Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum

Partijen

In de gevoegde zaken C‑182/03 en C‑217/03,

betreffende beroepen tot nietigverklaring krachtens artikel 230 EG, ingesteld op 25 en 28 april 2003,

Koninkrijk België, aanvankelijk vertegenwoordigd door A. Snoecx, vervolgens door E. Dominkovits als gemachtigden, bijgestaan door B. van de Walle de Ghelcke, J. Wouters en P. Kelley, advocaten,

verzoeker in zaak C‑182/03,

Forum 187 VZW, gevestigd te Brussel (België), vertegenwoordigd door A. Sutton en J. Killick, barristers,

verzoekster in zaak C‑217/03,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Rozet, R. Lyal en V. Di Bucci als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,

verweerster,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, J. Makarczyk, R. Schintgen, P. Kūris (rapporteur) en J. Klučka, rechters,

advocaat-generaal: P. Léger,

griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 14 september 2005,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 februari 2006,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest

1. Het Koninkrijk België verzoekt om nietigverklaring van beschikking 2003/757/EG van de Commissie van 17 februari 2003 betreffende de steunregeling die door België ten uitvoer is gelegd ten gunste van in België gevestigde coördinatiecentra (PB L 282, blz. 25; hierna: „bestreden beschikking”), voorzover het hem daarbij niet wordt toegestaan om, zelfs al is het maar tijdelijk, het statuut van coördinatiecentrum te verlengen voor de coördinatiecentra die op 31 december 2000 onder deze regeling vielen.

2. Forum 187 VZW (hierna: „Forum 187”) verzoekt om nietigverklaring van de bestreden beschikking.

Toepasselijke bepalingen

Communautair toezicht op bestaande steunregelingen

3. Artikel 88, leden 1 en 2, eerste alinea, EG bepaalt:

„1. De Commissie onderwerpt tezamen met de lidstaten de in die staten bestaande steunregelingen aan een voortdurend onderzoek. Zij stelt de dienstige maatregelen voor, welke de geleidelijke ontwikkeling of de werking van de gemeenschappelijke markt vereist.

2. Indien de Commissie, na de belanghebbenden te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken, vaststelt dat een steunmaatregel door een staat of met staatsmiddelen bekostigd, volgens artikel 87 niet verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt of dat van deze steunmaatregel misbruik wordt gemaakt, bepaalt zij dat de betrokken staat die steunmaatregel moet opheffen of wijzigen binnen de door haar vast te stellen termijn.”

4. Artikel 17, lid 2, van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [88] van het EG-Verdrag (PB L 83, blz. 1; hierna: „verordening”) luidt:

„Indien de Commissie van mening is dat een steunregeling niet of niet langer verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, stelt zij de betrokken lidstaat van haar eerste oordeel in kennis en geeft zij de betrokken lidstaat de gelegenheid om binnen een termijn van één maand zijn opmerkingen in te dienen. In naar behoren gerechtvaardigde gevallen kan de Commissie deze termijn verlengen.”

De Belgische belastingregeling voor coördinatiecentra

5. De Belgische belastingregeling voor coördinatiecentra, die afwijkt van het gemene recht, is vastgelegd in koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra ( Belgisch Staatsblad van 13 januari 1983), nadien herhaaldelijk aangevuld en gewijzigd.

6. Om van deze regeling gebruik te kunnen maken, moet het centrum vooraf bij koninklijk besluit individueel worden erkend. Voor erkenning is vereist dat het centrum deel uitmaakt van een multinationale groep die over kapitaal en reserves ten bedrage van ten minste één miljard BEF beschikt en een geconsolideerde jaaromzet behaalt van ten minste tien miljard BEF. Enkel bepaalde voorbereidende, ondersteunende of centralisatiewerkzaamheden zijn toegestaan, terwijl ondernemingen uit de financiële sector geen gebruik kunnen maken van de regeling. Na de eerste twee jaar van werkzaamheid moet het centrum in België ten minste het equivalent van tien voltijdwerknemers in dienst hebben.

7. De erkenning wordt voor de duur van tien jaar verleend en kan daarna voor dezelfde periode worden verlengd.

8. De belastingregeling voor de erkende coördinatiecentra wijkt in diverse opzichten af van de normale regeling.

9. Op de eerste plaats wordt het belastbaar inkomen van de centra forfaitair vastgesteld volgens de zogenoemde „cost plus”-methode. Het bedraagt een percentage van de uitgaven en de bedrijfskosten, exclusief personeelskosten, financiële lasten en vennootschapsbelasting.

10. Op de tweede plaats zijn de centra vrijgesteld van de onroerende voorheffing over de voor hun bedrijfsactiviteiten gebruikte onroerende goederen.

11. Op de derde plaats is het registratierecht van 0,5 % niet verschuldigd over inbrengen in een centrum of verhogingen van het statutair kapitaal.

12. Op de vierde plaats zijn de centra vrijgesteld van de roerende voorheffing over door hen uitgekeerde dividenden, rente en royalty’s, met enkele uitzonderingen, en over hun inkomsten uit kasgelddeposito’s.

13. Op de vijfde plaats betalen de centra een vaste jaarlijkse belasting van 400 000 BEF per voltijdwerknemer, met een maximum van 4 miljoen BEF per centrum.

Werkzaamheden van de Raad van de Europese Unie inzake schadelijke belastingconcurrentie

14. In het kader van een algemene discussie over schadelijke belastingconcurrentie heeft de Raad op 1 december 1997 een gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen vastgesteld (PB 1998, C 2, blz. 2). Daarbij verbonden de lidstaten zich ertoe bepaalde als schadelijk aangemerkte belastingmaatregelen geleidelijk af te schaffen, terwijl de Commissie te kennen gaf dat zij de in de lidstaten bestaande fiscale regelingen zou onderwerpen aan een onderzoek of heronderzoek in het licht van de voorschriften inzake staatssteun.

15. Deze verschillende initiatieven hadden mede betrekking op de Belgische belastingregeling voor coördinatiecentra.

Aan de bestreden beschikking voorafgaande feiten

16. De belastingregeling voor coördinatiecentra was al bij de invoering ervan door de Commissie onderzocht. Met name in de op 16 mei 1984 en 9 maart 1987 in briefvorm meegedeelde beschikkingen (hierna: „beschikkingen van 1984 en 1987”) was de Commissie in wezen tot de conclusie gekomen, dat een op de forfaitaire vaststelling van de inkomsten van coördinatiecentra gebaseerde regeling geen steunelement bevatte.

17. Deze beoordeling werd bevestigd in het antwoord dat op 24 september 1990 door het voor mededinging bevoegde Commissielid Brittan in naam van de Commissie werd gegeven op de schriftelijke vraag nr. 1735/90 van het lid van het Europees parlement Gijs de Vries (PB 1991, C 63, blz. 37).

18. Na de vaststelling op 11 november 1998 van een mededeling over de toepassing van de regels betreffende steunmaatregelen van de staten op maatregelen op het gebied van de directe belastingen op ondernemingen (PB C 384, blz. 3) begon de Commissie met een algemeen onderzoek van de belastingwetgeving van de lidstaten vanuit het oogpunt van de voorschriften inzake staatssteun.

19. In dat verband verzocht de Commissie de Belgische autoriteiten in februari 1999 om bepaalde inlichtingen betreffende in het bijzonder de regeling voor coördinatiecentra. Deze autoriteiten antwoordden in maart 1999.

20. In juli 2000 deelden de diensten van de Commissie de Belgische autoriteiten mee, dat genoemde regeling in hun opvatting een steunmaatregel was. Ter inleiding van de samenwerkingsprocedure nodigden de diensten van de Commissie de Belgische autoriteiten overeenkomstig artikel 17, lid 2, van de verordening uit, binnen een maand hun opmerkingen te maken.

21. Tijdens zijn zitting van 26 en 27 november 2000 wees de Raad (Ecofin) erop dat overeenkomstig zijn resolutie van 1 december 1997 alle schadelijke maatregelen met betrekking tot de directe belastingen op ondernemingen vóór 1 januari 2003 ongedaan moesten zijn gemaakt. Hij nam het voorstel aan van het voorzitterschap van de Europese Unie volgens hetwelk voor die ondernemingen die op 31 december 2000 gebruik maken van een schadelijke belastingregeling, de gevolgen van deze regeling ten laatste aflopen op 31 december 2005, los van het feit of de regeling al dan niet werd toegekend voor een bepaalde periode. Hij bepaalde eveneens dat hij in concrete gevallen, en teneinde rekening te houden met bijzondere omstandigheden, kon besluiten om, na het rapport van de groep „gedragscode”, de gevolgen van bepaalde schadelijke belastingregelingen tot na 31 december 2005 te verlengen.

22. Op 11 juli 2001 nam de Commissie op de grondslag van artikel 88, lid 1, EG vier voorstellen voor dienstige maatregelen aan, onder meer met betrekking tot de regeling voor coördinatiecentra. Zij gaf de Belgische autoriteiten in overweging die regeling op een aantal punten te wijzigen, met dien verstande dat de centra die vóór de aanvaarding van die wijzigingen door de Belgische autoriteiten waren erkend, tot 31 december 2005 gebruik konden blijven maken van de oude regeling.

23. Daar de Belgische autoriteiten de voorgestelde dienstige maatregelen niet aanvaardden, leidde de Commissie overeenkomstig artikel 19, lid 2, van de verordening bij een bij brief van 27 februari 2002 betekende beschikking (PB C 147, blz. 2) de formele onderzoeksprocedure in. Zij nodigde het Koninkrijk België uit, zijn opmerkingen te maken en alle voor de beoordeling van de betrokken maatregel dienstige inlichtingen te verschaffen. Voorts nodigde zij die lidstaat en alle belanghebbende derden uit, opmerkingen te maken en dienstige gegevens te verschaffen om te kunnen bepalen of er bij de begunstigden van de bedoelde regeling een gewettigd vertrouwen bestond dat ertoe noopte in overgangsmaatregelen te voorzien.

24. Nadat de aanvankelijke termijn met een maand was verlengd, stelden de Belgische autoriteiten de Commissie bij brief van 12 april 2002 in kennis van hun opmerkingen.

25. Bij brief van 16 mei 2002 meldden die autoriteiten bij de Commissie een voorontwerp van wet tot wijziging van koninklijk besluit nr. 187 aan. Dit voorontwerp werd door de Commissie onder nr. N351/2002 als een nieuwe steunmaatregel ingeschreven.

26. Na ettelijke bijeenkomsten verzocht de Commissie het Koninkrijk België in juli 2002 om aanvullende informatie zowel over de bestaande regeling als over het aangemelde ontwerp. Aan dit verzoek voldeden de Belgische autoriteiten bij brief van 30 augustus 2002. Aan de formele onderzoeksprocedure inzake de betrokken maatregel namen ook belanghebbende derden deel.

27. Op 21 januari 2003 sprak de Raad (Ecofin) zich uit vóór de verlenging van de gevolgen van bepaalde schadelijke belastingregelingen na 2005. Wat de Belgische belastingregeling voor coördinatiecentra betreft, besliste hij dat die centra die op 31 december 2000 onder deze regeling vielen, er verder gebruik van konden maken tot en met 31 december 2010.

Bestreden beschikking

28. Op 17 februari 2003 heeft de Commissie de bestreden beschikking vastgesteld, die op dezelfde dag ter kennis van het Koninkrijk België is gebracht. Na te hebben geconstateerd dat de formulering van artikel 2 van het dispositief van de beschikking in strijd kon lijken met de in de punten 122 en 123 getrokken conclusies, besloot de Commissie op 23 april 2003 artikel 2 door middel van een corrigendum te wijzigen. Deze rectificatie werd op 25 april 2003 ter kennis van de lidstaat gebracht.

29. In de bestreden beschikking heeft de Commissie eerst haar redenen uiteengezet om de regeling voor coördinatiecentra als bestaande steunmaatregel te kwalificeren, en heeft zij de rechtsgrondslag voor de gevolgde procedure genoemd. In de beschikking wordt uiteengezet dat in casu artikel 1, sub b, van de verordening als rechtsgrondslag kan dienen en dat anders de artikelen 87 EG en 88 EG als eigenlijke rechtsgrondslag voor het optreden van de Commissie moeten worden beschouwd.

30. De Commissie heeft er in de bestreden beschikking eveneens op gewezen dat deze, zo zij als een intrekking of wijziging van de beschikkingen van 1984 en 1987 ware te beschouwen, voldoet aan de voorwaarden waaronder de Commissie het recht heeft een onwettig gunstig besluit in te trekken of te wijzigen.

31. Verderop in de bestreden beschikking heeft de Commissie uiteengezet waarom zij van mening is dat de verschillende maatregelen die de belastingregeling voor coördinatiecentra omvat, aan de voorwaarden van artikel 87, lid 1, EG voldoen, terwijl geen van de in de leden 2 en 3 van dat artikel bedoelde afwijkingen van toepassing is.

32. Met betrekking tot het gewettigd vertrouwen waarop de coördinatiecentra zich hadden beroepen, wordt in de bestreden beschikking gepreciseerd:

„(117) De Commissie erkent dat bij de begunstigden van de steun een gewettigd vertrouwen bestaat. Daardoor is het gerechtvaardigd dat de Commissie de centra die op 31 december 2000 over een erkenning beschikten, toestaat van de voordelen van de regeling te blijven profiteren tot het einde van hun erkenningsperiode welke op het tijdstip van de onderhavige beschikking loopt, en uiterlijk tot 31 december 2010. Dit standpunt is gebaseerd op de hieronder uiteengezette elementen.

(118) [...] [de door de belastingadministratie gesloten] overeenkomsten [hebben] slechts betrekking op de feiten en geenszins op de toe te passen regeling. Zij kunnen dus geen juridische garantie geven dat de regeling, zoals zij er uitziet op de datum van de erkenning, in de tien komende jaren in stand zal worden gehouden [...]

(119) [...] Ofschoon de erkenning geen garantie geeft op het voortbestaan of het voordelig karakter van de regeling, geeft de Commissie toe dat de oprichting van het centrum, de investeringen en de aangegane verbintenissen zijn gebeurd met het redelijke en gewettigde vooruitzicht op een zekere continuïteit in de economische voorwaarden, met inbegrip van de belastingregeling. Derhalve heeft de Commissie besloten een overgangsperiode toe te staan waardoor de ‚cost plus’-regeling voor de huidige begunstigden geleidelijk kan worden uitgedoofd.

(120) Aangezien de erkenningen geen enkel recht inhouden inzake het voortbestaan van de regeling noch het voordelige karakter ervan, zelfs voor de erkenningsperiode, is de Commissie van oordeel dat zij in geen geval recht kunnen geven op verlenging van de regeling na de datum waarop de lopende erkenning afloopt. Gezien de uitdrukkelijke beperking van de erkenningen tot tien jaar, is het zelfs niet mogelijk dat een gewettigd vertrouwen zou zijn gesteld in een automatische verlenging, hetgeen zou zijn neergekomen op een theoretisch eeuwigdurende erkenning.”

33. De punten 121 tot en met 123 van de bestreden beschikking bevatten de volgende conclusies:

„(121) De Commissie stelt vast dat de belastingregeling die van toepassing is op de coördinatiecentra in België onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt en dat aan de onverenigbaarheid van de verschillende onderdelen ervan een einde moet worden gesteld, door de afschaffing of wijziging ervan. Vanaf de datum van kennisgeving van de onderhavige beschikking mag het voordeel van deze regeling of onderdelen ervan niet meer worden toegekend aan nieuwe begunstigden, noch worden gehandhaafd door verlenging van lopende erkenningen. De Commissie neemt er nota van dat de in 2001 erkende centra sinds 31 december 2002 niet meer profiteren van de regeling.

(122) Wat de thans onder de regeling vallende centra betreft, erkent de Commissie dat de beschikking van 1984 tot goedkeuring van koninklijk besluit nr. 187, alsmede het door het voor directoraat-generaal Concurrentie verantwoordelijke lid van de Commissie gegeven antwoord op een parlementaire vraag, het gewettigde vertrouwen hebben gewekt dat deze regeling geen inbreuk vormde op de verdragsregels inzake staatssteun.

(123) Wegens de aanzienlijke investeringen die op basis daarvan werden verricht, is het bovendien op grond van de eerbiediging van het gewettigde vertrouwen en de rechtszekerheid van de begunstigden gerechtvaardigd een redelijke termijn toe te kennen voor de uitdoving van de gevolgen van de regeling voor de reeds erkende centra. De Commissie meent dat deze redelijke termijn afloopt op 31 december 2010. De centra waarvan de erkenning vóór deze datum afloopt, kunnen na de termijn van hun erkenning niet meer profiteren van deze regeling. Na de datum waarop de erkenning afloopt, en in ieder geval na 31 december 2010, zal de verlening of de handhaving van de betrokken belastingvoordelen onwettelijk zijn.”

34. De artikelen 1 en 2 van het dispositief van de bestreden beschikking luiden als volgt:

„ Artikel 1

De belastingregeling die thans in België van kracht is ten gunste van de coördinatiecentra welke zijn erkend op grond van koninklijk besluit nr. 187, vormt een steunregeling die onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt.

Artikel 2

België is ertoe gehouden de in artikel 1 bedoelde steunregeling in te trekken of te wijzigen om deze verenigbaar te maken met de gemeenschappelijke markt.

Vanaf de datum van kennisgeving van de onderhavige beschikking mag het voordeel van deze regeling of onderdelen ervan niet meer worden toegekend aan nieuwe begunstigden, noch in stand worden gehouden door verlenging van lopende erkenningen.

Wat de reeds vóór 31 december 2000 erkende centra betreft, mag de regeling worden gehandhaafd tot de uiterste termijn van de op de datum van kennisgeving van de onderhavige beschikking lopende individuele erkenning, en uiterlijk tot 31 december 2010. Overeenkomstig de tweede alinea mag in geval van verlenging van de erkenning vóór die datum het voordeel van de regeling die het voorwerp uitmaakt van de onderhavige beschikking, niet meer worden toegekend, zelfs niet tijdelijk.”

De feiten na de bestreden beschikking

35. De wijzigingen van koninklijk besluit nr. 187, die de Belgische autoriteiten op 16 mei 2002 bij de Commissie hadden aangemeld, zijn op 24 december 2002 door het Belgische parlement aangenomen en op 31 december daaraanvolgend in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

36. Op 23 april 2003 heeft de Commissie deze nieuwe regeling goedgekeurd voorzover zij met name voorziet in het beginsel van de voorafgaande erkenning van de coördinatiecentra voor een periode van tien jaar en de vaststelling van de belastbare grondslag die wordt berekend aan de hand van alle bedrijfskosten, met toepassing van een adequate winstmarge. Aangezien deze nieuwe regeling eveneens voorziet in de vrijstelling van dergelijke centra van de roerende voorheffing en van het kapitaalrecht, alsook in de niet-belasting van aan de centra toegekende zogenoemde „abnormale of goedgunstige voordelen”, heeft de Commissie evenwel een formele onderzoeksprocedure ingeleid met betrekking tot deze drie maatregelen.

37. Bij beschikking 2005/378/EG van 8 september 2004 betreffende de steunregeling die België voornemens is ten uitvoer te leggen ten gunste van coördinatiecentra (PB 2005, L 125, blz. 10) heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld dat, gelet op het feit dat het Koninkrijk België zich ertoe heeft verbonden om de betrokken vrijstellingen in te trekken en te vervangen door vrijstellings‑ of verminderingsmaatregelen die van toepassing zijn op alle op zijn grondgebied gevestigde ondernemingen alsmede om alle „abnormale of goedgunstige voordelen” die de coördinatiecentra ontvangen te belasten, de maatregelen die de nieuwe belastingregeling voor coördinatiecentra vormen, geen staatssteun in de zin van artikel 87, lid 1, EG waren.

38. Ter terechtzitting van 14 september 2005 heeft de vertegenwoordiger van het Koninkrijk België de bij brief van 28 februari 2005 aan de Commissie verstrekte informatie bevestigd dat deze nieuwe regeling was afgeschaft.

39. Verder heeft de Belgische minister van Financiën bij brief van 20 maart 2003 de Commissie krachtens artikel 88, lid 3, EG op de hoogte gebracht van zijn voornemen om tot en met 31 december 2005 bepaalde belastingfaciliteiten toe te kennen aan ondernemingen die per 31 december 2000 onder de regeling voor coördinatiecentra vielen en waarvan de erkenning tussen 17 februari 2003 en 31 december 2005 afliep.

40. Bij brief van dezelfde dag heeft het Koninkrijk België de Raad eveneens verzocht die maatregelen overeenkomstig artikel 88, lid 2, derde alinea, EG als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt te beschouwen.

41. In een schrijven van 25 april 2003 heeft de voorzitter van de Commissie vastgesteld dat de bestreden beschikking uitvoerbaar was en zich op het standpunt gesteld dat de hierboven genoemde brief van 20 maart 2003 niet kon worden beschouwd als aanmelding van een nieuwe steunmaatregel in de zin van artikel 88, lid 3, EG.

42. Bij brief van 26 mei 2003 heeft het Koninkrijk België de Commissie opnieuw in kennis gesteld van het voornemen dat het had uiteengezet in zijn schrijven van 20 maart 2003.

43. Tijdens zijn bijeenkomst van 3 juni 2003 heeft de Raad (Ecofin) in beginsel met dit verzoek ingestemd en het Comité van permanente vertegenwoordigers verzocht al het nodige te doen opdat de Raad bedoeld besluit ten spoedigste, en in elk geval vóór eind juni 2003, zou kunnen nemen.

44. Bij beschikking 2003/531/EG van de Raad van 16 juli 2003 betreffende een steunmaatregel van de Belgische regering ten behoeve van bepaalde in België gevestigde coördinatiecentra (PB L 184, blz. 17), die is vastgesteld op de grondslag van artikel 88, lid 2, EG, is verenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaard „[d]e steunmaatregel die België voornemens [was] tot en met 31 december 2005 te verlenen ten behoeve van ondernemingen die op 31 december 2000 houder waren van een erkenning als coördinatiecentrum uit hoofde van koninklijk besluit nr. 187 [...] en waarvan de erkenning tussen 17 februari 2003 en 31 december 2005 verstrijkt”. Deze beschikking is het voorwerp van zaak C‑399/03.

45. Bij brief van 17 juli 2003 heeft de Commissie geantwoord op de hierboven genoemde aanmelding van 26 mei 2003 door het in haar schrijven van 25 april 2003 ingenomen standpunt te bevestigen.

46. Bij beschikking van 26 juni 2003, België en Forum 187/Commissie (C‑182/03 R en C‑217/03 R, Jurispr. blz. I‑6887), heeft de president van het Hof de opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking bevolen, voorzover het Koninkrijk België daarbij wordt verboden de op de datum van kennisgeving van die beschikking lopende erkenningen van coördinatiecentra te verlengen.

Conclusies van partijen en procedure voor het Hof

47. In zaak C‑182/03 verzoekt het Koninkrijk België het Hof:

– artikel 2, tweede en derde alinea, van de bestreden beschikking nietig te verklaren voorzover het bepaalt dat „[v]anaf de datum van kennisgeving van de [genoemde] beschikking [...] het voordeel van deze regeling of onderdelen ervan niet meer [...] in stand [mag] worden gehouden door verlenging van lopende erkenningen” en dat „[o]vereenkomstig de tweede alinea [...] in geval van verlenging van de erkenning vóór [31 december 2010] het voordeel van de regeling die het voorwerp uitmaakt van de onderhavige beschikking, niet meer [mag] worden toegekend, zelfs niet tijdelijk”;

– de Commissie te verwijzen in de kosten, de kosten van de procedure in kort geding daaronder begrepen.

48. In zaak C‑217/03 verzoekt Forum 187 het Hof:

– primair, de bestreden beschikking nietig te verklaren en, subsidiair, deze nietig te verklaren voorzover zij niet in passende overgangsmaatregelen heeft voorzien;

– de Commissie te verwijzen in de kosten in zaak C‑217/03 alsmede in de zaak die heeft geleid tot de beschikking van het Gerecht van 2 juni 2003, Forum 187/Commissie (T‑276/02, Jurispr. blz. II‑2075).

49. De Commissie concludeert in beide zaken tot:

– verwerping van de beroepen;

– verwijzing van verzoekers in de kosten, de kosten van de procedure in kort geding daaronder begrepen.

50. Bij op 16 juni 2003 ingeschreven afzonderlijke akte heeft de Commissie een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen tegen het beroep van Forum 187.

51. Bij beschikking van 30 maart 2004 heeft het Hof besloten om de exceptie van niet-ontvankelijkheid te voegen met de zaak ten gronde en de procedure voort te zetten.

52. Bij beschikking van de president van de Tweede kamer van 28 april 2005 zijn de zaken C‑182/03 en C‑217/03 gevoegd voor de mondelinge behandeling en het arrest.

Ontvankelijkheid

53. De Commissie stelt dat Forum 187 niet bevoegd is om op te komen tegen de bestreden beschikking, die niet tot haar is gericht, op grond dat deze haar niet rechtstreeks en individueel raakt.

54. Forum 187 betwist deze exceptie van niet-ontvankelijkheid om te beginnen door aan te voeren dat de beschikking rechtstreeks en individueel dertig centra raakt waarvan de erkenning in de loop van 2001 en 2002 werd verlengd en waarvoor het tijdvak waarin zij gebruik kunnen maken van de in het geding zijnde belastingregeling zal aflopen op 31 december 2010, en acht centra waarvan de verlengingsaanvraag hangende was op de datum waarop de bestreden beschikking werd vastgesteld. Voorts is zij van mening dat zij door de bestreden beschikking wordt geraakt in haar hoedanigheid van vertegenwoordigingsorgaan van de coördinatiecentra die zijn erkend door de Belgische autoriteiten, bij welke zij een quasi-officiële status bezit waardoor zij met name een belangrijke rol kon vervullen in de administratieve procedure voor de Commissie, alsmede wegens het feit dat de bestreden beschikking van invloed is op haar bestaansreden.

55. Overeenkomstig artikel 230 EG kan een natuurlijke of rechtspersoon slechts beroep instellen tegen een tot een andere persoon gerichte beschikking, indien deze beschikking hem rechtstreeks en individueel raakt.

56. Een vereniging als Forum 187, die is belast met de behartiging van de collectieve belangen van de in België gevestigde coördinatiecentra, kan in beginsel slechts een beroep tot nietigverklaring instellen tegen een eindbeschikking van de Commissie inzake steunmaatregelen van staten, wanneer de ondernemingen die zij vertegenwoordigt of een aantal daarvan individueel procesbevoegdheid hebben (arrest van 7 december 1993, Federmineraria e.a./Commissie, C‑6/92, Jurispr. blz. I‑6357, punten 15 en 16) of wanneer zij een eigen belang kan doen gelden (arrest van 24 maart 1993, CIRFS e.a./Commissie, C‑313/90, Jurispr. blz. I‑1125, punten 29 en 30).

57. Aangaande de eerste voorwaarde van artikel 230, vierde alinea, EG staat het vast dat de beschikking van de Commissie die de Belgische regering belet om de erkenningen van de coördinatiecentra die na 17 februari 2003 ten einde lopen te verlengen en die in elk geval de werking in de tijd van de lopende erkenningen beperkt tot 31 december 2010, dwingende werking heeft en de coördinatiecentra in kwestie dus rechtstreeks worden geraakt door de bestreden beschikking.

58. Met betrekking tot de tweede voorwaarde van artikel 230 EG zij eraan herinnerd dat het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld dat het feit dat een bestreden bepaling, qua aard en draagwijdte, een algemeen karakter heeft, waar zij van toepassing is op alle betrokken marktdeelnemers, evenwel niet uitsluit dat zij bepaalde marktdeelnemers individueel kan raken (zie in die zin arrest van 18 mei 1994, Codorníu, C‑309/89, Jurispr. blz. I‑1853, punt 19).

59. Een natuurlijk of rechtspersoon kan slechts stellen individueel te zijn geraakt, indien de betrokken bepaling hem treft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie welke hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert (zie arrest van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, Jurispr. blz. 205, 232).

60. Dienaangaande heeft het Hof geoordeeld dat wanneer de bestreden handeling een groep personen raakt die op het tijdstip waarop deze handeling werd vastgesteld waren geïdentificeerd of konden worden geïdentificeerd op basis van specifieke kenmerken van de leden van deze groep, deze personen door deze handeling individueel konden zijn geraakt voorzover zij deel uitmaken van een beperkte kring van marktdeelnemers (zie arresten van 17 januari 1985, Piraiki-Patraiki e.a./Commissie, 11/82, Jurispr. blz. 207, punt 31, en 26 juni 1990, Sofrimport/Commissie, C‑152/88, Jurispr. blz. I‑2477, punt 11).

61. Op de eerste plaats moet worden vastgesteld dat de bestreden beschikking tot gevolg heeft gehad dat het tijdvak van erkenning van de coördinatiecentra waarvan de erkenning in de loop van 2001 en 2002 was verlengd, uiterlijk op 31 december 2010 en niet in de loop van 2011 en 2012 verstrijkt, en voorts dat deze centra volstrekt identificeerbaar waren op het ogenblik waarop de bestreden beschikking werd vastgesteld. De dertig coördinatiecentra die worden geraakt door de gevolgen van de genoemde beschikking, mochten derhalve individueel tegen deze beschikking opkomen.

62. Op de tweede plaats heeft de bestreden beschikking niet voorzien in overgangsmaatregelen ten gunste van de coördinatiecentra waarvan de erkenning afliep toen de kennisgeving van deze beschikking plaatsvond en die waarvan de erkenningsaanvraag hangende was op het tijdstip van kennisgeving van deze beschikking.

63. Derhalve worden acht centra waarvan de aanvraag tot verlenging van de erkenning op dat moment hangende was, geraakt. Die centra behoren tot een gesloten kring waarvan de leden in het bijzonder worden geraakt door de bestreden beschikking, aangezien zij geen verlenging van hun erkenning meer kunnen krijgen. Hieruit vloeit voort dat deze centra individueel bevoegd waren om in rechte op te komen tegen de bestreden beschikking.

64. Zonder dat behoeft te worden onderzocht of Forum 187 een eigen belang kan doen gelden, volgt uit een en ander dat deze vereniging ontvankelijk is voorzover zij enerzijds dertig coördinatiecentra vertegenwoordigt die tot en met 31 december 2010 gebruik mogen maken van de litigieuze regeling en anderzijds acht centra waarvan de verlengingsaanvragen hangende waren op het tijdstip van kennisgeving van de bestreden beschikking.

De gegrondheid van de beroepen

65. Daar zowel het Koninkrijk België als Forum 187 nietigverklaring van de bestreden beschikking vordert voorzover deze niet in overgangsmaatregelen voorziet, dient op de eerste plaats de vordering van Forum 187 te worden onderzocht die strekt tot nietigverklaring van de genoemde beschikking voorzover deze de in het geding zijnde steunmaatregelen als onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt kwalificeert.

De vordering van Forum 187 tot nietigverklaring van de bestreden beschikking voorzover daarbij de in het geding zijnde maatregelen als met de gemeenschappelijke markt onverenigbare staatssteun worden gekwalificeerd

Het middel inzake het ontbreken van een rechtsgrondslag

66. Met dit middel stelt Forum 187 dat de bestreden beschikking rechtsgrondslag mist en in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Gezien de standpunten van de Commissie meer dan vijftien jaar eerder, kan de beschikking noch op de artikelen 87 EG en 88 EG, noch op artikel 1, sub b‑v, van de verordening worden gebaseerd, aangezien zij niet naar een of andere ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt verwijst.

67. Verder kan de Commissie zich haars inziens niet beroepen op haar recht om fouten te verbeteren. De vereniging leidt hieruit af dat er in casu sprake is van schending van het rechtszekerheidsbeginsel, verband houdende met de eerbiediging van de onaantastbaarheid van vroegere besluiten.

68. Vooraf dient erop te worden gewezen dat de Commissie bij de bestreden beschikking niet de beschikkingen van 1984 en 1987 heeft ingetrokken. In werkelijkheid is zij begonnen met een nieuw onderzoek van de belastingregeling voor coördinatiecentra door hierop de procedure van toezicht op een bestaande steunmaatregel toe te passen, en heeft zij hieruit opgemaakt dat deze regeling voortaan een onverenigbare steunmaatregel van de staat was.

69. Om na te gaan of de Commissie dit nieuwe onderzoek terecht heeft ingeleid, moet er niet enkel aan worden herinnerd dat het beginsel van rechtszekerheid vereist dat de communautaire wetgeving met zekerheid kenbaar is en dat de toepassing ervan voor de justitiabelen voorzienbaar is (arresten van 15 december 1987, Ierland/Commissie, 325/85, Jurispr. blz. 5041, punt 18, en 1 5 februari 1996, Duff e.a., C‑63/93, Jurispr. blz. I‑569, punt 20), maar ook dat de toepassing van dit beginsel behoort te worden gecombineerd met die van het wettigheidsbeginsel (arrest van 22 maart 1961, SNUPAT/Hoge Autoriteit, 42/59 en 49/59, Jurispr. blz. 101, 162).

70. Dienaangaande staat het vast dat, zoals de advocaat-generaal in de punten 212 en 213 van zijn conclusie opmerkt, de verordening, die de uitoefening door de Commissie van de haar bij artikel 88 EG toegekende bevoegdheden codificeert, geen definitie geeft van wat valt onder het begrip „ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt” in artikel 1, sub b‑v, ervan, dat bepaalt dat een maatregel die op het moment van inwerkingtreding geen steun vormde, niettemin als bestaande steun moet worden beschouwd, voorzover hij vervolgens steun is geworden „vanwege de ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt”.

71. Dit begrip, dat kan worden opgevat als een wijziging van de economische en juridische context in de door de betrokken maatregel geraakte sector, ziet niet op het geval waarin, zoals in casu, de Commissie haar beoordeling uitsluitend wijzigt op grond van een striktere toepassing van de verdragsregels inzake steunmaatregelen van staten.

72. Er dient evenwel op te worden gewezen dat de verordening een handeling van afgeleid recht is die werd vastgesteld voor de toepassing van de artikelen 87 EG en 88 EG, die de draagwijdte van deze artikelen niet kan beperken, te meer daar de Commissie haar bevoegdheden rechtstreeks aan deze artikelen ontleent.

73. Artikel 88, lid 1, EG draagt de Commissie namelijk op om de in de staten bestaande steunregelingen aan een voortdurend onderzoek te onderwerpen en deze laatste de dienstige maatregelen voor te stellen, welke de geleidelijke ontwikkeling of de werking van de gemeenschappelijke markt vereist.

74. Op grond van lid 2 van dit artikel kan de Commissie, wanneer aan deze voorstellen geen gevolg wordt gegeven, de betrokken staat verplichten de steunmaatregel te wijzigen of op te heffen binnen een bepaalde termijn.

75. Hieruit vloeit voort dat de Commissie, met haar beslissing om de in België geldende belastingregeling voor coördinatiecentra, die door de groep „gedragscode” als schadelijk voor de gemeenschappelijke markt was verklaard, aan een heronderzoek te onderwerpen, de haar door artikel 88 EG toegekende rol heeft vervuld. Derhalve heeft de bestreden beschikking de artikelen 87 EG en 88 EG als rechtsgrondslag.

76. Daar het wettigheidsbeginsel dus werd gerespecteerd, is de bestreden beschikking een met zekerheid kenbare handeling waarvan de toepassing voorzienbaar was voor de justitiabelen. Bijgevolg is deze beschikking niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

77. Bovendien is de enige procedure die de Commissie in casu kan toepassen, die waarin door de verordening wordt voorzien voor het toezicht op bestaande steunmaatregelen. Het lijdt immers geen twijfel dat de betrokken belastingregeling een bestaande maatregel is, aangezien die in 1984 bij de Commissie was aangemeld en geen enkele substantiële wijziging had ondergaan.

78. Derhalve kan Forum 187 niet op goede gronden aanvoeren dat de Commissie blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de inleiding van de formele onderzoeksprocedure te baseren op de artikelen 17 en 18 van de verordening, zoals zij heeft aangegeven in haar brief van 17 juli 2000 aan de Belgische autoriteiten, en door zich vervolgens uitsluitend te baseren op de artikelen 87 EG en 88 EG. Bijgevolg dient het eerste middel te worden verworpen.

Het middel schending van artikel 87, lid 1, EG

79. Met dit middel stelt Forum 187 dat de voor coördinatiecentra geldende belastingregeling geen staatssteun is in de zin van artikel 87, lid 1, EG. Hiertoe voert zij niet enkel aan dat de methode die de Commissie heeft gebruikt om deze belastingregeling te analyseren te algemeen was, maar eveneens dat de verschillende maatregelen die de betrokken regeling omvat, niet voldeden aan de voorwaarden van dit artikel. Deze maatregelen kennen met name de centra geen enkel voordeel toe, brengen geen overdracht van staatsmiddelen mee, hebben geen selectief karakter, en de Commissie heeft niet aangetoond dat zij van invloed zijn op de mededinging en het handelsverkeer tussen de lidstaten. Zij is van mening dat de genoemde regeling hoe dan ook wordt gerechtvaardigd door de aard en de opzet van het Belgische belastingstelsel.

– De methode voor het analyseren van de belastingregeling

80. Forum 187 verwijt de Commissie dat zij de bevoegdheid van de lidstaten op belastinggebied heeft miskend, en dat zij de betrokken regeling te algemeen heeft geanalyseerd.

81. Hiertegen moet worden ingebracht dat artikel 87 EG fiscale regelingen niet uitsluit van zijn werkingssfeer.

82. Voorts dient erop te worden gewezen dat in het geval van een steunprogramma de Commissie slechts de kenmerken van het betrokken programma behoeft te onderzoeken om te kunnen beoordelen, of dit programma de begunstigden een merkbaar voordeel verschaft ten opzichte van hun concurrenten (arrest van 17 juni 1999, België/Commissie, C‑75/97, Jurispr. blz. I‑3671, punt 48). Zij behoeft niet elk afzonderlijk geval te onderzoeken waarin de regeling wordt toegepast (arrest van 29 april 2004, Griekenland/Commissie, C‑278/00, Jurispr. blz. I‑3997, punt 24, en aldaar aangehaalde rechtspraak).

83. Het eerste onderdeel van het middel moet bijgevolg worden afgewezen.

– De voorwaarden van artikel 87, lid 1, EG

84. Vooraf dient te worden gepreciseerd dat volgens vaste rechtspraak de kwalificatie als staatssteun vereist dat aan alle in artikel 87, lid 1, EG bedoelde voorwaarden is voldaan (zie arrest van 24 juli 2003, Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg, C‑280/00, Jurispr. blz. I‑7747, punt 74).

85. Derhalve dienen al deze voorwaarden te worden onderzocht.

i) Een voordeel ten gunste van bepaalde ondernemingen

86. Het begrip steun omvat niet alleen positieve prestaties zoals subsidies, leningen of deelnemingen in het kapitaal van ondernemingen, maar ook maatregelen welke, in verschillende vormen, de lasten verlichten die normaliter op het budget van een onderneming drukken en daardoor – zonder nog subsidies in de strikte zin van het woord te zijn – van gelijke aard zijn en identieke gevolgen hebben (arrest van 20 november 2003, Gemo, C‑126/01, Jurispr. blz. I‑13769, punt 28, en aldaar aangehaalde rechtspraak).

87. Het Hof heeft verder geoordeeld dat een maatregel waarbij de overheid aan bepaalde ondernemingen een belastingvrijstelling verleent die, hoewel in dat kader geen staatsmiddelen worden overgedragen, de financiële situatie van de begunstigden verbetert ten opzichte van de andere belastingplichtigen, als een steunmaatregel van de staat is aan te merken (arrest van 15 maart 1994, Banco Exterior de España, C‑387/92, Jurispr. blz. I‑877, punt 14).

88. De Commissie heeft in de bestreden beschikking vastgesteld dat de wijze van vaststelling van de belastbare inkomsten, de vrijstelling van de roerende en onroerende voorheffing en van het kapitaalrecht, alsmede het stelsel van de fictieve roerende voorheffing voordelen zijn voor de coördinatiecentra.

89. Forum 187 wijst deze analyse van de hand.

90. Op de eerste plaats heeft de Commissie zich in de punten 89 tot en met 95 van de bestreden beschikking op het standpunt gesteld dat de forfaitaire vaststelling van de inkomsten volgens de „cost plus”-methode een economisch voordeel is in de zin van artikel 87 EG.

91. Volgens de betrokken regeling wordt de belastbare winst immers vastgesteld op een forfaitair bedrag, dat overeenkomt met een percentage van het totaal van de uitgaven en bedrijfskosten, exclusief personeelskosten en financiële lasten.

92. Voorts moet de winstmarge van een coördinatiecentrum in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de werkelijk door hem uitgeoefende activiteit. Wanneer dit centrum zelf bepaalde verleende diensten factureert tegen een prijs die overeenkomt met het bedrag van de kosten vermeerderd met een winstmarge, kan het percentage van die winstmarge worden gebruikt voorzover het niet abnormaal is. Wanneer er geen objectieve criteria voorhanden zijn om het in aanmerking te nemen winstpercentage vast te stellen, dient dit in beginsel te worden vastgesteld op 8 %.

93. De belastbare winst van dit centrum mag evenwel niet lager zijn dan het totaal van de uitgaven of lasten die niet aftrekbaar zijn als beroepskosten en de „abnormale of goedgunstige voordelen” die door de leden van de groep werden toegekend aan het centrum. Deze winst wordt belast tegen het normale tarief van de vennootschapsbelasting.

94. Deze methode voor de vaststelling van de belastbare winst is geïnspireerd door de zogenoemde „cost plus”-methode die wordt voorgestaan door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (hierna: „OESO”) voor de belasting van de diensten die werden verricht door een dochteronderneming of een vaste inrichting voor rekening van de in andere staten gevestigde vennootschappen die tot dezelfde groep behoren.

95. Om na te gaan of de vaststelling van de belastbare inkomsten als voorzien in de regeling voor coördinatiecentra, deze een voordeel verschaft, moet de genoemde regeling, zoals de Commissie in punt 95 van de bestreden beschikking suggereert, worden vergeleken met de algemene regeling, die is gebaseerd op het verschil tussen lasten en baten van een onderneming die haar bedrijf uitoefent in een omgeving waarin vrije mededinging heerst.

96. Wat dit betreft zijn de personeelskosten en de financiële lasten in het kader van activiteiten betreffende kasbeheer of financiering elementen die op doorslaggevende wijze bijdragen aan de verwezenlijking van de inkomsten van de coördinatiecentra voorzover deze diensten verlenen, in het bijzonder van financiële aard. Bijgevolg kan de uitsluiting van deze kosten en lasten van de kosten aan de hand waarvan de belastbare inkomsten van deze centra worden vastgesteld, niet leiden tot verrekenprijzen die in de buurt liggen van die welke zouden worden gehanteerd in een omgeving waarin vrije mededinging heerst.

97. Derhalve verschaft deze uitsluiting de genoemde centra een economisch voordeel.

98. Anders dan Forum 187 beweert, kan aan deze analyse noch worden afgedaan door het feit dat de opneming van de financiële lasten in bepaalde gevallen zou kunnen leiden tot een te hoge belastinggrondslag, noch door de omvang van de fiscale last die bij de groep zou kunnen komen te liggen, en evenmin door de omstandigheid dat een centrum kan worden belast zonder winst te hebben gemaakt. Dit zijn immers allemaal gevolgen die inherent zijn aan de „cost plus”-methode.

99. Bovendien compenseert de met ingang van 1 januari 1993 ingestelde jaarlijkse belasting van 10 000 EUR per voltijdse werknemer met een plafond van 100 000 EUR, niet de positieve gevolgen van de gebruikte berekeningswijze, aangezien het plafond overeenkomt met het minimale aantal werknemers die de centra moeten tewerkstellen nadat zij twee jaar werkzaam zijn geweest.

100. Dit geldt ook met betrekking tot het percentage van 8 % dat automatisch wordt toegepast op de bedrijfskosten om de belastbare grondslag vast te stellen, omdat dit percentage wordt toegepast op een grondslag die al is verlaagd en er tussen de centra in werkelijkheid grote verschillen bestaan qua winstmarge, aangezien die afhangt van de uitgeoefende activiteit.

101. Ten slotte kan, zoals de advocaat-generaal in punt 265 van zijn conclusie heeft opgemerkt, het standpunt van de Commissie worden aanvaard dat de alternatieve belastinggrondslag die eventuele misbruiken moet voorkomen door de invoering van een minimumtarief, niet het voordeel ongedaan maakt dat ontstaat door de toepassing van de hierboven bedoelde uitsluitingen in combinatie met het percentage van 8 %. In deze grondslag zijn immers slechts bedragen opgenomen die in het geval van vennootschappen die niet onder de in het geding zijnde regeling vallen, in België eveneens worden belast.

102. Gelet op deze factoren, heeft de Commissie derhalve terecht vastgesteld dat de regels inzake de vaststelling van de belastbare inkomsten een voordeel vormden voor de coördinatiecentra en de groepen waartoe zij behoren.

103. Op de tweede plaats heeft de Commissie zich in de punten 76 en 77 van de bestreden beschikking op het standpunt gesteld dat de vrijstelling van de onroerende voorheffing waarvan de coördinatiecentra profiteren, hun een economisch voordeel oplevert.

104. De betrokken belastingregeling bepaalt immers dat deze centra zijn vrijgesteld van de onroerende voorheffing voor het voor hun bedrijfsactiviteiten gebruikte onroerend goed, hoewel deze last in beginsel drukt op het budget van iedere vennootschap die in België onroerend goed bezit, dat wil zeggen gebouwde en ongebouwde onroerende goederen alsook het materiaal en de uitrusting die onroerend zijn door hun aard of hun bestemming.

105. Bijgevolg is de vrijstelling van die voorheffing een economisch voordeel. De omstandigheid dat slechts 5 % van de coördinatiecentra er echt van profiteren omdat alle andere centra hun onroerend goed huren, doet aan deze beoordeling niet af, aangezien de keuze tussen het verwerven en huren van onroerend goed uitsluitend ter discretie van deze centra staat.

106. Op de derde plaats heeft de Commissie zich in de punten 78 en 79 van de bestreden beschikking op het standpunt gesteld dat de vrijstelling van het kapitaalrecht waarvan de coördinatiecentra profiteren, eveneens een economisch voordeel vormt.

107. Aangezien immers in België de inbreng van kapitaal in de regel wordt belast, drukt deze belasting dus op elke kapitaalvennootschap. De vrijstelling waarvan de genoemde coördinatiecentra profiteren, en die zowel de eerste inbreng als de statutaire verhogingen betreft, kan dus niet anders dan als een voordeel worden beschouwd.

108. Dat artikel 7, lid 1, van richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal (PB L 249, blz. 25), zoals gewijzigd bij richtlijn 85/303/EEG van de Raad van 10 juni 1985 (PB L 156, blz. 23), heeft bepaald dat de op 1 juli 1984 geldende vrijstellingen van verrichtingen moesten worden gehandhaafd, is niet van invloed op deze beoordeling, aangezien de in het geding zijnde vrijstelling van het kapitaalrecht slechts is voorzien voor bepaalde soorten vennootschappen en aldus geen algemene strekking heeft.

109. Op de vierde plaats heeft de Commissie in de punten 80 tot en met 87 van de bestreden beschikking de vrijstelling van de coördinatiecentra van de roerende voorheffing als economisch voordeel gekwalificeerd.

110. Volgens de betrokken regeling is geen roerende voorheffing verschuldigd, dat wil zeggen bronheffingen over door de coördinatiecentra uitgekeerde dividenden, rente [met uitzondering van die welke wordt overgemaakt aan begunstigden die in België aan de (natuurlijke) personen‑ of de rechtspersonenbelasting zijn onderworpen] en royalty’s, alsook over de inkomsten uit kasgelddeposito’s.

111. Uit de vaststellingen van de Commissie blijkt dat de roerende voorheffing de definitieve Belgische belasting vormt over de inkomsten die werden uitgekeerd aan niet in België gevestigde vennootschappen die in hun staat van vestiging daarvan geen verrekening of terugbetaling kunnen verkrijgen.

112. Bijgevolg kent de in het geding zijnde regeling, door de coördinatiecentra vrij te stellen van de betaling van deze voorheffing, deze een voordeel toe waarvan het bestaan in ieder geval niet kan worden betwist op grond dat verdere vrijstellingen van dezelfde voorheffing ten gunste van andere soorten ondernemingen zijn ingevoerd.

113. Op de vijfde plaats heeft de Commissie in punt 88 van de bestreden beschikking gesteld dat de toekenning van een fictieve roerende voorheffing een voordeel vormt.

114. De ontvangers van de door de coördinatiecentra verrichte betalingen zijn immers niet enkel vrijgesteld van de roerende voorheffing, maar komen bovendien in aanmerking voor een forfaitaire aftrek over het totaalbedrag aan belasting dat zij zullen moeten betalen.

115. Uit de mondelinge behandeling blijkt dat het percentage van de fictieve voorheffing in 1991 tot nul is verlaagd.

116. De rente die wordt uitgekeerd krachtens langlopende leningen die werden gesloten vóór 24 juli 1991, blijven evenwel vrijgesteld. Deze situatie kent de betrokken coördinatie centra bijgevolg een voordeel toe.

117. Het feit dat het percentage van deze voorheffing, dat tot nul werd verlaagd, bij koninklijk besluit kan worden gewijzigd, vormt daarentegen in het beste geval slechts een eventueel en toekomstig voordeel. Op basis van een dergelijke eventualiteit kan deze maatregel echter niet als staatssteun worden gekwalificeerd.

118. Bijgevolg verschaft de betrokken regeling de coördinatiecentra een voordeel.

ii) Selectiviteit

119. Er zij aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak artikel 87, lid 1, EG de verplichting oplegt om te bepalen of een nationale maatregel binnen het kader van een bepaalde rechtsregeling „bepaalde ondernemingen of bepaalde producties” kan begunstigen ten opzichte van andere, die zich, gelet op de doelstelling van de betrokken regeling, in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden. Wanneer dat het geval is, voldoet de betrokken maatregel aan de voorwaarde van selectiviteit die bepalend is voor het begrip staatssteun in deze bepaling (zie arrest van 3 maart 2005, Heiser, C‑172/03, Jurispr. blz. I‑1627, punt 40, en aldaar aangehaalde rechtspraak).

120. Uit de voorgaande analyse volgt dat de vrijstellingen van de onroerende en de roerende voorheffing, van het kapitaalrecht en de toekenning van een fictieve roerende voorheffing uitzonderingen zijn op de algemene Belgische belastingregeling. De door Forum 187 aangehaalde omstandigheid dat er tal van andere uitzonderingen bestaan, doet niet af aan de vaststelling dat het hier in feite om een uitzonderingsregeling gaat en dat zij deze vrijstellingen alleen tot de coördinatiecentra beperkt.

121. Bijgevolg is het selectieve karakter van deze vrijstellingen aangetoond.

122. Hoewel Forum 187 wat betreft de wijze van vaststelling van de belastbare inkomsten betoogt dat de betrokken regeling geldt voor de vennootschappen waarvoor zij speciaal is ontworpen teneinde het gevaar van dubbele belasting te vermijden, staat het vast dat deze regeling uitsluitend geldt voor internationale groepen met dochterondernemingen in ten minste vier verschillende landen, die beschikken over een kapitaal en reserves ten belope van één miljard BEF of meer en die een geconsolideerde jaaromzet realiseren van tien miljard BEF of meer.

123. Hieruit vloeit voort dat de betrokken regeling ook op dit punt een selectief karakter heeft.

124. Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door het standpunt van Forum 187 dat de betrokken regeling geen uitzondering is op de algemene belastingregeling voor ondernemingen, maar een ander soort regeling, die is ingegeven door de fiscale logica en de noodzaak om een oplossing aan te dragen voor het probleem van de dubbele belasting van diensten die binnen een internationale groep van ondernemingen worden verricht.

125. Forum 187 verklaart immers niet waarom de verschillende maatregelen waarin in het kader van de betrokken regeling werd voorzien, worden gerechtvaardigd door het in België geldende belastingsysteem. Voorts heeft Forum 187 niet aangetoond in hoeverre de doelstelling om op te treden tegen het probleem van de dubbele belasting van binnen een groep verrichte diensten, het rechtvaardigde om enkel centra die waren opgericht door groepen van een zekere omvang voor de betrokken regeling in aanmerking te laten komen, noch in hoeverre voor deze doelstelling elk van de verschillende voordelen waaruit deze regeling was opgebouwd, noodzakelijk was.

126. Derhalve heeft Forum 187 niet aangetoond dat de betrokken regeling wordt gerechtvaardigd door de aard of de algemene opzet van het Belgische belastingstelsel waarvan zij deel uitmaakt, zodat moet worden geconcludeerd dat het selectieve karakter van deze regeling is aangetoond.

iii) Het vereiste dat de steun met staatsmiddelen is bekostigd en aan de staat kan worden toegerekend

127. Voordelen kunnen slechts als steunmaatregelen in de zin van artikel 87, lid 1, EG worden beschouwd indien zij rechtstreeks of indirect met staatsmiddelen zijn bekostigd en aan de staat kunnen worden toegerekend (arrest Gemo, reeds aangehaald, punt 24).

128. Hoewel vaststaat dat de tweede voorwaarde is vervuld, aangezien de betrokken belastingregeling is vastgesteld door de Belgische regering, geldt dit volgens Forum 187 niet voor de eerste voorwaarde. Zij betoogt dat de Belgische staat 500 miljoen EUR per jaar heeft ontvangen aan van de coördinatiecentra afkomstige belastinginkomsten en sociale bijdragen.

129. Voor het bewijs dat de voordelen die voortvloeien uit de hierboven geanalyseerde vrijstellingen met staatsmiddelen worden bekostigd, volstaat echter de vaststelling dat de Belgische schatkist door die vrijstellingen inkomsten uit belastingen en sociale bijdragen heeft misgelopen.

iv) Het vereiste dat de steunregeling het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt en de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen

130. Uit de punten 99 tot en met 103 van de bestreden beschikking blijkt dat de Commissie zich op het standpunt heeft gesteld dat de betrokken regeling het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt en de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen.

131. Volgens de rechtspraak van het Hof wordt de mededinging vervalst zodra een maatregel de lasten van de begunstigde onderneming verlicht en aldus haar positie versterkt ten opzichte van andere concurrerende ondernemingen (zie in die zin arresten van 17 september 1980, Philip Morris/Commissie, 730/79, Jurispr. blz. 2671, punt 11, en 11 november 1987, Frankrijk/Commissie, 259/85, Jurispr. blz. 4393, punt 24).

132. De aan de coördinatiecentra toegekende voordelen leidden in casu tot een vervalsing van de mededinging tussen die centra en dienstverrichters in de sectoren financiën, trust, informatica en aanwerving, doordat het gebruik van de door deze centra verrichte diensten door de ondernemingen van de groep wordt aangemoedigd.

133. Zoals de advocaat-generaal voorts in punt 320 van zijn conclusie heeft aangevoerd, is de betrokken belastingregeling noodzakelijkerwijs van invloed op de mededinging wegens de brede waaier van activiteiten van de multinationale groepen die een coördinatiecentrum hebben opgericht.

134. Aangezien de coördinatiecentra worden opgericht door multinationale vennootschappen met vestigingen in minstens vier staten, wordt ten slotte het handelsverkeer tussen de lidstaten door de genoemde regeling noodzakelijkerwijs ongunstig beïnvloed.

135. Uit een en ander volgt dat de belastingregeling voor coördinatiecentra voldoet aan de voorwaarden van artikel 87, lid 1, EG. Bijgevolg dient het middel inzake schending van dat artikel te worden afgewezen.

Het middel ontoereikende motivering

136. Forum 187 stelt hoofdzakelijk dat de Commissie niet heeft uiteengezet waarom zij op haar vroegere beschikkingen is teruggekomen.

137. Dienaangaande dient erop te worden gewezen dat ofschoon de door artikel 253 EG vereiste motivering van een communautaire handeling moet beantwoorden aan de aard van die handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen (arresten van 9 juli 1969, Italië/Commissie, 1/69, Jurispr. blz. 277, punt 9, en 7 maart 2002, Italië/Commissie, C‑310/99, Jurispr. blz. I‑2289, punt 48), de Commissie niet kan worden verplicht om aan te geven waarom zij in haar vroegere beschikkingen de betrokken regeling anders had beoordeeld. Het begrip staatssteun beantwoordt immers aan een objectieve situatie die wordt beoordeeld op de datum waarop de Commissie haar beschikking vaststelt.

138. Bijgevolg treft het middel ontoereikende motivering geen doel en dient de vordering van Forum 187 tot nietigverklaring van de bestreden beschikking voorzover daarbij de in het geding zijnde maatregelen als met de gemeenschappelijke markt onverenigbare staatssteun worden gekwalificeerd, te worden verworpen.

De vordering van het Koninkrijk België en Forum 187 tot gedeeltelijke nietigverklaring van de bestreden beschikking

139. Het Koninkrijk België, dat om nietigverklaring van de bestreden beschikking verzoekt voorzover het hem daarbij niet wordt toegestaan om, zelfs al is het maar tijdelijk, de erkenning te verlengen van de centra die op 31 december 2000 onder de betrokken regeling vielen en waarvan de erkenning afloopt vóór 31 december 2010, voert vier middelen aan, te weten schending van artikel 88 EG, van het vertrouwensbeginsel en van het gelijkheidsbeginsel, alsmede ontoereikende motivering.

140. Forum 187, die om nietigverklaring van die beschikking verzoekt voorzover deze niet voorziet in passende overgangsmaatregelen voor de centra waarvan de erkenning vervalt tussen 17 februari 2003 en 31 december 2004, voert twee middelen aan, te weten schending van het vertrouwensbeginsel en ontoereikende motivering.

Schending van het vertrouwensbeginsel

– Argumenten van partijen

141. Het Koninkrijk België betoogt dat de Commissie haar beschikking weliswaar heeft gebaseerd op de gedragscode en de werkzaamheden van de Raad (Ecofin), door de coördinatiecentra het voordeel van de lopende erkenning te gunnen tot en met 31 december 2010, maar geen rekening heeft gehouden met alle standpunten van de Raad, in het bijzonder niet met de nota van 26 en 27 november 2000 die bepaalde dat de betrokken belastingregeling voor alle centra zou worden gehandhaafd tot en met 31 december 2005.

142. Deze standpuntbepaling is voor de Belgische minister van Financiën eveneens aanleiding geweest om deze mogelijkheid van verlenging tot en met 31 december 2005 – welke datum door de Commissie in haar voorstellen voor dienstige maatregelen van 11 juli 2001 werd overgenomen – op 20 december 2000 officieel in de kamer van volksvertegenwoordigers aan te kondigen.

143. Aangezien voorts voor de coördinatiecentra de verlenging van de erkenning automatisch plaatsvond wanneer de vereiste voorwaarden waren vervuld, mochten de centra waarvan de erkenning gelijktijdig met de bestreden beschikking afliep, erop vertrouwen dat deze verlenging hun zou worden toegekend. Tot de kennisgeving van de bestreden beschikking konden noch die centra, noch het Koninkrijk België zelf weten dat de Commissie die datum zou kiezen om de verlenging van de erkenningen stop te zetten.

144. Forum 187 betoogt dat de coördinatiecentra, gelet op de vroegere beschikkingen van de Commissie, erop mochten vertrouwen dat zij ook voortaan werden erkend.

145. Voorts hadden haars inziens de centra waarvan de erkenning in de loop van 2003 en 2004 afliep, een overgangsperiode van twee jaar nodig voor reorganisatie of in voorkomend geval om België zelfs te verlaten. Zij maakt bezwaar tegen de door de Commissie aangevoerde gronden om geen overgangsmaatregelen toe te kennen.

146. De Commissie weerlegt al deze argumenten door te preciseren dat zij het bestaan van een gewettigd vertrouwen van de centra in de betrokken regeling als gevolg van haar vroegere beschikkingen heeft erkend en dat zij daarom een overgangsperiode heeft ingesteld die ten laatste op 31 december 2010 afloopt en die van toepassing is op de centra die over een lopende erkenning beschikten op de datum van kennisgeving van de bestreden beschikking.

– Beoordeling door het Hof

147. Het Hof heeft bij herhaling geoordeeld dat iedere justitiabele bij wie een gemeenschapsinstelling gegronde verwachtingen heeft gewekt, zich op het vertrouwensbeginsel kan beroepen. Voorts kan niemand schending van dit beginsel stellen, wanneer de administratie hem geen precieze toezeggingen heeft gedaan (arrest van 24 november 2005, Duitsland/Commissie, C‑506/03, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 58). Wanneer verder een voorzichtige en bezonnen marktdeelnemer de vaststelling van een voor zijn belangen nadelige communautaire maatregel kan voorzien, kan hij zich niet op dit beginsel beroepen wanneer die maatregel wordt vastgesteld (arrest van 11 maart 1987, Van den Bergh en Jurgens en Van Dijk Food Products Lopik/Commissie, 265/85, Jurispr. blz. 1155, punt 44).

148. Ook al heeft de Gemeenschap overigens op een eerder tijdstip een situatie geschapen waardoor een gewettigd vertrouwen kan worden gewekt, een dwingend algemeen belang kan zich verzetten tegen de vaststelling van overgangsmaatregelen voor situaties die vóór de inwerkingtreding van de nieuwe regeling zijn ontstaan, doch die in hun ontwikkeling nog niet zijn voltooid (arrest van 17 juli 1997, Affish, C‑183/95, Jurispr. blz. I‑4315, punt 57).

149. Het Hof heeft evenwel eveneens geoordeeld dat waar de Commissie zonder een dwingend algemeen belang bij de opheffing van een regeling niet tegelijkertijd overgangsmaatregelen heeft vastgesteld ter bescherming van het gerechtvaardigd vertrouwen dat de marktdeelnemer mocht hebben in de gemeenschapsregeling, zij een hogere rechtsregel heeft geschonden (zie in die zin arrest van 14 mei 1975, CNTA/Commissie, 74/74, Jurispr. blz. 533, punt 44).

150. Op de eerste plaats dient te worden onderzocht of de conclusies van de Raad van 26 en 27 november 2000 alsook de door de Commissie gedane voorstellen voor dienstige maatregelen een vertrouwen hebben kunnen wekken in de handhaving van de betrokken regeling tot en met minstens 31 december 2005.

151. Uit de stukken blijkt dat deze conclusies van de Raad de uitdrukking zijn van een politieke wil en wegens hun inhoud geen rechtsgevolgen kunnen teweegbrengen die de justitiabelen voor het Hof zouden kunnen inroepen. Die conclusies kunnen overigens in geen enkel geval de Commissie binden bij de uitoefening van haar eigen bevoegdheden, die haar op het gebied van steunmaatregelen van staten door het Verdrag zijn toegekend. Derhalve kan de Belgische regering niet op goede gronden aanvoeren dat deze conclusies de grondslag hadden kunnen vormen voor toezeggingen omtrent het verkrijgen van overgangsmaatregelen.

152. Dit geldt ook voor de coördinatiecentra, die worden geacht de bevoegdheden van de Commissie te kennen en die derhalve de conclusies van de Raad van 26 en 27 november 2000 niet aan de Commissie kunnen tegenwerpen.

153. De voorstellen voor dienstige maatregelen die de Commissie aan het Koninkrijk België heeft meegedeeld, kunnen hoe dan ook niet de grondslag vormen voor een vertrouwen, aangezien zij integrerend deel uitmaken van de formele onderzoeksprocedure en een staat deze, zoals in casu, kan afwijzen.

154. Bijgevolg kan noch het Koninkrijk België, noch Forum 187 zich beroepen op een vertrouwen in de handhaving van de betrokken regeling tot en met minstens 31 december 2005.

155. Op de tweede plaats staat het vast dat de Commissie met haar in 1984 en 1987 gegeven beschikkingen en met haar op 24 september 1990 gegeven antwoord een vertrouwen heeft gewekt dat de betrokken regeling geen steunelement bevatte.

156. Verder staat het vast dat:

– ofschoon de betrokken regeling voorziet in een procedure voor erkenning voor een periode van tien jaar, de verlenging van deze erkenning, die niet automatisch plaatsvindt, is onderworpen aan dezelfde procedure en probleemloos kan worden verkregen wanneer de vereiste objectieve voorwaarden vervuld blijven;

– bovendien de nationale wettelijke regeling het aantal verlengingen niet vaststelt;

– bij gebreke van een discretionaire beoordeling door de nationale autoriteiten, de coördinatiecentra die verlenging van hun erkenning wensten, er redelijkerwijs van konden uitgaan dat niets in de weg zou staan aan die verlenging.

157. De door de Commissie aangevoerde omstandigheid dat de Belgische autoriteiten de door de betrokken regeling toegekende voordelen hebben verminderd, door met name een jaarlijkse belasting per tewerkgestelde werknemer in te voeren, doet niet af aan de beoordeling aangaande de voortzetting van die regeling voor de coördinatiecentra. Uit de mondelinge behandeling blijkt immers niet dat de aldus aangebrachte wijzigingen in de bij koninklijk besluit nr. 187 ingestelde regeling substantieel zijn en deze fundamenteel wijzigen.

158. Met de beschikkingen van 1984 en 1987, alsmede haar antwoord van 24 september 1990 heeft de Commissie bij de op 31 december 2000 erkende coördinatiecentra dan ook het vertrouwen gewekt dat de regels van het Verdrag niet in de weg stonden aan de verlenging van hun erkenning.

159. Op de derde plaats moet worden nagegaan of het aldus gewekte vertrouwen ook gewettigd is.

160. De Commissie betoogt in wezen dat de coördinatiecentra zich niet konden beroepen op een gewettigd vertrouwen in het voortbestaan van de betrokken regeling, aangezien hun op grond van een aantal gegevens bekend was dat deze regeling niet zou worden gehandhaafd.

161. Ook al hadden de door de Commissie op dit punt aangevoerde gegevens het vertrouwen van de coördinatiecentra in de verenigbaarheid van de regeling voor die centra met de verdragsregels aan het wankelen kunnen brengen, die centra mochten hoe dan ook verwachten dat een beschikking waarmee de Commissie terugkomt op haar vroegere beoordeling, hun de nodige tijd zou geven om daadwerkelijk rekening te houden met deze wijziging van de beoordeling.

162. Dienaangaande dient erop te worden gewezen dat de termijn die is verstreken tussen de bekendmaking van de beschikking tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure van 20 juni 2002 en de bestreden beschikking van 17 februari 2003 onvoldoende was om de centra in staat te stellen om rekening te houden met de mogelijkheid van een beschikking die een einde zou maken aan de betrokken regeling. Zoals reeds gezegd, is die regeling immers een belastingregeling die wordt toegekend per periode van tien jaar, die boekhoudkundige maatregelen en financiële en economische beslissingen met zich brengt die door een bezonnen marktdeelnemer niet op zo korte termijn kunnen worden getroffen.

163. Derhalve mochten de coördinatiecentra waarvan een aanvraag tot verlenging van de erkenning hangende was op de datum van kennisgeving van de bestreden beschikking of waarvan de erkenning gelijktijdig met of korte tijd na de kennisgeving van deze beschikking afliep, een gewettigd vertrouwen hebben in de toekenning van een redelijke overgangsperiode om zich te kunnen aanpassen aan de gevolgen van deze beschikking. Daarbij dient de uitdrukking „korte tijd na” aldus te worden begrepen dat zij betrekking heeft op een datum die zó dicht bij die van de kennisgeving van de bestreden beschikking ligt dat de betrokken coördinatiecentra niet over de nodige tijd beschikten om zich aan te passen aan de wijziging van de betrokken regeling.

164. Op de vierde plaats moet komen vast te staan dat niet aan enig openbaar belang de voorrang kon worden gegeven boven het belang van de coördinatiecentra in kwestie bij toekenning van een dergelijke overgangsperiode.

165. De Commissie heeft niet aangetoond in hoeverre het gemeenschapsbelang zich verzette tegen een dergelijke overgangsperiode. Voorts geeft het standpunt van de Commissie blijk van een gebrek aan samenhang wanneer zij toestaat dat de op de datum van de kennisgeving van deze beschikking lopende erkenningen worden gehandhaafd tot en met uiterlijk 31 december 2010, terwijl zij daarentegen de coördinatiecentra waarvan een aanvraag tot verlenging van de erkenning hangende was op de datum van kennisgeving van de bestreden beschikking of waarvan de erkenning gelijktijdig met of korte tijd na de kennisgeving van deze beschikking afliep, eender welke overgangsregeling weigert.

166. Ten slotte moet er niet alleen op worden gewezen dat de Commissie in haar beschikking heeft toegegeven dat de coördinatiecentra belangrijke investeringen hadden gedaan en verplichtingen op lange termijn waren aangegaan, maar ook dat er op de datum van de bestreden beschikking geen enkele vervangings‑ of wijzigingsregeling bestond.

167. Uit een en ander volgt dat het middel schending van het vertrouwensbeginsel gegrond is.

Schending van het gelijkheidsbeginsel

168. Het Koninkrijk België stelt dat de bestreden beschikking een ongerechtvaardigde discriminatie in het leven roept tussen de coördinatiecentra waarvan de erkenning korte tijd voor de vaststelling ervan is afgelopen en die derhalve tot en met 31 december 2010 gebruik maken van de betrokken regeling, en die waarvan de erkenning is afgelopen na de datum van kennisgeving van de bestreden beschikking en die op geen enkele overgangsmaatregel kunnen terugvallen.

169. De Commissie weerlegt dit argument met het betoog dat voor alle coördinatiecentra een tienjarige erkenning geldt en dat zij zich in dezelfde situatie bevinden, aangezien zij gebruik kunnen maken van de volledige erkenningsperiode.

170. Volgens de rechtspraak van het Hof vereist het algemene gelijkheidsbeginsel dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (arresten van 27 maart 1980, Salumi e.a., 66/79, 127/79 en 128/79, Jurispr. blz. 1237, punt 14, en 6 maart 2003, Niemann, C‑14/01, Jurispr. blz. I‑2279, punt 49, en aldaar aangehaalde rechtspraak).

171. Gelet op de conclusie in punt 167 van het onderhavige arrest, leidt de bestreden beschikking tot een verschillende behandeling van de coördinatiecentra die allemaal een gewettigd vertrouwen mochten hebben in de toekenning van een redelijke overgangsperiode.

172. Zo loopt het voordeel van de betrokken regeling op een verschillend tijdstip af, naargelang de laatste verlenging van de erkenning heeft plaatsgevonden in de loop van 2001 en 2002, of naargelang de erkenning gelijktijdig met of korte tijd na de kennisgeving van de bestreden beschikking is afgelopen, aangezien in het eerste geval het voordeel vervalt op 31 december 2010, terwijl in het tweede geval in geen enkele overgangsperiode is voorzien.

173. Bijgevolg heeft de Commissie het algemene gelijkheidsbeginsel geschonden doordat zij geen overgangsmaatregelen heeft getroffen met betrekking tot de coördinatiecentra waarvan de erkenning gelijktijdig met of korte tijd na de kennisgeving van de bestreden beschikking is afgelopen.

174. Uit al het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking nietig moet worden verklaard voorzover zij niet voorziet in overgangsmaatregelen met betrekking tot de coördinatiecentra waarvan de aanvraag tot verlenging van de erkenning hangende was op de datum van kennisgeving van de bestreden beschikking of waarvan de erkenning gelijktijdig met of korte tijd na de kennisgeving van deze beschikking afliep.

175. Aangezien de beroepen worden toegewezen, behoeven de andere middelen niet te worden onderzocht.

Kosten

176. Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Volgens artikel 69, lid 3, van dit reglement kan het Hof de proceskosten over de partijen verdelen indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld.

177. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van het Koninkrijk België in de kosten worden verwezen in de zaken C‑182/03 en C‑182/03 R.

178. Aangezien de Commissie gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van Forum 187 in de helft van de kosten van Forum 187 in zaak C‑217/03 en in alle kosten van Forum 187 in zaak C‑217/03 R worden verwezen.

179. Aangezien het Gerecht Forum 187 de kosten heeft opgelegd van de zaak die heeft geleid tot de beschikking van het Gerecht, Forum 187/Commissie, reeds aangehaald, moet de vordering van Forum 187 om de Commissie in de kosten van deze instantie te verwijzen daarentegen worden afgewezen.

Dictum

Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart:

1) Beschikking 2003/757/EG van de Commissie van 17 februari 2003 betreffende de steunregeling die door België ten uitvoer is gelegd ten gunste van in België gevestigde coördinatiecentra, wordt nietig verklaard voorzover zij niet voorziet in overgangsmaatregelen met betrekking tot de coördinatiecentra waarvan de aanvraag tot verlenging van de erkenning hangende was op de datum van kennisgeving van de bestreden beschikking of waarvan de erkenning gelijktijdig met of korte tijd na de kennisgeving van deze beschikking afliep.

2) Het beroep van Forum 187 VZW wordt voor het overige verworpen.

3) De Commissie van de Europese Gemeenschappen wordt verwezen in de kosten in zaak C‑182/03 en in de helft van de kosten van Forum 187 VZW in zaak C‑217/03.

4) De Commissie van de Europese Gemeenschappen wordt verwezen in de kosten in de zaken C‑182/03 R en C‑217/03 R.