10.12.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 362/10


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 20 oktober 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Court of Appeal in Northern Ireland — Verenigd Koninkrijk) — Department of the Environment for Northern Ireland/Seaport (NI) Ltd, Magherafelt district Council, F P McCann (Developments) Ltd, Younger Homes Ltd, Heron Brothers Ltd, G Small Contracts, Creagh Concrete Products Ltd

(Zaak C-474/10) (1)

(Verzoek om prejudiciële beslissing - Richtlijn 2001/42/EG - Artikel 6 - Aanwijzing als te raadplegen instantie van instantie die met milieueffecten van uitvoering van plannen en programma’s te maken kan krijgen - Mogelijkheid voor te raadplegen instantie om plannen of programma’s te ontwerpen - Verplichting om andere instantie aan te wijzen - Nadere regels voor informatie aan en raadpleging van instanties en publiek)

2011/C 362/14

Procestaal: Engels

Verwijzende rechter

Court of Appeal in Northern Ireland

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Department of the Environment for Northern Ireland

Verwerende partijen: Seaport (NI) Ltd, Magherafelt district Council, F P McCann (Developments) Ltd, Younger Homes Ltd, Heron Brothers Ltd, G Small Contracts, Creagh Concrete Products Ltd

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Court of Appeal in Northern Ireland — Uitlegging van artikel 6, leden 2, 3 en 4, van richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (PB L 197, blz. 30) — Aanwijzing van te raadplegen instantie die met de milieueffecten van de uitvoering van plannen en programma’s te maken kan krijgen — Nadere regels voor de informatie aan en de raadpleging van de instanties en het publiek

Dictum

1)

In omstandigheden als die van het hoofdgeding vereist artikel 6, lid 3, van richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s, niet dat een andere te raadplegen instantie in de zin van die bepaling wordt opgericht of aangewezen, voor zover binnen de instantie die normaliter wordt geraadpleegd inzake milieuaangelegenheden en als te raadplegen instantie is aangewezen, wordt voorzien in een zodanige functionele scheiding dat een administratieve eenheid binnen die instantie beschikt over een werkelijke autonomie, wat met name inhoudt dat zij beschikt over eigen administratieve middelen en personeel en aldus in staat is om de taken te vervullen die zijn toevertrouwd aan de te raadplegen instanties in de zin van artikel 6, lid 3, van deze richtlijn, en, in het bijzonder, om op objectieve wijze haar mening te geven over het plan of programma dat door de instantie waartoe zij behoort, is voorgesteld.

2)

Artikel 6, lid 2, van richtlijn 2001/42 moet aldus worden uitgelegd dat deze bepaling niet vereist dat het tijdschema, waarbinnen de aangewezen instanties en het publiek dat wordt of kan worden geraakt, als bedoeld in de leden 3 en 4 van dat artikel, de gelegenheid moet worden geboden hun mening te geven over een bepaald ontwerpplan of -programma en het desbetreffende milieurapport, nauwkeurig wordt vastgesteld in de nationale regelgeving tot uitvoering van die richtlijn. Artikel 6, lid 2, van richtlijn 2001/42 staat er bijgevolg niet aan in de weg dat een dergelijk tijdsschema per geval wordt vastgesteld door de instantie die het plan of programma opstelt. In dit laatste geval vereist die bepaling evenwel dat de daadwerkelijk vastgestelde termijn voor de raadpleging van die instanties en van dat publiek over een bepaald ontwerpplan of -programma, voldoende lang moet zijn, zodat hun daadwerkelijk de gelegenheid wordt geboden om tijdig hun mening te geven over dit ontwerpplan of -programma en het bijbehorende milieurapport.


(1)  PB C 13 van 15.1.2011.