14.4.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 109/7


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Vrchní soud v Praze (Tsjechische Republiek) op 7 februari 2012 — Marián Baláž

(Zaak C-60/12)

2012/C 109/13

Procestaal: Tsjechisch

Verwijzende rechter

Vrchní soud v Praze

Partij in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Marián Baláž

Prejudiciële vragen

1)

Moet het begrip „een met name in strafzaken bevoegde rechter” in artikel 1, sub a, iii, van kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 (1) inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties (hierna: „kaderbesluit”) worden uitgelegd als een autonoom unierechtelijk begrip?

2)

a)

Ingeval van een bevestigend antwoord op de eerste vraag, welke algemene kenmerken moet een rechterlijke instantie van een staat, die op initiatief van de betrokken persoon diens zaak betreffende een beslissing van een andere autoriteit dan een rechterlijke instantie (een administratieve overheid) kan behandelen, hebben om te worden beschouwd als „een met name in strafzaken bevoegde rechter” in de zin van artikel 1, sub a, iii, van het kaderbesluit?

b)

Kan een Oostenrijkse onafhankelijke administratieve kamer (Unabhängiger Verwaltungssenat) worden aangemerkt als „een met name in strafzaken bevoegde rechter” in de zin van artikel 1, sub a, iii, van het kaderbesluit?

c)

Ingeval van een ontkennend antwoord op de eerste vraag, moet het begrip „een met name in strafzaken bevoegde rechter” in de zin van artikel 1, sub a, iii, van het kaderbesluit door de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat worden uitgelegd volgens het recht van de staat wiens autoriteit een beslissing in de zin van artikel 1, sub a, iii, van het kaderbesluit heeft gegeven of volgens het recht van de staat die beslist over de erkenning en tenuitvoerlegging van dergelijke beslissing?

3)

Wordt de „gelegenheid […] de zaak te doen behandelen” door „een met name in strafzaken bevoegde rechter” volgens artikel 1, sub a, iii, van het kaderbesluit ook dan verzekerd wanneer de betrokken persoon een zaak niet rechtstreeks kan doen behandelen door „een met name in strafzaken bevoegde rechter” maar eerst moet opkomen tegen de beslissing van een andere autoriteit dan een rechterlijke instantie (een administratieve overheid), welk bezwaar de beslissing van die autoriteit onwerkzaam maakt en een gewone procedure voor diezelfde autoriteit inleidt, waarbij enkel tegen de beslissing in die gewone procedure beroep kan worden ingesteld bij „een met name in strafzaken bevoegde rechter”?

Wat betreft het verzekeren van de „gelegenheid […] de zaak te doen behandelen”, dient te worden beslist of een beroep behandeld door „een met name in strafzaken bevoegde rechter” is aan te merken als een gewoon beroep (een beroep tegen een beslissing die nog niet definitief is) of als een buitengewoon beroep (een beroep tegen een eindbeslissing) en of „een met name in strafzaken bevoegde rechter”, op basis van dat beroep, bevoegd is om de zaak in haar geheel, zowel in feite als in rechte, te toetsen?


(1)  PB L 76, blz. 16.