Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum

Partijen

In zaak T‑144/04,

Télévision française 1 SA (TF1), gevestigd te Nanterre (Frankrijk), vertegenwoordigd door J.‑P. Hordies en C. Smits, advocaten,

verzoekster,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Buendía Sierra, M. Niejhar en C. Giolito als gemachtigden,

verweerster,

ondersteund door

Franse Republiek, vertegenwoordigd door G. de Bergues als gemachtigde,

interveniënte,

betreffende een verzoek tot nietigverklaring van beschikking 2004/838/EG van de Commissie van 10 december 2003 betreffende de steunmaatregelen van Frankrijk ten behoeve van France 2 en France 3 (PB 2004, L 361, blz. 21),

geeft

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: M. Vilaras (rapporteur), kamerpresident, M. Prek en V. Ciucă, rechters,

griffier: E. Coulon,

de navolgende

Beschikking

Overwegingen van het arrest

Feiten

1. Op 10 maart 1993 diende verzoekster – Télévision Française 1 SA (TF1), eigenares van de particuliere commerciële omroep TF1 – bij de Commissie een klacht in betreffende de financierings‑ en exploitatiewijze van de twee Franse publieke omroepen France 2 en France 3. In deze klacht werd inbreuk op artikel 81 EG, artikel 86, lid 1, EG en artikel 87 EG aangevoerd.

2. Verzoekster heeft op 2 februari 1996 een beroep wegens nalaten ingesteld tegen de Commissie.

3. Bij zijn arrest van 3 juni 1999, TF1/Commissie (T‑17/96, Jurispr. blz. II‑1757), heeft het Gerecht de Commissie veroordeeld, na te hebben vastgesteld dat deze instelling geen beschikking had gegeven over het onderdeel van verzoeksters klacht betreffende staatssteun.

4. Op 27 september 1999 heeft de Commissie de formele onderzoeksprocedure van artikel 88, lid 2, EG ingeleid ten aanzien van de investeringssubsidies ten gunste van France 2 en France 3 en de kapitaalinjecties ten gunste van France 2 tussen 1988 en 1994.

5. Bij beschikking 2004/838/EG van 10 december 2003 betreffende de steunmaatregelen van Frankrijk ten behoeve van France 2 en France 3 (PB 2004 L 361, blz. 21; hierna: „bestreden beschikking”) heeft de Commissie geoordeeld dat „[d]e in de periode 1988-1994 door Frankrijk aan France 2 en France 3 betaalde investeringssubsidies en aan France 2 gegeven kapitaalinjecties [...] staatssteun [vormen] welke op grond van artikel 86, lid 2, [EG] verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt” (artikel 1 van de bestreden beschikking). De bestreden beschikking slaat niet op de omroepbijdrage die uit hoofde van de Franse wet nr. 49-1032 van 30 juli 1949 op het gebruiksrecht van televisieontvangers wordt geheven, aangezien deze van het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure was uitgesloten (punt 25 van de considerans van de bestreden beschikking).

6. Op 3 februari 2004 heeft de Commissie verzoekster een kopie van de bestreden beschikking toegestuurd, die deze op 4 februari 2004 heeft ontvangen.

Procesverloop en conclusies van partijen

7. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht bij faxbericht van 13 april 2004 – het origineel van het verzoekschrift is op 15 april daaraanvolgend bij de griffie ingediend – heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

8. Bij akte van 9 juli 2004 heeft de Franse Republiek verzocht, in de onderhavige procedure te worden toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Commissie. Bij beschikking van de president van de Vierde kamer van het Gerecht van 6 september 2004 is dit verzoek ingewilligd.

9. Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht op 13 september 2004 is de rechter-rapporteur als kamerpresident toegevoegd aan de Vijfde kamer. Bijgevolg is de onderhavige zaak aan die kamer toegewezen.

10. Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:

– het beroep ontvankelijk te verklaren;

– de bestreden beschikking nietig te verklaren;

– de Commissie te verwijzen in de kosten en ten aanzien van de Franse Republiek over de kosten te beslissen als naar recht.

11. De Commissie, aangaande de ontvankelijkheid van het beroep en de kosten ondersteund door de Franse Republiek, concludeert dat het het Gerecht behage:

– het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;

– subsidiair, het beroep als kennelijk rechtens ongegrond te verwerpen;

– verzoekster te verwijzen in de kosten.

12. In repliek heeft verzoekster het Gerecht verzocht, de Commissie te gelasten een brief over te leggen die deze instelling op 10 december 2003 aan de Franse autoriteiten zou hebben gezonden, en waarin zij hen zou hebben uitgenodigd om opmerkingen en voorstellen voor wijziging van de wettelijke regeling inzake de omroepbijdrage in te dienen.

In rechte

13. Krachtens artikel 113 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht kan het Gerecht, met inachtneming van het bepaalde in artikel 114, leden 3 en 4, van dat Reglement, in iedere stand van het geding ambtshalve, na partijen te hebben gehoord, uitspraak doen over de middelen van niet-ontvankelijkheid die van openbare orde zijn, waaronder de middelen van niet-ontvankelijkheid die zijn gebaseerd op de niet-inachtneming van de termijn voor de instelling van beroep en op schending van artikel 44, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering.

14. Volgens artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht bovendien, wanneer het kennelijk onbevoegd is kennis te nemen van een beroep, of wanneer dit kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, zonder de behandeling voort te zetten, beslissen bij met redenen omklede beschikking.

15. In casu acht het Gerecht zich voldoende voorgelicht door de processtukken en de toelichtingen van partijen om uitspraak te doen op het onderhavige beroep zonder tot de mondelinge behandeling over te gaan en zonder de door verzoekster gevraagde maatregel tot organisatie van de procesgang te gelasten.

De ontvankelijkheid van het beroep uit het oogpunt van de beroepstermijn

16. Verzoekster en de Commissie zijn het erover eens dat de beroepstermijn is ingegaan op het tijdstip waarop de Commissie verzoekster de bestreden beschikking heeft meegedeeld, te weten op 4 februari 2004, en dat deze termijn is verstreken op 14 april 2004 om middernacht.

17. De Commissie stelt echter vast dat het beroepschrift op 13 april 2004 per telefax is neergelegd en dat het origineel van het verzoekschrift op 15 april 2004 is ingediend, en verlaat zich op het Gerecht om na te gaan of alle dwingende bepalingen van artikel 43, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering zijn nageleefd.

18. Volgens artikel 230, vijfde alinea, EG moet het beroep tot nietigverklaring worden ingesteld binnen twee maanden te rekenen, al naargelang van het geval, vanaf de dag van bekendmaking van de handeling, vanaf de dag van kennisgeving aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag waarop de verzoeker van de handeling kennis heeft gekregen.

19. Uit de formulering zelf van deze bepaling blijkt dat het criterium van de datum waarop van de handeling kennis is gekregen, voor het ingaan van de beroepstermijn subsidiair is ten opzichte van de criteria van bekendmaking of kennisgeving van de handeling (zie beschikking Gerecht van 21 november 2005, Tramarin/Commissie, T‑426/04, Jurispr. blz. II‑4765, punt 48, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

20. Met betrekking tot de handelingen die volgens een vaste praktijk van de betrokken instelling worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie , hoewel die bekendmaking geen voorwaarde is voor de toepasselijkheid daarvan, hebben het Hof en het Gerecht bovendien erkend dat het criterium van de datum van kennisneming niet van toepassing was, en dat de datum van bekendmaking de beroepstermijn deed ingaan. In dergelijke omstandigheden mag de betrokken derde er immers van uitgaan dat de betrokken handeling zal worden bekendgemaakt (zie beschikking Tramarin/Commissie, punt 19 supra, punt 49, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

21. In casu heeft de Commissie, conform de verplichting die haar is opgelegd in artikel 26, lid 3, van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [88 EG] (PB L 83, blz. 1), de bestreden beschikking op 8 december 2004 bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie .

22. Derhalve is de termijn voor het instellen van beroep, overeenkomstig artikel 102, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, beginnen te lopen „vanaf het einde van de veertiende dag volgend op die waarop de handeling in het Publicatieblad van de Europese Unie is bekendgemaakt”, te weten vanaf 22 december 2004 om middernacht, en niet, zoals zowel verzoekster als de Commissie ten onrechte menen, vanaf het tijdstip waarop de bestreden beschikking aan verzoekster is meegedeeld. Aldus is de beroepstermijn volgens artikel 230, vijfde alinea, EG junctis artikel 101 en artikel 102, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering verstreken op vrijdag 4 maart 2005 om middernacht.

23. In casu heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld op 13 april 2004, dus verschillende maanden vóór het tijdstip waarop de termijn voor het instellen van beroep zelfs maar is beginnen te lopen. Het onderhavige beroep is derhalve ontvankelijk voor zover het is ingesteld binnen de gestelde termijn.

De ontvankelijkheid van het beroep ten aanzien van artikel 44, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering en de kennelijke ongegrondheid ervan

24. Zonder krachtens artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen stelt de Commissie, ondersteund door de Franse Republiek, dat het beroep in zijn geheel niet-ontvankelijk is omdat het niet voldoet aan de eisen van artikel 44, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering. Subsidiair betoogt de Commissie dat de grieven van verzoekster waarop zij een antwoord ten gronde tracht te geven, kennelijk ongegrond zijn.

25. Verzoekster stelt dat haar beroep ontvankelijk is. Net als de motiveringsplicht voor handelingen van de instellingen, is de nauwkeurigheidsverplichting voor beroepen lichter wanneer de handeling deel uitmaakt van een gekende juridische context. Welnu, het verzoekschrift is slechts het voorspelbare gevolg van een meningsverschil tussen verzoekster en de Commissie, dat tijdens de administratieve procedure is geformuleerd. Het verzoekschrift kon derhalve beknopt worden opgesteld, aangezien de Commissie weet moest hebben van de middelen, zelfs van die welke er impliciet in worden vermeld, en zij bovendien een verweer ten gronde heeft ingediend. De Commissie zou uit haar stelling dat zij de aangevoerde middelen niet kent, concluderen dat er geen middelen zijn. Aldus geeft zij een te ruime uitlegging van de draagwijdte van het onderzoek van de ontvankelijkheid van een beroep.

26. Het Gerecht wijst er om te beginnen op dat de in casu opgeworpen niet-ontvankelijkheid niet is gebaseerd op een onnauwkeurige vermelding van de bestreden beschikking in het beroep, of op een vage formulering van de vorderingen. Het valt immers niet te betwisten dat de bestreden beschikking in het verzoekschrift duidelijk wordt vermeld, en dat de conclusies van het verzoekschrift uitdrukkelijk zijn gericht op nietigverklaring van deze beschikking en op verwijzing van de Commissie in de kosten.

27. De niet-ontvankelijkheid betreft immers alle grieven van het beroep, op grond dat geen enkele van de grieven die in het verzoekschrift zijn – of lijken te zijn – geformuleerd, voldoet aan de in artikel 44, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering gestelde eisen van duidelijkheid en nauwkeurigheid. De ontvankelijkheid dient dus te worden onderzocht met betrekking tot elk van deze grieven, in voorkomend geval gebundeld tot middelen.

28. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering elk verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet bevatten.

29. Volgens vaste rechtspraak moet deze aanduiding voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn om de verweerder in staat te stellen zijn verweer voor te bereiden, en om het Gerecht in staat te stellen uitspraak te doen op het beroep, in voorkomend geval zonder nadere gegevens. Teneinde de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen, is het voor de ontvankelijkheid van een beroep noodzakelijk, dat de wezenlijke elementen, feitelijk en rechtens, waarop het beroep is gebaseerd, coherent en begrijpelijk uit de tekst van het verzoekschrift zelf blijken. De tekst van het verzoekschrift mag weliswaar op specifieke punten worden gestaafd en aangevuld door verwijzingen naar bepaalde passages uit bijgevoegde stukken, doch een algemene verwijzing naar andere stukken, ook al zijn die als bijlage bij het verzoekschrift gevoegd, kan het ontbreken van de wezenlijke elementen in het verzoekschrift niet ondervangen. Het is niet de taak van het Gerecht om in de bijlagen de middelen en argumenten te zoeken en te ontdekken die het als grondslag voor het beroep zou kunnen beschouwen, daar de bijlagen slechts als bewijsmiddel dienen (zie beschikking Gerecht van 29 november 1993, Koelman/Commissie, T‑56/92, Jurispr. blz. II‑1267, punt 21; arresten Gerecht van 20 april 1999, Limburgse Vinyl Maatschappij e.a./Commissie, T‑305/94–T‑307/94, T‑313/94–T‑316/94, T‑318/94, T‑325/94, T‑328/94, T‑329/94 en T‑335/94, Jurispr. blz. II‑931, punt 39, en de aldaar aangehaalde rechtspraak, en 14 december 2005, Honeywell/Commissie, T‑209/01, Jurispr. blz. II‑5527, punten 55‑57, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).

30. Uit de voorgaande overwegingen volgt dat bij het onderzoek of het verzoekschrift voldoet aan de eisen van artikel 44, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, de inhoud van de repliek logischerwijs niet van belang is. Met name de in de rechtspraak (zie met name arresten Gerecht van 27 februari 1997, FFSA e.a./Commissie, T‑106/95, Jurispr. blz. II‑229, punt 125, en 28 januari 1999, BAI/Commissie, T‑14/96, Jurispr. blz. II‑139, punt 66) aanvaarde ontvankelijkheid van de middelen en argumenten die in repliek worden aangevoerd ter nadere uitwerking van in het verzoekschrift vervatte middelen, kan niet ter ondervanging van het niet voldoen aan de eisen van artikel 44, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering bij de instelling van het beroep worden aangevoerd zonder laatstgenoemde bepaling volledig uit te hollen.

31. Aangaande verzoeksters verwijzing naar de verplichting om de communautaire handelingen met redenen te omkleden, zij er bovendien op gewezen dat, ofschoon in geval van vaststelling van een handeling door een instelling de verplichting om in genoemde handeling een motivering op te nemen wel degelijk kan worden verlicht wanneer degene tot wie de handeling is gericht goed op de hoogte is van de context waarin de vaststelling plaatsvond (zie in die zin arresten Hof van 29 oktober 1981, Arning/Commissie, 125/80, Jurispr. blz. 2539, punt 13, en 7 maart 1990, Hecq/Commissie, C‑116/88 en C‑149/88, Jurispr. blz. I‑599, punt 26; arrest Gerecht van 14 juli 1997, B/Parlement, T‑123/95, JurAmbt. blz. I‑A‑245 en II‑697, punt 51), kan deze mogelijkheid om de motiveringsplicht te verlichten niet mutatis mutandis worden toegepast op de eisen van voldoende duidelijkheid en nauwkeurigheid van een bij de communautaire rechter ingediend verzoekschrift. Deze eisen zijn immers, met name, gesteld in het belang van de communautaire rechter, die geen voorkennis heeft van de bij hem aanhangig gemaakte zaak. Gelet op de noodzaak om de rechtszekerheid bij de afbakening van het gerechtelijk debat te waarborgen en een goede rechtsbedeling te verzekeren, kan de omstandigheid dat mag worden aangenomen dat de instelling waarvan de handeling uitgaat, een goede kennis heeft van het dossier, bovendien geen grond vormen om zich te onttrekken aan de eisen van artikel 44, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering.

32. De in het verzoekschrift aangevoerde middelen dienen tegen de achtergrond van de voorgaande overwegingen te worden onderzocht.

33. Formeel bevat het verzoekschrift twee middelen tot nietigverklaring. Het eerste middel betreft onjuiste motivering van de bestreden beschikking en de schending van het gemeenschapsrecht en, in het bijzonder, artikel 86, lid 2, EG en de bepalingen inzake steunmaatregelen van staten. Het tweede middel betreft de schending van de bepalingen van richtlijn 80/723/EEG van de Commissie van 25 juni 1980 betreffende de doorzichtigheid in de financiële betrekkingen tussen lidstaten en openbare bedrijven (PB L 195, blz. 35), zoals gewijzigd bij richtlijn 93/84/EEG van de Commissie van 30 september 1993 (PB L 254, blz. 16), en van het Protocol betreffende het publieke omroepstelsel in de lidstaten (PB 1997, C 340, blz. 109; hierna: „protocol van Amsterdam”), dat bij het Verdrag van Amsterdam als bijlage bij het EG-Verdrag is gevoegd.

Het eerste middel

34. Dit middel is uiteengezet in de punten 32 tot en met 41 van het verzoekschrift. De punten 32 tot en met 37 van het verzoekschrift bevatten evenwel slechts een beschrijving van de analyse op basis waarvan de Commissie heeft geconcludeerd dat de aan France 2 en aan France 3 toegekende opdrachten diensten van algemeen economisch belang (hierna: „DAEB”) in de zin van artikel 86, lid 2, EG vormen.

35. De uiteenzetting van de eerste grief die in het kader van dit middel wordt geformuleerd, begint in punt 38 van het verzoekschrift. In de eerste alinea van dit punt is verzoekster „van mening [...] dat de analyse van de Commissie geen rekening houdt met verschillende beslissende elementen die tot een tegenovergestelde conclusie hadden moeten leiden”.

36. Het Gerecht wijst erop dat, ondanks deze inleidende overweging – die erop lijkt te wijzen dat verzoekster opkomt tegen de stelling dat de opdrachten van France 2 en France 3 op zichzelf DAEB kunnen vormen – punt 38 van het verzoekschrift verder geen enkel element in deze zin bevat. Zo diept verzoekster dit punt niet uit en gaat zij voorbij aan de, nochtans gedetailleerde, overwegingen van de Commissie over de opdrachten van France 2 en France 3 in de punten 69 tot en met 75 van de considerans van de bestreden beschikking.

37. Verder in punt 38 van het verzoekschrift lijkt verzoekster de Commissie, in feite, te verwijten geen rekening te hebben gehouden met de stelling dat de opdrachten die aan France 2 en France 3 in hun officiële taakomschrijvingen zijn toegekend, enerzijds, en de in haar eigen officiële taakomschrijving aan verzoekster opgelegde verplichtingen, anderzijds, „in wezen” overeenstemmen. Het lijkt erop dat volgens verzoekster de stelling dat de genoemde opdrachten en verplichtingen „in wezen” overeenstemmen de Commissie ervan had moeten weerhouden, te concluderen dat de opdrachten van France 2 en France 3 DAEB vormen.

38. Verzoekster formuleert deze grief evenwel zonder enige – zelfs onnauwkeurige – verwijzing naar de opdrachten en verplichtingen in de door haar aangehaalde officiële taakomschrijvingen. Zij preciseert met name helemaal niet of de zogenaamde overeenstemming waartegen zij opkomt, betrekking heeft op bepaalde categorieën uitzendingen, op eventuele kwalitatieve vereisten die gelden voor het gehele programma, of op andere soorten verplichtingen.

39. Het Gerecht is derhalve van oordeel dat deze grief van verzoekster, zoals uiteengezet in het verzoekschrift, niet het door artikel 44, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering geëiste minimum aan duidelijkheid en nauwkeurigheid bezit om de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen.

40. Het Gerecht wijst er in elk geval op dat, zelfs indien deze grief ontvankelijk zou kunnen worden geacht ten aanzien van artikel 44, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, hij als kennelijk ongegrond dient te worden afgewezen bij gebreke van enig tot staving ervan aangevoerd bewijs.

41. Verzoekster heeft immers nagelaten om de officiële taakomschrijvingen van France 2 en France 3, en zelfs haar eigen officiële taakomschrijving, als bijlage bij het verzoekschrift over te leggen. Wat de overlegging, in repliek, van een door verzoekster uitgevoerd vergelijkend onderzoek van deze officiële taakomschrijvingen betreft, zij erop gewezen dat een dergelijk stuk, dat zonder enige geldige rechtvaardiging te laat werd overgelegd, niet-ontvankelijk is volgens artikel 48, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering. Voor het overige, en ten overvloede, blijkt meteen dat dit vergelijkend onderzoek niet ter zake dienend is, aangezien het betrekking heeft op een tijdvak na juli 1996, terwijl de onderzoeksperiode waarop de bestreden beschikking betrekking heeft, loopt van 1988 tot en met 1994.

42. Uit de voorgaande overwegingen blijkt dat verzoeksters eerste grief, betreffende de kwalificatie van de aan France 2 en France 3 toegekende opdrachten als DAEB, als niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 44, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering en, in elk geval als kennelijk ongegrond moet worden afgewezen.

43. In punt 39, eerste alinea, van het verzoekschrift geeft verzoekster – in wat een tweede grief lijkt te zijn – te kennen dat zij opkomt tegen de analyse en de conclusies van de Commissie met betrekking tot de beoordeling, ten aanzien van het evenredigheidsbeginsel, van de door de Franse Republiek aan haar publieke omroepen toegekende financiële vergoedingen.

44. Uit de volgende alinea’s van het genoemde punt 39 kan evenwel helemaal niet worden opgemaakt op welke punten verzoekster precies opkomt tegen de analyse en de conclusies van de Commissie.

45. De tweede, de zesde en de zevende alinea van dit punt beschrijven immers de toepasselijke regels of de benaderingswijze van de Commissie, en bevatten aldus geen nauwkeurig betoog. De derde alinea, die overigens nogal onduidelijk is geformuleerd, lijkt een herhaling van de in het kader van de eerste grief uiteengezette argumenten, die als niet-ontvankelijk of ongegrond werden afgedaan.

46. Aangaande de vierde en de vijfde alinea van dit punt, daarin verklaart verzoekster in wezen alleen dat de in punt 86 van de considerans van de bestreden beschikking vermelde cijfers (tabel 4) zowel beknopt als onnauwkeurig zijn. Vastgesteld zij evenwel dat juist voor deze kritiek geen verklaring wordt gegeven.

47. In de achtste en laatste alinea van punt 39 geeft verzoekster overigens toe dat haar grief in het verzoekschrift op geen enkele wijze wordt geëxpliciteerd, aangezien zij aankondigt dat „het economische onderzoek dat noodzakelijk is om de benaderingswijze van de Commissie – die [haar] uitermate betwistbaar lijkt – te weerleggen, in [haar] volgende schrifturen zal worden uitgewerkt”.

48. In deze omstandigheden dient de tweede grief niet-ontvankelijk te worden verklaard ten aanzien van artikel 44, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering.

49. In punt 40 van het verzoekschrift, dat op een derde grief lijkt, stelt verzoekster dat „[d]e Commissie heeft [...] geoordeeld dat de prijzen die tussen 1990 en 1994 door France 2 en France 3 werden toegepast voor reclamezendtijd, niet aanzienlijk lager zijn dan die welke door TF1 en M6 – hun particuliere concurrenten – worden toegepast”. Zij voegt hieraan toe dat „[d]e Commissie zich voor deze conclusie heeft gebaseerd op een enkel criterium: de gemiddelde GRP-prijs (gedefinieerd in punt 93 [...] van de considerans van de bestreden beschikking)”. Verzoekster kondigt vervolgens aan dat zij „opkomt tegen deze analyse en tegen de eruit voortvloeiende conclusie”.

50. Ondanks deze aankondiging komt verzoekster verder in punt 40 helemaal niet op tegen de – nochtans omstandige – beoordelingen van de Commissie in de punten 90 tot en met 100 van de considerans van de bestreden beschikking. Zij zet, met name, helemaal niet uiteen waarom het gebruik dat de Commissie in haar analyse maakt van de in GRP [Gross Rating Point (eenheid die gebruikt wordt voor het uitdrukken van mediaprestaties)] uitgedrukte gegevens, ontoereikend zou zijn.

51. Zij verklaart alleen dat „[h]et [...] vreemd [is] dat er geen onderzoek is verricht naar het eenvoudige feit dat de publieke omroepen, die over twee netten beschikken, te weten France 2 en France 3, een ruimere dekking aanbieden dan die welke door verzoekster wordt aangeboden, hetgeen een verklaring kan zijn voor de gelaakte prijsschommelingen, naast het feit dat de publieke omroepen, die grotendeels leven van de litigieuze staatssteun, niet onder dezelfde rentabiliteitsdruk staan als de particuliere omroepen”.

52. Het Gerecht stelt vast dat verzoekster, die overigens vaag blijft over het effect van de door haar ter sprake gebrachte „ruimere dekking”, niet uitlegt wat onder een dergelijke uitdrukking dient te worden verstaan. Gelet op het – op het eerste gezicht vanzelfsprekende – feit dat een bepaalde kijker op hetzelfde tijdstip slechts naar één omroep kijkt, zijn de door verzoekster gebruikte uitdrukking „ruimere dekking” en, derhalve, de eventuele redenering die op deze uitdrukking kan worden gebaseerd – bij gebreke van enige toelichting in het verzoekschrift – nochtans bijzonder onduidelijk. Het met het oog op een beter begrip aldus herformuleren van deze uitdrukking dat zij verwijst naar de mogelijkheid van het Franse omroepstelsel om bij het verrichten van DAEB de dekking van zijn uitzendingen te vergroten doordat het in twee omroepen is opgedeeld, hetgeen onmogelijk is voor de particuliere omroepen, verschaft geen opheldering, omdat, het weze nogmaals gezegd, een bepaalde kijker op hetzelfde tijdstip slechts naar een programma kijkt. Het gebruik door verzoekster van de vage uitdrukking „ruimere dekking” gaat in elk geval niet gepaard met enige redenering die de door de Commissie in de bestreden beschikking verrichte concrete beoordelingen op nauwkeurige en gedetailleerde wijze op losse schroeven stelt. In deze omstandigheden is de derde grief, die in punt 40 van het verzoekschrift is geformuleerd, eveneens niet-ontvankelijk.

53. Gelet op een en ander is het eerste middel tot nietigverklaring niet-ontvankelijk met betrekking tot elke van de drie grieven ervan en, in elk geval met betrekking tot de eerste grief, kennelijk ongegrond.

Tweede middel

54. In punt 42 van het verzoekschrift betoogt verzoekster dat „de Commissie richtlijn [80/723 zoals gewijzigd] onjuist heeft toegepast doordat zij met name heeft geoordeeld dat deze niet toepasselijk was op de omroepactiviteiten van de publieke omroepen voor 2000 ([punt] 81 [van de considerans] van de bestreden beschikking)”. Verzoekster voegt hieraan toe dat „[d]ezelfde redenering leidt tot een onjuiste toepassing van het [protocol van Amsterdam]”.

55. De Commissie antwoordt dat zij niet ziet in welk punt van de considerans van de bestreden beschikking deze stelling, die haar door verzoekster wordt toegeschreven, is opgenomen. Los van de niet-ontvankelijkheid van dit middel, is het hoe dan ook kennelijk rechtens ongegrond.

56. Het Gerecht stelt vast dat verzoekster ook dienaangaande haar standpunt onnauwkeurig en onvolledig onder woorden brengt. Zij legt immers helemaal niet uit waarom de gestelde onjuiste toepassing van richtlijn 80/723, zoals gewijzigd, tot de nietigverklaring van de bestreden beschikking dient te leiden. De verwijzing naar het protocol van Amsterdam gaat evenmin gepaard met enige uitleg.

57. Daardoor dwingt verzoekster – net als in het kader van het eerste middel tot nietigverklaring – zowel de verwerende instelling als het Gerecht tot het maken van veronderstellingen omtrent de redeneringen en de exacte overwegingen, feitelijk en rechtens, waarop haar betwistingen eventueel zijn gebaseerd. Artikel 44, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering beoogt echter juist een dergelijke situatie, die tot rechtsonzekerheid leidt en onverenigbaar is met een goede rechtsbedeling, te vermijden.

58. Hieruit volgt dat het onderhavige middel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van laatstgenoemde bepaling.

59. De stelling inzake een onjuiste toepassing van richtlijn 80/723, zoals gewijzigd, is hoe dan ook kennelijk ongegrond. In punt 81 van de considerans van de bestreden beschikking heeft de Commissie immers helemaal niet verklaard dat deze richtlijn niet toepasselijk was vóór 2000. Zij heeft uitgelegd dat de door deze richtlijn opgelegde verplichting om een gescheiden boekhouding te voeren, niet van toepassing was op de televisiesector in de periode waarop de bestreden beschikking betrekking heeft.

60. Deze stelling van de Commissie is echter juist. De verplichting om een gescheiden boekhouding te voeren, is immers pas bij richtlijn 2000/52/EG van de Commissie van 26 juli 2000 (PB L 193, blz. 75) ingevoegd in richtlijn 80/723, zoals gewijzigd, en bestond dus niet tijdens de periode waarop de bestreden beschikking betrekking heeft.

61. Hieruit vloeit voort dat het tweede middel, dat op een onjuist uitgangspunt berust, zelfs los van de niet-ontvankelijkheid ervan kennelijk rechtens ongegrond is.

62. Uit het geheel van de voorgaande overwegingen volgt dat het onderhavige beroep als niet-ontvankelijk, en in elk geval wat de eerste grief van het eerste middel en het tweede middel betreft, als kennelijk rechtens ongegrond moet worden verworpen.

Kosten

63. Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Bovendien bepaalt lid 4 van dit artikel dat de lidstaten die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten dragen.

64. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij, overeenkomstig de vordering van de Commissie, worden verwezen in haar eigen kosten en in de kosten van laatstgenoemde. De Franse Republiek wordt verwezen in haar eigen kosten.

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer)

Dictum

beschikt:

1) Het beroep wordt verworpen.

2) Télévision française 1 SA (TF1) zal haar eigen kosten en die van de Commissie dragen.

3) De Franse Republiek zal haar eigen kosten dragen.

Luxemburg, 19 mei 2008.