Conclusie van de advocaat generaal

Conclusie van de advocaat generaal

1. Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing heeft betrekking op de uitlegging van de artikelen 39 EG en 10 EG. De Politierechtbank te Mechelen (België) vraagt of deze bepalingen zich ertegen verzetten dat een lidstaat een maatregel vaststelt waardoor een op zijn grondgebied wonende werknemer verplicht is zijn voertuig aldaar in te schrijven, ook indien dit voertuig toebehoort aan een op het grondgebied van een andere lidstaat gevestigde leasemaatschappij en door een op het grondgebied van die andere lidstaat gevestigde werkgever wordt geleasd om het ter beschikking van deze werknemer te stellen in het kader van diens arbeidsovereenkomst.

I ─ Toepasselijke bepalingen van nationaal recht

2. Artikel 3 van het koninklijk besluit van 31 december 1953 houdende regeling nopens de inschrijving van motorvoertuigen en aanhangwagens(2), bepaalt onder welke voorwaarden een voertuig in België tot het verkeer op de openbare weg wordt toegelaten.

3. In de aanvankelijke versie van dit artikel was bepaald dat een voertuig in België niet tot het verkeer kon worden toegelaten dan nadat het was ingeschreven op aanvraag van een Belgisch ingezetene die "hetzij [...] de persoonlijke eigendom daarvan [had], hetzij [...] door huur of andere overeenkomst bestendig of gewoonlijk daarover beschikt[e]" . Hieruit volgde dat de gebruiker van een voertuig dit op zijn eigen naam kon laten inschrijven, ook indien hij er niet de eigenaar van was.

4. Deze bepaling van het koninklijk besluit van 31 december 1953 is bij het koninklijk besluit van 27 december 1993(3) gewijzigd in dier voege, dat enkel de eigenaar om inschrijving van het voertuig kan verzoeken. Artikel 3 van het koninklijk besluit luidt thans als volgt:

"1. De motorvoertuigen en de aanhangwagens worden eerst tot het verkeer op de openbare weg toegelaten als zij op aanvraag en op naam van hun eigenaar vooraf zijn ingeschreven in het in artikel 2 bedoelde repertorium van de motorvoertuigen en de aanhangwagens.

2. De motorvoertuigen en de aanhangwagens die kortstondig in België rijden zonder dat zij werden ingevoerd door in het land verblijvende personen, behoeven echter in België niet te worden ingeschreven op voorwaarde dat zij voorzien zijn van een inschrijvingsteken dat werd toegekend door de autoriteiten van een ander land dan België dat is toegetreden tot de internationale verdragen inzake het wegverkeer en hun bijlagen, respectievelijk ondertekend te Wenen op 8 november 1968 en te Genève op 19 september 1949 en respectievelijk goedgekeurd bij de wet van 30 september 1988 en de wet van 1 april 1954, of tot de Internationale overeenkomst betreffende het verkeer met motorvoertuigen, ondertekend te Parijs op 24 april 1926, alsmede van het bij deze overeenkomsten voorgeschreven kenteken. Geen enkele aanvraag om inschrijving mag op naam van meerdere personen of op naam van een feitelijke vereniging worden ingediend. Wanneer verschillende personen mede-eigenaar van het voertuig zijn, wordt de aanvraag om inschrijving ingediend op naam van de eigenaar die de voornaamste gebruiker van het voertuig is.

"

5. Artikel 3 van het koninklijk besluit is door het Belgische Hof van Cassatie uitgelegd in een arrest van 19 mei 1999. Hierin oordeelde deze rechter dat uit die bepaling, in haar geheel genomen, bleek dat, met uitzondering van het in lid 2 bepaalde geval, geen enkel motorvoertuig in België mocht rijden als het niet vooraf in België was ingeschreven.(4)

6. Deze versie van artikel 3 van het koninklijk besluit is van toepassing op de feiten in het hoofdgeding.

II ─ De feiten en het procesverloop

7. Van Lent is een Belgisch onderdaan, die in Putte (België) woont. Hij werkt als burgerlijk ingenieur voor een in Luxemburg gevestigde onderneming. Deze onderneming heeft hem een in Luxemburg ingeschreven voertuig ter beschikking gesteld dat bij een in datzelfde land gevestigde leasemaatschappij is geleasd. Van Lent gebruikt dit voertuig zowel voor beroepsverplaatsingen [in Luxemburg en om een aantal vergaderingen te Antwerpen (België) bij te wonen] als voor privé-doeleinden (om naar huis te rijden en tijdens de weekends).

8. Op 22 augustus 1999 onderging hij te Willebroek (België) een verkeerscontrole. Naar aanleiding van deze controle is Van Lent door de procureur des Konings gedagvaard omdat hij in strijd met artikel 3, lid 1, van het koninklijk besluit een voertuig op de openbare weg in het verkeer had gebracht zonder dat dit vooraf op verzoek van de eigenaar ervan in België was ingeschreven.

9. Als verweer heeft Van Lent betoogd dat deze bepaling onverenigbaar was met het in artikel 39 EG neergelegde beginsel van vrij verkeer van werknemers.

III ─ De prejudiciële vraag

10. De Politierechtbank te Mechelen heeft dus besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een uitspraak over de volgende prejudiciële vraag:

"Verzet de gemeenschapsregeling, meer in het bijzonder de artikelen 39 EG (ex artikel 48 EG-Verdrag) en 10 EG (ex artikel 5 EG-Verdrag), zich ertegen dat een lidstaat eist dat een voertuig toebehorende aan een in een aangrenzende lidstaat gevestigde leasemaatschappij en geleasd door de werkgever van de gebruiker (met andere woorden een werknemer), wonende in eerstvermelde lidstaat, meer bepaald op ongeveer 200 km van de plaats van tewerkstelling, zou worden ingeschreven, indien deze werknemer tijdens de week verblijft in die lidstaat en het voertuig gebruikt bij de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst, alsook tijdens zijn vrije tijd, de weekends en de vakantieperioden inbegrepen?"

IV ─ Onderzoek

11. De verwijzende rechter wenst te vernemen of artikel 39 EG zich verzet tegen een regeling van een lidstaat volgens welke een voertuig op het grondgebied van deze staat moet worden ingeschreven wanneer de gebruiker ervan aldaar zijn woonplaats heeft, ook indien het voertuig toebehoort aan een in een andere lidstaat gevestigde leasemaatschappij en het door een eveneens in die andere lidstaat gevestigde onderneming wordt geleasd om het ter beschikking van die gebruiker te stellen in het kader van diens arbeidsovereenkomst.

12. Om te beginnen moet worden opgemerkt dat de vraag, welke lidstaat bevoegd is om de inschrijving van een voertuig te eisen, binnen de Gemeenschap niet geharmoniseerd is. De enige harmonisatiemaatregelen op het gebied van de motorrijtuigenbelasting tot op heden hebben betrekking op belastingvrijstellingen bij de tijdelijke invoer van vervoermiddelen door niet-ingezetenen(5), de toepassing door de lidstaten van belastingen op sommige voertuigen voor goederenvervoer over de weg(6) en de kentekenbewijzen van motorvoertuigen(7). Geen van deze richtlijnen regelt de bevoegdheid van de lidstaten om de inschrijving van voertuigen te eisen. In deze omstandigheden zijn de lidstaten bevoegd om de inschrijving en de voorwaarden voor inschrijving van op hun grondgebied gebruikte voertuigen te regelen, mits de door hen ter zake vastgestelde regels stroken met het gemeenschapsrecht.(8)

13. Het vrije verkeer van werknemers houdt met name verplichtingen in voor de lidstaat van ontvangst. Bovendien blijkt uit de rechtspraak dat de lidstaat van herkomst van de werknemer in zijn wetgeving niet mag voorzien in maatregelen die de uitoefening van deze vrijheid door zijn onderdanen kunnen belemmeren of minder aantrekkelijk kunnen maken.(9) In het arrest Bosman(10) heeft het Hof het volgende verklaard:

"[...] de onderdanen van de lidstaten [beschikken] in het bijzonder over het rechtstreeks aan het Verdrag ontleende recht om hun land van herkomst te verlaten teneinde zich naar het grondgebied van een andere lidstaat te begeven en aldaar te verblijven om er een economische activiteit te verrichten.

Bepalingen die een onderdaan van een lidstaat beletten of ervan weerhouden zijn land van herkomst te verlaten om zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen, leveren derhalve belemmeringen van die vrijheid op , zelfs wanneer zij onafhankelijk van de nationaliteit van de betrokken werknemers van toepassing zijn.

" (11)

14. Het Hof heeft in de reeds aangehaalde arresten Bosman(12) en Graf(13) voorts geoordeeld, dat de wetgeving van de staat van herkomst een belemmering van het vrije verkeer van werknemers vormt indien deze van invloed is op de toegang van de werknemers tot de arbeidsmarkt in de andere lidstaten.(14)

15. Dat is nu juist het geval met de litigieuze regeling.

16. In het arrest Ledoux, reeds aangehaald, heeft het Hof in een geval dat analoog is met de onderhavige zaak geoordeeld, dat er een belemmering van het vrije verkeer van werknemers kon bestaan. Ledoux was een in België wonende werknemer aan wie een voertuig ter beschikking was gesteld door zijn in Frankrijk gevestigde werkgever. Het voertuig, dat aan de werkgever toebehoorde, was op diens naam in zijn land van vestiging (Frankrijk) ingeschreven en werd door Ledoux zowel voor beroeps- als voor privé-doeleinden gebruikt.

17. Naar aanleiding van een verkeerscontrole in België werd Ledoux vervolgd wegens frauduleuze invoer van het voertuig. Hem werd ten laste gelegd dat hij het voertuig had ingevoerd zonder de belasting over de toegevoegde waarde(15) ter zake van deze handeling te betalen. De ten tijde van de feiten geldende gemeenschapsreglementering was de Zesde richtlijn (77/388/EEG).(16) Volgens deze richtlijn zijn goederen bij de invoer aan BTW onderworpen, behalve indien zij onder een regeling inzake tijdelijke invoer zijn geplaatst. In afwachting dat communautaire belastingregels zouden worden vastgesteld ter afbakening van de werkingssfeer van deze vrijstelling, konden de lidstaten de voorwaarden voor het recht op vrijstelling bepalen.

18. Bij de aanvang van zijn onderzoek herinnerde het Hof eraan dat deze vrijstelling onder meer de daadwerkelijke vrijmaking van het personenverkeer tot doel had(17), en oordeelde het dat een lidstaat geen maatregelen voor verlening van het recht op BTW-vrijstelling mag vaststellen die het vrije verkeer belemmeren van werknemers die op zijn grondgebied wonen maar in een andere lidstaat arbeid verrichten.(18)

19. Vervolgens onderzocht het Hof of het vrije verkeer van werknemers werd belemmerd indien de invoer werd beschouwd als definitief en bijgevolg aan BTW was onderworpen op grond dat de importeur (de werknemer) zijn woonplaats had in de lidstaat waar het voertuig was binnengebracht.(19) Aan het einde van zijn onderzoek concludeerde het Hof dat er een belemmering van het vrije verkeer van werknemers kon bestaan, maar liet het concrete onderzoek van deze vraag aan de nationale rechter over.

20. Relevant voor de onderhavige zaak is de redenering die het Hof heeft gevolgd om te concluderen dat het vrije verkeer van werknemers werd belemmerd. Het Hof oordeelde dat de invoer als tijdelijk moest worden beschouwd en dat de vrijstelling dus moest worden verleend, ook indien het voertuig voor privé-doeleinden kon worden gebruikt, aangezien dit gebruik bijkomstig was ten opzichte van het beroepsmatig gebruik en in de arbeidsovereenkomst was geregeld.(20) Het verklaarde het volgende:

"Een andere oplossing zou ertoe leiden, dat het een grensarbeider praktisch onmogelijk wordt gemaakt gebruik te maken van bepaalde, hem door zijn werkgever verleende voordelen, enkel omdat hij in de lidstaat van tijdelijke invoer woont. Deze werknemer zou daardoor ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden worden benadeeld ten opzichte van zijn collega's die in het land van hun werkgever wonen, wat rechtstreeks gevolgen zou hebben voor de uitoefening van zijn recht op vrij verkeer binnen de Gemeenschap." (21)

21. Volgens mij kan op basis van het arrest Ledoux, reeds aangehaald, ervan worden uitgegaan dat een nationale maatregel die tot gevolg heeft dat een werknemer die in een andere lidstaat woont dan die waarin zijn werkgever is gevestigd, (bijna) wordt verhinderd gebruik te maken van bepaalde voordelen, en met name van de terbeschikkingstelling van een voertuig, de uitoefening van het recht op vrij verkeer door deze werknemer aantast.

22. De lidstaten die in deze zaak zijn tussengekomen, menen alle dat het arrest Ledoux, reeds aangehaald, in casu niet van toepassing is aangezien het betrekking had op de uitlegging van de Zesde richtlijn (77/388) en niet op de inschrijving van voertuigen. Ik ben het daar niet mee eens. In bovengenoemd arrest heeft het Hof geoordeeld dat het vrije verkeer van werknemers werd belemmerd doordat de werknemer ten gevolge van de Belgische wetgeving een bijzonder voordeel miste. De redenering aan de hand waarvan het Hof heeft geconcludeerd dat er sprake was van een dergelijke belemmering, kan dus wel degelijk op de onderhavige zaak worden toegepast.

23. De litigieuze regeling heeft inderdaad tot gevolg, dat het voor de in België wonende werknemer onmogelijk is zich een voertuig ter beschikking te laten stellen dat aan een in een andere lidstaat gevestigde persoon toebehoort.

24. Deze belemmering vloeit voort uit een interne tegenstrijdigheid van de Belgische regeling, die in dit geval inschrijving onmogelijk maakt. Enerzijds bepaalt het koninklijk besluit dat de inschrijving van een voertuig op aanvraag en op naam van de eigenaar van dit voertuig moet worden verricht. Hieruit volgt dat de werknemer die slechts gebruiker van het voertuig is, dit niet kan laten inschrijven. Anderzijds bepaalt de nationale regeling dat, wanneer de aanvrager van de inschrijving (dus de eigenaar van het voertuig) een rechtspersoon is, hij zijn Belgisch BTW-nummer moet opgeven. Aangezien de aanvrager een vaste vestiging op Belgisch grondgebied moet hebben om over een dergelijk nummer te beschikken, kan de eigenaar van het voertuig bijgevolg de inschrijving van dit voertuig enkel aanvragen indien hij in België is gevestigd.(22) Derhalve kan de werknemer geen inschrijving van het voertuig verkrijgen omdat hij er niet de eigenaar van is, en de eigenaar (de leasemaatschappij) evenmin omdat hij niet in België is gevestigd.

25. Bijgevolg heeft de in België wonende werknemer die zich een voertuig ter beschikking kan doen stellen, geen andere keuze dan daarvan af te zien indien hij niet het gevaar wil lopen strafrechtelijk te worden vervolgd. Zoals het Hof in het arrest Ledoux, reeds aangehaald, heeft verduidelijkt, vormt het gebruik van een voertuig echter een onderdeel van de beloning van de werknemer. Hieruit vloeit voort dat de werknemer ten gevolge van de litigieuze regeling een deel van de hem aangeboden vergoeding wordt ontnomen enkel op grond van zijn woonplaats. Een arbeidsovereenkomst waarin aldus bedongen is dat de werknemer een voertuig ter beschikking wordt gesteld, wordt dus minder aantrekkelijk wanneer de werkgever in een andere lidstaat dan het Koninkrijk België is gevestigd, althans ingeval het voertuig in die andere lidstaat is ingeschreven.

26. Het komt mij dus voor dat de litigieuze regeling een in België wonende werknemer ervan weerhoudt een overeenkomst te aanvaarden waarin de terbeschikkingstelling van een voertuig wordt bedongen, wanneer deze overeenkomst hem wordt aangeboden door een in een andere lidstaat gevestigde werkgever, terwijl die werknemer de overeenkomst waarschijnlijk wel zou aanvaarden indien de overeenkomst hem door een in België gevestigde werkgever werd aangeboden.(23)

27. Overeenkomstig de reeds aangehaalde arresten Bosman en Graf moet mijns inziens dan ook worden geoordeeld, dat de litigieuze regeling van invloed is op de toegang van in België wonende werknemers tot de arbeidsmarkt van andere lidstaten.

28. Vervolgens moet worden onderzocht of de litigieuze regeling kan worden gerechtvaardigd door redenen van algemeen belang die verenigbaar zijn met het Verdrag.

29. Uit de rechtspraak blijkt dat nationale maatregelen die de uitoefening van de in het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden door onderdanen van de Gemeenschap, daaronder begrepen onderdanen van de lidstaat die de maatregel heeft vastgesteld, kunnen belemmeren of minder aantrekkelijk kunnen maken, aan vier voorwaarden moeten voldoen om verenigbaar te zijn met het gemeenschapsrecht. Zij moeten: 1) zonder discriminatie worden toegepast; 2) hun rechtvaardiging vinden in dwingende redenen van algemeen belang; 3) geschikt zijn om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen, en 4) zij mogen niet verder gaan dan nodig is voor het bereiken van dat doel.(24)

30. De lidstaten die opmerkingen hebben ingediend alsmede de Commissie stellen dat de litigieuze regeling noodzakelijk is om de verkeersveiligheid te garanderen alsmede om uitholling van de heffingsbevoegdheid van de lidstaat te voorkomen.

31. Geen van deze argumenten kan volgens mij in casu de verplichting tot inschrijving van het voertuig, en nog minder de strafrechtelijke vervolging die aan schending van deze verplichting verbonden is, rechtvaardigen. Het ligt volgens mij voor de hand dat de doelstellingen die met de verplichting tot inschrijving worden beoogd, in de eerste plaats slechts kunnen worden bereikt indien de inschrijving inderdaad kan plaatsvinden. Welke doelstellingen ook worden aangehaald, zij kunnen in een geval zoals het onderhavige niet worden bereikt omdat de inschrijving, zoals gezegd, onmogelijk is.

32. Een lidstaat kan een werknemer die gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer, niet straffen op grond dat hij een verplichting die hij niet kan uitvoeren, niet is nagekomen. In deze omstandigheden verliest de inschrijvingsverplichting elke zin en heeft zij alleen tot gevolg dat in het buitenland ingeschreven voertuigen niet ter beschikking kunnen worden gesteld van Belgische ingezetenen.

33. De Politierechtbank te Aarlen (België) is blijkbaar tot een vergelijkbare conclusie gekomen in haar vonnis van 12 maart 1998.(25)

34. Het ging daarin om de volgende feiten: een Belgisch ingezetene werd schending van het koninklijk besluit ten laste gelegd omdat hij op Belgisch grondgebied reed met een voertuig dat toebehoorde aan een in Luxemburg gevestigde leasemaatschappij. De Politierechtbank te Aarlen overwoog het volgende:

"Het openbaar ministerie lijkt dus ervan uit te gaan dat niettegenstaande deze feiten inschrijving van het voertuig in België verplicht en dus noodzakelijkerwijze mogelijk was."

35. De Politierechtbank te Aarlen stelde vast dat de inschrijving volgens het koninklijk besluit op naam van de eigenaar moet worden verricht en dat deze inschrijving evenwel enkel openstaat voor personen die in België hun woonplaats of vestiging hebben, hetgeen aan inschrijving in de weg staat wanneer de eigenaar niet aan deze voorwaarden voldoet. De rechtbank besliste dus dat geen sprake was van een strafbaar feit.

36. Ik geef het Hof dan ook in overweging op de gestelde vraag te antwoorden dat de artikelen 39 EG en 10 EG zich ertegen verzetten dat een lidstaat de inschrijving eist van een voertuig dat toebehoort aan een in een aangrenzende lidstaat gevestigde leasemaatschappij en wordt geleasd door de werkgever van de gebruiker van dit voertuig (dat wil zeggen een werknemer), die woont in eerstvermelde lidstaat, meer bepaald op ongeveer 200 km van de plaats van tewerkstelling, indien deze werknemer door de week in deze lidstaat verblijft en het voertuig gebruikt bij de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst alsook in zijn vrije tijd, de weekends en de vakantieperioden daaronder begrepen.

V ─ Conclusie

37. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de vraag van de Politierechtbank te Mechelen te beantwoorden als volgt:

"Het gemeenschapsrecht, meer in het bijzonder de artikelen 39 EG en 10 EG, verzet zich ertegen dat een lidstaat de inschrijving eist van een voertuig dat toebehoort aan een in een aangrenzende lidstaat gevestigde leasemaatschappij en wordt geleasd door de werkgever van de gebruiker van dit voertuig (dat wil zeggen een werknemer), die woont in eerstvermelde lidstaat, meer bepaald op ongeveer 200 km van de plaats van tewerkstelling, indien deze werknemer door de week in deze lidstaat verblijft en het voertuig gebruikt bij de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst alsook tijdens zijn vrije tijd, de weekends en de vakantieperioden daaronder begrepen."

(1) .

(2) Belgisch Staatsblad van 9 januari 1954.

(3) Belgisch Staatsblad van 18 januari 1994 (hierna: "koninklijk besluit" ).

(4) Cass., 1999, 688. Zie eveneens cass. 1988-89, 816.

(5) Richtlijn 83/182/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen binnen de Gemeenschap (PB L 105, blz. 59).

(6) Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van 25 oktober 1993 betreffende de toepassing door de lidstaten van de belastingen op sommige voor het goederenvervoer over de weg gebruikte voertuigen en van de voor het gebruik van sommige infrastructuurvoorzieningen geheven tolgelden en gebruiksrechten (PB L 279, blz. 32). Zoals de regering van het Verenigd Koninkrijk in haar schriftelijke opmerkingen heeft vermeld, is deze richtlijn nietig verklaard bij het arrest van 5 juli 1995, Parlement/Raad (C-21/94, Jurispr. blz. I-1827). Zij blijft evenwel van toepassing totdat de Raad een nieuwe regeling ter zake zal hebben vastgesteld.

(7) Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (PB L 138, blz. 57). De lidstaten hebben tot 1 juni 2004 de tijd om deze richtlijn in nationaal recht om te zetten.

(8) Arresten van 6 juni 1984, Melkunie (97/83, Jurispr. blz. 2367, punten 9 en 10), en 24 oktober 2002, Hahn (C-121/00, Jurispr. blz. I-9193, punt 34).

(9) Arresten van 6 juli 1988, Ledoux (127/86, Jurispr. blz. 3741); 7 juli 1988, Stanton (143/87, Jurispr. blz. 3877, punt 13); 7 juli 1992, Singh (C-370/90, Jurispr. blz. I-4265, punt 23); 31 maart 1993, Kraus (C-19/92, Jurispr. blz. I-1663, punt 32); 26 januari 1999, Terhoeve (C-18/95, Jurispr. blz. I-345, punt 38), en 27 januari 2000, Graf (C-190/98, Jurispr. blz. I-493, punt 22).

(10) Arrest van 15 december 1995 (C-415/93, Jurispr. blz. I-4921).

(11) Ibidem (punten 95 en 96), cursivering van mij. Voorts luidt punt 97 van dit arrest: "In zijn arrest van 27 september 1988 (zaak 81/87, Daily Mail and General Trust, Jurispr. 1988, blz. 5483, punt 16) heeft het Hof overigens verklaard, dat hoewel de verdragsbepalingen inzake de vrijheid van vestiging met name beogen te verzekeren dat buitenlandse onderdanen en vennootschappen in de lidstaat van ontvangst op dezelfde wijze worden behandeld als de onderdanen van die lidstaat, zij de lidstaat van oorsprong ook verbieden, de vestiging in een andere lidstaat te bemoeilijken van een van zijn onderdanen of van een naar zijn nationaal recht opgerichte en onder de definitie van artikel 58 vallende vennootschap. De door de artikelen 52 en volgende van het Verdrag gewaarborgde rechten zouden hun betekenis verliezen, indien de lidstaat van oorsprong ondernemingen kon beletten het land te verlaten teneinde zich in een andere lidstaat te vestigen. Dezelfde overwegingen gelden, wat artikel 48 van het Verdrag betreft, voor de regels die het vrije verkeer belemmeren van onderdanen van een lidstaat die in een andere lidstaat arbeid in loondienst willen verrichten."

(12) Punt 103.

(13) Punt 23.

(14) In deze arresten wordt het in het arrest van 24 november 1993, Keck en Mithouard (C-267/91 en C-268/91, Jurispr. blz. I-6097), geformuleerde wezenlijke criterium toegepast met betrekking tot het vrije verkeer van werknemers. Zie conclusie van advocaat-generaal Lenz in de zaak Bosman, reeds aangehaald, en die van advocaat-generaal Fennelly in de zaak Graf, reeds aangehaald, en mijn conclusie in de zaak Wouters e.a. (arrest van 19 februari 2002, C-309/99, Jurispr. blz. I-1577, punten 242-246).

(15) Hierna: "BTW" .

(16) Richtlijn van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting ─ Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1).

(17) Arrest Ledoux, reeds aangehaald (punt 10). Zie in die zin eveneens arrest van 3 oktober 1985, Profant (249/84, Jurispr. blz. 3237).

(18) Arrest Ledoux, reeds aangehaald (punt 12).

(19) Ibidem (punten 13, 17 en 18).

(20) Ibidem (punt 18).

(21) Idem.

(22) Zie Thiébaut, X., Leasing transfrontalier de véhicules , beschikbaar op het internetadres www.fiskobel.com/Docs/10.doc.

(23) Wij kunnen er immers van uitgaan dat de werkgever, ten minste wanneer hij eigenaar van het voertuig is, dit in de staat van zijn vestiging laat inschrijven. Zo hadden bijvoorbeeld in de zaken Ledoux, reeds aangehaald, Cura Anlagen (arrest van 21 maart 2002, C-451/99, Jurispr. blz. I-3193) en Hoves Internationaler Transport-Service (arrest van 2 juli 2002, C-115/00, Jurispr. blz. I-6077) de eigenaars hun voertuigen ingeschreven in de lidstaten waar zij waren gevestigd. In artikel 3, lid 3, van verordening (EEG) nr. 3118/93 van de Raad van 25 oktober 1993 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder vervoersondernemers worden toegelaten tot het binnenlands goederenvervoer over de weg in een lidstaat waar zij niet gevestigd zijn, wordt het begrip "voertuig" omschreven als "een in de lidstaat van vestiging geregistreerd motorvoertuig of een samenstel van voertuigen waarvan ten minste het trekkende voertuig in de lidstaat van vestiging is geregistreerd, en die uitsluitend voor het vervoer van goederen zijn bestemd" (cursivering van mij).

(24) Arrest van 30 november 1995, Gebhard (C-55/94, Jurispr. blz. I-4165, punt 37). Zie eveneens arresten van 26 februari 1991, Commissie/Italië (C-180/89, Jurispr. blz. I-709, punt 18), en 20 mei 1992, Ramrath (C-106/91, Jurispr. blz. I-3351, punten 29 en 30), en arrest Klaus, reeds aangehaald (punt 32).

(25) Strafzaak tegen Devaux, vonnis nr. 981345. Beschikbaar op internetadres http:/www.demine.com/jurinews/immajurisp.htm.