15.1.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 13/13


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 16 november 2010 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberlandesgericht Stuttgart — Duitsland) — Tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd tegen Gaetano Mantello

(Zaak C-261/09) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Gerechtelijke samenwerking in strafzaken - Europees aanhoudingsbevel - Kaderbesluit 2002/584/JBZ - Artikel 3, punt 2 - Ne bis in idem - Begrip „dezelfde feiten” - Mogelijkheid voor uitvoerende rechterlijke autoriteit om tenuitvoerlegging van Europees aanhoudingsbevel te weigeren - Onherroepelijk vonnis in uitvaardigende lidstaat - Bezit van verdovende middelen - Sluikhandel in verdovende middelen - Criminele organisatie)

2011/C 13/20

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Oberlandesgericht Stuttgart

Partij in het hoofdgeding

Gaetano Mantello

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Oberlandesgericht Stuttgart — Uitlegging van artikel 3, punt 2, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB L 190, blz. 1) — Beginsel „ne bis in idem” op nationaal vlak — Mogelijkheid voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit om de tenuitvoerlegging te weigeren van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd ten behoeve van de strafvervolging van feiten waarvan een deel reeds het voorwerp is geweest van een onherroepelijk vonnis in de uitvaardigende lidstaat — Begrip „dezelfde feiten” — Situatie waarin de opsporingsinstanties van de uitvaardigende lidstaat ten tijde van de eerste strafprocedure op de hoogte waren van alle aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggende feiten, maar die om opsporingstactische redenen niet hebben gebruikt

Dictum

In het kader van de uitvaardiging en de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel is het begrip „dezelfde feiten” dat is opgenomen in artikel 3, punt 2, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, een autonoom Unierechtelijk begrip.

In omstandigheden als die in het hoofdgeding, waarin de uitvaardigende rechterlijke autoriteit in antwoord op een door de uitvoerende rechterlijke autoriteit ingediend verzoek om informatie in de zin van artikel 15, lid 2, van dit kaderbesluit, op basis van haar nationale recht en met inachtneming van de eisen die voortvloeien uit het begrip „dezelfde feiten” zoals neergelegd in artikel 3, punt 2, van het kaderbesluit uitdrukkelijk heeft vastgesteld dat het eerdere in haar rechtsorde gewezen vonnis geen onherroepelijk vonnis betreffende de in het aanhoudingsbevel omschreven feiten was en dus niet in de weg stond aan de in het aanhoudingsbevel bedoelde vervolging, bestaat er voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit geen enkele reden om in verband met een dergelijk vonnis de in artikel 3, punt 2, bepaalde grond tot verplichte weigering van tenuitvoerlegging toe te passen.


(1)  PB C 220 van 12.09.2009.