8.11.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 285/7


Arrest van het Hof (Derde kamer) van 11 september 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden) — D. M. M. A. Arens-Sikken/Staatssecretaris van Financiën

(Zaak C-43/07) (1)

(Vrij verkeer van kapitaal - Artikelen 73 B en 73 D EG-Verdrag (thans, respectievelijk, artikelen 56 EG en 58 EG) - Nationale regeling inzake recht van successie en recht van overgang die bij berekening van die rechten aftrek van overbedelingsschulden ten gevolge van testamentaire ouderlijke boedelverdeling niet toestaat wanneer erflater op tijdstip van overlijden niet woonde in lidstaat waarin onroerende zaak is gelegen die voorwerp van erfenis vormt - Beperking - Rechtvaardiging - Geen - Ontbreken van bilateraal dubbelbelastingverdrag - Consequenties voor beperking van vrij verkeer van kapitaal van lagere tegemoetkoming ter voorkoming van dubbele belastingheffing in woonstaat van bedoelde erflater)

(2008/C 285/10)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Hoge Raad der Nederlanden

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: D. M. M. A. Arens-Sikken

Verwerende partij: Staatssecretaris van Financiën

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Hoge Raad der Nederlanden — Uitlegging van de artikelen 56 EG en 58 EG — Nationale regeling inzake berekening van recht van overgang over onroerende zaken op grond waarvan overbedelingsschulden niet in aftrek kunnen worden gebracht op waarde van die onroerende zaken indien erflater op tijdstip van zijn overlijden in andere lidstaat woont — Toepasselijke vergelijkingsmethode om te bepalen of indien erflater op het tijdstip van zijn overlijden zou hebben gewoond in lidstaat waarin de onroerende zaak is gelegen, successierecht lager zou zijn dan recht van overgang — Bilateraal dubbelbelastingverdrag

Dictum

1)

De artikelen 73 B en 73 D EG-Verdrag (thans, respectievelijk, artikelen 56 EG en 58 EG) moeten in die zin worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, betreffende de berekening van het recht van successie en het recht van overgang, verschuldigd over een in een lidstaat gelegen onroerende zaak, waarin, bij de berekening van deze rechten, niet wordt toegestaan dat de overbedelingsschulden ten gevolge van een testamentaire ouderlijke boedelverdeling in aftrek worden gebracht wanneer de erflater op het tijdstip van zijn overlijden niet woonde in deze staat maar in een andere lidstaat, terwijl deze aftrekbaarheid wel is voorzien wanneer de betrokken persoon op dat tijdstip woonde in de lidstaat waarin de onroerende zaak die het voorwerp van de nalatenschap vormt, is gelegen, voor zover deze regeling een progressief heffingstarief toepast en aangezien de niet-inaanmerkingneming van deze schulden in combinatie met dat progressieve tarief tot een zwaardere belastingdruk zou kunnen leiden voor de erfgenamen die een dergelijke aftrekbaarheid niet kunnen doen gelden.

2)

Aan het in punt 1 van het dictum gegeven antwoord wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat de regeling van de lidstaat waarin de erflater op het tijdstip van zijn overlijden woonde, unilateraal een mogelijkheid biedt om een belastingkrediet te verlenen uit hoofde van de successiebelasting die in een andere lidstaat verschuldigd is over in deze andere staat gelegen onroerende zaken.


(1)  PB C 69 van 24.3.2007.