Conclusie van de advocaat generaal

Conclusie van de advocaat generaal

++++

Mijnheer de President,

mijne heren Rechters,

1 . Verzoeker in de onderhavige zaak, M . Castagnoli, werd op 20 februari 1984 aangesteld als hulpfunctionaris bij het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek*(GCO ) te Ispra, waar hij belast werd met de werkzaamheden van handlanger ( categorie*D, groep*IX, klasse*3 ). De arbeidsovereenkomst werd gesloten voor vier maanden en werd twee maal met dezelfde duur verlengd .

2 . Vóór afloop van de tweede verlenging deelde het hoofd van de afdeling Personeelszaken en algemeen beheer van de Commissie verzoeker bij brief van 22*januari 1985 mede, dat de overeenkomst krachtens artikel*52 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen ( hierna : RAP ) na 21 februari 1985 niet meer kon worden verlengd .

3 . Naar aanleiding van deze brief deed verzoeker op 15*februari 1985 de Commissie onder verwijzing naar artikel*90 Ambtenarenstatuut een nota toekomen, waarin hij bezwaar maakte tegen de hem toegekende hoedanigheid van hulpfunctionaris . Verzoeker verklaarde onlangs te hebben vernomen, dat hij was aangesteld ter vervanging van een tijdelijk functionaris voor onbepaalde tijd, A.*Zappatini, die sinds 1*januari 1982 met invaliditeitspensioen was, en dat hem derhalve die hoedanigheid ( van tijdelijk functionaris ) en niet die van hulpfunctionaris moest worden toegekend .

4 . De Commissie beschouwde deze nota als een klacht in de zin van artikel*90, lid*2, van het Statuut en wees ze af . Daarop heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld . Met een beroep op schending van de Italiaanse wetgeving ( wet nr.*230 van 18.4.1962 ) en van de RAP ( artikelen 3, 51 en 52 ) stelt hij, dat het besluit om zijn aanstelling te beëindigen onwettig is, en hij verzoekt het Hof te verklaren, dat hij recht heeft op de hoedanigheid van tijdelijk functionaris "met ingang van 22*februari 1984 dan wel met ingang van een ander, door het Hof van Justitie vast te stellen ( vroeger of later ) tijdstip, en bijgevolg ook recht heeft op schadevergoeding vanaf de datum waarop zijn recht op die hoedanigheid zal zijn erkend tot op de datum van het aanstellingsbesluit ".

5 . De Commissie heeft een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen; daarmee wil ik mijn onderzoek beginnen, waarbij ik mij uiteraard zal beperken tot het enige argument dat de Commissie de gehele procedure door heeft gehandhaafd, namelijk dat de klacht te laat is ingediend .

I - De ontvankelijkheid van het beroep

6 . Volgens de Commissie is verzoekers klacht ingediend nadat meer dan drie maanden waren verstreken na de ondertekening van de arbeidsovereenkomst respectievelijk na de achtereenvolgende verlengingen daarvan, waarvan de laatste van 17*oktober 1984 dateert . Dit zou uiteraard betekenen dat het beroep niet-ontvankelijk is .

7 . Om dit probleem te kunnen oplossen, dienen wij precies vast te stellen, wat verzoeker met zijn beroep en met de daaraan voorafgaande klacht beoogde .

8 . Vastgesteld kan worden, dat beide stukken op diverse punten onduidelijk zijn : tegen welke handeling komt verzoeker eigenlijk op, en wat wil hij precies?

9 . Laten we proberen licht in deze duisternis te brengen .

10 . In zijn klacht van 15 februari 1985 betwistte verzoeker uitdrukkelijk de jegens hem "door het tot aanstelling bevoegde gezag gehanteerde aanstellingscriterium", waarvan hij eerst kort te voren en indirect kennis had gekregen . Daar hij opkwam tegen het aanstellingscriterium, moest hij vanzelfsprekend ook opkomen tegen de oorspronkelijke overeenkomst waarbij hij als hulpfunctionaris was aangeworven .

11 . Reeds in repliek verklaarde verzoeker echter, dat zijn klacht uiteindelijk was gericht tegen de maatregel van 22*januari 1985, waarbij een nieuwe verlenging van de overeenkomst werd geweigerd, zodat hij de werkzaamheden die hij al meer dan een jaar had verricht, niet had kunnen voortzetten .

12 . Het verzoek dat hij in zijn klacht formuleerde, hield echter in, dat hij "de hoedanigheid van tijdelijk functionaris voor onbepaalde tijd" zou verkrijgen; hij gaf echter niet aan, vanaf welke datum die hoedanigheid hem moest worden toegekend .

13 . In zijn beroep daarentegen maakt verzoeker bezwaar tegen "de criteria, op grond waarvan het tot aanstelling bevoegd gezag verzoeker op 21*februari 1985 definitief heeft ontslagen uit zijn functie van hulpfunctionaris ".

14 . En wat hij met dit beroep wil verkrijgen, is "de hoedanigheid van tijdelijk functionaris met ingang van 22*februari 1984 dan wel vanaf een ander, door het Hof van Justitie vast te stellen ( vroeger of later ) tijdstip ".

15 . Wat te doen te midden van deze onzekerheid?

16 . Verzoekers voornaamste argument is dat het ontoelaatbaar is dat een hulpfunctionaris wordt aangeworven ter vervanging van een tijdelijk functionaris die definitief ongeschikt is verklaard om zijn werkzaamheden te vervullen . In dat geval zou de onregelmatige en voor verzoeker mogelijk bezwarende handeling van meet af aan de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst van 20*februari 1984 zijn geweest .

17 . In ieder geval kan men niet de hoedanigheid van tijdelijk functionaris -*met alles wat erbij hoort *- vanaf het begin van de contractuele verhouding vorderen, zonder nu juist op te komen tegen de handeling waarbij een andere hoedanigheid is toegekend .

18 . Anderzijds zou op grond van artikel*52 van de RAP de contractuele verhouding na de tweede verlenging slechts kunnen worden voortgezet, indien in de overeenkomst aan verzoeker de hoedanigheid van tijdelijk functionaris voor onbepaalde tijd was toegekend en niet die van hulpfunctionaris, die statutair niet langer dan een jaar kan duren . Dit zou echter noodzakelijkerwijs uit de oorspronkelijke overeenkomst moeten blijken, aangezien bij de twee verlengingen de oorspronkelijke contractuele voorwaarden zijn gehandhaafd en enkel de duur van de overeenkomst is verlengd .

19 . Zo gezien zou de in artikel*90, lid*2, van het Statuut voorziene termijn van drie maanden moeten worden berekend vanaf de datum waarop de aanvankelijke arbeidsovereenkomst is gesloten, dat wil zeggen 20*februari 1984, en zou het beroep in beginsel kennelijk te laat zijn ingesteld .

20 . De conclusie zou niet anders zijn indien men, door elk der verlengingen van de oorspronkelijke overeenkomst op zich te beschouwen en als een nieuwe overeenkomst aan te merken, ervan uitging, dat verzoeker enkel tegen de laatste ervan kan opkomen, namelijk die welke hem op 17*oktober 1984 is meegedeeld . Aangezien verzoeker die op 24*oktober 1984 voor akkoord heeft getekend, zou de klachttermijn van drie maanden op 24*januari 1985 zijn verstreken en de klacht van 15*februari 1985 dus te laat zijn ingediend .

21 . Zeker omdat verzoeker zich hiervan bewust was, heeft hij in repliek gepreciseerd, dat de klacht niet gericht was tegen de handeling van oktober 1984 waarbij zijn tijdelijke overeenkomst met vier maanden werd verlengd, doch tegen die van 22*januari 1985 waarbij een nieuwe verlenging werd geweigerd .

22 . Om bovengenoemde redenen lijkt het mij echter niet zinvol, tegen een van die handelingen op te komen zonder tevens de oorspronkelijke overeenkomst en de daarin aan verzoeker toegekende hoedanigheid te bestrijden .

23 . In repliek heeft verzoeker echter verklaard, dat men niet van hem kon verlangen, dat hij eerder bezwaar zou maken tegen de hem in zijn overeenkomst toegekende hoedanigheid, omdat dat zeker tot onmiddellijk ontslag zou hebben geleid .

24 . Laten we maar vergeten dat deze verklaring in tegenspraak is met wat hij in zijn klacht van 15*februari 1985 zei, namelijk dat hij eerder zou hebben gehandeld indien hij vroeger had geweten dat hij was aangesteld ter vervanging een tijdelijk functionaris voor onbepaalde tijd .

25 . Laten we ook buiten beschouwing laten dat, indien verzoeker onmiddellijk na de sluiting van de oorspronkelijke overeenkomst een klacht had ingediend, een gunstige beslissing van meet af zou hebben geleid tot zijn erkenning als tijdelijk functionaris voor onbepaalde tijd, zodat ontslag slechts onder de voorwaarden van het Statuut mogelijk zou zijn geweest .

26 . Niet te betwisten valt daarentegen, dat verzoeker er op geen enkele manier nadeel van had kunnen hebben indien hij na de laatste verlenging, maar nog tijdens de looptijd van de overeenkomst tijdig een klacht had ingediend . Gezien het bepaalde in artikel*52, sub*b, van de RAP, had die overeenkomst ( behoudens ingeval het beroep gegrond zou zijn verklaard ) immers in geen geval verlengd kunnen worden .

27 . In de tweede plaats lijkt mij 's*Hofs rechtspraak in overeenkomstige zaken van toepassing te zijn, waarin het ging om de vraag of herindelingsverzoeken die door ambtenaren na hun aanstelling in vaste dienst waren gedaan, al dan niet tijdig waren ingediend . In een recent arrest ( 1 ), waarin de rechtspraak werd bevestigd waarvan de grote lijnen naar aanleiding van bijzondere gevallen al waren getrokken in eerdere uitspraken ( 2 ), overwoog het Hof, dat, ondanks de onzekerheid van de positie van de ambtenaar op proef, in het geval van een verzoek om herindeling als het bezwarende besluit moet worden beschouwd het besluit waarbij de ambtenaar tot de proeftijd is toegelaten, en niet de indeling in categorie bij de benoeming in vaste dienst, en dat de beroepstermijn bij eerstgenoemd besluit ingaat .

28 . Verzoeker heeft evenwel nog aangevoerd, dat hij pas kort voordat hij vernam dat zijn contract zou aflopen, had gehoord dat hij was aangeworven ter vervanging van een definitief invalide verklaarde tijdelijk functionaris .

29 . Deze omstandigheid is volledig irrelevant in het kader van verzoekers stelling, dat de handeling waartegen hij opkomt, de mededeling van 22*januari 1985 is .

30 . Anderzijds valt het beroep op die omstandigheid moeilijk te verenigen met het gewicht dat verzoeker daarnaast toegekend wil zien aan zijn vrees voor ontslag indien hij had gereageerd toen hij werkzaam was op een overeenkomst voor bepaalde tijd .

31 . Hoe dit ook zij, wanneer het waar is wat verzoeker beweert, namelijk dat hij pas laat heeft ontdekt dat er wellicht verband bestond tussen zijn aanwerving en de pensionering van de tijdelijk functionaris Zappatini -*hetgeen de Commissie niet betwist *-, dan zouden wij kunnen aannemen dat er sprake is van een nieuw feit dat de klachttermijn van artikel*90, lid*2, tweede streepje, Ambtenarenstatuut opnieuw doet ingaan.(3 ) In ieder geval zou men dan artikel*90, lid*2, in fine, Ambtenarenstatuut kunnen toepassen, door de termijn te doen ingaan op de dag waarop verzoeker kennis heeft gekregen van de feiten waarop zijn klacht kan worden gebaseerd . Verzoeker zou dan tijdig zijn opgekomen tegen de hem bij de oorspronkelijke overeenkomst toegekende hoedanigheid en het beroep zou derhalve ontvankelijk zijn .

32 . Door in de loop van de procedure het voorwerp van zijn beroep steeds weer verkeerd te omschrijven, heeft verzoeker een duidelijke conclusie op dit punt stellig niet gemakkelijker gemaakt .

33 . Zoals wij echter al vaststelden, moet verzoekers vordering, wanneer wij deze aldus verstaan, dat hij de hoedanigheid van tijdelijk functionaris met ingang van 22*februari 1984 wenst te verkrijgen, noodzakelijk inhouden dat hij ook opkomt tegen de oorspronkelijke overeenkomst waarbij hij als hulpfunctionaris is aangesteld . Laten we derhalve aannemen dat verzoeker, omdat hij pas later kennis heeft gekregen van de feiten waarop hij een klacht kon baseren, deze klacht tijdig heeft ingediend en dat het beroep dus ontvankelijk is .

34 . Ik kom dan tot de grond van de zaak .

II - De gegrondheid van het beroep

35 . Ten betoge dat zijn kwalificatie als hulpfunctionaris onwettig is, beroept verzoeker zich in de eerste plaats op de Italiaanse wetgeving ( wet nr.*230 van 18.4.1962 ), volgens welke "niet meer dan twee overeenkomsten voor bepaalde tijd" zijn toegestaan .

36 . Dit argument, waarvan verzoeker in repliek zegt dat hij het heeft aangevoerd als voorbeeld van een wetgeving die bijzonder kenmerkend is voor de algemene arbeidsrechtelijke beginselen van de Lid-Staten, is echter niet relevant .

37 . De arbeidsverhouding tussen de instellingen en hun tijdelijke en hulpfunctionarissen wordt uitsluitend beheerst door het gemeenschapsrecht, in het bijzonder het Ambtenarenstatuut en de Regeling andere personeelsleden ( RAP).(4 )

38 . Het zijn derhalve deze bepalingen die onze aandacht moeten hebben .

39 . Volgens artikel 3 van de RAP wordt als hulpfunctionaris aangemerkt het personeelslid dat is aangesteld :

- ter vervanging van een ambtenaar of een tijdelijke functionaris wanneer deze tijdelijk niet in staat is zijn werkzaamheden te verrrichten ( sub*b ), of

- om binnen de in artikel*52 bepaalde grenzen werkzaamheden bij een instelling te verrichten zonder te worden te werk gesteld in een ambt dat is opgenomen in de lijst van het aantal ambten, gevoegd bij de afdeling van de begroting die op deze instelling betrekking heeft ( sub*a ).

40 . In casu is het bepaalde sub*b niet van toepassing : de functionaris wiens werkzaamheden verzoeker zou hebben moeten verrichten, was niet tijdelijk verhinderd, doch had de dienst definitief verlaten .

41 . Verzoeker zou dus alleen op grond van artikel*3, sub*a, als hulpfunctionaris aangesteld kunnen zijn .

42 . Dit is wat de Commissie betoogt, waarbij zij beklemtoont dat de werkzaamheden die verzoeker moest verrichten, niet in zijn contract waren gespecificeerd en dat hij was aangesteld als handlanger zonder een bepaalde post van het organigram te bezetten .

43 . De Commissie betoogt dat door de pensionering van de tijdelijk functionaris Zappatini de door deze bezette post was vrijgekomen en was ingebracht in een gemeenschappelijke vacature-"pool"; los van de functies die er vroeger mee waren verbonden, konden die vacante posten vervolgens door de directie van het GCO weer worden verdeeld, uitsluitend op grond van de prioriteiten en behoeften van de dienst . Dit systeem wordt volgens de Commissie bij het GCO te Ispra toegepast en in dit kader werd een kennisgeving van vacature gepubliceerd ter voorziening in een post bij dezelfde afdeling (" Infrastructuur "), doch een andere sectie, namelijk de sectie "waterzuiveringsinstallaties" en niet de sectie "warmte en airconditioning ".

44 . Een zelfde procedure zou in dezelfde periode zijn gevolgd ter voorziening in een post die bij een andere afdeling was vrijgekomen door de pensionering van een andere functionaris van dezelfde categorie als Zappatini .

45 . Zoals uit de RAP blijkt en door het Hof is bevestige ( 5 ), "ligt het kenmerkende onderscheid tussen hulpfunctionaris en tijdelijk functionaris in het feit dat de tijdelijke functionaris een in de lijst van het aantal ambten opgenomen vast ambt bekleedt, terwijl de hulpfunctionaris - behalve wanneer hij ad interim optreedt - een administratieve werkzaamheid uitoefent zonder te zijn te werk gesteld in een op deze lijst vermeld ambt ".

46 . Doch zoals het Hof eerder overwoog ( 6 ), "moet hij die een diensttijd als hulpfunctionaris wil doen erkennen als in de hoedanigheid van tijdelijk functionaris vervulde diensttijd, in de eerste plaats bewijzen dat er in de betrokken periode met de door hem verrichte werkzaamheden overeenkomende ambten in de lijst van het aantal ambten van de instelling waren opgenomen en opengevallen ".

47 . Voor zover ik kan zien, heeft verzoeker echter niets aangevoerd wat de herhaalde verklaring van de Commissie kan weerleggen, dat hij geen post heeft vervuld die voorkomt op de lijst van het aantal ambten, daar de vacatures zijn gebruikt voor andere werkzaamheden en hierin is voorzien volgens de in het Statuut voorgeschreven procedure .

48 . De toewijzing van een vast ambt aan een andere dienst was gerechtvaardigd door de prioriteiten van de betrokken instelling en op grond van haar statutaire bevoegdheid tot organisatie van haar diensten heeft de directie van het GCO te Ispra dat gedaan met het ambt dat eerder door de tijdelijk functionaris Zappatini was vervuld .

49 . Omdat in het organigram dus geen vacature meer was, kon de directie van het GCO geen tijdelijk functionaris aanwerven voor de tot dusver door Zappatini verrichte werkzaamheden, ook al zouden er bij andere diensten van de instelling wel vacatures zijn geweest, wat echter in de loop van de procedure niet is gebleken .

50 . Onder deze omstandigheden was het niet mogelijk verzoeker aan te stellen als tijdelijk functionaris zonder eerst een nieuwe post op het organigram te creëren en een desbetreffend krediet in de begroting op te nemen . Of dat mogelijk is of moeilijkheden oplevert, weet ik niet .

51 . Zeker is ook, dat volgens de rechtspraak van het Hof ( 7 ) "het kenmerk van de overeenkomst van hulpfunctionaris schuilt in de onzekere tijdsduur, daar zij slechts kan worden gebruikt voor een kortstondige vervanging of om voorbijgaande, dringend noodzakelijke of niet duidelijk omschreven administratieve taken te vervullen ". Het is verzoeker die moet aantonen, "dat de taken die (( hij )) als hulpfunctionaris (( heeft )) verricht, niet van voorbijgaande aard waren, met andere woorden dat het vaste taken in dienst van de Gemeenschappen betrof".(8 )

52 . De Commissie meent dat dit in casu niet is gebeurd : verzoekers werkzaamheden waren niet nauwkeurig omschreven en de aanstelling van hulpfunctionarissen was naar haar mening de beste wijze om te voorzien in de behoeften van een dienst waarvan het personeelsbestand volgens ter zitting verstrekte gegevens is gedaald van vijftien à zestien in 1982 tot negen thans .

53 . Men dient evenwel te bedenken dat, zoals het Hof volkomen terecht heeft overwogen ( 9 ), de RAP "niet oneigenlijk mag worden gebruikt om voor lange duur vaste taken toe te vertrouwen aan dit personeel, dat op deze wijze buiten het normale bestek zou worden ingezet, ten koste van een voortdurende onzekerheid ".

54 . Het is juist, dat verzoekers overeenkomst, met inbegrip van de twee verlengingen, de in artikel*52, sub b, van de RAP bepaalde tijdsduur -*één jaar *- niet heeft overschreden .

55 . Daarvóór waren echter twee andere hulpfunctionarissen, elk voor één jaar, met dezelfde werkzaamheden belast en naar het schijnt, zijn er na verzoeker nog twee anderen onder dezelfde voorwaarden werkzaam geweest .

56 . Wijst dit niet op een onwettige gedraging van de instelling en op een oneigenlijk gebruik van het contract van hulpfunctionaris, namelijk voor het verrichten van werkzaamheden die in feite blijvend van aard zijn, hetgeen ook een onwettig karakter zou kunnen geven aan de aan verzoeker toegekende hoedanigheid?

57 . Dit punt lijkt mij van beslissend belang voor de oplossing van ons probleem .

58 . In dit verband houde men voor ogen :

- dat verzoeker herhaaldelijk heeft betoogd, dat hijzelf en de andere onder gelijke omstandigheden aangestelde hulpfunctionarissen achtereenvolgens dezelfde werkzaamheden hebben verricht als Zappatini, namelijk die van assistent van de arbeider die de zorg voor de koelinstallaties had;

- dat de Commissie in de loop van de procedure enkel heeft gesteld dat verzoeker op grond van zijn indeling ( hulpfunctionaris van categorie*D/IX/3, overeenkomend met de rang D*4, salaristrap*1 of 2, van de categorie tijdelijke functionarissen ) en beroepskwalificatie ( handlanger zonder ervaring op het gebied van industriële koelinstallaties ) niet in staat was Zappatini voor 100*% te vervangen, aangezien deze een geschoold arbeider van de rang C*2 met grote beroepservaring was;

- dat de Commissie echter heeft toegegeven, dat verzoeker was aangesteld om tijdelijk en gedeeltelijk te voorzien in de leegte ontstaan door het vertrek van Zappatini, wiens werkzaamheden van meet af aan door hulpfunctionarissen waren overgenomen; dat de Commissie zelf ter terechtzitting heeft erkend, dat de aanstelling van tijdelijke functionarissen na Zappatini' s vertrek diende om blokkering en tijdelijke onderbreking van de werkzaamheden te vermijden, wel een teken dat het daarzonder niet ging;

- dat verzoekers chef hem bij memoranda van 3*oktober 1984 en 21*januari 1985 heeft meegedeeld, dat hij werkzaam was "ter vervanging van Zappatini" en dat zijn post "overeenkwam met die welke Zappatini had bezet ".

59 . Mij dunkt, dat het blijvende karakter van de verrichte werkzaamheden - gedurende ten minste vijf jaar - hiermee voldoende is komen vast te staan .

60 . Het eventueel dringend noodzakelijke karakter van de te verrichten werkzaamheden doet niet af aan hun permanente aard; de aanstelling van hulpfunctionarissen kan dan alleen gerechtvaardigd zijn indien er niet onmiddellijk geschikte posten beschikbaar zijn.(10 )

61 . In casu heeft verzoeker gedurende het derde jaar na het vertrek van Zappatini dezelfde functie vervuld, dat wil zeggen dat hij identieke werkzaamheden heeft verricht, al kon hij ze wegens zijn gebrek aan ervaring niet op dezelfde wijze verrichten . Het tot aanstelling bevoegd gezag is er eenvoudig van uitgegaan, dat die werkzaamheden voortaan verricht konden worden door een willekeurige, nog niet geschoolde arbeider en dat er geen geschoold arbeider meer voor nodig was .

62 . Het feit dat verweerster deze praktijk regelmatig heeft gevolgd, geeft aanleiding tot ernstige bedenkingen .

63 . Toch ben ik niet van mening, dat het beroep daarom volledig gegrond is .

64 . Ik zie namelijk niet hoe het Hof zou kunnen verklaren, dat verzoeker recht heeft op de hoedanigheid van tijdelijk functionaris -*en niet van hulpfunctionaris *- vanaf de datum van sluiting van zijn overeenkomst, met alle gevolgen van dien, daaronder begrepen verlenging van de contractuele verhouding na 21 februari*1985 .

65 . In de eerste plaats kan het Hof immers niet op de stoel van de administratie gaan zitten wanneer het gaat om de keuze van haar personeelsleden .

66 . In de tweede plaats zouden de redenen die verzoeker thans aanvoert, ook kunnen worden aangevoerd door alle andere hulpfunctionarissen die dezelfde werkzaamheden hebben verricht en waarvan er enkele zich wellicht nog in een situatie bevinden waarin zij alsnog tijdig beroep kunnen instellen . Het zou echter niet mogelijk zijn, dezelfde post tegelijkertijd te doen bezetten door verschillende personen aan wie de hoedanigheid van tijdelijk functionaris wordt toegekend .

67 . Daarbij komt, dat men niet kan zeggen dat verzoekers indeling hem in staat stelt het ambt te bekleden dat daarvoor zou moeten worden gecreëerd .

68 . Het lijkt mij echter billijk om verzoeker de verlangde schadevergoeding toe te kennen voor het tijdvak waarin hij werkzaam is geweest als hulpfunctionaris, en die ten minste overeen moet komen met het verschil tussen het door hem ontvangen salaris en dat waarop hij recht had gehad indien hij als tijdelijk functionaris was aangesteld, dat wil zeggen, volgens de Commissie, respectievelijk 44*016 en 44*172*BFR per maand .

69 . Het feit dat er in het organigram geen ambt beschikbaar was waarin verzoeker als tijdelijk functionaris kon worden aangesteld, staat daaraan niet in de weg, aangezien de directie van het GCO te Ispra het zelf noodzakelijk heeft geacht het eerder door Zappatini vervulde ambt toe te wijzen aan een andere dienst, zonder dat er tegelijkertijd een ander, met de door verzoeker verrichte werkzaamheden overeenkomend ambt vrijkwam .

70 . III - Mitsdien wil ik u voorstellen :

- de Commissie te veroordelen tot betaling aan verzoeker van een schadevergoeding gelijk aan het verschil tussen zijn salaris als hulpfunctionaris gedurende één jaar en het bedrag dat hij zou hebben ontvangen indien hij voor hetzelfde tijdvak was aangeworven als tijdelijk functionaris in de overeenkomstige categorie, verhoogd met de extra bedragen waarop hij in dat geval ( en niet in eerstgenoemd geval ) recht zou hebben gehad, zowel tijdens de looptijd van de overeenkomst als op grond van de ontbinding daarvan;

- het beroep voor het overige te verwerpen;

- de Commissie, behalve in haar eigen kosten, te verwijzen in de helft van de kosten die zijn gevallen aan de zijde van verzoeker; de overige kosten zullen te zijnen laste moeten blijven, daar hij met betrekking tot een gedeelte van de in zijn verzoekschrift aangevoerde middelen in het ongelijk is gesteld .

(*) Vertaald uit het Portugees .

( 1)*Arrest van 7*mei 1986, zaak 191/84, Rossi en anderen, Jurispr.*1986, blz . 1541, r.o . 11 .

( 2)*Arresten van 18 juni 1981, zaak 173/80, Blasig, Jurispr . 1981, blz.*1649, 1658, en 1*december*1983 in zaak*190/82, Blomefield, Jurispr.*1983, blz.*3981, 3991 .

( 3)*Arrest van 15 mei 1985, zaak*127/84, Esly, Jurispr.*1985, blz.*1437, r.o . 9 tot en met 13 .

( 4)*Vgl . arrest van 1*april*1987, zaak*257/85, Dufay, Jurispr.*1987, blz.*0000, r.o . 12; voorts arrest van 25*juni*1981, zaak*105/80, Desmedt, Jurispr.*1981, blz.*1701, waaruit blijkt dat de verhouding tussen ambtenaren en instellingen uitsluitend wordt beheerst door het Statuut .

( 5)*Arrest van 23*februari 1983, gevoegde zaken 225 en 241/81, Toledano*Laredo*en anderen, Jurispr.*1983, blz.*347, r.o.*6; voorts arrest van 1*februari 1979, zaak*17/78, Deshormes, Jurispr.*1979, blz.*189, 203; arrest van 19*november*1981, zaak*106/80, Fournier, Jurispr.*1981, blz . 2759, 2769 .

( 6)*Arrest Toledano*Laredo, reeds aangehaald, blz.*360 .

( 7)*Zie de hiervóór aangehaalde rechtspraak .

( 8)*Arrest Toledano Laredo, reeds aangehaald, r.o . 12 .

( 9)*Zie de reeds aangehaalde arresten Deshormes, r.o.*38, en Fournier, r.o.*5 .

( 10)*Arrest Toledano*Laredo, reeds aangehaald, r.o.*17 .