Conclusie Van De Advocaat-Generaal

Van 8 November 1967

Mijnheer de President, mijne heren Rechters,

Het aantal renvooi-beslissingen inzake de interpretatie van Verordening no. 3 neemt sedert enige tijd zodanige omvang aan, dat de gestelde vraag tussen het tijdstip waarop de nationale rechter U adieert en dat waarop U uitspraak doet, zoal niet in andere uitspraken beantwoord, dan toch tenminste uitvoerig behandeld is.

Dit geldt in zekere zin voor het verzoek waarmee de Tweede Civiele Kamer van de Cour de Cassation van Frankrijk zich bij arrest van 27 april jongstleden heeft gewend met betrekking tot artikel 28, lid 1, sub b) en f), van genoemde verordening. De feiten welke tot het renvooi aanleiding gaven, zijn de volgende :

R. Goffaert, geboren in 1897, heeft achtereenvolgens 24 verzekeringskwartalen in België en 124 in Frankrijk vervuld, in totaal dus 148 kwartalen, uit hoofde waarvan hij in beide landen aanspraak op pensioen verkreeg zonder dat daartoe samentelling van de in het andere land vervulde tijdvakken nodig was.

Bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd verkreeg hij — hoewel hij in Frankrijk bleef werken, hetgeen volgens de wetgeving van dat land is toegestaan — van de Caisse régionale de sécurité sociale du Nord-Est een Frans pensioen, berekend overeenkomstig artikel 28, lid 1, sub b), en pro rata vastgesteld op basis van 124/148. De Belgische instelling bepaalde harerzijds het pensioen op grondslag van de in België vervulde kwartalen, doch ging niet tot uitkering daarvan over, daar, gelijk bekend, de Belgische wetgeving de toekenning van het pensioen afhankelijk stelt van het staken van iedere beroepswerkzaamheid.

Betrokkene verzocht dan ook dat zijn Franse pensioen zou worden berekend uitsluitend op grond van de in Frankrijk vervulde verzekeringstijdvakken. Hij beriep zich daartoe op lid 1, sub f), van artikel 28, hetwelk als volgt luidt: „Indien de belanghebbende op een bepaald tijdstip niet aan de voorwaarden, door alle op hem van toepassing zijnde wettelijke regelingen gesteld, voldoet, doch wel voldoet aan de voorwaarden van een dezer wettelijke regelingen zonder dat het noodzakelijk is een beroep te doen op de tijdvakken welke zijn vervuld onder een of meer der andere wettelijke regelingen, wordt het bedrag van de uitkering vastgesteld uitsluitend krachtens de wettelijke regeling waaraan recht kan worden ontleend, waarbij alleen rekening wordt gehouden met de tijdvakken welke krachtens die wettelijke regeling zijn vervuld.”

Hij zag zijn eis achtereenvolgens toegewezen door de Commission de première instance du contentieux de la sécurité sociale en het Gerechtshof te Nancy.

Gezien het beroep in cassatie door de Caisse regionale ingesteld, heeft de Cour de Cassation Uw oordeel ingeroepen over de uitlegging welke aan de bepalingen van artikel 28, lid 1, sub b) en f), van de verordening dient te worden gegeven. Het gaat over de vraag of de werknemer, wiens pensioen overeenkomstig de bepalingen van artikel 27, lid 1 en 28, lid 1, sub a) en b), naar de wetgeving van twee Lid-Staten werd vastgesteld — waarbij de betaling van het ten laste van één dier staten gebrachte pensioengedeelte werd opgeschort — van de andere staat een pensioenbedrag kan verlangen, uitsluitend naar de wetgeving van die staat berekend en gebaseerd op de volgens die wetgeving vervulde verzekeringstijdvakken.

Beslissend is derhalve de interpretatie van de term „voorwaarden in het bepaalde” sub f). Ziet dit woord met name op de voorwaarden voor de uitbetaling van het pensioen, gelijk de beide Franse rechterlijke instanties successievelijk hebben geoordeeld, of uitsluitend op de voorwaarden voor het ontstaan van het recht (bijvoorbeeld een bepaalde verzekeringsduur), in welk geval het Franse verzekeringsfonds Belgische tijdvakken niet buiten beschouwing zou kunnen laten; de Commissie betwijfelt evenwel of in een geval als het onderhavige het recht op pensioen inderdaad naar Belgisch recht is ontstaan, daar de wetgeving van dit land bepaalt dat de uitkeringen eerst aanvangen wanneer betrokkene heeft opgehouden te werken.

Deze vraag werd reeds behandeld in de zaak-de .Moor (2-67, arrest van 5 juli 1967, Jurisprudentie, Deel XIII, blz. 244), hoewel zij niét uitdrukkelijk door de verwijzende rechter werd gesteld, noch ook door Uw Hof beantwoord. De Advocaat-Generaal Roemer heeft bij die gelegenheid de gronden uiteengezet waarop hij meende dat de litigieuze term zo ruim mogelijk moest worden opgevat: de algemene aard van de aanvankelijk gebezigde formule — maar ook de doelstellingen van artikel 51 van het Verdrag waarop de Verordening no. 3 berust. Zo herinnert de Commissie er bijvoorbeeld aan dat volgens Uw rechtspraak (100-63, Jurisprudentie, Deel X, blz. 1182) de bepalingen van artikel 28 niet van toepassing zijn indien op grond van de gemeenschapsverordeningen het verlies van verkregen rechten niet door minstens gelijkwaardige prestaties kan worden gecompenseerd. Indien het, gezien de Belgische wetgeving, normaal moet worden geacht dat de betrokkene in dat land geen pensioen verwerft daar hij voortgaat zijn beroep uit te oefenen, dan is er uit een oogpunt van gemeenschapsrecht geen enkele reden zijn Franse pensioen te korten door Belgische verzekeringstijdvakken, waarover hij geen pensioen ontvangt, in aanmerking te nemen.

Het vraagstuk vertoont overigens sterke verwantschap met dat hetwelk de Belgische Raad van State U in zijn zesde vraag in de zaak-Couture (11-67) heeft voorgelegd — waarin zoeven conclusie werd genomen — en dat als volgt kan worden samengevat: betreft het verzoek overeenkomstig artikel 30 van Verordening no. 4, ingediend door een werknemer, die krachtens de wetgeving van twee staten verzekeringstijdvakken heeft vervuld en waartoe de samentelling in geen der beide staten noodzakelijk is, onvermijdelijk de uitkeringen waarvan de betaling, in een staat waar hij verzekeringstijdvakken heeft vervuld, afhankelijk wordt gesteld van het opgeven der beroepsuitoefening, een eis welke de wetgeving van de andere staat niet kent? Hier wordt de U voorgelegde beginselvraag overgebracht op het plan van het concrete geding, dat wil zeggen het aan de vordering te geven gevolg. De door de Advocaat-Generaal Roemer ter motivering van een ontkennend antwoord in de zaak-Couture aangevoerde overwegingen vallen vrijwel samen met de gronden welke in casu tot de beslissing nopen dat de verzekerde, die de uitkering van het ten laste van één der Lid-Staten gebrachte pensioengedeelte opgeschort ziet, van de verzekeringsinstelling van de andere staat een pensioen mag eisen hetwelk uitsluitend krachtens de wetgeving van die staat werd berekend en gebaseerd is op verzekeringstijdvakken overeenkomstig de regeling van die staat vervuld.

Bijgevolg hebben wij de eer te concluderen, dat de gestelde vraag bevestigend zal worden beanrwoord en dat de Franse Cour de Cassation over de kosten van de onderhavige instantie zal beslissen.