Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum

Partijen

In zaak C‑334/09,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Verwaltungsgericht Meiningen (Duitsland) bij beslissing van 12 augustus 2009, ingekomen bij het Hof op 24 augustus 2009, in de procedure

Frank Scheffler

tegen

Landkreis Wartburgkreis,

geeft

HET HOF (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: A. Arabadjiev, kamerpresident, A. Rosas (rapporteur), en P. Lindh, rechters,

advocaat-generaal: Y. Bot,

griffier: A. Calot Escobar,

gelet op het besluit van het Hof om te beslissen bij een met redenen omklede beschikking overeenkomstig artikel 104, lid 3, eerste alinea, van zijn Reglement voor de procesvoering,

de advocaat-generaal gehoord,

de navolgende

Beschikking

Overwegingen van het arrest

1. Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 1, lid 2, en 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs (PB L 237, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 2006/103/EG van de Raad van 20 november 2006 (PB L 363, blz. 344; hierna „richtlijn 91/439”).

2. Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen F. Scheffler, Duits staatsburger en houder van een in Polen afgegeven rijbewijs van categorie B, en de Landkreis Wartburgkreis (hierna: „Landkreis”) ter zake van het besluit van de Landkreis om Scheffler het recht te weigeren om op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland van zijn rijbewijs gebruik te maken.

Toepasselijke bepalingen

Regeling van de Unie

3. De eerste overweging van de considerans van richtlijn 91/439, waarbij de Eerste richtlijn (80/1263/EEG) van de Raad van 4 december 1980 betreffende de invoering van een Europees rijbewijs (PB L 375, blz. 1) vanaf 1 juli 1996 is ingetrokken, luidt:

„[...] ter uitvoering van het gemeenschappelijk vervoerbeleid en om bij te dragen tot de verhoging van de veiligheid van het wegverkeer en om het verkeer te vergemakkelijken van personen die zich vestigen in een andere lidstaat dan die waar zij een rijexamen hebben afgelegd, [is het] wenselijk [...] dat er een nationaal rijbewijs van Europees model bestaat dat door de lidstaten onderling wordt erkend en waarvoor er geen verplichting tot inwisseling bestaat.”

4. In de vierde overweging van de considerans van diezelfde richtlijn wordt verklaard:

„[...] om aan de eisen inzake de veiligheid van het wegverkeer te voldoen [moeten] minimumvoorwaarden [...] worden vastgesteld voor de afgifte van het rijbewijs”.

5. De laatste overweging van de considerans van richtlijn 91/439 preciseert:

„[...] om redenen die verband houden met de veiligheid van het wegverkeer of met het wegverkeer als zodanig, [kunnen de lidstaten] hun nationale bepalingen die betrekking hebben op de intrekking, schorsing en nietigverklaring van het rijbewijs, [...] toepassen op iedere houder van een rijbewijs die zijn gewone verblijfplaats op hun grondgebied heeft verworven”.

6. Artikel 1 van bovengenoemde richtlijn bepaalt:

„1. De lidstaten stellen het nationale rijbewijs op volgens het in bijlage I of I bis bedoelde Europese model en overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn. [...]

2. De door de lidstaten afgegeven rijbewijzen worden onderling erkend.

3. Wanneer de houder van een geldig rijbewijs zijn gewone verblijfplaats verwerft in een andere lidstaat dan die welke het rijbewijs heeft afgegeven, kan het gastland zijn nationale bepalingen inzake de geldigheidsduur van het rijbewijs, medisch onderzoek en belastingen toepassen op de houder van het rijbewijs en de in verband met de administratie noodzakelijke vermeldingen op het rijbewijs aanbrengen.”

7. In artikel 7, lid 1, van diezelfde richtlijn, wordt bepaald:

„De afgifte van het rijbewijs is eveneens aan de volgende voorwaarden onderworpen:

a) de aanvrager moet overeenkomstig het bepaalde in bijlage II met goed gevolg een examen inzake rijvaardigheid en rijgedrag en een theoretisch examen ondergaan, alsmede voldoen aan de medische normen van bijlage III;

b) de aanvrager moet zijn gewone verblijfplaats hebben op het grondgebied van de lidstaat die het rijbewijs afgeeft, of het bewijs leveren dat hij ten minste 6 maanden in een onderwijsinstelling in de lidstaat is ingeschreven.”

8. Artikel 7, lid 5, van richtlijn 91/439 bepaalt:

„Eenieder kan slechts houder zijn van één enkel door een lidstaat afgegeven rijbewijs.”

9. In artikel 8, leden 2 en 4, eerste alinea, van diezelfde richtlijn wordt bepaald:

„2. Onder voorbehoud van de naleving van het territorialiteitsbeginsel van de strafrechtelijke en politiële bepalingen, kan de lidstaat van gewone verblijfplaats op de houder van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs zijn nationale bepalingen toepassen die betrekking hebben op de beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van de rijbevoegdheid en daartoe zo nodig overgaan tot inwisseling van dat rijbewijs.

[...]

4. Een lidstaat kan, wanneer op zijn grondgebied tegen een persoon een van de in lid 2 bedoelde maatregelen is getroffen, weigeren de geldigheid van een door een andere lidstaat aan deze persoon verstrekt rijbewijs te erkennen.”

10. Artikel 9, eerste alinea, van die richtlijn preciseert dat onder „gewone verblijfplaats” wordt verstaan „de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar, wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen of, voor iemand zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden blijken tussen hemzelf en de plaats waar hij woont”.

11. Artikel 12, lid 3, van richtlijn 91/439 bepaalt:

„De lidstaten verlenen elkaar assistentie bij de toepassing van deze richtlijn en wisselen zo nodig informatie uit over de rijbewijzen die bij hen zijn ingeschreven.”

Nationale regeling

12. De relevante nationale regelingen zijn de Verordnung über die Zulassung von Personen zum Straßenverkehr (Fahrerlaubnis-Verordnung) [Duitse verordening inzake de toelating van personen tot het wegverkeer (verordening rijbevoegdheid)] van 18 augustus 1998 (BGBl. 1998 I, blz. 2214), zoals gewijzigd bij Verordnung van 14 juni 2006 (BGBl. 2006 I, blz. 1329; hierna: „FeV”), en het Straßenverkehrsgesetz (Duitse wet op het wegverkeer), in de versie ervan die van toepassing is in het hoofdgeding (BGBl. 2006 I, blz. 1958; hierna: „StVG”).

Regeling inzake de erkenning van door andere lidstaten afgegeven rijbewijzen

13. Inzake de erkenning van door andere lidstaten afgegeven rijbewijzen bepaalt § 28, leden 1, 4 en 5, FeV:

„(1) De houders van een geldig rijbewijs van de [Europese Unie] of de [Europese Economische Ruimte (‚EER’)] die hun gewone verblijfplaats in de zin van § 7, leden 1 of 2, in Duitsland hebben, mogen – behoudens de in de leden 2 tot en met 4 gestelde beperkingen – in Duitsland motorrijtuigen besturen voor zover zij daartoe bevoegdheid hebben. De aan de buitenlandse rijbewijzen verbonden voorwaarden worden ook in Duitsland nageleefd. De bepalingen van deze verordening zijn van toepassing op die rijbewijzen, tenzij anders is bepaald.

[...]

(4) De in lid 1 bedoelde toelating geldt niet voor de houder van een rijbewijs van de [Unie] of de EER,

[...]

3. aan wie de rijbevoegdheid in Duitsland tijdelijk of definitief door de rechter of bij een onmiddellijk uitvoerbare of definitieve bestuurlijke maatregel is ontzegd, aan wie de rijbevoegdheid definitief is geweigerd of aan wie de rijbevoegdheid niet is ontzegd op de enkele grond dat hij er intussen afstand van heeft gedaan,

[...]

(5) Het recht om na een van de in lid 4, punten 3 en 4, bedoelde maatregelen in Duitsland gebruik te maken van een rijbewijs van de [Unie] of de EER wordt toegekend op verzoek, wanneer de redenen voor de intrekking of het verbod om de rijbevoegdheid te herkrijgen niet langer bestaan. [...]”

Regeling inzake de intrekking van het recht om gebruik te maken van het rijbewijs

14. In § 3, leden 1 en 2, StVG wordt bepaald:

„1. Indien een persoon ongeschikt is om een motorrijtuig te besturen, moet het orgaan dat belast is met de afgifte van rijbewijzen zijn rijbewijs intrekken. Voor een buitenlands rijbewijs betekent de intrekking – zelfs indien dit krachtens andere bepalingen geschiedt – dat het recht om in Duitsland van het rijbewijs gebruik te maken vervalt. [...]

2. Met de intrekking van het rijbewijs vervalt de rijbevoegdheid. Bij een buitenlands rijbewijs vervalt de bevoegdheid om een motorrijtuig te besturen op het nationale grondgebied. [...]”

15. Krachtens § 46, lid 1, FeV, die uitvoering geeft aan § 3 StVG, moet de instantie die het rijbewijs afgeeft het rijbewijs intrekken, wanneer de houder ervan ongeschikt blijkt om motorrijtuigen te besturen. Overeenkomstig § 46, lid 5, „[vervalt] [b]ij een buitenlands rijbewijs [...] de bevoegdheid om een motorrijtuig te besturen op het nationale grondgebied”.

Regeling inzake de rijgeschiktheid

16. § 11 FeV, met het opschrift „Geschiktheid”, preciseert inzake de rijgeschiktheid:

„(1) Aanvragers van een rijbewijs moeten voldoen aan de daartoe noodzakelijke lichamelijke en geestelijke vereisten. Daaraan is in het bijzonder niet voldaan in geval van ziekten of tekortkomingen in de zin van bijlage 4 of bijlage 5 waardoor de geschiktheid of de beperkte geschiktheid [om motorrijtuigen te besturen] is uitgesloten. [...]

(2) Wanneer blijkt van feiten op grond waarvan de lichamelijke en geestelijke rijgeschiktheid van de aanvrager van een rijbewijs kan worden betwijfeld, kan de instantie die het rijbewijs afgeeft, ter voorbereiding van besluiten tot afgifte of verlenging van het rijbewijs of tot oplegging van beperkingen of voorwaarden de betrokkene gelasten een medisch rapport over te leggen. [...]

(3) De overlegging van een rapport van een officieel erkende instantie ter controle van de rijgeschiktheid (medisch-psychologisch rapport) kan worden gelast teneinde de twijfel aan de rijgeschiktheid in de zin van lid 2 weg te nemen, [met name]

[...]

4. bij ernstige of herhaalde verkeersovertredingen of bij een strafbaar feit dat in verband staat met het verkeer of met de rijgeschiktheid [...]

of

5. bij de nieuwe afgifte van het rijbewijs,

[...]

b) wanneer het rijbewijs is ingetrokken op een van de in punt 4 bedoelde gronden.

[...]

(8) Indien de betrokkene weigert zich te laten onderzoeken of het verlangde rapport niet tijdig meedeelt aan de instantie die het rijbewijs afgeeft, kan de instantie in haar besluit concluderen tot de ongeschiktheid van de betrokkene. [...]”

17. Krachtens § 13 FeV, met het opschrift „Geschiktheid bij alcoholproblemen”, mag de bevoegde instantie in bepaalde omstandigheden ter voorbereiding van besluiten tot afgifte of verlenging van een rijbewijs of tot oplegging van beperkingen of voorwaarden met betrekking tot de rijbevoegdheid, de overlegging van een medisch-psychologisch rapport gelasten. Dat is met name het geval wanneer een medisch getuigschrift of bepaalde feiten wijzen op alcoholmisbruik of wanneer herhaaldelijk verkeersovertredingen zijn begaan onder invloed van alcohol.

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

18. Scheffler heeft meerdere inschrijvingen in het centraal verkeersregister op zijn naam staan wegens verschillende strafbare feiten, waaronder het rijden zonder rijbewijs en onder invloed, op 11 maart 2000, met een alcoholgehalte van 1,94 gram per liter bloed.

19. Op 29 februari 2000 heeft Scheffler, aangezien hij wegens voornoemde strafbare feiten de voor elk Duits rijbewijs geldende maximumgrens van 18 punten had bereikt, afstand gedaan van het Duitse rijbewijs dat op 28 februari 1986 aan hem was afgegeven.

20. Op 5 augustus 2004 verzocht Scheffler om afgifte van een nieuw rijbewijs, welk verzoek bij beschikking van 17 februari 2005 werd afgewezen, daar hij het bevel van de Landkreis om een medisch-psychologisch deskundigenverslag over zijn rijgeschiktheid over te leggen niet had opgevolgd.

21. Op 15 oktober 2004 heeft Scheffler een Pools rijbewijs verkregen, dat een verblijfplaats in Polen vermeldt. Zijn paspoort bevat een Pools verblijfsattest voor een periode van zes maanden.

22. Bij een verkeerscontrole in maart 2006 heeft de Landkreis kennisgenomen van het feit dat aan Scheffler een Pools rijbewijs was afgegeven.

23. Op 13 april 2006 heeft Scheffler de Landkreis verzocht om erkenning van het recht om gebruik te maken van zijn Poolse rijbewijs op het Duitse grondgebied. Op 26 april 2006 heeft hij een op 1 november 2004 door de TÜV Thüringen eV opgesteld deskundigenverslag inzake zijn rijgeschiktheid overgelegd, dat was gebaseerd op een ond erzoek dat had plaatsgevonden op 18 oktober 2004.

24. Volgens de verwijzende rechter bevatte dit verslag een negatieve prognose van de rijgeschiktheid van Scheffler, en wel vanwege diens voorgeschiedenis op het gebied van rijden onder invloed, welke prognose voornamelijk was gebaseerd op het feit dat het op 11 maart 2000 geconstateerde alcoholgehalte van 1,94 gram per liter bloed wees op alcoholmisbruik, en op het feit dat Scheffler zijn eerdere gewoonten op het gebied van alcoholconsumptie niet had gewijzigd.

25. Bij brief van 23 mei 2006 heeft de Landkreis Scheffler bevolen om uiterlijk op 1 augustus 2006 een nieuw deskundigenverslag over te leggen ter beoordeling van zijn rijgeschiktheid.

26. Bij brief van 3 augustus 2006 heeft de Poolse bevoegde autoriteit op het gebied van het wegverkeer, die op 15 oktober 2004 aan Scheffler een rijbewijs had afgegeven, erop gewezen dat Scheffler, nadat hem was gewezen op de mogelijkheid van strafrechtelijke sancties, had verklaard dat zijn rijbewijs in Duitsland niet was ingetrokken en dat hem aldaar evenmin de rijbevoegdheid was ontnomen.

27. Bij brieven van 24 april en 30 mei 2007 herhaalde de Landkreis zijn bevel van 23 mei 2006 waarbij Scheffler werd gelast een deskundigenverslag over te leggen betreffende zijn rijgeschiktheid. De Landkreis was van mening dat het verslag van 18 oktober 2004 nieuwe feiten van na de afgifte, op 15 oktober 2004, van het Poolse rijbewijs aan het licht had gebracht, die twijfels konden doen rijzen over de rijgeschiktheid van de betrokkene. Bovendien werd verzoeker verweten valse verklaringen te hebben afgelegd bij de Poolse autoriteiten.

28. Aangezien Scheffler weigerde een nieuw deskundigenverslag over zijn rijgeschiktheid over te leggen, heeft de Landkreis bij beschikking van 15 augustus 2007 (hierna: „intrekkingsbeschikking”) hem het recht ontnomen om op het Duitse grondgebied gebruik te maken van zijn Poolse rijbewijs, de onmiddellijke tenuitvoerlegging van dit punt van zijn beschikking gelast en het verzoek om erkenning van dat recht afgewezen.

29. Ter rechtvaardiging van die beschikking werd hoofdzakelijk aangevoerd dat Scheffler op 11 maart 2000 onder invloed had gereden, met een alcoholgehalte van 1,94 gram per liter bloed, hetgeen twijfels deed rijzen over de rijgeschiktheid van laatstgenoemde. Die twijfels werden niet opgeheven door de overlegging van een deskundigenverslag. Er diende rekening te worden gehouden met het feit dat het deskundigenverslag van 18 oktober 2004 pas in de loop van april 2006 bij de administratie bekend werd en dat Scheffler deze gegevens voor de bevoegde Poolse autoriteit had verzwegen. De ongeschiktheid om een voertuig te besturen stond reeds vast op basis van dat verslag van 18 oktober 2004. In diezelfde beschikking werd geconcludeerd dat in het algemeen belang de onmiddellijke tenuitvoerlegging ervan moest worden bevolen, aangezien er een risico bestond dat Scheffler opnieuw de aandacht op zich zou vestigen wegens alcoholgebruik.

30. Scheffler, aan wie de intrekkingsbeschikking op 17 augustus 2007 betekend was, heeft hiertegen op 26 augustus 2007 een administratief bezwaar ingediend bij het Thüringer Landesverwaltungsamt. Gelijktijdig heeft hij bij het Verwaltungsgericht Meiningen een verzoek ingediend tot opschorting van de tenuitvoerlegging.

31. Bij beslissing van 13 december 2007, heeft het Thüringer Landesverwaltungsamt het door Scheffler tegen de intrekkingsbeschikking ingediende administratieve bezwaar afgewezen. Op 1 februari 2008 heeft Scheffler bij het Verwaltungsgericht Meiningen beroep ingesteld tot nietigverklaring van die afwijzende beslissing. Hij verzoekt om nietigverklaring van de intrekkingsbeschikking, in de versie van de op 13 december 2007 op het administratief bezwaar gewezen beslissing.

32. De prejudiciële vraag is gesteld in het kader van die procedure tot nietigverklaring.

Verzoek om voorlopige maatregelen

33. Het verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de intrekkingsbeschikking werd bij beschikking van het Verwaltungsgericht Meiningen van 1 oktober 2007 afgewezen. Die rechterlijke instantie heeft ook, bij beschikking van 21 november 2008, het verzoek van Scheffler tot vernietiging van de beschikking van 1 oktober 2007 en tot herstel van de opschortende werking van zijn beroep, afgewezen.

34. Op 15 december 2008 heeft Scheffler bij het Thüringer Oberverwaltungsgericht hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 21 november 2008, met als argument dat de meest recente rechtspraak van het Hof, te weten de arresten van 26 juni 2008, Wiedemann en Funk (C‑329/06 en C‑343/06, Jurispr. blz. I‑4635) en Zerche e.a. (C‑334/06–C‑336/06, Jurispr. blz. I‑4691) had geleid tot een wijziging van het in casu geldende recht. Volgens Scheffler had de Landkreis zijn rijgeschiktheid niet mogen controleren, aangezien hij bij de afgifte van het Poolse rijbewijs voldeed aan het verblijfplaatsvereiste. Hij voegt hieraan toe dat het deskundigenrapport inzake zijn rijgeschiktheid geen gedraging van na die afgifte vormde waarmee op grond van het Unierecht rekening kon worden gehouden, en dat dit verslag een gedraging betrof van vóór de verkrijging van het Poolse rijbewijs.

35. Bij beschikking van 26 maart 2009 heeft het Thüringer Oberverwaltungsgericht ten slotte schorsende werking verleend aan het beroep tegen de intrekkingsbeschikking.

36. In zijn beschikking overweegt het Thüringer Oberverwaltungsgericht dat het deskundigenverslag van 1 november 2004 geen feit is dat de erkenningsplicht van het gastland alsnog kan doen vervallen. Volgens die rechterlijke instantie heeft het Hof in zijn beschikking van 6 april 2006, Halbritter (C‑227/05) duidelijk tot uitdrukking gebracht dat actuele vaststellingen aangaande de rijgeschiktheid op basis van gebeurtenissen van vóór de afgifte van een rijbewijs in strijd zijn met Unierecht, aangezien het houden van een door een lidstaat afgegeven rijbewijs moet worden geacht het bewijs te leveren dat de houder ervan op de dag waarop dit aan hem werd afgegeven voldeed aan de in richtlijn 91/439 voorziene voorwaarden voor afgifte, waaronder die inzake de rijgeschiktheid. Dit ligt alleen anders wanneer het verslag inzake de rijgeschiktheid betrekking heeft op een „gedraging” van de betrokkene die dateert van na de afgifte van een rijbewijs in een andere lidstaat (reeds aangehaalde beschikking Halbritter, punt 38). Deze formulering maakt duidelijk dat daarmee niet de overlegging van het deskundigenverslag zelf, maar wangedrag van de betrokkene in het wegverkeer wordt bedoeld.

Beroep tegen de intrekkingsbeschikking

37. In zijn verwijzingsbeslissing stelt het Verwaltungsgericht Meiningen om te beginnen vast dat het Hof slechts voor bepaalde gevallen uitzonderingen op het principe van de onvoorwaardelijke onderlinge erkenning van rijbewijzen overeenkomstig richtlijn 91/439 heeft aanvaard.

38. Een uitzondering hierop is bijvoorbeeld de situatie waarin op basis van vermeldingen op het rijbewijs of andere onbetwistbare inlichtingen afkomstig van de lidstaat van afgifte, vaststaat dat ten tijde van de afgifte van dat rijbewijs de houder ervan, wiens vorige rijbewijs op het grondgebied van het gastland is ingetrokken, niet zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van de lidstaat van afgifte had (reeds aangehaald arrest Zerche e.a., punt 70).

39. Volgens de verwijzende rechter is dit in casu niet het geval. Schefflers Poolse rijbewijs vermeldt een verblijfplaats in Polen en er bestaan geen daarmee strijdige onbetwistbare inlichtingen afkomstig van de lidstaat van afgifte die het feit dat betrokkene op de datum van afgifte van dat rijbewijs zijn verblijfplaats in Polen had, ontkrachten.

40. Bovendien kan de lidstaat van de gewone verblijfplaats niet worden ontheven van de verplichting tot wederzijdse erkenning van rijbewijzen en mag dat land de hem krachtens artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/439 toegekende bevoegdheid om op de houder van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs zijn nationale bepalingen toe te passen die betrekking hebben op de beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van de rijbevoegdheid, enkel uitoefenen wegens een gedraging van de betrokkene na de verkrijging van dat rijbewijs (reeds aangehaalde beschikking Halbritter, punt 38, en reeds aangehaald arrest Zerche e.a., punt 56) dan wel wegens „omstandigheden” die zich hebben voorgedaan na de verkrijging van dat rijbewijs (reeds aangehaalde beschikking Halbritter, punt 38).

41. Voor de verwijzende rechter betekent de in het voorgaande punt genoemde rechtspraak dat de lidstaten op grond van artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/439 in elk geval ertoe zijn gemachtigd hun nationale bepalingen aangaande de rijgeschiktheidscontrole en de intrekking van het rijbewijs toe te passen op bestuurders die zich, na een in een andere lidstaat afgegeven rijbewijs te hebben verkregen, op het nationale grondgebied opnieuw opvallend gedragen, of twijfels doen rijzen aangaande hun rijgeschiktheid.

42. De verwijzende rechter merkt evenwel op dat, ofschoon er zonder twijfel sprake is van een „gedraging” die in de lidstaat van gewone verblijfplaats maatregelen van beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring in de zin van artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/439 van een in een andere lidstaat verkregen rijbewijs kan rechtvaardigen, wanneer de houder van een dergelijk rijbewijs na het verkrijgen ervan opnieuw een handelen of nalaten in het verkeer aan de dag heeft gelegd dat doet concluderen dat hij niet rijgeschikt is, in het hoofdgeding Scheffler na 15 oktober 2004 geen enkele verkeersovertreding meer heeft begaan die een dergelijke „gedraging” zou kunnen opleveren waarmee uit het oogpunt van Unierecht eventueel rekening dient te worden gehouden. Er is enkel sprake van een deskundigenverslag van 1 november 2004 inzake de rijgeschiktheid, dat was opgesteld op basis van het onderzoek van 18 oktober 2004.

43. Uit de rechtspaak van het Hof, en inzonderheid uit de reeds aangehaalde beschikking Halbritter, kan de verwijzende rechter niet afleiden dat de lidstaat van gewone verblijfplaats alleen op basis van wangedrag dat de betrokkene in het wegverkeer aan de dag heeft gelegd ná de afgifte van een rijbewijs in een andere lidstaat, tegen de houder van dat rijbewijs maatregelen kan nemen overeenkomstig artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/439.

44. Het lijkt de verwijzende rechter niet uitgesloten dat het in casu overgelegde deskundigenverslag als een nieuw feit kon gelden op basis waarvan de lidstaat van gewone verblijfplaats overeenkomstig artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/439 maatregelen mag nemen tegen de houder van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs. Hoewel dit verslag oude feiten aan het licht brengt, bevat het een prognose inzake de rijgeschiktheid van Scheffler die was opgesteld na de datum waarop het Poolse rijbewijs was afgegeven, en berust het op een na die datum verricht onderzoek.

45. In deze omstandigheden heeft het Verwaltungsgericht Meiningen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Mag een lidstaat overeenkomstig artikel 1, lid 2, en artikel 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439[...] de hem bij artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/439[...] verleende bevoegdheid om zijn nationale bepalingen die betrekking hebben op de beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van de rijbevoegdheid toe te passen op de houder van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs, uitoefenen op basis van een deskundigenverslag inzake de rijgeschiktheid dat wordt overgelegd door de houder van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs, als dit deskundigenverslag weliswaar na de afgifte van het rijbewijs werd opgesteld en dan nog op grond van een na de afgifte van het rijbewijs uitgevoerd onderzoek van de betrokkene, maar verwijst naar omstandigheden die dateren van vóór de afgifte van het rijbewijs?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

46. Overeenkomstig artikel 104, lid 3, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie kan het Hof, wanneer het antwoord op een prejudiciële vraag duidelijk uit de rechtspraak kan worden afgeleid, na de advocaat-generaal te hebben gehoord, beslissen bij een met redenen omklede beschikking waarin naar de betrokken rechtspraak wordt verwezen.

47. Deze bepaling moet in de onderhavige zaak worden toegepast.

Inleidende opmerkingen

48. In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat het Hof de bepalingen van de FeV in samenhang met de artikelen 1, lid 2, en 8, lid 2, van richtlijn 91/439 reeds heeft moeten onderzoeken in de beschikking Halbritter, reeds aangehaald, de beschikking van 28 september 2006, Kremer (C‑340/05), het arrest Wiedemann en Funk, reeds aangehaald, het arrest Zerche e.a., reeds aangehaald, en de arresten van 20 november 2008, Weber (C‑1/07, Jurispr. blz. I‑8571), en 19 februari 2009, Schwarz (C‑321/07, Jurispr. blz. I‑1113), en in de beschikking van 9 juli 2009, Wierer (C‑445/08).

49. In de tweede plaats blijkt uit de eerste overweging van de considerans van richtlijn 91/439 dat het in artikel 1, lid 2, daarvan neergelegde algemene beginsel van onderlinge erkenning van de door de lidstaten afgegeven rijbewijzen met name is vastgesteld om het verkeer te vergemakkelijken van personen die zich vestigen in een andere lidstaat dan die waar zij rijexamen hebben afgelegd (zie reeds aangehaald arrest Schwarz, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50. Volgens vaste rechtspraak voorziet dit artikel 1, lid 2, in de onderlinge erkenning van door andere lidstaten afgegeven rijbewijzen zonder enige formaliteit. Deze bepaling legt de lidstaten een duidelijke en onvoorwaardelijke verplichting op zonder dat hen daarbij een beoordelingsmarge is gelaten ten aanzien van de tot nakoming daarvan te nemen maatregelen (reeds aangehaald arrest Schwarz, punt 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

51. Het Hof heeft hieruit afgeleid dat het aan de lidstaat van afgifte staat na te gaan of is voldaan aan de door het Unierecht opgelegde minimumvoorwaarden, met name die inzake verblijf en rijgeschiktheid, en dus of de afgifte van een rijbewijs – in voorkomend geval van een nieuw rijbewijs – gerechtvaardigd is (arrest Wiedemann en Funk, reeds aangehaald, punt 52, en arrest Zerche e.a., reeds aangehaald, punt 49).

52. Wanneer de autoriteiten van een lidstaat een rijbewijs overeenkomstig artikel 1, lid 1, van richtlijn 91/439 hebben afgegeven, mogen de andere lidstaten dus niet nagaan of is voldaan aan de bij deze richtlijn gestelde afgiftevoorwaarden. Het bezit van een door een lidstaat afgegeven rijbewijs moet namelijk als het bewijs worden beschouwd dat de houder van dat rijbewijs op de dag van de afgifte ervan voldeed aan deze voorwaarden (arrest Wiedemann en Funk, reeds aangehaald, punt 53, en arrest Zerche e.a., reeds aangehaald, punt 50), daaronder begrepen die inzake de rijgeschiktheid.

53. Tegen de achtergrond van deze opmerkingen moet de door de verwijzende rechter gestelde vraag worden onderzocht.

54. Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 1, lid 2, juncto artikel 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439, zich ertegen verzetten dat een lidstaat, in uitoefening van de hem bij artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/439 verleende bevoegdheid om op de houder van een in een andere lidstaat afgegeven rijbewijs zijn nationale bepalingen inzake de beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van de rijbevoegdheid toe te passen, weigert, op basis van een door de houder van dat rijbewijs overgelegd deskundigenverslag inzake de rijgeschiktheid, om op zijn grondgebied de uit een in een andere lidstaat afgegeven geldig rijbewijs voortvloeiende rijbevoegdheid te erkennen, wanneer dat verslag, hoewel het is opgesteld na de datum van afgifte van dat rijbewijs, en op grond van een na de afgifte van dat rijbewijs uitgevoerd onderzoek van de betrokkene, in wezen verwijst naar omstandigheden die dateren van vóór die datum.

Bij het Hof ingediende opmerkingen

55. Scheffler betoogt dat een deskundigenverslag inzake de rijgeschiktheid in beginsel geen gedraging van na de afgifte van een rijbewijs in een andere lidstaat kan vormen die de toepassing kan rechtvaardigen van nationale bepalingen inzake de beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van de rijbevoegdheid in de zin van de rechtspraak van het Hof. Enkel de niet-naleving van de verkeersregels die van na die afgifte dateert, kan een dergelijke gedraging vormen.

56. De Europese Commissie betoogt daarentegen dat de „omstandigheid” of „gedraging na afgifte van het rijbewijs” niet noodzakelijkerwijze hoeft te bestaan uit een schending van de verkeersregels. Zij meent dat het niet uitgesloten is dat een lidstaat op basis van een deskundigenverslag inzake de rijgeschiktheid iemand het recht kan weigeren om op zijn grondgebied van een in een andere lidstaat afgegeven rijbewijs gebruik te maken, op voorwaarde evenwel dat dit na de afgifte van het rijbewijs in een andere lidstaat opgestelde verslag althans gedeeltelijk betrekking heeft op een gedraging van de bestuurder die dateert van na die afgifte, en uitdrukking geeft aan een gevaar dat een aanwijzing vormt voor de ongeschiktheid van de betrokkene om op de openbare weg te rijden.

Antwoord van het Hof

57. In de eerste plaats zij opgemerkt dat de prejudiciële vraag niet de geldigheid, gelet op artikel 7, lid 1, van richtlijn 91/439, betreft van het op 15 oktober 2004 aan verzoeker in het hoofdgeding afgegeven rijbewijs. Blijkens de verwijzingsbeslissing is het Verwaltungsgericht Meiningen immers van oordeel dat het rijbewijs in Polen is afgegeven met inachtneming van de voorwaarden van richtlijn 91/439, en wenst het met zijn vraag enkel te vernemen of een lidstaat op de houder van een in een andere lidstaat afgegeven rijbewijs zijn nationale bepalingen kan toepassen die betrekking hebben op de beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van de rijbevoegdheid, op basis van deskundigenverslag inzake de rijgeschiktheid, wanneer dit verslag is opgesteld na de datum waarop dat rijbewijs was afgegeven, maar feiten betreft die zich uitsluitend vóór die datum hebben voorgedaan.

58. In de tweede plaats zij erop gewezen dat het Hof in zijn rechtspraak inzake richtlijn 91/439 al herhaaldelijk de gelegenheid heeft gehad om zich uit te spreken over de rechtsgevolgen van het beginsel van wederzijdse erkenning van door andere lidstaten afgegeven rijbewijzen, en aldus, op basis van verschillende feitencomplexen, te preciseren welke de rechten en verplichtingen van de lidstaat van afgifte en van het gastland zijn met betrekking tot het onderzoek naar de rijgeschiktheid en de verblijfplaats van de houder van het rijbewijs.

59. Uit de in punt 48 van de onderhavige beschikking genoemde rechtspraak blijkt dus dat de artikelen 1, lid 2, 7, lid 1, en 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet in alle gevallen ertegen verzetten dat een lidstaat weigert op zijn grondgebied de rijbevoegdheid te erkennen die voortvloeit uit een in een andere lidstaat afgegeven rijbewijs (reeds aangehaalde beschikking Wierer, punt 50).

60. Inzonderheid kunnen de lidstaten op grond van artikel 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439 – blijkens de laatste overweging van de considerans ervan – om redenen van verkeersveiligheid in bepaalde omstandigheden hun nationale bepalingen inzake beperking, schorsing, intrekking en nietigverklaring van het rijbewijs toepassen op iedere houder van een rijbewijs die zijn gewone verblijfplaats op hun grondgebied heeft (reeds aangehaald arrest Zerche e.a., punt 55).

61. Het Hof heeft evenwel herhaaldelijk verklaard dat deze uit artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/439 voortvloeiende bevoegdheid slechts kan worden uitgeoefend wegens een gedraging van de betrokkene na de verkrijging van het in een andere lidstaat afgegeven rijbewijs (zie reeds aangehaalde beschikkingen Halbritter, punt 38, en Kremer, punt 35; zie ook reeds aangehaalde arresten Zerche e.a., punt 56, en Weber, punt 34) en niet op grond van omstandigheden die van vóór de afgifte van dat rijbewijs dateren.

62. Aangaande artikel 8, lid 4, eerste alinea, van richtlijn 91/439, op grond waarvan een lidstaat kan weigeren de geldigheid te erkennen van een rijbewijs dat in een andere lidstaat is verkregen door iemand wiens rijbewijs op het grondgebied van de eerste lidstaat is beperkt, geschorst, ingetrokken of nietig verklaard, zij eraan herinnerd dat die bepaling een afwijking vormt van het algemene beginsel van onderlinge erkenning van rijbewijzen, zodat zij eng moet worden uitgelegd (zie in die zin reeds aangehaald arrest Schwarz, punt 84 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

63. De uitzonderingen op de verplichting tot erkenning, zonder formaliteiten, van in de lidstaten afgegeven rijbewijzen, die dat beginsel in evenwicht brengen met het beginsel van verkeersveiligheid, kunnen immers niet ruim worden uitgelegd zonder het beginsel van wederzijdse erkenning van de in de lidstaten overeenkomstig richtlijn 91/439 afgegeven rijbewijzen volledig uit te hollen (zie reeds aangehaalde beschikking Wierer, punt 52).

64. De voorwaarden waaronder de lidstaten uit hoofde van artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/439 de houder van een in een andere lidstaat afgegeven rijbewijs, die evenwel zijn gewone verblijfplaats op hun grondgebied heeft, het recht kunnen weigeren aldaar van dat rijbewijs gebruik te maken, zijn door het Hof met name onderzocht in het kader van de reeds aangehaalde beschikkingen Halbritter en Kremer.

65. De zaak die heeft geleid tot de reeds aangehaalde beschikking Halbritter betrof een persoon tegen wie in Duitsland een maatregel van intrekking van het rijbewijs was getroffen die gepaard ging met een verbodsperiode om een nieuw rijbewijs aan te vragen, en die vervolgens in Oostenrijk een nieuw rijbewijs had verworven, toen die verbodsperiode was verstreken. De Duitse autoriteiten wezen het verzoek om omzetting van het Oostenrijkse rijbewijs in een Duits rijbewijs van de hand, daar zij dit uitlegden als een verzoek om op het Duitse grondgebied gebruik te mogen maken van zijn Oostenrijkse rijbewijs. Zij waren van mening dat het Oostenrijkse rijbewijs op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland niet kon worden erkend, omdat tegen Halbritter in die lidstaat een maatregel van intrekking van zijn rijbewijs was getroffen, en de sinds die intrekkingsmaatregel bestaande twijfels aan zijn rijgeschiktheid enkel konden worden opgeheven door een positief medisch-psychologisch deskundigenverslag, opgesteld conform de in Duitsland toepasselijke voorschriften. Het in Oostenrijk vóór de afgifte van het Oostenrijkse rijbewijs opgestelde deskundigenverslag kon niet gelijkwaardig worden geacht aan een deskundigenverslag dat aan de nationale voorschriften voldeed.

66. In punt 37 van die beschikking oordeelde het Hof dat, wanneer de houder van een geldig rijbewijs dat in een lidstaat is afgegeven na het verstrijken van de in een andere lidstaat aan de betrokkene opgelegde verbodsperiode om een nieuw rijbewijs aan te vragen, zijn verblijfplaats heeft in die laatste lidstaat, deze geen nieuw onderzoek kan verlangen van de rijgeschiktheid van de betrokkene, zelfs niet wanneer een dergelijk onderzoek, op grond van omstandigheden die hebben geleid tot de intrekking van een eerder rijbewijs, wordt opgelegd door zijn nationale regeling, voor zover die omstandigheden dateren van vóór de afgifte van het nieuwe rijbewijs.

67. In punt 38 van de beschikking Halbritter heeft het Hof geoordeeld dat de Bondsrepubliek Duitsland van de mogelijkheid om krachtens artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/439 op de houder van een door een andere lidstaat, in casu Oostenrijk, afgegeven rijbewijs die zijn gewone verblijfplaats in Duitsland heeft, zijn nationale bepalingen inzake de beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van de rijbevoegdheid toe te passen, enkel gebruik kan maken wegens een gedraging van de betrokkene na de verkrijging van het rijbewijs in een andere lidstaat. De verwijzende rechter heeft er in die zaak echter op gewezen dat geen enkel element reden gaf om aan Halbritters rijgeschiktheid te twijfelen op basis van omstandigheden die zich hadden voorgedaan na de verkrijging van zijn Oostenrijkse rijbewijs.

68. De zaak die heeft geleid tot de reeds aangehaalde beschikking Kremer, betrof een in Duitsland woonachtige Duitse staatsburger, wiens Duitse rijbewijs was ingetrokken tengevolge van herhaalde verkeersovertredingen. Kremer had een nieuw rijbewijs verkregen in België, terwijl er jegens hem geen enkel verbod gold om de rijbevoegdheid te herkrijgen. Vervolgens werden jegens Kremer in Duitsland veroordelingen uitgesproken wegens het rijden zonder rijbewijs en werd zijn Belgische rijbewijs ingetrokken, aangezien de Duitse autoriteiten van mening waren dat hij sinds de intrekking van zijn Duitse rijbewijs geen rijbevoegdheid meer had op het Duitse grondgebied. De Duitse autoriteiten weigerden de geldigheid van het later in België afgegeven rijbewijs te erkennen zolang Kremer niet voldeed aan de in de Duitse wettelijke regeling neergelegde voorwaarden voor het verkrijgen van een nieuw rijbewijs na de intrekking van een eerder rijbewijs.

69. In de zaak Kremer werd aan het Hof gevraagd of de artikelen 1, lid 2, en 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439 eraan in de weg staan dat een lidstaat weigert om op zijn grondgebied de rijbevoegdheid die voortvloeit uit een in een andere lidstaat afgegeven rijbewijs, en derhalve ook de geldigheid van dat rijbewijs te erkennen, zolang de houder ervan, wiens eerder verkregen rijbewijs op het grondgebied van de eerste lidstaat is ingetrokken zonder dat hem een tijdelijk verbod is opgelegd om een nieuw rijbewijs te verkrijgen, niet voldoet aan de voorwaarden die de regeling van deze staat stelt voor de afgifte van een nieuw rijbewijs na de intrekking van een eerder rijbewijs, daaronder begrepen een onderzoek naar zijn rijvaardigheid waaruit blijkt dat de redenen voor de intrekking niet langer bestaan.

70. Op dezelfde wijze als in de reeds aangehaalde beschikking Halbritter heeft het Hof geoordeeld dat een lidstaat van de houder van een in een andere lidstaat afgegeven geldig rijbewijs niet kan verlangen dat deze voldoet aan de voorwaarden die zijn eigen nationale recht stelt voor het verkrijgen van een nieuw rijbewijs na de intrekking van een eerder rijbewijs. Inzonderheid kunnen de autoriteiten van het gastland de erkenning van de rijbevoegdheid die voortvloeit uit een in een andere lidstaat afgegeven rijbewijs, niet afhankelijk stellen van het vereiste dat de rijgeschiktheid van de houder ervan opnieuw wordt onderzocht, zelfs wanneer een dergelijk onderzoek, in omstandigheden die identiek zijn aan die welke hebben geleid tot de intrekking van een eerder rijbewijs, wordt opgelegd door een nationale regeling voor zover die omstandigheden dateren van vóór de afgifte van het nieuwe rijbewijs (reeds aangehaalde beschikking Kremer, punten 32 en 33).

71. Opgemerkt dient te worden dat het Hof in punt 36 van de reeds aangehaalde beschikking Kremer heeft geoordeeld dat de verwijzende rechter geen enkel element had aangevoerd dat reden gaf om aan Kremers rijgeschiktheid te twijfelen op basis van omstandigheden die zich hadden voorgedaan na de verkrijging van zijn in België afgegeven geldige rijbewijs. De enige overtredingen die betrokkene waren verweten, en die waren begaan na het verkrijgen van dat rijbewijs, bestonden immers erin dat hij op het Duitse grondgebied had deelgenomen aan het verkeer zonder houder te zijn van een geldig rijbewijs, aangezien het in België verkregen rijbewijs niet als geldig werd erkend omdat niet was voldaan aan de in de Duitse regeling neergelegde voorwaarden voor het verkrijgen van een nieuw rijbewijs na de intrekking van een eerder rijbewijs.

72. Uit die rechtspraak volgt dat voor uitoefening van de krachtens artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/439 aan de lidstaat van gewone verblijfplaats van de houder van een in een andere lidstaat afgegeven rijbewijs toegekende bevoegdheid om zijn nationale bepalingen inzake de beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van de rijbevoegdheid toe te passen op de houder van dat rijbewijs, als voorwaarde geldt dat er sprake moet zijn van elementen op grond waarvan de rijgeschiktheid van de houder van dat rijbewijs kan worden betwijfeld wegens omstandigheden die verband moeten houden met een gedraging die de betrokkene aan de dag heeft gelegd na de verkrijging van zijn in een andere lidstaat afgegeven rijbewijs en die twijfel doet rijzen over zijn geschiktheid om een motorrijtuig te besturen.

73. Gelet op het voorgaande moet in het hoofdgeding, teneinde te bepalen of de autoriteiten van het gastland op basis van een deskundigenverslag als dat van 1 november 2004 de houder van een in een andere lidstaat afgegeven rijbewijs krachtens artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/439 het recht kunnen weigeren om op het grondgebied van dat gastland van dat rijbewijs gebruik te maken, door de verwijzende rechter worden onderzocht of dat verslag een element kan vormen dat reden geeft om aan Schefflers rijgeschiktheid te twijfelen op basis van omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de verkrijging van dat rijbewijs.

74. In casu lijkt er, zoals ook Scheffler en de Commissie hebben gesteld, geen sprake te zijn van elementen die reden geven om aan Schefflers rijgeschiktheid te twijfelen op basis van omstandigheden die zich zouden hebben voorgedaan na de verkrijging van zijn Poolse rijbewijs. Blijkens de verwijzingsbeslissing verwijst het na de datum van afgifte van dat rijbewijs verrichte onderzoek naar de rijgeschiktheid immers uitsluitend naar feiten van vóór die datum. De verwijzende rechter wijst er met name op dat Scheffler na de afgifte van dat rijbewijs geen enkele verkeersovertreding meer kon worden verweten.

75. Het vereiste dat de houder van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs een gedraging aan de dag moet hebben gelegd die dateert van na de afgifte van dat rijbewijs en die de toepassing van nationale bepalingen van het gastland die betrekking hebben op de beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van de rijbevoegdheid, kan rechtvaardigen, moet niet noodzakelijkerwijze aldus worden opgevat dat het uitsluitend betrekking heeft op een verkeersovertreding. Dit neemt niet weg dat een dergelijk vereiste verlangt dat op enig moment wordt vastgesteld dat de houder van dat rijbewijs een gedraging aan de dag heeft gelegd die dateert van na de afgifte ervan en op grond waarvan zijn geschiktheid om een motorrijtuig te besturen kan worden betwijfeld, of zelfs kan worden geconcludeerd dat sprake is van rijongeschiktheid.

76. Hoe dan ook staat het aan de verwijzende rechter, die als enige een grondige kennis heeft van het aan hem voorgelegde geding, om na te gaan of een deskundigenverslag inzake de rijgeschiktheid zoals dat wat in het hoofdgeding aan de orde is, voldoet aan de in de punten 72, 73 en 75 van de onderhavige beschikking in herinnering gebrachte voorwaarden en verband houdt, ook al is het slechts gedeeltelijk, met een na de afgifte van het Poolse rijbewijs geconstateerde gedraging van de betrokkene. Indien dat niet het geval is, kan de lidstaat van gewone verblijfplaats niet op basis van een dergelijk deskundigenverslag krachtens artikel 8, lid 2, van richtlijn 91/439 weigeren om op zijn grondgebied de uit een in een andere lidstaat afgegeven geldig rijbewijs voortvloeiende rijbevoegdheid te erkennen.

77. In deze omstandigheden dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat de artikelen 1, lid 2, en 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een lidstaat, in uitoefening van de hem bij voornoemd artikel 8, lid 2, verleende bevoegdheid om op de houder van een in andere lidstaat afgegeven rijbewijs zijn nationale bepalingen inzake de beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van de rijbevoegdheid toe te passen, weigert, op basis van een door de houder van dat rijbewijs overgelegd deskundigenverslag inzake de rijgeschiktheid, om op zijn grondgebied de uit een in een andere lidstaat afgegeven geldig rijbewijs voortvloeiende rijbevoegdheid te erkennen, wanneer dat verslag, hoewel het is opgesteld na de datum van afgifte van dat rijbewijs en op grond van een na de afgifte van dat rijbewijs uitgevoerd onderzoek van de betrokkene, geen verband houdt, zelfs niet gedeeltelijk, met een na de afgifte van datzelfde rijbewijs geconstateerde gedraging van de betrokkene, en uitsluitend verwijst naar omstandigheden die zich hebben voorgedaan vóór die datum.

Kosten

78. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Dictum

Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:

De artikelen 1, lid 2, en 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs, zoals gewijzigd bij richtlijn 2006/103/EG van de Raad van 20 november 2006, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een lidstaat, in uitoefening van de hem bij voornoemd artikel 8, lid 2, verleende bevoegdheid om op de houder van een in een andere lidstaat afgegeven rijbewijs zijn nationale bepalingen inzake de beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van de rijbevoegdheid toe te passen, weigert, op basis van een door de houder van dat rijbewijs overgelegd deskundigenverslag inzake de rijgeschiktheid, om op zijn grondgebied de uit een in een andere lidstaat afgegeven geldig rijbewijs voortvloeiende rijbevoegdheid te erkennen, wanneer dat verslag, hoewel het is opgesteld na de datum van afgifte van dat rijbewijs en op grond van een na de afgifte van dat rijbewijs uitgevoerd onderzoek van de betrokkene, geen verband houdt, zelfs niet gedeeltelijk, met een na de afgifte van datzelfde rijbewijs geconstateerde gedraging van de betrokkene, en uitsluitend verwijst naar omstandigheden die zich hebben voorgedaan vóór die datum.