Conclusie van de advocaat generaal

Conclusie van de advocaat generaal

++++

Mijnheer de President,

mijne heren Rechters,

A ° Inleiding

1. De onderhavige zaak betreft een beroep krachtens artikel 173 EG-Verdrag tegen verordening (EEG) nr. 3433/91 van de Raad van 25 november 1991 tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van niet-navulbare zakgasaanstekers met vuursteentje, van oorsprong uit, respectievelijk, Japan, de Volksrepubliek China, de Republiek Korea en Thailand, en tot definitieve inning van het voorlopige recht.(1)

De onderneming van verzoekster

2. Verzoekster ° Gao Yao (HK) Hua Fa Industrial Company Ltd (hierna: "Gao Yao (HK)") ° is een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die in 1987 in Hongkong werd opgericht en aldaar haar zetel heeft. In repliek heeft verzoekster nadere gegevens verstrekt over de aandeelhouders in deze vennootschap.

Twee aandelen zijn in handen van natuurlijke personen uit Hongkong. De overige 49 998 aandelen worden gehouden door een vennootschap naar Chinees recht, genaamd Gao Yao (hierna "Gao Yao (China)"). Gao Yao (China) is een joint venture van twee vennoten die elk voor 50 % participeren: de vennootschap naar Chinees recht Gao Yao Xian Hua Fa Factory of Machinery Guang Dong Sheng en Mikosa Trading Company Ltd, een vennootschap naar het recht van Hongkong. Laatstgenoemde vennootschap behoort toe aan vier natuurlijke personen die onderdanen zijn van Hongkong; twee van deze aandeelhouders (met een aandeel van 20 % respectievelijk 34 % in het kapitaal van Mikosa) zijn de al genoemde natuurlijke personen die twee aandelen in verzoekster bezitten.

Zoals wij nog zullen zien, heeft de identiteit van verzoekster en in het bijzonder haar verhouding tot Gao Yao (China) vóór deze toelichting bij repliek aanleiding gegeven tot misverstanden en onduidelijkheden. Hierna zal ik dan ook bij de weergave van de feiten en de procedure af en toe van "Gao Yao" in het algemeen spreken.

Procedure voor de Commissie en de Raad

3. In november 1989 heeft de Fédération Européenne des fabricants de briquets (de Europese Federatie van aanstekerfabrikanten) een verzoek ingediend om inleiding van een anti-dumpingprocedure betreffende de invoer van niet-navulbare zakgasaanstekers met vuursteentje, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en andere landen uit het Verre Oosten. In het verzoek werd als Chinese producent in het bijzonder Gao Yao genoemd.

Voor een goed begrip van de achtergrond van de onderhavige zaak lijkt het mij niet onbelangrijk erop te wijzen, dat twee producenten ° BIC SA en Swedisch Match SA ° volgens de bevindingen van de Commissie het grootste deel van de produktie van het betrokken produkt in de Gemeenschap vertegenwoordigen.(2)

4. Op 7 april 1990 heeft de Commissie een anti-dumpingprocedure ingeleid met betrekking tot de betrokken produkten op basis van verordening (EEG) nr. 2423/88 van de Raad van 11 juli 1988 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap.(3) Tegelijk werden de betrokken partijen uitgenodigd hun standpunt kenbaar te maken, in het bijzonder door het beantwoorden van een vragenlijst. Een van deze vragenlijsten werd aan Gao Yao op een adres in China gezonden.

In de mededeling werd erop gewezen, dat de Volksrepubliek China geen markteconomie heeft en er dus een land van vergelijking moet worden gekozen. In de klacht van de federatie van EG-fabrikanten was daartoe Korea voorgesteld.(4)

5. Op 25 mei 1990 zond Gao Yao haar antwoord op de vragenlijst aan de Commissie. Daarbij werd als naam van de onderneming "Gao Yao (HK) Hua Fa Industrial Co., Ltd" opgegeven en als adres "Guangdong Province, Zhaoqing City, Gao Yao County, Jing Dao, People' s Republic of China". Verder werd meegedeeld, dat de onderneming over een "Sales Office & Correspondent Office" in Hongkong beschikte. Het gebruikte briefpapier vermeldt bovenaan de naam "Gao Yao (HK) Hua Fa Industrial Co., Ltd". Onderaan links staat "Sales Office" (met een adres in Hongkong) en rechts "Factory" (met het al genoemde adres in China).

In de brief wordt uiteengezet, dat de vennootschap een joint venture is, waarin Gao Yao Xian Hua Fa Factory of Machinery Guang Dong Sheng en Mikosa Trading Co., Ltd elk voor 50 % participeren. Uit de bijlagen bij de brief blijkt, dat de onderneming een aanzienlijk deel van haar produktie naar Hongkong exporteert. De onderneming verklaarde uitdrukkelijk niet in het binnenland te verkopen.(5)

6. De Chinese vereniging van ondernemingen met buitenlandse deelneming (China Association of Enterprises with Foreign Investment) stelde de Commissie in een brief van 15 december 1990 voor om Thailand als land van vergelijking te kiezen. In haar antwoord van 21 december 1990 ging de Commissie daarmee akkoord. De advocaten van die vereniging (die ook verzoeksters advocaten in de onderhavige zaak zijn) stelden in een brief van 17 januari 1991 aan de Commissie opnieuw Thailand als land van vergelijking voor.

7. Op 1 maart deelden de advocaten van de Chinese vereniging de Commissie mee, dat de keuze van Thailand als land van vergelijking voor de berekening van de normale waarde niet strookte met artikel 2, lid 6, van verordening nr. 2423/88(6) en verzochten zij de normale waarde op basis van de binnenlandse marktprijs in Hongkong te bepalen.

8. In een brief aan de Commissie van 26 maart 1991 bevestigden de advocaten van de Chinese vereniging hun opvatting, dat de normale waarde voor verzoekster diende te worden berekend op basis van artikel 2, lid 6, van verordening nr. 2423/88. In de brief wordt onder meer gezegd:

"Gao Yao (HK) Hua Fa Ind. Co Ltd exporteert haar volledige produktie via de met haar verbonden onderneming Gao Yao (HK) Hua Fa Ind. Co. Ltd in Hongkong, zoals blijkt uit haar antwoord op de anti-dumpingvragenlijst."

Deze onderneming in Hongkong verkoopt aan hoofdzakelijk in Hongkong gevestigde onafhankelijke ondernemingen en exporteert ook rechtstreeks naar de Gemeenschap.

9. In een faxbericht aan de Commissie van 23 april 1991 stelden de advocaten van de Chinese vereniging andermaal, dat de normale waarde voor verzoekster niet op basis van artikel 2, lid 5, (met Thailand als land van vergelijking), maar van artikel 2, lid 6, van verordening nr. 2423/88 diende te worden berekend. "Gao Yao (HK) Hua Fa Ind. Co." laat haar produkten in China produceren door de met haar verbonden onderneming naar Chinees recht "Gao Yao (HK) Hua Fa Ind. Co.". De produkten kwamen dus uit China, doch werden vanuit Hongkong geëxporteerd.

Verordening (EEG) nr. 1386/91

10. Op 23 mei 1991 stelde de Commissie verordening (EEG) nr. 1386/91 vast, houdende instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht van 17,8 % op de invoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China.(7) In de verordening wees de Commissie erop, dat het onderzoek betrekking had op zakaanstekers met vuursteentje, werkend met gas, niet navulbaar.(8) In aansluiting daarop wordt erop gewezen:

"Ofschoon er op de markt andere, met gas gevulde zakaanstekers bestaan (piëzo-aanstekers), zijn de technische kenmerken daarvan sterk afwijkend van het bovengenoemde produkt. Het zijn derhalve geen produkten die door de onderhavige procedure worden bestreken."(9)

11. Wat de bepaling van de normale waarde betreft, zei de Commissie het volgende:

"Voor het vaststellen van de normale waarde voor de Volksrepubliek China diende de Commissie rekening te houden met het feit dat dit land geen markteconomie heeft, zodat de Commissie haar vaststellingen derhalve moest gronden op de normale waarde in een land met markteconomie (...)."(10)

Vervolgens verklaart de Commissie, waarom zij voor de bepaling van de normale waarde Thailand als land van vergelijking heeft gekozen. Hoewel in dit verband geen artikelen worden genoemd, heeft de Commissie zich hier duidelijk op artikel 2, lid 5, van verordening nr. 2423/88 gebaseerd.

12. De schade voor de industrie van de Gemeenschap wordt in de paragrafen 30 tot 43 van de verordening behandeld. In paragraaf 30 wordt eerst het gebruik in de Gemeenschap beschreven:

"(...) het gebruik van aanstekers in de Gemeenschap (vertoonde) een gestage groei, van 317,5 miljoen stuks in 1986, 363,7 miljoen stuks in 1987, 383,6 miljoen stuks in 1988 tot 439,8 miljoen stuks in 1989, bijgevolg een stijging van 38,5 %."

In paragraaf 31 wordt vastgesteld, dat de invoer van aanstekers uit Japan, de Volksrepubliek China en Thailand volgens inlichtingen van de onderzochte ondernemingen steeg van 11,3 miljoen stuks in 1986 tot 92,4 miljoen in 1989. Voor China alleen werd een stijging van 0 stuks in 1986 tot 6,1 miljoen stuks in 1989 genoteerd.

In paragraaf 32 vermeldt de Commissie, dat wat de Republiek Korea betreft, de verstrekte cijfers niet nauwkeurig de werkelijke Koreaanse aanwezigheid op de markt weergaven, aangezien slechts één exporteur medewerking had verleend. Vervolgens geeft zij de verkoopcijfers op, gebaseerd op de statistiek van Eurostat (Europees bureau voor de Statistiek). Daarin werd voor Korea in 1989 een invoer van 7,8 miljoen stuks genoteerd. Aan het eind van deze paragraaf staat het volgende:

"Volgens de gegevens van Eurostat (d.w.z. gegevens waarbij de zakgasaanstekers met vuursteentje en de piëzo-aanstekers bij elkaar werden opgeteld) steeg de invoer van de betrokken landen in hetzelfde tempo van 35,4 miljoen stuks in 1986 tot 152,5 miljoen stuks in 1989.

Deze ontwikkeling vertegenwoordigt een toename van het marktaandeel van de invoer met dumping van 11 % in 1986 tot 35 % in 1989."

13. Wegens het belang van de gegevens over produktie, capaciteit, bezettingsgraad en voorraden, zal ik de desbetreffende passage voluit weergeven:

"(36) De Commissie heeft hieromtrent geconstateerd dat de produktie van de bedrijfstak van de Gemeenschap tussen 1986 en 1989 is afgenomen. Bij een index 100 in 1986 kwam de produktie in 1989 op 97.

Tussen 1986 en 1989 is de capaciteit toegenomen. Bij een index 100 voor 1986 kwam de capaciteit in 1989 op 114.

De bezettingsgraad daalde van de index 100 in 1986 tot 85 in 1989. Zelfs indien de capaciteit niet was gestegen, dan zou de bezettingsgraad van 100 in 1986 zijn gedaald tot 97 in 1989.

(37) Tussen 1986 en 1989 waren geen belangrijke wijzigingen in de voorraden te constateren. Alle producenten hebben hun voorraden op hetzelfde peil gehouden, zodat het passend leek de ontwikkeling van deze voorraden niet in aanmerking te nemen."

14. In paragraaf 38 wordt de ontwikkeling van de afzet van de producenten in de Gemeenschap aangegeven:

"1986 249,0 miljoen stuks

1987 256,8 miljoen stuks

1988 254,0 miljoen stuks

1989 266,5 miljoen stuks.

Deze ontwikkeling vertegenwoordigt een daling in marktaandeel van 78,4 % in 1986 tot 60,5 % in 1989 (70,6 % in 1987, 65,3 % in 1988)."

15. In paragraaf 39 wordt vastgesteld, dat de prijzen van de producenten in de Gemeenschap tussen 1986 en 1989 een gestage daling vertoonden. Ook de financiële resultaten verslechterden "tussen 1986 en 1989".

In paragraaf 40 wordt erop gewezen, dat de werkgelegenheid in de Gemeenschap aanzienlijk is afgenomen, van index 1986 = 100 tot 73 in 1989.

16. De Commissie concludeert daaruit in paragraaf 41 het volgende:

"De Commissie heeft aldus vastgesteld dat de produktie van de bedrijfstak van de Gemeenschap, bezettingsgraad, marktaandeel, prijzen, winsten en werkgelegenheid een neerwaartse tendens hebben laten zien."

In overeenstemming hiermee constateert de Commissie in paragraaf 47 (bij het causaliteitsonderzoek) een daling van de produktie, de bezettingsgraad, de verkochte hoeveelheden en marktaandeel, de prijzen, de winsten en de werkgelegenheid.

17. Tijdens een hoorzitting op 19 juni 1991 betoogde verzoekster andermaal, dat de normale waarde volgens artikel 2, lid 6, van verordening nr. 2423/88 diende te worden berekend. In de nota die verzoekster op de hoorzitting overlegde, stelde zij onder meer, dat haar aanstekers niet alleen via Hongkong werden uitgevoerd, maar er ook in aanzienlijke hoeveelheden werden verkocht.

18. Op 2 augustus 1991 deelde de Commissie verzoekster "de belangrijkste feiten en overwegingen" mee, op grond waarvan zij de Raad zou voorstellen een definitief anti-dumpingrecht in te stellen op de invoer uit China.

De Commissie ging daarbij ook in op het betoog, dat de normale waarde diende te worden berekend op basis van artikel 2, lid 6, van verordening nr. 2423/88. Zij stelde zich op het standpunt, dat artikel 2, lid 5, van toepassing is wanneer de betrokken produkten in een land zonder markteconomie worden geproduceerd.

19. In haar antwoord van 14 augustus 1991 merkte verzoekster op, dat de Commissie haar standpunt niet motiveerde, en bleef zij erbij, dat artikel 2, lid 6, moest worden toegepast. Zij bevestigde dit standpunt in een faxbericht aan de Commissie van 7 november 1991.

De Commissie beantwoordde dit betoog in een faxbericht van 12 november 1991 waarin zij "bevestigde", dat de betrokken produkten slechts in Hongkong werden overgeladen en derhalve artikel 2, lid 5, van verordening nr. 2423/88 toepasselijk was.

Verzoekster bestreed deze opvatting in een faxbericht aan de Commissie van 13 november 1991.

Verordening (EEG) nr. 3433/91

20. Op 25 november 1991 stelde de Raad de door verzoekster bestreden verordening vast. De Commissie had de Raad al op 28 oktober 1991 het betrokken ontwerp voorgelegd.

21. In paragraaf 10 van deze verordening wordt het op artikel 2, lid 6, gebaseerde bezwaar van Gao Yao betreffende de berekening van de normale waarde weergegeven en afgewezen met de volgende overweging die vrijwel ongewijzigd uit het ontwerp van de Commissie van 28 oktober 1991 is overgenomen:

"De Raad bevestigt evenwel dat in dit geval de betrokken produkten slechts in Hongkong werden overgeladen en dat de normale waarde derhalve dient te worden vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 5, van verordening (EEG) nr. 2423/88."(11)

22. In paragraaf 14 bevestigt de Raad de schaderaming van de Commissie in verordening nr. 1386/91. Over het causaal verband tussen de invoer en de schade voor de industrie in de Gemeenschap wijst de Raad er in paragraaf 15 op:

"De Commissie constateerde dat de snelle toename van de invoer van goedkope Japanse, Chinese, Koreaanse en Thaise aanstekers samenviel met een even snelle teruggang van de produktie, de benuttingsgraad van de produktiecapaciteit, de verkopen, het marktaandeel, de prijzen, de winsten en de werkgelegenheid in de communautaire bedrijfstak.

Na de publikatie van verordening (EEG) nr. 1386/91 werden de Commissie geen nieuwe feiten of argumenten betreffende deze bevindingen voorgelegd. De Raad bevestigt derhalve de conclusies van de Commissie zoals deze in de overwegingen 44 tot en met 50 van de genoemde verordening zijn neergelegd."

23. De Raad stelde dus een definitief anti-dumpingrecht in op de invoer uit China (artikel 1 van de verordening) en bepaalde, dat de voorlopige anti-dumpingrechten definitief werden geïnd (artikel 2). Door een geringe wijziging van de dumpingmarge voor het land van vergelijking Thailand, bedroeg het definitieve anti-dumpingrecht 16,9 %.

Procesverloop voor het Hof

24. Verzoekster stelde op 11 maart 1992 krachtens artikel 173 EG-Verdrag beroep in tegen de Raad van de Europese Unie. Zij vordert nietigverklaring van de artikelen 1, 2 en 3 van verordening nr. 3433/91 voor zover deze haar betreffen, en verwijzing van verweerder in de kosten van het geding.

25. Verweerder verzoekt het beroep als niet-ontvankelijk en subsidiair als ongegrond te verwerpen en verzoekster in de kosten te verwijzen.

26. De Commissie van de Europese Gemeenschappen en de Fédération Européenne des fabricants de briquets (hierna: "Fédération") hebben aan de zijde van verweerder geïntervenieerd.

Analyse

Opmerking vooraf

27. Importen in de Gemeenschap uit China zijn de laatste jaren steeds vaker aanleiding tot anti-dumpingprocedures.(12) De onderhavige zaak lijkt evenwel de eerste waarin de instelling van een anti-dumpingrecht op importen uit China voor de rechter wordt aangevochten.

28. Alvorens nader in te gaan op de vragen die hier rijzen, wil ik eerst een algemene opmerking maken. Op de bestreden verordening van de Raad is ° zoals wij nog zullen zien ° veel kritiek mogelijk. Verzoekster heeft in haar conclusies een groot aantal omstandigheden aangevoerd, waaruit haars inziens de onrechtmatigheid van deze verordening blijkt. Zij heeft zich evenwel niet daartoe beperkt, maar deze omstandigheden ook vanuit alle mogelijke juridische gezichtshoeken besproken. Zo wordt bijvoorbeeld de grief, dat de Raad zich op artikel 2, lid 6, (en niet lid 5) van verordening nr. 2423/88 had moeten baseren, onder meer behandeld vanuit de gezichtshoek van schending van de rechten van de verdediging, gebrek aan motivering, schending van het gemeenschapsrecht en vanuit die van de discriminatie. In de muziek zou men spreken van variaties op een thema.

Deze aanpak lijkt mij niet ter zake. Zoals de Raad terecht betoogt, leidt dit niet alleen tot nutteloze herhalingen, maar af en toe ook tot duidelijk ongegronde uitweidingen. Het ware zinvoller geweest, als verzoekster zich tot de hoofdpunten had beperkt en daarop eventueel ter terechtzitting nader was ingegaan.

Ontvankelijkheid

29. De Raad ° daarin gevolgd door interveniënten ° is van mening, dat het beroep niet-ontvankelijk is, aangezien niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag (thans artikel 173, vierde alinea, EG-Verdrag).

30. De Raad stelt, dat Gao Yao (HK) en Gao Yao (China) twee verschillende rechtspersonen zijn. De ontvankelijkheid van een beroep van Gao Yao (HK) kan op drie manieren worden benaderd, die alle hetzelfde resultaat ° niet-ontvankelijkheid ° opleveren.

De eerste benadering kan als "formeel" worden omschreven. De door de bestreden verordening vastgestelde anti-dumpingrechten betreffen de door de producent ° Gao Yao (China) ° vervaardigde produkten. Verzoekster is slechts als een tussenhandelaar te beschouwen, die is gevestigd in een land dat niet werd bestreken door het onderzoek of door de bestreden verordening. Gao Yao (HK) wordt dus niet rechtstreeks en individueel geraakt door de verordening en kan dus geen beroep instellen.

De tweede benadering kan als "economisch" worden omschreven. Beschouwt men Gao Yao (HK) en Gao Yao (China) als één economische eenheid, is alleen die eenheid gerechtigd beroep in te stellen. Aangezien het beroep in casu slechts door een van beide ondernemingen is ingediend, moet het als niet-ontvankelijk worden beschouwd.

Ten slotte kan een "procesrechtelijke" benadering worden gevolgd. Volgens 's Hofs rechtspraak zijn die producenten en exporteurs bevoegd beroep krachtens artikel 173 EG-Verdrag in te stellen, die kunnen aantonen dat zij in de handeling van de Raad worden vermeld of dat zij betrokken waren bij het voorafgaand onderzoek. Gao Yao (HK) heeft zich evenwel als een gewoon verkoopbureau gepresenteerd dat door Gao Yao (China) werd ingeschakeld om de correspondentie te vereenvoudigen. Deze omstandigheid op zich kan evenwel niet tot gevolg hebben, dat Gao Yao (HK) gerechtigd is beroep krachtens artikel 173 in te stellen.

31. De Raad stelt zich op het standpunt, dat in het geval van een staat zonder markteconomie, alleen deze staat zelf of een door hem met het beheer van de handel belaste organisatie bevoegd is in rechte op te komen tegen een verordening van de Gemeenschap waarbij anti-dumpingrechten worden vastgesteld. De Commissie heeft zich bij dit standpunt aangesloten. Ter terechtzitting betoogde zij, dat ook Gao Yao (China) niet bevoegd is beroep krachtens artikel 173 in te stellen, omdat zij niet individueel geraakt is.

32. Al die argumenten kunnen mij niet overtuigen. Mijns inziens dient de vraag van de ontvankelijkheid van het beroep veeleer aan de hand van verzoeksters verhouding tot de producent in China en van haar functie in de Gao Yao-groep te worden opgelost.

In zoverre wees de Raad er terecht op, dat verzoekster tijdens de procedure in dit opzicht voor heel wat verwarring heeft gezorgd. Beziet men de correspondentie tussen de verschillende bij het onderzoek betrokken partijen, dan blijkt dat verzoeksters identiteit en haar verhouding tot Gao Yao (China) nergens nauwkeurig en vast wordt omschreven. Uit de brief aan de Commissie van 26 maart 1991(13) valt alleen af te leiden, dat de twee onderling verbonden ondernemingen dezelfde naam dragen. De vennootschapsrechtelijke band tussen de twee ondernemingen wordt evenwel niet gepreciseerd.

Pas verzoeksters toelichtingen in repliek brachten hierover enige opheldering. Verzoekster stelt zich daarin voor als een dochtermaatschappij van Gao Yao (China), die nagenoeg alle aandelen in Gao Yao (HK) bezit. Van die gegevens kunnen wij uitgaan, aangezien de Raad ze niet heeft betwist. Toch nemen die toelichtingen van verzoekster niet alle twijfel weg, omdat zij in repliek tegelijk betoogt, dat aandeelhouders uit Hongkong de meerderheid van de aandelen in verzoekster bezitten. Die contradictie kan weliswaar worden opgelost(14), doch blijkt ook hieruit, dat verzoeksters toelichtingen op dit punt tijdens de hele procedure niet bepaald helder waren. Af en toe leken verzoeksters vertegenwoordigers zelf geen duidelijk inzicht in de vennootschapsrechtelijke situatie binnen de Gao Yao-groep te hebben.

33. Ondanks die onduidelijkheden hebben wij toch zekerheid over de feiten die hier van belang zijn: Gao Yao (HK) ° en alleen deze onderneming ° verkoopt de door Gao Yao (China) vervaardigde produkten; Gao Yao (China) beperkt zich tot de produktie. Uit deze alleenverkoopovereenkomst en uit de kapitaalstructuur van Gao Yao (HK) blijkt de afhankelijkheidsverhouding tussen deze onderneming en Gao Yao (China). Het betreft dus duidelijk een economische eenheid. Zoals het Hof van Justitie elders(15) verklaarde, doet de scheiding van produktie- en verkoopactiviteiten binnen een groep die uit juridisch zelfstandige vennootschappen bestaat, niets af aan het feit, dat het gaat om één enkele economische eenheid, die op deze wijze activiteiten verricht, die in andere gevallen worden verricht door een organisatie die ook juridisch een eenheid vormt.(16)

34. Wat de algemene vraag betreft onder welke voorwaarden een onderneming beroep kan instellen tegen een verordening waarbij een anti-dumpingrecht wordt vastgesteld, kunnen natuurlijke en rechtspersonen, zoals gezegd, krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag (thans artikel 173, vierde alinea, EG-Verdrag) beroep instellen tegen een beschikking die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, hen rechtstreeks en individueel raakt.

Blijkens de rechtspraak van het Hof is dit het geval bij produktie- en exportondernemingen die kunnen aantonen, "dat hun identiteit uit de handelingen van de Commissie of de Raad blijkt dan wel dat het vooronderzoek hen heeft betroffen, alsmede bij importeurs wier wederverkoopprijzen van de betrokken goederen de grondslag voor de berekening van de exportprijzen vormen".(17)

35. Mijns inziens lijdt het geen twijfel, dat in casu aan deze voorwaarden is voldaan. Gao Yao wordt zowel in verordening nr. 1386/91 van de Commissie als in verordening nr. 3433/91 van de Raad met name genoemd. In verordening nr. 1386/91 wordt in de paragrafen 6 en 7 een Chinese onderneming "Gao Yao, Hua Fa Industrial Co." vermeld. In paragraaf 28 van de verordening wordt voor deze onderneming een dumpingmarge van 17,84 % opgegeven. In de paragrafen 35, 59 en 60 wordt de omvang van de prijsonderbieding en de schademarge aangegeven en wordt het daaruit voortvloeiende recht voor "Gao Yao, Volksrepubliek China" vastgesteld. Zo ook worden in paragraaf 10 van verordening nr. 3433/61 "Gao Yao Co. China" en "Gao Yao Co. Hongkong" genoemd; in paragraaf 21 wordt een recht voor "Gao Yao Co., Volksrepubliek China" vastgesteld.

In het licht van voormelde rechtspraak dient dus op zijn minst Gao Yao (China) gerechtigd te worden geacht beroep in te stellen. De Raad en de Commissie wijzen er weliswaar terecht op, dat in het geval van invoer uit een staat die geen markteconomie heeft, deze staat zelf of een door hem met het beheer van de handel belaste organisatie, gerechtigd is beroep in te stellen(18), doch dit betekent niet, dat een beroep van één van de individuele ondernemingen, die voldoet aan de door de rechtspraak gestelde voorwaarden, daarom niet ontvankelijk zou zijn. Bovendien gaat het in casu om een onderneming die voor 50 % in het bezit is van ondernemers uit Hongkong. Derhalve is niet bewezen, dat de Volksrepubliek China de onderneming Gao Yao feitelijk gebruikt voor bepaalde doelstellingen van haar economisch beleid.

36. Op basis van voormelde rechtspraak van het Hof lijkt ook verzoeksters beroep tegen verordening nr. 3433/91 ontvankelijk. De instellingen van de Gemeenschap hebben de uitvoerprijs duidelijk op basis van de door Gao Yao gevraagde verkoopprijs berekend.(19) Die prijzen zijn evenwel verkoopprijzen van Gao Yao (HK), die de door Gao Yao (China) vervaardigde produkten verkoopt.

37. Mijns inziens hadden dus zowel Gao Yao (China) als Gao Yao (HK) beroep bij het Hof kunnen instellen. Zij hadden ook beide tegelijk beroep kunnen instellen.(20) Het ware evenwel overdreven formalistisch te eisen, dat in het geval van ondernemingen die een economische eenheid vormen, een beroep slechts ontvankelijk is wanneer het door al die ondernemingen wordt ingesteld. Dat de zienswijze van de Raad onjuist is, blijkt dan ook duidelijk uit de rechtspraak van het Hof. In een recent arrest stelde het Hof vast, dat een onderneming samen met meer dan 70 tot hetzelfde concern behorende verkoopmaatschappijen een economische eenheid vormde, zonder dat het daarom de ontvankelijkheid van verzoeksters beroep in twijfel trok.(21)

38. Aan de omstandigheid, dat verzoekster een onderneming is met zetel in Hongkong, dus op een grondgebied waarop de anti-dumpingprocedure geen betrekking had, dient mijns inziens geen bijzonder belang te worden gehecht. Uit de arresten van het Hof inzake beroepen van met producenten verbonden importeurs blijkt, dat de bevoegdheid om te ageren in dergelijke gevallen niet beperkt is tot ondernemingen die gevestigd zijn in de staat waaruit de betrokken produkten worden uitgevoerd.(22) De gemeenschapsinstellingen hebben zich voor de berekening van de uitvoerprijs gebaseerd op de door verzoekster meegedeelde cijfers. Het valt dan ook niet in te zien, waarom deze onderneming, alleen omdat zij haar zetel in een derde land heeft, niet het recht zou hebben krachtens artikel 173 EG-Verdrag in beroep te komen.

De Raad heeft herhaaldelijk gesteld, dat ontvankelijkverklaring van een beroep van Gao Yao (HK) ernstige gevolgen zou hebben. Wat die gevolgen zijn, preciseerde hij evenwel niet. In een poging dit bezwaar te verduidelijken gaf de vertegenwoordiger van de Raad ter terechtzitting als voorbeeld, dat de Gao Yao-groep voor de verkoop van haar produkten in de Gemeenschap een onderneming van een EVA-staat had kunnen inschakelen. Ook dit ° denkbeeldige ° voorbeeld kan niet verklaren, waarom het beroep in casu niet ontvankelijk zou zijn.

39. Ook de grief van de Raad, dat verzoekster zich tijdens de anti-dumpingprocedure alleen als verkoopbureau presenteerde of ° zoals de vertegenwoordiger van de Raad ter terechtzitting betoogde ° steeds als een louter Chinese onderneming is opgetreden, is van geen invloed op de ontvankelijkheid. Volledigheidshalve wil ik nog opmerken, dat die opvatting ook niet juist is. Zoals ik al zei, werden de identiteit en de onderlinge rechtsbetrekkingen van Gao Yao (China) en Gao Yao (HK) eerst tijdens het procesverloop voor het Hof nader besproken. Tijdens de anti-dumpingprocedure kwam het er voor de gemeenschapsinstellingen kennelijk in de eerste plaats op aan, de voor het onderzoek vereiste inlichtingen in te winnen; van welke onderneming van de Gao Yao-groep die inlichtingen kwamen, was voor de instellingen (terecht) onbelangrijk. Het is dan ook verwonderlijk, dat de instellingen thans een zo groot belang willen hechten aan het onderscheid tussen de individuele ondernemingen van dit concern.

40. Aangezien het beroep in casu al op basis van de eerdere rechtspraak ontvankelijk is, hoef ik mijns inziens niet op verzoeksters betoog in te gaan, dat het beroep ontvankelijk is alleen al omdat verzoekster aan de anti-dumpingprocedure deelnam. De vraag of de deelneming aan een administratieve procedure op zich voldoende is om voor de betrokken onderneming een recht van beroep ex artikel 173 te scheppen, is zoals bekend omstreden. In de zaak Alusuisse beantwoordde het Hof die vraag enige tijd geleden ontkennend.(23) Op die vraag hoeft hier ° zoals al gezegd ° niet nader te worden ingegaan.(24) Niettemin wil ik nog opmerken, dat het betoog van advocaat-generaal Jacobs over dit probleem in de zaak Extramet mij plausibel voorkomt.(25)

Ten gronde

Schending van de rechten van de verdediging

41. Verzoekster betoogt, dat de Raad en de Commissie in strijd met artikel 7, lid 4, van verordening nr. 2423/88 hebben verzuimd, haar in te lichten over de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan het definitieve anti-dumpingrecht werd vastgesteld en het voorlopige recht geïnd. Dat verzuim betrof volgens haar drie punten: de berekening van de normale waarde op basis van artikel 2, lid 6, van verordening nr. 2423/88, de vraag van de gelijksoortigheid van de produkten en het causaal verband tussen de schade voor de industrie in de Gemeenschap en de gestelde dumpingpraktijken.

42. Volgens vaste rechtspraak is aan het vereiste van eerbiediging van de rechten van de verdediging voldaan "wanneer de betrokken onderneming tijdens de administratieve procedure behoorlijk in staat is geweest haar standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de juistheid en relevantie der gestelde feiten en omstandigheden alsmede, in voorkomend geval, met betrekking tot de gebruikte stukken".(26) De belanghebbende onderneming moet in staat zijn gesteld, haar standpunt over de juistheid en de relevantie van de gestelde feiten en omtrent het bewijsmateriaal "zinvol kenbaar te maken".(27) De Raad betoogt, dat verzoekster in casu bij brief van de Commissie van 2 augustus 1991 werd geïnformeerd over de "belangrijkste feiten en overwegingen" in de zin van artikel 7, lid 4, sub b, van verordening nr. 2423/88.

Berekening van de normale waarde

43. Allereerst de vraag van de berekeningsgrondslag van de normale waarde in verzoeksters geval. Ik wil kort de relevante bepalingen van verordening nr. 2423/88 in herinnering brengen. Volgens artikel 2, lid 2, wordt ten aanzien van een produkt geacht dumping plaats te vinden indien de prijs van het produkt bij uitvoer naar de Gemeenschap lager is dan de normale waarde van een soortgelijk produkt. De leden 3 tot 7 van deze bepaling regelen wat onder normale waarde is te verstaan.

Artikel 2, lid 5 bepaalt:

"In geval van invoer uit landen die geen markteconomie hebben, in het bijzonder uit die waarop de verordeningen (EEG) nr. 1765/82 en (EEG) nr. 1766/82 van toepassing zijn, wordt de normale waarde op basis van een van de volgende criteria vastgesteld (...)".

De berekeningsgrondslag van de normale waarde is dus de prijs waartegen een soortgelijk produkt van een derde land met een markteconomie wordt verkocht of de aangenomen waarde van een soortgelijk produkt in een derde land met een markteconomie. Levert geen van deze twee methoden een deugdelijk resultaat op, wordt uitgegaan van de prijs die in de Gemeenschap werkelijk is betaald voor soortgelijke produkten, waarbij zo nodig een redelijke winstmarge in aanmerking kan worden genomen.

Vaststaat dat de Volksrepubliek China bij de "landen zonder markteconomie" in de zin van artikel 2, lid 5, hoort.(28)

44. Artikel 2, lid 6, van de verordening luidt als volgt:

"Wanneer een produkt niet rechtstreeks uit het land van oorsprong wordt ingevoerd doch vanuit een ander land naar de Gemeenschap wordt uitgevoerd, is de normale waarde de vergelijkbare prijs die werkelijk is betaald of moet worden betaald voor een soortgelijk produkt op de binnenlandse markt van hetzij het land van uitvoer hetzij het land van oorsprong. Laatstgenoemde basis kan onder meer geschikt zijn indien het produkt slechts via het land van uitvoer wordt doorgevoerd of indien het produkt niet in het land van uitvoer wordt geproduceerd of indien er in het land van uitvoer geen vergelijkbare prijs voor deze produkten bestaat."

45. In de brief van 2 augustus 1991 schreef de Commissie, dat Gao Yao had verzocht om de normale waarde op basis van artikel 2, lid 6, van de verordening te berekenen, waarna de (in het Engels gestelde) brief vervolgde:

"De diensten van de Commissie hebben dit verzoek onderzocht en zijn tot de conclusie gekomen, dat wanneer het betrokken produkt in een land zonder markteconomie wordt vervaardigd, artikel 2, lid 5 (van verordening nr. 2423/88) van toepassing is."

De Commissie zei voorts, dat zij verzoekster in de gelegenheid had gesteld "concrete argumenten" aan te voeren tegen het gebruik van Thailand als land van vergelijking; verzoekster had hiervan evenwel geen gebruik gemaakt.

46. Van de mogelijkheid dat de betrokken produkten enkel via Hongkong werden "doorgevoerd", wordt in de brief met geen woord gerept. Dit argument wordt door de Commissie voor het eerst in haar ontwerp voor de bestreden verordening van de Raad van 28 oktober 1991 aangevoerd, waarin ° zoals in de bestreden verordening zelf ° wordt gezegd, dat wordt "bevestigd" dat de produkten slechts in Hongkong worden overgeladen en de normale waarde derhalve dient te worden vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 5, van verordening nr. 2423/88.

Deze overweging schijnt verzoekster voor het eerst bij faxbericht van de Commissie van 12 november 1991 te zijn meegedeeld. De woordkeuze ("bevestigt") wekt de indruk, dat de Commissie daarover voorheen al had bericht, doch verzoekster betwist dat. Aangezien de gemeenschapsinstellingen het bewijs van de mededeling moeten leveren(29) en dit bewijs niet is geleverd, moet ervan worden uitgegaan, dat verzoeksters voorstelling van zaken klopt. Als ik mij niet vergis, beweert ook de Raad niet ernstig, dat er een eerdere mededeling is geweest.

47. De Raad betoogt evenwel, dat het recht om te worden gehoord was gewaarborgd, aangezien verzoekster op de brief van de Commissie van 12 november 1991 had kunnen reageren en haar standpunt aan de gemeenschapsinstellingen had kunnen meedelen. De bestreden verordening werd eerst op 25 november 1991 vastgesteld.

Dit betoog van de Raad is vrij merkwaardig. Het berust zonder twijfel op de opvatting, dat de Raad en de Commissie in staat zouden zijn geweest te reageren op een eventuele standpuntbepaling van verzoekster die hen tussen 12 en 25 november zou hebben bereikt, en daarmee rekening te houden in de definitieve verordening van de Raad. Zoals ik al zei, verzocht verzoekster de Commissie al in haar brief van 1 maart 1991 de normale waarde te berekenen op basis van artikel 2, lid 6, en bevestigde zij dit standpunt later nog enkele malen. De kritiek op het feit dat de Commissie niet was ingegaan op dit punt in haar verordening nr. 1386/91 van 23 mei 1991, meent de Raad te kunnen weerleggen door erop te wijzen, dat verzoekster dit argument eerst "kort voor" ("peu avant") de vaststelling van de verordening heeft aangevoerd.

Wat er ook van zij, er dient te worden vastgesteld, dat de bestreden verordening op het onderhavige punt letterlijk het ontwerp van de Commissie van 28 oktober 1991 overneemt. Zoals de vertegenwoordiger van de Commissie ter terechtzitting verklaarde, bevatte het ontwerp de definitieve argumentatie ("le raisonnement final") van de Commissie. Het is niet duidelijk, hoe onder de gegeven omstandigheden een hoorzitting daarna nog verzoeksters recht om te worden gehoord kon verzekeren.

48. In dit verband moet ook de bewering van de Raad worden verworpen, dat de betrokken passage in de bestreden verordening alleen een antwoord was op een door verzoekster aangevoerd argument. De gemeenschapsinstellingen kunnen vast en zeker na de mededeling van de "belangrijkste feiten en overwegingen" de daartegen aangevoerde grieven bespreken en met opgave van redenen afwijzen. In casu heeft verzoekster evenwel niet alleen na 2 augustus 1991, maar al vanaf 1 maart 1991 steeds weer aangedrongen op toepassing van artikel 2, lid 6. Het was dus duidelijk geen nieuwe stelling die de instellingen voordien niet kenden.

49. Onbelangrijk lijkt mij ook, dat verzoekster zelf al in de administratieve procedure op de toepassingsvoorwaarden van artikel 2, lid 6, was ingegaan. Wanneer verzoekster bij voorbeeld in haar schriftelijke opmerkingen van 19 juni 1991 erop wijst, dat haar produkten niet slechts via Hongkong werden doorgevoerd, dan blijkt daaruit, dat zij die voorwaarden kende. Zij wist evenwel niet ° en daarop komt het mijns inziens aan °, dat de Commissie op dit punt een andere mening had en dat de Raad zich daarop zou baseren.

50. Op basis van het voorafgaande staat vast, dat de bestreden verordening een overweging bevat die noch in de verordening van 23 mei 1991, noch in de mededeling van 2 augustus 1991 stond en over de gegrondheid en relevantie waarvan verzoekster zich bijgevolg niet heeft kunnen uitspreken. Daarmee is evenwel nog niet uitgemaakt, dat het recht te worden gehoord of ° algemener gesproken ° het recht van verweer werd geschonden; daarvoor is vereist, dat het om een belangrijk aspect gaat.

51. Ik moet bekennen, dat ik het betoog van de Raad op dit punt wat verwarrend en tegenstrijdig vind. Enerzijds stelt hij, dat artikel 2, lid 5, een lex specialis is, die dus voorrang heeft op artikel 2, lid 6. En anderzijds, dat artikel 2, leden 5 en 6, elkaar niet uitsluiten; de toepassing van artikel 2, lid 6, zou er in casu veeleer toe dwingen de normale waarde op basis van de werkelijke prijs in het land van oorsprong te berekenen, wat, doordat dit land ° de Volksrepubliek China ° geen markteconomie heeft, uiteindelijk tot toepassing van artikel 2, lid 5 leidt.

52. De eerste opvatting, dat artikel 2, lid 5, een lex specialis is voor de invoer van produkten van oorsprong uit landen zonder markteconomie, heeft blijkbaar lange tijd de houding van de Commissie in de onderhavige zaak bepaald. Dat merkt men al in het bericht van inleiding van de anti-dumpingprocedure.(30) Duidelijk komt het tot uiting in verordening nr. 1386/91(31) en in de brief van de Commissie van 2 augustus 1991.(32)

Deze opvatting is mijns inziens onjuist. Zoals de Raad heel terecht constateert, betreft artikel 2, lid 6, gevallen van "indirecte" dumping, dat wil zeggen gevallen waarin de betrokken produkten "niet rechtstreeks uit het land van oorsprong" komen, maar via een andere staat in de Gemeenschap worden gebracht.(33) Zowel de tekst als de plaats van deze bepaling pleiten ervoor, dat artikel 2, lid 6, ook dan toepasselijk is, wanneer het land van oorsprong een land zonder markteconomie is.

53. Tot dezelfde bevinding lijken ten slotte ook de Commissie en ° in haar spoor ° de Raad te zijn gekomen. De motivering in paragraaf 10 van de bestreden verordening is evenwel uiterst onduidelijk. De Raad "bevestigt" er, dat de produkten in Hongkong slechts werden overgeladen en concludeert daaruit ("derhalve"), dat de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 5, dient te worden vastgesteld. Artikel 2, lid 6, wordt daarbij niet genoemd. Toch is het duidelijk, dat de Raad op die plaats een feitelijk bestanddeel voor de toepassing van die bepaling natrekt, namelijk of de betrokken produkten slechts via het land van uitvoer (Hongkong) worden doorgevoerd. Wanneer de Raad op basis van een bevestigend antwoord op die vraag besluit, dat artikel 2, lid 5, toepasselijk is, kan dit alleen betekenen, dat deze bepaling toepassing vindt op grond van een in artikel 2, lid 6, vervatte verwijzing. Zo gezien is de ° in de bestreden verordening blijkbaar slechts verkort weergegeven ° argumentatie begrijpelijk. Indien de produkten in het uitvoerland slechts worden overgeladen, kan de normale waarde worden bepaald op basis van de prijs op de interne markt van het uitvoerland (Hongkong) of van de prijs op de interne markt van het land van oorsprong (China). In het laatste geval betekent dat inderdaad, dat artikel 2, lid 5, toepassing vindt, omdat ° zoals door de Raad terecht betoogd ° deze bepalingen anders zonder meer kunnen worden ontdoken.

54. Artikel 2, lid 5, kan evenwel enkel (via artikel 2, lid 6) worden toegepast, wanneer de prijzen op de interne markt van het land van oorsprong als basis worden genomen. Artikel 2, lid 6, voorziet evenwel uitdrukkelijk in twee verschillende berekeningsgrondslagen: naast de prijzen op de binnenlandse markt van het land van oorsprong, de prijzen op de binnenlandse markt van het land van uitvoer. In de tweede volzin van deze bepaling worden verschillende situaties genoemd waarin de prijzen op de binnenlandse markt van het land van oorsprong een geschikte basis kunnen zijn. Het betreft dus ° zoals de Raad zelf betoogt in het verweerschrift ° een bepaling die de gemeenschapsinstanties een "ruime beoordelingsbevoegdheid" ("un large pouvoir d' appréciation discrétionnaire") geeft. De Raad betoogt echter, dat artikel 2, lid 6, in casu moet leiden tot toepassing van de prijs van het land van oorsprong en dus tot toepasselijkheid van artikel 2, lid 5. Verzoekster merkt evenwel terecht op, dat een facultatieve bepaling aldus een dwingende bepaling wordt.

Tijdens de behandeling voor het Hof hebben partijen ook over een ander in artikel 2, lid 6, genoemd criterium (namelijk of de betrokken produkten in het land van uitvoer werden geproduceerd) breedvoerig gediscussieerd. Mijns inziens is die discussie voor de beslissing zonder belang. Ook wanneer het betoog van de Raad, dat de produkten niet in Hongkong worden geproduceerd, juist is, verandert dit er niets aan, dat artikel 2, lid 6, in een beoordelingsbevoegdheid voorziet.

55. Uit het voorgaande blijkt, dat het in paragraaf 10 van de bestreden verordening gestelde een belangrijke overweging is die ter kennis van verzoekster had moeten worden gebracht en waarop verzoekster gelegenheid tot reactie had moeten worden gegeven. Aangezien dit niet is gebeurd, is er mijns inziens schending van verzoeksters recht om te worden gehoord en moet het beroep slagen.

Gelijksoortigheid van de produkten en causaal verband tussen dumping en schade

56. Verzoekster acht zich eveneens in haar rechten tekort gedaan door de wijze waarop de vraag of de door de producenten in de Gemeenschap vervaardigde produkten met de door Gao Yao vervaardigde aanstekers vergelijkbaar zijn, is behandeld. Haars inziens geldt dat ook voor de behandeling van de vraag, of de aan Gao Yao verweten dumpingpraktijken de oorzaak zijn van de schade van de industrie in de Gemeenschap.

57. Deze punten behoeven hier evenwel niet nader te worden besproken. Blijkens verzoeksters betoog heeft zij geen kritiek op het feit, dat de gemeenschapsinstellingen haar niet hebben gehoord over de betrokken feiten en overwegingen. Veeleer stelt zij, dat de Commissie en de Raad geen of niet naar behoren rekening hebben gehouden met de door haar in de loop van de procedure voorgedragen bezwaren. Dat komt neer op het verwijt, dat de gemeenschapsinstellingen het materiële recht onjuist hebben toegepast of zich niet hebben gekweten van de verplichting de betrokken rechtshandeling te motiveren. Het betreft helemaal geen eventuele schending van de rechten van de verdediging.

Ontoereikende motivering

58. Volgens verzoekster is de bestreden verordening in meerdere opzichten gebrekkig gemotiveerd. Dat geldt allereerst voor de behandeling van de al in verband met de gestelde schending van de rechten van de verdediging besproken onderwerpen (berekening van de normale waarde, gelijksoortigheid van de produkten, causaal verband tussen dumping en schade). Verzoekster voert in dit verband nog enige extra overwegingen aan. Zo wordt in de bestreden verordening niet uitgelegd, welke rol de invoer uit ° niet door de anti-dumpingprocedure bestreken ° derde landen heeft gespeeld. De motivering is ook gebrekkig in zoverre verzoekster ondanks haar geringe marktaandeel niet van de anti-dumpingprocedure werd uitgesloten. Ten slotte worden in de bestreden verordening zonder motivering cijfers gebruikt die ook andere produkten dekken.

59. Volgens vaste rechtspraak dient de volgens artikel 190 EG-Verdrag vereiste motivering de gedachtengang van de gemeenschapsinstantie waarvan de handeling afkomstig is, duidelijk en ondubbelzinnig tot uiting te brengen, zodat de belanghebbenden de gronden van de genomen maatregel kunnen kennen en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen.(34)

Het gebruikte cijfermateriaal

60. Verzoekster betoogt, dat de door de Commissie en de Raad gebruikte cijfers niet alleen betrekking hebben op de hier bedoelde produkten, maar ook op andere die buiten deze zaak staan. In repliek stelde zij, dat verweerder nog steeds niet had uitgelegd waarom hij de Eurostat-cijfers heeft gebruikt die ook piëzo-aanstekers omvatten.(35) Ik wil er hier alvast op wijzen, dat verzoekster al in haar nota van 19 juni 1991 de aandacht van de Commissie op dit punt had gevestigd.(36)

61. Volgens de vaststelling van de Commissie in paragraaf 11 van verordening nr. 1386/91 vallen piëzo-aanstekers niet onder de betrokken anti-dumpingprocedure.(37) De Raad bevestigt deze omschrijving van de door de procedure bestreken produkten weliswaar niet uitdrukkelijk(38), doch het lijdt geen twijfel, dat de Raad deze definitie tot de zijne heeft gemaakt.(39) De Raad heeft in de onderhavige procedure dan ook niet ontkend, dat piëzo-aanstekers buiten de anti-dumpingprocedure en de bestreden verordening vielen.

62. Vaststaat, dat de in paragraaf 32 van verordening nr. 1386/91 genoemde cijfers over de invoer uit Korea en over de totale invoer uit de betrokken landen werden berekend op basis van de Eurostat-cijfers en dus mede piëzo-aanstekers omvatten. Op basis van deze totale invoer (35,4 miljoen stuks in 1986 en 152,2 miljoen stuks in 1989) wordt in die paragraaf ook berekend, dat het marktaandeel van de "invoer met dumping" toenam van 11 % in 1986 tot 35 % in 1989.

63. De Commissie verklaart daar, dat zij voor Korea de Eurostat°cijfers heeft gebruikt, omdat de door de Koreaanse exporteur meegedeelde cijfers haar niet representatief leken. Zij verklaarde evenwel niet, waarom zij dan de "toename van het marktaandeel van de invoer met dumping" op de Eurostat°cijfers baseerde. De Eurostat°cijfers omvatten ook niet door het anti-dumpingonderzoek bestreken produkten. Het gebruik van dergelijke cijfers diende dan ook duidelijk te worden gemotiveerd. Die motivering vindt men noch in de bestreden verordening, noch in verordening nr. 1386/91 van de Commissie.

64. Verweerder ontkent niet, dat deze cijfers zijn gebruikt. Dat blijkt trouwens ook duidelijk uit de betrokken verordeningen.(40) Ter verdediging draagt hij evenwel twee argumenten voor. In de eerste plaats is meetelling van piëzo-aanstekers zelfs in verzoeksters voordeel, aangezien die produkten niet in China worden geproduceerd en de cijfers voor alleen Gao Yao daardoor in een gunstiger daglicht komen. In de tweede plaats blijft het resultaat hetzelfde, omdat de twee soorten produkten dezelfde "tendenzen" vertonen.

65. Het eerste argument overtuigt alleen op het eerste gezicht. Uiteraard lijkt de in verordening nr. 1386/91 voor China aangegeven ontwikkeling van de uitvoer naar de EG (van 0 miljoen stuks in 1986 naar 6,1 miljoen stuks in 1989) minder belangrijk tegen de achtergrond van de totale invoer, de piëzo-aanstekers inbegrepen. Nu hebben de gemeenschapsinstellingen bij het onderzoek naar de oorzaak van de schade de effecten van de invoer met dumping echter cumulatief beoordeeld.(41) Zij hebben dus de som van de invoer uit alle betrokken landen (Japan, China, Thaïland en Korea) genomen, daarin begrepen piëzo-aanstekers. Het gebruik van die cijfers als basis was dus geenszins een voordeel voor verzoekster.

66. Het tweede argument is verwonderlijk. Noch de Raad noch de Commissie was blijkbaar in staat de cijfers van de door het onderzoek bestreken produkten en die voor piëzo-aanstekers ook maar bij benadering te bepalen. Niettemin betoogt de Raad, dat de twee produkten dezelfde tendenzen vertonen. Hiervan wordt niet het minste bewijs voorgelegd. Ook al zou dit betoog juist zijn, dan nog blijft het een feit, dat in de bestreden verordening (en in verordening nr. 1386/91) geen motivering of zelfs maar een vermelding van dit standpunt is te vinden. De vereiste motivering ontbreekt dus.

67. Daarmee is het met de eigenaardigheden van de onderhavige zaak nog lang niet afgelopen. In paragraaf 108 van zijn verweerschrift betoogt de Raad, dat de piëzo-aanstekers alleen in de cijfers over het verbruik en het marktaandeel waren begrepen; alle andere gegevens betroffen daarentegen uitsluitend de hier relevante produkten. Dit is a priori niet erg begrijpelijk, aangezien in paragraaf 32 van verordening nr. 1386/91 ° alleen hier werden volgens de tekst Eurostat°cijfers gebruikt ° enkel van invoer (of verkopen) en marktaandelen, doch niet van verbruik sprake is. Paragraaf 84 van het verweerschrift werpt een ander licht op de zaak. Daar heet het, dat de cijfers over de ontwikkeling van het verbruik, de verkopen en de marktaandelen mede piëzo-aanstekers omvatten.

Gaat men uit van de in paragraaf 32 van verordening nr. 1386/91 vervatte gegevens, dat een invoer van 35,4 miljoen stuks in 1986 en van 152,5 miljoen stuks in 1989 een marktaandeel van 11 % respectievelijk 35 % vertegenwoordigt, komt men inderdaad tot een verbruik dat veel lijkt(42) op de in paragraaf 30 genoemde cijfers.(43) Het verschil met de daar genoemde cijfers is weliswaar niet onaanzienlijk (telkens ongeveer 4 miljoen stuks), doch kan niet worden verklaard doordat de cijfers in paragraaf 30 geen piëzo-aanstekers zouden bevatten.(44) Klaarblijkelijk betreft het rekenfouten.

Bij vergelijking blijkt, dat ook de in paragraaf 38(45) van verordening nr. 1386/91 genoemde cijfers over de verkopen van de EG-producenten ° voor zover is na te gaan ° op deze grondslag moeten zijn berekend. Indien deze verkopen 249,0 miljoen stuks in 1986 (bij een marktaandeel van 78,4 %) en 266,5 miljoen stuks in 1989 (bij een marktaandeel van 60,5 %) bedroegen, komt men uit op een verbruik van 317,6 miljoen stuks in 1986 en van 440,5 miljoen stuks in 1989. Dat komt verheugend dicht bij de cijfers in paragraaf 30.

68. Daaruit volgt, dat niet alleen in paragraaf 32 van verordening nr. 1386/91, maar ook op een aantal andere plaatsen de Eurostat°cijfers zijn gebruikt, die ook piëzo-aanstekers omvatten, zonder dat dat duidelijk wordt gemaakt of zelfs enigszins gemotiveerd. Alleen in paragraaf 32 wordt op het gebruik van die cijfers gewezen, en dan nog alleen met betrekking tot de daar gegeven cijfers. Een dergelijke methodiek kan alleen als hoogst merkwaardig worden beschouwd. Dat sterkt mij in mijn opvatting, dat verzoeksters grief, dat de bestreden verordening (waarin de pas behandelde overwegingen van verordening nr. 1386/91 worden bevestigd) in dit opzicht gebrekkig gemotiveerd is, volkomen juist is.

Andere punten

69. Ik kan verzoekster niet volgen op de andere punten waar zij een motiveringsgebrek meent te bespeuren.

Wat allereerst de berekening van de normale waarde betreft, verklaarde de Raad in de al besproken paragraaf 10 van de bestreden verordening, waarom hij daartoe een referentieland in aanmerking nam. De motivering is weliswaar uiterst lapidair, maar geeft toch de belangrijkste overwegingen weer. De Raad heeft de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 5, van verordening nr. 2423/88 berekend, aangezien de produkten slechts werden overgeladen in Hongkong. Zoals gezegd, gaat de Raad klaarblijkelijk ervan uit, dat in dat geval de toepassing van artikel 2, lid 6, noodgedwongen meebrengt dat de prijzen van het land van oorsprong als grondslag moeten worden genomen. Zoals al gezegd, kan dit niet juist zijn.(46) Mijn inziens betreft het hier evenwel een materiële fout, niet een motiveringsgebrek.

De bestreden verordening bevat ook alle vereiste gegevens wat betreft de gelijksoortigheid van de waren. In paragraaf 5 van de verordening bevestigt de Raad de bevindingen van de Commissie, dat de produkten van de producenten uit de door het onderzoek bestreken landen en de door de producenten in de Gemeenschap vervaardigde aanstekers soortgelijk zijn. Terecht heeft de Raad erop gewezen, dat de gelijksoortigheid van de produkten ook een rol speelt bij de bepaling van het referentieland voor artikel 2, lid 5, van verordening nr. 2423/88. Of verzoekster haar grief ten aanzien van dit punt tijdig heeft voorgedragen, kan in het midden blijven. De keuze van Thailand als referentieland is hoe dan ook afdoende gemotiveerd.(47)

De vraag van het causaal verband tussen de dumping en de schade voor de industrie in de Gemeenschap wordt in de bestreden verordening (paragraaf 15) en in verordening nr. 1386/91 (paragrafen 44 tot 50) uitvoerig besproken. Hierin zitten fouten, zoals ik nog zal aantonen. Dat verandert evenwel niets eraan, dat die motivering voldoet aan de vereisten van artikel 190 EG-Verdrag.

70. Ook de afwijzing van verzoeksters verzoek om haar wegens haar kleine marktaandeel geen anti-dumpingrechten op te leggen, levert geen motiveringsgebrek op. In de eerste plaats lijkt mij de opvatting waarop dit verzoek is gebaseerd, niet gegrond.(48) Bovendien kan niet worden geëist, dat de instellingen in hun verordeningen op alle argumenten van een onderneming ingaan.

Ten slotte kan het feit dat de Raad in de bestreden verordening niet is ingegaan op de invoer uit derde landen, evenmin een motiveringsgebrek opleveren. Enerzijds is dit betoog van verzoekster niet juist, aangezien de bestreden verordening (in paragraaf 15) verwijst naar de betrokken passages in verordening nr. 1386/91 waar die vraag wordt besproken.(49) Anderzijds is verzoeksters betoog, dat de invoer uit niet door het onderzoek bestreken derde landen in de betrokken periode van 46,6 miljoen tot 73,1 miljoen stuks toenam, een stijging van 57 %, niet verenigbaar met de door de instellingen in hun verordeningen gebruikte cijfers. Uitgaande van die cijfers bedroeg de invoer uit derde landen(50) in 1986 33,1 miljoen stuks, in 1989 daarentegen nog slechts 20,8 miljoen stuks. Dat strookt met de door verweerder in paragraaf 79 van het verweerschrift genoemde cijfers.

Wat het laatstgenoemde punt betreft, moet ik er evenwel aan herinneren, dat de door de gemeenschapsinstellingen gebruikte cijfers ° en dus ook die over de invoer uit niet door het anti-dumpingonderzoek bestreken landen ° telkens ook piëzo-aanstekers omvatten, waarop het onderzoek geen betrekking had. Het gebruik van deze invoercijfers uit derde landen stuit derhalve op dezelfde bezwaren als die ik al heb besproken in verband met de cijfers van de invoer uit de door het onderzoek bestreken landen.(51)

De materiële rechtmatigheid van de bestreden verordening

Schending van de GATT-bepalingen

71. Verzoekster betoogt, dat de bestreden verordening, wat de berekening van de normale waarde betreft, in strijd is met artikel 2, lid 3, van de anti-dumpingcode van het GATT. Deze bepaling is inhoudelijk grotendeels gelijk aan artikel 2, lid 6, van verordening nr. 2423/88. Anders dan de gemeenschapsrechtelijke bepaling bepaalt artikel 2, lid 3, van de anti-dumpingcode evenwel, dat in de in deze bepaling bedoelde gevallen de normale waarde "gewoonlijk" ("normalement") aan de hand van de prijs op de interne markt van het uitvoerland wordt berekend.

72. Mijns inziens leiden artikel 2, lid 6, en het genoemde voorschrift van de anti-dumpingcode ondanks dit verschil tot nagenoeg dezelfde uitkomst. Voor de gevallen waarin "het produkt slechts via het land van uitvoer wordt doorgevoerd of indien het produkt niet in het land van uitvoer wordt geproduceerd of indien er in het land van uitvoer geen vergelijkbare prijs voor deze produkten bestaat" bepalen beide voorschriften, dat de normale waarde op basis van de prijzen in het land van oorsprong kan worden bepaald. In dit opzicht kan ik dan ook verwijzen naar mijn bespreking van artikel 2, lid 6, van verordening nr. 2423/88.(52)

73. In casu hoeft verzoeksters grief evenwel hoe dan ook niet nader te worden onderzocht. De Gemeenschap is weliswaar gebonden aan de bepalingen en de anti-dumpingcode van het GATT(53), doch het in casu gaat om invoer uit China. De Raad heeft er terecht op gewezen, dat de Volksrepubliek China geen lid van het GATT is, zodat een beroep op de GATT-voorschriften of de anti-dumpingcode niet mogelijk is. De betrokken produkten die in China worden vervaardigd, bereiken de Gemeenschap weliswaar via Hongkong, doch indien dit zou volstaan voor toepasselijkheid van de GATT-regels en de anti-dumpingcode, zou een niet-verdragsstaat in staat worden gesteld om zijn produkten te laten profiteren van de voordelen van deze regels, zonder te zijn onderworpen aan de eruit voortvloeiende plichten. Dat kan niet. Ook verzoeksters mededeling, dat Gao Yao (China) gedeeltelijk in handen van aandeelhouders uit Hongkong is, dat lid van het GATT is, is dus zonder belang.

Schending van artikel 2, lid 6, van verordening nr. 2423/88

74. Verzoekster verwijt de Raad artikel 2, lid 6, van verordening nr. 2423/88 te hebben geschonden door de berekening van de normale waarde op de prijzen van het referentieland Thailand en niet op die van de uitvoerstaat (Hongkong) te baseren. Zoals gezegd, beriep de Raad zich in de bestreden verordening op de omstandigheid dat de betrokken produkten slechts in Hongkong werden overgeladen. Was dat het geval, kon de Raad zich inderdaad op het standpunt stellen, dat de normale waarde niet op basis van de prijzen op de interne markt van Hongkong moest worden berekend; artikel 2, lid 6, tweede volzin, noemt dit geval uitdrukkelijk.

75. Zoals blijkt uit de tekst van artikel 2, lid 6, tweede volzin, is die prijs als basis "onder meer" geschikt in drie verschillende gevallen. Derhalve is niet vereist, dat aan alle kenmerken van deze drie gevallen tegelijk is voldaan ° dat het dus doorvoer door een land betreft dat zelf geen soortgelijke produkten vervaardigt en waarin er geen vergelijkbare prijzen voor deze produkten bestaan. Voldoende is, dat de betrokken produkten via dat land worden doorgevoerd.

Verzoekster betoogt evenwel, dat van de 6,1 miljoen aanstekers uit de produktie van Gao Yao die in 1989 op de markt van de Gemeenschap kwamen, slechts 4,62 miljoen stuks rechtstreeks door haar naar de Gemeenschap waren uitgevoerd. De rest (ongeveer 25 % van de totale hoeveelheid) was verkocht aan onafhankelijke handelsmaatschappijen in Hongkong, die vervolgens zelf de aanstekers naar de Gemeenschap hadden uitgevoerd. De gemeenschapsinstellingen hadden de verkoopprijzen van die maatschappijen in de Gemeenschap moeten natrekken en vervolgens een gemiddelde moeten berekenen. De Raad antwoordt, dat met die prijzen geen rekening kon worden gehouden, omdat zij niet bekend waren. Aangezien de directe verkoop 88 % van de totale verkoop uitmaakte, kon die als representatief worden beschouwd.

In dupliek(54) betoogde de Raad, dat het verschil tussen de cijfers van verzoekster en die van de Raad aan een rekenfout van verzoekster is te wijten. Dit argument lijkt mij op het eerste gezicht plausibel. Aangezien verzoekster zelf niet heeft aangegeven hoe zij haar eigen (van die van de Raad afwijkende) cijfers heeft berekend en de in dupliek door de Raad opgegeven cijfers niet heeft weerlegd(55), kan er mijns inziens van worden uitgegaan, dat de opvatting van de Raad juist is.

Indien het aandeel van de directe uitvoer naar de Gemeenschap dus 88 % bedroeg van de totale uitvoer, konden de Commissie en de Raad er mijns inziens van uitgaan, dat het overgrote deel van de naar de EG verkochte produkten van Gao Yao in Hongkong enkel werd overgeladen, en dat de directe uitvoer bijgevolg representatief was voor de bepaling van de normale waarde.

76. De Raad kon zich dus op het standpunt stellen, dat de normale waarde in casu overeenkomstig artikel 2, lid 6, van verordening nr. 2423/88 op basis van de prijzen in het land van oorsprong diende te worden bepaald. Aangezien dit land China was, dus een land zonder markteconomie, diende volgens artikel 2, lid 5, een referentieland te worden bepaald.

Zoals gezegd, ging de Raad naar alle schijn ervan uit, dat bij loutere doorvoer de normale waarde aan de hand van de prijzen van het land van oorsprong moet worden bepaald.(56) Aldus ziet hij over het hoofd, dat artikel 2, lid 6, de gemeenschapsinstellingen een beoordelingsbevoegdheid toekent en heeft hij dit voorschrift dus onjuist toegepast.

77. Tijdens de behandeling voor het Hof heeft de Raad zijn opvatting getracht te rechtvaardigen door erop te wijzen, dat de betrokken produkten niet in Hongkong worden vervaardigd. Aldus wilde hij blijkbaar subsidiair een beroep doen op een van de twee andere in artikel 2, lid 6, van verordening nr. 2423/88 genoemde situaties. Deze gedachte is in de bestreden verordening niet terug te vinden; evenmin schijnt verzoekster in de gelegenheid te zijn gesteld haar mening daarover kenbaar te maken. Daarom kan de Raad zich niet op die gedachte baseren. Bovendien is niet aangetoond, dat het betoog van de Raad klopt, aangezien zijn gemachtigde ter terechtzitting toegaf, dat er ten tijde van het anti-dumpingonderzoek een dergelijke produktie (die evenwel op het punt stond te verdwijnen) in Hongkong bestond.

Bepaling van het referentieland volgens artikel 2, lid 5

78. Verzoekster verwijt de instellingen allereerst onjuiste beoordeling van de vergelijkbaarheid van haar produkten met die van de EG-producenten. Nadat de Raad er in het verweerschrift op had gewezen, dat de vraag van de vergelijkbaarheid ook van belang was voor de bepaling van het referentieland overeenkomstig artikel 2, lid 5, van verordening nr. 2423/88, heeft verzoekster haar grief in repliek dienovereenkomstig uitgebreid.

79. Ik deel de opvatting van de Raad, dat het hier om een tardief middel gaat in de zin van artikel 42, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat moet worden verworpen. Voor het overige wijst de Raad er terecht op, dat de Chinese vereniging en verzoekster zelf ° beide vertegenwoordigd door verzoeksters advocaten ° Thailand als referentieland hadden voorgesteld. Verzoeksters pogingen dit land wegens het verschil in bruto nationaal produkt (tussen Thailand en China) als ongeschikt voor vergelijking aan te merken, overtuigen niet. Het betreft geen beslissende factor. Bovendien slaagde verzoekster er niet in de overwegingen te weerleggen waarop de instellingen zich bij de keuze van het referentieland hebben gebaseerd.(57)

Gelijksoortigheid van de produkten

80. Verzoekster heeft met een zeer omvangrijk en minutieus betoog gepoogd aan te tonen, dat de door haar verkochte produkten en de door de EG-producenten vervaardigde produkten niet kunnen worden aangemerkt als "soortgelijke produkten" in de zin van artikel 2, lid 12, van verordening nr. 2423/88. Zij betoogt met name, dat de aanstekers van de EG-producenten 3 000 keer kunnen worden aangestoken, de door haar verkochte slechts 1 200 keer. Daarnaast wijst zij op tien andere details waarbij haars inziens verschillen bestaan.

81. Volgens artikel 2, lid 12, wordt onder soortgelijk produkt verstaan een produkt dat gelijk is of kenmerken vertoont die met de kenmerken van het betrokken produkt grote overeenstemming vertonen. Volledige overeenstemming is dus niet vereist. In verordening nr. 1386/91 heeft de Commissie gesteld, dat het verschil in aantal ontstekingen "in belangrijkheid" tegen de gelijkheid aan fysieke kenmerken van de EG-produkten en de ingevoerde aanstekers "weg (...) vallen".(58)

Het lijkt mij niet wenselijk of mogelijk alle door verzoekster opgegeven details uitvoerig te bespreken. De Commissie en de Raad moeten bij de beslissing over de vraag of de produkten vergelijkbaar zijn, noodzakelijkerwijs over een bepaalde beoordelingsvrijheid beschikken. De enige belangrijke omstandigheid waardoor de vergelijkbaarheid van de produkten in casu zou kunnen worden betwijfeld, is mijns inziens het verschillende aantal ontstekingen. De Fédération lijkt weliswaar die verschillen in haar memorie te willen ontkennen, waar zij stelt dat de EG-produkten slechts 1 200 keer kunnen worden aangestoken, doch met die bewering kan geen rekening worden gehouden, omdat in de bestreden verordening en in verordening nr. 1386/91 ervan wordt uitgegaan, dat de in de EG vervaardigde produkten in zoverre superieur zijn aan de uit het Verre Oosten geïmporteerde aanstekers.

De Raad betoogde, dat de Commissie onder meer had geconstateerd, dat de consument geen verschil kon zien tussen de verschillende aanstekers en dat de produkten van de EG-producenten en die van de producenten uit het Verre Oosten met elkaar concurreerden. Subsidiair voegde hij eraan toe, dat het ° voor de consument toch al niet waarneembare ° verschil in aantal ontstekingen niet eraan afdoet, dat de produkten sterk op elkaar lijken.

82. Deze argumenten komen mij overtuigend voor. Inderdaad zal het voor de verbruiker niet doorslaggevend zijn, of een aansteker 1 200 of 3 000 keer kan worden ontstoken. Het is een massa-artikel, dat niet bijzonder duur is en bij behoefte gekocht wordt zonder het eerst te proberen. Het is het soort benodigdheden ° ik spreek uit ervaring ° die onvindbaar zijn wanneer men ze nodig heeft, en een nieuwe aansteker wordt vaak gekocht ° ook dit blijkt uit ervaring ° vóór de oude is opgebruikt. Wel beslissend is mijns inziens, dat de door de EG-producenten vervaardigde aanstekers en die van Gao Yao en van anderen met elkaar concurreren. Het belang van die omstandigheid voor de vergelijkbaarheid is in de rechtspraak erkend.(59) Aan het bestaan van een dergelijke concurrentieverhouding tussen de produkten van de EG-producenten en die van de producenten van de door het onderzoek bestreken landen valt ° anders dan verzoekster meent ° niet te twijfelen.

83. Ten slotte wijs ik erop, dat om tot een eerlijke vergelijking te komen de instellingen bij de bepaling van de prijsonderbieding alleen aanstekers in aanmerking hebben genomen die een vergelijkbare hoeveelheid gas bevatten.(60)

De schade voor de industrie in de Gemeenschap en het causaal verband

84. Wat allereerst de vraag van de cumulatie van de invoer uit de door het onderzoek bestreken landen betreft, geeft verzoekster in repliek toe, dat dit in beginsel is geoorloofd. Toch zou dat in Gao Yao' s geval anders zijn, aangezien haar marktaandeel in de Gemeenschap onder 2 % lag en tijdens de betrokken periode zelfs is gedaald (1988: 1,9 %; 1989: 1,4 %).

De Raad antwoordt daarop, dat verzoekster alleen met haar eigen uitvoer rekening houdt. De bestreden verordening geldt evenwel voor alle invoer uit China, zodat deze importen in hun geheel (dus met inbegrip van de van andere Chinese ondernemingen afkomstige aanstekers) moeten worden beschouwd; dan bedraagt het marktaandeel in de Gemeenschap 2,2 %. Voorts geeft de Raad toe, dat de instellingen soms van een cumulatieve benadering van de importen afzien, wanneer het gedrag van de betrokken exporteurs niet vergelijkbaar is. In casu was dat evenwel niet het geval, aangezien de uitvoer uit alle betrokken landen schade aan de EG-industrie heeft toegebracht.

85. Hierin kan ik geen onjuiste rechtsopvatting zien. Er bestaat zeker geen regel, dat de Gemeenschap bij exporten die minder dan 2 % van de communautaire markt vertegenwoordigen, van anti-dumpingrechten moet afzien. Ook is er niet ten onrechte rekening gehouden met China, aangezien uit de op basis van de gegevens van Gao Yao gemaakte berekening is gebleken, dat de prijsonderbieding in haar geval groter was dan bij alle andere onderzochte fabrikanten.(61)

De Raad heeft zich bij zijn beoordeling ook terecht op de cijfers van de invoer uit heel China gebaseerd. Het onderzoek en de bestreden verordening hadden ° zoals juist is voor een land zonder markteconomie ° betrekking op het land, en niet alleen op verzoeksters uitvoer. Verzoekster heeft evenmin kunnen aantonen, dat de door de instellingen voorgelegde cijfers onjuist waren. Deze cijfers betroffen ook piëzo-aanstekers ° hierover heb ik al uitvoerig gesproken. Maar neemt men die cijfers eenmaal als uitgangspunt, dan is het zonder meer duidelijk, dat deze in het onderhavige verband zelfs gunstig waren voor verzoekster: indien het aandeel van de invoer van aanstekers uit China (dat klaarblijkelijk geen piëzo-aanstekers vervaardigt) op de totale EG-markt (inclusief piëzo-aanstekers) 2,2 % bedroeg, was dat aandeel ongetwijfeld groter geweest, wanneer alleen de produkten waren bezien waarop deze zaak betrekking heeft.

86. Ook wat de invoer uit derde landen betreft, hoef ik niet nader in te gaan op verzoeksters grief. Zoals ik al zei, is het aandeel van deze invoer op de gemeenschapsmarkt ° steeds op basis van de cijfers van de gemeenschapsinstellingen ° gedaald en niet gestegen, zoals verzoekster betoogt.

87. Wat de gevolgen betreft van de invoer uit de betrokken landen op de industrie in de Gemeenschap, stelde de Commissie ° zoals al gezegd ° vast, dat de produktie, de bezettingsgraad, het marktaandeel, de verkochte hoeveelheden, de prijzen, de winsten en werkgelegenheid in de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn gedaald.(62) De Raad bevestigde deze bevindingen in de bestreden verordening.(63)

88. Allereerst de kwestie van de prijzen. Volgens de gegevens van de Commissie daalden de prijzen van de onderzochte produkten tussen 1986 en 1989 met 28 %. De gemeenschapsproducenten probeerden deze trend te volgen; hun prijzen zakten ° uitgaande van het prijsniveau van 1986 ° naar 96 % in 1987, 88 % in 1988 en 86 % in 1989.

Zonder de relevantie van die cijfers in twijfel te willen trekken, meen ik echter, dat een prijsdaling in een bedrijfstak waarin ondernemingen elkaar sterk beconcurreren, niet ongewoon is. Het ware ook interessant te zien, hoe de prijzen van de grondstoffen (in het bijzonder gas) zich in de betrokken periode hebben ontwikkeld. Aangezien verzoekster ter zake geen grief heeft geuit, hoeft dit punt evenwel niet nader te worden onderzocht.

89. Ook de financiële resultaten van de gemeenschapsproducenten verslechterden "tussen 1986 en 1989" volgens de Commissie. Deze informatie is mijns inziens zo onnauwkeurig, dat zij moeilijk kan worden gebruikt. Allereerst wordt daarmee niets gezegd over hoe de winsten zich precies ontwikkelden. De genoemde formulering sluit de mogelijkheid niet uit, dat de winst in slechts een jaar (bij voorbeeld van 1986 tot 1987) is teruggevallen om daarna weer te stijgen. Maar ook wanneer ° zoals men wel mag aannemen ° de winsten in de genoemde periode telkens zouden zijn gedaald ten opzichte van het vorige jaar, moeten vraagtekens worden geplaatst bij de waarde van de vaststelling van de instellingen. Volgens de Commissie voerde een van de twee gemeenschapsproducenten in 1986 en 1987 een herstructurering uit. Daarbij daalde klaarblijkelijk niet alleen het aantal werknemers aanzienlijk, maar nam meteen ook de capaciteit aanmerkelijk toe.(64) Verzoekster wijst er terecht op, dat daarmee kosten zijn gemoeid die over meerdere jaren plegen te worden gespreid. In dupliek gaf de Raad toe, dat de gedane investeringen normaal werden afgeschreven. Het is dan ook moeilijk te begrijpen, dat de gemeenschapsinstellingen de gevolgen van dit proces op de winst buiten beschouwing hebben gelaten.

90. Wat de werkgelegenheid in de Gemeenschap betreft, vermeldt de Commissie, dat deze ° weer uitgaande van 1986 ° daalde tot 81 % in 1987, 78 % in 1988 en 73 % in 1989. In dit verband ° en alleen hier ° wordt vermeld, dat de herstructurering bij een van de beide gemeenschapsproducenten tot een "aanzienlijke" daling van het aantal werknemers had geleid. Toch wordt geenszins geprobeerd de gevolgen van deze herstructurering in cijfers uit te drukken. Dat was echter des te juister geweest, omdat ook volgens de cijfers van de Commissie het grootste deel van de daling van het aantal werknemers precies viel in het jaar waarin de herstructurering werd doorgevoerd (1986/1987).

91. Het is hier wellicht de plaats even stil te staan en erop te wijzen, dat de instellingen bij het onderzoek naar het bestaan van schade voor de gemeenschapsindustrie met een "reeks factoren" rekening moeten houden "waarbij een van deze factoren afzonderlijk beschouwd geen beslissende betekenis kan hebben".(65) Tevens beschikken de instellingen over een "ruime discretionaire bevoegdheid" bij de beoordeling van ingewikkelde economische situaties en in het bijzonder bij de vaststelling van de schade in een anti-dumpingprocedure.(66) Men zou dan ook geneigd kunnen zijn om de tot dusver geschetste tekortkomingen bij de vaststelling van de schade te verwaarlozen. Uit het hierna volgende zal blijken, dat inschikkelijkheid in casu helemaal niet op zijn plaats is.

92. Zowel de Raad als de Commissie wijzen in hun verordeningen op de daling van de afzet van de EG-producenten op de gemeenschapsmarkt. In paragraaf 38 van verordening nr. 1386/91 worden evenwel de cijfers van deze verkopen in de jaren 1986 tot 1989 weergegeven.(67) Daaruit blijkt, dat die verkopen niet afnamen, maar stegen ° en wel in aanzienlijke mate. Het is volstrekt onverklaarbaar hoe de gemeenschapsinstellingen, gelet op deze ° door hen zelf berekende ° cijfers, konden stellen dat de verkopen van de EG-producenten afnamen.

93. Even onverklaarbaar is hun behandeling van de produktie en de bezettingsgraad van de EG-producenten. Eerst wordt gezegd, dat de produktie van de EG-producenten tussen 1986 en 1989 is gedaald en in 1989 ° uitgaande van de cijfers voor 1986 ° nog slechts 97 % bedroeg. De bezettingsgraad verslechterde eveneens. Alweer uitgaand van de stand van 1986 en de inmiddels opgetreden capaciteitsverhoging buiten beschouwing latend, zou de bezettingsgraad in 1989 tot 97 % (ten opzichte van 1986) zijn gedaald.

Aangezien ° zoals ik al zei ° de afzet in de Gemeenschap van de EG-producenten tijdens de betrokken periode aanmerkelijk was toegenomen, terwijl tegelijk de produktie zou zijn gedaald, is dit alleen te verklaren, wanneer de EG-producenten een grote voorraad hadden die zij in de betrokken periode afbouwden.(68) Deze mogelijkheid valt echter af, omdat de instellingen verklaarden, dat tussen 1986 en 1989 "geen belangrijke wijzigingen in de voorraden" werden vastgesteld.(69)

94. De gemachtigde van de Commissie heeft ter terechtzitting op mijn vraag toegegeven, dat hij deze tegenstrijdigheid niet goed kon verklaren. Opvallend is ook, dat de Raad in dupliek de desbetreffende grieven van verzoekster zwijgend passeert en alleen een fout van verzoekster verbetert, die zij klaarblijkelijk zelf al had verbeterd.(70)

Dat het hier duidelijk een onjuistheid betreft die aan een rekenfout is te wijten, blijkt al uit mijn betoog tot nog toe. Ik kan deze stelling bewijzen aan de hand van een document van de Raad.

Deze heeft bij dupliek een document overgelegd met informatie over het verbruik in de Gemeenschap, de ontwikkeling van de betrokken invoer en de gevolgen voor de industrie in de Gemeenschap. Het is klaarblijkelijk een intern werkdocument waarin de in de verordening genoemde cijfers worden opgesomd. Achter de cijfers over de produktie en de bezettingsgraad staat naast de vindplaats van die cijfers in verordening nr. 1386/91 telkens het woord "error". Daaronder volgt telkens een nieuwe regel met andere cijfers voor 1989; rechts hiervan staat het woord "real".

De instellingen zijn dus blijkbaar zelf tot de conclusie gekomen, dat de door hen gebruikte cijfers onjuist waren. De in het document als "real" aangemerkte cijfers lossen inderdaad de boven beschreven contradictie op; op basis van de cijfers van 1986 bedroegen de produktie en de bezettingsgraad in 1989 elk 107 %.

95. Het Hof zal de noodzakelijke conclusies trekken uit de omstandigheid, dat de instellingen van de Gemeenschap een door hen begane fout blijkbaar hebben willen verdoezelen. In casu dient het beroep toch al op andere gronden te worden toegewezen, zodat deze omstandigheid ° hoe merkwaardig ook ° niet langer beslissend is. Uit dit voorval blijkt evenwel, dat het in het algemeen wenselijk is de activiteiten van de gemeenschapsinstellingen op het gebied van het anti-dumpingrecht ° wanneer daartegen beroep wordt ingesteld ° zeer grondig te onderzoeken. Men mag erop vertrouwen, dat het Gerecht van eerste aanleg, dat in de toekomst kennis zal nemen van deze zaken, bij de behandeling ervan even grondig te werk zal gaan als tot nog toe in mededingingszaken.

96. Na deze principiële vaststelling rest nog alleen het betoog van de Raad, dat de snelle toename van de invoer uit de betrokken landen samenviel met een "even snelle" daling van de produktie, bezettingsgraad, verkochte hoeveelheden, marktaandeel, prijzen, winsten en werkgelegenheid in de Gemeenschap. Dit beweerde parallellisme is het enige nieuwe element, dat de Raad in de bestreden verordening aan de overwegingen van de Commissie heeft toegevoegd. Het is symptomatisch voor de onderhavige zaak, dat ook dit argument niet opgaat. Uit het voorafgaande blijkt, dat van een dergelijk parallellisme geen sprake kan zijn. Om slechts één voorbeeld te noemen: tegenover de toename van de invoer uit de betrokken landen stond ook een aanmerkelijke stijging ° en geen daling ° van de verkopen van de EG-producenten zelf.

97. Tegen het einde van de terechtzitting stelde de Raad, dat de bestreden verordening toch een "bepaalde coherentie" vertoont. Hierbij kan ik verwijzen naar wat ik al heb gezegd.

De enige vaststelling die uiteindelijk de toets doorstaat, is die van een daling van het aandeel van de EG-producenten op de gemeenschapsmarkt van 78,4 % (1986) naar 60,5 % (1989). Dit feit alleen kan evenwel geen basis vormen voor het instellen van anti-dumpingrechten. Dit te meer niet, wanneer die gegevens op cijfers berusten die ook niet door het onderzoek bestreken produkten omvatten en dus als onbetrouwbaar moeten worden beschouwd.(71)

98. De Fédération heeft in haar memorie nieuwe cijfers over de invoer uit China gepresenteerd. De invoer uit China bedroeg in 1989 nauwelijks 9,6 miljoen stuks. Uiteraard kunnen die cijfers, waarvan de bron niet werd onthuld, niet worden gebruikt, aangezien zij in de bestreden verordening buiten beschouwing zijn gebleven. Het valt dan ook volstrekt af te keuren, dat de Commissie zich ter terechtzitting toch op die cijfers beriep.

99. Tot slot wil ik opmerken, dat ook de opvatting kan worden verdedigd dat de bestreden verordening, gelet op de vaststellingen op dit punt, niet zozeer een materieel gebrek als wel een motiveringsgebrek vertoont.(72) Een afbakening is hier moeilijk. Aangezien de gesignaleerde tekortkomingen mijns inziens verzoekster niet hebben verhinderd haar beroepsrecht krachtens artikel 173 EG-recht naar behoren uit te oefenen, lijkt het mij juister uit te gaan van een materiële fout.(73)

Discriminatie

100. Ten slotte moet ik nog kort ingaan op verzoeksters overige argumenten. Zij acht zich gediscrimineerd door de toepassing van artikel 2, lid 5 (in plaats van lid 6). Ik moet zeggen, dat mij niet helemaal duidelijk is waar verzoekster met dat betoog naar toe wil. Verzoekster wil blijkbaar een onderscheid maken tussen de door haar rechtstreeks naar de Gemeenschap verkochte produkten en de produkten die via tussenhandelaren in Hongkong naar de Gemeenschap komen. Het non-discriminatieverbod zou dan zijn geschonden, aangezien twee verschillende situaties gelijk werden behandeld (namelijk onderworpen aan hetzelfde anti-dumpingrecht). Daarop hoeft niet nader te worden ingegaan, aangezien alleen de tussenhandelaren in Hongkong kunnen zijn gediscrimineerd, als er al van discriminatie sprake zou zijn. Verzoekster kan zich hierop niet beroepen, aangezien zij zelf niet is benadeeld.

Schending van de beginselen van behoorlijk bestuur

101. Verzoekster stelt schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, doordat de gemeenschapsinstellingen niet op alle door verzoekster voorgedragen argumenten en feiten hebben geantwoord en de Commissie de Raad een belangrijke overweging niet heeft meegedeeld. Het betreft duidelijk kwesties die op het vlak van de schending van de rechten van de verdediging en van de motiveringsplicht liggen en die ik in dat verband al heb besproken.

Onbevoegdheid

102. Voorts stelt verzoekster, dat volgens artikel 12, lid 1, van verordening nr. 2423/88 de Raad bevoegd is tot het instellen van het definitief anti-dumpingrecht. Aangezien de Raad door de Commissie op essentiële punten op een dwaalspoor is gebracht, is de bestreden verordening niet door de bevoegde instelling vastgesteld.

Dit argument is onjuist. De bestreden verordening werd door de Raad vastgesteld, zoals bepaald in verordening nr. 2423/88.

Misbruik van bevoegdheid

103. Ten slotte verwijt verzoekster de gemeenschapsinstellingen misbruik van bevoegdheid in de zin van artikel 173 EG-Verdrag. De Raad heeft zich niet laten leiden door het belang van de Gemeenschap, maar door de wens een industrie in de Gemeenschap te beschermen, die deze bescherming helemaal niet behoefde.

Na al het voorafgaande kan een dergelijke verdenking wel niet helemaal van de hand worden gewezen. Niettemin wil ik opmerken, dat volgens de rechtspraak uit "objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende gegevens" moet blijken, dat de bestreden maatregel is genomen ter bereiking van andere doelen dan die waarvoor hij is vastgesteld.(74) Verzoekster heeft dat bewijs niet geleverd.

Samenvatting en kostenbeslissing

104. Het beroep dient derhalve ontvankelijk en gegrond te worden verklaard. Over de kosten dient te worden beslist overeenkomstig artikel 69, leden 1, 2 en 4, eerste en tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Verzoekster heeft gevorderd om de Raad ook in de kosten van interveniënten te verwijzen. Voor de Commissie moet de regel in artikel 69, lid 4, eerste alinea, verplicht worden toegepast. Wat de Fédération betreft, lijkt het mij gerechtvaardigd artikel 69, lid 4, tweede alinea, toe te passen, aangezien zij met de overlegging van nieuwe cijfers extra verwarring heeft gesticht.

C ° Conclusie

105. Mitsdien stel ik het Hof voor,

° verordening (EEG) nr. 3433/91 van de Raad van 25 november 1991 nietig te verklaren voor zover zij verzoekster betreft, en

° de Raad in de kosten te verwijzen, met uitzondering van die van interveniënten die hun kosten zelf zullen dragen.

(*) Oorspronkelijke taal: Duits.

(1) - PB 1991, L 326, blz. 1.

(2) - Zie paragraaf 3 van verordening (EEG) nr. 1386/91 van de Commissie van 23 mei 1991 houdende instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van niet navulbare zakgasaanstekers met vuursteentje, van oorsprong uit, respectievelijk, Japan, de Volksrepubliek China, de Republiek Korea en Thailand (PB 1991, L 133, blz. 20).

(3) - PB 1988, L 209, blz. 1.

(4) - De mededeling staat in PB 1990, C 89, blz. 3.

(5) - Gezegd werd: We have no domestic sales .

(6) - Zie nrs. 43 en 44 voor de tekst van de relevante bepalingen.

(7) - Zie voetnoot 2.

(8) - Zie voetnoot 2, par. 10.

(9) - Zie voetnoot 2, par. 11.

(10) - Zie voetnoot 2, par. 18.

(11) - Het enige verschil met het voorstel is, dat in het ontwerp van de Commissie sprake is van basisverordening , terwijl de verordening hier met haar nummer wordt aangeduid.

(12) - Voor een overzicht zie bij voorbeeld Wang Xiaoye, Das EG-Antidumpingrecht und die Ausfuhren der VR China in die EG, RabelsZ 1993, blz. 685, 688.

(13) - Zie boven, nr. 8.

(14) - Verzoeksters vertegenwoordigers schijnen, naast het feit dat twee van verzoeksters aandelen in handen zijn van burgers van Hongkong, zich erop te hebben gebaseerd, dat Gao Yao (China) ° die de overige aandelen in Gao Yao (HK) bezit ° voor 50 % in handen van burgers uit Hongkong is.

(15) - Daarbij ging het telkens om de berekening van de normale waarde.

(16) - Arrest van 5 oktober 1988 (zaak 250/85 Brother, Jurispr. 1988, blz. 5683, r.o. 16); arrest van 10 maart 1992 (zaak C-175/87 Matsushita, Jurispr. 1992, blz. I-1409, r.o. 12); arrest van 13 oktober 1993 (zaak C-104/90 Matsushita, Jurispr. 1993, blz. I-4981, r.o. 9).

(17) - Arrest van 16 mei 1991 (zaak C-358/89, Extramet Industrie, Jurispr. 1991, blz. I-2501, r.o. 15, met uitvoerige verwijzing naar eerdere rechtspraak); zie ook de conclusie van advocaat-generaal Jacobs in deze zaak (blz. 2507, 2510).

(18) - Vergelijk bij voorbeeld de constellatie in het arrest van 5 oktober 1988 (gevoegde zaken 294/86 en 77/87, Technointorg, Jurispr. 1988, blz. 6077).

(19) - Zie paragraaf 22 van verordening nr. 1386/91 en paragraaf 12 van verordening nr. 3433/91, waar de Raad deze berekeningswijze bevestigt.

(20) - Zie de al aangehaalde zaak C-175/87 (voetnoot 16).

(21) - Arrest van 13 oktober 1993 (zaak C-104/90, voetnoot 16).

(22) - Zie bijvoorbeeld het arrest van 29 maart 1979 (zaak 118/77, I.S.O., Jurispr. 1979, blz. 1277).

(23) - Arrest van 6 oktober 1982 (zaak 307/81, Alusuisse, Jurispr. 1982, blz. 3463, r.o. 13)

(24) - Zie bij voorbeeld Anthony Arnull, Challenging EC antidumping regulations: The problem of admissibility, [1992] 2 ECLR, blz. 73, 76.

(25) - Voetnoot 17, blz. 2520.

(26) - Arrest van 7 mei 1991 (zaak C-69/89, Nakajima, Jurispr. 1991, blz. I-2069, r.o. 108).

(27) - Arrest van 27 juni 1991 (zaak C-49/88, Al-Jubail Fertilizer, Jurispr. 1991, blz. I-3187, r.o. 17).

(28) - Zie conclusie van advocaat-generaal Van Gerven (zaak C-16/90, Noelle, Jurispr. 1991, blz. I-5172, r.o. 13).

(29) - Zie het arrest Al-Jubail (voetnoot 27, r.o. 20).

(30) - Zie boven nr. 4 in fine.

(31) - Zie boven nr. 11.

(32) - Zie boven nr. 45.

(33) - Zie Beseler, J. F./Williams, A. N.: Anti-Dumping and Anti-Subsidy Law: The European Communities, Londen, 1986, blz. 73; Boudant, J.: L' anti-dumping communautaire, Parijs, 1991, blz. 73.

(34) - Zie laatstelijk arrest van 10 maart 1992 (zaak C-171/87, Canon, Jurispr. 1992, blz. I-1237, r.o. 55). Zie ook mijn conclusie in zaak C-69/89 (Nakajima, Jurispr. 1991, blz. I-2112, nr. 34).

(35) - Zie voor dat begrip nr. 10 supra. In het verzoekschrift betoogde verzoekster, dat de door de gemeenschapsinstanties gebruikte cijfers ook aanstekers omvatten met een grotere inhoud dan de door Gao Yao vervaardigde produkten en daarmee dus niet vergelijkbaar zijn. In paragraaf 34 van verordening nr. 1386/91 wijst de Commissie er evenwel op, dat zij om een eerlijke vergelijking te bereiken, voor de procedure inzake prijsonderbieding slechts aanstekers in aanmerking heeft genomen die een vergelijkbare hoeveelheid gas bevatten. Dat wordt door de Raad bevestigd in paragraaf 13 van de bestreden verordening. In dupliek lijkt verzoekster dit aspect van haar grieven niet te willen handhaven. Gelet op het hierna volgende over het mede in aanmerking nemen van de piëzo-aanstekers, kan dit punt toch al geen zelfstandige rol spelen.

(36) - Zie punt 6.1 van deze nota.

(37) - Zie boven, nummer 10.

(38) - Zie paragraaf 5 van de bestreden verordening.

(39) - Een bevestiging voor mijn opvatting levert paragraaf 1 van de bestreden verordening.

(40) - Zie vooral paragraaf 41, tweede alinea, van verordening nr. 1386/91.

(41) - Paragraaf 44 van verordening nr. 1386/91, bevestigd in paragraaf 15 van de bestreden verordening.

(42) - Op die basis kan voor 1986 een verbruik van 321,8 miljoen stuks en voor 1989 een verbruik van 435,6 miljoen stuks worden berekend.

(43) - Zie boven nr. 12.

(44) - De cijfers moeten dan uiteraard lager (en niet hoger) zijn. Bovendien blijkt uit vergelijking van de in paragraaf 31 van de verordening genoemde cijfers, dat de importen van piëzo-aanstekers uit de betrokken landen ruimschoots hoger moeten zijn geweest (in 1989 ten minste meer dan 50 miljoen).

(45) - Zie boven nr. 14.

(46) - Zie boven nr. 54.

(47) - Zie paragraaf 18 tot 21 van verordening nr. 1386/91.

(48) - Zie infra nr. 84.

(49) - Zie paragraaf 48 van deze verordening.

(50) - Telkens op basis van het verbruik minus de verkopen van de EG-producenten en de invoer uit Korea, Japan, China en Thailand (voor 1989 bij voorbeeld 439,8 miljoen - 266,5 miljoen - 152,5 miljoen = 20,8 miljoen stuks).

(51) - Zie boven nr. 60 en volgende.

(52) - Infra, nr. 74 en volgende.

(53) - Zie het arrest in de zaak Nakajima (reeds aangehaald, voetnoot 26, r.o. 29).

(54) - Het hier weergegeven betoog staat in bijlage 2 bij de dupliek. De Raad merkte deze bijlage als vertrouwelijk aan, doch verzocht niet uitdrukkelijk om vertrouwelijke behandeling ervan, zodat zij aan alle partijen schijnt te zijn meegedeeld. Ik zal mij evenwel (om voor de hand liggende redenen) ertoe beperken de conclusies van de Raad te schetsen, zonder de door de Raad verstrekte informatie over de verkopen in detail te citeren.

(55) - Daartoe had verzoekster ter terechtzitting de gelegenheid, doch zij liet daar verstek gaan.

(56) - Zie boven nrs. 54 en 69.

(57) - Zie paragraaf 21 van verordening nr. 1386/91.

(58) - Zie paragrafen 12 en 13 van de verordening; bevestigd in paragraaf 5 van de bestreden verordening.

(59) - Zie arrest in de zaak Technointorg (voetnoot 18, r.o. 37 tot 39), arresten van 10 maart 1992 (zaak C-176/87, Konishiroku, Jurispr. 1992, blz. I-1493, r.o. 11) en van 10 maart 1992 (zaak C-177/87, Sanyo Electric, Jurispr. 1992, blz. I-1535, r.o. 11).

(60) - Paragraaf 34 van verordening nr. 1386/91; bevestigd in paragraaf 13 van de bestreden verordening.

(61) - Zie paragraaf 35 van verordening nr. 1386/91.

(62) - Paragrafen 41 en 47 van verordening nr. 1386/91 (zie boven nr. 16).

(63) - Paragrafen 14 en 15 van de bestreden verordening (zie boven nr. 22).

(64) - Zie paragrafen 36 en 40 van verordening nr. 1386/91.

(65) - Arrest van 27 november 1991 (zaak C-315/90, Gimelec, Jurispr. 1991, blz. I-5589, r.o. 17).

(66) - Zie het arrest Nakajima (voetnoot 26, r.o. 86); vaste rechtspraak.

(67) - Aangehaald in nr. 14 van deze conclusie.

(68) - Louter hypothetisch zou men ook kunnen denken, dat de stijging van de verkoop in de EG het gevolg was van een daling van de tot dusver in derde landen verkochte aanstekers. Hoewel de EG-producenten duidelijk ook naar derde landen exporteren, is een dergelijke ontwikkeling uiterst onwaarschijnlijk. Noch in de betrokken verordeningen noch in de tijdens de anti-dumpingprocedures gevoerde correspondentie kan ik de minste aanwijzing in die zin vinden. De gemeenschapsinstellingen hebben zich dan ook niet op een dergelijke mogelijkheid beroepen.

(69) - Paragraaf 37 van verordening nr. 1386/91.

(70) - Verzoekster lijkt de omstandigheid, dat de Commissie en de Raad telkens het jaar 1986 als grondslag (= 100 %) namen, eerst aldus te hebben begrepen, dat bij voorbeeld de bezettingsgraad van de EG-producenten in 1986 werkelijk 100 % bedroeg, wat uiteraard onzinnig is.

(71) - Zie boven nr. 60.

(72) - Over de vereisten voor een schending van artikel 190 EG-Verdrag: zie boven nr. 59.

(73) - Zie over deze afbakening mijn conclusie van 15 juli 1993 in zaak C-216/91 (Rima, nog niet gepubliceerd, paragraaf 110).

(74) - Zie arrest in de zaak Nakajima (voetnoot 26, r.o. 134).