7.9.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 260/10


Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 18 juli 2013 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Korkein hallinto-oikeus — Finland) — P Oy

(Zaak C-6/12) (1)

(Staatssteun - Artikelen 107 VWEU en 108 VWEU - Voorwaarde van „selectiviteit” - Verordening (EG) nr. 659/1999 - Artikel 1, sub b-i - Bestaande steun - Nationale regeling inzake vennootschapsbelasting - Verliesverrekening - Niet-aftrekbaarheid bij verandering van eigenaar - Machtiging voor afwijkingen - Beoordelingsbevoegdheid van belastingadministratie)

2013/C 260/17

Procestaal: Fins

Verwijzende rechter

Korkein hallinto-oikeus

Partijen in het hoofdgeding

P Oy

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Korkein hallinto–oikeus — Uitlegging van artikel 107, lid 1, VWEU — Regeling voor de aftrek van verliezen van vennootschappen — Inkomstenbelastingregeling volgens welke de in een belastingjaar geleden verliezen kunnen worden overgedragen en afgetrokken van winsten in volgende jaren — Uitsluiting van de verliesaftrek in geval van een verandering van eigenaar tijdens het jaar waarin de verliezen zijn ontstaan, of nadien — Uitzondering op de uitsluiting van de aftrek indien er gegronde redenen zijn verband houdend met de voortzetting van de activiteit van de betrokken vennootschap

Dictum

1)

Een belastingregeling zoals die in het hoofdgeding kan de voorwaarde van selectiviteit — een bestanddeel van het begrip „steunmaatregelen van de staten” in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU — vervullen indien wordt vastgesteld dat het referentiestelsel, te weten het „normale” stelsel, wordt gevormd door het verbod op verliesverrekening in geval van verandering van eigenaar in de zin van § 122, eerste alinea, van wet nr. 1535/1992 van 30 december 1992 op de inkomstenbelasting (Tuloverolaki) waarop het in de derde alinea van dat artikel neergelegde machtigingssysteem een uitzondering vormt. Een dergelijke regeling kan worden gerechtvaardigd door de aard of de algemene opzet van het stelsel waarvan het deel uitmaakt, voor zover daarbij wordt uitgesloten dat de bevoegde nationale autoriteit bij de machtiging tot afwijking van het verbod op verliesverrekening een discretionaire bevoegdheid heeft op grond waarvan zij haar machtigingsbeslissingen kan baseren op criteria die vreemd zijn aan dat belastingstelsel. Het Hof beschikt echter niet over voldoende gegevens om definitief uitspraak te doen over die kwalificaties.

2)

Artikel 108, lid 3, VWEU verzet zich er niet tegen dat een belastingregeling zoals die van § 122, eerste en derde alinea, van wet nr. 1535/1992, indien zij wordt gekwalificeerd als „steunmaatregelen van de staten”, in de lidstaat die deze belastingregeling heeft ingevoerd van toepassing blijft op grond dat het „bestaande” steun betreft, onverminderd de in dat artikel 108, lid 3, VWEU neergelegde bevoegdheid van de Europese Commissie.


(1)  PB C 58 van 25.2.2012.