23.3.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 96/22


Beroep ingesteld op 29 december 2014 — Farahat/Raad

(Zaak T-830/14)

(2015/C 096/28)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Mohamed Farahat (Caïro, Egypte) (vertegenwoordigers: P. Saini, QC, B. Kennelly, Barrister, en N. Sheikh, Solicitor)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

uitvoeringsbesluit (EU) 2014/730/GBVB van de Raad van 20 oktober 2014 (1) houdende uitvoering van besluit 2013/255/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië en uitvoeringsverordening (EU) nr. 1105/2014 van de Raad van 20 oktober 2014 (2) tot uitvoering van verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië, nietig verklaren, voor zover zij verzoeker betreffen;

verweerder verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker vijf middelen aan.

1.

De voorwaarden voor plaatsing op de lijst in de bijlage bij het besluit en in de bijlage bij de verordening zijn niet vervuld. Verzoeker voert aan:

dat de Raad stelt dat verzoeker vicevoorzitter voor financiën en administratie van Tri-Ocean Energy is en dat hij gezien zijn hoge positie verantwoordelijk is voor de activiteiten van de entiteit in verband met het leveren van olie aan het regime;

dat er geen bewijzen zijn om die stelling te staven en dat de Raad geen bewijzen heeft overgelegd.

2.

De Raad heeft verzoekers rechten van verdediging en zijn recht op effectieve rechterlijke bescherming geschonden aangezien de bestreden maatregelen zijn vastgesteld zonder procedurele waarborgen dat verzoeker een afdoende motivering zou ontvangen en naar behoren zou worden gehoord.

3.

De Raad heeft zijn besluit om verzoeker op een lijst te plaatsen niet toereikend gemotiveerd. Verzoeker betoogt dat de aangevoerde motivering ontoereikend is om hem in staat te stellen de tegen hem aangevoerde gronden doeltreffend te weerleggen of om een rechterlijke instantie in staat te stellen de wettigheid van het bestreden besluit te toetsen.

4.

De Raad heeft verzoekers fundamentele rechten op eigendom en goede naam geschonden. Volgens verzoeker heeft de Raad niet aangetoond dat de aanzienlijke inbreuk op zijn eigendomsrechten gerechtvaardigd en evenredig was.

5.

De Raad heeft blijk gegeven van een kennelijk onjuiste beoordeling door verzoeker op een lijst te plaatsen. Verzoeker voert aan dat:

er geen inlichtingen of bewijzen zijn die aantonen dat Tri Ocean Energy daadwerkelijk steun aan het Syrische regime heeft verleend;

er geen inlichtingen of bewijzen zijn waaruit blijkt dat verzoeker louter op grond van zijn functie bij Tri Ocean Energy verantwoordelijk was voor de beweerdelijk door laatstgenoemde verrichte handelingen.


(1)  Uitvoeringsbesluit 2014/730/GBVB van de Raad van 20 oktober 2014 houdende uitvoering van besluit 2013/255/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië (PB L 301, blz. 36).

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1105/2014 van de Raad van 20 oktober 2014 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië (PB L 301, blz. 7).