Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Partijen

In zaak C-266/90,

betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Finanzgericht Muenchen, in het aldaar aanhangig geding tussen

Franc Soba KG

en

Hauptzollamt Augsburg,

om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 1626/85 van de Commissie van 14 juni 1985 houdende beschermende maatregelen inzake de invoer van zure kersen (PB 1985, L 156, blz. 13),

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: P. J. G. Kapteyn, kamerpresident, C. N. Kakouris en M. Díez de Velasco, rechters,

advocaat-generaal: G. Tesauro

griffier: J. A. Pompe, adjunct-griffier

gelet op de schriftelijke opmerkingen, ingediend door de Commissie, vertegenwoordigd door U. Woelker, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,

gezien het rapport ter terechtzitting,

gehoord de mondelinge opmerkingen van Franc Soba KG, vertegenwoordigd door R. Jehle, belastingconsulent te Augsburg, en de Commissie ter terechtzitting van 24 september 1991,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 24 oktober 1991,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest

1 Bij beschikking van 10 juli 1990, ingekomen ten Hove op 5 september daaropvolgend, heeft het Finanzgericht Muenchen krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1626/85 van de Commissie van 14 juni 1985 houdende beschermende maatregelen inzake de invoer van zure kersen (PB 1985, L 156, blz. 13).

2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen Franc Soba KG (hierna: "Soba") en het Hauptzollamt Augsburg (hierna: "Hauptzollamt") over de betaling van een bedrag van 1 134 138,17 DM aan compenserende heffing. Het Hauptzollamt had dit bedrag gevorderd op grond dat Soba de in bovengenoemde verordening nr. 1626/85 vastgestelde minimumprijs bij invoer niet in acht had genomen.

3 In artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1626/85 wordt een minimuminvoerprijs vastgesteld voor onder meer "zure kersen op siroop, met toegevoegde suiker (...) per onmiddellijke verpakking (...)". Volgens artikel 1, lid 2, wordt, indien de minimumprijs bij invoer niet in acht wordt genomen, de in de bijlage aangegeven compenserende heffing toegepast.

4 Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1626/85 luidt als volgt:

"De invoerprijs bestaat uit de volgende componenten:

a) de fob-prijs in het land van oorsprong, en

b) de vervoer- en verzekeringskosten tot de plaats waar de goederen het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen."

5 Verordening nr. 1626/85 was overeenkomstig artikel 5, tweede alinea, van toepassing tot en met 9 mei 1986. Bij verordening (EEG) nr. 1257/86 van de Commissie van 29 april 1986 (PB 1986, L 113, blz. 37), werd deze termijn verlengd tot en met 9 mei 1987.

6 Blijkens de verwijzingsbeschikking importeerde Soba tussen 5 december 1985 en 10 september 1986 103 partijen zure kersen zonder pit in glazen potten, die zij bij een Joegoslavische producent had gekocht. Bij de vervulling van de invoerformaliteiten van deze zure kersen legde Soba samen met de douaneaangiften telkens de berekening van de invoerprijs over. Daartoe had zij bij de factuurprijs van de zure kersen de waarde van de door haar kosteloos aan de leverancier ter beschikking gestelde verpakkingsmiddelen (glazen potten, deksels, etiketten, kartons, krimpfolie) bijgeteld.

7 Het Hauptzollamt vorderde weliswaar aanvankelijk geen compenserende heffing, maar meende later, dat de waarde van de verpakkingsmiddelen niet in aanmerking moest worden genomen bij de bepaling van de invoerprijs. Derhalve was het van mening, dat Soba de in verordening nr. 1626/85 bepaalde minimumprijs niet in acht had genomen en stelde het een compenserende heffing van 80,02 DM per 100 kg eigen gewicht van ingevoerde zure kersen vast en vorderde het bij beschikking van 29 oktober 1986 van Soba nabetaling van bovengenoemd bedrag.

8 Nadat een bezwaar tegen deze beschikking was afgewezen, stelde Soba beroep in bij het Finanzgericht Muenchen. Van oordeel dat de beslechting van het geschil afhangt van de uitlegging van artikel 3 van verordening nr. 1626/85, heeft het Finanzgericht bij beschikking van 10 juli 1990 de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende vraag ter prejudiciële beslissing voorgelegd:

"Moet artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1626/85 aldus worden uitgelegd, dat voor de bepaling van de invoerprijs de kosten van de door de koper kosteloos aan de leverancier ter beschikking gestelde verpakkingsmiddelen als prijsverhogende factoren in aanmerking moeten worden genomen?"

9 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het rechtskader en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.

10 De Commissie betoogt in de eerste plaats, dat de kosten van de door de koper kosteloos aan de leverancier ter beschikking gestelde verpakking bij de bepaling van de invoerprijs niet in aanmerking moeten worden genomen. Aangezien de vermelding "onmiddellijke verpakking" in artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1626/85 een letterlijke weergave is van het gemeenschappelijk douanetarief, is zij uitsluitend bestemd om vast te stellen om welke goederen het gaat en niet om de prijs ervan te bepalen.

11 Deze uitlegging is onjuist. Bovengenoemd artikel heeft weliswaar geen betrekking op de bepaling van de invoerprijs, maar het bevat een definitie van de goederen, die volgens dit artikel de onmiddellijke verpakkingen omvat.

12 Deze uitlegging wordt bevestigd door het feit dat, zoals de Commissie heeft geantwoord op een schriftelijke vraag van het Hof, bij de berekening van de minimuminvoerprijs van de betrokken goederen rekening is gehouden met de gebruikelijke verpakkingen.

13 Met betrekking tot artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1626/85 is de Commissie van mening, dat voor de bepaling van de invoerprijs de verwijzing in dit artikel naar de fob-prijs in het land van oorsprong aldus moet worden opgevat, dat enkel de kosten die zijn vermeld op de door de verkoper opgemaakte rekening in aanmerking moeten worden genomen. Eventuele andere kosten, met uitzondering van de in artikel 3, lid 1, sub b, van verordening nr. 1626/85 uitdrukkelijk voorziene vervoer- en verzekeringskosten, zouden geen deel uitmaken van de prijs van de goederen, maar van de waarde ervan en zouden voor de bepaling van de invoerprijs niet in aanmerking kunnen worden genomen.

14 Volgens de Commissie vloeit de door haar in overweging gegeven uitlegging eveneens voort uit interpretatieve nota 2/85 (VI/4681/85), die door haar diensten is opgesteld, in het bevoegde beheerscomité is besproken en ter kennis van de Lid-Staten is gebracht.

15 Deze uitlegging kan niet worden aanvaard.

16 De fob-prijs is immers de prijs die wordt gedragen door de koper van de goederen, die, zoals reeds is uiteengezet, zijn omschreven als zure kersen op siroop met hun onmiddellijke verpakkingen. Deze definitie omvat overigens niet alle soorten van verpakking, maar uitsluitend de onmiddellijke verpakking. Kennelijk doelt de wetgever daarmee op de gebruikelijke verpakkingen, die voor het vervoer van de goederen noodzakelijk zijn.

17 Wanneer derhalve op de door de verkoper opgemaakte rekening enkel de prijs van de vruchten zelf is vermeld, omdat de koper de onmiddellijke verpakkingen kosteloos ter beschikking van de verkoper heeft gesteld, dienen voor de berekening van de invoerprijs ook de kosten in aanmerking te worden genomen die de koper heeft gemaakt in verband met de aankoop van de verpakkingen, ook al zijn deze verpakkingen niet bij de verkoper gekocht.

18 Deze uitlegging vloeit eveneens voort uit artikel 2 van verordening nr. 1626/85, in de versie van verordening (EEG) nr. 1712/85 van de Commissie van 21 juni 1985 tot wijziging van de Duitse, Griekse, Engelse, Franse, Italiaanse en Nederlandse versie van verordening (EEG) nr. 1626/85 houdende beschermende maatregelen inzake de invoer van zure kersen (PB 1985, L 163, blz. 46), waarin wordt bepaald, dat "bij de vervulling van de douaneformaliteiten bij invoer tot verbruik van de betrokken produkten (...) de douanediensten de invoerprijs van elke partij (vergelijken) met de minimumprijs die geldt op de dag waarop de bovengenoemde formaliteiten worden vervuld". Het spreekt immers vanzelf dat de vergelijking vergelijkbare goederen moet betreffen. Aangezien de bij de verordening ingevoerde minimumprijs, zoals reeds uiteengezet, geldt voor de goederen met hun verpakking, moet bijgevolg de invoerprijs gelden voor de zure kersen op siroop met hun gebruikelijke verpakkingen.

19 Overigens kan een interpretatieve nota de in verordening nr. 1626/85 vervatte dwingende bepalingen niet wijzigen.

20 Mitsdien moet aan de verwijzende rechter worden geantwoord, dat artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1626/85 van de Commissie van 14 juni 1985 houdende beschermende maatregelen inzake de invoer van zure kersen, aldus moet worden uitgelegd, dat voor de bepaling van de invoerprijs de kosten van de door de importeur kosteloos aan de leverancier ter beschikking gestelde onmiddellijke verpakkingen in aanmerking moeten worden genomen.

Beslissing inzake de kosten

Kosten

De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),

uitspraak doende op de door het Finanzgericht Muenchen bij beschikking van 10 juli 1990 gestelde vraag, verklaart voor recht:

Artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1626/85 van de Commissie van 14 juni 1985 houdende beschermende maatregelen inzake de invoer van zure kersen, moet aldus worden uitgelegd, dat voor de bepaling van de invoerprijs de kosten van de door de importeur kosteloos aan de leverancier ter beschikking gestelde onmiddellijke verpakkingen in aanmerking moeten worden genomen.