekking heeft op de uitgaven van 1 juli 2017 tot en met 30 juni 2018, was DG EMPL van oordeel dat het TRFP voor een regionaal OP 2,00 % bedroeg. Aangezien dit percentage de desbetreffende drempel niet overschreed, heeft DG EMPL geen voorbehoud gemaakt en zekerheid verschaft over de uitgaven van 2018 voor dit OP in zijn JAV 2018.

De nalevingsgerichte controle die na de publicatie van het JAV 2018 werd uitgevoerd, resulteerde in een aangepast TRFP van 4,38 %, hetgeen de noodzaak van een voorbehoud zou hebben gerechtvaardigd indien de controlecyclus zou zijn voltooid.

De informatie over de regelmatigheid van de uitgaven voor cohesie in het AMPR neemt de tekortkomingen van de JAV’s over

Het college van commissarissen keurt met steun van de centrale diensten het AMPR goed en is verantwoordelijk voor de inhoud ervan

68 Wij richten ons in de volgende paragrafen op de presentatie van de regelmatigheidscijfers in deel 2 van het jaarlijks beheers- en prestatieverslag (Annual Management and Performance Report — AMPR), met inbegrip van het beleidsterrein cohesie. Het AMPR vormt de belangrijkste bijdrage van de Commissie aan de jaarlijkse kwijtingsprocedure en bestaat uit twee delen:

  • Deel 1 — Prestaties en resultaten — geeft een overzicht op hoog niveau van de bereikte resultaten[18].
  • Deel 2 — Interne controle en financieel beheer — geeft een overzicht van het beheer van de EU-begroting door de Commissie, met inbegrip van een samenvatting van de informatie uit de JAV’s, een raming van het foutenpercentage in de EU-uitgaven en het door de Commissie geraamde risico bij betaling voor de jaarlijkse relevante EU-uitgaven in het algemeen en voor de verschillende beleidsterreinen, waaronder cohesie[19].

69 De informatie over interne controle en financieel beheer die in het AMPR wordt gepresenteerd, is gebaseerd op de JAV’s van de verschillende directoraten-generaal van de Commissie. Wat betreft de verantwoordelijkheid voor de in het AMPR bekendgemaakte informatie geldt de verdeling van de verantwoordelijkheden zoals uiteengezet in de governanceregelingen van de Commissie. De directeuren-generaal zijn verantwoordelijk voor de betrouwbaarheid van de in hun respectieve JAV’s verstrekte informatie, terwijl het college van commissarissen het AMPR vaststelt en derhalve eindverantwoordelijk is voor en zeggenschap heeft over de opstelling van het verslag en de daarin gepresenteerde informatie.

70 Het proces dat leidt tot het AMPR, waarin deze verdeling van verantwoordelijkheden tot uiting komt en de inbreng van de directeuren-generaal (in de JAV’s), de centrale diensten en de dienst Interne Audit wordt uiteengezet, wordt weergegeven in figuur 9.

Figuur 9 — Proces van opstelling van deel 2 van het AMPR

Bron: ERK.

Het AMPR neemt de beperkingen over van de in de JAV’s van de DG’s REGIO en EMPL opgenomen informatie over de regelmatigheid

71 De centrale diensten van de Commissie, DG Begroting en het secretariaat-generaal zijn verantwoordelijk voor het opstellen van het AMPR, op basis van de JAV’s van de verschillende DG’s. Daartoe evalueren zij de inhoud van de JAV’s, geven zij feedback en organiseren zij vergaderingen voor collegiale toetsing met de DG’s, maar het zijn de directeuren-generaal die bevoegd blijven tot het aanbrengen van eventuele wijzigingen, overeenkomstig hun status als verantwoordelijke voor het dagelijks beheer van hun DG’s.

72 De centrale diensten stellen de bestuursraad in kennis van belangrijke kwesties die zij tijdens de collegiale toetsing aan het licht hebben gebracht. In de door ons onderzochte jaren gaven zij geen resterende problemen aan met de kernprestatie-indicatoren die in de JAV’s van de DG’s REGIO en EMPL werden gepresenteerd. In feite betekent dit dat de centrale diensten de in deze JAV’s gerapporteerde percentages en de onderliggende benadering hebben aanvaard.

73 Het risico bij betaling voor cohesie dat in de door ons onderzochte AMPR’s is vermeld, is derhalve aan dezelfde beperkingen onderhevig als de onderliggende cijfers die in de JAV’s van de DG’s worden gepresenteerd. Om de hierboven uiteengezette redenen is dit slechts een minimumpercentage (zie de paragrafen 58-62) dat niet definitief is en waarschijnlijk te laag wordt geschat.

74 Wij hebben in dit verband opgemerkt dat de centrale diensten instructies/richtsnoeren voor de JAV’s uitbrengen, met inbegrip van standaardvereisten voor kwaliteit en vergelijkbaarheid binnen de hele Commissie, maar dat zij van de eigenaar van het AMPR geen gedetailleerde instructies krijgen over de inhoud en de reikwijdte van het AMPR en de daarmee verband houdende evaluatie van de JAV’s van andere DG’s. Het uitbrengen van dergelijke instructies zou het college van commissarissen kunnen helpen ervoor te zorgen dat het relevante en betrouwbare informatie in het AMPR verstrekt[20].

Conclusies en aanbevelingen

75 In het kader van deze controle onderzochten wij de werkzaamheden van de Commissie met betrekking tot de jaarlijkse zekerheidspakketten van de lidstaten, die de basis vormen voor de validering en bevestiging van de jaarlijkse restfoutenpercentages die door de auditautoriteiten worden gemeld. Samen met de verslaglegging van de Commissie in haar jaarlijkse activiteitenverslagen (JAV’s) en het jaarlijks beheers- en prestatieverslag (AMPR) analyseerden wij de betrouwbaarheid van de door de Commissie verstrekte informatie over de regelmatigheid. Met onze aanbevelingen beogen wij de werking van het huidige beheers- en controlesysteem verder te verbeteren, zonder er extra lagen aan toe te voegen.

76 In het algemeen stelden wij vast dat de Commissie een aanzienlijke hoeveelheid werk verricht in verband met het goedkeuren van de jaarrekeningen van de lidstaten en het verifiëren van de betrouwbaarheid van de in de verslagen van de autoriteiten van de lidstaten verstrekte informatie over de regelmatigheid. Uit onze constateringen leiden wij echter af dat de Commissie slechts een minimumschatting van het foutenpercentage geeft die niet definitief is, op het niveau van de operationele programma’s (OP’s) en de directoraten-generaal (DG’s), en bijgevolg in haar AMPR.

77 Wij constateerden dat de Commissie voor 2014‑2020, overeenkomstig het regelgevingskader, de jaarrekeningen goedkeurde zonder rekening te houden met de regelmatigheid van de betrokken uitgaven (zie paragraaf 21). Hoewel de wetgever de inhouding van 10 % van de betalingen heeft ingevoerd teneinde de EU-begroting veilig te stellen, moest de Commissie deze vrijgeven, zelfs wanneer de auditautoriteiten van de lidstaten een restfout boven de materialiteitsdrempel van 2 % hadden bevestigd en de regelmatigheidscontroles van de Commissie nog moesten worden afgerond. De bepalingen inzake deze regelingen zijn gewijzigd voor de programmeringsperiode 2021‑2027 (zie paragraaf 22). Hoewel de Commissie niet langer rekeningen kan goedkeuren met een bevestigd totaal restfoutenpercentage (TRFP) boven de materialiteitsdrempel van 2 %, zal zij de verlaagde inhouding van 5 % blijven vrijgeven voordat zij haar regelmatigheidscontroles heeft voltooid.

Aanbeveling 1 — De Commissie moet een herziening van de wetgeving voorstellen om ervoor te zorgen dat de inhouding van betalingen adequaat wordt beschermd voordat deze wordt vrijgegeven

Om de EU-begroting veilig te stellen, bevelen wij de Commissie aan een herziening voor te stellen van het rechtskader voor de periode 2021‑2027 om het resterende risico aan te pakken wanneer de inhouding van 5 % wordt vrijgegeven. De Commissie zou deze pas moeten kunnen vrijgeven wanneer zij de werkzaamheden in verband met de regelmatigheid voor een OP voor een bepaalde boekhoudkundige periode heeft voltooid, of uiterlijk bij de afsluiting van het programma.

Tijdpad: Volgende herziening, uiterlijk bij de tussentijdse evaluatie van het rechtskader voor de programmeringsperiode 2021‑2027.

78 De controles aan de hand van stukken door de Commissie van alle door de lidstaten ingediende jaarlijkse zekerheidspakketten zijn niet ontworpen om bijkomende niet-subsidiabele uitgaven op te sporen (zie de paragrafen 23-25). Aanpassingen van foutenpercentages naar aanleiding van controles aan de hand van stukken zijn gewoonlijk gebaseerd op kwesties die in voorgaande jaren zijn ontdekt (zie paragraaf 26). Onze analyse heeft uitgewezen dat onregelmatige uitgaven onopgemerkt en ongecorrigeerd bleven bij de controles aan de hand van stukken (zie de paragrafen 28-30). Derhalve hebben zij slechts een beperkte waarde voor de bevestiging van de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen en de geldigheid van de door de auditautoriteiten gerapporteerde TRFP’s.

79 Hoewel de Commissie in haar controlestrategie voorziet in een op risico’s gebaseerde aanpak voor de selectie van auditautoriteiten voor haar nalevingsgerichte controles, constateerden wij dat de risicoclassificatie van de auditautoriteiten niet altijd tot uiting komt in de selectie van auditautoriteiten voor nalevingsgerichte controles (zie de paragrafen 33-35). Voorts constateerden wij dat de uiteindelijke selectie van auditautoriteiten, met name voor het directoraat-generaal Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Inclusie, niet geheel overeenkwam met de resultaten van zijn risicobeoordeling en de Commissie heeft de motivering voor deze afwijking niet gedocumenteerd (zie paragraaf 36).

80 Onze beoordeling van de controlewerkzaamheden van de Commissie bracht diverse tekortkomingen aan het licht. Wij troffen tekortkomingen aan in de controledocumentatie, waardoor wij moeilijk konden beoordelen of de door haar verrichte werkzaamheden adequaat waren (zie de paragrafen 42 en 43). Bij twee van de tien door ons onderzochte concrete acties troffen wij bijkomende fouten aan die van invloed waren op de regelmatigheid van de betrokken uitgaven en die de Commissie niet had ontdekt. Dit heeft ook een effect op de desbetreffende gemelde foutenpercentages (zie de paragrafen 38-40).

81 Wij constateerden dat de Commissie haar verslagen van nalevingsgerichte controles binnen de wettelijk vastgestelde termijnen uitbrengt (zie paragraaf 44). In de meeste gevallen die wij hebben onderzocht, is de Commissie echter ook na de toezending van het eindverslag informatie en standpunten met de lidstaten blijven uitwisselen in een follow-upfase, waarbij zij verifieert of de autoriteiten van de lidstaten de vereiste correcties hebben aanvaard en toegepast. Dit betekent dat de in de eindverslagen gepresenteerde resultaten en foutenpercentages niet altijd definitief waren (zie de paragrafen 45 en 46). In dit verband merken wij op dat de Commissie een definitief foutenpercentage niet formeel bevestigt aan de autoriteiten van de lidstaten.

82 Onze beoordeling van een steekproef van correcties wees uit dat deze worden uitgevoerd na een langdurig proces dat verscheidene jaren in beslag kan nemen, hetgeen een afspiegeling is van het wettelijke recht van de lidstaten om besluiten van de Commissie aan te vechten (zie de paragrafen 47 en 48). In november 2021 had de Commissie nog geen financiële nettocorrecties doorgevoerd (zie paragraaf 49).

83 Sommige subsidiabiliteitscriteria kunnen alleen worden gecontroleerd op het moment dat het programma wordt afgesloten. Dit is van invloed op de jaarlijkse beoordeling door de Commissie en betekent dat de jaarlijkse foutenpercentages van de betrokken OP’s mogelijk niet definitief zijn en moeten worden herbeoordeeld en verhoogd. Potentiële onregelmatige uitgaven in deze OP’s blijven onopgemerkt en ongecorrigeerd tot de afsluiting in een beheers- en controlesysteem voor de uitgaven voor cohesie, dat bedoeld was voor de jaarlijkse goedkeuring van rekeningen. De aanbeveling die wij over deze kwestie hebben gedaan in ons Jaarverslag 2018[21] blijft gelden (zie paragraaf 62).

Aanbeveling 2 — De Commissie moet haar controlewerkzaamheden, controledocumentatie en evaluatieproces verbeteren

Wij bevelen aan dat de Commissie de nodige stappen onderneemt om ervoor te zorgen dat:

  1. haar controleplan voor de naleving haar risicobeoordeling weerspiegelt. Wanneer andere factoren in aanmerking worden genomen en tot wijzigingen leiden, moet de Commissie de redenen voor die wijziging duidelijk documenteren en toelichten.
  2. haar controlewerkzaamheden voldoende zijn gedocumenteerd;
  3. haar evaluatieproces wordt versterkt teneinde mogelijke zwakke punten in haar eigen werk op te sporen en te corrigeren;
  4. de lidstaten een afzonderlijke formele bevestiging van het definitieve TRFP voor het OP en elk boekjaar ontvangen.

Tijdpad: Boekjaar 2020/2021.

84 De Commissie selecteert en evalueert bij haar nalevingsgerichte controles op basis van haar professionele oordeel gewoonlijk acht tot tien concrete acties uit de eigen steekproef van de auditautoriteit van de voor controle geselecteerde concrete acties (zie paragraaf 52). Deze evaluatie is een belangrijk element voor haar beoordeling van het werk van de auditautoriteit en de bijbehorende resultaten. Het feit dat de Commissie wel een aantal onopgemerkte fouten heeft aangetroffen in de nalevingsgerichte controles die wij hebben onderzocht, duidt erop dat — gezien haar beperkte dekking van de toetsing door de auditautoriteiten, alsook onze eigen resultaten — waarschijnlijk meer fouten onopgemerkt en ongecorrigeerd blijven (zie de paragrafen 53-55). Bijgevolg kan de Commissie op grond van haar methodologie doorgaans slechts een minimaal foutenpercentage op het niveau van OP’s vaststellen (zie de paragrafen 56 en 57).

85 Om een regelmatigheidsindicator op beleidsniveau vast te stellen, berekent elk directoraat-generaal (Regionaal Beleid en Stadsontwikkeling en Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Inclusie) eerst een gewogen gemiddeld TRFP voor de OP’s onder zijn beheer en publiceert het dit als een kernprestatie-indicator (KPI) in de respectieve JAV’s. Bij deze berekeningen wordt rekening gehouden met de resultaten van zowel controles aan de hand van stukken als nalevingsgerichte controles. Beide DG’s maken ook een geschat maximaal foutenpercentage bekend, dat is bedoeld om rekening te houden met de mogelijke impact van lopende controlewerkzaamheden op de in de JAV’s gepresenteerde informatie over de regelmatigheid. Hoewel de DG’s de KPI’s presenteren als hun beste schatting van het foutenpercentage, leiden wij uit onze werkzaamheden af dat de door de DG’s gepubliceerde KPI een minimum weergeeft. De reden hiervoor is de beperkte dekking door de Commissie van zowel OP’s als concrete acties door middel van haar nalevingsgerichte controles, de inherente beperkingen van haar controles aan de hand van stukken en de kwesties in verband met haar controlewerkzaamheden (zie de paragrafen 58 en 59). Volgens ons zijn de gepubliceerde KPI’s niet definitief, aangezien de onderliggende TRFP’s op het niveau van OP’s nog kunnen worden herzien naar aanleiding van lopende of toekomstige controlewerkzaamheden (zie de paragrafen 46 en 62).

86 De punten van voorbehoud van de DG’s ten aanzien van afzonderlijke programma’s vormen een ander belangrijk element in verband met de regelmatigheid van de uitgaven voor cohesie. De DG’s Regionaal Beleid en Stadsontwikkeling en Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Inclusie maken een voorbehoud op basis van uitgaven die nog niet zijn onderworpen aan de regelmatigheidscontroles van de Commissie (zie paragraaf 65). De inherente tijdsbeperkingen van het controleproces hadden tot gevolg dat voor de meeste OP’s waarvoor de controlewerkzaamheden van de Commissie in een materieel foutenpercentage resulteerden, geen voorbehoud was gemaakt in het vorige JAV (zie de paragrafen 66 en 67).

Aanbeveling 3 — De Commissie moet de voornaamste elementen van de in de JAV’s verstrekte informatie over de regelmatigheid versterken

Het geschatte foutenpercentage en de punten van voorbehoud vormen essentiële regelmatigheidsinformatie die de Commissie zou moeten versterken. Wij bevelen de Commissie aan om:

  1. de methodologische problemen aan te pakken die wij bij deze controle hebben aangetroffen en die resulteren in een minimale KPI (foutenpercentage). Met een dergelijke aanpak zou, voor de niet-gecontroleerde uitgaven, bij de KPI rekening kunnen worden gehouden met de hoge frequentie van de fouten met een financiële impact die worden aangetroffen bij nalevingsgerichte controles wanneer het geaggregeerde foutenpercentage wordt geraamd.
  2. de lezers een technische en complexe kwestie te helpen begrijpen en in de JAV’s duidelijker en nadrukkelijker uit te leggen dat de punten van voorbehoud zijn gebaseerd op foutenpercentages die niet bevestigd zijn, samen met het daarmee gepaard gaande risico.

Tijdpad: Boekjaar 2020/2021.

87 Het AMPR is een belangrijk verantwoordingsdocument waarin informatie over de interne controle en het financieel beheer van de Commissie wordt samengevat. Hoewel het college van commissarissen de eindverantwoordelijkheid draagt voor de in dit document gepresenteerde informatie, ondersteunen de centrale diensten het college bij het opstellen ervan. Hoewel de centrale diensten de leiding hebben bij het opstellen van het AMPR, constateerden wij dat er geen gedetailleerde instructies bestaan over de omvang van de inhoud en structuur van het AMPR en de bijbehorende collegiale toetsing van de JAV’s (zie paragraaf 74).

88 De voor cohesie verstrekte informatie over de regelmatigheid is een eenvoudige samenvoeging van de cijfers in de JAV’s van de DG’s Regionaal Beleid en Stadsontwikkeling en Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Inclusie; dit houdt in dat alle problemen die we met betrekking tot deze cijfers hebben vastgesteld, ook voor het AMPR gelden. Bijgevolg kan het gerapporteerde foutenpercentage slechts een minimumpercentage zijn waarbij het werkelijke foutenpercentage op het gebied van cohesie waarschijnlijk wordt onderschat (zie paragraaf 73).

Aanbeveling 4 — De centrale diensten moeten voor het opstellen van het AMPR instructies krijgen van de eigenaar ervan, het college van commissarissen

Het AMPR is een belangrijk verantwoordingsdocument van de Commissie dat aan de kwijtingsprocedure bijdraagt. Om ervoor te zorgen dat de eigenaar, het college van commissarissen, relevante en betrouwbare informatie verstrekt in het AMPR, en om de verantwoordelijkheden van de verschillende bij de opstelling en vaststelling van het verslag betrokken actoren beter weer te geven, bevelen wij aan dat de eigenaar van het AMPR instructies geeft aan de centrale diensten, waarin de inhoud en de structuur van het verslag worden uiteengezet en de reikwijdte van de evaluatie van de onderliggende JAV’s door de centrale diensten wordt omschreven.

Tijdpad: Voor de kwijting van 2021.

Dit verslag werd door kamer V onder leiding van de heer Tony Murphy, lid van de Rekenkamer, te Luxemburg vastgesteld op 3 november 2021.

 

Voor de Rekenkamer

Klaus-Heiner Lehne
President

Acroniemen en afkortingen

AA: auditautoriteit

AMPR: jaarlijks beheers- en prestatieverslag over de EU-begroting (Annual Management and Performance Report for the EU Budget)

BUDG: Begroting

DAC: gemeenschappelijk auditdirectoraat Cohesie

DG: Directoraat-generaal van de Commissie

EFRO: Europees Fonds voor regionale ontwikkeling

EMPL: Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Inclusie

ESF: Europees Sociaal Fonds

ESI-fondsen: Europese structuur- en investeringsfondsen

GB-verordening: verordening gemeenschappelijke bepalingen

IAS: dienst Interne audit van de Commissie

JAV: jaarlijks activiteitenverslag

KPI: kernprestatie-indicator

MFK: meerjarig financieel kader

OP: operationeel programma

REGIO: Regionaal Beleid en Stadsontwikkeling

SG: secretariaat-generaal van de Europese Commissie

TFP: totaal foutenpercentage

TRFP: totaal restfoutenpercentage

Woordenlijst

Afsluiting: de financiële afwikkeling van een EU-programma of -fonds door middel van de betaling van het verschuldigde saldo aan, of de terugvordering van middelen van een lidstaat of een ander begunstigd land.

Auditautoriteit: een onafhankelijke nationale entiteit die verantwoordelijk is voor het controleren van de systemen en activiteiten binnen een EU-uitgavenprogramma.

Beheersautoriteit: de nationale, regionale of plaatselijke (overheids- of particuliere) autoriteit die door een lidstaat is aangewezen voor het beheer van een door de EU gefinancierd programma.

Certificeringsautoriteit: een orgaan dat door een lidstaat is aangewezen om de juistheid en conformiteit van uitgavenstaten en betalingsverzoeken te certificeren.

Cohesiebeleid: het EU-beleid waarmee wordt beoogd de economische en sociale verschillen tussen regio’s en lidstaten te verkleinen door de bevordering van de werkgelegenheid, het concurrentievermogen van het bedrijfsleven, economische groei, duurzame ontwikkeling en grensoverschrijdende en interregionale samenwerking.

Contradictoire procedure: procedure waarbij de Commissie de resultaten van haar controles bespreekt met de gecontroleerde instantie of dienst om zich ervan te vergewissen dat deze goed gefundeerd zijn.

Controle aan de hand van stukken: beoordeling aan de hand van documenten van de in de zekerheidspakketten verstrekte informatie.

Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF): de vijf belangrijkste EU-fondsen, die samen de economische ontwikkeling in de hele EU ondersteunen: het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij.

Fout: het resultaat van een onjuiste berekening of een onregelmatigheid die voortvloeit uit de niet-naleving van wettelijke en contractuele vereisten.

Gedeeld beheer: een methode om de EU-begroting te besteden waarbij de Commissie, in tegenstelling tot direct beheer, delegeert aan de lidstaat maar toch de eindverantwoordelijkheid houdt.

Geschat foutenpercentage: een statistische schatting van het foutenpercentage dat een populatie vertoont op basis van de toetsing van een representatieve steekproef van acties.

Internationaal aanvaarde controlenormen: een reeks professionele normen waarin de verantwoordelijkheden van auditors zijn vastgelegd, uitgegeven door diverse normeringsinstanties.

Jaarlijks activiteitenverslag (JAV): een door ieder directoraat-generaal van de Commissie, iedere EU-instelling en elk EU-orgaan opgesteld verslag waarin wordt uiteengezet hoe het/zij heeft gepresteerd met betrekking tot zijn/haar doelstellingen en hoe het/zij zijn/haar financiële en personele middelen heeft benut.

Jaarlijks beheers- en prestatieverslag (AMPR): verslag dat de Commissie elk jaar opstelt over haar beheer van de EU-begroting en de behaalde resultaten; het bevat een samenvatting van de informatie in de jaarlijkse activiteitenverslagen van haar directoraten-generaal en uitvoerende agentschappen.

Jaarlijks controleverslag (JCV): document dat wordt opgesteld door de auditautoriteit van een lidstaat en wordt ingediend bij de Commissie als onderdeel van het jaarlijks zekerheidspakket van het land.

Kwantificeerbare fout: een typering die door de ERK bij het rapporteren van de resultaten van de toetsing van verrichtingen wordt gebruikt wanneer kan worden gemeten welk deel van een verrichting fouten vertoont.

Kwijting: een jaarlijks besluit van het Europees Parlement waarbij definitieve goedkeuring wordt verleend voor de wijze waarop de Commissie een begroting heeft uitgevoerd.

Nalevingsgerichte controle: controle om na te gaan of een activiteit in overeenstemming is met de toepasselijke wet- en regelgeving en de voorwaarden van eventuele contracten of overeenkomsten.

Onregelmatigheid: een inbreuk op EU-regels (of relevante nationale regelgeving) of contractuele verplichtingen.

Operationeel programma (OP): een OP beschrijft de prioriteiten en specifieke doelstellingen van een lidstaat en de benutting van de middelen (EU- en nationale openbare en particuliere cofinanciering) gedurende een bepaalde periode (in het algemeen zeven jaar) voor de financiering van concrete acties. De financiering van het OP kan afkomstig zijn uit het EFRO, het CF en/of het ESF.

Regelmatigheid: de mate waarin een verrichting of activiteit in overeenstemming is met de toepasselijke wet- en regelgeving en eventuele contractuele verplichtingen.

Representatief foutenpercentage: een statistische schatting van het foutenpercentage dat een populatie vertoont op basis van de toetsing van een representatieve steekproef van verrichtingen van die populatie.

Risico bij betaling: het geschatte totale risico “bij betaling” is de beste, voorzichtige schatting door de Commissie van de toegestane uitgaven gedurende het jaar die niet in overeenstemming zijn met de toepasselijke regelgevings- en contractbepalingen op het moment dat de betaling wordt verricht, uitgedrukt in waarde.

Systemische fout: systemische fouten zijn fouten die in de gecontroleerde steekproef worden aangetroffen en een impact hebben op de niet-gecontroleerde populatie en zich voordoen in welomschreven en soortgelijke omstandigheden. Dergelijke fouten hebben in het algemeen een gemeenschappelijk kenmerk, zoals het soort concrete actie, de plaats of de periode. Zij worden in het algemeen in verband gebracht met ondoeltreffende controleprocedures binnen (een deel van) de beheers- en controlesystemen.

Toevallige fout: de fouten die niet als systemisch, bekend of afwijkend worden beschouwd, worden als toevallige fouten aangemerkt. Dit concept veronderstelt dat het waarschijnlijk is dat toevallige fouten die in de gecontroleerde steekproef worden aangetroffen, ook voorkomen in de niet-gecontroleerde populatie.

Totaal foutenpercentage (TFP): het totale foutenpercentage komt overeen met de som van de volgende fouten: geraamde toevallige fouten (met inbegrip van de fouten die in de volledige strata zijn vastgesteld), afgebakende systemische fouten en ongecorrigeerde afwijkende fouten.

Totaal restfoutenpercentage (TRFP): het aandeel van een populatie dat niet regelmatig wordt geacht nadat rekening is gehouden met het effect van alle controleprocedures, terugvorderingen en correcties.

Verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen (GB-verordening): de verordening tot vaststelling van de regels die van toepassing zijn op alle vijf de Europese structuur- en investeringsfondsen.

Voorbehoud: tekortkoming waarop door een directeur-generaal wordt gewezen in de betrouwbaarheidsverklaring die in het jaarlijks activiteitenverslag is opgenomen.

Zekerheidspakket: het “zekerheidspakket” dat de autoriteiten van de lidstaten elk jaar vóór 15 februari (of vóór 1 maart in uitzonderlijke, door de Commissie goedgekeurde gevallen) moeten indienen en het volgende omvat: de door de certificeringsautoriteit opgestelde rekeningen, de beheersverklaring en de door de beheersautoriteit opgestelde jaarlijkse samenvatting van de definitieve controleverslagen en de verrichte controles, het jaarlijkse controleoordeel en het controleverslag van de auditautoriteit.

Controleteam

In de speciale verslagen van de ERK worden de resultaten van haar controles van EU-beleid en -programma’s of beheerthema’s met betrekking tot specifieke begrotingsterreinen uiteengezet. Bij haar selectie en opzet van deze controletaken zorgt de ERK ervoor dat deze een maximale impact hebben door rekening te houden met de risico’s voor de prestaties of de naleving, de omvang van de betrokken inkomsten of uitgaven, de verwachte ontwikkelingen en de politieke en publieke belangstelling.

Deze doelmatigheidscontrole werd verricht door controlekamer V “Financiering en administratie van de Unie”, die onder leiding staat van ERK-lid Tony Murphy. De controle werd geleid door ERK-lid Tony Murphy, ondersteund door Wolfgang Stolz, kabinetschef, en Brian Murphy, kabinetsattaché; Juan Ignacio Gonzalez Bastero, hoofdmanager; Susanna Rafalzik, taakleider; Anna Despotopoulou, adjunct-taakleider; Johan Adriaan Lok, Jiří Beneš, Marcel Bode, Peter Borsos, Maria Pia Brizzi, Kevin Deceuninck, Przemyslaw Dowgialo, Sandra Dreimane, Andrea Ferraris, Laure Gatter, Jorge Guevara Lopez, Martina Jurjevic, Agnieszka Kondzielska, Nikolaos Kylonis, Borja Martin Simon, Dana Christina Mohamed, Rene Reiterer, Orsolya Szarka, Peggy Vercauteren en Dilyanka Zhelezarova, auditors. James Verity verleende taalkundige ondersteuning.

 

Achterste rij van links naar rechts: Brian Murphy, Wolfgang Stolz, Johan Adriaan Lok, Juan Ignacio González Bastero, Nikolaos Kylonis

Voorste rij van links naar rechts: Niamh Mahon, Susanna Rafalzik, Tony Murphy, Anna Despotopoulou, Peter Borsos

Voetnoten

[1] Jaarverslag 2020, paragraaf 1.21.

[2] Jaarverslag 2020, paragraaf 5.17.

[3] Artikel 130 van Verordening (EU) nr. 1303/2013, die de vergoeding van tussentijdse betalingen beperkt tot 90 %.

[4] Jaarverslag 2020, paragraaf 5.40.

[5] Advies nr. 6/2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen, paragraaf 122.

[6] Jaarverslag 2017, paragrafen 6.67-6.72.

[7] Jaarverslag 2018, paragrafen 6.73-6.75.

[8] Jaarverslag 2019, paragraaf 5.39.

[9] Artikel 75, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 1303/2013.

[10] Artikel 85 van Verordening (EU) nr. 1303/2013.

[11] Systemische fouten worden aangetroffen in de gecontroleerde steekproef, hebben impact op de niet-gecontroleerde populatie en doen zich voor in welomschreven en soortgelijke omstandigheden (richtsnoer EGESIF_15-0002-04).

[12] Artikel 145 van Verordening (EU) nr. 1303/2013.

[13] Artikel 145, lid 7, van Verordening (EU) nr. 1303/2013.

[14] Jaarverslag 2019, paragraaf 5.56.

[15] Jaarverslag 2018, paragraaf 6.63.

[16] Jaarverslag 2018, paragrafen 6.68-6.71 en aanbeveling 6.3.

[17] Zoals uiteengezet in bijlage IV bij de JAV’s 2019.

[18] Dit deel van het AMPR is het verslag van de Commissie dat vereist is krachtens artikel 318 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

[19] Artikel 247, lid 1, punt b), van het Financieel Reglement: Het jaarlijkse beheers- en prestatieverslag, dat bestaat uit een duidelijke en beknopte samenvatting van de resultaten inzake interne controle en financieel beheer die zijn opgenomen in de jaarlijkse activiteitenverslagen van elke gedelegeerde ordonnateur en bevat informatie over de belangrijkste governanceregelingen in de Commissie, alsmede:

i) een raming van het foutenpercentage in de uitgaven van de Unie op basis van een consistente methode en een raming van de toekomstige correcties;

ii) informatie over de preventieve en corrigerende acties met betrekking tot de begroting, die het financiële effect weergeeft van de acties die zijn verricht om de begroting te beschermen tegen uitgaven die in strijd zijn met de wetgeving;

iii) informatie over de uitvoering van de fraudebestrijdingsstrategie van de Commissie.

[20] Jaarverslag 2020, paragraaf 1.36.

[21] Jaarverslag 2018, aanbeveling 6.3 — Afsluitingsregelingen 2014‑2020.

Contact

EUROPESE REKENKAMER
12, rue Alcide De Gasperi
L-1615 Luxemburg
LUXEMBURG

Tel. +352 4398-1
Inlichtingen: eca.europa.eu/nl/Pages/ContactForm.aspx
Website: eca.europa.eu
Twitter: @EUAuditors

Meer gegevens over de Europese Unie vindt u op internet via de Europaserver (https://europa.eu).

Luxemburg: Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2021

PDF ISBN 978-92-847-7116-5 ISSN 1977-575X doi:10.2865/723597 QJ-AB-21-026-NL-N
HTML ISBN 978-92-847-7103-5 ISSN 1977-575X doi:10.2865/397684 QJ-AB-21-026-NL-Q

AUTEURSRECHT

© Europese Unie, 2021.

Het beleid van de Europese Rekenkamer (ERK) inzake hergebruik is geregeld bij Besluit nr. 6-2019 van de Europese Rekenkamer over het opendatabeleid en het hergebruik van documenten.

Tenzij anders aangegeven (bv. in afzonderlijke auteursrechtelijke mededelingen), wordt voor de inhoud van de ERK die eigendom is van de EU een licentie verleend in het kader van de Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0)-licentie. Dit betekent dat hergebruik is toegestaan, mits de bron correct wordt aangegeven en wijzigingen worden aangegeven. De hergebruiker mag de oorspronkelijke betekenis of boodschap van de documenten niet wijzigen. De ERK is niet aansprakelijk voor mogelijke gevolgen van hergebruik.

U moet aanvullende rechten verwerven indien specifieke inhoud personen herkenbaar in beeld brengt, bijvoorbeeld op foto’s van personeel van de ERK, of werken van derden bevat. Indien toestemming wordt verkregen, wordt hiermee de bovengenoemde algemene toestemming opgeheven en zullen beperkingen van het gebruik daarin duidelijk worden aangegeven.

Wilt u inhoud gebruiken of reproduceren die geen eigendom van de EU is, dan moet u de houders van het auteursrecht mogelijk rechtstreeks om toestemming vragen.

Software of documenten waarop industriële-eigendomsrechten rusten, zoals octrooien, handelsmerken, geregistreerde ontwerpen, logo’s en namen, zijn uitgesloten van het beleid inzake hergebruik van de ERK; hiervoor wordt u ook geen licentie verleend.

De groep institutionele websites van de Europese Unie met de domeinnaam “europa.eu” bevat links naar sites van derden. Aangezien de ERK geen controle heeft over deze sites, wordt u aangeraden kennis te nemen van hun privacy- en auteursrechtbeleid.

Gebruik van het logo van de Europese Rekenkamer

Het logo van de Europese Rekenkamer mag niet worden gebruikt zonder voorafgaande toestemming van de Europese Rekenkamer.

Hoe neemt u contact op met de EU?

Kom langs
Er zijn honderden Europe Direct-informatiecentra overal in de Europese Unie. U vindt het adres van het dichtstbijzijnde informatiecentrum op: https://europa.eu/european-union/contact_nl

Bel of mail
Europe Direct is een dienst die uw vragen over de Europese Unie beantwoordt. U kunt met deze dienst contact opnemen door:

  • te bellen naar het gratis nummer: 00 800 6 7 8 9 10 11 (bepaalde telecomaanbieders kunnen wel kosten in rekening brengen),
  • te bellen naar het gewone nummer: +32 22999696, of
  • een e-mail te sturen via: https://europa.eu/european-union/contact_nl

Waar vindt u informatie over de EU?

Online
Informatie over de Europese Unie in alle officiële talen van de EU is beschikbaar op de Europa-website op: https://europa.eu/european-union/index_nl

EU-publicaties
U kunt publicaties van de EU downloaden of bestellen op: https://op.europa.eu/nl/publications (sommige zijn gratis, andere niet). Als u meerdere exemplaren van gratis publicaties wenst, neem dan contact op met Europe Direct of uw plaatselijke informatiecentrum (zie https://europa.eu/european-union/contact_nl).

EU-wetgeving en aanverwante documenten
Toegang tot juridische informatie van de EU, waaronder alle EU-wetgeving sinds 1951 in alle officiële talen, krijgt u op EUR-Lex op: https://eur-lex.europa.eu

Open data van de EU
Het opendataportaal van de EU (https://data.europa.eu/euodp/nl) biedt toegang tot datasets uit de EU. Deze gegevens kunnen gratis worden gedownload en hergebruikt, zowel voor commerciële als voor niet-commerciële doeleinden.