6.11.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 273/13


Verzoek van het Verwaltungsgerichtshof (Oostenrijk) van 12 augustus 2004 om een prejudiciële beslissing in het geding tussen 1. Transalpine Ölleitung in Österreich GmbH, 2. Planai-Hochwurzen-Bahnen GmbH, 3. Gerlitzen-Kanzelbahn-Touristik Gesellschaft m.b.H. & Co. KG, en 1. Finanzamt Innsbruck, 2. Finanzamt Liezen, 3. Finanzamt Villach

(Zaak C-368/04)

(2004/C 273/26)

Het Verwaltungsgerichtshof heeft bij beschikking van 12 augustus 2004, ingekomen ter griffie van het Hof van Justitie op 24 augustus 2004, in het geding tussen 1. Transalpine Ölleitung in Österreich GmbH, 2. Planai-Hochwurzen-Bahnen GmbH, 3. Gerlitzen-Kanzelbahn-Touristik Gesellschaft m.b.H. & Co. KG, en 1. Finanzamt Innsbruck, 2. Finanzamt Liezen, 3. Finanzamt Villach, het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vragen:

1)

Staat het uitvoeringsverbod van artikel 88, lid 3, EG ook dan in de weg aan de toepassing van een nationale wettelijke bepaling die bedrijven die zich niet aantoonbaar hoofdzakelijk bezighouden met de productie van stoffelijke goederen, uitsluit van de restitutie van energieheffingen en die daarom als steunmaatregel in de zin van artikel 87 EG moet worden gekwalificeerd, maar die voor de nationale inwerkingtreding van de regeling niet bij de Commissie werd aangemeld, wanneer de Commissie op grond van artikel 87, lid 3, EG de verenigbaarheid van de maatregel met de gemeenschappelijke markt heeft vastgesteld voor een reeds verstreken tijdvak en de aanvraag tot restitutie betrekking heeft op heffingen die over dit tijdvak verschuldigd waren?

2)

Indien het antwoord op deze vraag bevestigend luidt:

Vereist het uitvoeringsverbod in een dergelijk geval dat de restitutie ook wordt toegekend wanneer de aanvragen van de dienstverlenende bedrijven na de vaststelling van het besluit van de Commissie werden ingediend voor voor dit tijdstip gelegen heffingstijdvakken?