10.9.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 241/21


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 5 augustus 2008

tot instelling van een adviesstructuur van wetenschappelijke comités en deskundigen op het gebied van consumentenveiligheid, volksgezondheid en het milieu en tot intrekking van Besluit 2004/210/EG

(Voor de EER relevante tekst)

(2008/721/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op de artikelen 152 en 153,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Besluit 2004/210/EG van de Commissie (1), gewijzigd bij Besluit 2007/263/EG van de Commissie (2) werden drie wetenschappelijke comités ingesteld: het Wetenschappelijk Comité voor consumentenproducten (WCC), het Wetenschappelijk Comité voor gezondheids- en milieurisico’s (WCGM) en het Wetenschappelijk Comité voor nieuwe gezondheidsrisico’s (WCNG).

(2)

Een aantal taken van het WCGM is overgeheveld naar het bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (3) opgerichte Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA); daarom moeten de bevoegdheidsgebieden van dat comité worden herzien.

(3)

Uit de met de werking van de drie wetenschappelijke comités opgedane ervaring blijkt dat de structuur en de procedures van de comités moeten worden gewijzigd en verbeterd.

(4)

De ambtstermijn van de leden van de drie bij Besluit 2004/210/EG van de Commissie ingestelde wetenschappelijke comités werd bij Besluit 2007/708/EG van de Commissie (4) verlengd en loopt op 31 december 2008 af. De leden van die comités blijven in functie totdat zij zijn vervangen of herbenoemd.

(5)

Daarom, en om redenen van duidelijkheid, moet Besluit 2004/210/EG door een nieuw besluit worden vervangen.

(6)

Het is van essentieel belang dat de Commissie voor haar voorstellen, besluiten en beleid op het gebied van de consumentenveiligheid, de volksgezondheid en het milieu tijdig over degelijke wetenschappelijke adviezen kan beschikken. Met het oog hierop is een flexibele adviesstructuur noodzakelijk om gemakkelijker toegang te verkrijgen tot hooggekwalificeerde wetenschappelijke expertise op velerlei vakgebieden.

(7)

De wetenschappelijke adviezen over aangelegenheden in verband met de consumentenveiligheid, de volksgezondheid en het milieu moeten berusten op de beginselen van deskundigheid, onafhankelijkheid, onpartijdigheid en transparantie, zoals nader uitgewerkt in de mededeling van de Commissie over „het bijeenbrengen en benutten van deskundigheid door de Commissie: beginselen en richtsnoeren — Verbetering van de kennisbasis voor beter beleid” (5) en zij moeten in overeenstemming zijn met de beginselen van beste praktijk inzake risicobeoordeling.

(8)

Het is van essentieel belang dat de wetenschappelijke comités optimaal gebruik maken van de binnen en buiten de Europese Unie aanwezige wetenschappelijke deskundigheid, als dat noodzakelijk is voor een specifiek probleem. Hiertoe dient een pool van wetenschappelijke adviseurs met adequate expertise betreffende de diverse bevoegdheidsgebieden van de comités te worden ingesteld.

(9)

De reorganisatie van de adviesstructuur moet leiden tot meer flexibiliteit zodat zij de Commissie kan adviseren zowel over aangelegenheden die vallen onder de traditionele bevoegdheidsgebieden als over nieuwe en recentelijk gesignaleerde gezondheidsrisico’s, alsook over aangelegenheden die niet onder de bevoegdheid vallen van andere voor risicobeoordeling verantwoordelijke communautaire instanties; indien nodig moet zij snelle adviezen kunnen verstrekken en volledige transparantie en een grote mate aan afstemming en samenwerking met andere communautaire instanties en relevante wetenschappelijke organisaties garanderen.

(10)

Naar verwachting zal de behoefte aan onafhankelijk wetenschappelijk advies verder toenemen, zowel op de traditionele als op de nieuwe gebieden die onder de verantwoordelijkheid van de Gemeenschap en onder de bevoegdheid van de wetenschappelijke comités vallen. De wetenschappelijke adviesstructuur inzake de risicobeoordeling dient te worden versterkt, zowel qua samenstelling als door middel van doeltreffender werkmethoden.

(11)

Er zijn diverse communautaire instanties opgericht die onder meer tot taak hebben risico’s op verschillende gebieden te beoordelen. De samenhang en de coördinatie tussen de wetenschappelijke comités en dergelijke instanties dient te worden gewaarborgd en bevorderd. De wetenschappelijke comités moeten effectiever gaan functioneren, ook door de benodigde uitwisselingen van informatie en expertise en door samenwerking met andere wetenschappelijke instanties en organisaties op nationaal en internationaal niveau.

(12)

De werkmethoden van de wetenschappelijke comités moeten worden verbeterd door — in aanvulling op de interne werkzaamheden — wetenschappelijke bijeenkomsten en workshops te organiseren en netwerken op te richten.

(13)

Het is belangrijk om door de vaststelling van adequate procedures voor de dialoog met de diverse actoren de openheid en transparantie van de werkzaamheden van de wetenschappelijke comités te waarborgen, met volledig behoud van hun onafhankelijkheid.

(14)

De bij de uitvoering van deze beschikking nagestreefde openheid en transparantie moeten worden gegarandeerd met volledige inachtneming van de voorschriften van de communautaire wetgeving betreffende de bescherming van persoonsgegevens en de toegang van het publiek tot documenten, waaronder de bescherming van het zakengeheim,

BESLUIT:

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

De adviesstructuur en haar bevoegdheidsgebieden

1.   Er wordt een adviesstructuur voor risicobeoordeling op het gebied van de consumentenveiligheid, de volksgezondheid en het milieu ingesteld. Deze structuur omvat:

a)

het Wetenschappelijk Comité voor consumentenveiligheid (hierna „WCCV” genoemd);

b)

het Wetenschappelijk Comité voor gezondheids- en milieurisico’s (hierna „WCGM” genoemd);

c)

het Wetenschappelijk Comité voor nieuwe gezondheidsrisico’s (hierna „WCNG” genoemd);

d)

een pool van wetenschappelijke adviseurs op het gebied van risicobeoordeling (hierna „de pool” genoemd) ter ondersteuning van de werkzaamheden van de wetenschappelijke comités in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van dit besluit.

2.   De bevoegdheidsgebieden van de adviesstructuur worden vastgesteld in bijlage I, onverminderd de bevoegdheden die de communautaire wetgeving toekent aan andere communautaire instanties die risicobeoordelingen verrichten, zoals de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, het Europees Geneesmiddelenbureau, het Europees Agentschap voor chemische stoffen en het Europees Centrum voor ziektebestrijding.

Artikel 2

Opdracht

1.   De Commissie vraagt de wetenschappelijke comités om advies in de gevallen waarin het Gemeenschapsrecht dit voorschrijft.

2.   De Commissie kan de comités ook om advies vragen over aangelegenheden die:

a)

van bijzonder belang zijn voor de consumentenveiligheid, de volksgezondheid en het milieu, en

b)

niet onder het mandaat van andere communautaire instanties vallen.

3.   De Commissie kan in spoedeisende gevallen de comités om snel advies vragen over de stand van de wetenschappelijke kennis betreffende specifieke risico’s.

4.   De Commissie kan een wetenschappelijk comité verzoeken om onderzoeksbehoeften in kaart te brengen en onderzoeksbevindingen met betrekking tot de onder zijn bevoegdheidsgebied vallende deelterreinen te beoordelen.

5.   De wetenschappelijke comités kunnen op verzoek van de Commissie of op eigen initiatief en in overleg met de Commissie besluiten thematische workshops te organiseren om gegevens en wetenschappelijke kennis betreffende bijzondere risico’s of brede thema’s in verband met risicobeoordeling te evalueren. Op verzoek van de Commissie stellen zij uit deze workshops resulterende verslagen, standpuntnota’s of conclusies op.

Aan deze workshops kunnen, behalve de leden van de comités, eventueel wetenschappelijke adviseurs uit de pool en externe deskundigen deelnemen, onder wie deskundigen van communautaire, nationale of internationale instanties die vergelijkbare taken vervullen.

Deze workshops worden georganiseerd door het secretariaat van de wetenschappelijke comités. Het secretariaat bepaalt en verzorgt in voorkomende gevallen de verspreiding van de uit de workshops resulterende verslagen, standpuntnota’s of conclusies.

6.   De Commissie kan de wetenschappelijke comités verzoeken om samen met andere communautaire instanties of wetenschappelijke organisaties aan thematische netwerken deel te nemen met het oog op het toezicht op en de bijdrage aan de ontwikkeling van wetenschappelijke kennis betreffende risico’s in de bevoegdheidsgebieden overeenkomstig bijlage I.

7.   De wetenschappelijke comités vestigen de aandacht van de Commissie op elk specifiek of zich aandienend probleem dat onder hun bevoegdheid valt en dat zij beschouwen als een feitelijk of potentieel risico voor de veiligheid van de consument, de volksgezondheid of het milieu door memoranda of standpuntnota’s vast te stellen en voor te leggen aan de Commissie. De Commissie kan besluiten deze memoranda en nota’s te publiceren, bepaalt welke stappen worden ondernomen en wint zo nodig een wetenschappelijk advies over de aangelegenheid in.

HOOFDSTUK 2

SAMENSTELLING VAN DE WETENSCHAPPELIJKE COMITÉS EN VAN DE POOL

Artikel 3

Benoeming van de leden van de wetenschappelijke comités

1.   Het WCCV, het WCGM en het WCNG bestaan elk uit maximaal zeventien leden en kunnen op eigen initiatief een beroep doen op ten hoogste vijf wetenschappelijke adviseurs uit de pool met het oog op een bijdrage aan de werkzaamheden van het comité in verband met specifieke kwesties of vakgebieden.

2.   De leden van de wetenschappelijke comités worden door de Commissie benoemd op grond van hun deskundigheid en van een geografische spreiding, die de diversiteit van wetenschappelijke problemen en benaderingen, met name in Europa, weerspiegelt. De Commissie stelt het aantal leden van elk comité vast afhankelijk van de behoeften.

De leden van elk wetenschappelijk comité zijn deskundig op één of meer bevoegdheidsgebieden van dat comité en bestrijken gezamenlijk een zo breed mogelijk spectrum aan vakgebieden.

3.   De Commissie benoemt de leden van de wetenschappelijke comités op basis van een lijst van geschikte kandidaten die is opgesteld nadat in het Publicatieblad van de Europese Unie en op de website van de Commissie een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling is bekendgemaakt.

4.   De leden mogen niet worden benoemd in meer dan een van de in artikel 1, lid 1, genoemde wetenschappelijke comités.

Artikel 4

Samenstelling van de pool

1.   De pool bestaat uit wetenschappelijke adviseurs die deskundig zijn op één of meer van de in bijlage I omschreven bevoegdheidsgebieden of inzake hiermee verband houdende onderwerpen en die gezamenlijk een zo breed mogelijk spectrum aan vakgebieden bestrijken.

2.   De Commissie benoemt de leden van de pool aan de hand van een lijst van geschikte kandidaten die is opgesteld nadat in het Publicatieblad van de Europese Unie en op de website van de Commissie een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling is bekendgemaakt.

3.   De Commissie stelt het aantal wetenschappelijke adviseurs in de pool op grond van haar behoefte aan wetenschappelijk advies vast.

Artikel 5

Ambtstermijn

1.   De ambtstermijn van de leden van de wetenschappelijke comités bedraagt drie jaar. De leden mogen niet meer dan drie opeenvolgende ambtstermijnen in hetzelfde comité vervullen. Na afloop van hun ambtstermijn blijven zij in functie, totdat in hun vervanging of in de verlenging van hun ambtstermijn is voorzien.

Met het oog op de continuïteit van de expertise kan de Commissie de ambtstermijn van de leden van een wetenschappelijk comité in uitzonderlijke omstandigheden met een periode van maximaal achttien maanden verlengen.

Leden die pas drie opeenvolgende ambtstermijnen in een wetenschappelijk comité hebben vervuld, komen in aanmerking voor het lidmaatschap van een ander wetenschappelijk comité.

2.   Als een lid niet voldoet aan de deelnamecriteria die worden vastgesteld in het reglement van orde overeenkomstig artikel 12, of wil aftreden, kan de Commissie zijn lidmaatschap beëindigen en een vervanger benoemen uit de pool.

3.   Wetenschappelijke adviseurs worden voor een termijn van vijf jaar tot lid van de pool benoemd en deze termijn kan worden verlengd.

HOOFDSTUK 3

WERKING VAN DE ADVIESSTRUCTUUR

Artikel 6

Beroep op de ondersteuning van de pool

1.   Elk wetenschappelijk comité kan besluiten een beroep te doen op ten hoogste vijf wetenschappelijke adviseurs uit de pool ten behoeve van de opstelling van een wetenschappelijk advies. Deze geassocieerde leden nemen deel aan de werkzaamheden en de beraadslagingen betreffende het behandelde onderwerp en hebben dezelfde plichten, verantwoordelijkheden en rechten als de leden van het desbetreffende comité.

2.   Voorts kan elk wetenschappelijk comité besluiten andere wetenschappelijke adviseurs uit de pool uit te nodigen ten behoeve van de opstelling van een wetenschappelijk advies. Die adviseurs nemen deel aan de werkzaamheden betreffende het onderwerp in behandeling, maar hun taken en verantwoordelijkheden beperken zich tot de opstelling van het advies.

3.   De wetenschappelijke comités kunnen de wetenschappelijke adviseurs eveneens verzoeken om hen te helpen bij het verstrekken van een door de Commissie verlangd snel advies overeenkomstig artikel 2, lid 3, of om deel te nemen aan thematische workshops overeenkomstig artikel 2, lid 5.

4.   De Commissie kan de wetenschappelijke adviseurs uit de pool vragen om deel te nemen aan wetenschappelijke bijeenkomsten of om de diensten van de Commissie ad-hocinformatie over specifieke kwesties ter beschikking te stellen.

Artikel 7

Werkgroepen

1.   De wetenschappelijke comités kunnen bijzondere werkgroepen instellen die tot taak hebben hun wetenschappelijke adviezen op te stellen. Die werkgroepen worden met name ingesteld wanneer er behoefte bestaat aan externe deskundigheid ten aanzien van een bepaald onderwerp.

2.   In overleg met de Commissie kunnen de wetenschappelijke comités geassocieerde leden, andere wetenschappelijke adviseurs uit de pool, gespecialiseerde externe deskundigen en deskundigen van andere communautaire instanties uitnodigen die naar hun oordeel de relevante wetenschappelijke kennis en deskundigheid bezitten om een bijdrage te kunnen leveren aan hun werkzaamheden.

3.   De werkgroepen worden voorgezeten door een lid van het wetenschappelijk comité dat hen heeft bijeengeroepen, brengen aan dit comité verslag uit en kunnen uit hun midden een rapporteur aanwijzen. Voor bijzonder complexe multidisciplinaire aangelegenheden kan meer dan een rapporteur worden aangewezen.

4.   Wanneer een aangelegenheid onder de bevoegdheid van verschillende wetenschappelijke comités valt, wordt een gezamenlijke werkgroep ingesteld met leden van de desbetreffende comités, geassocieerde leden, wetenschappelijke adviseurs uit de pool en zo nodig externe deskundigen.

Artikel 8

Deelname van stagiairs

In overleg met de Commissie en in overeenstemming met het reglement van orde overeenkomstig artikel 12 kunnen de wetenschappelijke comités stagiairs toestaan hun vergaderingen bij te wonen om op die wijze bij te dragen tot de capaciteitsopbouw op het gebied van risicobeoordeling.

Artikel 9

Bijzondere vereisten

1.   De Commissie kan voor het uitbrengen van een wetenschappelijk advies door een wetenschappelijk comité een bepaalde termijn stellen.

2.   De Commissie kan verlangen dat er een gezamenlijk advies wordt uitgebracht over aangelegenheden die niet binnen de bevoegdheidsgebieden van een enkel wetenschappelijk comité vallen of die door meer dan één comité moeten worden behandeld. Een door de Commissie verlangd advies kan ook op initiatief van de coördinatiegroep van de comités overeenkomstig artikel 11 gezamenlijk door meerdere wetenschappelijke comités worden vastgesteld.

3.   De Commissie kan in het verzoek om een wetenschappelijk advies aangeven welke gedachtewisselingen, hoorzittingen of vormen van samenwerking met andere wetenschappelijke instanties zij voor de opstelling van dit advies nodig acht. Een comité kan eveneens in overleg met de Commissie besluiten tot het houden van gedachtewisselingen en hoorzittingen indien deze noodzakelijk worden geacht voor de opstelling van een advies.

4.   Een wetenschappelijk comité kan belanghebbende partijen om aanvullende informatie vragen voor de opstelling van een wetenschappelijk advies. Een wetenschappelijk comité kan een uiterste datum vaststellen waarop de gevraagde informatie in zijn bezit moet zijn. In een dergelijk geval kan het wetenschappelijk comité besluiten zijn werkzaamheden ten aanzien van het desbetreffende wetenschappelijk advies op te schorten. Wanneer de gevraagde informatie niet binnen die termijn in zijn bezit is, kan het comité zijn advies uitbrengen op grond van de beschikbare informatie.

Artikel 10

Verkiezing van de voorzitters en vicevoorzitters

1.   Elk wetenschappelijk comité kiest uit zijn midden bij meerderheid van stemmen een voorzitter en twee vicevoorzitters. De ambtstermijn van de voorzitter en de vicevoorzitters is drie jaar en verlengbaar.

2.   De procedure voor de verkiezing van de voorzitter en vicevoorzitters van de wetenschappelijke comités wordt vastgesteld in het reglement van orde overeenkomstig artikel 12.

Artikel 11

Coördinatie van de wetenschappelijke comités

Een uit de voorzitters en vicevoorzitters van de wetenschappelijke comités bestaande coördinatiegroep van de comités draagt zorg voor de coördinatie tussen de drie wetenschappelijke comités volgens het reglement van orde overeenkomstig artikel 12.

Artikel 12

Reglement van orde

1.   Op voorstel van en in overleg met de Commissie stellen de wetenschappelijke comités een gemeenschappelijk reglement van orde vast.

2.   Het reglement van orde waarborgt dat de wetenschappelijke comités hun taken in overeenstemming met de beginselen van deskundigheid, onafhankelijkheid en transparantie uitoefenen, met inachtneming van legitieme verzoeken om eerbiediging van het zakengeheim en van de beginselen inzake risicobeoordeling die de Commissie in het licht van de ervaring en met het oog op haar beleid op dit gebied kan vaststellen.

3.   Het reglement van orde heeft in het bijzonder betrekking op de in bijlage II vermelde aangelegenheden.

Artikel 13

Stemregeling

1.   De wetenschappelijke comités nemen hun adviezen, snelle adviezen, memoranda en/of standpuntnota’s aan bij meerderheid van het totale aantal leden van het desbetreffende comité, plus het aantal geassocieerde leden.

2.   Elk wetenschappelijk comité besluit ten aanzien van alle andere punten bij meerderheid van stemmen van zijn leden.

3.   De leden van een comité die zijn afgetreden of wier lidmaatschap is beëindigd overeenkomstig artikel 5, lid 2, worden niet meegeteld bij de berekening voor de toepassing van de leden 1 en 2.

Artikel 14

Van elkaar afwijkende adviezen en coördinatie en samenwerking met communautaire, nationale of internationale instanties

1.   De wetenschappelijke comités staan de Commissie terzijde en dragen ertoe bij dat in een vroeg stadium wordt gesignaleerd:

a)

welke behoeften aan en mogelijkheden tot coördinatie van werkzaamheden en samenwerking er bestaan;

b)

welke potentiële of feitelijke verschillen zich voordoen tussen hun wetenschappelijke adviezen en die van andere relevante communautaire, nationale of internationale instanties die soortgelijke taken verrichten, over algemene of specifieke kwesties op het gebied van risicobeoordeling.

Zij helpen de Commissie door van elkaar afwijkende adviezen te vermijden, op te lossen of te verduidelijken en door met dergelijke instanties samenwerking aan te gaan en te onderhouden.

2.   De Commissie kan het initiatief nemen en er bij de wetenschappelijke comités op aandringen om samen met relevante communautaire, nationale of internationale instanties die soortgelijke taken verrichten, werkzaamheden uit te voeren en zij kan deze samenwerking vorm geven. Zij kan de wetenschappelijke comités met name vragen om, als die instanties daarmee instemmen, met andere communautaire instanties gezamenlijke adviezen uit te brengen.

3.   Wanneer substantiële verschillen op wetenschappelijk vlak zijn geconstateerd en de betrokken instantie een instantie van de Gemeenschap is, werkt het desbetreffende wetenschappelijk comité op verzoek van de Commissie met die instantie samen teneinde de verschillen weg te nemen of een gezamenlijk document aan de Commissie voor te leggen waarin de wetenschappelijke geschilpunten worden toegelicht en de onzekerheden daaromtrent in de gegevens worden aangegeven. Dit document wordt openbaar gemaakt.

HOOFDSTUK 4

BEGINSELEN

Artikel 15

Onafhankelijkheid

1.   De leden van de wetenschappelijke comités, de geassocieerde leden, andere wetenschappelijke adviseurs uit de pool en de externe deskundigen worden op persoonlijke titel benoemd. Zij mogen hun verantwoordelijkheden niet delegeren aan andere leden of derden.

2.   De leden van de wetenschappelijke comités, de wetenschappelijke adviseurs uit de pool en de externe deskundigen die zitting hebben in werkgroepen, verbinden zich ertoe onafhankelijk van elke invloed van buitenaf te handelen.

Daartoe leggen zij een verklaring af waarin zij zich ertoe verbinden te handelen in het openbaar belang, en een verklaring waarin zij aangeven of zij al dan niet directe en indirecte belangen hebben die geacht zouden kunnen worden afbreuk te doen aan hun onafhankelijkheid.

Deze verklaringen worden op schrift gesteld. De leden van de wetenschappelijke comités en de wetenschappelijke adviseurs uit de pool leggen de verklaringen jaarlijks af.

3.   De leden van de wetenschappelijke comités, de geassocieerde leden, de andere wetenschappelijke adviseurs en de externe deskundigen die zitting hebben in werkgroepen, maken op elke vergadering specifieke belangen kenbaar die geacht zouden kunnen worden afbreuk te doen aan hun onafhankelijkheid ten aanzien van de agendapunten.

Artikel 16

Transparantie

1.   De werkzaamheden van de wetenschappelijke comités worden met een hoge mate van transparantie uitgevoerd. Met name maakt de Commissie op haar website zonder onnodige vertraging het volgende publiekelijk bekend:

a)

de aan de wetenschappelijke comités gerichte verzoeken om advies;

b)

de agenda’s en notulen van de vergaderingen van de wetenschappelijke comités, de coördinatiegroep van de comités en de werkgroepen;

c)

de door de wetenschappelijke comités vastgestelde wetenschappelijke adviezen en snelle adviezen, met inbegrip van de minderheidsstandpunten en met vermelding van de naam van de deelnemers aan de werkgroepen die hebben bijgedragen tot het desbetreffende advies; bij de minderheidsstandpunten wordt de naam van de leden of adviseurs vermeld die deze standpunten hebben ingenomen;

d)

het gemeenschappelijke reglement van orde van de wetenschappelijke comités;

e)

de naam van de leden van de wetenschappelijke comités en van de wetenschappelijke adviseurs uit de pool, samen met een kort curriculum vitae van ieder lid en iedere adviseur;

f)

de belangenverklaringen van de leden van de wetenschappelijke comités, van de wetenschappelijke adviseurs uit de pool en van de externe deskundigen die zitting hebben gehad in een werkgroep.

2.   De in lid 1 bedoelde transparantiebepalingen worden toegepast overeenkomstig de voorschriften van Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (6) en van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (7), in het bijzonder wat betreft het zakengeheim.

Artikel 17

Vertrouwelijkheid

De leden van de wetenschappelijke comités, de wetenschappelijke adviseurs, externe deskundigen en stagiairs mogen inlichtingen die hun naar aanleiding van de werkzaamheden van de wetenschappelijke comités, thematische workshops, werkgroepen of andere met de toepassing van dit besluit verband houdende activiteiten ter kennis zijn gekomen, niet openbaar maken wanneer hun is meegedeeld dat zij vertrouwelijk zijn.

HOOFDSTUK 5

SLOTBEPALINGEN

Artikel 18

Secretariaat van de wetenschappelijke comités van de Commissie

1.   De wetenschappelijke comités en hun werkgroepen, de coördinatiegroep van de comités alsook andere met dit besluit verband houdende vergaderingen, workshops of bijeenkomsten worden door de Commissie bijeengeroepen.

2.   De Commissie voert het wetenschappelijke en administratieve secretariaat van de wetenschappelijke comités, hun werkgroepen en ten aanzien van alle overige met de toepassing van dit besluit verband houdende activiteiten.

3.   Het secretariaat verleent de nodige wetenschappelijke en administratieve bijstand om de efficiënte werking van de wetenschappelijke comités te vergemakkelijken, toezicht te houden op de naleving van het reglement van orde, met name met betrekking tot de vereisten inzake deskundigheid, onafhankelijkheid en transparantie, zorg te dragen voor de communicatie over de werkzaamheden van de comités, en voor een adequate dialoog van de belanghebbende partijen, waaronder met name het organiseren van hoorzittingen over de activiteiten van de comités en voor de bekendmaking van de adviezen en andere publieke documenten. Bovendien biedt het secretariaat de comités ondersteuning en verzorgt het overeenkomstig het reglement van orde de kwaliteitscontroles van de adviezen met betrekking tot volledigheid, samenhang, duidelijkheid en de mate waarin zij beantwoorden aan de verzoeken en redactionele normen.

4.   Het secretariaat zorgt tevens voor de wetenschappelijke en technische coördinatie van de activiteiten van de wetenschappelijke comités en, waar nodig, de coördinatie van hun activiteiten met die van andere communautaire, nationale en internationale instanties, alsook voor de in het reglement van orde voorziene toepassing van de procedure voor de dialoog tussen de belanghebbende parijen en voor de communicatie over de activiteiten van de comités.

Artikel 19

Vergoedingen

Leden van de wetenschappelijke comités, wetenschappelijke adviseurs uit de pool en externe deskundigen hebben recht op een vergoeding voor hun deelname aan de vergaderingen van de comités, thematische workshops, werkgroepen en overige door de Commissie georganiseerde bijeenkomsten en evenementen, en voor hun werk als rapporteur voor een specifieke aangelegenheid, zoals bepaald in bijlage III.

Hun reis- en verblijfkosten worden door de Commissie vergoed.

Artikel 20

Vervanging van de wetenschappelijke comités

De bij artikel 1, lid 1, van dit besluit ingestelde wetenschappelijke comités komen als volgt in de plaats van die welke bij Besluit 2004/210/EG waren ingesteld:

a)

het Wetenschappelijk Comité voor consumentenveiligheid komt in de plaats van het Wetenschappelijk Comité voor consumentenproducten;

b)

het Wetenschappelijk Comité voor gezondheids- en milieurisico’s komt in de plaats van het comité met dezelfde benaming;

c)

het Wetenschappelijk Comité voor nieuwe gezondheidsrisico’s komt in de plaats van het comité met dezelfde benaming.

Artikel 21

Intrekking

1.   Besluit 2004/210/EG wordt ingetrokken.

De drie bij dat besluit ingestelde comités blijven echter in functie tot de bij dit besluit ingestelde wetenschappelijke comités aantreden.

2.   Verwijzingen naar het ingetrokken besluit gelden als verwijzingen naar dit besluit; verwijzingen naar de bij het ingetrokken besluit ingestelde comités gelden als verwijzingen naar de bij dit besluit ingestelde comités.

Gedaan te Brussel, 5 augustus 2008.

Voor de Commissie

Androulla VASSILIOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 66 van 4.3.2004, blz. 45.

(2)  PB L 114 van 1.5.2007, blz. 14.

(3)  PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1; gerectificeerd in PB L 136 van 29.5.2007, blz. 3.

(4)  PB L 287 van 1.11.2007, blz. 25.

(5)  COM(2002) 713 def. van 11 december 2002.

(6)  PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.

(7)  PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.


BIJLAGE I

BEVOEGDHEIDSGEBIED

1.   Wetenschappelijk Comité voor consumentenveiligheid

Dit comité brengt advies uit over aangelegenheden betreffende alle soorten gezondheids- en veiligheidsrisico’s (met name chemische, biologische, mechanische en andere fysieke risico’s) van voor de consument bestemde non-foodproducten (zoals bijvoorbeeld cosmetische producten en de bestanddelen daarvan, speelgoed, textiel, kleding, verzorgingsproducten, huishoudelijke producten zoals detergenten enz.) en dienstverlening (zoals bijvoorbeeld tatoeage, kunstmatig zonnen enz.).

2.   Wetenschappelijk Comité voor gezondheids- en milieurisico’s

Dit comité brengt adviezen uit over de gezondheids- en milieurisico’s in verband met verontreinigende stoffen in de milieucompartimenten en andere biologische en fysische factoren of veranderende fysische omstandigheden die een negatief effect hebben op de gezondheid en het milieu — zoals bijvoorbeeld met betrekking tot de luchtkwaliteit, water, afval en bodem — en op de milieulevenscyclusanalyse. Het zal zich ook bezighouden met gezondheids- en veiligheidskwesties die verband houden met de toxiciteit en de ecotoxiciteit van biociden.

Onverminderd de bevoegdheden die zijn verleend aan het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA), het Wetenschappelijk Comité voor consumentenveiligheid (WCCV) en andere communautaire instanties die risicobeoordelingen verrichten, kan de Commissie het comité ook verzoeken om, met name in samenwerking met andere Europese agentschappen en in het bijzonder met ECHA, aangelegenheden te bestuderen die verband houden met onderzoek naar de toxiciteit en de ecotoxiciteit van chemische, biochemische en biologische verbindingen waarvan het gebruik schadelijke gevolgen kan hebben voor de menselijke gezondheid en het milieu. Voorts zal het comité zich buigen over aangelegenheden die verband houden met het methodologische aspect van de beoordeling van de gezondheids- en milieurisico’s van chemische stoffen, waaronder ook mengsels van chemische stoffen, die noodzakelijk is om degelijke en consistente adviezen op zijn eigen bevoegdheidsgebieden te verstrekken en om in nauwe samenwerking met andere Europese agentschappen een bijdrage te leveren aan de relevante kwesties.

3.   Wetenschappelijk Comité voor nieuwe gezondheidsrisico’s

Dit comité brengt advies uit over aangelegenheden met betrekking tot opkomende of recentelijk gesignaleerde gezondheids- en milieurisico’s en over brede, complexe of multidisciplinaire aangelegenheden die een omvangrijke beoordeling van de risico’s voor de veiligheid van de consument of de volksgezondheid vergen, en aanverwante aangelegenheden die niet onder de bevoegdheid vallen van andere communautaire instanties voor risicobeoordeling.

Voorbeelden van mogelijke werkterreinen zijn potentiële risico’s die gepaard gaan met de interactie van risicofactoren, synergetische effecten, cumulatieve effecten, antimicrobiële resistentie, nieuwe technologieën zoals nanotechnologieën, medische hulpmiddelen, inclusief die waarin stoffen van menselijke en/of dierlijke oorsprong zijn verwerkt, weefseltechnologieën, bloedproducten, vruchtbaarheidsdaling, kanker aan endocriene organen, fysieke gevaren zoals lawaai en elektromagnetische velden (van mobiele telefoons, zenders en domotica-apparatuur) en methoden om nieuwe risico’s te beoordelen. Het kan ook worden verzocht om onderzoek te verrichten naar de aan determinanten van de volksgezondheid en niet-overdraagbare ziekten verbonden risico’s.


BIJLAGE II

REGLEMENT VAN ORDE

Het door de wetenschappelijke comités vast te stellen gemeenschappelijke reglement van orde overeenkomstig artikel 12 heeft met name betrekking op de volgende onderwerpen:

1.   Coördinatie van de wetenschappelijke comités

a)

de aanwijzing van het verantwoordelijke wetenschappelijk comité in het geval van verzoeken om wetenschappelijke adviezen over aangelegenheden die niet binnen de bevoegdheidsgebieden van een enkel wetenschappelijk comité vallen of die door meer dan een comité moeten worden behandeld;

b)

de vaststelling van gezamenlijke adviezen, snelle adviezen, memoranda en/of standpuntnota’s;

c)

de procedures voor de coördinatie tussen de wetenschappelijke comités, met inbegrip van aangelegenheden die betrekking hebben op de harmonisatie van de risicobeoordeling en de werking van de coördinatiegroep van de comités.

2.   Besluitvormingsprocedures binnen de comités

a)

de verkiezing van de voorzitter en vicevoorzitters van de wetenschappelijke comités;

b)

de procedures voor de vaststelling van adviezen:

in normale omstandigheden;

in het kader van een schriftelijke procedure onder normale omstandigheden, en

in het kader van een versnelde schriftelijke procedure als de urgentie van de aangelegenheid een dergelijke procedure vereist;

c)

de procedure voor het verstrekken van een door de Commissie verlangd snel advies overeenkomstig artikel 2, lid 3; deze procedure garandeert de kwaliteit van het advies en een adequate ondersteuning van de kant van het comité;

d)

de vaststelling van memoranda en standpuntnota’s om de aandacht van de Commissie op specifieke of opkomende problemen te vestigen.

3.   De organisatie van de wetenschappelijke werkzaamheden

a)

de oprichting en organisatie van de werkgroepen van de wetenschappelijke comités, met inbegrip van gezamenlijke werkgroepen;

b)

de deelname van wetenschappelijke adviseurs uit de pool aan de werkzaamheden van de comités en de inschakeling van externe deskundigen;

c)

de aanstelling van rapporteurs en de beschrijving van hun taken met betrekking tot de opstelling van ontwerpadviezen voor de wetenschappelijke comités;

d)

de vorm en inhoud van wetenschappelijke adviezen en de procedures om hun coherentie en redactionele normen te waarborgen;

e)

de organisatie van en deelname aan vergaderingen, thematische workshops en netwerken;

f)

de deelname van stagiairs.

4.   De verplichtingen van de leden van het comité, de geassocieerde leden en andere wetenschappelijke adviseurs uit de pool, externe deskundigen en stagiairs

a)

de deelnamecriteria en de voorwaarden waaronder het lidmaatschap van het comité moet worden beëindigd;

b)

de tenuitvoerlegging van de vertrouwelijkheidsvoorschriften overeenkomstig artikel 17;

c)

de verantwoordelijkheden en verplichtingen van de leden, de geassocieerde leden en andere wetenschappelijke adviseurs uit de pool en de externe deskundigen in hun contacten met verzoekers, belangengroepen en andere actoren;

d)

de voorwaarden en de procedure voor de uitsluiting van een lid van het comité, een geassocieerd lid, een andere wetenschappelijke adviseur of een externe deskundige van de beraadslagingen en/of van de stemming over een bepaald onderwerp in het comité of in een werkgroep, wanneer er gegronde redenen bestaan om te twijfelen aan zijn onafhankelijkheid.

5.   Betrekkingen met derden

a)

procedures om meningsverschillen met communautaire, nationale en internationale instanties die soortgelijke taken verrichten, te omschrijven, op te lossen of te verduidelijken, inclusief de uitwisseling van informatie en het beleggen van gezamenlijke vergaderingen;

b)

de vertegenwoordiging van een wetenschappelijk comité in externe activiteiten, met name ten aanzien van communautaire of internationale instanties die soortgelijke activiteiten verrichten;

c)

de organisatie van de procedure inzake de dialoog tussen de actoren, met name de organisatie van hoorzittingen met het bedrijfsleven of andere belangengroepen en actoren;

d)

de publicatie van wetenschappelijke adviezen en andere documenten.


BIJLAGE III

VERGOEDINGEN

De leden van de wetenschappelijke comités, de wetenschappelijke adviseurs uit de pool en de externe deskundigen hebben recht op een vergoeding voor hun deelname aan de activiteiten van de wetenschappelijke comités, die als volgt is vastgesteld:

 

Voor deelname aan vergaderingen:

300 EUR voor deelname aan een vergadering van een volledige dag of 150 EUR voor deelname aan een ochtend- of middagvergadering van een wetenschappelijk comité, een werkgroep of een externe vergadering in verband met de werkzaamheden van een wetenschappelijk comité.

 

Voor het werk als rapporteur over een aangelegenheid die minstens één dag vergt voor de opstelling van een ontwerpadvies en met de voorafgaande schriftelijke toestemming van de Commissie:

300 EUR.

Wanneer dit volledig verantwoord wordt en de begroting dat toelaat, kan dit bedrag worden verhoogd tot 600 EUR voor aangelegenheden die bijzonder veel werk meebrengen.

De Commissie zal geregeld beoordelen of deze vergoedingen moeten worden herzien in het licht van prijsindexcijfers, de evaluatie van de aan de deskundigen in andere Europese instanties betaalde vergoedingen en de feitelijke werkbelasting van de leden, geassocieerde leden, andere wetenschappelijke adviseurs en externe deskundigen. De eerste evaluatie zal begin 2009 plaatsvinden.