Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Partijen

In zaak T-48/89,

F . Beltrante en anderen, ambtenaren van de Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J.-N . Louis, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Fiduciaire Myson SARL, 6-8, rue Origer,

verzoekers,

ondersteund door

Fédération de la fonction publique européenne, te Brussel, vertegenwoordigd door G . Vandersanden, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A . Schmitt, advocaat aldaar, 62, avenue Guillaume,

interveniënte,

tegen

Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A . A . Dashwood, directeur van zijn juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij J . Kaeser, directeur van de juridische dienst van de Europese Investeringsbank, 100, boulevard Konrad-Adenauer,

verweerder,

betreffende een beroep tot nietigverklaring van het bij nota van 6 mei 1988 meegedeelde besluit van de Raad waarbij de forfaitaire betaling van reiskosten wordt geweigerd voor met kinderen ten laste gelijkgestelde personen die niet in de standplaats van de ambtenaar wonen,

wijst

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG ( Derde Kamer ),

samengesteld als volgt : A . Saggio, kamerpresident, C . Yeraris en B . Vesterdorf, rechters,

griffier : B . Pastor, administrateur

gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 3 juli 1990,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest

De feiten

1 De veertien verzoekers, ambtenaren van de Raad, ontvangen de in het Ambtenarenstatuut voorziene toelagen voor personen die krachtens artikel 2, lid 4, van bijlage VII bij het Statuut ( hierna : "de bijlage ") met ten laste komende kinderen worden gelijkgesteld . Naar uit het dossier blijkt, heeft de Raad tot 1987 op grond van artikel 8 van de bijlage de reiskosten voor deze personen vergoed van de standplaats van verzoekers naar hun plaats van herkomst, ook wanneer die personen niet in de standplaats woonden .

2 Bij nota van 6 mei 1988 deelde het secretariaat-generaal van de Raad de betrokken ambtenaren mee, dat het tot aanstelling bevoegd gezag had besloten om overeenkomstig een conclusie van het college van hoofden van administratie die forfaitaire reiskostenvergoeding niet meer te betalen voor met ten laste komende kinderen gelijkgestelde personen, tenzij zij in of op minder dan 50 km afstand van de standplaats van de ambtenaar wonen .

3 De nota preciseerde voorts, dat het besluit vanaf 1 januari 1988 van toepassing was en dat de betaling van de jaarlijkse reiskosten voor de echtgenoot en de kinderen zou worden voortgezet .

4 Elk van de verzoekers diende krachtens artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut een klacht in tegen het bij die nota meegedeelde besluit om de in artikel 8, lid 1, van de bijlage voorziene reiskostenvergoeding niet meer te betalen voor de personen waarvan was erkend dat zij te hunnen laste kwamen .

5 In deze op 24 mei en 13 juli 1988 ingeschreven klachten stellen verzoekers, dat een ambtenaar, zodra hij de kostwinnerstoelage ontvangt, recht heeft op vergoeding van die kosten voor zijn echtgenoot en voor alle andere personen die in de zin van artikel 2 van de bijlage te zijnen laste komen, ongeacht of zij in de standplaats van de ambtenaar wonen of niet .

6 Deze klachten werden afgewezen bij individuele besluiten van de secretaris-generaal van de Raad van 27 juli 1988 . In deze besluiten, die de vorm hadden van een standaardnota, verklaarde het tot aanstelling bevoegd gezag, dat de tekst van artikel 8 van de bijlage enerzijds, en het door dit artikel gelegde verband tussen het recht op de kostwinnerstoelage en de betaling van reiskosten aan met kinderen ten laste gelijkgestelde personen anderzijds, een strikte uitlegging van de betrokken bepalingen rechtvaardigden .

Het procesverloop en de conclusies van partijen

7 Onder die omstandigheden hebben verzoekers bij een op 28 oktober 1988 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift de nietigverklaring gevorderd van het besluit houdende weigering van de reiskostenvergoeding voor met kinderen ten laste gelijkgestelde personen die niet in de standplaats van de ambtenaar wonen .

8 Bij beschikking van 15 november 1989 heeft het Hof, krachtens artikel 14 van het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen, de zaak naar het Gerecht verwezen .

9 Bij beschikking van 8 december 1989 heeft het Gerecht ( Derde Kamer ) de Fédération de la fonction publique européenne ( FFPE ) toegelaten tot interventie aan de zijde van verzoekers .

10 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan . Ter terechtzitting van 3 juli 1990 zijn de vertegenwoordigers van partijen in hun pleidooien gehoord en hebben zij vragen van het Gerecht beantwoord .

11 Verzoekers concluderen, dat het het Gerecht behage :

- het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren,

- nietig te verklaren :

a ) verweerders besluit houdende weigering om aan verzoekers de jaarlijkse reiskosten te vergoeden voor de personen die bij een eerder besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag met kinderen ten laste zijn gelijkgesteld;

b ) het bij nota van 6 mei 1988 ter kennis gebrachte besluit van verweerder houdende wijziging van de uitlegging van artikel 8 van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut, voor zover daardoor reiskosten van met kinderen ten laste gelijkgestelde personen van vergoeding worden uitgesloten, tenzij zij in of op minder dan 50 km afstand van de standplaats van de ambtenaar wonen;

c ) voor zover nodig, het besluit waarbij de door elke verzoeker afzonderlijk ingediende administratieve klacht is afgewezen, welk besluit hun bij standaardnota van 27 juli 1988 ter kennis is gebracht;

- verweerder te verwijzen in de kosten van het geding, hetzij krachtens artikel 69, paragraaf 2, hetzij krachtens artikel 69, paragraaf 3, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering, alsmede, krachtens artikel 73, sub b, van dat Reglement, in de in verband met de procedure gemaakte noodzakelijk kosten, met name de kosten van domiciliekeuze, de reis - en verblijfkosten en het honorarium van de advocaat .

12 Verweerder concludeert dat het het Gerecht behage :

- het beroep te verwerpen,

- verzoekers te verwijzen in de kosten, voor zover deze niet ten laste van verweerder komen krachtens de artikelen 70 en 95, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering .

Ten gronde

13 Tot staving van hun beroep voeren verzoekers twee middelen aan, ontleend aan schending van artikel 8 van de bijlage respectievelijk van het beginsel van gelijke behandeling en non-discriminatie tussen ambtenaren .

14 Interveniënte, die zich wat de schending van genoemd artikel 8 betreft, bij het betoog van verzoekers aansluit, stelt voorts, dat de bestreden handeling in feite een besluit is in de zin van artikel 110, eerste alinea, Ambtenarenstatuut en dat dit besluit door de administratie is genomen ter uitvoering van een eerder besluit van het college van hoofden van administratie . Dit laatste besluit is onwettig, omdat het is genomen door een onbevoegd orgaan, de in artikel 110, eerste alinea, van het Statuut voorziene procedurele waarborgen niet in acht zijn genomen, elke motivering erin ontbreekt, er onvoldoende bekendheid aan is gegeven en het, meer in het algemeen, misbruik van procedure oplevert .

15 Ter terechtzitting heeft verweerder verklaard, dat het bestreden besluit geen wijziging van het Statuut inhoudt noch een algemene uitvoeringsbepaling ervan; het omschrijft slechts het standpunt van het tot aanstelling bevoegd gezag met betrekking tot de toepassing van artikel 8, lid 1, van de bijlage met ingang van het jaar 1988 . De secretaris-generaal van de Raad heeft dit standpunt mondeling aan de administratie meegedeeld en deze heeft vervolgens bij nota van 6 mei 1988 enkel de ambtenaren met een of meer met kinderen ten laste gelijkgestelde personen die niet in hun standplaats wonen daarvan in kennis gesteld . Toen de secretaris-generaal de praktijk van de Raad aan de conclusie van het college van hoofden van administratie aanpaste, handelde hij op eigen verantwoordelijkheid en niet ter uitvoering van het besluit van genoemd college .

16 In dit verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt, dat de redenering van interveniënte berust op het verkeerde uitgangspunt, dat het bestreden besluit is genomen op grond van artikel 110, eerste alinea, Ambtenarenstatuut, dat de vaststelling van algemene bepalingen ter uitvoering van het Statuut door elke instelling betreft . In werkelijkheid gaat het om een reeks individuele besluiten van het tot aanstelling bevoegd gezag, waarbij de reiskostenvergoeding voor het jaar 1988 is geweigerd, en die door het secretariaat-generaal van de Raad bij nota van 6 mei 1988 aan de betrokken ambtenaren zijn meegedeeld . Het tot aanstelling bevoegd gezag heeft deze individuele besluiten bevestigd door de door elk van verzoekers ingediende klacht af te wijzen .

17 In de tweede plaats moet worden vastgesteld, dat de conclusie nr . 185/88, waarop de bestreden besluiten berusten, is opgesteld door vertegenwoordigers van de administraties van de instellingen in wat zijzelf een "college" noemen, in het kader van het "regelmatig overleg tussen de diensten van de instellingen" als voorzien in artikel 110, derde alinea, Ambtenarenstatuut . De conclusie, die is aangenomen ten einde te komen tot een uniforme administratieve praktijk bij de uitlegging van artikel 8, lid 1, van de bijlage, was niet bindend voor het bevoegd gezag toen dit de bestreden individuele besluiten vaststelde . Het tot aanstelling bevoegd gezag heeft immers gehandeld krachtens de hem bij artikel 8, lid 1, van de bijlage verleende bevoegdheid en interveniënte kan haar bewering van het tegendeel niet staven met de enkele verwijzing naar het feit dat in de nota van 6 mei 1988 wordt gezegd, dat "het tot aanstelling bevoegd gezag heeft besloten een conclusie van het college van hoofden van administratie bij de Raad toe te passen ...".

Het eerste middel

18 Verzoekers betogen, dat de enige voorwaarde die artikel 8 van de bijlage stelt voor de forfaitaire vergoeding van de reiskosten van de echtgenoot, kinderen en ten laste komende personen van een ambtenaar is, dat deze laatste recht heeft op de kostwinnerstoelage . Het Ambtenarenstatuut zou geen enkele bepaling bevatten op grond waarvan kan worden gezegd, dat een met een kind ten laste gelijkgesteld persoon niet precies dezelfde rechten heeft als de echtgenoot en de kinderen . De ambtenaar wiens standplaats en plaats van herkomst zich in Europa bevinden, heeft - een of twee keer per kalenderjaar, naar gelang van de afstand - recht op forfaitaire vergoeding van de reiskosten tussen de standplaats en de plaats van herkomst voor hemzelf en, in voorkomend geval, voor zijn echtgenoot en alle andere in artikel 2 van de bijlage bedoelde personen die te zijnen laste komen . Hieruit leiden verzoekers af, dat de personen ten laste niet in de standplaats van de ambtenaar behoeven te wonen om voor de forfaitaire reiskostenvergoeding in aanmerking te komen .

19 Verzoekers komen tot deze conclusie door eerst de artikelen 1, 2, 7, lid 1, en 8, leden 1 en 4, van de bijlage in hun onderlinge samenhang te analyseren en het ene artikel in het licht van het andere uit te leggen, en vervolgens de letterlijke uitlegging die het tot aanstelling bevoegd gezag aan artikel 8 geeft, af te wijzen . Zij wijzen erop dat, wanneer men voor een dergelijke uitlegging kiest, daar ook alle consequenties uit moeten worden getrokken, zelfs wanneer deze absurd zijn of onverenigbaar met het doel van het artikel . Met betrekking tot artikel 7, lid 1, en artikel 8, lid 1, van de bijlage stellen verzoekers meer in het bijzonder vast, dat eerstgenoemde bepaling verlangt, dat de echtgenoot en de personen ten laste werkelijk met de ambtenaar onder één dak wonen, terwijl de tweede bepaling enkel het recht op de kostwinnerstoelage als voorwaarde stelt zonder te reppen van een voorwaarde van samenwonen . Voorts achten verzoekers het van belang, dat artikel 8, lid 4, tweede alinea, betreffende de reiskosten van ambtenaren wier plaats van herkomst en/of standplaats buiten Europa zijn gelegen, uitdrukkelijk bepaalt dat, ingeval zij niet met de ambtenaar in de standplaats samenwonen, enkel de echtgenoot en kinderen ten laste recht op vergoeding van reiskosten hebben, maar niet de met een kind ten laste gelijkgestelde personen . Hadden de opstellers van het Statuut deze groep rechthebbenden eveneens van vergoeding van reiskosten "in Europa" willen uitsluiten, dan zouden zij dat ongetwijfeld uitdrukkelijk hebben gezegd .

20 Verweerder wijst er in het eerste gedeelte van zijn betoog met nadruk op, dat het recht van de ambtenaar op de kostwinnerstoelage volgens de bepalingen van de bijlage aan drie voorwaarden is onderworpen : a ) gehuwd zijn; b ) een of meer ten laste komende kinderen hebben; c ) daadwerkelijk gezinslasten dragen voor andere personen dan de echtgenoot en de kinderen ten laste . Onder verwijzing naar de arresten van het Hof van 19 januari 1984 ( zaak 65/83, Erdini, Jurispr . 1984, blz . 211 ) en 23 maart 1988 ( zaak 248/87, Mouriki, Jurispr . 1988, blz . 1721 ) stelt verweerder, dat de ambtenaar geen aanspraak kan maken op een kostwinnerstoelage voor andere familieleden ten laste dan zijn echtgenoot en zijn kinderen, tenzij die personen met hem samenwonen . Het Statuut zou dus onderscheid maken tussen de rechten die een ambtenaar heeft uit hoofde van zijn echtgenoot en zijn kinderen, te wier aanzien een onweerlegbaar vermoeden bestaat dat zij met hem samenwonen, en de rechten die hij heeft uit hoofde van andere personen ten laste . Bovendien onderscheidt artikel 2 van de bijlage twee categorieën personen ten laste, namelijk enerzijds de kinderen, en anderzijds personen die met ten laste komende kinderen zijn gelijkgesteld . De ambtenaar moet bewijzen, dat hij ten opzichte van die personen wettelijke onderhoudsplichten heeft . Voor kinderen ten laste behoeft hij dat evenwel niet aan te tonen .

21 Met betrekking tot artikel 8, lid 1, van de bijlage meent verweerder, dat deze bepaling aldus moet worden uitgelegd, dat de forfaitaire reiskostenvergoeding moet worden uitbetaald :

- wat de echtgenoot en de kinderen ten laste betreft, op basis van het vermoeden dat zij in gezinsverband in de standplaats wonen,

- wat de met kinderen ten laste gelijkgestelde personen betreft, op voorwaarde dat de gelijkgestelde persoon in of in de nabijheid van de standplaats van de ambtenaar woont .

Volgens verweerder is een dergelijke uitlegging te verdedigen met de volgende argumenten . In de eerste plaats onderstelt de in geding zijnde bepaling een reis van de standplaats van de ambtenaar naar zijn plaats van herkomst, en niet omgekeerd . In de tweede plaats heeft de reiskostenvergoeding tot doel, de ambtenaar de financiële middelen te verschaffen om een of twee keer per jaar naar zijn plaats van herkomst te reizen ten einde aldaar zijn familiebanden en zijn sociale en culturele betrekkingen in stand te kunnen houden . Om te vermijden dat de ambtenaar deze reis niet onderneemt tenzij vergezeld door zijn gezinsleden, worden ook de reiskosten van deze gezinsleden vergoed . In de derde plaats heeft de genoemde rechtspraak van het Hof betreffende het recht op de kostwinnerstoelage zich ontwikkeld in de richting van een restrictieve uitlegging, wat wegens het nauwe verband tussen beide rechten noopt tot een overeenkomstige uitlegging met betrekking tot het recht op de reiskostenvergoeding .

22 Alvorens in te gaan op het door partijen betoogde, moet worden herinnerd aan de inhoud van de in geding zijnde bepalingen . Volgens artikel 67, lid 1, Ambtenarenstatuut omvatten de gezinstoelagen a ) de kostwinnerstoelage, b ) de kindertoelage, c ) de toelage voor schoolgaande kinderen . Voorts bepaalt artikel 71 van het Statuut, dat de ambtenaar overeenkomstig het bepaalde in bijlage VII recht heeft op vergoeding van de kosten die hij in of ter gelegenheid van de uitoefening van zijn functie heeft gemaakt . Ingevolge deze bepalingen zijn in de bijlage in afdeling 1 ( artikelen 1-3 ) de voorwaarden voor toekenning en de wijze van uitbetaling van de gezinstoelagen geregeld en in afdeling 3, sub C ( artikelen 7 en 8 ), de voorwaarden voor vergoeding van de reiskosten .

23 Wat de kostwinnerstoelage betreft, bepaalt artikel 1, lid 2, van de bijlage, dat hierop recht hebben : "a ) de gehuwde ambtenaar; b ) de ambtenaar die weduwnaar, van echt gescheiden, wettelijk gescheiden of ongehuwd is, en die één of meer te zijnen laste komende kinderen in de zin van artikel 2, leden 2 en 3, heeft; c ) krachtens een bijzonder en gemotiveerd besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag, genomen op grond van bewijsstukken, de ambtenaar die hoewel hij niet voldoet aan de sub a en b gestelde voorwaarden, in feite gezinslasten draagt ." Met betrekking tot de kindertoelage bepaalt artikel 2, lid 2, van de bijlage, dat "als te zijnen laste komend kind wordt aangemerkt : een wettig, onwettig of geadopteerd kind van de ambtenaar of van diens echtgenoot, dat daadwerkelijk door hem wordt onderhouden ...". Vervolgens bepaalt lid 4 van hetzelfde artikel : "In uitzonderlijke gevallen kan een persoon ten aanzien van wie de ambtenaar een wettelijke onderhoudsplicht heeft welke hem zware lasten oplegt, bij bijzonder, met redenen omkleed besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag, genomen op grond van bewijsstukken, met een te zijnen laste komend kind worden gelijkgesteld ."

24 Ten aanzien van de reiskosten bepaalt artikel 7, lid 1, van de bijlage, dat de ambtenaar recht heeft op vergoeding van zijn reiskosten voor zichzelf, zijn echtgenoot en de personen te zijnen laste, die daadwerkelijk met hem samenwonen, bij zijn indiensttreding, bij beëindiging van de dienst, en bij elke andere verandering van standplaats . Ten slotte preciseert artikel 8, lid 1, van de bijlage nog : "De ambtenaar heeft voor zichzelf en, indien hij recht heeft op de kostwinnerstoelage, voor zijn echtgenoot en de personen te zijnen laste in de zin van artikel 2, recht op een bedrag gelijk aan de reiskosten van zijn standplaats naar de plaats van herkomst in de zin van artikel 7, volgens onderstaande regels :

- eenmaal per kalenderjaar, indien de afstand per spoorweg tussen de standplaats en de plaats van herkomst meer dan 50 km en minder dan 725 km bedraagt;

- tweemaal per kalenderjaar, indien de afstand per spoorweg tussen de standplaats en de plaats van herkomst 725 km of meer bedraagt ...."

Volgens de leden 2 en 3 geschiedt de uitkering op forfaitaire grondslag dan wel bij wijze van uitzondering op vertoon van de bewijsstukken . Een reis naar een plaats buiten Europa vormt een speciaal geval, dat wordt geregeld in lid 4 van hetzelfde artikel .

25 Uit de aangehaalde bepaling van artikel 8, lid 1, van de bijlage volgt, dat de ambtenaar eenmaal of tweemaal per jaar recht heeft op vergoeding van zijn eigen reiskosten en, indien hij recht heeft op de kostwinnerstoelage, ook voor zijn echtgenoot en alle andere in artikel 2 van de bijlage bedoelde personen ten laste .

26 Volgens de tekst van de betrokken bepaling betreft de vergoeding de reiskosten "van zijn standplaats naar zijn plaats van herkomst ". De vergoeding van de reiskosten in omgekeerde richting, van de plaats van herkomst ( of van een andere plaats ) naar de standplaats, is slechts voorzien in het speciale geval dat de plaats van herkomst en/of de standplaats buiten Europa zijn gelegen . Een letterlijke uitlegging van de toepasselijke bepaling pleit derhalve voor de door de administratie gekozen oplossing, te weten dat de met een kind ten laste gelijkgestelde personen in de standplaats van de ambtenaar moeten wonen om eenmaal of tweemaal per jaar recht te hebben op vergoeding van hun reiskosten naar de plaats van herkomst .

27 Deze uitlegging, die strookt met de letter van artikel 8 van de bijlage, wordt bevestigd door het doel dat het Statuut met de reiskostenvergoeding beoogt . Dit doel is immers, de ambtenaar en de personen te zijnen laste ten minste eenmaal per jaar in staat te stellen naar de plaats van herkomst te reizen, ten einde aldaar hun familiebanden en hun sociale en culturele betrekkingen in stand te houden . In dit verband moet erop worden gewezen, dat de mogelijkheid voor de ambtenaar om zijn persoonlijke banden met de plaats waar hij zijn voornaamste belangen heeft, in stand te houden, een algemeen beginsel van het Europese ambtenarenrecht is ( arrest van het Hof van 2 mei 1985, zaak 144/84, De Angelis, Jurispr . 1985, blz . 1301 ).

28 Waar het Statuut voorziet in een reiskostenvergoeding ook voor personen die enkel in ruime zin gezinsleden van de ambtenaar zijn, is dat om die reis mogelijk te maken voor alle gezinsleden die wegens de indiensttreding van de ambtenaar bij de Gemeenschappen gedwongen waren hun plaats van herkomst te verlaten . Zo gezien is de litigieuze uitkering niet te beschouwen als een gezinstoelage, bedoeld als een tegemoetkoming voor de ambtenaar in verband met de kosten die hij voor met een kind ten laste gelijkgestelde personen moet maken . In werkelijkheid gaat het om een uitkering ter dekking van de kosten die de ambtenaar bij de uitoefening van zijn functie maakt . Dat de in geding zijnde uitkering dit karakter heeft, wordt bevestigd door het feit, dat de desbetreffende bepaling is opgenomen in afdeling 3 van de bijlage, waarin de uitvoeringsvoorwaarden van het in artikel 71 Ambtenarenstatuut genoemde grondbeginsel worden bepaald .

29 Het tegengestelde betoog van verzoekers, dat personen ten laste precies dezelfde rechten hebben als kinderen ten laste, gaat uit van de onjuiste opvatting, dat de in geding zijnde uitkering tot de gezinstoelagen behoort .

30 Ook aan de vergelijking die verzoekers maken tussen de artikelen 7, lid 1, en 8, lid 4, enerzijds en artikel 8, lid 1, anderzijds kunnen geen goede argumenten worden ontleend . Elk van die bepalingen regelt op verschillende wijze speciale gevallen, zodat men er argumenten uit zou kunnen putten die zowel voor de ene als voor de andere uitlegging pleiten .

31 Uit het voorgaande volgt, dat de ambtenaar die recht heeft op de kostwinnerstoelage, in aanmerking komt voor vergoeding van reiskosten voor met kinderen ten laste gelijkgestelde personen, mits deze gedurende het grootste gedeelte van het jaar in de standplaats van de ambtenaar wonen of op een bepaalde afstand daarvan, welke afstand van geval tot geval kan verschillen naar gelang van de huisvestings - en vervoermogelijkheden . Het eerste middel van verzoekers, dat berust op de - verkeerde - uitlegging van artikel 8, lid 1, van de bijlage, dat de reiskosten ook kunnen worden vergoed wanneer de personen ten laste in de plaats van herkomst wonen, moet derhalve worden afgewezen .

Het tweede middel

32 Verzoekers stellen, dat het besluit van de administratie tot gevolg heeft, dat kinderen ten laste en daarmee gelijkgestelde personen verschillend worden behandeld, hoewel al deze personen per definitie in aanmerking moeten komen voor dezelfde rechten en voordelen . Door het bestreden besluit zou derhalve het beginsel van gelijke behandeling en van non-discriminatie tussen ambtenaren zijn geschonden .

33 Verweerder merkt op, dat de door het tot aanstelling bevoegd gezag aanvaarde nieuwe uitlegging niet tot discriminatie tussen ambtenaren leidt, aangezien de rechten die het Statuut de ambtenaren uit hoofde van hun kinderen verleent, duidelijk verschillen van die welke zij hebben uit hoofde van met kinderen ten laste gelijkgestelde personen . Dit verschil in behandeling zou zijn rechtvaardiging vinden in het vermoeden van samenwonen, dat op het wezen van het gezin zelf berust .

34 Ofschoon het algemene gelijkheidsbeginsel een van de fundamentele beginselen van het gemeenschapsrecht is, is het volgens vaste rechtspraak van het Hof slechts van toepassing op personen die zich in gelijke of vergelijkbare omstandigheden vinden ( zie bij voorbeeld het arrest van 16 oktober 1980, zaak 147/79, Hochstrass, Jurispr . 1980, blz . 3005, 3019 ). Voor de onderhavige zaak betekent dit, dat het aan schending van dit beginsel ontleende middel moet worden afgewezen, voornamelijk omdat de kinderen van de ambtenaar, die tot het gezin in enge zin behoren en voor wie een vermoeden van samenwoning bestaat, zich niet in dezelfde omstandigheden bevinden als de met kinderen ten laste gelijkgestelde personen, die slechts deel uitmaken van het gezin in ruime zin .

35 Uit al het voorafgaande volgt, dat het beroep moet worden verworpen .

Beslissing inzake de kosten

Kosten

36 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat ingevolge artikel 11, derde alinea, van het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 van overeenkomstige toepassing is bij het Gerecht, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dat is gevorderd . Volgens artikel 70 van dat Reglement blijven evenwel de kosten, in beroepen van personeelsleden van de Gemeenschappen door de instellingen gemaakt, te hunnen laste .

Dictum

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG ( Derde Kamer ),

rechtdoende :

1 ) Verwerpt het beroep .

2 ) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen .