28.4.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 126/22


Hogere voorziening ingesteld op 28 februari 2012 door Willem Stols tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 13 december 2011 in zaak F-51/08 RENV, Stols/Raad

(Zaak T-95/12 P)

2012/C 126/43

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirerende partij: Willem Stols (Halsteren, Nederland) (vertegenwoordigers: S. Rodrigues, A. Blot en C. Bernard-Glanz, advocaten)

Andere partij in de procedure: Raad van de Europese Unie

Conclusies

De rekwirerende partij verzoekt het Gerecht:

de hogere voorziening ontvankelijk te verklaren;

het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Eerste kamer) van 13 december 2011 in zaak F-51/08 RENV te vernietigen;

de door haar in eerste aanleg ingediende vorderingen toe te wijzen;

de Raad te verwijzen in de kosten van de beide instanties.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van de hogere voorziening voert de rekwirerende partij de volgende middelen aan.

1)

Eerste middel, ontleend aan het feit dat het GVA bij het onderzoek van het eerste middel, ontleend aan schending van artikel 45, lid 1, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en een kennelijke beoordelingsfout, het recht van de Unie heeft geschonden:

door een criterium te gebruiken dat niet is voorzien in artikel 45, lid 1, van het Statuut (ad punten 46 en 47 van het bestreden arrest);

door zijn arrest ontoereikend te motiveren en door de in artikel 5 van het Statuut voorziene indeling in twee functiegroepen ter discussie te stellen (ad punten 52 tot en met 54 van het bestreden arrest) en

door in zijn motivering een materiële onjuistheid op te nemen en door het in artikel 45, lid 1, van het Statuut opgenomen taalcriterium onjuist te lezen (ad punten 50 en 51 van het bestreden arrest).

2)

Tweede middel, ontleend aan het feit dat het GVA bij het onderzoek van het tweede middel, ontleend aan schending van artikel 59, lid 1, van het Statuut en van het non-discriminatiebeginsel, een vaststelling heeft gedaan die noodzakelijkerwijs rechtens onjuist is, aangezien het het tweede middel heeft afgewezen omdat het eerste middel niet was aangetoond, terwijl het met zijn oordeel dat het eerste middel niet was aangetoond op verschillende punten van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan (ad punten 59 en 60 van het bestreden arrest).