CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS

VAN 9 NOVEMBER 1976 ( 1 )

Mijnheer de President,

mijne heren Rechters,

In het hoofdgeding tussen de heer J. de Wolf, douane-expediteur te Turnhout België), en de besloten vennootschap Harry Cox, gevestigd te Boxmeer (Nederland), gaat het om een recht bescheiden belang, namelijk om de voldoening van een factuurbedrag van 8,30 Fl. dat Cox aan De Wolf verschuldigd zou zijn. Dit neemt niet weg dat deze geringe zaak is uitgegroeid tot een prejudicieel verzoek van de Hoge Raad der Nederlanden om uitlegging van het Verdrag van Brussel van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. U zult hierbij een belangrijk punt van gemeenschapsrecht hebben uit te maken.

Om te beginnen had De Wolf zijn debiteur voor vrederechter van het eerste kanton te Turnhout, de rechter van zijn eigen woonplaats, gedaagd. De vrederechter achtte zich bevoegd en veroordeelde Cox tot betaling van de rekening, van een forfaitaire schadevergoeding ad 500 Bfr., van de aanmaningskosten gerechtsdeurwaarder ad 15 Fl. en van gerechtelijke interessen en proceskosten tot een bedrag van in totaal 913 Bfr.

Dit vonnis werd uiteraard aan gedaagde betekend, maar deze reageerde niet. Gelet op de dagtekening van het vonnis, de datum van betekening en de beroepstermijn, zal het vonnis in kracht van gewijsde zijn gegaan en in België executoir zijn geworden.

Iets anders is echter of het daar ook „vatbaar” voor tenuitvoerlegging was. Het effect van een vonnis moet men niet verwarren met de positieve handelingen of de te volgen wegen om de uitvoering ook feitelijk in de daad om te zetten. Zowel formeel als materieel hangt dit af van de wetgeving van het land van executie, van de plaats waar de verhaalsobjecten zich bevinden, en bovenal van de aanwezigheid van goederen die zich voor verhaal lenen. Waarschijnlijk waren er in België geen zodanige objecten van de Nederlandse gedaagde en moest eiser zich dus wel tot de Nederlandse rechter wenden.

In plaats dat De Wolf nu alleen tenuitvoerlegging van het vonnis aldaar verlangde overeenkomstig de procedure van de artikelen 31 e.v. van het Verdrag, is hij echter weer van voren af aan begonnen. Hij daagde zijn wederpartij voor de kantonrechter te Boxmeer — gedaagdes woonplaats (artikel 2, eerste alinea, Verdrag) — die hij, onder verwijzing naar het te zijnen gunste gewezen Belgische vonnis, verzocht om een uitspraak ten gronde, dat wil zeggen veroordeling van Cox tot de hoofdsom en interessen. Hiertoe baseerde hij zich op artikel 431 van het Nederlandse Wetboek van burgerlijke rechtsvordering, op grond waarvan de zaak opnieuw aanhangig kan worden gemaakt, als de beslissing van een vreemde rechter in Nederland niet ten uitvoer kan worden gelegd.

Ditmaal verscheen ook gedaagde. De rechter twijfelde echter aan eisers belang bij een nieuwe uitspraak ten gronde van de Nederlandse rechter, daar toch eiser met de artikelen 11 en 12 van het Belgisch executieverdrag van 28 maart 1925 tenuitvoerlegging in Nederland van Belgische rechterlijke beslissingen kon verkrijgen. Bij tussenvonnis van 7 januari 1975 besloot hij dan ook eiser nader te horen over diens motieven om naast de beslissing van de Belgische rechter tevens een beslissing van de voor hem vreemde Nederlandse rechter te verlangen.

In zijn eindvonnis van 8 juli 1975 herstelt de kantonrechter allereerst een evidente vergissing in zijn beslissing van 7 januari: eiser kon niet het Belgische executieverdrag inroepen, maar het communautaire Executieverdrag van 27 september 1968 dat ingevolge artikel 55 daarvoor in de plaats was getreden, evenals de Nederlandse executiewet van 4 mei 1972, in werking getreden 1 februari 1973.

Vervolgens overweegt de kantonrechter dat „uit niets blijkt dat het Belgisch vonnis in Nederland niet moet worden „erkend” zonder vorm van proces als bedoeld in artikel 26, lid 1, van het Verdrag”. Doch volgens de procedure in de ten deze toepasselijke bepalingen van het Verdrag en de Nederlandse wet van 4 mei 1972, zouden de kosten, verbonden aan het vragen van het verlof tot tenuitvoerlegging en aan de tenuitvoerlegging zelf van het Belgische vonnis, ten minste 340 Fl. belopen ten laste van gedaagde.

Terecht, aldus het vonnis, onthoudt eiser zich dan ook van het vragen van dit verlof en de tenuitvoerlegging van het Belgische vonnis en vraagt hij een beslissing van de Nederlandse rechter — naast die van de Belgische — op grond van artikel 431, lid 2, WBRv. „omdat dan tot executie kan worden geraakt op een voor gedaagde aanmerkelijk goedkopere wijze”. Beide partijen hebben derhalve belang bij een beslissing van de Nederlandse rechter naast die van de Belgische.

De kantonrechter gaat daarop niettemin over tot „erkenning” van het Belgische vonnis. Op grond van de overweging dat gedaagde geen beroep heeft gedaan op strijdigheid van de erkenning met de Nederlandse openbare orde (artikel 27 Verdrag) — regels inzake de bevoegdheid van de gerechten van de Staat van herkomst betreffen immers niet de openbare orde (artikel 28, laatste lid, Verdrag) — en dat gedaagde niet heeft bewezen zijn schuld rechtsgeldig te hebben betaald, zegt de kantonrechter dat eiser een rechtmatig belang heeft bij erkenning van zijn vordering, stelt hij vast dat de Belgische beslissing moet worden erkend en leidt hij hieruit onmiddellijk af dat de vordering toewijsbaar is. Hij veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiser van het door de Belgische rechter vastgestelde bedrag. Daar echter eiser zijn vordering van de hoofdsom en interessen in de loop van het geding had verminderd tot 1500 Fl. beperkte ook de kantonrechter de veroordeling tot dit bedrag. Het vonnis werd uitvoerbaar verklaard bij voorraad, niettegenstaande hogere voorziening, en gedaagde werd verwezen in eisers kosten, begroot op 105,70 Fl. waaronder 30 Fl. salaris van de gemachtigde.

Reeds tevoren had De Wolf op grond van een ander vonnis van dezelfde vrederechter te Turnhout, eveneens van 28 mei 1974, getracht dezelfde procedure te volgen bij de kantonrechter te Tilburg voor de inning van eenzelfde soort vordering op een ander Nederlands bedrijf. Maar deze kantonrechter overwoog dat eiser in wezen, via erkenning van een in België gewezen vonnis, de executie daarvan in Nederland beoogde. Hij oordeelde dat eiser daartoe slechts een verzoek om verlof tot tenuitvoerlegging kon indienen overeenkomstig titel III van het Verdrag en dat artikel 431, tweede alinea, van het Nederlands Wetboek van burgerlijke rechtsvordering geen toepassing kon vinden, omdat een Nederlandse rechter krachtens het Verdrag bevoegd was tot het verlenen van het exequatur aan een vonnis van een rechter in een aangesloten Staat. De kantonrechter te Tilburg had eiser dan ook nietontvankelijk verklaard.

Het inmiddels onherroepelijk geworden vonnis van de kantonrechter te Boxmeer was derhalve in tegenspraak met dit vonnis van de kantonrechter te Tilburg. Daarop attent gemaakt door de gerechtsdeurwaarder, tot wie De Wolf zich voor zijn zaak in Tilburg had gewend, heeft de procureur-generaal bij de Hoge Raad in het belang der wet cassatie gevorderd van eerstbedoeld vonnis.

Het hoogste Nederlandse rechtscollege stelt U thans de vraag of artikel 31 van het Executieverdrag — al of niet in verband met andere bepalingen van dat Verdrag — eraan in de weg staat dat de eiser die in een verdragsluitende Staat een beslissing te zijnen gunste heeft verkregen, die in een andere verdragsluitende Staat van een verlof tot tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 31 kan worden voorzien, in plaats van aldaar dat verlof te verzoeken, bij de rechter van die andere verdragsluitende Staat met toepassing van artikel 26 van het Verdrag veroordeling van zijn tegenpartij vordert tot datgene waartoe die tegenpartij in eerstgenoemde Staat is veroordeeld, aangenomen dat die rechter volgens de bepalingen van het Verdrag overigens bevoegd is van de vordering kennis te nemen.

Naar het mij voorkomt, gaat het in deze probleemstelling eerder om artikel 26 dan om artikel 31 van het Verdrag. Wij zullen dit artikel derhalve nader hebben te bezien.

Het tweede onderwerp van het Verdrag, hetwelk hier thans aan de orde is, gaat over de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken. Zoals Droz echter opmerkt, zijn de bepalingen over de erkenning de belangrijkste, daar deze „het vrije verkeer van vonnissen” in de Gemeenschap — een der hoofddoeleinden van het Verdrag — mogelijk maken. De procedureregels voor de tenuitvoerlegging gaan wel uit van dezelfde gedachte, maar zijn geheel onderworpen aan de basisregels inzake de erkenning. Erkenning is mogelijk zonder tenuitvoerlegging, maar het omgekeerde nooit. In het Verdrag, zo zegt Droz, is het onderscheid tussen erkenning en tenuitvoerlegging formeel neergelegd. De buitenlandse beslissing krijgt met de erkenning gezag van gewijsde en wordt vervolgens met de tenuitvoerlegging executoir. De verdragsauteurs hebben zich vooral erop toegelegd de middelen en wegen voor de erkenning te vereenvoudigen, te versnellen en gelijk te trekken. Zij hebben getracht aan de voorwaarden voor de erkenning van beslissingen het territoriale karakter te ont nemen en, via de daartoe te volgen procedure, aan het erkenningseffect een communautair karakter te geven.

Volgens zowel het rapport van Jenard als de commentators die inzage in de voorstukken hebben gehad, luidde artikel 1 van het Verdrag tot de laatste fase vóór de ondertekening:

„Dit Verdrag wordt ambtshalve toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht waarvoor deze zaken zich afspelen”.

Het woord „ambtshalve” zou op verzoek van de Duitse delegatie op het laatste moment zijn geschrapt wegens vertaalproblemen. Het komt mij echter voor dat het hier niet zozeer gaat om de „ambtshalve” toepassing van het Verdrag, als wel om het al dan niet exclusieve karakter van artikel 26.

Hoe ook, ter zake van de erkenning geeft het Verdrag de volgende regeling:

Luidens artikel 26, eerste alinea, worden de in een verdragsluitende Staat gegeven beslissingen in de overige verdragsluitende Staten erkend „zonder vorm van proces”. De verdragsauteurs hebben aldus in de meest formele zin willen vastleggen dat beslissingen, gegeven in de zes Lidstaten, automatisch binnen de gehele Gemeenschap kracht van gewijsde hebben vanaf de dag waarop de beslissing in de oorspronkelijke Staat werd gegeven.

Dit beginsel van automatische erkenning wordt in de volgende bepaling van artikel 26 echter onmiddellijk geclausuleerd. De erkenning heeft dit effect van rechtswege namelijk slechts voorzover daartegen geen bezwaar wordt gemaakt.

De rest van artikel 26 gaat over de erkenning van beslissingen waarvan het gezag wordt betwist.

Wij kunnen voorbijgaan aan het geval dat erkenning slechts incidenteel wordt ingeroepen voor een gerecht van een verdragsluitende Staat, of, zoals de Duitse tekst zegt, dat de beslissing van dit gerecht „abhangt” van de erkenning. In dat geval is volgens artikel 26, derde alinea, dit gerecht bevoegd van de vordering kennis te nemen.

Wanneer het gaat om de erkenning van een beslissing ten principale, heeft de partij te wier gunste de beslissing in de oorspronkelijke Staat is gegeven, blijkens de tweede alinea van artikel 26 de keuze: zij kan ofwel tenuitvoerlegging van de beslissing overeenkomstig de afdelingen 2 en 3 van titel III vragen ofwel doen vaststellen dat de beslissing moet worden erkend, eveneens overeenkomstig de afdelingen 2 en 3 van titel III. In ieder geval is het met het gezag van de buitenlandse beslissing niet te verenigen dat dezelfde partijen zich opnieuw met dezelfde vordering wenden tot de rechter van de andere Staat.

Een partij zal belang hebben bij erkenning van een beslissing ten principale, indien die beslissing niet vatbaar is voor reële tenuitvoerlegging in de Staat waar zij werd gegeven. Mijns inziens is dit het geval met de onderhavige beslissing van de Belgische rechter.

Juist op een dergelijk geval wordt in de tweede alinea van artikel 26 uitdrukkelijk gedoeld. De verdragsauteurs hebben dit punt ook met opzet willen regelen, daar de zes Staten of de nationale rechtscolleges zich anders net als voorheen, stellig verplicht hadden gezien tot handhaving of invoering van nationale procedures die noodzakelijkerwijs van Staat tot Staat verschillend zouden zijn geweest.

Als het Verdrag dit geval niet had geregeld en het recht van een verdragsluitende Staat niet zou voorzien in een „actie tot erkenning ten principale”, zou de rechter de executieregels van het Verdrag extensief moeten toepassen op een beslissing uit een andere verdragsluitende Staat om die beslissing in zijn eigen Staat effect te doen sorteren. In sommige Staten is blijkbaar een rechtstreekse actie op basis van een buitenlands vonnis mogelijk: een buitenlands vonnis wordt aangevoerd tot staving van een vordering van dezelfde inhoud als de in het buitenland toegewezen vordering; in plaats dat de verzoeker het exequatur of de erkenning van het buitenlandse vonnis verlangt, stelt hij met aanvoering van het buitenlandse vonnis een nieuwe vordering in.

Ter voorkoming nu van dit soort situaties, zegt de tweede alinea van artikel 26 dat iedere partij die er belang bij heeft ten principale te zien vastgesteld dat de beslissing dient te worden erkend, gebruik kan maken van de procedure van de afdelingen 2 en 3 van titel III, tenzij de voorkeur wordt gegeven aan de exequaturprocedure.

Door het woord „kan” in genoemde alinea moet men zich niet laten misleiden. Uiteraard is iedere partij vrij deze procedure te gebruiken of niet. Maar als zij een buitenlandse beslissing eenvoudig wil doen erkennen en zich niet enkel wil beroepen op de bewijskracht ervan, die inderdaad in aanmerking kan worden genomen buiten enige erkenning om, en als tegen deze beslissing ten principale („als solche” volgens de Duitse tekst) bezwaar wordt gemaakt, kan zij de erkenning alleen verkrijgen via de verdragsprocedure.

Aldus rechtgezet, laat het woord „kan” dan ook geen derde mogelijkheid open. Evenmin mag men achter het woord „kunnen” in de Nederlandse tekst van artikel 31 meer zoeken dan in de andere versies, volgens welke de tenuitvoerlegging rechtens plaats vindt, als maar is voldaan aan de verdragsvoorwaarden. Zo ook is in de laatste alinea van artikel 26 Duitse versie het woord „kann” gebruikt in die zin dat het gerecht van een verdragsluitende Staat, waarvoor erkenning bij wege van tussenvordering wordt gevraagd, bevoegd is van die vordering kennis te nemen. Geen sterveling zal willen beweren dat deze bevoegdheid ter vrije beschikking van de aangezochte rechter staat.

Als reden voor zijn handelwijze heeft De Wolf aangevoerd dat deze procedure minder kostbaar is dan die van de afdelingen 2 en 3 van titel III. Aangezien dit argument doorslaggevend was voor de kantonrechter te Boxmeer en daarna de Hoge Raad aan het twijfelen heeft gebracht, zullen wij ons hierover nader moeten uitlaten.

Allereerst, minder kostbaar voor wie?

Wanneer de procedure voor het kantongerecht eiser 105,30 Fl. heeft gekost, dan kwam dit bedrag toch uiteindelijk ten laste van de in het ongelijk gestelde gedaagde. En ditzelfde zou toch het geval zijn geweest met de kosten ad minimaal 340 Fl. van de aanvraag van het verlof tot tenuitvoerlegging (of van de erkenning) volgens de procedure van de afdelingen 2 en 3 van titel III — en van de tenuitvoerlegging zelf —.

Het is wel opvallend dat de eiser zozeer opkomt voor de belangen van de gedaagde. Of dacht hij soms dat hij bij het volgen van de verdragsprocedure gedaagde op onnodige of vexatoire kosten zou kunnen jagen en dus het risico zou lopen tot vergoeding daarvan te worden veroordeeld? Als eiser zich zo bezorgd maakte over de kosten van zijn wederpartij, had hij hem veel eenvoudiger onmiddellijk voor de rechter van diens woonplaats in Nederland kunnen dagen. Hij had dit zelfs bij een bevoegdheidsprorogatie ten gunste van de Belgische rechter kunnen doen. Gedaagde had zijnerzijds onnodige kosten kunnen vermijden door uiterlijk na het Belgische vonnis gewoon de factuur te betalen.

De verdragsauteurs hebben van hun kant al het mogelijke gedaan om de kosten van de executieprocedure te beperken tot het redelijke minimum bij deze snelle, veilige en doeltreffende procedure. Artikel III van het Protocol bij het Verdrag bepaalt:

„Terzake van de procedure tot verlening van het verlof tot tenuitvoerlegging, wordt in de aangezochte Staat geen belasting, recht of heffing, evenredig aan het geldelijk belang der zaak, geheven.”

Krachtens artikel 7, lid 3, van de Nederlandse executiewet zijn echter de artikelen 56-58 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering van toepassing op de communautaire executieprocedure. Deze artikelen bevatten de algemene regeling omtrent de kosten van het exequatur van buitenlandse vonnissen.

Anderzijds dient men ingevolge artikel 2 van de Executiewet het verlof met procureursbijstand bij de arrondissementsrechtbank aan te vragen. Deze bepalingen die de executieprocedure althans voor de inning van kleine geldvorderingen vrij kostbaar maken, zouden eigenlijk zodanig moeten worden aangepast dat de procedure toegankelijker wordt.

Naar mijn mening hebben de Lid-Staten namelijk de verplichting alle dienstige maatregelen te nemen om de praktische toepassing van het Verdrag te vergemakkelijken.

Doch zelfs al zou het gebruik van de in het Verdrag gegeven procedure ad hoc meer kosten voor de eiser meebrengen, dan kan dit toch nog niet een onoverkomelijk bezwaar zijn.

Men moet immers ervan uitgaan dat a priori de regeling die de Staten met het sluiten van het Verdrag hebben getroffen, over het geheel beter is dan de vroegere bilaterale of multilaterale regelingen. Het Verdrag voegt zich weliswaar in de nationale rechtsvorderingsstelsels waarop het moet aansluiten. Maar het is niet onmogelijk — ik wil dit gaarne openlaten — dat de regeling van het Nederlandse commune recht, hoewel globaal genomen minder gunstig dan de verdragsregeling, op bepaalde punten wel gunstiger is.

Zoals de Commissie echter heeft opgemerkt, zijn de bepalingen van het Executieverdrag onsplitsbaar. Juist om te zorgen dat de erkenning niet afstuit op overwegingen die verschillen naar de stand van de nationale wetgevingen, heeft men met het Verdrag een stelsel van automatische erkenning ingevoerd. De enige documenten die ingevolge artikel 46 hiertoe moeten worden overgelegd, zijn een deugdelijke expeditie van de betrokken beslissing en een bewijsstuk dat de inleidende dagvaarding naar behoren aan de niet-verschenen partij is betekend. Zelfs het executoire karakter van de beslissing behoeft niet te worden bewezen. Doch de tegenhanger van deze faciliteiten en van het onmiskenbare voordeel dat de juistheid van de beslissing niet nader wordt onderzocht (artikel 29) en de collisie- en bevoegdheidsregels niet worden getoetst (artikel 28) is dat de procedure van de afdelingen 2 en 3 van titel III en de exclusiviteit van deze procedure strikt in acht worden genomen.

De evenwichtigheid van het Verdrag zou worden verbroken, wanneer een partij al naar het uitkomt zowel de verdragsregeling als de nationale gemeenrechtelijke exequaturregeling te baat zou kunnen nemen.

Indien het mogelijk zou zijn om, gelijk eiser heeft gedaan, zich te bedienen van deze „vereenvoudigde erkenning” volgens het Nederlands internationaal privaatrecht, zou men eveneens de gewone regels van dit recht inzake de gronden voor weigering van de erkenning, en niet de vereenvoudigde verdragsregels, moeten toepassen. Zoals Droz opmerkt, brengt een juiste rechtspleging mee dat de commune rechtsregels en de verdragsregels niet worden vermengd door een toepassing van het Verdrag „a la carte”. Het is dan ook niet geoorloofd dat men met een beroep op de desbetreffende gemeenrechtelijke beginselen poogt te ontkomen aan de voor alle verdragsluitende Staten geldende dwingende verdragsregeling. De doeltreffendheid en de eenvormigheid in de toepassing van het Verdrag zijn van wezenlijk belang. Daaraan zou echter ernstig afbreuk worden gedaan als het Verdrag niet in alle Lidstaten op dezelfde wijze zou werken.

In een der Staten waar een rechtstreekse actie op basis van een buitenlands vonnis is toegelaten, heeft de wetgever een dergelijke actie uitdrukkelijk afgewezen in het verkeer met landen waarmee die Staat een executieverdrag heeft gesloten. Ik doel hier op de Foreign Judgments Act van 1933, die nog steeds geldt voor de betrekkingen ingevolge het in 1967 gesloten executieverdrag tussen het Verenigd Koninkrijk en Nederland.

Immers, volgens artikel 6 van deze wet kunnen vonnissen die een veroordeling tot betaling inhouden en vatbaar zijn voor erkenning, in het Verenigd Koninkrijk slechts executoir worden verklaard via de „registration”-procedure welke in die Staat de plaats inneemt van de verlening van het verlof tot tenuitvoerlegging en, in het aldaar geldende recht, de pendant is van de communautaire executie-procedure.

Het is dan ook met uitgesproken misbruik van procesrecht dat De Wolf onder het mom van een nieuw verzoek ten gronde een beslissing tot erkenning ten principale van het te zijnen gunste gewezen vonnis van een Belgische rechter heeft verkregen.

Want als de kantonrechter te Boxmeer van oordeel was dat met het hem voorgelegde verzoek een nieuwe veroordeling werd beoogd, had hij buiten het bereik van het Verdrag moeten blijven en het Belgische vonnis slechts al een bewijselement voor zijn meningsvorming moeten beschouwen.

In werkelijkheid heeft hij echter uitdrukkelijk toepassing gegeven aan artikel 26 door allereerst te overwegen dat dit buitenlandse vonnis ten principale behoort te worden erkend. Door aldus de kracht van gewijsde van dit vonnis aan te nemen, heeft hij zich op het gebied van titel III van het Verdrag begeven. Dusdoende had hij zonder meer naar artikel 31 moeten handelen en — aangenomen dat hij daartoe bevoegd was, quod non — verlof tot tenuitvoerlegging moeten verlenen.

Wat hij in feite heeft gedaan, is dat hij de Belgische beslissing, die niet alleen van overwegende en essentiële invloed op de uitslag van het geding was maar ook de enige pijler van eiser, als zodanig voor eigen rekening heeft overgenomen. Goed, hij heeft het dictum van het Belgische vonnis wat veranderd door het toegekend bedrag aan een maximum te binden en in Nederlandse munt uit te drukken, maar het is geen wezenlijk nieuwe beslissing op een materieel ander verzoek dan het eerste.

Tevens heeft hij het Verdrag echter deels toegepast; overeenkomstig artikel 27 heeft hij onderzocht of de gevraagde erkenning strijdig zou zijn met de Nederlandse openbare orde. Hij heeft opgemerkt dat een dergelijke strijdigheid door gedaagde niet is ingeroepen en ook niet is gebleken. Maar terwijl de juistheid van de buitenlandse beslissing in geen geval mag worden onderzocht (artikel 29), heeft hij de opmerkingen van gedaagde gehoord, hetgeen' artikel 34, eerste alinea, verbiedt. Het juistheidsonderzoek mag in casu tot een bevestiging van de buitenlandse beslissing hebben geleid, maar het had ook heel wel daarmee in strijd — of deels in strijd — kunnen zijn, nog afgezien van het geval van tussentijdse bevrijdende betaling, wat een met het eerste vonnis onverenigbare uitkomst zou hebben gegeven.

Uiteraard geef ik hier slechts een persoonlijke mening over een vonnis waarvan cassatie is gevorderd en waarover de Hoge Raad zich zal hebben uit te spreken.

Mijnerzijds concludeer ik dat U voor recht verklare:

ingeval van betwisting kan de erkenning ten principale van een rechterlijke beslissing in de zin van artikel 26 van het Verdrag van 27 september 1968 slechts plaatsvinden volgens de procedure, geregeld in de afdelingen 2 en 3 van titel III van dit Verdrag.


( 1 ) Vertaald uit het Frans