Conclusie van de advocaat generaal

Conclusie van de advocaat generaal

++++

Mijnheer de President,

mijne heren Rechters,

1. Martínez Vidal, van Spaanse nationaliteit, heeft van 1963 tot 1979 als matroos gewerkt in dienst van Nederlandse werkgevers.

2. Op 29 april 1979 heeft hij zijn werk wegens rugklachten moeten staken en het sindsdien niet meer hervat. Kort na het begin van zijn ziekte is hij teruggekeerd naar Spanje. Aanvankelijk genoot hij een uitkering wegens ziekte en vervolgens, met ingang van 25 april 1980, een arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Nederlandse wet, welke uitkering was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100 %.

3. Volgens een door het Instituto Nacional de la Seguridad Social terzake opgemaakt rapport werd Martínez in januari 1980 in Spanje geopereerd aan een discus-hernia. Dit orgaan hield Martínez onder controle en bracht naderhand nog een aantal vervolgrapporten uit.

4. De Gemeenschappelijke Medische Dienst (hierna: "GMD") riep Martínez bij brief van 17 april 1989 op voor een medische controle in Nederland.

5. Martínez gaf aan die oproep geen gevolg, zonder overigens te beweren dat zijn gezondheidstoestand een reis naar Nederland verhinderde. In plaats daarvan verzocht hij de bevoegde Nederlandse rechter om een verklaring voor recht, dat hij niet verplicht was, voor medische controle naar Nederland terug te keren.

6. In deze omstandigheden heeft de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam het Hof twee prejudiciële vragen voorgelegd, waarvan de eerste luidt als volgt:

"Kan het orgaan dat de invaliditeitsuitkering verschuldigd is c.q. de instantie die de bevoegdheid tot medische controle uitoefent, indien het gebruik maakt van zijn in artikel 51, lid 1, van verordening (EEG) nr. 574/72 opgenomen bevoegdheid om de controle op de rechthebbende op een invaliditeitsuitkering door een arts van eigen keuze te laten verrichten, die rechthebbende vanuit de Lid-Staat waar hij woont of verblijft, oproepen voor het ondergaan van geneeskundig onderzoek in de Lid-Staat waar het orgaan is gevestigd dat de uitkering verschuldigd is, en is de rechthebbende verplicht aan die oproep gevolg te geven?"

7. Bedoelde bepaling luidt als volgt:

"Wanneer een rechthebbende op met name:

(...)

(...)

(...)

op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont of verblijft dan die waar zich het orgaan bevindt dat de uitkeringen verschuldigd is, wordt de administratieve en medische controle op verzoek van dit orgaan uitgeoefend door het orgaan van de woon- of verblijfplaats van de rechthebbende, op de wijze als bepaald in de wettelijke regeling die door laatstgenoemd orgaan wordt toegepast. Het orgaan dat de uitkeringen verschuldigd is behoudt evenwel de bevoegdheid, de controle op de rechthebbende door een arts van eigen keuze te laten verrichten."

8. In het arrest van 12 maart 1987 (zaak 22/86, Rindone, Jurispr. 1987, blz. 1339) heeft het Hof zich met een in wezen gelijke vraag beziggehouden. Daar ging het om de vraag, of een werknemer die ziek wordt op het moment dat hij in een ander land verblijft dan het land van het orgaan dat de uitkering verschuldigd is, verplicht kan worden, voor medische controle terug te keren naar het land van dat orgaan. Het ging toen om uitlegging van artikel 18 van dezelfde verordening, waarvan de leden 4 en 5 luiden als volgt:

"4. Het orgaan van de woonplaats oefent later zo nodig de administratieve en geneeskundige controle op de belanghebbende uit, alsof hij bij dit orgaan was verzekerd. Zodra dit orgaan vaststelt dat de belanghebbende opnieuw arbeidsongeschikt is, stelt het de belanghebbende en ook het bevoegde orgaan daarvan onverwijld in kennis, met opgave van de datum waarop de arbeidsongeschiktheid eindigt. Onverminderd het bepaalde in lid 6, wordt de kennisgeving aan de belanghebbende geacht te gelden als een beslissing die voor rekening van het bevoegde orgaan is genomen.

9. In het arrest Rindone besliste het Hof met betrekking tot lid 5 van artikel 18, dat

"deze bepaling niet aldus kan worden uitgelegd, dat de belanghebbende kan worden verplicht voor de geneeskundige controle terug te keren naar de staat van het bevoegde orgaan, ofschoon hij arbeidsongeschikt is wegens ziekte. Een dergelijke verplichting zou onverenigbaar zijn met het vereiste respect voor de gezondheidstoestand van de werknemer. Het bevoegde orgaan kan de betrokken controle verrichten hetzij door een arts te zenden die de belanghebbende in het land van de woonplaats onderzoekt, hetzij door een beroep te doen op de diensten van een arts uit dit land" (r.o. 21).

10. Ik meen, dat dit ook moet gelden in het geval van een rechthebbende op een invaliditeitsuitkering, wanneer de reis onverenigbaar zou zijn met diens gezondheidstoestand.

11. Maar omdat het Hof in het arrest Rindone uitsluitend is uitgegaan van "het vereiste respect voor de gezondheidstoestand van de werknemer", en niet van de doelstelling van artikel 18 of van het bij de verordeningen (EEG) nrs. 1408/71 en 574/72 ingevoerde stelsel (1), kunnen wij in dat arrest geen oplossing vinden voor het geval dat de gezondheidstoestand van de voormalige werknemer zich niet tegen het maken van een lange reis verzet.

12. Volgens de Spaanse regering en de Commissie blijkt reeds bij enkele lezing van artikel 5, dat de daar bedoelde medische controle plaats dient te vinden in de staat waar de werknemer woont. Zelf geloof ik niet, dat de bewoordingen van de slotzin van lid 1 van deze bepaling slechts één conclusie toelaten. Trouwens, als de zaken zo simpel lagen, had het Hof in het arrest Rindone de uitlegging van dezelfde zin in artikel 18 niet doen steunen op een gedachte die in de bepaling zelf niet is terug te vinden, namelijk "het vereiste respect voor de gezondheidstoestand" van de betrokkene.

13. De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam is van oordeel, dat het arrest Rindone geen antwoord geeft op de gestelde vraag, omdat

"de in artikel 51 opgenomen controlevoorschriften minder gedetailleerd zijn dan de regeling van medische controle die in voornoemde artikelen 18 en 61 (2) is opgenomen; verder wijkt artikel 51 ook af van de artikelen 18 en 61 in die zin, dat in het eerste geval de controle door het buitenlandse orgaan op verzoek van (3) het bevoegde orgaan geschiedt".

14. De bepalingen van artikel 18 mogen inderdaad gedetailleerder zijn, maar ik geloof niet, dat hieruit een conclusie a contrario kan worden getrokken ten aanzien van artikel 51. Ik deel op dit punt de mening van de Commissie, dat dit verschil zijn oorzaak vindt in het feit, dat artikel 18 betrekking heeft op een geheel andere situatie en de daarin geregelde procedure een geheel ander doel dient. Wanneer iemand ziek wordt tijdens een verblijf in een andere Lid-Staat dan waar hij verzekerd is, is het duidelijk dat het orgaan van het land van verblijf een hoofdrol krijgt toebedeeld, want het is dan van belang dat het begin van de ziekte zo snel mogelijk wordt vastgesteld. Omdat het om een ziekte van korte duur kan gaan, is het ook nodig dat het orgaan van het land van verblijf "(...) later (...) de administratieve en geneeskundige controle op de belanghebbende uit(oefent)" om tijdig het moment van genezing te kunnen vaststellen.

15. Artikel 51 daarentegen betreft het geval waarin reeds een invaliditeitsuitkering is toegekend, en waarin het er alleen nog om gaat te controleren, of de mate van invaliditeit een ontwikkeling ten goede of ten kwade te zien geeft.

16. In de tweede plaats meent de verwijzende rechter gewicht te moeten toekennen aan het feit, dat het orgaan van de woonplaats van de belanghebbende de controles in het kader van artikel 51 enkel verricht op verzoek van het orgaan dat de uitkering verschuldigd is. De Nederlandse rechter denkt misschien, dat wanneer dit laatste orgaan geen beroep doet op de medewerking van het orgaan van het land van de woonplaats, het dan geheel vrij blijft de controle naar eigen goeddunken uit te voeren, bijvoorbeeld door belanghebbende over te laten komen. In deze lezing zou de verordening slechts een mogelijkheid bieden, waarvan het orgaan dat de uitkering verschuldigd is, naar believen gebruik kan maken.

17. Hiertegen brengt de Commissie in, dat de woorden "op verzoek" hun verklaring vinden in het periodieke karakter van de medische controle, die alleen plaatsvindt wanneer het bevoegde orgaan dat in verband met de toepassing van zijn eigen wetgeving nodig acht. In de procedure van artikel 18 daarentegen wordt het orgaan van de woonplaats automatisch ingeschakeld.

18. Dit lijkt mij een plausibele verklaring en ik meen daarom, dat de woorden "op verzoek" in deze discussie niet de doorslag kunnen geven.

19. De Commissie voert ook nog het volgende argument aan:

"Zou de 'arts van eigen keuze' ook een arts kunnen zijn die namens het bevoegde orgaan in de staat van dat orgaan medische controles verricht, dan zou artikel 51 ongetwijfeld anders zijn geredigeerd. Dan had er vermoedelijk gestaan, dat het bevoegde orgaan de keuze had tussen hetzij de controle in eigen land te laten verrichten, hetzij dit over te laten aan het orgaan van de woonplaats. Nu de redactie van artikel 51 niet in die zin luidt, noch maar zelfs in die richting wijst, moet het ervoor worden gehouden dat de 'arts van eigen keuze' niet een 'eigen arts' kan zijn die in het eigen land het onderzoek verricht, zodat de rechthebbende daarheen zou moeten reizen."

20. Dit vind ik niet overtuigend. Het feit dat het artikel niet is geredigeerd zoals de Commissie aangeeft, maar enerzijds bepaalt: "wordt de (...) controle (...) uitgeoefend door het orgaan van de woon- of verblijfplaats", en anderzijds: "het orgaan dat de uitkering verschuldigd is behoudt evenwel de bevoegdheid (...)", bewijst naar mijn mening, dat de Raad hiermee niet een alternatief heeft willen invoeren, doch een algemene regel alsmede een extra mogelijkheid. De algemene regel (of het beginsel) is, dat de controle eerst wordt verricht door het orgaan van het land van de woon- of verblijfplaats. Als extra mogelijkheid kan het orgaan dat de uitkering verschuldigd is, de controle toch door een arts van eigen keuze laten verrichten wanneer het, na ontvangst van het rapport van het eerste orgaan, nog in twijfel verkeert over het arbeidsongeschiktheidspercentage waarvan in het vervolg moet worden uitgegaan. De tekst laat open, waar dat onderzoek moet plaatsvinden.

21. In de tekst van artikel 51 lijkt mij nog een andere passage van belang, namelijk dat het orgaan van de woon- of verblijfplaats van de gerechtigde de controle verricht "op de wijze als bepaald in de wettelijke regeling die door laatstgenoemd orgaan wordt toegepast".

22. Waarschijnlijk is de omstandigheid dat het orgaan van de woon- of verblijfplaats niet noodzakelijk precies dezelfde maatstaven aanlegt als het orgaan dat de uitkering verschuldigd is, de reden geweest om dit laatste orgaan een controlemogelijkheid te geven.

23. Met name op het gebied van invaliditeit zijn de verschillen tussen de wetgevingen van de Lid-Staten echter bijzonder groot. Ik behoef hiervoor slechts te herinneren aan artikel 40, lid 4, van de eerder genoemde verordening nr. 1408/71 (de basisverordening), luidende:

"De door het orgaan van een Lid-Staat genomen beslissing omtrent de toestand van invaliditeit van de aanvrager is bindend voor het orgaan van iedere andere betrokken Lid-Staat, mits in bijlage V is vermeld dat de voorwaarden van de wettelijke regelingen van deze Lid-Staten met betrekking tot de toestand van invaliditeit met elkaar overeenstemmen".

24. Zeker, deze bepaling is in dit geval niet van toepassing, en wel om twee redenen. Zij maakt deel uit van afdeling 2 (van hoofdstuk 2, Invaliditeit), die de gevallen betreft waarin werknemers onderworpen zijn hetzij uitsluitend aan wettelijke regelingen volgens welke het bedrag van de invaliditeitsuitkering afhankelijk is van de duur van de tijdvakken van verzekering of van wonen, hetzij aan wettelijke regelingen van dit type en van het in afdeling 1 bedoelde type, dat wil zeggen wettelijke regelingen volgens welke het bedrag van de invaliditeitsuitkering onafhankelijk is van de duur van de tijdvakken van verzekering. De Nederlandse regering wijst erop, dat haar wettelijke regeling tot dit laatste type behoort. Voorts schijnt aan Martínez Vidal alleen op grond van de Nederlandse wet een uitkering te zijn toegekend. In de tweede plaats heeft artikel 40, lid 4, uitsluitend betrekking op de eerste vaststelling van de invaliditeit (4), terwijl het in casu gaat om de latere controle. Maar wat hier van belang is, is dat de bij verordening nr. 1408/71 ingestelde regeling niet in alle omstandigheden voorziet in automatische erkenning van wat in een andere Lid-Staat met betrekking tot de aanvankelijke invaliditeit is vastgesteld.

25. Daarnaast laat artikel 40, lid 4, van de basisverordening ook zien, dat het arrest van 11 maart 1986 (zaak 28/85, Deghillage, Jurispr. 1986, blz. 999), waarnaar in deze zaak is verwezen, hier niet relevant is. Dat arrest betreft de uitlegging van artikel 57, lid 2, van de basisverordening, welke bepaling betrekking heeft op beroepsziekten en juist wel in automatische erkenning voorziet.

26. Maar laten wij terugkeren tot de vraag, of de controle kan plaatsvinden in het land van het orgaan dat de uitkering verschuldigd is.

27. In hun opmerkingen gaan de Nederlandse regering en de GMD uitvoerig in op de bijzondere kenmerken van het Nederlandse systeem voor de beoordeling van arbeidsongeschiktheid, waarbij de vroegere inkomsten worden vergeleken met hetgeen de belanghebbende in een passende functie nog zou kunnen verdienen. Deze inkomsten worden niet enkel bepaald aan de hand van de gezondheidstoestand van de betrokkene, maar ook aan de hand van zijn bekwaamheden. De Nederlandse regering brengt onder de aandacht, dat in Nederland bij deze beoordeling niet alleen een arts, maar ook een arbeidsdeskundige en een wetstechnisch beoordelaar worden ingeschakeld.

28. Nu behoeft de hier te nemen beslissing niet op de Nederlandse situatie te zijn toegesneden. Het is zonder meer duidelijk, dat het voor het orgaan dat de uitkering verschuldigd is en dat de situatie van de belanghebbende moet beoordelen volgens zijn eigen nationale wetgeving, het meest praktisch is om de belanghebbende te laten overkomen; het kan dan zijn vertrouwde werkwijze toepassen, met medewerking van alle deskundigen en met alle apparatuur waarover het beschikt.

29. Dat is niet mogelijk bij andere oplossingen, namelijk wanneer het orgaan zijn bevoegdheid delegeert aan een arts in het land waar de belanghebbende woont of verblijft, of wanneer het een eigen arts naar dat land stuurt. Dit laatste kan overigens een kostbare aangelegenheid zijn, want bij de reiskosten moet ook de met het reizen verloren werktijd worden gerekend.

30. Blijft de vraag, of het gemeenschapsrecht de belanghebbende het recht geeft, een oproep om naar het land van het bevoegde orgaan te komen, naast zich neer te leggen.

31. Zoals het Hof reeds meermaals heeft beslist, moet voor de uitlegging van de verordeningen ter uitvoering van artikel 51 EEG-Verdrag te rade worden gegaan met het ermee beoogde doel, te weten de totstandkoming van een zo groot mogelijke vrijheid van het verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap. (5)

32. Ik zie niet in, waarom dat doel juist eraan in de weg zou staan, dat de rechthebbende op een invaliditeitsuitkering zich in dat "vrije verkeer" begeeft om zich aan een administratieve en medische controle te onderwerpen, zolang zijn gezondheid hierdoor niet in gevaar komt en de reiskosten niet voor zijn rekening komen.

33. Wanneer het Hof een dergelijke plicht in beginsel aanvaardt, dan kan ik mij niet voorstellen, dat iemand zich daardoor zou laten weerhouden om in een andere Lid-Staat te gaan werken, of, mocht hij in het land waar hij werkt, arbeidsongeschikt worden verklaard, weer naar zijn eigen land terug te keren. Wanneer immers een voormalig werknemer niet kan worden verplicht zich voor controle naar het ter zake van de uitkering bevoegde orgaan te begeven indien dat wegens zijn lichamelijke of financiële omstandigheden niet van hem kan worden gevergd, kan het feit dat die controle op zich wel mogelijk is, geen beperkende invloed op het vrije verkeer van werknemers hebben.

34. Volledigheidshalve wil ik echter nog onderzoeken, of bedoeld beginsel botst met enige doelstelling van de basisverordening, zoals die tot uitdrukking komen in de bepalingen en in de vijfde tot zevende overweging van de considerans van die verordening. Bedoelde overwegingen luiden als volgt:

"overwegende dat de voorschriften ter cooerdinatie van de nationale wetgevingen inzake sociale zekerheid behoren tot regelingen inzake het vrije verkeer van werknemers die onderdanen van de Lid-Staten zijn, en dat deze voorschriften derhalve moeten bijdragen tot verhoging van de levensstandaard en verbetering van de arbeidsomstandigheden van deze werknemers, door binnen de Gemeenschap te waarborgen dat enerzijds alle onderdanen van de Lid-Staten gelijke behandeling genieten ten opzichte van de verschillende nationale wetgevingen en dat anderzijds de werknemers en hun rechtsopvolgers prestaties inzake sociale zekerheid genieten ongeacht de plaats waar zij werken of wonen;

overwegende dat deze doeleinden met name bereikt moeten worden door het samentellen van alle tijdvakken welke door de verschillende nationale wetgevingen in aanmerking worden genomen voor het verkrijgen en behouden van het recht op prestaties en voor de vaststelling daarvan, alsmede door het verlenen van prestaties aan de verschillende onder de verordening vallende categorieën personen, ongeacht waar zij binnen de Gemeenschap wonen;

overwegende dat de cooerdinatievoorschriften, vastgesteld ter uitvoering van artikel 51 van het Verdrag, de werknemers die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, de verworven rechten en voordelen moeten waarborgen, zonder dat zij mogen leiden tot ongerechtvaardigde cumulaties."

35. Wat in de onderhavige zaak in geding is, is niet het beginsel van samentelling van verzekeringstijdvakken en dat van betaling van uitkeringen op het grondgebied van andere Lid-Staten dan die van het bevoegde orgaan. Hoogstens kan men zich afvragen, of het wellicht om het beginsel van gelijke behandeling gaat.

36. Artikel 3 van verordening nr. 1408/71 luidt als volgt:

"Personen die op het grondgebied van een der Lid-Staten wonen en op wie de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn, hebben de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke Lid-Staat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die Staat, behoudens bijzondere bepalingen van deze verordening".

37. Het beginsel luidt dus, dat migrerende werknemers op één lijn staan met de werknemers van het gastland, zowel wat de voordelen als wat hun verplichtingen betreft. De migrerend werknemer heeft dus niet het recht, zich te onttrekken aan controle door het ter zake van de uitkering bevoegde orgaan in het land waar dat orgaan is gevestigd. Om evenwel te voorkomen dat hij de dupe is van het feit dat hij, zoals hem vrijstaat, naar zijn eigen land is teruggekeerd, dient hij niet voor hogere reiskosten te komen staan dan een voormalig werknemer die in het land van het bevoegde orgaan woont.

38. Bovendien beoogt artikel 51 van verordening nr. 574/72 hem de reis zo mogelijk te besparen, door een regeling die erop neerkomt, dat tenzij het bevoegde orgaan uitdrukkelijk anders beslist, volstaan kan worden met een administratieve en medische controle door het orgaan van het land van de woonplaats. Artikel 51 behoudt dus ruimschoots zijn nuttig effect, ook wanneer men als beginsel aanvaardt, dat de belanghebbende kan worden opgeroepen om bij het bevoegde orgaan te verschijnen.

39. Overigens mag men redelijkerwijze aannemen, dat een dergelijke oproeping de uitzondering zal zijn. Het is bijvoorbeeld niet erg waarschijnlijk, dat het bevoegde orgaan de belanghebbende zal oproepen wanneer de door het orgaan van de woonplaats opgegeven "vermoedelijke einddatum van de tijdelijke invaliditeit" niet al te ver in de toekomst ligt (rubriek C.11 van formulier E 213), dan wel tot de conclusie is gekomen, dat "belanghebbende in een blijvende toestand van volledige ongeschiktheid tot het verrichten van enige arbeid verkeert" (formulier E 213, rubriek 5.1, onder deel III - Conclusies).

Zoals blijkt uit hetgeen de Nederlandse regering en de GMD hebben verklaard, ligt het probleem vooral in de vaststelling van het "invaliditeitspercentage voor iedere andere arbeid die overeenkomt met de bekwaamheden van belanghebbende". Deze rubriek van het formulier E 213 (punt 3 onder deel III - Conclusies) mág zelfs niet worden ingevuld door het orgaan van de verblijfplaats wanneer het bevoegde orgaan zich in de Bondsrepubliek Duitsland, Ierland, Nederland of het Verenigd Koninkrijk bevindt.

40. Martínez Vidal beroept zich ook nog op het recht van iedere invalide om in zijn eigen taal te worden ondervraagd. Maar ook als een arts uit het land van het bevoegde orgaan de belanghebbende in het land van verblijf komt onderzoeken, is een gesprek, wanneer die arts de taal van de belanghebbende niet spreekt, enkel met de hulp van een tolk mogelijk.

41. Om de hierboven uiteengezette redenen geef ik het Hof in overweging, de eerste vraag te beantwoorden als volgt:

"Het orgaan dat de invaliditeitsuitkering verschuldigd is - of het tot medische controle bevoegde orgaan - kan, wanneer het na ontvangst van het rapport van het orgaan van woonplaats of verblijf van de belanghebbende gebruik maakt van de in artikel 51, lid 1, van verordening (EEG) nr. 574/72 bedoelde bevoegdheid om de controle van de rechthebbende op een invaliditeitsuitkering te doen verrichten door een arts van eigen keuze, die rechthebbende oproepen om zich voor een medisch onderzoek te begeven van de Lid-Staat waar hij woont of verblijft, naar de Lid-Staat van het orgaan dat de uitkering verschuldigd is. De rechthebbende is verplicht aan deze oproep gevolg te geven, mits vaststaat dat hij deze reis zonder schade voor zijn gezondheid kan maken, en de reis- en verblijfkosten niet te zijnen laste komen."

De tweede vraag

42. De tweede vraag luidt als volgt:

"2) a) Maakt het voor het antwoord op de vragen onder 1 verschil of vaststaat dat de rechthebbende zonder zijn gezondheid te schaden tot reizen in staat is naar de Lid-Staat waar het orgaan dat de uitkering verschuldigd is c.q. de instantie die de bevoegdheid tot medische controle uitoefent, is gevestigd?

b) Is voor het antwoord op vraag 2, sub a, van belang of de reisvaardigheid is vastgesteld door het orgaan van de woon- of verblijfplaats dan wel door het orgaan dat de uitkering verschuldigd is c.q. de instantie die de bevoegdheid tot medische controle uitoefent?"

43. Het antwoord op onderdeel a van deze vraag ligt reeds besloten in het voorgestelde antwoord op de eerste vraag.

44. Wat het antwoord op onderdeel b) betreft, valt op te merken, dat de Duitse en de Nederlandse regering, de Commissie en de GMD het gezond verstand hier de doorslag laten geven, hetgeen betekent, dat de beoordeling van de vraag of de belanghebbende al dan niet tot reizen in staat is, moet plaatsvinden zonder dat hij daarvoor eerst naar het land van het bevoegde orgaan moet reizen. Ik merk nog op, dat formulier E 213 in ieder geval een rubriek C.7 bevat, waar de arts moet invullen of het voor de belanghebbende al of niet "absoluut onmogelijk is zich te verplaatsen".

45. Indien echter het bevoegde orgaan een arts wenst te sturen om deze vaststelling van het orgaan van het land van de woon- of verblijfplaats ter plaatse te verifiëren, dan heeft het daar stellig het recht toe. Om ook deze mogelijkheid niet uit te sluiten, geef ik als antwoord in overweging:

"Of de belanghebbende in staat is de reis te maken, dient te worden beoordeeld in het land van diens woon- of verblijfplaats."

Conclusie

46. De voorgestelde antwoorden zijn dus de volgende:

"1) Het orgaan dat de invaliditeitsuitkering verschuldigd is - of het tot medische controle bevoegde orgaan - kan, wanneer het na ontvangst van het rapport van het orgaan van woonplaats of verblijf van de belanghebbende gebruik maakt van de in artikel 51, lid 1, van verordening (EEG) nr. 574/72 bedoelde bevoegdheid om de controle van de rechthebbende op een invaliditeitsuitkering te doen verrichten door een arts van eigen keuze, die rechthebbende oproepen om zich voor een medisch onderzoek te begeven van de Lid-Staat waar hij woont of verblijft, naar de Lid-Staat van het orgaan dat de uitkering verschuldigd is. De rechthebbende is verplicht aan deze oproep gevolg te geven, mits vaststaat dat hij deze reis zonder schade voor zijn gezondheid kan maken en de reis- en verblijfkosten niet te zijnen laste komen.

(*) Oorspronkelijke taal: Frans.

(1) Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en verordening (EEG) nr. 574/72 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71, in de versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6).

(2) Artikel 61 in het hoofdstuk "Arbeidsongevallen en beroepsziekten" is gelijkluidend met artikel 18.

(3) Onderstreept in de oorspronkelijke tekst.

(4) Zie het arrest van 10 maart 1983 (zaak 232/82, Baccini, Jurispr. 1983, blz. 583).

(5) Zie laatstelijk het arrest van 14 november 1990, zaak C-105/89, Buhari, r.o. 20, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie.