18.12.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 347/62


460e PLENAIRE ZITTING OP 17 EN 18 FEBRUARI 2010

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen en het gebruik van biociden

(COM(2009) 267 definitief — 2009/0076 (COD))

(2010/C 347/09)

Rapporteur: de heer BIOT

De Raad heeft op 17 juli 2009, overeenkomstig artikel 95 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over het

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen en het gebruik van biociden.

COM(2009) 267 final – 2009/0076 (COD).

De gespecialiseerde afdeling Interne markt, productie en consumptie, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 1 februari 2010 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 17 en 18 februari 2010 gehouden 460e zitting (vergadering van 17 februari) onderstaand advies met 180 stemmen vóór, bij 2 onthoudingen, goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Het Europees Economisch en Sociaal Comité is voorstander van de vervanging van de huidige richtlijn door een verordening die tot harmonisering leidt bij het op de markt brengen van biociden, aangezien ze rechtstreeks van toepassing is in de lidstaten.

1.2   De Commissie heeft pogingen gedaan om de Europese biocidewetgeving gelijk te schakelen met de REACH-verordening inzake chemische stoffen en is van mening dat in de nieuwe verordening de vereisten inzake de te verstrekken gegevens op één lijn moeten worden gebracht, in lijn met Richtlijn 88/379/EEG en artikel 14, lid 2 van de REACH-verordening.

1.3   Het Comité is ingenomen met de veranderingen in de kaderformuleringen, waardoor er binnen een groep biociden eenvoudiger variaties in de samenstelling kunnen worden ontwikkeld en op de markt gebracht. Toch dient verduidelijkt te worden hoe ver de flexibiliteit in de samenstelling kan gaan, zowel wat de werkzame stoffen als de inerte bestanddelen in de biociden betreft.

1.4   De Commissie heeft het Europese agentschap voor chemische producten (ECHA) slechts een coördinerende rol toebedacht. Toch zou ECHA zich meer kunnen laten gelden om de toelatingsprocedures voor biociden op zowel communautair als nationaal niveau efficiënter te helpen maken. Het Comité vraagt zich echter wel af of het agentschap tijdig over voldoende middelen kan beschikken om zijn taken uit te voeren, nu ook biociden tot zijn werkterrein gaan behoren.

1.5   Het Comité pleit ervoor om vast te houden aan het principe van risicobeoordeling van geval tot geval overeind te houden bij besluiten over de toelating van de werkzame stoffen in de „Lijst van werkzame stoffen met eisen voor opneming in biociden” in bijlage I van het voorstel. Het Comité vindt echter dat er sprake is van willekeurige discriminatie wat bepaalde desinfecterende producten voor de menselijke voeding en voor diervoeders betreft; deze kunnen niet profiteren van de onder punt c) van artikel 5, lid 1 geformuleerde voorwaarden.

Het Comité is ingenomen met het feit dat er een verplichte uitwisseling van gegevens is voorzien, met name wat proeven met dieren betreft.

1.6.1   Het Comité onderschrijft de bepaling in het Commissievoorstel dat stipuleert dat alle behandelde voorwerpen en materialen uitsluitend toegelaten biociden mogen bevatten. Het gaat om een billijke maatregel.

Ook stemt het Comité in met de uitbreiding van deze maatregel tot alle materialen en voorwerpen die uit derde landen komen, teneinde gelijke marktvoorwaarden te garanderen.

1.7.1   Om de consument goed voor te lichten zouden met biociden behandelde materialen of producten van een etiket moeten worden voorzien. Het Comité dringt er echter bij de Commissie op aan hierover wel goed na te denken; etiketten zouden alleen zeer uitgebreide informatie moeten bevatten als de consument daar baat bij heeft. Het EESC stelt twee informatieniveaus voor. De informatie van het eerste niveau is essentieel voor het gebruik door en de bescherming van de consument. Het tweede niveau moet alle bekende informatie omvatten, en deze informatie dient bijvoorbeeld in databanken of via websites beschikbaar te zijn in het geval dat consumenten professionele hulp zoeken (zoals antigifcentra en artsen).

1.8   Het Comité steunt het voorstel om de structuur van de vergoedingen te harmoniseren, zowel voor de lidstaten als voor ECHA. Het kan echter niet instemmen met een ongegronde jaarlijkse vergoeding.

In navolging van de nieuwe verordening voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen is het Comité van mening dat de procedures voor parallelhandel in het kader van het vrije verkeer van goederen beperkt zouden moeten worden tot identieke producten die gebaseerd zijn op dezelfde bronnen van werkzame stoffen en co-ingrediënten.

1.9.1   Het EESC heeft waardering voor het feit dat de Commissie het fenomeen van de „clandestiene passagier” erkent. Het zou echter een goede zaak zijn om in artikel 83 meer details aan te brengen.

1.10   Het Comité verzoekt de Commissie om aan te geven op welke wijze ze de lidstaten denkt te steunen bij een doeltreffende tenuitvoerlegging van de controles van de biociden die op de markt zijn.

1.11   Naar het voorbeeld van de kaderrichtlijn over een duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (1) en in het kader van een duurzaam gebruik van biociden zou de Commissie in de toekomst een rationeler gebruik van deze producten mogelijk moeten maken.

2.   Inleiding

2.1   Onder biociden worden werkzame stoffen of mengsels verstaan die, in de vorm waarin zij aan de gebruiker worden geleverd, een of meer werkzame stoffen bevatten en bestemd zijn om een schadelijk organisme te vernietigen, af te schrikken, onschadelijk te maken, de effecten daarvan te voorkomen of het op andere wijze langs chemische of biologische weg te bestrijden. Alle stoffen, mengsels en hulpmiddelen die op de markt worden gebracht met het doel werkzame stoffen te doen ontstaan, worden eveneens als biociden aangemerkt. (2)

2.2   Bij verstandig gebruik zijn biociden een alledaags verschijnsel in ontwikkelde landen. Ze kunnen de verspreiding van ziektes voorkomen en houden de hygiëne op een hoog peil in een dichtbevolkte omgeving. In alle onderdelen van het dagelijks leven worden biociden gebruikt. Sommige producten kunnen intrinsiek gevaarlijk zijn, maar niettemin de gezondheid en de hygiëne van mens of dier, evenals van het milieu op duurzame manier beschermen.

2.3   De huidige Richtlijn 98/8/EG (3) voorziet in een geharmoniseerd regelgevingskader voor de toelating en het op de markt brengen van biociden met een gering risico en basisstoffen

2.4   Het Comité heeft hierover destijds een advies (4) uitgebracht, en ingestemd met dit voorstel voor een richtlijn, aangezien deze een bescherming inhield voor de gezondheid van mens en dier, en voor het milieu.

2.5   Richtlijn 98/8/EG bepaalt dat de Commissie zeven jaar na de inwerkingtreding ervan een verslag opstelt en dit bij de Raad indient. In dat verslag moet worden ingegaan op de uitvoering van de richtlijn en het functioneren – tot dusver – van de vereenvoudigde procedures (kaderformuleringen, biociden met een gering risico en basisstoffen).

2.6   Voorafgaand aan de effectbeoordeling zijn er verschillende betrokken partijen geraadpleegd en is er een algemene raadpleging via internet gehouden.

2.7   Ook zijn er verschillende studies uitgevoerd ter ondersteuning van het voorstel, met name de studie ter beoordeling van de effecten van de herziening van Richtlijn 98/8/EG, waarin de economische, sociale en milieueffecten van de verschillende beleidsopties nader worden onderzocht. De conclusies van deze studie zijn bepalend geweest voor de effectbeoordeling.

2.8   De Commissie wil eerdergenoemde richtlijn vervangen door het huidige voorstel voor een verordening.

3.   Samenvatting van het voorstel

3.1   De voorgestelde verordening, die in de plaats moet komen van Richtlijn 98/8/EG, heeft ten doel het vrije verkeer van biociden in de Gemeenschap te bevorderen. De bedoeling is de eerste acht toepassingsjaren vastgestelde onvolkomenheden van het regelgevingskader weg te werken, bepaalde elementen van het systeem te verbeteren en te actualiseren en enkele voor de toekomst voorzienbare problemen te vermijden. De structuur van richtlijn 98/8/EG blijft behouden.

3.2   Bovendien kan een vereenvoudiging van de toelatingsprocedures voor biociden in de lidstaten wellicht ook helpen om de kosten te drukken en de administratieve lasten voor economische actoren te verlichten, zonder dat dit ten koste gaat van de veiligheid.

3.3   De Commissie streeft met dit voorstel naar samenhang met andere beleidsgebieden en doelstellingen van de EU. Zo neemt ze de volgende zaken in aanmerking:

de recente herziening van de EU-wetgeving inzake chemische stoffen (5)

Verordening 1272/2008; (6)

de relevante horizontale EU-wetgeving;

de algemene regels en de op de lidstaten rustende verplichtingen;

een overgangsperiode.

3.4   Het voorstel moet:

de regels inzake gegevensbescherming vereenvoudigen;

de nodeloze herhaling van proeven op gewervelde dieren  (7) vermijden door een verplichte uitwisseling van gegevens;

de harmonisatie van de vergoedingssystemen in de lidstaten en op EU-niveau versterken;

regels voor de parallelhandel in biociden vaststellen;

bepalingen invoeren inzake met biociden behandelde voorwerpen en materialen.

3.5   In diverse artikelen wordt opgeroepen tot onderzoek en innovatie.

4.   Algemene opmerkingen

4.1   Voorstel voor nieuwe wetgeving

4.1.1   De biocidenrichtlijn 98/8/EG zal worden vervangen door een verordening.

4.1.2   Het onderhavige voorstel voor een verordening past binnen de in de biocidenrichtlijn beschreven logica. Er is een effectbeoordeling aan voorafgegaan, waarbij de aandacht uitging naar het toepassingsgebied, de producttoelating, de uitwisseling van gegevens, de gegevensvereisten en de vergoedingen die lidstaten aanrekenen.

4.1.3   De Commissie heeft geprobeerd om de Europese biocidewetgeving gelijk te schakelen met de REACH-verordening inzake chemische stoffen.

4.2   Toelatingsprocedures

4.2.1   De introductie van het concept van communautaire toelating, waarbij de ECHA-bepalingen als uitgangspunt worden genomen, is een element dat een geharmoniseerde tenuitvoerlegging van de verordening in de EU-lidstaten in principe moet bevorderen. Dit is volgens de Commissie de meest efficiënte en geschikte wijze om de beschikbaarheid van producten te verbeteren en om innovatie te stimuleren. Dat komt dus ook de gezondheid en het milieu ten goede. De versnippering van de biocidenmarkt voor zowel de producenten (weinig internationaal opererende bedrijven, veel kleine en middelgrote bedrijven) als de producten en de toepassingen ervan dwingen echter tot enige nuancering van dit standpunt. Veel ondernemingen die slechts in een beperkt aantal landen actief zijn vragen namelijk een lokale toelating. Wanneer de handel wordt uitgebreid tot andere lidstaten, wordt er een wederzijdse erkenning aangevraagd.

4.2.2   De nieuwe aanpak van de Commissie inzake een communautaire toelating van de biociden met een gering risico en van de nieuwe basisstoffen dreigt weinig effect te sorteren, aangezien een en ander slechts een klein gedeelte van de werkzame stoffen van biociden zou betreffen; dit zou dus zowel voor het bedrijfsleven als voor de autoriteiten maar weinig administratieve vereenvoudiging opleveren. Bedrijven worden zo niet aangezet tot meer innovatie.

4.2.3   In het voorstel voor een verordening wordt her en der gewag gemaakt van het concept „biociden met een gering risico”. Het is raadzaam een duidelijkere definitie te geven van bedoelde biociden.

4.3   Verplichte gegevens

4.3.1   Bepaalde criteria voor de definiëring van biociden met een gering risico zouden wel eens te restrictief kunnen blijken. Alvorens deze criteria daadwerkelijk vast te leggen in de verordening, zouden ze moeten worden beoordeeld op hun effecten. De studie moet ingaan op de risico's en daarbij rekening houden met de blootstelling en niet alleen met de intrinsieke gevaarlijke eigenschappen. Een dergelijke maatregel zou aanzetten tot de ontwikkeling van veiligere producten op basis van de bestaande stoffen. Producten die aan deze criteria voldoen zouden derhalve als biociden „met gering risico” moeten kunnen worden aangemerkt. Een verbod op de ontwikkeling van deze biociden als zijnde biociden met gering risico zou contraproductief zijn.

4.3.2   Het voorstel van de Commissie om biociden met gering risico niet langer op te nemen in Bijlage I zal leiden tot een grotere productie en meer aanbod van deze producten. Er dienen echter nog verschillende punten te worden opgehelderd en geanalyseerd. Zo zijn er met name richtsnoeren nodig in verband met de gegevens rond werkzame stoffen en het formaat waarin deze moeten worden aangeleverd.

4.3.3   Het Comité kan over het algemeen instemmen met de in Bijlage IV opgenomen algemene regels voor de aanpassing van de vereiste gegevens. Ze geven aan in welke gevallen welke testen nodig zijn.

4.3.4   De in twee fasen ingedeelde Bijlage II (waarvan de eerste als standaardinformatie wordt beschouwd) betreft de verplichte gegevens voor werkzame stoffen. Afhankelijk van de kenmerken en het voorgenomen gebruik van de werkzame stof en met name wanneer een gevaar is aangetoond voor mens en milieu, moeten wellicht ook gegevens van fase II worden ingediend.

4.3.5   Bepaalde toxicologische onderzoeken zijn niet meer noodzakelijk in de eerste fase, maar misschien wel in de tweede. Maar aangezien het de lidstaten zijn die, aan de hand van hun beoordeling, het spectrum aan vereiste gegevens bepalen, bestaat het risico dat er gegevens vereist worden die verder gaan dan wat wetenschappelijk gezien noodzakelijk is.

4.3.6   Omwille van de concurrentie kunnen gegevens die moeten worden verstrekt inzake alternatieve bronnen niet ingeperkt worden zolang deze stoffen vermeld staan in Bijlage I en hun bescherming nog van kracht is.

4.3.7   Het hoge niveau van gegevensvereisten voor biociden, zoals vermeld in artikel 18, dat de gegevensvereisten voor aanvragen tot toelating bepaalt, en in Bijlage III van het voorstel, was ook al in de vorige richtlijn terug te vinden. Er zijn geen testen voor verschillende fasen voorzien en de vereisten zijn niet beperkt tot het strikt noodzakelijke. Het wordt dus heel ingewikkeld voor producenten om aan productinnovatie voor specifieke toepassingen te doen.

4.4   Gegevensuitwisseling

4.4.1   Onder de huidige richtlijn geldt de verplichting gegevens inzake dierproeven uit te wisselen en toe te zien op een eerlijke verdeling van de kosten voor de inzameling en het gebruik van gegevens die de veiligheid van producten aantonen.

4.4.2   Hoewel de verplichting van gegevensuitwisseling ook in de REACH-richtlijn wordt gehanteerd, wijkt het huidige voorstel ervan af als het gaat om de bescherming van gegevens en de beschermingstermijn.

4.5   Vereenvoudiging in de procedures

4.5.1   Er zijn positieve veranderingen aangekondigd in de kaderformuleringen, waardoor er binnen een groep biociden eenvoudiger variaties in de samenstelling kunnen worden ontwikkeld. Toch moet verduidelijkt worden hoe ver de flexibiliteit in de samenstelling kan gaan, zowel wat de werkzame stoffen als de inerte bestanddelen in de biociden betreft.

4.6   De rol van ECHA

4.6.1   ECHA heeft alleen de taak om te coördineren en de communautaire toelating voor biociden met gering risico en voor de nieuwe stoffen te valideren.

4.6.2   ECHA kan ook als clearinghouse fungeren, waar soortgelijke toepassingen worden samengebracht. De evaluatie ervan kan vervolgens door één autoriteit worden uitgevoerd, zelfs als het dossier aan verschillende lidstaten is voorgelegd.

4.7   Parallelhandel - bescherming van gegevens

4.7.1   In navolging van de nieuwe verordening voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, is het Comité van mening dat de procedures voor parallelhandel in het kader van het vrije verkeer van goederen beperkt zouden moeten worden tot identieke producten die gebaseerd zijn op dezelfde bronnen van werkzame stoffen en co-ingrediënten.

4.7.2   In het kader van de parallelhandel behoeft de bescherming inzake de gegevensvereisten verbetering, in ieder geval voor de werkzame stoffen in biociden die in Bijlage I moeten worden opgenomen.

4.7.3   Teneinde het fenomeen van „clandestiene passagiers” te voorkomen, heeft de industrie erop aangedrongen om de relatie van de in Bijlage I opgenomen werkzame stoffen met de bewuste onderneming als voorwaarde aan te merken voor de eigendom en voor de bescherming van gegevens. De biocide-industrie heeft waardering voor het feit dat de Commissie dit fenomeen onderkent. Om korte metten te kunnen maken met deze handelspraktijken zou artikel 83 meer in detail moeten treden.

4.8   Materialen en behandelde voorwerpen

4.8.1   In het voorstel staat dat alle behandelde voorwerpen en materialen uitsluitend in ten minste één lidstaat toegestane biociden mogen bevatten. De Commissie wil verder dat deze maatregel wordt uitgebreid tot alle materialen en voorwerpen die uit derde landen komen, teneinde voor iedereen een gelijke en eerlijke behandeling te garanderen.

4.8.2   Om de consument goed voor te lichten moeten met biociden behandelde materialen of producten van een etiket worden voorzien. Het Comité dringt er echter bij de Commissie op aan hierover wel goed na te denken; etiketten zouden alleen zeer uitgebreide informatie moeten bevatten als de consument daar baat bij heeft. Het EESC stelt twee informatieniveaus voor. De informatie van het eerste niveau is essentieel voor het gebruik door en de bescherming van de consument. Het tweede niveau moet alle bekende informatie omvatten en deze informatie dient bijvoorbeeld in databanken of via websites beschikbaar te zijn in het geval dat consumenten professionele hulp zoeken.

4.9   Termijnen en tenuitvoerlegging

4.9.1   Wanneer de in de richtlijn aangegeven termijnen voor beoordeling niet worden nagekomen, kan dat heel wat problemen opleveren. Deze termijnen zijn verlengd n.a.v. een mini-herziening van de richtlijn, maar er blijkt weinig gedaan te zijn om werkzame stoffen die niet aangepast zijn en die mogelijk schade zouden kunnen veroorzaken, van de markt te halen. Een uniforme toepassing van de definities en de termijnen moet leiden tot een betere functionering van de procedure tussen de lidstaten.

4.9.2   Wanneer wetgeving van de Unie niet op uniforme en efficiënte wijze ten uitvoer wordt gelegd in de lidstaten, heeft dat consequenties voor heel de communautaire wetgeving.

4.10   Vergoedingsprocedures

4.10.1   De Commissie stelt voor de structuur van de vergoedingen te harmoniseren, zowel voor de lidstaten als voor ECHA. De gebruikers lopen tegen grote verschillen aan tussen de lidstaten wat betreft de vergoedingen voor de beoordeling. Vaak is er geen enkel verband tussen de vereiste middelen en de werkelijk gebruikte middelen.

4.10.2   Er zou meer transparantie moeten zijn wat de vergoedingen betreft, waarbij de verschillende etappes en procedures die tot de beoordeling leiden worden aangegeven. Ook zou er een redelijk verband moeten zijn tussen vergoedingen en werklast, en ze zouden alleen mogen worden geëist indien noodzakelijk.

4.10.3   Een jaarlijkse vergoeding mag nooit zonder rechtvaardiging worden geïnd.

5.   Specifieke opmerkingen

5.1   Uitsluiting van werkzame stoffen van Bijlage I

5.1.1   Artikel 5, lid 2, stipuleert dat werkzame stoffen die als kankerverwekkend, mutageen, of giftig voor de voortplanting zijn ingedeeld, evenals stoffen die als hormoonontregelend worden aangemerkt, worden uitgesloten van Bijlage I waarin de toegestane werkzame stoffen zijn opgenomen.

5.1.2   Dergelijke stoffen worden alleen in bijlage I opgenomen indien aan ten minste een van de volgende in artikel 5, lid 1, genoemde voorwaarden is voldaan:

de blootstelling van gebruikers aan de werkzame stof is verwaarloosbaar

de werkzame stof is essentieel voor de volksgezondheid

de voordelen van de werkzame stof wegen op tegen de nadelen.

Volgens de laatste alinea van artikel 5, lid 1, is deze laatste voorwaarde niet van toepassing op werkzame stoffen voor de productsoorten 4 en 14 tot en met 19. (8)

5.1.3   Bepaalde werkzame stoffen in biociden kunnen gevaar opleveren vanwege hun aard, hetgeen een gevolg is van hun functie; de definitie van een werkzame stof is immers „een stof of micro-organisme met een werking tegen schadelijke organismen.” Toch kunnen deze biociden worden goedgekeurd vanwege de voordelen van het gebruik ervan, dat moet wel gepaard gaan met maatregelen ter inperking van de blootstelling van mens en milieu.

5.1.4   Hoewel incidentele blootstelling niet echt een bron van zorg hoeft te zijn, is wel voorzichtigheid geboden bij langdurige blootstelling aan biociden zonder adequate bescherming.

5.1.5   Het Comité vindt echter dat er sprake is van willekeurige discriminatie wat de eerder genoemde productsoorten betreft (4 en 14 t/m 19); deze kunnen niet profiteren van de onder punt c) van artikel 5, lid 1 geformuleerde voorwaarden. Deze maatregel remt innovatie af en werpt een blokkade op voor werkzame stoffen die mogelijk van nut kunnen zijn als biociden voor de toekomst.

5.2   Uitbreiding van het takenpakket van ECHA

5.2.1   Het Comité is voorstander van een uitbreiding van de bevoegdheden van ECHA. Het agentschap zou zich actief moeten kunnen bezighouden met alle procedures met het oog op de toelating van biociden, zowel op communautair als op nationaal vlak.

5.2.2   Er zijn een aantal voordelen van een gecentraliseerde beoordeling:

ECHA zou over alle procedures beschikken die vereist zijn voor de validatie van de toepassing in het geval van communautaire toelating;

Door de validatie van dossiers aan één enkele instantie over te laten is een grotere consistentie mogelijk, evenals een harmonieuzere en eenvoudigere wetgeving inzake biociden;

De lidstaten kunnen hun middelen vervolgens reserveren voor de beoordeling van de toepassing;

Bovendien kunnen er ook in het geval van validatie door ECHA nieuwe gegevens worden ingevoerd die tijdens een beoordeling aan het licht zijn gekomen; de beoordeling zelf blijft een zaak van de lidstaten.

5.2.3   Er zijn nog andere voordelen als ECHA de rol van clearinghouse op zich neemt en daarnaast de dossiers van biociden beheert:

Het door ECHA beheerde communautair register voor biociden zou een uitstekend instrument zijn voor het beheer van dergelijke hergroeperingen van biociden;

Voor biociden die op dezelfde werkzame stof zijn gebaseerd of gebruikt worden in dezelfde soort producten, zou dezelfde termijn voor de indiening van hun aanvraag gelden;

Door de beoordeling van de hoofdelementen van de dossiers van deze producten aan één enkele autoriteit over te laten, wint de biocidenwetgeving aan samenhang en is harmonisering ervan eenvoudiger;

Door te zorgen voor een doelmatig beheer van de beoordelingsprocedure worden gebruikers aangezet tot een proactievere voorbereiding van hun dossiers en wordt de drempel voor het bedrijfsleven verlaagd.

Brussel, 17 februari 2010

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  Richtlijn 2009/128/EG, PB L 309 van 24-11-2009, blz. 71

(2)  Richtlijn 98/8/EG

(3)  PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1.

(4)  PB C 195 van 18.7.1994, blz. 70.

(5)  Verordening (EG) nr. 1907/2006 (REACH), PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.

(6)  PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1

(7)  PB C 94 van 18-04-02, blz. 5 en PB C 277 van 17-11-09, blz. 51.

(8)  Productsoort 4: ontsmettingsmiddelen voor gebruik in de sector voeding en diervoeders

Productsoort 14: rodenticiden (knaagdierbestrijdingsmiddelen)

Productsoort 15: aviciden

Productsoort 16: mollusciciden

Productsoort 17: pisciciden

Productsoort 18: insecticiden, acariciden en producten voor de bestrijding van andere geleedpotigen

Productsoort 19: afweermiddelen en lokstoffen

Samen vormen de productsoorten 14 t/m 19 GROEP 3, de plaagbestrijdingsmiddelen.