Conclusie van de advocaat generaal

Conclusie van de advocaat generaal

1 In deze procedure verzoekt de Commissie het Hof krachtens artikel 169 EG-Verdrag vast te stellen, dat het Koninkrijk België, door de maatregelen die nodig zijn om uitvoering te geven aan richtlijn 94/57/EG van de Raad van 22 november 1994 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties en voor de desbetreffende werkzaamheden van maritieme instanties(1), niet binnen de vastgestelde termijn te nemen en/of de Commissie daarvan in kennis te stellen, niet heeft voldaan aan de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen.

2 Artikel 16 van de richtlijn bepaalt het volgende:

"1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 31 december 1995 aan deze richtlijn te voldoen.

(...)

3. De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van alle bepalingen van nationaal recht die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen. De Commissie stelt de andere lidstaten daarvan in kennis."

3 Het Koninkrijk België heeft niet betwist dat het de richtlijn niet heeft uitgevoerd, en voert ter verdediging aan, dat de nodige maatregelen in voorbereiding zijn.

4 In deze omstandigheden is het verzoek van de Commissie kennelijk gegrond.

Conclusie

5 Bijgevolg geef ik het Hof in overweging:

1) te verklaren, dat het Koninkrijk België, door niet alle bepalingen vast te stellen die nodig zijn om uitvoering te geven aan richtlijn 94/57/EG van de Raad van 22 november 1994 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties en voor de desbetreffende werkzaamheden van maritieme instanties, niet heeft voldaan aan de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen;

2) het Koninkrijk België te veroordelen in de kosten van het geding.

(1) - PB L 319, blz. 20.