2001R0999 — NL — 18.03.2011 — 035.001


Dit document vormt slechts een documentatiehulpmiddel en verschijnt buiten de verantwoordelijkheid van de instellingen

►B

VERORDENING (EG) Nr. 999/2001 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 22 mei 2001

houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën

(PB L 147, 31.5.2001, p.1)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  No

page

date

 M1

Verordening (EG) nr. 1248/2001 van de Commissie van 22 juni 2001

  L 173

12

27.6.2001

 M2

Verordening (EG) nr. 1326/2001 van de Commissie van 29 juni 2001

  L 177

60

30.6.2001

 M3

Verordening (EG) nr. 270/2002 van de Commissie van 14 februari 2002

  L 45

4

15.2.2002

 M4

Verordening (EG) nr. 1494/2002 van de Commissie van 21 augustus 2002

  L 225

3

22.8.2002

►M5

Verordening (EG) nr. 260/2003 van de Commissie van 12 februari 2003

  L 37

7

13.2.2003

 M6

Verordening (EG) nr. 650/2003 van de Commissie van 10 april 2003

  L 95

15

11.4.2003

 M7

Verordening (EG) nr. 1053/2003 van de Commissie van 19 juni 2003

  L 152

8

20.6.2003

 M8

Verordening (EG) nr. 1128/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 16 juni 2003

  L 160

1

28.6.2003

 M9

Verordening (EG) nr. 1139/2003 van de Commissie van 27 juni 2003

  L 160

22

28.6.2003

►M10

Verordening (EG) nr. 1234/2003 van de Commissie van 10 juli 2003

  L 173

6

11.7.2003

 M11

Verordening (EG) nr. 1809/2003 van de Commissie van 15 oktober 2003

  L 265

10

16.10.2003

►M12

Verordening (EG) nr. 1915/2003 van de Commissie van 30 oktober 2003

  L 283

29

31.10.2003

►M13

Verordening (EG) nr. 2245/2003 van de Commissie van 19 december 2003

  L 333

28

20.12.2003

►M14

Verordening (EG) nr. 876/2004 van de Commissie van 29 april 2004

  L 162

52

30.4.2004

 M15

Verordening (EG) nr. 1471/2004 van de Commissie van 18 augustus 2004

  L 271

24

19.8.2004

►M16

Verordening (EG) nr. 1492/2004 van de Commissie van 23 augustus 2004

  L 274

3

24.8.2004

 M17

Verordening (EG) nr. 1993/2004 van de Commissie van 19 november 2004

  L 344

12

20.11.2004

►M18

Verordening (EG) nr. 36/2005 van de Commissie van 12 januari 2005

  L 10

9

13.1.2005

 M19

Verordening (EG) nr. 214/2005 van de Commissie van 9 februari 2005

  L 37

9

10.2.2005

 M20

Verordening (EG) nr. 260/2005 van de Commissie van 16 februari 2005

  L 46

31

17.2.2005

►M21

Verordening (EG) nr. 932/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2005

  L 163

1

23.6.2005

►M22

Verordening (EG) nr. 1292/2005 van de Commissie van 5 augustus 2005

  L 205

3

6.8.2005

►M23

Verordening (EG) nr. 1974/2005 van de Commissie van 2 december 2005

  L 317

4

3.12.2005

 M24

Verordening (EG) nr. 253/2006 van de Commissie van 14 februari 2006

  L 44

9

15.2.2006

 M25

Verordening (EG) nr. 339/2006 van de Commissie van 24 februari 2006

  L 55

5

25.2.2006

►M26

Verordening (EG) nr. 657/2006 van de Commissie van 10 april 2006

  L 116

9

29.4.2006

►M27

Verordening (EG) nr. 688/2006 van de Commissie van 4 mei 2006

  L 120

10

5.5.2006

 M28

Verordening (EG) nr. 1041/2006 van de Commissie van 7 juli 2006

  L 187

10

8.7.2006

►M29

Verordening (EG) nr. 1791/2006 van de Raad van 20 november 2006

  L 363

1

20.12.2006

►M30

Verordening (EG) nr. 1923/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006

  L 404

1

30.12.2006

►M31

Verordening (EG) nr. 722/2007 van de Commissie van 25 juni 2007

  L 164

7

26.6.2007

►M32

Verordening (EG) nr. 727/2007 van de Commissie van 26 juni 2007

  L 165

8

27.6.2007

►M33

Verordening (EG) nr. 1275/2007 van de Commissie van 29 oktober 2007

  L 284

8

30.10.2007

 M34

Verordening (EG) nr. 1428/2007 van de Commissie van 4 december 2007

  L 317

61

5.12.2007

 M35

Verordening (EG) nr. 21/2008 van de Commissie van 11 januari 2008

  L 9

3

12.1.2008

 M36

Verordening (EG) nr. 315/2008 van de Commissie van 4 april 2008

  L 94

3

5.4.2008

►M37

Verordening (EG) nr. 357/2008 van de Commissie van 22 april 2008

  L 111

3

23.4.2008

►M38

Verordening (EG) nr. 571/2008 van de Commissie van 19 juni 2008

  L 161

4

20.6.2008

►M39

Verordening (EG) nr. 746/2008 van de Commissie van 17 juni 2008

  L 202

11

31.7.2008

►M40

Verordening (EG) nr. 956/2008 van de Commissie van 29 september 2008

  L 260

8

30.9.2008

►M41

Verordening (EG) nr. 103/2009 van de Commissie van 3 februari 2009

  L 34

11

4.2.2009

►M42

Verordening (EG) nr. 162/2009 van de Commissie van 26 februari 2009

  L 55

11

27.2.2009

►M43

Verordening (EG) nr. 163/2009 van de Commissie van 26 februari 2009

  L 55

17

27.2.2009

►M44

Verordening (EG) nr. 220/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009

  L 87

155

31.3.2009

►M45

Verordening (EU) nr. 956/2010 van de Commissie van 22 oktober 2010

  L 279

10

23.10.2010

►M46

Verordening (EU) nr. 189/2011 van de Commissie van 25 februari 2011

  L 53

56

26.2.2011


Gewijzigd bij:

 A1

  L 236

33

23.9.2003


Gerectificeerd bij:

 C1

Rectificatie, PB L 315, 14.10.2004, blz. 54  (1234/2003)




▼B

VERORDENING (EG) Nr. 999/2001 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 22 mei 2001

houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën



HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 152, lid 4, onder b),

Gezien het voorstel van de Commissie ( 1 ),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité ( 2 ),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag ( 3 ),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Al verscheidene jaren worden bij mens en dier, doch gescheiden van elkaar, diverse vormen van overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE's) geconstateerd. Boviene spongiforme encefalopathie (BSE) is in 1986 voor het eerst bij runderen en in de daaropvolgende jaren ook bij andere diersoorten geconstateerd. In 1996 is er een nieuwe variant van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob (nv-CJD) beschreven. De bewijzen dat het BSE-agens gelijkenis vertoont met het agens dat verantwoordelijk is voor de nieuwe variant van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob stapelen zich op.

(2)

De Gemeenschap heeft sedert 1990 een aantal maatregelen vastgesteld om mens en dier tegen BSE te beschermen. Die maatregelen zijn gebaseerd op de vrijwaringsbepalingen in de richtlijnen van de Raad betreffende veterinaire bestrijdingsmaatregelen. Gezien de omvang van het risico dat bepaalde TSE's voor de gezondheid van mens en dier meebrengen, is het passend specifieke voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing vast te stellen.

(3)

De onderhavige verordening heeft rechtstreeks met de volksgezondheid te maken en is relevant voor de werking van de interne markt. Zij hebben zowel betrekking op de in bijlage II bij het Verdrag genoemde als op niet daarin genoemde producten. Het is derhalve passend artikel 152, lid 4, onder b), van het Verdrag als rechtsgrondslag te nemen.

(4)

De Commissie heeft over diverse aspecten van de TSE's wetenschappelijk advies ingewonnen, met name van de Wetenschappelijke Stuurgroep en het Wetenschappelijk Comité inzake veterinaire maatregelen met betrekking tot de volksgezondheid. Die adviezen behelzen ook maatregelen om het potentiële risico voor mens en dier in verband met blootstelling aan geïnfecteerde producten van dierlijke oorsprong te verminderen.

(5)

De voorschriften dienen van toepassing te zijn op de productie en het in de handel brengen van levende dieren en producten van dierlijke oorsprong. Zij dienen evenwel niet op cosmetische producten, geneesmiddelen, medische hulpmiddelen, alsmede op uitgangsmateriaal of tussenproducten voor die producten en hulpmiddelen van toepassing te zijn, waarvoor specifieke voorschriften gelden, met name aangaande het niet gebruiken van gespecificeerd risicomateriaal. Zij dienen evenmin van toepassing te zijn op producten van dierlijke oorsprong die voor de gezondheid van mens of dier geen risico opleveren aangezien zij voor andere doeleinden dan voedingsmiddelen, diervoeders of meststoffen bestemd zijn. Gewaarborgd moet worden dat van het toepassingsgebied van deze verordening uitgesloten producten van dierlijke oorsprong gescheiden blijven van die welke wel daaronder vallen, tenzij zij aan ten minste dezelfde gezondheidsnormen beantwoorden als laatstbedoelde producten.

(6)

Er moet worden voorzien in door de Commissie vast te stellen vrijwaringsmaatregelen in gevallen waarin de bevoegde autoriteit van een lidstaat of een derde land niet adequaat op een risico in verband met een TSE heeft ingespeeld.

(7)

Er dient een procedure te worden vastgesteld om voor een lidstaat, een derde land of een gebied daarvan (hierna: „landen of gebieden”) de epizoötiologische status ten aanzien van BSE te bepalen en aan de hand van de beschikbare informatie het risico („incident risk”) te beoordelen van het uitbreken en zich verspreiden van BSE en de blootstelling van de mens aan BSE. De lidstaten en derde landen die verkiezen om geen aanvraag tot bepaling van hun status in te dienen, moeten door de Commissie op basis van alle gegevens waarover zij beschikt, in een categorie worden ingedeeld.

(8)

De lidstaten dienen scholingsprogramma's in te stellen voor al wie bij de preventie en de bestrijding van de TSE's betrokken is, alsmede voor dierenartsen, veehouders en al wie bij het vervoer, het in de handel brengen en het slachten van landbouwhuisdieren betrokken is.

▼M30

(8 bis)

Het gebruik van bepaalde verwerkte dierlijke eiwitten afkomstig van niet-herkauwers in de voeding van niet-herkauwers dient te worden toegestaan, met inachtneming van het anti-kannibalisme-beginsel overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten ( 4 ) en overeenkomstig de controle-aspecten met name in verband met de differentiatie van verwerkte dierlijke eiwitten die voor bepaalde soorten specifiek zijn zoals bepaald in de Mededeling betreffende het TSE-stappenplan die op 15 juli 2005 door de Commissie is goedgekeurd.

▼B

(9)

De lidstaten dienen jaarlijks een programma voor toezicht op BSE en scrapie uit te voeren en de Commissie en de andere lidstaten van de resultaten van dat programma en van de eventuele gevallen van andere TSE's in kennis te stellen.

(10)

Bepaalde weefsels van herkauwers dienen op basis van de pathogenese van TSE's en van de epizoötiologische status van het land of het gebied van oorsprong of verblijf van het betrokken dier als gespecificeerd risicomateriaal te worden aangemerkt. Gespecificeerd risicomateriaal moet op zodanige wijze verwijderd en vernietigd worden dat elk gevaar voor de gezondheid van mens of dier wordt vermeden. Het mag met name niet in de handel worden gebracht voor gebruik in voedingsmiddelen, diervoeders of meststoffen. Er dient evenwel voor te worden gezorgd dat een gelijkwaardig niveau van bescherming van de gezondheid kan worden verkregen door op individuele dieren een test op TSE's uit te voeren, zodra die test volledig gevalideerd is. Slachttechnieken waarbij het gevaar bestaat dat hersenmateriaal ander weefsel besmet, mogen niet worden toegestaan in andere landen of gebieden dan die waar het BSE-risico het geringst is.

(11)

Er dienen maatregelen te worden getroffen om overdracht van TSE's op mens of dier te voorkomen door een verbod in te stellen op de vervoedering van bepaalde soorten dierlijke eiwitten aan bepaalde soorten dieren en op het gebruik in voedingsmiddelen van bepaalde soorten materiaal die afgeleid zijn van herkauwers. Die verbodsbepalingen moeten in verhouding staan tot de risico's.

▼M30

(11 bis)

In zijn resolutie van 28 oktober 2004 ( 5 ) sprak het Europees Parlement zijn bezorgdheid uit over het vervoederen van dierlijke eiwitten aan herkauwers, omdat zij geen bestanddeel van de natuurlijke voeding van volwassen runderen zijn. Na de BSE-crisis en de crisis met de mond-en-klauwzeerziekte is men er steeds meer doordrongen van geraakt dat de gezondheid van mensen en dieren het beste kan worden gewaarborgd door dieren te houden en te voeden op een wijze die is afgestemd op de specifieke kenmerken van elke soort. Overeenkomstig het voorzorgsbeginsel en gelet op de natuurlijke voeding en leefomstandigheden van herkauwers is het derhalve noodzakelijk om het verbod op het vervoederen van dierlijke eiwitten aan herkauwers in vormen die normaal geen bestanddeel uitmaken van hun natuurlijke voeding, te handhaven.

(11 ter)

Separatorvlees wordt verkregen door het vlees op een zodanige wijze van de beenderen te verwijderen dat de spierweefselstructuur verloren gaat of verandert. Het kan delen van de beenderen of het periosteum (beenvlies) bevatten. Derhalve is separatorvlees niet vergelijkbaar met gewoon vlees. Daarom moet het gebruik ervan voor menselijke consumptie worden heroverwogen.

▼B

(12)

Steeds wanneer bij een dier een TSE wordt vermoed dient dit te worden gemeld aan de bevoegde autoriteit, die onverwijld de nodige maatregelen dient te treffen en met name het verdachte dier, in afwachting van het resultaat van het onderzoek, aan verplaatsingsbeperkingen dient te onderwerpen of het onder officieel toezicht te laten doden. Wanneer de bevoegde autoriteit de mogelijkheid van een TSE niet kan uitsluiten dient zij de geëigende onderzoeken te verrichten en, totdat er een diagnose is gesteld, het kadaver onder officieel toezicht te houden.

(13)

Wanneer de aanwezigheid van een TSE officieel is bevestigd moet de bevoegde autoriteit de nodige maatregelen nemen, met name de destructie van het kadaver, onderzoeken welke dieren een risico opleveren, en het onderwerpen aan verplaatsingsbeperkingen van de aldus aangewezen dieren en producten van dierlijke oorsprong. De eigenaars dienen onverwijld te worden vergoed voor de dieren en producten van dierlijke oorsprong die op grond van deze verordening zijn vernietigd.

(14)

De lidstaten dienen noodplannen op te stellen met de nationale maatregelen die bij een BSE-uitbraak moeten worden genomen. Die plannen dienen door de Commissie te worden goedgekeurd. Dit voorschrift moet tot andere TSE's dan BSE worden uitgebreid.

(15)

Er dienen voorschriften te worden vastgesteld voor het in de handel brengen van bepaalde levende dieren en producten van dierlijke oorsprong. De bestaande communautaire regelgeving inzake identificatie en registratie van runderen voorziet in een systeem aan de hand waarvan dieren overeenkomstig de internationale normen tot bij het moederdier en het beslag van oorsprong kunnen worden getraceerd. Er dienen gelijkwaardige garanties te worden geboden voor uit derde landen ingevoerde runderen. Wanneer de onder deze voorschriften begrepen dieren en producten van dierlijke oorsprong in het intracommunautaire handelsverkeer worden gebracht of uit derde landen worden ingevoerd, dienen zij vergezeld te gaan van de krachtens de communautaire wetgeving vereiste certificaten, waarin in voorkomend geval de bij deze verordening vastgestelde aanvullingen zijn opgenomen.

(16)

Het in de handel brengen van bepaalde producten van dierlijke oorsprong, afkomstig van runderen in hoogrisicogebieden, dient te worden verboden. Dit verbod behoeft evenwel niet te gelden voor bepaalde producten van dierlijke oorsprong die onder gecontroleerde omstandigheden zijn vervaardigd uit dieren ten aanzien waarvan kan worden aangetoond dat zij wat betreft TSE's geen hoog infectierisico vormen.

(17)

Om de inachtneming van de voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van TSE's te garanderen, moeten er monsters voor laboratoriumonderzoek worden genomen op basis van een vooraf vastgesteld protocol waarmee een volledig epizoötiologisch beeld van de TSE-situatie gegeven kan worden. Om de nodige uniformiteit inzake testprocedures en -resultaten te garanderen, dienen er nationale en communautaire referentielaboratoria te worden aangewezen, alsmede betrouwbare wetenschappelijke methoden, waaronder snelle specifieke TSE-tests. Er dient zoveel mogelijk gebruik gemaakt te worden van snelle tests.

(18)

In de lidstaten dienen communautaire inspecties te worden verricht om voor een eenvormige toepassing van de voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van TSE's te zorgen; die inspecties moeten auditprocedures omvatten. Om erop toe te zien dat de door derde landen bij invoer in de Gemeenschap van levende dieren en producten van dierlijke oorsprong in de Gemeenschap geboden garanties gelijkwaardig zijn aan de in de Gemeenschap geëiste garanties, dienen er communautaire inspecties en controles ter plaatse te worden verricht om na te gaan of de exporterende derde landen aan de invoervoorschriften voldoen.

(19)

De in verband met TSE's vastgestelde maatregelen voor het handelsverkeer dienen, waar mogelijk, op bestaande internationale normen, richtsnoeren en aanbevelingen te berusten. Er kunnen echter wetenschappelijk verantwoorde maatregelen worden vastgesteld die in een hoger niveau van gezondheidsbescherming resulteren, indien met de op de relevante internationale normen, richtsnoeren en aanbevelingen berustende maatregelen geen adequaat niveau van gezondheidsbescherming kan worden bereikt.

(20)

Deze verordening moet opnieuw worden bezien als er nieuwe wetenschappelijke gegevens beschikbaar zijn.

(21)

Er dienen in het kader van deze verordening overgangsmaatregelen te worden vastgesteld voor het gebruik van gespecificeerd risicomateriaal.

(22)

De voor de uitvoering van deze verordening noodzakelijke maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden ( 6 ).

(23)

Daartoe dient te worden voorzien in procedures waarbij in het Permanent Veterinair Comité, het Permanent Comité voor veevoeders en het Permanent Comité voor levensmiddelen een nauwe, doeltreffende samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten tot stand komt.

(24)

Aangezien de toepassingsbepalingen van deze verordening maatregelen van algemene strekking zijn in de zin van artikel 2 van Besluit 1999/468/EG, moeten zij volgens de in artikel 5 van dat besluit bedoelde regelgevingsprocedure worden vastgesteld,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:



HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Toepassingsgebied

1.  Bij deze verordening worden de bepalingen vastgesteld voor de preventie, bestrijding en uitroeiing van overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE's) bij dieren. Zij is van toepassing op de productie en het in de handel brengen van levende dieren en producten van dierlijke oorsprong, en in een aantal specifieke gevallen op de uitvoer daarvan.

2.  Deze verordening is niet van toepassing op

a) cosmetische producten, geneesmiddelen, medische hulpmiddelen, of op uitgangsmateriaal of tussenproducten daarvan;

b) producten die niet bestemd zijn om te worden gebruikt in levensmiddelen, diervoeders of meststoffen, of op uitgangsmateriaal of tussenproducten daarvan;

c) producten van dierlijke oorsprong die bestemd zijn voor tentoonstellingen, onderwijs, wetenschappelijk onderzoek, bijzondere studies of analyses, voorzover zij niet uiteindelijk geconsumeerd of gebruikt kunnen worden door mensen of andere dieren dan die welke voor die onderzoeksprojecten gehouden worden;

d) levende dieren die gebruikt worden of bestemd zijn voor onderzoek.

Artikel 2

Scheiding van levende dieren en producten van dierlijke oorsprong

Ter voorkoming van kruisbesmetting of van substitutie van levende dieren of producten van dierlijke oorsprong, in de zin van artikel 1, lid 1, door producten van dierlijke oorsprong in de zin van artikel 1, lid 2, onder a), b) en c), of door levende dieren in de zin van artikel 1, lid 2, onder d), worden zij te allen tijde van elkaar gescheiden gehouden, tenzij de levende dieren of producten van dierlijke oorsprong — wat TSE betreft — worden geproduceerd onder tenminste dezelfde voorwaarden inzake gezondheidsbescherming.

De uitvoeringsbepalingen voor dit artikel worden volgens de procedure van artikel 24, lid 2, vastgesteld.

Artikel 3

Definities

1.  In deze verordening wordt verstaan onder:

a) TSE: alle overdraagbare spongiforme encefalopathieën, behalve die welke bij mensen voorkomen;

b) in de handel brengen: elke handeling die ten doel heeft levende dieren of producten van dierlijke oorsprong die onder deze verordening vallen, over te dragen aan een derde in de Gemeenschap met het oog op de verkoop, of enige andere vorm van overdracht aan een derde in de Gemeenschap, al dan niet tegen betaling, en van opslag met het oog op levering aan een derde in de Gemeenschap;

c) product van dierlijke oorsprong: product hetwelk of afgeleid is van een product dat zelf afgeleid is van een dier dat onder Richtlijn 89/662/EEG ( 7 ) of Richtlijn 90/425/EEG ( 8 ) valt, of hetwelk een dergelijk afgeleid product bevat;

d) uitgangsmateriaal: grondstoffen of andere producten van dierlijke oorsprong waaruit of waarmee de in artikel 1, lid 2, onder a) en b), bedoelde producten worden vervaardigd;

e) bevoegde autoriteit: de centrale autoriteit van een lidstaat die toeziet op de naleving van deze verordening of een autoriteit waaraan de centrale autoriteit die taak, met name met betrekking tot de controle op diervoeders, heeft gedelegeerd; dit begrip omvat in voorkomend geval de overeenstemmende autoriteit van een derde land;

f) categorie: een van de in bijlage II, hoofdstuk C, vervatte indelingscategorieën;

g) gespecificeerd risicomateriaal: de in bijlage V gespecificeerde weefsels; tenzij anders is vermeld, vallen producten die deze weefsels bevatten of ervan zijn afgeleid hier niet onder;

h) van besmetting met een TSE verdacht dier: levend, geslacht of gestorven dier dat zenuw- of gedragsstoornissen of een wegens aantasting van het centrale zenuwstelsel geleidelijk verslechterende algemene conditie vertoont dan wel heeft vertoond, en waarvoor geen andere diagnose kan worden gesteld op grond van de gegevens die zijn verkregen uit klinisch onderzoek, de reactie op een behandeling, onderzoek post mortem, of een laboratoriumanalyse ante of post mortem. Runderen die positief gereageerd hebben op een snelle specifieke BSE-test (boviene spongiforme encefalopathie) worden als BSE-verdacht aangemerkt;

i) bedrijf: plaats waar onder deze verordening vallende dieren ondergebracht, gehouden, gefokt, behandeld of aan het publiek getoond worden;

j) bemonstering: het nemen van monsters (waarbij wordt toegezien op een statistisch correcte vertegenwoordiging) van dieren of hun omgeving, of van producten van dierlijke oorsprong, teneinde een ziekte te diagnostiseren, verwantschap te traceren, de gezondheid te bewaken of toe te zien op de afwezigheid van microbiële agentia of bepaalde stoffen in producten van dierlijke oorsprong;

k) meststof: stof die producten van dierlijke oorsprong bevat en op het land gebruikt wordt om de vegetatiegroei te bevorderen; de stof kan spijsverteringsresiduen van biogasproductie of compostering bevatten;

▼M30

l) snelle tests: de in bijlage X vermelde screeningsmethoden, waarvan de resultaten binnen 24 uur bekend zijn;

▼B

m) alternatieve test: de in artikel 8, lid 2, bedoelde tests die gebruikt worden als alternatief voor het uit de handel nemen van gespecificeerd risicomateriaal;

▼M30

n) separatorvlees: het product dat wordt verkregen door vlees dat na het uitbenen nog aan de beenderen vastzit daarvan mechanisch te scheiden, waardoor de spierweefselstructuur verloren gaat of verandert;

o) passief toezicht: het melden van alle dieren die worden verdacht van mogelijke besmetting met TSE en, waar TSE niet kan worden uitgesloten op basis van klinisch onderzoek, het testen van deze dieren;

p) actief toezicht: het testen van dieren die niet gemeld zijn als verdacht van mogelijke besmetting met TSE, zoals noodgeslachte dieren, dieren met symptomen bij de ante-morteminspectie, gestorven dieren, gezond geslachte dieren en in verband met een TSE-geval geruimde dieren, teneinde de ontwikkeling en de prevalentie van TSE in een land of een gebied van dat land vast te stellen.

▼B

2.  De specifieke definities van bijlage I zijn eveneens van toepassing.

3.  Voor begrippen uit deze verordening die niet zijn gedefinieerd in lid 1 of in bijlage I, gelden de definities van Verordening (EG) nr. 1760/2000 ( 9 ) en de definities die vastgesteld zijn in of op grond van de Richtlijnen 64/432/EEG ( 10 ), 89/662/EEG, 90/425/EEG en 91/68/EEG ( 11 ), in zoverre in deze tekst daarnaar verwezen wordt.

Artikel 4

Vrijwaringsmaatregelen

1.  Voor de uitvoering van de vrijwaringsmaatregelen zijn de beginselen en definities van artikel 9 van Richtlijn 89/662/EEG, artikel 10 van Richtlijn 90/425/EEG, artikel 18 van Richtlijn 91/496/EEG ( 12 ) en artikel 22 van Richtlijn 97/78/EG ( 13 ) van toepassing.

2.  De vrijwaringsmaatregelen worden volgens de procedure van artikel 24, lid 2, vastgesteld en zij worden tegelijkertijd met de motivering aan het Europees Parlement meegedeeld.



HOOFDSTUK II

BEPALING VAN DE BSE-STATUS

Artikel 5

Indeling

▼M30

1.  De BSE-status van de lidstaten, derde landen of een van de gebieden daarvan (hierna „landen of gebieden” genoemd) wordt bepaald door indeling in één van de volgende drie categorieën:

 verwaarloosbaar BSE-risico als gedefinieerd in bijlage II,

 gecontroleerd BSE-risico als gedefinieerd in bijlage II,

 onbepaald BSE-risico als gedefinieerd in bijlage II.

De BSE-status van landen of gebieden kan alleen worden bepaald aan de hand van de criteria van bijlage II, hoofdstuk A. Deze criteria omvatten mede het resultaat van een risicoanalyse op basis van alle in bijlage II, hoofdstuk B, omschreven potentiële factoren van de BSE-uitbraak en de ontwikkeling daarvan, alsmede uitvoerige maatregelen inzake actief en passief toezicht waarbij rekening wordt gehouden met de risicocategorie van het land of gebied.

De lidstaten en de derde landen die willen blijven voorkomen op de lijst van derde landen die de onder deze verordening vallende levende dieren of producten naar de Gemeenschap mogen uitvoeren, dienen bij de Commissie een verzoek in om hun BSE-status te bepalen, tezamen met de relevante informatie over de in bijlage II, hoofdstuk A, genoemde criteria en de in bijlage II, hoofdstuk B, bedoelde mogelijke risicofactoren, alsmede over de ontwikkeling daarvan.

▼B

2.  Het besluit over een verzoek tot indeling van een lidstaat of derde land of een gebied daarvan in een van de categorieën van bijlage II, hoofdstuk C, wordt genomen volgens de procedure van artikel 24, lid 2, met inachtneming van de in lid 1 bedoelde criteria en mogelijke risicofactoren.

Het besluit wordt genomen binnen zes maanden na de indiening van het verzoek met de in lid 1, tweede alinea bedoelde relevante informatie. Indien de Commissie van oordeel is dat het bewijsmateriaal niet de in bijlage II, hoofdstukken A en B, bedoelde informatie bevat, verzoekt zij om binnen een nader te bepalen termijn aanvullende informatie te verstrekken. Het definitieve besluit wordt dan genomen binnen zes maanden na toezending van de volledige informatie.

Nadat het Internationaal Bureau voor besmettelijke veeziekten (OIE) een procedure voor de indeling van landen in de verschillende categorieën heeft vastgesteld en het verzoekende land in een van deze categorieën heeft ingedeeld, kan zo nodig volgens de procedure van artikel 24, lid 2, beslist worden de indeling waartoe voor het betrokken land overeenkomstig de eerste alinea van dit lid was besloten, opnieuw te bezien.

3.  Indien de Commissie vaststelt dat de door een lidstaat of een derde land overeenkomstig bijlage II, hoofdstukken A en B, verstrekte informatie ontoereikend of onduidelijk is, kan zij de BSE-status van die lidstaat of dat derde land bepalen volgens de procedure van artikel 24, lid 2, aan de hand van een volledige risicoanalyse.

Deze risicoanalyse veronderstelt dat een afdoend statistisch overzicht van de epizoötie van TSE in die lidstaat of dat derde land wordt opgesteld, waarbij in een screeningprocedure de snelle tests worden toegepast. De Commissie houdt rekening met de indelingscriteria van het Internationaal Bureau voor besmettelijke veeziekten.

▼M44

De snelle tests worden te dien einde volgens de in artikel 24, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing erkend en aan een in bijlage X, hoofdstuk C, punt 4, bedoelde lijst toegevoegd.

▼B

De screeningprocedure kan ook gebruikt worden door lidstaten en derde landen die de indeling die zij op basis daarvan verkregen hebben, volgens de procedure van artikel 24, lid 2, door de Commissie willen laten goedkeuren.

De kosten van deprocedure komen ten laste van die lidstaat of dat derde land.

▼M30

4.  Lidstaten en derde landen die niet overeenkomstig lid 1, derde alinea, een verzoek hebben ingediend, houden zich wat de verzending vanaf hun grondgebied van levende dieren en producten van dierlijke oorsprong betreft aan de invoervoorschriften voor landen met een onbepaald BSE-risico, totdat zij een dergelijk verzoek hebben ingediend en een definitieve beslissing over hun BSE-status is genomen.

▼B

5.  De lidstaten stellen de Commissie zo spoedig mogelijk in kennis van epidemiologische bewijzen of andere gegevens die tot verandering van de BSE-status kunnen leiden, met name de resultaten van de in artikel 6 bedoelde programma's voor toezicht.

6.  Volgens de procedure van artikel 24, lid 2, wordt de handhaving van een derde land op een van de in de communautaire regelgeving bedoelde lijsten van landen die naar de Gemeenschap levende dieren en producten van dierlijke oorsprong waarvoor deze verordening specifieke voorschriften bevat, mogen uitvoeren — rekening houdend met de beschikbare informatie of in geval van TSE vermoeden —, afhankelijk gesteld van het verstrekken van de in lid 1 bedoelde informatie. Indien het land weigert die informatie binnen drie maanden na het verzoek van de Commissie te verstrekken, is lid 4 van dit artikel van toepassing, zolang die informatie niet is verstrekt en niet overeenkomstig lid 2 of lid 3 geëvalueerd kan worden.

Om in aanmerking te komen voor uitvoer naar de Gemeenschap van levende dieren of producten van dierlijke oorsprong waarvoor deze verordening specifieke voorschriften bevat, volgens de voorwaarden die horen bij hun door de Commissie vastgestelde categorie, moeten derde landen zich ertoe verbinden de Commissie onverwijld schriftelijk in kennis te stellen van epidemiologisch of ander bewijsmateriaal dat tot verandering van de BSE-status kan leiden.

7.  Volgens de procedure van artikel 24, lid 2, kan op grond van de resultaten van de in artikel 21 bedoelde controles, de BSE-indeling van een lidstaat, een derde land of een gebied daarvan bij besluit gewijzigd worden.

8.  De in de leden 2, 3, 4, 6 en 7 bedoelde besluiten worden met inachtneming van de aanbevolen criteria van bijlage II, hoofdstukken A en B op een risicoanalyse gebaseerd.



HOOFDSTUK III

PREVENTIE VAN TSE'S

Artikel 6

Systeem van toezicht

▼M30

1.  De lidstaten voeren op basis van actief en passief toezicht overeenkomstig bijlage III een jaarlijks programma voor toezicht op TSE's uit. Dit programma omvat indien beschikbaar voor de desbetreffende diersoort een screeningsprocedure waarbij gebruik wordt gemaakt van snelle tests.

Die snelle tests worden volgens de procedure van artikel 24, lid 3, erkend en aan de in bijlage X opgenomen lijst toegevoegd.

▼M30

1 bis.  Het jaarlijkse programma voor toezicht als bedoeld in lid 1 heeft minimaal betrekking op de navolgende subpopulaties:

a) alle runderen ouder dan 24 maanden die naar de noodslachting zijn gestuurd of met symptomen bij de antemorteminspecties,

b) alle runderen ouder dan 30 maanden die normaal voor menselijke consumptie worden geslacht,

c) alle runderen ouder dan 24 maanden die niet voor menselijke consumptie worden geslacht, die zijn gestorven of gedood op de boerderij, tijdens het vervoer of in een slachthuis (gestorven dieren).

De lidstaten kunnen besluiten om in afgelegen gebieden met een geringe dierdichtheid, waar geen inzameling van dode dieren wordt georganiseerd, af te wijken van het bepaalde onder c). Lidstaten die gebruikmaken van deze mogelijkheid delen dit mee aan de Commissie en dienen een lijst in van de betrokken gebieden met een motivering voor de afwijking. De afwijking heeft betrekking op niet meer dan 10 % van de runderenpopulatie in een lidstaat.

1 ter.  Na raadpleging van het desbetreffende wetenschappelijk comité kan de leeftijd als vastgesteld in lid 1 bis, onder a) en c), overeenkomstig de procedure van artikel 24, lid 3, worden aangepast op basis van de wetenschappelijke vooruitgang.

Op verzoek van een lidstaat die op basis van bepaalde overeenkomstig de procedure van artikel 24, lid 3, vast te stellen criteria kan aantonen dat de epidemiologische situatie in het land is verbeterd, kunnen de jaarlijkse programma's voor toezicht voor die lidstaat worden herzien.

De betrokken lidstaat dient bewijsstukken te overleggen betreffende zijn mogelijkheden om de doeltreffendheid van de genomen maatregelen vast te stellen en de bescherming van de gezondheid van mens en dier op basis van een uitgebreide risicoanalyse te waarborgen. Met name dient de lidstaat aan te tonen:

a) dat er sprake is van een duidelijk dalende of voortdurend geringe BSE-prevalentie, gestaafd door recente testresultaten;

b) dat hij gedurende ten minste zes jaar een volledig BSE-testsprogramma ten uitvoer gelegd en gehandhaafd heeft (communautaire wetgeving betreffende de traceerbaarheid en de identificatie van levende dieren en BSE-toezicht);

c) dat hij gedurende ten minste zes jaar communautaire wetgeving betreffende het algeheel verbod op vervoedering aan landbouwhuisdieren heeft toegepast en doen naleven.

▼B

2.  De lidstaten stellen de Commissie en de overige lidstaten in het kader van het Permanent Veterinair Comité ervan in kennis, wanneer zich een andere TSE dan BSE voordoet.

3.  Alle officiële onderzoeken en laboratoriumonderzoeken moeten in overeenstemming met bijlage III, hoofdstuk B, worden geregistreerd.

4.  De lidstaten leggen de Commissie een jaarverslag voor dat ten minste de in bijlage III, hoofdstuk B, punt I, bedoelde informatie bevat. Het verslag over het kalenderjaar moet uiterlijk 31 maart van het daaropvolgende jaar worden ingediend. Binnen drie maanden na ontvangst van de nationale verslagen legt de Commissie aan het Permanent Veterinair Comité een samenvatting van die verslagen voor waarin ten minste de in bijlage III, hoofdstuk B, punt II, bedoelde informatie staat.

▼M30

5.  De uitvoeringsbepalingen voor dit artikel worden volgens de procedure van artikel 24, lid 2, vastgesteld.

Artikel 6 bis

Fokprogramma's

1.  Elke lidstaat kan een fokprogramma invoeren om te selecteren op resistentie tegen TSE's in zijn schapenpopulatie. Die programma's omvatten een regeling voor de erkenning van de TSE-resistente status van bepaalde koppels en kunnen tot andere diersoorten worden uitgebreid op grond van wetenschappelijke gegevens waaruit blijkt dat bepaalde genotypes van die diersoorten resistent zijn tegen TSE's.

2.  Nadere voorschriften voor de in lid 1 bedoelde programma's worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 24, lid 2.

3.  De lidstaten die fokprogramma's invoeren, dienen bij de Commissie regelmatig verslagen in, zodat de programma's wetenschappelijk kunnen worden beoordeeld, met name op de gevolgen ervan voor de frequentie van TSE, maar ook op de genetische diversiteit en variabiliteit en de instandhouding van oude, zeldzame of regionaal aangepaste schapenrassen. De wetenschappelijke resultaten en de algehele gevolgen van de fokprogramma's worden regelmatig geëvalueerd, en zo nodig worden die programma's dienovereenkomstig gewijzigd.

▼B

Artikel 7

Verbodsbepalingen in verband met diervoeding

▼M30

1.  Het gebruik van van dieren afkomstige eiwitten in de voeding van herkauwers is verboden.

2.  Het verbod van lid 1 wordt uitgebreid tot niet-herkauwers en beperkt, voor wat betreft de voedering van dergelijke dieren, tot producten van dierlijke oorsprong overeenkomstig bijlage IV.

3.  De leden 1 en 2 gelden onverminderd het bepaalde in bijlage IV waarin de afwijkingen van het in deze leden vervatte verbod zijn vermeld.

De Commissie kan, overeenkomstig de procedure als bedoeld in artikel 24, lid 3, aan de hand van een wetenschappelijke beoordeling van de voedingsbehoeften van jonge herkauwers, met inachtneming van de bepalingen die voor de tenuitvoerlegging van dit artikel als vermeld in lid 5 van dit artikel zijn goedgekeurd, en na een beoordeling van de controle-aspecten van deze afwijking, besluiten om het voederen van jonge dieren van herkauwende soorten met van vis afkomstige eiwitten toe te staan.

4.  Lidstaten of gebieden daarvan met een onbepaald BSE-risico mogen geen diervoeders uitvoeren of opslaan die bestemd zijn voor landbouwhuisdieren en die van zoogdieren afkomstige eiwitten bevatten, evenmin als diervoeders die bestemd zijn voor zoogdieren, met uitzondering van voeder voor honden, katten en pelsdieren, en die van zoogdieren afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten bevatten.

Derde landen of gebieden daarvan met een onbepaald BSE-risico mogen naar de Gemeenschap geen diervoeders uitvoeren die bestemd zijn voor landbouwhuisdieren en die van zoogdieren afkomstige eiwitten bevatten, evenmin als diervoeders die bestemd zijn voor zoogdieren, met uitzondering van voeder voor honden, katten en pelsdieren, en die van zoogdieren afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten bevatten.

Op verzoek van een lidstaat of een derde land kan volgens de procedure van artikel 24, lid 2, volgens gedetailleerde criteria die volgens de procedure van artikel 24, lid 3, moeten worden vastgesteld, worden besloten om individuele vrijstellingen van de beperkingen van dit lid te verlenen. Bij elke vrijstelling wordt rekening gehouden met de bepalingen vervat in lid 3 van dit artikel.

▼M30

4 bis.  Op basis van een gunstige risicoanalyse waarbij rekening wordt gehouden met ten minste de hoeveelheid en de mogelijke bron van besmetting en de uiteindelijke bestemming van de zending, kan, overeenkomstig de procedure als bedoeld in artikel 24, lid 3, worden besloten om een tolerantieniveau te introduceren voor onbeduidende hoeveelheden dierlijke eiwitten in diervoeders die het gevolg zijn van incidentele en technisch niet vermijdbare besmetting.

▼M30

5.  De uitvoeringsbepalingen voor dit artikel, met name de voorschriften voor de voorkoming van kruisbesmetting en voor de bemonsterings- en analysemethoden die nodig zijn om de naleving van dit artikel te controleren, worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 24, lid 2. Die bepalingen worden gebaseerd op een verslag van de Commissie betreffende herkomst, verwerking, controle en traceerbaarheid van diervoeders van dierlijke oorsprong.

▼B

Artikel 8

Gespecificeerd risicomateriaal

▼M30

1.  Gespecificeerd risicomateriaal wordt verwijderd overeenkomstig bijlage V bij deze verordening en Verordening (EG) nr. 1774/2002. Het wordt niet in de Gemeenschap ingevoerd. De lijst van gespecificeerd risicomateriaal als bedoeld in bijlage V omvat tenminste de hersenen, het ruggenmerg, de ogen en de amandelen van runderen van meer dan 12 maanden oud en de wervelkolom van runderen boven een leeftijd die overeenkomstig de procedure van artikel 24, lid 3, wordt vastgesteld. Met inachtneming van de verschillende risicocategorieën als vastgesteld in artikel 5, lid 1, eerste alinea, en de vereisten van artikel 6, lid 1 bis en lid 1 ter, onder b), wordt de lijst van gespecificeerd risicomateriaal in bijlage V dienovereenkomstig gewijzigd.

2.  Lid 1 van dit artikel is niet van toepassing op weefsels van dieren die negatief gereageerd hebben op een voor dit specifieke doel volgens de procedure van artikel 24, lid 3, erkende alternatieve test die in bijlage X is opgenomen en volgens de voorwaarden van bijlage V is uitgevoerd.

De lidstaten die krachtens dit lid het gebruik van een dergelijke alternatieve test toestaan, stellen de andere lidstaten en de Commissie daarvan in kennis.

3.  In lidstaten of gebieden daarvan met een gecontroleerd of een onbepaald BSE-risico mag vernietiging van het weefsel van het centrale zenuwstelsel, na bedwelming, met een lang, staafvormig instrument dat in de schedelholte wordt ingebracht, of door injectie van gas in de schedelholte in samenhang met bedwelming, niet worden toegepast bij runderen, schapen en geiten waarvan het vlees voor menselijke of dierlijke consumptie bestemd is.

4.  De in bijlage V vermelde leeftijdsgegevens kunnen worden aangepast. Deze aanpassingen vinden plaats aan de hand van de meest recente en betrouwbare wetenschappelijke inzichten over de statistische kans dat zich in de betrokken leeftijdsgroepen van de communautaire rundvee-, schapen- en geitenpopulatie een geval van TSE voordoet.

5.  Regels inzake vrijstelling van de leden 1 tot en met 4 van dit artikel kunnen volgens de procedure van artikel 24, lid 3, worden goedgekeurd met betrekking tot de datum van de daadwerkelijke toepassing van het in artikel 7, lid 1, bedoelde voederverbod of, voor zover van toepassing in derde landen of gebieden daarvan waar een gecontroleerd BSE-risico bestaat, met betrekking tot de datum van de daadwerkelijke toepassing van het verbod op het gebruik van van zoogdieren afkomstige eiwitten in de voeding van herkauwers, teneinde de verplichtingen tot verwijdering en vernietiging van gespecificeerd risicomateriaal te beperken tot dieren die in de betrokken landen of gebieden vóór die datum geboren zijn.

▼B

6.  De uitvoeringsbepalingen voor dit artikel worden volgens de procedure van artikel 24, lid 2, vastgesteld.

Artikel 9

Producten van dierlijke oorsprong die van materiaal van herkauwers zijn afgeleid of dergelijk materiaal bevatten

▼M30

1.  De in bijlage VI vermelde producten van dierlijke oorsprong worden vervaardigd met productieprocessen die volgens de procedure van artikel 24, lid 3, zijn goedgekeurd.

2.  Beenderen van runderen, schapen en geiten uit landen of gebieden waar een gecontroleerd of onbepaald BSE-risico bestaat, mogen niet gebruikt worden voor de productie van separatorvlees. Voor 1 juli 2008 dienen de lidstaten bij de Commissie een verslag in over het gebruik van separatorvlees op hun grondgebied en de daarbij toegepaste productiemethode. Dit verslag bevat ook een verklaring ten aanzien van de vraag of de lidstaat voornemens is de productie van separatorvlees voort te zetten.

Vervolgens dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een mededeling in over de toekomstige noodzaak en het gebruik van separatorvlees in de Gemeenschap, met inbegrip van het voorlichtingsbeleid voor de consument.

▼M44

3.  De leden 1 en 2 zijn, wat de criteria van bijlage V, punt 5, betreft, niet van toepassing op herkauwers die negatief gereageerd hebben op een volgens de in artikel 24, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing erkende alternatieve test, op voorwaarde dat die is opgenomen in bijlage X.

▼B

4.  De uitvoeringsbepalingen voor dit artikel worden volgens de procedure van artikel 24, lid 2, vastgesteld.

Artikel 10

Scholingsprogramma's

1.  De lidstaten zien erop toe dat het personeel van de bevoegde autoriteit, de diagnostische laboratoria, de landbouwinstituten en de instellingen voor diergeneeskunde, alsmede de officiële dierenartsen, de overige dierenartsen, het personeel van de slachthuizen, de fokkers, de veehouders en de personen die met de dieren omgaan, scholing krijgen over de klinische verschijnselen, de epidemiologie en, wat het met de controles belaste personeel betreft, de resultaten van de laboratoriumonderzoeken in verband met TSE's.

2.  Voor een doeltreffende uitvoering van de in lid 1 bedoelde scholingsprogramma's kan financiële steun van de Gemeenschap worden verleend. De omvang van die steun wordt volgens de procedure van artikel 24, lid 2, vastgesteld.



HOOFDSTUK IV

BESTRIJDING EN UITROEIING VAN TSE'S

Artikel 11

Melding

Onverminderd Richtlijn 82/894/EEG van de Raad ( 14 ) zorgen de lidstaten ervoor dat elk van besmetting met een TSE verdacht dier onmiddellijk aan de bevoegde autoriteiten wordt gemeld.

De lidstaten stellen de overige lidstaten en de Commissie regelmatig in kennis van de gemelde TSE-gevallen.

De bevoegde autoriteit neemt onverwijld de maatregelen van artikel 12, samen met elke andere noodzakelijke maatregel.

Artikel 12

Maatregelen met betrekking tot verdachte dieren

▼M30

1.  Een van besmetting met een TSE verdacht dier wordt aan een officiële verplaatsingsbeperking onderworpen in afwachting van het resultaat van een klinisch en epidemiologisch onderzoek door de bevoegde autoriteit, of het wordt gedood om onder officieel toezicht in een laboratorium te worden onderzocht.

Indien een rund op een bedrijf in een lidstaat officieel verdacht wordt van een TSE, geldt voor alle andere runderen op dat bedrijf een officiële verplaatsingsbeperking totdat de resultaten van het onderzoek beschikbaar zijn. Indien een schaap of geit op een bedrijf in een lidstaat officieel verdacht wordt van een TSE, dan geldt voor alle andere schapen en geiten op dat bedrijf een officiële verplaatsingsbeperking totdat de resultaten van het onderzoek beschikbaar zijn.

Indien echter uit bewijsmateriaal blijkt dat het bedrijf waarop het dier zich bevond toen de TSE er werd vermoed, waarschijnlijk niet het bedrijf is waar het dier aan de TSE kon zijn blootgesteld, kan de bevoegde autoriteit besluiten dat alleen het van besmetting verdachte dier aan een officiële verplaatsingsbeperking wordt onderworpen.

Indien zij zulks noodzakelijk acht mag de bevoegde autoriteit, afhankelijk van de beschikbare epidemiologische informatie, ook besluiten andere bedrijven, of alleen het bedrijf waar de blootstelling heeft plaatsgevonden, onder officieel toezicht te plaatsen.

Een lidstaat kan in afwijking van de officiële verplaatsingsbeperkingen van dit lid, volgens de procedure van artikel 24, lid 2, vrijgesteld worden van de toepassing van die verplaatsingsbeperkingen indien hij maatregelen toepast die gelijkwaardige garanties bieden op basis van een passende beoordeling van de mogelijke risico's voor de menselijke en dierlijke gezondheid.

▼B

2.  Wanneer de bevoegde autoriteit beslist dat de mogelijkheid van besmetting met een TSE niet kan worden uitgesloten, wordt het dier - indien het nog in leven is - gedood. De hersenen en eventueel alle andere door de bevoegde autoriteit te bepalen weefsels worden verwijderd en opgestuurd naar een officieel erkend laboratorium, het in artikel 19, lid 1, bedoelde nationale referentielaboratorium of het in artikel 19, lid 2, bedoelde communautaire referentielaboratorium, teneinde daar met de in artikel 20 bedoelde onderzoeksmethoden onderzocht te worden.

▼M30

3.  Alle delen van het kadaver van het van besmetting verdachte dier worden onder officieel toezicht bewaard totdat er een negatieve diagnose gesteld is, of worden verwijderd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002.

▼B

4.  De uitvoeringsbepalingen voor dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 24, lid 2.

Artikel 13

Te nemen maatregelen zodra aanwezigheid van een TSE is vastgesteld

1.  Is de aanwezigheid van een TSE officieel bevestigd, dan worden onverwijld de volgende maatregelen getroffen:

▼M30

a) alle delen van het kadaver van het dier worden overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002 verwijderd, behalve het materiaal dat overeenkomstig bijlage III, hoofdstuk B, bij deze verordening voor de registers bewaard wordt;

▼B

b) er wordt een onderzoek uitgevoerd om overeenkomstig bijlage VII, punt 1, alle dieren te identificeren waarvoor een risico bestaat;

▼M30

c) alle dieren en producten daarvan, vermeld in bijlage VII, punt 2, bij deze verordening die bij het onder b) bedoelde onderzoek zijn geïdentificeerd als zijnde een risico, worden gedood en verwijderd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002;

▼M30

Op verzoek van een lidstaat en op basis van een positieve risicoanalyse waarbij met name rekening wordt gehouden met de controlemaatregelen in die lidstaat, kan overeenkomstig de procedure van artikel 24, lid 2, worden besloten het gebruik van runderen als bedoeld in deze alinea tot het einde van hun productief leven toe te staan.

▼M44

In afwijking van dit lid, kan een lidstaat andere maatregelen toepassen die een gelijkwaardig beschermingsniveau bieden, op basis van een positieve risicoanalyse overeenkomstig de artikelen 24 bis en 25, waarbij met name rekening wordt gehouden met de controlemaatregelen in die lidstaat die volgens de in artikel 24, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure voor die lidstaat zijn goedgekeurd.

▼B

2.  Totdat de in lid 1, onder b) en c), bedoelde maatregelen volledig zijn uitgevoerd, wordt het bedrijf waarop het dier zich bevond toen de aanwezigheid van de TSE werd bevestigd, onder officieel toezicht geplaatst, en is voor elke verplaatsing van voor TSE's vatbare dieren en van producten van dierlijke oorsprong van en naar het bedrijf toestemming van de bevoegde autoriteit vereist zodat de betrokken dieren en de producten van dierlijke oorsprong onverwijld getraceerd en geïdentificeerd kunnen worden.

Indien uit bewijsmateriaal blijkt dat het bedrijf waarop het zieke dier zich bevond toen de aanwezigheid van de TSE werd bevestigd, waarschijnlijk niet het bedrijf is waar het dier aan de TSE was blootgesteld, kan de bevoegde autoriteit beslissen dat beide bedrijven, dan wel alleen het bedrijf waar de besmetting heeft plaatsgevonden, onder officieel toezicht worden/wordt geplaatst.

3.  Lidstaten die de in artikel 12, lid 1, vijfde alinea, bedoelde alternatieve regeling toepassen, kunnen in afwijking van de eisen van lid 1, onder b) en c), volgens de procedure van artikel 24, lid 2, vrijgesteld worden van de verplichte toepassing van officiële maatregelen inzake het verbod op verplaatsingen van dieren, of van de eis om de dieren te doden en te vernietigen.

4.  De eigenaars worden onverwijld vergoed voor dieren en voor producten van dierlijke oorsprong die overeenkomstig artikel 12, lid 2, en lid 1, onder a) en c), van dit artikel gedood, c.q. vernietigd zijn.

5.  Onverminderd Richtlijn 82/894/EEG worden alle bevestigde gevallen van een andere TSE dan BSE jaarlijks aan de Commissie gemeld.

6.  De uitvoeringsbepalingen voor dit artikel worden volgens de procedure van artikel 24, lid 2, vastgesteld.

Artikel 14

Noodplan

1.  De lidstaten stellen op grond van de algemene criteria van de communautaire regelgeving inzake de bestrijding van dierziekten richtsnoeren op voor de te treffen nationale maatregelen, waarbij de bevoegdheden en verantwoordelijkheden worden aangegeven voor het geval dat de aanwezigheid van een TSE wordt bevestigd.

2.  Die richtsnoeren kunnen volgens de procedure van artikel 24, lid 2, worden geharmoniseerd als dat nodig is voor een uniforme toepassing van de communautaire wetgeving.



HOOFDSTUK V

IN DE HANDEL BRENGEN EN UITVOER

Artikel 15

Levende dieren en sperma, embryo's en eicellen van die dieren

1.  Voor het in de handel brengen of, in voorkomend geval, de uitvoer van runderen, schapen en geiten en het sperma, de embryo's en eicellen van die dieren gelden de voorwaarden van bijlage VIII, of, wat de invoer betreft, de voorwaarden van bijlage IX. De dieren en de embryo's en eicellen van die dieren moeten vergezeld gaan van de door de communautaire wetgeving overeenkomstig artikel 17, c.q. voor de invoer, artikel 18, voorgeschreven diergezondheidscertificaten.

2.  Voor het in de handel brengen van nakomelingen van de eerste generatie, het sperma en de embryo's en eicellen van dieren waarbij de verdenking van TSE bestaat of de aanwezigheid van TSE is bevestigd, gelden de voorwaarden van bijlage VIII, hoofdstuk B.

▼M30

3.  Volgens de procedure van artikel 24, lid 3, kunnen de leden 1 en 2 worden uitgebreid tot andere diersoorten;

4.  Bepalingen ter uitvoering van dit artikel kunnen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 24, lid 2.

▼B

Artikel 16

In de handel brengen van producten van dierlijke oorsprong

1.  De bepalingen van dit artikel en bijlage VIII, hoofdstukken C en D en bijlage IX, hoofdstukken A, C, F en G gelden niet voor het in de handel brengen of, in voorkomend geval, de uitvoer van de volgende van gezonde herkauwers afkomstige producten van dierlijke oorsprong:

a) producten van dierlijke oorsprong die onder artikel 15 vallen, met name sperma, embryo's en eicellen;

▼M30

b) melk en zuivelproducten, huiden en vellen, en uit huiden en vellen vervaardigde gelatine en collageen.

2.  Producten van dierlijke oorsprong uit derde landen waar een gecontroleerd of onbepaald BSE-risico bestaat, zijn afkomstig van gezonde runderen, schapen en geiten die niet de in artikel 8, lid 3, bedoelde vernietiging van weefsel van het centrale zenuwstelsel of injectie van gas in de schedelholte hebben ondergaan.

3.  Levensmiddelen van dierlijke oorsprong die materiaal bevatten afkomstig van runderen uit een land of gebied waar een onbepaald BSE-risico bestaat, mogen niet in de handel worden gebracht, behalve indien zij afkomstig zijn van:

a) dieren die geboren zijn acht jaar na de datum van effectieve toepassing van het verbod om van zoogdieren afgeleide dierlijke eiwitten in de voeding van herkauwers te gebruiken, en

b) dieren die geboren en opgefokt zijn en verbleven hebben in beslagen die reeds minstens zeven jaar een gecertificeerde historische BSE-vrije status hebben.

Bovendien mogen levensmiddelen afkomstig van herkauwers niet vanuit een lidstaat of gebied daarvan waar een onbepaald BSE-risico bestaat, naar een andere lidstaat worden verzonden of uit een derde land waar een onbepaald BSE-risico bestaat, worden ingevoerd.

Dit verbod is niet van toepassing op de in bijlage VIII, hoofdstuk C, bedoelde producten van dierlijke oorsprong die aan de eisen van bijlage VIII, hoofdstuk C, voldoen.

Zij gaan vergezeld van een door een officiële dierenarts afgegeven gezondheidscertificaat waaruit blijkt dat zij overeenkomstig de onderhavige verordening zijn geproduceerd.

▼B

4.  Wanneer een dier vanuit een land of gebied wordt verplaatst naar een ander land of gebied van een andere categorie, wordt het ingedeeld in de hoogste categorie van de landen of gebieden waar het langer dan vierentwintig uur heeft verbleven, tenzij er voldoende garanties kunnen worden geboden dat het dier in dat in de hoogste categorie ingedeelde land of gebied niet gevoederd is.

5.  De producten van dierlijke oorsprong waarvoor in dit artikel specifieke regels zijn opgesteld, moeten vergezeld gaan van de door de communautaire wetgeving overeenkomstig de artikelen 17 en 18 voorgeschreven gezondheidscertificaten of handelsdocumenten, of, als de communautaire wetgeving die niet voorschrijft, van volgens de procedure van artikel 24, lid 2, vast te stellen modellen voor een gezondheidscertificaat of handelsdocument.

6.  Om in de Gemeenschap ingevoerd te mogen worden, moeten de producten van dierlijke oorsprong voldoen aan de voorwaarden van bijlage IX, hoofdstukken A, C, F en G.

▼M44

7.  De leden 1 tot en met 6 kunnen volgens de in artikel 24, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing worden uitgebreid tot andere producten van dierlijke oorsprong. De uitvoeringsbepalingen voor dit artikel worden vastgesteld volgens de in artikel 24, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure.

▼B

Artikel 17

Volgens de procedure van artikel 24, lid 2, kan worden besloten dat de in bijlage F bij Richtlijn 64/432/EEG bedoelde gezondheidscertificaten en de Modellen II en III van bijlage E bij Richtlijn 91/68/EEG, alsmede de door de communautaire wetgeving voorgeschreven gezondheidscertificaten voor het handelsverkeer in sperma, embryo's en eicellen van runderen, schapen en geiten, indien nodig, aangevuld worden met de vermelding van de categorie van de overeenkomstig artikel 5 opgestelde indeling van de lidstaat of het gebied van oorsprong.

De passende handelsdocumenten voor de handel in producten van dierlijke oorsprong worden, indien nodig, aangevuld met de vermelding van de categorie waarin de lidstaat of het gebied van oorsprong door de Commissie overeenkomstig artikel 5 is ingedeeld.

Artikel 18

De door de communautaire wetgeving voorgeschreven gezondheidscertificaten voor de invoer worden, voor de overeenkomstig artikel 5 in een categorie ingedeelde derde landen, volgens de procedure van artikel 24, lid 2, met de specifieke eisen van bijlage IX aangevuld, zodra de beslissing omtrent de indeling is genomen.



HOOFDSTUK VI

REFERENTIELABORATORIA, BEMONSTERING, TESTMETHODEN EN CONTROLES

Artikel 19

Referentielaboratoria

1.  De nationale referentielaboratoria van elke lidstaat en de taken en bevoegdheden daarvan zijn omschreven in bijlage X, hoofdstuk A.

2.  Het communautaire referentielaboratorium alsmede de taken en bevoegdheden daarvan staan vermeld in bijlage X, hoofdstuk B.

Artikel 20

Bemonstering en laboratoriumtechnieken

1.  De bemonstering en de laboratoriumonderzoeken om een TSE op te sporen worden uitgevoerd met gebruikmaking van de methoden en protocollen genoemd in bijlage X, hoofdstuk C.

▼M44

2.  Als de uniforme toepassing van dit artikel dit vereist, worden de uitvoeringsbepalingen vastgesteld volgens de in artikel 24, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure. De methode om de aanwezigheid van BSE bij schapen en geiten te bevestigen, wordt vastgesteld volgens de in artikel 24, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

▼B

Artikel 21

Communautaire controles

1.  Deskundigen van de Commissie kunnen, voorzover dat voor een uniforme toepassing van deze verordening noodzakelijk is, in samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten controles ter plaatse uitvoeren. De lidstaat op het grondgebied waarvan een controle wordt verricht, verleent de deskundigen alle nodige bijstand bij het uitvoeren van hun taken. De Commissie stelt de bevoegde autoriteit in kennis van het resultaat van de verrichte controles.

De uitvoeringsbepalingen voor dit artikel, waaronder voorschriften betreffende de wijze van samenwerking met de nationale autoriteiten, worden volgens de procedure van artikel 24, lid 2, vastgesteld.

2.  De communautaire controles ten aanzien van derde landen worden overeenkomstig de artikelen 20 en 21 van Richtlijn 97/78/EG verricht.



HOOFDSTUK VII

OVERGANGSBEPALINGEN EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 22

Overgangsbepalingen betreffende gespecificeerd risicomateriaal

1.  Bijlage XI, deel A, is van toepassing gedurende een periode van ten minste 6 maanden vanaf 1 juli 2001 en eindigt op de datum van vaststelling van een besluit overeenkomstig artikel 5, lid 2 of lid 4, op welke datum artikel 8 in werking treedt.

2.  De resultaten van een afdoende statistische studie die volgens artikel 5, lid 3, in de overgangsperiode verricht is, worden gebruikt om, rekening houdend met de indelingscriteria van het Internationaal Bureau voor besmettelijke veeziekten, de conclusies van de in artikel 5, lid 1, bedoelde risicoanalyse te bevestigen of te weerleggen.

3.  De gedetailleerde regels voor die statistische studie worden, na raadpleging van het betrokken wetenschappelijk comité, volgens de procedure van artikel 24, lid 2, vastgesteld.

4.  De minimumcriteria waaraan deze statistische studie moet voldoen, zijn die welke zijn vastgesteld in bijlage XI, deel B.

Artikel 23

Wijziging van de bijlagen; overgangsmaatregelen

▼M44

Na raadpleging van het betrokken wetenschappelijk comité over kwesties die van invloed zijn op de volksgezondheid worden volgens de in artikel 24, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing de bijlagen gewijzigd of aangevuld en overgangsmaatregelen vastgesteld.

▼M21

Volgens die procedure worden voor een periode die uiterlijk op 1 juli 2007 afloopt ook overgangsmaatregelen vastgesteld voor de overgang van de huidige regeling naar de bij deze verordening vastgestelde regeling.

▼M30

Artikel 23 bis

De volgende maatregelen die bedoeld zijn om niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen dan wel aan te vullen, worden vastgesteld overeenkomstig de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 24, lid 3:

▼M44

a) goedkeuring van de snelle tests bedoeld in artikel 5, lid 3, derde alinea, artikel 6, lid 1, artikel 8, lid 2 en artikel 9, lid 3;

▼M30

b) aanpassing van de leeftijd bedoeld in artikel 6, lid 1 ter;

c) criteria om verbetering van de epidemiologische situatie aan te tonen als bedoeld in artikel 6, lid 1 ter;

d) het besluit om het voederen van jonge dieren van herkauwende soorten met van vis afkomstige eiwitten toe te staan, als bedoeld in artikel 7, lid 3;

e) het besluit om individuele vrijstellingen te verlenen van de in artikel 7, lid 4, bedoelde bepalingen;

f) het besluit om een tolerantieniveau te introduceren als bedoeld in artikel 7, lid 4 bis;

g) het besluit omtrent de leeftijd bedoeld in artikel 8, lid 1;

h) regels voor het verlenen van vrijstellingen van de verplichting om gespecificeerd risicomateriaal te verwijderen en te vernietigen als bedoeld in artikel 8, lid 5;

i) goedkeuring van de in artikel 9, lid 1, bedoelde productieprocessen;

j) het besluit om bepaalde voorschriften uit te breiden tot andere diersoorten als bedoeld in artikel 15, lid 3;

▼M44

k) uitbreiding van de bepalingen van artikel 16, leden 1 tot en met 6, tot andere producten van dierlijke oorsprong;

l) vaststelling van de in artikel 20, lid 2, bedoelde methode om de aanwezigheid van BSE bij schapen en geiten te bevestigen;

m) wijziging of aanvulling van de bijlagen en vaststelling van overgangsmaatregelen als bedoeld in artikel 23.

▼M30

Artikel 24

Comités

1.  De Commissie wordt bijgestaan door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid. Voor kwesties betreffende artikel 6 bis wordt eveneens het Permanent Zoötechnisch Comité door de Commissie geraadpleegd.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van dat besluit bedoelde termijnen worden vastgesteld op drie maanden en, in het geval van de in artikel 4, lid 2, van deze verordening bedoelde vrijwaringsmaatregelen, op 15 dagen.

3.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

▼M30

Artikel 24 bis

Besluiten die worden genomen volgens een van de procedures van artikel 24 worden gebaseerd op een passende beoordeling van de mogelijke risico's voor de gezondheid van mens en dier en zijn, met inachtneming van de beschikbare wetenschappelijke gegevens, gericht op handhaving of, indien vanuit wetenschappelijk oogpunt gerechtvaardigd, verhoging van het in de Gemeenschap gegarandeerde niveau van bescherming van de gezondheid van mens en dier..

▼B

Artikel 25

Raadpleging van de wetenschappelijke comités

De betrokken wetenschappelijke comités worden geraadpleegd over elke onder het toepassingsgebied van deze verordening vallende kwestie die van invloed kan zijn op de volksgezondheid.

Artikel 26

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2001.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

▼M10




BIJLAGE I

SPECIFIEKE DEFINITIES

1.

Voor de toepassing van deze verordening gelden de onderstaande definities van Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad ( 15 ), Verordening (EG) nr. 178/2002 ( 16 ) en Richtlijn 79/373/EEG van de Raad ( 17 ):

a) Verordening (EG) nr. 1774/2002:

i) „landbouwhuisdieren”: de definitie van „vee” in artikel 2, lid 1, onder f);

ii) „voeder voor gezelschapsdieren”: punt 41 van bijlage I;

iii) „verwerkte dierlijke eiwitten”: punt 42 van bijlage I;

iv) „gelatine”: punt 26 van bijlage I;

v) „bloedproducten”: punt 4 van bijlage I;

vi) „bloedmeel”: punt 6 van bijlage I;

vii) „vismeel”: punt 24 van bijlage I;

b) „diervoeders”: artikel 3, punt 4, van Verordening (EG) nr. 178/2002;

c) „volledige diervoeders”: artikel 2, onder d), van Richtlijn 79/373/EEG.

▼M32

2.

Voorts gelden voor de toepassing van deze verordening de volgende definities:

a) „inheems geval van BSE”: een geval van boviene spongiforme encefalopathie waarvan niet duidelijk is vastgesteld dat het rechtstreeks toe te schrijven is aan besmetting die voorafging aan de invoer van het levende dier;

b) „diverse vetweefsels”: inwendig en uitwendig vet dat tijdens het slachten en het uitsnijden wordt verwijderd, met name vers vet van het hart, het darmvlies en de nieren bij runderen, alsmede vet uit uitsnijlokalen;

c) „cohort”: een groep dieren die alle runderen omvat die:

i) in de twaalf maanden voor of na de geboorte van een ziek rund geboren zijn in het beslag waarin het zieke rund geboren is, en/of

ii) op een bepaald moment in de eerste twaalf maanden van hun leven samen met een ziek rund in de eerste twaalf maanden van zijn leven opgefokt zijn;

d) „indexgeval”: het eerste dier op een bedrijf of in een epidemiologisch gedefinieerde groep, waarbij een TSE-besmetting bevestigd is;

e) „TSE bij kleine herkauwers”: een geval van overdraagbare spongiforme encefalopathie dat bij een schaap of een geit wordt vastgesteld na een bevestigend onderzoek naar abnormaal PrP-eiwit;

f) „geval van scrapie”: een bevestigd geval van een overdraagbare spongiforme encefalopathie bij een schaap of een geit waarbij een diagnose van BSE is uitgesloten overeenkomstig de criteria van het technisch handboek van het communautair referentielaboratorium over de karakterisering van TSE-stammen bij kleine herkauwers ( 18 );

g) „geval van klassieke scrapie”: een bevestigd geval van scrapie dat als klassiek wordt geclassificeerd overeenkomstig de criteria van het technisch handboek van het communautair referentielaboratorium over de karakterisering van TSE-stammen bij kleine herkauwers.

h) „geval van atypische scrapie”: een bevestigd geval van scrapie dat van klassieke scrapie kan worden onderscheiden overeenkomstig de criteria van het technisch handboek van het communautair referentielaboratorium over de karakterisering van TSE-stammen bij kleine herkauwers.

▼M31




BIJLAGE II

BEPALING VAN DE BSE-STATUS

HOOFDSTUK A

Criteria

De BSE-status van de lidstaten, derde landen of gebieden daarvan (hierna „landen of gebieden” genoemd) wordt bepaald aan de hand van de onder a) tot en met e) aangegeven criteria.

In het land of gebied:

a) wordt een risicoanalyse overeenkomstig hoofdstuk B uitgevoerd, waarbij alle potentiële factoren voor het optreden van BSE in het land of gebied in historisch perspectief worden onderzocht;

b) is een systeem voor permanente bewaking en permanent toezicht op BSE ingevoerd, met name ten aanzien van de in hoofdstuk B beschreven risico’s, waarbij wordt voldaan aan de in hoofdstuk D vastgelegde minimumeisen inzake bewaking;

c) is een permanent bewustmakingsprogramma ingevoerd voor dierenartsen, veehouders en werknemers die bij het vervoer, het in de handel brengen en het slachten van runderen betrokken zijn, om te stimuleren dat alle gevallen van bij BSE passende klinische verschijnselen in deelpopulaties zoals omschreven in hoofdstuk D worden gemeld;

d) geldt een verplichting om alle runderen die bij BSE passende klinische verschijnselen vertonen, officieel te melden en te onderzoeken;

e) wordt hersen- of ander weefsel dat in het kader van het onder b) bedoelde systeem voor bewaking en toezicht is verzameld, in een erkend laboratorium onderzocht.

HOOFDSTUK B

Risicoanalyse

1.   Opzet van de risicoanalyse

In de risicoanalyse worden de insleep en de blootstelling beoordeeld.

2.   Beoordeling van de insleep (externe dreiging)

2.1. Bij de beoordeling van de insleep wordt de kans bepaald dat het BSE-agens via mogelijk met een BSE-agens besmette goederen in het land of gebied is ingesleept of daar al aanwezig is.

Hierbij worden de volgende risicofactoren in aanmerking genomen:

a) de aan- of afwezigheid van het BSE-agens in het land of gebied, en in geval van aanwezigheid, de prevalentie ervan, bepaald aan de hand van de resultaten van de bewaking;

b) de productie van vleesbeendermeel of kanen, afkomstig van de inheemse runderpopulatie;

c) ingevoerd vleesbeendermeel of ingevoerde kanen;

d) ingevoerde runderen, schapen en geiten;

e) ingevoerde diervoeders en diervoederingrediënten;

f) ingevoerde, voor menselijke consumptie bestemde producten van herkauwers waarin mogelijk weefsels als genoemd in punt 1 van bijlage V aanwezig waren en die mogelijk aan runderen zijn vervoederd;

g) ingevoerde producten van herkauwers voor in-vivogebruik in runderen.

2.2. Bij de beoordeling van de insleep moet rekening worden gehouden met speciale uitroeiingsregelingen, bewaking en ander epidemiologisch onderzoek (met name BSE-bewaking bij runderen) die van belang zijn voor de in punt 2.1 genoemde risicofactoren.

3.   Beoordeling van de blootstelling

Bij de beoordeling van de blootstelling wordt de kans bepaald dat runderen aan het BSE-agens worden blootgesteld, waarbij wordt gekeken naar:

a) de recycling en vermeerdering van het BSE-agens door vervoedering van vleesbeendermeel of kanen, afkomstig van herkauwers, of andere diervoeders of diervoederingrediënten die daarmee verontreinigd zijn, aan runderen;

b) het gebruik van karkassen (ook van gestorven dieren), bijproducten en slachthuisafval van herkauwers, de parameters van het destructieproces en de diervoederproductiemethoden;

c) de vraag of vleesbeendermeel en kanen, afkomstig van herkauwers, al dan niet aan herkauwers worden vervoederd, met inbegrip van maatregelen om versleping bij diervoeders te voorkomen;

d) de huidige intensiteit van de BSE-bewaking van de runderpopulatie en de resultaten ervan.

HOOFDSTUK C

Omschrijving van de categorieën

I.    LAND OF GEBIED MET EEN VERWAARLOOSBAAR BSE-RISICO

Land of gebied:

(1) waar een risicoanalyse overeenkomstig hoofdstuk B is uitgevoerd om de historische en huidige risicofactoren te bepalen;

(2) dat heeft aangetoond dat er voor de hieronder aangegeven duur adequate specifieke maatregelen zijn genomen om alle geconstateerde risico’s te managen;

(3) dat heeft aangetoond dat er bewaking van type B, zoals omschreven in hoofdstuk D, wordt uitgevoerd, waarbij de desbetreffende streefscore, overeenkomstig tabel 2 van dat hoofdstuk, is gehaald, en

(4) dat zich:

a) hetzij in de volgende situatie bevindt:

i) er heeft zich in het land of gebied geen enkel geval van BSE voorgedaan, of, als dat wel het geval is, waren alle geconstateerde BSE-gevallen ingevoerd en zijn zij volledig vernietigd;

ii) er wordt gedurende ten minste zeven jaar aan de criteria van hoofdstuk A, onder c), d) en e), voldaan, en

iii) aan de hand van adequate controles en audits is aangetoond dat er gedurende ten minste acht jaar geen vleesbeendermeel en kanen, afkomstig van herkauwers, aan herkauwers zijn vervoederd;

b) hetzij in de volgende situatie bevindt:

i) er hebben zich een of meer inheemse gevallen van BSE in het land of gebied voorgedaan, maar alle inheemse gevallen van BSE waren meer dan elf jaar geleden geboren;

ii) er wordt gedurende ten minste zeven jaar aan de criteria van hoofdstuk A, onder c), d) en e), voldaan;

iii) aan de hand van adequate controles en audits is aangetoond dat er gedurende ten minste acht jaar geen vleesbeendermeel en kanen, afkomstig van herkauwers, aan herkauwers zijn vervoederd;

iv) de onderstaande dieren zijn, indien zij nog in het land of gebied in leven zijn, permanent geïdentificeerd, hun verplaatsingen worden gecontroleerd en nadat zij geslacht of gestorven zijn, worden zij volledig vernietigd:

 alle BSE-gevallen;

 alle runderen die in hun eerste levensjaar samen met de BSE-gevallen in hun eerste levensjaar zijn gehouden en die blijkens onderzoek in die periode hetzelfde potentieel besmette voeder gekregen hebben, of

 als het in het tweede streepje bedoelde onderzoek geen uitsluitsel biedt, alle runderen die in hetzelfde beslag als de BSE-gevallen en binnen twaalf maanden vóór of na de geboorte daarvan zijn geboren.

II.    LAND OF GEBIED MET EEN GECONTROLEERD BSE-RISICO

Land of gebied:

(1) waar een risicoanalyse op grond van de in hoofdstuk B vastgestelde informatie is uitgevoerd om de historische en huidige risicofactoren te bepalen;

(2) dat heeft aangetoond dat passende maatregelen zijn genomen om alle geïdentificeerde risico’s te managen, maar die maatregelen niet voor de relevante periode heeft genomen;

(3) dat heeft aangetoond dat er bewaking van type A, zoals omschreven in hoofdstuk D, wordt uitgevoerd, waarbij de desbetreffende streefscore, overeenkomstig tabel 2 van dat hoofdstuk, is gehaald. Na het behalen van de streefscore mag bewaking van type A worden vervangen door bewaking van type B, en

(4) dat zich:

a) hetzij in de volgende situatie bevindt:

i) er heeft zich in het land of gebied geen enkel geval van BSE voorgedaan, of als dat wel het geval is, waren alle geconstateerde BSE-gevallen ingevoerd en zijn zij volledig vernietigd, er is aan de criteria van hoofdstuk A, onder c), d) en e), voldaan en aan de hand van adequate controles en audits is aangetoond dat er geen vleesbeendermeel en kanen, afkomstig van herkauwers, aan herkauwers zijn vervoederd;

ii) er wordt gedurende minder dan zeven jaar aan de criteria van hoofdstuk A, onder c), d) en e), voldaan, en/of

iii) er kan niet worden aangetoond dat er gedurende acht jaar controle wordt uitgeoefend op de vervoedering van vleesbeendermeel of kanen, afkomstig van herkauwers, aan herkauwers;

b) hetzij in de volgende situatie bevindt:

i) er heeft zich in het land of gebied een inheems geval van BSE voorgedaan, er is aan de criteria van hoofdstuk A, onder c), d) en e), voldaan en aan de hand van adequate controles en audits kan worden aangetoond dat er geen vleesbeendermeel en kanen, afkomstig van herkauwers, aan herkauwers zijn vervoederd;

ii) er wordt gedurende minder dan zeven jaar aan de criteria van hoofdstuk A, onder c), d) en e), voldaan, en/of

iii) er kan niet worden aangetoond dat er gedurende ten minste acht jaar controle wordt uitgeoefend op de vervoedering van vleesbeendermeel of kanen, afkomstig van herkauwers, aan herkauwers;

iv) de onderstaande dieren zijn, indien zij nog in het land of gebied in leven zijn, permanent geïdentificeerd, hun verplaatsingen worden gecontroleerd en nadat zij geslacht of gestorven zijn, worden zij volledig vernietigd:

 alle BSE-gevallen;

 alle runderen die in hun eerste levensjaar samen met de BSE-gevallen in hun eerste levensjaar zijn gehouden en die blijkens onderzoek in die periode hetzelfde potentieel besmette voeder gekregen hebben, of

 als het in het tweede streepje bedoelde onderzoek geen uitsluitsel biedt, alle runderen die in hetzelfde beslag als de BSE-gevallen en binnen twaalf maanden vóór of na de geboorte daarvan zijn geboren.

III.    LAND OF GEBIED MET EEN ONBEPAALD BSE-RISICO

Een land of gebied waarvoor de bepaling van de BSE-status niet is afgerond of dat niet voldoet aan de voorwaarden voor indeling in een van de andere categorieën.

HOOFDSTUK D

Minimumeisen inzake bewaking

1.   Typen bewaking

Voor de toepassing van deze bijlage gelden de volgende definities:

a) Bewaking van type A

Bewaking van type A is zo opgezet dat bij een aangenomen prevalentie ( 19 ) van minimaal één geval per 100 000 in de populatie volwassen runderen in het betrokken land of gebied BSE met een betrouwbaarheid van 95 % wordt opgespoord.

b) Bewaking van type B

Bewaking van type A is zo opgezet dat bij een aangenomen prevalentie van minimaal één geval per 50 000 de populatie volwassen runderen in het betrokken land of gebied BSE met een betrouwbaarheid van 95 % wordt opgespoord.

Bewaking van type B mag worden uitgevoerd door landen of gebieden met een verwaarloosbaar BSE-risico om de conclusies van de risicoanalyse te bevestigen, bijvoorbeeld door aan te tonen dat de maatregelen ter beperking van de geconstateerde risicofactoren doeltreffend zijn, door middel van bewaking die erop gericht is de kans dat het falen van die maatregelen wordt opgespoord zo groot mogelijk te maken.

Bewaking van type B mag ook worden uitgevoerd door landen of gebieden met een gecontroleerd BSE-risico nadat zij met bewaking van type A de desbetreffende streefscore hebben gehaald, om na te gaan of het met de bewaking van type A verkregen inzicht in de situatie nog betrouwbaar is.

Voor de toepassing van deze bijlage worden met het oog op de bewaking de volgende vier subpopulaties runderen onderscheiden:

a) runderen ouder dan 30 maanden die afwijkend gedrag of klinische verschijnselen vertonen die passen bij BSE (klinische verdenkingen);

b) runderen ouder dan 30 maanden die niet kunnen lopen, blijven liggen, niet zonder hulp kunnen opstaan of lopen; runderen ouder dan 30 maanden die naar de noodslachting zijn gestuurd of bij de antemortemkeuring afwijkingen vertonen (noodslachting).

c) runderen ouder dan 30 maanden die op het bedrijf, tijdens het vervoer of in het slachthuis gestorven of gedood zijn (gestorven dieren);

d) runderen ouder dan 36 maanden bij de normale slacht.

2.   Bewakingsstrategie

2.1. De bewakingsstrategie moet zo opgezet zijn dat de steekproeven representatief zijn voor het beslag van het land of gebied, waarbij demografische factoren zoals het productietype en de geografische locatie, alsmede de eventuele invloed van cultureel unieke veehouderijpraktijken in aanmerking worden genomen. De gevolgde benadering en de gemaakte aannamen worden volledig gedocumenteerd en deze documentatie wordt gedurende zeven jaar bewaard.

2.2. Om de BSE-bewakingsstrategie ten uitvoer te leggen gebruikt het land gedocumenteerde gegevens of betrouwbare schattingen van de leeftijdsverdeling van de populatie volwassen runderen en het naar leeftijd en subpopulatie gestratificeerde aantal op BSE geteste runderen in het land of gebied.

3.   Puntenwaarden en streefscores

Bij de bemonstering ten behoeve van de bewaking moeten de in tabel 2 aangegeven streefscores worden gehaald, onder gebruikmaking van de in tabel 1 vermelde puntenwaarden. Alle klinische verdenkingen moeten worden onderzocht, ongeacht de al gerealiseerde score. Een land moet ten minste drie van de vier subpopulaties bemonsteren. De puntenwaarden voor alle bemonsteringen worden samengeteld en de streefscore moet in een periode van maximaal zeven jaar worden bereikt. De totale score wordt op gezette tijden vergeleken met de streefscore voor een land of gebied.



Tabel 1

Puntenwaarden voor de bemonstering van dieren per subpopulatie en leeftijdscategorie ten behoeve van de bewaking

Subpopulatie voor de bewaking

Normale slacht (1)

Gestorven dieren (2)

Noodslachting (3)

Klinische verdenkingen (4)

Leeftijd ≥ één jaar en < 2 jaar

0,01

0,2

0,4

-

Leeftijd ≥ 2 jaar en < 4 jaar (jongvolwassen)

0,1

0,2

0,4

260

Leeftijd ≥ 4 jaar en < 7 jaar (middenvolwassen)

0,2

0,9

1,6

750

Leeftijd ≥ 7 jaar en < 9 jaar (oudvolwassen)

0,1

0,4

0,7

220

Leeftijd ≥ 9 jaar (oud)

0,0

0,1

0,2

45

(1)   Runderen ouder dan 36 maanden bij de normale slacht.

(2)   Runderen ouder dan 30 maanden die op het bedrijf, tijdens het vervoer of in het slachthuis gestorven of gedood zijn (gestorven dieren).

(3)   Runderen ouder dan 30 maanden die niet kunnen lopen, blijven liggen, niet zonder hulp kunnen opstaan of lopen; runderen ouder dan 30 maanden die naar de noodslachting zijn gestuurd of bij de antemortemkeuring afwijkingen vertonen (noodslachting).

(4)   Runderen ouder dan 30 maanden die afwijkend gedrag of klinische verschijnselen vertonen die passen bij BSE (klinische verdenkingen).



Tabel 2

Streefscores voor de verschillende populatiegrootten volwassen runderen in een land of gebied

Streefscores voor landen of gebieden

Populatiegrootte volwassen runderen

(24 maanden en ouder)

Bewaking van type A

Bewaking van type B

≥ 1 000 000

300 000

150 000

800 000 – 1 000 000

240 000

120 000

600 000 – 800 000

180 000

90 000

400 000 – 600 000

120 000

60 000

200 000 – 400 000

60 000

30 000

100 000 – 200 000

30 000

15 000

50 000 – 100 000

15 000

7 500

25 000 – 50 000

7 500

3 750

4.   Gerichte bemonstering

Binnen elke van de bovengenoemde subpopulaties in een land of gebied kan een land gerichte bemonstering uitvoeren op runderen die aantoonbaar ingevoerd zijn uit landen of gebieden waar BSE is geconstateerd en runderen waaraan mogelijk besmet diervoeder is vervoederd dat afkomstig is uit landen of gebieden waar BSE is geconstateerd.

5.   BSE-bewakingsmodel

Om de aanwezigheid en/of prevalentie van BSE te schatten kan een land naar keuze het volledige BSurvE-bewakingsmodel of een andere, daarop gebaseerde methode gebruiken.

6.   Onderhoudsbewaking

Als de streefscore eenmaal gehaald is kan de bewaking — om de BSE-status „gecontroleerd BSE-risico” of „verwaarloosbaar BSE-risico” van een land of gebied te behouden — worden teruggebracht tot bewaking van type B, mits alle andere indicatoren positief blijven. Om echter aan de voorschriften van dit hoofdstuk te blijven voldoen, moet de permanente jaarlijkse bewaking zich nog steeds tot ten minste drie van de vier voorgeschreven subpopulaties uitstrekken. Bovendien moeten alle runderen met een klinische verdenking van BSE worden onderzocht, ongeacht de al gerealiseerde score. De jaarlijkse bewaking in een land of gebied na het behalen van de vereiste streefscore mag niet minder omvatten dan het aantal dat voor een zevende van de totale score voor bewaking van type B vereist is.

▼M13




BIJLAGE III

SYSTEEM VAN TOEZICHT

HOOFDSTUK A

I.   TOEZICHT OP RUNDEREN

1.   Algemeen

Het toezicht op runderen wordt uitgevoerd met de laboratoriumtechnieken die zijn aangegeven in bijlage X, hoofdstuk C, punt 3.1, onder b).

2.   Toezicht op dieren die voor menselijke consumptie worden geslacht

2.1.

Alle runderen die ouder zijn dan 24 maanden:

 waarbij een„speciale noodslachting” zoals omschreven in artikel 2, onder n), van Richtlijn 64/433/EEG van de Raad ( 20 ) is toegepast, of

 die overeenkomstig bijlage I, hoofdstuk VI, punt 28, onder c), van Richtlijn 64/433/EEG zijn geslacht, met uitzondering van dieren zonder klinische ziekteverschijnselen die in het kader van een dierziekte-uitroeiingscampagne zijn geslacht,

worden op BSE getest.

2.2.

Alle runderen die ouder zijn dan 30 maanden:

 en die normaal geslacht zijn met het oog op menselijke consumptie, of

 overeenkomstig bijlage I, hoofdstuk VI, punt 28, onder c), van Richtlijn 64/433/EEG in het kader van een dierziekte-uitroeiingscampagne zijn geslacht, maar geen klinische ziekteverschijnselen vertonen,

worden op BSE getest.

▼M27 —————

▼M13

3.   Toezicht op dieren die niet voor menselijke consumptie worden geslacht

3.1.

Alle runderen die ouder zijn dan 24 maanden en gestorven of gedood zijn, maar niet

 met het oog op vernietiging krachtens Verordening (EG) nr. 716/96 van de Commissie ( 21 ) zijn gedood,

 in verband met een epidemie, zoals mond- en klauwzeer, zijn gedood,

 voor menselijke consumptie zijn geslacht,

worden op BSE getest.

3.2.

De lidstaten kunnen besluiten van het bepaalde in punt 3.1 af te wijken in afgelegen gebieden waar de veedichtheid gering is en dode dieren niet worden opgehaald. De lidstaten die van deze afwijking gebruikmaken, stellen de Commissie daarvan in kennis en verstrekken haar een lijst van de desbetreffende gebieden. De afwijking mag niet meer dan 10 % van de runderpopulatie in de lidstaat betreffen.

▼M26

4.   Toezicht op dieren die met het oog op vernietiging zijn opgekocht krachtens Verordening (EG) nr. 716/96.

Alle tussen 1 augustus 1995 en 1 augustus 1996 geboren dieren die met het oog op vernietiging zijn gedood krachtens Verordening (EG) nr. 716/96 worden op BSE getest.

▼M13

5.   Toezicht op andere dieren

Naast de in de punten 2 tot en met 4 bedoelde tests kunnen de lidstaten op vrijwillige basis besluiten andere runderen op hun grondgebied te testen, in het bijzonder als die dieren van oorsprong zijn uit landen met inheemse BSE, zijn gevoederd met mogelijk besmet diervoeder of geboren zijn uit of afstammen van met BSE besmette moederdieren.

6.   Maatregelen op grond van het testen

6.1.

Wanneer een voor menselijke consumptie geslacht dier geselecteerd is om op BSE te worden getest, wordt het in bijlage I, hoofdstuk XI, van Richtlijn 64/433/EEG bedoelde keurmerk pas op het karkas van dat dier aangebracht wanneer de snelle test een negatief resultaat heeft opgeleverd.

6.2.

De lidstaten mogen van het bepaalde in punt 6.1 afwijken indien er in het slachthuis een officieel systeem bestaat dat garandeert dat geen delen van onderzochte dieren die van een keurmerk zijn voorzien, het slachthuis verlaten voordat met de snelle test een negatief resultaat verkregen is.

▼M42

6.3.

Alle delen van het kadaver van een op BSE getest dier, met inbegrip van de huid, worden onder officieel toezicht bewaard totdat met de snelle test een negatief resultaat is verkregen, tenzij zij overeenkomstig artikel 4, lid 2, onder a), b) of e), van Verordening (EG) nr. 1774/2002 worden verwijderd.

6.4.

Alle delen van het kadaver van een dier waarvoor bij de snelle test een positief of onduidelijk resultaat is verkregen, met inbegrip van de huid, worden overeenkomstig artikel 4, lid 2, onder a), b) of e), van Verordening (EG) nr. 1774/2002 verwijderd, behalve het materiaal dat moet worden bewaard in samenhang met de in hoofdstuk B, deel III, bedoelde registers.

▼M32

6.5.

Wanneer voor een voor menselijke consumptie geslacht dier bij de snelle test een positief of onduidelijk resultaat is verkregen, worden ten minste het karkas dat op dezelfde slachtlijn onmiddellijk aan het dier waarvoor een positief of onduidelijk resultaat is verkregen, voorafging en de twee karkassen die onmiddellijk na dat dier kwamen, overeenkomstig punt 6.4 vernietigd. In afwijking hiervan kunnen lidstaten besluiten de bovengenoemde karkassen slechts te vernietigen als het resultaat van de snelle test als positief of onduidelijk wordt bevestigd door de in bijlage X, hoofdstuk C, punt 3.1, onder b), vermelde bevestigende onderzoeken.

▼M13

6.6.

De lidstaten mogen van het bepaalde in punt 6.5 afwijken als er in het slachthuis een systeem bestaat waardoor besmetting tussen karkassen wordt voorkomen.

▼M38

7.   Herziening van de jaarlijkse programma’s voor toezicht op BSE (BSE-toezichtprogramma’s), als bedoeld in artikel 6, lid 1 ter)

7.1.   Verzoeken van de lidstaten

De door de lidstaten bij de Commissie ingediende verzoeken om herziening van hun jaarlijkse BSE-toezichtprogramma moeten ten minste het volgende bevatten:

a) informatie over het jaarlijkse systeem van BSE-toezicht dat gedurende de voorafgaande periode van zes jaar op het grondgebied van de lidstaat is toegepast, met inbegrip van gedetailleerde bewijsstukken waaruit blijkt dat aan de epidemiologische criteria van punt 7.2 is voldaan;

b) informatie over het systeem voor de identificatie en de traceerbaarheid van runderen, als bedoeld in artikel 6, lid 1 ter, derde alinea, onder b), dat gedurende de voorafgaande periode van zes jaar op het grondgebied van de lidstaat is toegepast, met inbegrip van een gedetailleerde beschrijving van de werking van het gecomputeriseerde gegevensbestand als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad ( 22 );

c) informatie over verbodsmaatregelen inzake diervoeders gedurende de voorafgaande periode van zes jaar op het grondgebied van de lidstaat, met inbegrip van een gedetailleerde beschrijving van de handhaving van het verbod op vervoedering aan landbouwhuisdieren, als bedoeld in artikel 6, lid 1 ter, derde alinea, onder c), met inbegrip van het bemonsteringsplan alsmede het aantal en het soort geconstateerde overtredingen en de follow-upresultaten;

d) een gedetailleerde beschrijving van het voorgestelde herziene BSE-toezichtprogramma met opgave van het geografische gebied waarin het programma zal worden uitgevoerd, en een beschrijving van de subpopulaties runderen die onder het herziene BSE-toezichtprogramma zullen vallen, met vermelding van de leeftijdsgrenzen en de steekproefgrootten voor het uitvoeren van tests;

e) het resultaat van een omvattende risicoanalyse waaruit blijkt dat het herziene BSE-toezichtprogramma de bescherming van de gezondheid van mens en dier zal waarborgen. Deze risicoanalyse omvat een geboortecohortanalyse of andere relevante studies om aan te tonen dat de maatregelen ter beperking van het TSE-risico, met inbegrip van de voederverboden als bedoeld in artikel 6, lid 1 ter, derde alinea, onder c), op doeltreffende wijze zijn uitgevoerd.

7.2.   Epidemiologische criteria

Verzoeken om herziening van een BSE-toezichtprogramma kunnen slechts worden ingewilligd als de betrokken lidstaat kan aantonen dat op zijn grondgebied niet alleen aan de voorschriften van artikel 6, lid 1 ter, derde alinea, onder a), b) en c), maar ook aan de volgende epidemiologische criteria is voldaan:

a) gedurende ten minste zes opeenvolgende jaren na de datum van tenuitvoerlegging van het communautaire BSE-testprogramma als bedoeld in artikel 6, lid 1 ter, derde alinea, punt b):

i) bedroeg de gemiddelde daling van de jaarlijkse BSE-incidentie in de populatie volwassen runderen (ouder dan 24 maanden) meer dan 20 %, en bedroeg het totale aantal met BSE besmette runderen die geboren zijn na de tenuitvoerlegging van het communautaire algehele verbod op vervoedering aan landbouwhuisdieren, als bedoeld in artikel 6, lid 1 ter, derde alinea, punt c), niet meer dan 5 % van het totale aantal bevestigde BSE-gevallen,

of

ii) bleef de jaarlijkse waargenomen BSE-incidentie in de populatie volwassen runderen (ouder dan 24 maanden) permanent onder 1/100 000,

of

iii) als extra optie voor een lidstaat met een populatie volwassen runderen (ouder dan 24 maanden) van minder dan 1 000 000 dieren, bleef het gecumuleerde aantal bevestigde BSE-gevallen onder de vijf;

b) na de onder a) bedoelde periode van zes jaar zijn er geen aanwijzingen dat de epidemiologische situatie voor BSE verslechtert.

▼M32

II.   TOEZICHT OP SCHAPEN EN GEITEN

1.   Algemeen

Het toezicht op schapen en geiten wordt uitgevoerd met de laboratoriumtechnieken die zijn aangegeven in bijlage X, hoofdstuk C, punt 3.2, onder b).

2.   Toezicht op schapen en geiten die voor menselijke consumptie worden geslacht

a) Lidstaten waar de populatie ooien en gedekte ooilammeren groter is dan 750 000 dieren, testen jaarlijks minstens een steekproef van 10 000 voor menselijke consumptie geslachte schapen overeenkomstig de bemonsteringsvoorschriften van punt 4.

b) Lidstaten waar de populatie geiten die al hebben gelammerd en gedekte geiten groter is dan 750 000 dieren, testen jaarlijks minstens een steekproef van 10 000 voor menselijke consumptie geslachte geiten overeenkomstig de bemonsteringsvoorschriften van punt 4.

c) Indien een lidstaat problemen heeft om met geslachte gezonde schapen en geiten de voorgeschreven minimale steekproefgrootten als aangegeven onder a) en b) te bereiken, mag hij maximaal de helft van die steekproef vervangen door gestorven schapen of geiten ouder dan 18 maanden, in een verhouding 1:1 en los van de in punt 3 voorgeschreven minimale steekproefgrootte. Daarnaast mag een lidstaat maximaal 10 % van de minimale steekproef in een verhouding 1:1 vervangen door schapen of geiten ouder dan 18 maanden die in het kader van een dierziekte-uitroeiingscampagne zijn gedood.

3.   Toezicht op schapen en geiten die niet voor menselijke consumptie worden geslacht

De lidstaten voeren overeenkomstig de bemonsteringsvoorschriften van punt 4 en de minimale steekproefgrootten in de tabellen A en B tests uit op schapen en geiten die gestorven of gedood zijn, maar niet:

 in het kader van een dierziekte-uitroeiingscampagne zijn gedood, of

 voor menselijke consumptie zijn geslacht.



Tabel A

Populatie ooien en gedekte ooilammeren in de lidstaat

Minimale steekproefgrootte, dode schapen (1)

> 750 000

10 000

100 000-750 000

1 500

40 000-100 000

100 % tot maximaal 500

< 40 000

100 % tot maximaal 100

(1)   De minimale steekproefgrootten zijn afgestemd op de omvang van de schapenpopulatie in de verschillende lidstaten en zijn bedoeld om haalbare doelen aan te geven.



Tabel B

Populatie geiten die al hebben gelammerd en gedekte geiten in de lidstaat

Minimale steekproefgrootte, dode geiten (1)

> 750 000

10 000

250 000-750 000

1 500

40 000-250 000

100 % tot maximaal 500

< 40 000

100 % tot maximaal 100

(1)   De minimale steekproefgrootten zijn afgestemd op de omvang van de geitenpopulatie in de verschillende lidstaten en zijn bedoeld om haalbare doelen aan te geven.

4.   Bemonsteringsvoorschriften voor de in de punten 2 en 3 bedoelde dieren

Het moeten dieren zijn die ouder zijn dan 18 maanden of waarbij meer dan twee van de blijvende snijtanden door het tandvlees zijn gebroken.

De leeftijd van de dieren wordt geschat aan de hand van het gebit, duidelijke tekenen van volgroeidheid of andere betrouwbare informatie.

De steekproef wordt zodanig opgezet dat oververtegenwoordiging van een bepaalde groep ten aanzien van de oorsprong, de leeftijd, het ras, het productietype of enig ander kenmerk wordt vermeden.

De bemonstering moet representatief voor elk gebied en elk seizoen zijn. Meervoudige bemonstering van hetzelfde koppel dient zo mogelijk te worden vermeden. De lidstaten zorgen ervoor dat — indien mogelijk — in het kader van hun toezichtsprogramma’s alle officieel geregistreerde bedrijven met meer dan 100 dieren waar nog nooit gevallen van een TSE zijn vastgesteld, in opeenvolgende bemonsteringsjaren aan TSE-tests worden onderworpen.

De lidstaten voeren een systeem in om, gericht of op andere wijze, na te gaan of er geen dieren aan de bemonstering worden onttrokken.

De lidstaten kunnen echter besluiten afgelegen gebieden waar de veedichtheid gering is en dode dieren niet worden opgehaald, niet te bemonsteren. De lidstaten die van deze afwijking gebruikmaken, stellen de Commissie daarvan in kennis en verstrekken haar een lijst van de afgelegen gebieden waarvoor deze afwijking geldt. De afwijking mag niet meer dan 10 % van de schapen- en geitenpopulatie in de betrokken lidstaat betreffen.

5.   Toezicht op besmette koppels

Er wordt een enkelvoudige aselecte steekproef getest van dieren die ouder zijn dan 18 maanden of waarbij meer dan twee blijvende snijtanden door het tandvlees zijn gebroken, en die overeenkomstig bijlage VII, punt 2.3, onder b), i) of ii), of punt 5, onder a), zijn gedood, overeenkomstig de in de tabel aangegeven steekproefgrootte.



Aantal met het oog op vernietiging in het beslag of koppel gedode dieren ouder dan 18 maanden of waarbij meer dan twee blijvende snijtanden door het tandvlees zijn gebroken

Minimale steekproefgrootte

70 of minder

alle in aanmerking komende dieren

80

68

90

73

100

78

120

86

140

92

160

97

180

101

200

105

250

112

300

117

350

121

400

124

450

127

500 of meer

150

6.   Toezicht op andere dieren

De lidstaten kunnen naast de in de punten 2, 3 en 4 bedoelde toezichtprogramma’s op vrijwillige basis toezicht houden op andere dieren, in het bijzonder:

 dieren die voor de zuivelproductie worden gebruikt;

 dieren van oorsprong uit landen met inheemse TSE’s;

 dieren die zijn gevoederd met mogelijk besmet diervoeder;

 dieren die zijn geboren uit of afstammen van met een TSE besmette moederdieren.

7.   Maatregelen op grond van het testen van schapen en geiten

7.1. Wanneer een voor menselijke consumptie geslacht schaap of geslachte geit overeenkomstig punt 2 geselecteerd is om op TSE’s te worden getest, wordt op het karkas van dat dier het in sectie I, hoofdstuk III, van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 854/2004 bedoelde keurmerk pas aangebracht wanneer de snelle test een negatief resultaat heeft opgeleverd.

7.2. De lidstaten mogen van punt 7.1 afwijken indien er in het slachthuis een door de bevoegde autoriteit goedgekeurd systeem bestaat dat garandeert dat alle delen van een dier traceerbaar zijn en geen delen van geteste dieren die van een keurmerk zijn voorzien, het slachthuis kunnen verlaten voordat met de snelle test een negatief resultaat verkregen is.

7.3. Alle delen van het kadaver van een getest dier, met inbegrip van de huid, worden onder officieel toezicht bewaard totdat met de snelle test een negatief resultaat is verkregen, met uitzondering van dierlijke bijproducten die overeenkomstig artikel 4, lid 2, onder a), b), of e), van Verordening (EG) nr. 1774/2002 rechtstreeks worden verwijderd.

7.4. Alle delen van het kadaver van een dier waarvoor bij de snelle test een positief resultaat is verkregen, met inbegrip van de huid, worden overeenkomstig artikel 4, lid 2, onder a), b) of e), van Verordening (EG) nr. 1774/2002 rechtstreeks verwijderd, met uitzondering van het materiaal dat moet worden bewaard in samenhang met de in hoofdstuk B, deel III, van deze bijlage bedoelde registers.

8.   Genotypering

8.1. Voor elk positief TSE-geval bij schapen wordt het prioneiwitgenotype voor de codonen 136, 154 en 171 bepaald. TSE-gevallen bij schapen met genotypes die op beide allelen van codon 136 voor alanine coderen, op beide allelen van codon 154 voor arginine en op beide allelen van codon 171 voor arginine worden onmiddellijk aan de Commissie gemeld. Als het positieve TSE-geval een geval van atypische scrapie is, wordt het prioneiwitgenotype voor het codon 141 bepaald.

8.2. Naast de uit hoofde van punt 8.1 gegenotypeerde dieren wordt het prioneiwitgenotype voor de codonen 136, 141, 154 en 171 bepaald bij een minimumsteekproef van schapen. Voor lidstaten waarvan de populatie volwassen schapen meer dan 750 000 dieren bedraagt, omvat deze minimumsteekproef ten minste 600 dieren. Voor de overige lidstaten omvat de minimumsteekproef ten minste 100 dieren. De steekproef kan worden samengesteld uit voor menselijke consumptie geslachte, op het landbouwbedrijf gestorven en levende dieren. De bemonstering moet representatief zijn voor de hele schapenpopulatie.

▼M18

III.   TOEZICHT OP ANDERE DIERSOORTEN

De lidstaten kunnen op vrijwillige basis toezicht houden op TSE’s bij andere diersoorten dan runderen, schapen en geiten.

HOOFDSTUK B

VEREISTEN INZAKE RAPPORTAGE EN REGISTRATIE

I.   VERPLICHTINGEN VOOR DE LIDSTATEN

A.   Informatie die de lidstaten moeten opnemen in hun jaarverslag, zoals bedoeld in artikel 6, lid 4

1. Het aantal verdachte gevallen per diersoort dat overeenkomstig artikel 12, lid 1, aan een officiële verplaatsingsbeperking onderworpen is.

2. Het aantal verdachte gevallen per diersoort dat overeenkomstig artikel 12, lid 2, aan een laboratoriumonderzoek onderworpen is, met inbegrip van de resultaten van de snelle tests en bevestigende onderzoeken (aantal positieve en negatieve uitkomsten) en voor runderen een schatting van de leeftijdsverdeling van de geteste dieren. Voor de leeftijdsverdeling worden zo mogelijk de volgende groepen gebruikt: „jonger dan 24 maanden”, verdeling per 12 maanden tussen 24 en 155 maanden, en „ouder dan 155 maanden”.

3. Het aantal koppels waarin verdachte gevallen bij schapen en geiten zijn gemeld en onderzocht overeenkomstig artikel 12, leden 1 en 2.

4. Het aantal geteste runderen van elke subpopulatie, bedoeld in hoofdstuk A, deel I, punten 2.1, 2.2, 2.3, 3.1, 4.1, 4.2, 4.3 en 5. Hierbij worden de methode van de selectie van de bemonstering, de resultaten van de snelle tests en bevestigende onderzoeken en een schatting van de leeftijdsverdeling van de geteste dieren, gegroepeerd overeenkomstig punt 2, vermeld.

5. Het aantal geteste schapen en geiten en koppels van elke subpopulatie, bedoeld in hoofdstuk A, deel II, punten 2, 3 en 5, alsmede de methode van de selectie van de bemonstering en de resultaten van de snelle tests en bevestigende onderzoeken.

6. De geografische spreiding, met inbegrip van het land van oorsprong, indien verschillend van het rapporterende land, van positieve gevallen van BSE en scrapie. Voor elk TSE-geval bij runderen, schapen en geiten worden het geboortejaar en zo mogelijk de geboortemaand vermeld. TSE-gevallen die als atypisch worden beschouwd, worden vermeld, met opgave van de redenen daarvoor. Voor gevallen van scrapie worden de resultaten van de primaire moleculaire tests met onderscheidende immunoblotting, bedoeld in bijlage X, hoofdstuk C, punt 3.2, onder c), i), gerapporteerd.

7. Bij andere dieren dan runderen, schapen en geiten: het aantal monsters en het aantal bevestigde gevallen van TSE per diersoort.

8. Het genotype en zo mogelijk het ras van elk schaap dat positief op TSE is getest, dan wel is bemonsterd overeenkomstig hoofdstuk A, deel II, punten 8.1 en 8.2.

B.   Rapportageperioden

De samenstelling van verslagen met de onder A bedoelde informatie die maandelijks of, wat de in punt 8 bedoelde informatie betreft, ieder kwartaal naar de Commissie worden gezonden, kan worden beschouwd als het krachtens artikel 6, lid 4, vereiste jaarverslag, mits de informatie wordt bijgewerkt zodra aanvullende informatie beschikbaar komt.

▼M13

II.   GEGEVENS DIE IN DE SAMENVATTING VAN DE COMMISSIE MOETEN STAAN

De samenvatting moet tabellen bevatten met ten minste de in deel I bedoelde gegevens van elke lidstaat.

III.   REGISTERS

1.

De bevoegde autoriteit houdt registers bij, die zeven jaar bewaard worden, van:

 het aantal en de soorten dieren die overeenkomstig artikel 12, lid 1, aan een verplaatsingsbeperking onderworpen zijn;

 het aantal klinische en epizoötiologische onderzoeken zoals bedoeld in artikel 12, lid 1, en het resultaat daarvan;

 het aantal laboratoriumonderzoeken zoals bedoeld in artikel 12, lid 2, en het resultaat daarvan;

 aantal, identiteit en oorsprong van de dieren die bemonsterd zijn in het kader van de in hoofdstuk A bedoelde toezichtprogramma's, alsmede zo mogelijk leeftijd, ras en anamnestische informatie;

 het prioneiwitgenotype van positieve TSE-gevallen bij schapen.

2.

Het laboratorium waar het onderzoek heeft plaatsgevonden moet alle testgegevens bewaren, met name de werkboeken, en, indien van toepassing, paraffineblokken en foto's van Western blots. De gegevens moeten zeven jaar bewaard worden.

▼M22




BIJLAGE IV

DIERVOEDERS

I.   Uitbreiding van het verbod van artikel 7, lid 1

De verbodsbepalingen van artikel 7, lid 1, gelden ook voor het vervoederen:

a) aan landbouwhuisdieren, met uitzondering van vleesetende pelsdieren, van

i) verwerkte dierlijke eiwitten;

ii) van herkauwers afkomstige gelatine;

iii) bloedproducten;

iv) gehydrolyseerde eiwitten;

v) dicalciumfosfaat en tricalciumfosfaat van dierlijke oorsprong (dicalciumfosfaat en tricalciumfosfaat);

vi) diervoeders die de onder i) tot en met v) genoemde producten bevatten;

b) aan herkauwers, van dierlijke eiwitten en diervoeders die dergelijke eiwitten bevatten.

II.   Afwijkingen van de verbodsbepalingen van artikel 7, leden 1 en 2, en specifieke voorwaarden voor de toepassing van die afwijkingen

A. De verbodsbepalingen van artikel 7, leden 1 en 2, gelden niet voor:

a) het vervoederen aan landbouwhuisdieren van de onder i), ii), iii) en iv) bedoelde producten en van daarmee vervaardigde diervoeders:

i) melk, producten op basis van melk, en colostrum;

ii) eieren en eiproducten;

iii) van niet-herkauwers afkomstige gelatine;

iv) gehydrolyseerde eiwitten afkomstig van delen van niet-herkauwers en van huiden van herkauwers;

b) het vervoederen aan niet-herkauwende landbouwhuisdieren van de onder i), ii) en iii) bedoelde producten en van daarmee vervaardigde producten:

i) vismeel, overeenkomstig de in punt B vermelde voorwaarden;

ii) dicalciumfosfaat en tricalciumfosfaat, overeenkomstig de in punt C vermelde voorwaarden;

iii) van niet-herkauwers afkomstige bloedproducten, overeenkomstig de in punt D vermelde voorwaarden;

c) het vervoederen aan vis van bloedmeel afkomstig van niet-herkauwers, overeenkomstig de in punt D vermelde voorwaarden;

▼M43

d) het vervoederen aan landbouwhuisdieren van voedermiddelen van plantaardige oorsprong en diervoeders die dergelijke producten bevatten, wanneer daarin insignificante hoeveelheden botfragmenten zijn aangetroffen, mits de lidstaten dit op grond van een gunstige risicobeoordeling hebben toegestaan. Bij de risicobeoordeling wordt minimaal rekening gehouden met de hoeveelheid en de mogelijke bron van de contaminatie en met de eindbestemming van de zending;

▼M40

e) het vervoederen aan niet-gespeende herkauwende landbouwhuisdieren van vismeel overeenkomstig de voorwaarden van punt B bis.

▼M22

B. Voor het gebruik van vismeel als bedoeld in punt A, onder b) i), en vismeel bevattende diervoeders in de voeding van niet-herkauwende landbouwhuisdieren, afgezien van vleesetende pelsdieren, gelden de volgende voorwaarden:

a) het vismeel wordt geproduceerd in verwerkingsbedrijven die uitsluitend van vis afgeleide producten produceren;

b) alvorens in de Gemeenschap in het vrije verkeer te worden gebracht, wordt elke zending ingevoerd vismeel door middel van microscopisch onderzoek geanalyseerd overeenkomstig Richtlijn 2003/126/EG;

c) diervoeders die vismeel bevatten, worden geproduceerd in inrichtingen die geen diervoeders voor herkauwers vervaardigen en door de bevoegde autoriteit zijn erkend.

In afwijking van het bepaalde onder c):

i) is specifieke toestemming voor de productie van volledige diervoeders uit vismeel bevattende diervoeders niet vereist voor zelfmengende veehouders die:

 door de bevoegde autoriteit zijn geregistreerd;

 uitsluitend niet-herkauwers houden, en

 volledige diervoeders uitsluitend voor gebruik op hetzelfde bedrijf produceren, mits

 de vismeel bevattende diervoeders die voor de productie worden gebruikt, minder dan 50 % ruw eiwit bevatten;

ii) mag door de bevoegde autoriteit toestemming worden verleend voor de productie van diervoeders voor herkauwers in inrichtingen die ook vismeel bevattende diervoeders voor andere diersoorten produceren, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

 de opslag, het vervoer en de verpakking van diervoeders voor herkauwers, in bulk en verpakt, vinden plaats in faciliteiten die fysiek gescheiden zijn van de overeenkomstige faciliteiten voor vismeel in bulk en vismeel bevattende diervoeders in bulk;

 diervoeders voor herkauwers worden geproduceerd in faciliteiten die fysiek gescheiden zijn van de faciliteiten waar vismeel bevattende diervoeders worden geproduceerd;

 de administratie betreffende de aankopen en het gebruik van vismeel en de verkopen van diervoeders die vismeel bevatten, wordt ten minste vijf jaar ter beschikking van de bevoegde autoriteit gehouden;

 er worden routinetests uitgevoerd op diervoeders die voor herkauwers bestemd zijn, teneinde te garanderen dat er geen verboden eiwitten, met inbegrip van vismeel, in voorkomen;

▼M40

d) op het handelsdocument dat zendingen vismeel bevattende diervoeders begeleidt en op de verpakking van deze zendingen worden duidelijk de woorden „Bevat vismeel — niet geschikt voor vervoedering aan herkauwers” vermeld;

▼M22

e) diervoeders in bulk die vismeel bevatten, worden vervoerd in voertuigen die niet tegelijkertijd diervoeders voor herkauwers vervoeren. Indien het voertuig vervolgens voor het vervoer van diervoeders voor herkauwers wordt gebruikt, moet het grondig worden gereinigd volgens een door de bevoegde autoriteit goedgekeurde reinigingsprocedure om versleping te voorkomen;

f) het gebruik en de opslag van vismeel bevattende diervoeders op bedrijven waar herkauwers worden gehouden, zijn verboden.

In afwijking van deze voorwaarde mag door de bevoegde autoriteit toestemming worden verleend voor het gebruik en de opslag van diervoeders die vismeel bevatten, op bedrijven waar herkauwers worden gehouden, mits zij zich ervan heeft vergewist dat er op het bedrijf maatregelen worden genomen om te voorkomen dat diervoeders die vismeel bevatten, aan herkauwers worden vervoederd.

▼M40

B bis. Voor het gebruik van vismeel als bedoeld in punt A, onder e), en vismeel bevattende diervoeders in de voeding van niet-gespeende herkauwende landbouwhuisdieren gelden de volgende voorwaarden:

a) het vismeel wordt geproduceerd in verwerkingsbedrijven die uitsluitend van vis afgeleide producten produceren;

b) alvorens in de Gemeenschap in het vrije verkeer te worden gebracht, wordt elke zending ingevoerd vismeel door middel van microscopisch onderzoek geanalyseerd overeenkomstig Richtlijn 2003/126/EG;

c) het gebruik van vismeel voor jonge herkauwende landbouwhuisdieren wordt alleen toegestaan voor de productie van melkvervangers die in droge staat worden gedistribueerd en na oplossing in een bepaalde hoeveelheid vloeistof worden toegediend en die bestemd zijn voor het voederen aan niet-gespeende herkauwers als aanvulling op of ter vervanging van moedermelk voordat het spenen is voltooid;

d) vismeel bevattende melkvervangers die zijn bestemd voor jonge herkauwende landbouwhuisdieren worden geproduceerd in inrichtingen die geen andere diervoeders voor herkauwers vervaardigen en die daartoe door de bevoegde autoriteit zijn erkend.

In afwijking van punt d) mag de productie van andere diervoeders voor herkauwers in inrichtingen die ook vismeel bevattende melkvervangers voor jonge herkauwende landbouwhuisdieren produceren, door de bevoegde autoriteit worden toegestaan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

i) de opslag, het vervoer en de verpakking van diervoeders voor herkauwers, in bulk en verpakt, vinden plaats in faciliteiten die fysiek gescheiden zijn van de overeenkomstige faciliteiten voor vismeel in bulk en vismeel bevattende melkvervangers in bulk;

ii) andere diervoeders voor herkauwers worden geproduceerd in faciliteiten die fysiek gescheiden zijn van de faciliteiten waar vismeel bevattende melkvervangers worden geproduceerd;

iii) de administratie betreffende de aankoop en het gebruik van vismeel en de verkoop van melkvervangers die vismeel bevatten, wordt ten minste vijf jaar ter beschikking van de bevoegde autoriteit gehouden, en

iv) er worden regelmatig routinetests uitgevoerd op andere diervoeders die voor herkauwers bestemd zijn, om ervoor te zorgen dat er geen verboden eiwitten, met inbegrip van vismeel, in voorkomen. De resultaten moeten ten minste vijf jaar ter beschikking van de bevoegde autoriteit worden gehouden;

e) op het handelsdocument dat vismeel bevattende melkvervangers voor jonge herkauwende landbouwhuisdieren begeleidt en op de verpakking van een dergelijke zending worden duidelijk de woorden „Bevat vismeel — alleen bestemd voor vervoedering aan niet-gespeende herkauwers” vermeld;

f) vismeel bevattende melkvervangers in bulk, bestemd voor jonge herkauwende landbouwhuisdieren, worden vervoerd in voertuigen die niet tegelijkertijd andere diervoeders voor herkauwers vervoeren. Indien het voertuig vervolgens voor het vervoer van andere diervoeders voor herkauwers wordt gebruikt, moet het grondig worden gereinigd volgens een door de bevoegde autoriteit goedgekeurde reinigingsprocedure om versleping te voorkomen;

g) op bedrijven waar herkauwers worden gehouden, worden maatregelen genomen om te voorkomen dat vismeel bevattende melkvervangers worden vervoerderd aan andere herkauwers dan die waarvoor de in punt A, onder e), van deel II van bijlage IV bedoelde afwijking geldt. De bevoegde autoriteit stelt een lijst op van de bedrijven waar vismeel bevattende melkvervangers worden gebruikt via een systeem van voorafgaande kennisgeving door het bedrijf of een ander systeem dat de naleving van deze bepaling waarborgt.

▼M22

C. Voor het gebruik van dicalciumfosfaat en tricalciumfosfaat zoals bedoeld in punt A, onder b) ii), en diervoeders die die producten bevatten, in de voeding van niet-herkauwende landbouwhuisdieren, afgezien van vleesetende pelsdieren, gelden de volgende voorwaarden:

a) diervoeders die dicalciumfosfaat of tricalciumfosfaat bevatten, worden geproduceerd in inrichtingen die geen diervoeders voor herkauwers vervaardigen en door de bevoegde autoriteit zijn erkend.

In afwijking van die voorwaarde:

i) is specifieke toestemming voor de productie van volledige diervoeders uit diervoeders die dicalciumfosfaat of tricalciumfosfaat bevatten, niet vereist voor zelfmengende veehouders die:

 door de bevoegde autoriteit zijn geregistreerd;

 uitsluitend niet-herkauwers houden, en

 volledige diervoeders uitsluitend voor gebruik op hetzelfde bedrijf produceren, mits

 de dicalciumfosfaat of tricalciumfosfaat bevattende diervoeders die voor de productie worden gebruikt, minder dan 10 % totaal fosfor bevatten;

ii) mag door de bevoegde autoriteit toestemming worden verleend voor de productie van diervoeders voor herkauwers in inrichtingen die ook dicalciumfosfaat of tricalciumfosfaat bevattende diervoeders voor andere diersoorten produceren, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

 diervoeders voor herkauwers, in bulk en verpakt, worden geproduceerd in faciliteiten die fysiek gescheiden zijn van de faciliteiten waar dicalciumfosfaat of tricalciumfosfaat bevattende diervoeders worden geproduceerd;

 de opslag, het vervoer en de verpakking van diervoeders voor herkauwers in bulk vinden plaats in faciliteiten die fysiek gescheiden zijn van de overeenkomstige faciliteiten voor dicalciumfosfaat en tricalciumfosfaat in bulk en diervoeders in bulk die dicalciumfosfaat of tricalciumfosfaat bevatten;

 de administratie betreffende de aankopen en het gebruik van dicalciumfosfaat en tricalciumfosfaat en de verkopen van diervoeders die dicalciumfosfaat of tricalciumfosfaat bevatten, wordt ten minste vijf jaar ter beschikking van de bevoegde autoriteit gehouden;

b) op het etiket en het begeleidend document van diervoeders die dicalciumfosfaat of tricalciumfosfaat bevatten, worden duidelijk de woorden „Bevat dicalciumfosfaat/tricalciumfosfaat van dierlijke oorsprong — niet geschikt voor vervoedering aan herkauwers” vermeld;

c) diervoeders in bulk die dicalciumfosfaat of tricalciumfosfaat bevatten, worden vervoerd in voertuigen die niet tegelijkertijd diervoeders voor herkauwers vervoeren. Indien het voertuig vervolgens voor het vervoer van diervoeders voor herkauwers wordt gebruikt, moet het grondig worden gereinigd volgens een door de bevoegde autoriteit goedgekeurde reinigingsprocedure om versleping te voorkomen;

d) het gebruik en de opslag van diervoeders die dicalciumfosfaat of tricalciumfosfaat bevatten, op bedrijven waar herkauwers worden gehouden, zijn verboden.

In afwijking van deze voorwaarde mag door de bevoegde autoriteit toestemming worden verleend voor het gebruik en de opslag van diervoeders die dicalciumfosfaat of tricalciumfosfaat bevatten, op bedrijven waar herkauwers worden gehouden, mits zij zich ervan heeft vergewist dat er op het bedrijf maatregelen worden genomen om te voorkomen dat diervoeders die dicalciumfosfaat of tricalciumfosfaat bevatten, aan herkauwers worden vervoederd.

D. Voor het gebruik van bloedproducten zoals bedoeld in punt A, onder b) iii), bloedmeel als bedoeld in punt A, onder c), en diervoeders die die producten bevatten, in de voeding van niet-herkauwende landbouwhuisdieren respectievelijk vis gelden de volgende voorwaarden:

a) het bloed is afkomstig van door de Europese Unie erkende slachthuizen die geen herkauwers slachten en als zodanig zijn geregistreerd, en wordt rechtstreeks naar het verwerkingsbedrijf vervoerd in voertuigen die speciaal bestemd zijn voor het vervoer van bloed van niet-herkauwers. Indien het voertuig eerder voor het vervoer van bloed van herkauwers is gebruikt, wordt het vóór het vervoer van bloed van niet-herkauwers na reiniging door de bevoegde autoriteit geïnspecteerd.

In afwijking van deze voorwaarde mag door de bevoegde autoriteit toestemming worden verleend voor het slachten van herkauwers in een slachthuis dat bloed van niet-herkauwers verzamelt met het oog op de productie van bloedproducten en bloedmeel voor gebruik in diervoeders voor niet-herkauwende landbouwhuisdieren respectievelijk vis, indien dat slachthuis over een erkend controlesysteem beschikt. Dat controlesysteem bestaat minimaal uit de volgende maatregelen:

 het slachten van niet-herkauwers gebeurt fysiek gescheiden van het slachten van herkauwers;

 de verzameling, de opslag, het vervoer en de verpakking van bloed van niet-herkauwers vinden plaats in faciliteiten die fysiek gescheiden zijn van de overeenkomstige faciliteiten voor bloed van herkauwers;

 het bloed van niet-herkauwers wordt regelmatig bemonsterd en onderzocht op de aanwezigheid van eiwitten van herkauwers;

b) de bloedproducten en het bloedmeel worden geproduceerd in een inrichting die uitsluitend bloed van niet-herkauwers verwerkt.

In afwijking van deze voorwaarde mag door de bevoegde autoriteit toestemming worden verleend voor de productie van bloedproducten en bloedmeel voor gebruik in diervoeders voor niet-herkauwende landbouwhuisdieren respectievelijk vis in inrichtingen die bloed van herkauwers verwerken en die over een erkend controlesysteem beschikken om versleping te voorkomen. Dat controlesysteem bestaat minimaal uit de volgende maatregelen:

 de verwerking van bloed van niet-herkauwers gebeurt in een gesloten systeem dat fysiek gescheiden is van de verwerking van bloed van herkauwers;

 de opslag, het vervoer en de verpakking van de grondstoffen in bulk en eindproducten in bulk, afkomstig van niet-herkauwers, vinden plaats in faciliteiten die fysiek gescheiden zijn van de overeenkomstige faciliteiten voor grondstoffen in bulk en eindproducten in bulk, afkomstig van herkauwers;

 de bloedproducten en het bloedmeel van niet-herkauwers worden regelmatig bemonsterd en onderzocht op de aanwezigheid van eiwitten van herkauwers;

c) diervoeders die bloedproducten of bloedmeel bevatten, worden geproduceerd in inrichtingen die geen diervoeders voor herkauwers respectievelijk andere landbouwhuisdieren dan vis vervaardigen en door de bevoegde autoriteit zijn erkend.

In afwijking van die voorwaarde:

i) is specifieke toestemming voor de productie van volledige diervoeders uit diervoeders die bloedproducten of bloedmeel bevatten, niet vereist voor zelfmengende veehouders die:

 door de bevoegde autoriteit zijn geregistreerd;

 uitsluitend niet-herkauwers houden, indien het gaat om bloedproducten, dan wel uitsluitend vis, indien het gaat om bloedmeel, en

 volledige diervoeders uitsluitend voor gebruik op hetzelfde bedrijf produceren, mits

 de bloedproducten of bloedmeel bevattende diervoeders die voor de productie worden gebruikt, minder dan 50 % totaal eiwit bevatten;

ii) mag door de bevoegde autoriteit toestemming worden verleend voor de productie van diervoeders voor herkauwers in inrichtingen die ook bloedproducten of bloedmeel bevattende diervoeders voor niet-herkauwende landbouwhuisdieren respectievelijk vis produceren, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

 diervoeders voor herkauwers of voor andere landbouwhuisdieren dan vis, in bulk en verpakt, worden geproduceerd in faciliteiten die fysiek gescheiden zijn van de faciliteiten waar diervoeders die bloedproducten respectievelijk bloedmeel bevatten, worden geproduceerd;

 de opslag, het vervoer en de verpakking van diervoeders in bulk vinden plaats in fysiek gescheiden faciliteiten, en wel als volgt:

 

a) diervoeders voor herkauwers worden gescheiden gehouden van bloedproducten en diervoeders die bloedproducten bevatten;

b) diervoeders voor andere landbouwhuisdieren dan vis worden gescheiden gehouden van bloedmeel en diervoeders die bloedmeel bevatten;

 de administratie betreffende de aankopen en het gebruik van bloedproducten en bloedmeel en de verkopen van diervoeders die die producten bevatten, wordt ten minste vijf jaar ter beschikking van de bevoegde autoriteit gehouden;

d) op het etiket, het begeleidend document of het gezondheidscertificaat, al naar het geval, van diervoeders die bloedproducten of bloedmeel bevatten, worden duidelijk de woorden „Bevat bloedproducten — mag niet aan herkauwers worden vervoederd”, respectievelijk „Bevat bloedmeel — mag alleen aan vis worden vervoederd”, vermeld;

e) diervoeders in bulk die bloedproducten bevatten, worden vervoerd in voertuigen die niet tegelijkertijd diervoeders voor herkauwers vervoeren, en diervoeders in bulk die bloedmeel bevatten, worden vervoerd in voertuigen die niet tegelijkertijd diervoeders voor andere landbouwhuisdieren dan vis bevatten. Indien het voertuig vervolgens voor het vervoer van diervoeders voor herkauwers respectievelijk andere landbouwhuisdieren dan vis wordt gebruikt, moet het grondig worden gereinigd volgens een door de bevoegde autoriteit goedgekeurde reinigingsprocedure om versleping te voorkomen;

f) het gebruik en de opslag van diervoeders die bloedproducten bevatten, op bedrijven waar herkauwers worden gehouden, en van diervoeders die bloedmeel bevatten, op bedrijven waar andere landbouwhuisdieren dan vis worden gehouden, zijn verboden.

In afwijking van deze voorwaarde mag door de bevoegde autoriteit toestemming worden verleend voor het gebruik en de opslag van diervoeders die bloedproducten respectievelijk bloedmeel bevatten, op bedrijven waar herkauwers respectievelijk andere landbouwhuisdieren dan vis worden gehouden, mits zij zich ervan heeft vergewist dat er op het bedrijf maatregelen worden genomen om te voorkomen dat diervoeders die bloedproducten respectievelijk bloedmeel bevatten, aan herkauwers respectievelijk andere diersoorten dan vis worden vervoederd.

III.   Algemene uitvoeringsvoorwaarden

A. Deze bijlage is van toepassing onverminderd Verordening (EG) nr. 1774/2002.

B. De lidstaten houden lijsten bij van:

a) slachthuizen die voor de verzameling van bloed zijn erkend overeenkomstig deel II, punt D, onder a);

b) erkende verwerkingsbedrijven voor de productie van dicalciumfosfaat, tricalciumfosfaat, bloedproducten of bloedmeel;

c) inrichtingen, met uitzondering van zelfmengende veehouders, die toestemming hebben verkregen voor de vervaardiging van diervoeders die vismeel en de onder b) bedoelde producten bevatten en die voldoen aan de in deel II, punt B, onder c), punt C, onder a), en punt D, onder c), vermelde voorwaarden.

C. 

a) Verwerkte dierlijke eiwitten in bulk, met uitzondering van vismeel, en producten in bulk, waaronder diervoeders, biologische meststoffen en bodemverbeteraars, die dergelijke eiwitten bevatten, worden opgeslagen en vervoerd in speciaal daarvoor bestemde faciliteiten. De opslagruimten en voertuigen mogen alleen voor andere doeleinden worden gebruikt nadat zij gereinigd en door de bevoegde autoriteit geïnspecteerd zijn.

b) Vismeel zoals bedoeld in deel II, punt A, onder b) i), in bulk, dicalciumfosfaat en tricalciumfosfaat zoals bedoeld in deel II, punt A, onder b) ii), in bulk, bloedproducten zoals bedoeld in deel II, punt A, onder b) iii), en bloedmeel als bedoeld in deel II, punt A, onder c), worden opgeslagen en vervoerd in speciaal daarvoor bestemde opslagruimten respectievelijk vervoermiddelen.

c) In afwijking van het bepaalde onder b):

i) mogen opslagruimten en voertuigen worden gebruikt voor de opslag respectievelijk het vervoer van diervoeders die hetzelfde product bevatten;

ii) mogen opslagruimten en voertuigen nadat zij gereinigd en door de bevoegde autoriteit geïnspecteerd zijn, voor andere doeleinden worden gebruikt;

iii) mogen opslagruimten en voertuigen die vismeel vervoeren voor andere doeleinden worden gebruikt indien het bedrijf beschikt over een door de bevoegde autoriteit erkend controlesysteem om versleping te voorkomen. Dit controlesysteem bestaat minimaal uit de volgende maatregelen:

 een administratie van het vervoerde materiaal en de reiniging van het voertuig;

 regelmatige bemonstering en analyse van de vervoerde diervoeders op de aanwezigheid van vismeel.

De bevoegde autoriteit verricht frequente controles ter plaatse om na te gaan of het hierboven beschreven controlesysteem correct wordt toegepast.

D. Diervoeders, met inbegrip van voeder voor gezelschapsdieren, die bloedproducten afkomstig van herkauwers of verwerkte dierlijke eiwitten, met uitzondering van vismeel, bevatten, mogen niet geproduceerd worden in inrichtingen die diervoeders voor landbouwhuisdieren, afgezien van diervoeders voor vleesetende pelsdieren, produceren.

De opslag, het vervoer en de verpakking van diervoeders, met inbegrip van voeder voor gezelschapsdieren, die bloedproducten afkomstig van herkauwers of verwerkte dierlijke eiwitten, met uitzondering van vismeel, bevatten, vinden plaats in faciliteiten die fysiek gescheiden zijn van de overeenkomstige faciliteiten voor diervoeders in bulk voor landbouwhuisdieren, afgezien van diervoeders voor vleesetende pelsdieren.

Voeders voor gezelschapsdieren en diervoeders voor vleesetende pelsdieren, die dicalciumfosfaat of tricalciumfosfaat zoals bedoeld in deel II, punt A, onder b) ii), bevatten, en bloedproducten zoals bedoeld in deel II, punt A, onder b) iii), worden vervaardigd en vervoerd overeenkomstig deel II, punt C, onder a) en c), respectievelijk punt D, onder c) en e).

▼M40

E. 

1. De uitvoer naar derde landen van van herkauwers afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten en van producten die dergelijke verwerkte dierlijke eiwitten bevatten, is verboden. Dat verbod geldt echter niet voor verwerkt voeder voor gezelschapsdieren, met inbegrip van voeder in blik, dat van herkauwers afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten bevat en dat een behandeling heeft ondergaan en is geëtiketteerd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002.

▼M22

2. De uitvoer van van niet-herkauwers afkomstige verwerkte dierlijke eiwitten en van producten die dergelijke eiwitten bevatten, wordt door de bevoegde autoriteit alleen onder de volgende voorwaarden toegestaan:

 zij zijn bestemd voor gebruik dat niet krachtens artikel 7 is verboden;

 voorafgaande aan de uitvoer wordt een schriftelijke overeenkomst met het derde land gesloten, waarin het derde land zich ertoe verbindt zich aan het eindgebruik te houden en de verwerkte dierlijke eiwitten of producten die dergelijke eiwitten bevatten, niet opnieuw uit te voeren voor gebruik dat krachtens artikel 7 is verboden.

3. Met het oog op de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van deze verordening stellen de lidstaten die een dergelijke uitvoer overeenkomstig punt 2 toestaan, de Commissie en de overige lidstaten in het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid op de hoogte van alle met het betrokken derde land overeengekomen voorwaarden.

De punten 2 en 3 zijn niet van toepassing op:

 de uitvoer van vismeel, mits aan de in deel II, punt B, vermelde voorwaarden wordt voldaan;

 producten die vismeel bevatten;

 voeder voor gezelschapsdieren.

F. De bevoegde autoriteit zorgt in de hele productie- en distributieketen voor controles van de documenten en fysieke controles, inclusief tests op diervoeders, overeenkomstig Richtlijn 95/53/EG, teneinde de naleving van die richtlijn en van deze verordening te controleren. Ingeval verboden dierlijke eiwitten worden aangetroffen, is Richtlijn 95/53/EG van toepassing. De bevoegde autoriteit controleert op gezette tijden de prestaties van de laboratoria die de analyses voor deze officiële controles verrichten, met name door de resultaten van ringonderzoeken te evalueren. Als de prestaties niet toereikend worden geacht, wordt als minimum gezorgd voor bij- en nascholing van het laboratoriumpersoneel om de situatie te corrigeren.

▼M31




BIJLAGE V

GESPECIFICEERD RISICOMATERIAAL

1.   Definitie van gespecificeerd risicomateriaal

De onderstaande weefsels worden aangemerkt als gespecificeerd risicomateriaal indien zij afkomstig zijn van dieren van oorsprong uit een lidstaat of derde land, of gebied daarvan, met een gecontroleerd of onbepaald BSE-risico:

a) voor runderen:

i) de schedel, exclusief de onderkaak, maar inclusief de hersenen en de ogen, en het ruggenmerg van dieren ouder dan 12 maanden;

▼M37

ii) de wervelkolom, exclusief de staartwervels, de doornuitsteeksels en dwarsuitsteeksels van de hals-, borst- en lendenwervels, de crista sacralis mediana en de alae sacrales, maar inclusief de achterwortelganglia, van dieren ouder dan 30 maanden, en.

▼M31

iii) de tonsillen, de ingewanden vanaf de twaalfvingerige darm tot en met het rectum, en het mesenterium van dieren ongeacht de leeftijd;

b) voor schapen en geiten:

i) de schedel, inclusief de hersenen en de ogen, de tonsillen en het ruggenmerg van dieren van meer dan 12 maanden of waarbij een van de blijvende snijtanden door het tandvlees is gebroken, en

ii) de milt en de kronkeldarm van dieren van alle leeftijden.

2.   Afwijkingen voor bepaalde lidstaten

In afwijking van punt 1 moeten de aldaar genoemde weefsels die van oorsprong zijn uit een lidstaat met een verwaarloosbaar BSE-risico als gespecificeerd risicomateriaal aangemerkt blijven worden.

3.   Markering en definitieve verwijdering

Gespecificeerd risicomateriaal wordt bij verwijdering onmiddellijk met een kleurstof of eventueel op andere wijze gemerkt en wordt definitief verwijderd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002, met name artikel 4, lid 2, daarvan.

4.   Verwijdering van gespecificeerd risicomateriaal

4.1. Gespecificeerd risicomateriaal wordt verwijderd in:

a) slachthuizen, of, indien van toepassing, andere slachtplaatsen;

b) uitsnijderijen, in geval van wervelkolommen van runderen;

c) in voorkomend geval, intermediaire bedrijven als bedoeld in artikel 10 van Verordening (EG) nr. 1774/2002 of krachtens artikel 23, lid 2, onder c), iv), vi) en vii), van die verordening gemachtigde en geregistreerde gebruikers en verzamelcentra.

4.2. In afwijking van punt 4.1 mag als alternatief voor de verwijdering van gespecificeerd risicomateriaal worden toegestaan dat onder de volgende voorwaarden een test wordt uitgevoerd:

a) de test wordt toegepast in slachthuizen bij alle dieren waarbij het gespecificeerde risicomateriaal moet worden verwijderd;

b) geen voor menselijke of dierlijke consumptie bestemd product afkomstig van runderen, schapen of geiten, mag het slachthuis verlaten voordat de bevoegde autoriteit de resultaten heeft ontvangen en aanvaard van de tests bij alle geslachte dieren die mogelijk besmet waren, indien bij één daarvan de aanwezigheid van BSE werd bevestigd;

c) als het resultaat van een alternatieve test positief is, moet al het materiaal dat afkomstig is van runderen, schapen of geiten en dat potentieel in het slachthuis verontreinigd is, overeenkomstig punt 3 worden vernietigd, tenzij alle delen van het kadaver van het zieke dier, met inbegrip van de huid, geïdentificeerd en gescheiden gehouden kunnen worden.

4.3. In afwijking van punt 4.1 mogen de lidstaten het volgende toestaan:

a) het verwijderen van het ruggenmerg van schapen en geiten in speciaal daarvoor erkende uitsnijderijen;

b) het verwijderen van de wervelkolom van karkassen of delen van karkassen van runderen in speciaal daarvoor erkende, gecontroleerde en geregistreerde slagerijen;

c) het verzamelen van kopvlees van runderen in speciaal daarvoor erkende uitsnijderijen overeenkomstig punt 9.

4.4. De voorschriften voor de verwijdering van gespecificeerd risicomateriaal van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op categorie 1-materiaal zoals omschreven in Verordening (EG) nr. 1774/2002 dat onder toezicht van de bevoegde autoriteiten wordt gebruikt voor het voederen van met uitsterven bedreigde en beschermde soorten aasetende vogels.

5.   Maatregelen betreffende separatorvlees

Niettegenstaande de in artikel 5, lid 2, bedoelde individuele besluiten is het in afwijking van artikel 9, lid 3, in alle lidstaten verboden voor de productie van separatorvlees beenderen en delen met been van runderen, schapen en geiten te gebruiken.

6.   Maatregelen betreffende beschadiging van weefsel

Niettegenstaande de in artikel 5, lid 2, bedoelde individuele besluiten is het, tot het tijdstip waarop alle lidstaten als landen met een verwaarloosbaar BSE-risico zijn ingedeeld, in afwijking van artikel 8, lid 3, in alle lidstaten verboden om weefsel van het centrale zenuwstelsel van runderen, schapen en geiten waarvan het vlees voor menselijke of dierlijke consumptie bestemd is, te beschadigen met een lang staafvormig instrument dat na bedwelming in de schedelholte wordt ingebracht.

7.   Verzamelen van tongen van runderen

Tongen van runderen van alle leeftijden, bestemd voor menselijke of dierlijke consumptie, worden in het slachthuis verzameld door middel van een dwarse snede rostraal van de processus lingualis van het basihyoid.

8.   Verzamelen van kopvlees van runderen

8.1. Kopvlees van runderen ouder dan 12 maanden wordt verzameld in slachthuizen, onder toepassing van een door de bevoegde autoriteit erkend controlesysteem om eventuele verontreiniging van het kopvlees met weefsel van het centrale zenuwstelsel te voorkomen. Dit systeem bestaat minimaal uit de volgende maatregelen:

a) het verzamelen vindt plaats in een speciale ruimte die fysiek van de overige delen van de slachtlijn gescheiden is;

b) wanneer de koppen vóór het verzamelen van kopvlees van de transportband of de haken worden genomen, worden de inschotopening in het voorhoofd en het achterhoofdsgat afgesloten met een ondoordringbare, duurzame stop. Wanneer de hersenstam voor laboratoriumtests op BSE wordt bemonsterd, wordt het achterhoofdsgat onmiddellijk na de bemonstering afgesloten;

c) kopvlees mag niet worden verzameld van koppen waarvan de ogen onmiddellijk vóór het slachten of daarna beschadigd of verloren gegaan zijn, of die anderszins zodanig beschadigd zijn dat het kopvlees met weefsel van het centrale zenuwstelsel verontreinigd kan zijn;

d) kopvlees mag niet worden verzameld van koppen die niet deugdelijk zijn afgesloten zoals bepaald onder b);

e) onverminderd de algemene hygiënevoorschriften zijn er specifieke werkvoorschriften om verontreiniging van het kopvlees tijdens het verzamelen te voorkomen, met name wanneer de onder b) bedoelde afsluiting ontbreekt of de ogen bij de bewerking worden beschadigd;

f) er is een bemonsteringsplan voor het aantonen van weefsel van het centrale zenuwstelsel met behulp van een geschikte laboratoriumtest om na te gaan of de maatregelen ter beperking van verontreiniging naar behoren zijn uitgevoerd.

8.2. In afwijking van de voorschriften van punt 8.1 kunnen de lidstaten besluiten in het slachthuis een alternatief controlesysteem voor het verzamelen van kopvlees van runderen toe te passen waarmee verontreiniging van kopvlees met weefsel van het centrale zenuwstelsel op gelijkwaardige wijze wordt beperkt. Er is een bemonsteringsplan voor het aantonen van weefsel van het centrale zenuwstelsel met behulp van een geschikte laboratoriumtest om na te gaan of de maatregelen ter beperking van verontreiniging naar behoren zijn uitgevoerd. De lidstaten die van deze afwijking gebruikmaken, informeren de Commissie en de overige lidstaten in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid over hun controlesysteem en de resultaten van de bemonstering.

8.3. De punten 8.1 en 8.2 zijn niet van toepassing als het kopvlees wordt verzameld zonder de runderkop van de transportband of de haken te nemen.

9.   Verzamelen van kopvlees van runderen in erkende uitsnijderijen

In afwijking van punt 8 mogen de lidstaten besluiten het verzamelen van kopvlees van runderen in speciaal daarvoor erkende uitsnijderijen toe te staan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a) de voor vervoer naar de uitsnijderij bestemde koppen worden tijdens de opslag en het vervoer van het slachthuis naar de speciaal erkende uitsnijderij aan een rek gehangen;

b) voordat de koppen van de transportband of de haken aan de rekken worden gehangen, worden de inschotopening in het voorhoofd en het achterhoofdsgat deugdelijk afgesloten met een ondoordringbare, duurzame stop. Wanneer de hersenstam voor laboratoriumtests op BSE wordt bemonsterd, wordt het achterhoofdsgat onmiddellijk na de bemonstering afgesloten;

c) koppen die niet deugdelijk zijn afgesloten zoals bepaald onder b), waarvan de ogen onmiddellijk vóór het slachten of daarna beschadigd of verloren gegaan zijn of die anderszins zodanig beschadigd zijn dat het kopvlees met weefsel van het centrale zenuwstelsel verontreinigd kan zijn, mogen niet naar de speciaal erkende uitsnijderijen worden vervoerd;

d) er is een bemonsteringsplan voor het slachthuis voor het aantonen van weefsel van het centrale zenuwstelsel met behulp van een geschikte laboratoriumtest om na te gaan of de maatregelen ter beperking van verontreiniging naar behoren zijn uitgevoerd;

e) het kopvlees wordt verzameld onder toepassing van een door de bevoegde autoriteit erkend controlesysteem om eventuele verontreiniging van het kopvlees met weefsel van het centrale zenuwstelsel te voorkomen. Dit systeem bestaat minimaal uit de volgende maatregelen:

i) alle koppen worden visueel gecontroleerd op tekenen van verontreiniging of beschadiging, alsmede op deugdelijke afsluiting, voordat met het verzamelen van het kopvlees wordt begonnen;

ii) kopvlees mag niet worden verzameld van koppen die niet deugdelijk zijn afgesloten, waarvan de ogen beschadigd zijn, of die anderszins zodanig beschadigd zijn dat het kopvlees met weefsel van het centrale zenuwstelsel verontreinigd kan zijn. Evenmin mag kopvlees worden verzameld van koppen waarvan vermoed wordt dat ze door bovenbedoelde koppen zijn verontreinigd;

iii) onverminderd de algemene hygiënevoorschriften zijn er specifieke werkvoorschriften om verontreiniging van het kopvlees tijdens het vervoer en het verzamelen te voorkomen, met name wanneer de afsluiting ontbreekt of de ogen tijdens het vervoer of het verzamelen worden beschadigd;

f) er is een bemonsteringsplan voor de uitsnijderij voor het aantonen van weefsel van het centrale zenuwstelsel met behulp van een geschikte laboratoriumtest om na te gaan of de maatregelen ter beperking van verontreiniging naar behoren zijn uitgevoerd.

10.   Voorschriften voor de handel en het vervoer

10.1. De lidstaten mogen toestaan dat koppen of hele karkassen met gespecificeerd risicomateriaal naar een andere lidstaat worden verzonden mits die lidstaat met die verzending heeft ingestemd en de voorwaarden waaronder de verzending en het vervoer plaatsvinden, heeft goedgekeurd.

10.2. In afwijking van punt 10.1 mogen karkassen, halve karkassen, halve karkassen die in ten hoogste drie delen zijn verdeeld en voor- en achtervoeten, die geen ander gespecificeerd risicomateriaal dan wervelkolom, inclusief achterwortelganglia, bevatten, van een lidstaat naar een andere lidstaat worden verzonden zonder voorafgaande toestemming van laatstgenoemde lidstaat.

10.3. De uitvoer van koppen en van vers vlees van runderen, schapen en geiten waarin gespecificeerd risicomateriaal aanwezig is, naar derde landen is verboden.

11.   Controles

11.1. De lidstaten verrichten frequent officiële controles om na te gaan of deze bijlage correct wordt uitgevoerd en zien erop toe dat er maatregelen worden getroffen om verontreiniging te vermijden, met name in slachthuizen, uitsnijderijen en andere locaties waar gespecificeerd risicomateriaal wordt verwijderd, zoals slagerijen en inrichtingen als bedoeld in punt 4.1, onder c).

11.2. Met name voeren de lidstaten een regeling in om te waarborgen en te controleren dat gespecificeerd risicomateriaal wordt behandeld en verwijderd overeenkomstig deze verordening en Verordening (EG) nr. 1774/2002.

11.3. Er wordt een controlesysteem ingevoerd voor de verwijdering van de wervelkolom, als omschreven in punt 1, onder a). Dit systeem bestaat minimaal uit de volgende maatregelen:

a) wanneer de wervelkolom niet hoeft te worden verwijderd, worden runderkarkassen met wervelkolom en delen van dergelijke karkassen gekenmerkt door middel van een duidelijk zichtbare blauwe streep op het in Verordening (EG) nr. 1760/2000 bedoelde etiket;

b) in het handelsdocument betreffende de zendingen vlees wordt het aantal runderkarkassen of delen daarvan vermeld waaruit de wervelkolom moet worden verwijderd en het aantal runderkarkassen of delen daarvan waarbij dit niet hoeft te gebeuren. Bij invoer wordt in voorkomend geval de specifieke informatie opgenomen in het in artikel 2, lid 1, van Verordening (EG) nr. 136/2004 van de Commissie ( 23 ) bedoelde document;

c) de slagerijen bewaren de onder b) genoemde handelsdocumenten gedurende ten minste één jaar.




BIJLAGE VI

PRODUCTEN VAN DIERLIJKE OORSPRONG DIE VAN MATERIAAL VAN HERKAUWERS ZIJN AFGELEID OF DIE MATERIAAL VAN HERKAUWERS BEVATTEN, ALS BEDOELD IN ARTIKEL 9, LID 1,

▼M32




BIJLAGE VII

UITROEIING VAN OVERDRAAGBARE SPONGIFORME ENCEFALOPATHIEËN

▼M39

HOOFDSTUK A

Maatregelen nadat de aanwezigheid van een TSE is bevestigd

1. In het kader van het in artikel 13, lid 1, onder b), bedoelde onderzoek moeten worden geïdentificeerd:

a) voor runderen:

 alle andere herkauwers op het bedrijf van het dier waarbij de ziekte is bevestigd;

 de nakomelingen van een vrouwelijk dier waarbij de ziekte is bevestigd, die zijn geboren in de laatste twee jaar vóórdat of in de periode nadat de eerste klinische verschijnselen van de ziekte zich hebben voorgedaan;

 alle dieren van de cohort van het dier waarbij de ziekte is bevestigd;

 de mogelijke oorsprong van de ziekte;

 andere dieren op het bedrijf van het dier waarbij de ziekte is bevestigd of op andere bedrijven, die met het TSE-agens kunnen zijn besmet of met hetzelfde voeder of dezelfde besmettingsbron in contact kunnen zijn geweest;

 de verplaatsing van potentieel verontreinigde diervoeders, ander materiaal, of andere vectoren, die het TSE-agens van of naar het betrokken bedrijf kunnen hebben overgebracht;

b) voor schapen en geiten:

 alle andere herkauwers dan schapen en geiten op het bedrijf van het dier waarbij de ziekte is bevestigd;

 voor zover nagetrokken kan worden, de ouderdieren en — in het geval van vrouwelijke dieren — alle embryo's, eicellen en de laatste nakomelingen van het vrouwelijke dier waarbij de ziekte is bevestigd;

 alle andere schapen en geiten op het bedrijf van het dier waarbij de ziekte is bevestigd, naast de in het tweede streepje genoemde dieren;

 de mogelijke oorsprong van de ziekte en andere bedrijven waar zich dieren, embryo's of eicellen bevinden die met het TSE-agens kunnen zijn besmet of met hetzelfde voeder of dezelfde verontreinigingsbron in contact kunnen zijn geweest;

 de verplaatsing van potentieel verontreinigde diervoeders, ander materiaal, of andere vectoren, die het TSE-agens van of naar het betrokken bedrijf kunnen hebben overgebracht.

2. De maatregelen bedoeld in artikel 13, lid 1, onder c), omvatten ten minste:

2.1. in geval van bevestiging van BSE bij een rund, het doden en volledig vernietigen van alle runderen die in het kader van het in punt 1, onder a), tweede en derde streepje, bedoelde onderzoek zijn geïdentificeerd. De lidstaat kan evenwel besluiten:

 de in punt 1, onder a), derde streepje, bedoelde dieren van de cohort niet te doden en te vernietigen als is aangetoond dat die dieren geen toegang hadden tot hetzelfde voeder als het zieke dier;

 het doden en vernietigen van dieren uit de cohort overeenkomstig punt 1, onder a), derde streepje, uit te stellen tot het eind van hun productieve leven, mits het stieren betreft die voortdurend in een spermacentrum ondergebracht zijn en gewaarborgd kan worden dat zij volledig vernietigd worden nadat zij zijn gestorven.

▼M41

2.2 Indien bij een schaap of geit op een bedrijf in een lidstaat een TSE wordt vermoed, geldt voor alle andere schapen en geiten op dat bedrijf een officiële verplaatsingsbeperking totdat de resultaten van de bevestigende onderzoeken beschikbaar zijn. Indien uit bewijsmateriaal blijkt dat het bedrijf waarop het dier zich bevond toen de TSE werd vermoed, waarschijnlijk niet het bedrijf is waar het dier aan de TSE kon zijn blootgesteld, kan de bevoegde autoriteit, afhankelijk van de beschikbare epidemiologische informatie, besluiten andere bedrijven, dan wel alleen het bedrijf waar de besmetting heeft plaatsgevonden onder officieel toezicht te plaatsen. De melk en melkproducten van de schapen en geiten op het bedrijf dat onder officieel toezicht geplaatst is, die zich op dat bedrijf bevinden vanaf de datum waarop de TSE wordt vermoed totdat de resultaten van de bevestigende onderzoeken beschikbaar zijn, worden alleen op dat bedrijf gebruikt.

▼M39

2.3. In geval van bevestiging van TSE bij een schaap of een geit:

▼M41

a) als BSE niet kan worden uitgesloten op grond van de resultaten van een overeenkomstig de procedure van bijlage X, hoofdstuk C, punt 3.2, onder c), uitgevoerd ringonderzoek, het doden en volledig vernietigen van alle dieren, embryo’s en eicellen die in het kader van het in punt 1, onder b), tweede tot en met vijfde streepje, bedoelde onderzoek zijn geïdentificeerd. De melk en melkproducten die afkomstig zijn van de te vernietigen dieren en zich op het bedrijf bevonden tussen de datum waarop bevestigd is dat BSE niet kan worden uitgesloten en de datum waarop de dieren volledig zijn vernietigd, worden vernietigd;

▼M39

b) als BSE wordt uitgesloten overeenkomstig de procedure van bijlage X, hoofdstuk C, punt 3.2, onder c), conform het besluit van de bevoegde autoriteit:

hetzij

▼M41

i) het doden en volledig vernietigen van alle dieren, embryo’s en eicellen die in het kader van het in punt 1, onder b), tweede en derde streepje, bedoelde onderzoek zijn geïdentificeerd. Indien de bevestigde TSE klassieke scrapie is, worden de melk en melkproducten die afkomstig zijn van de te vernietigen dieren en zich op het bedrijf bevonden tussen de datum waarop het geval van klassieke scrapie is bevestigd en de datum waarop de dieren volledig zijn vernietigd, niet gebruikt voor vervoedering aan herkauwers, behalve als het gaat om herkauwers op het bedrijf zelf. Die producten mogen alleen in de handel worden gebracht op het grondgebied van de betrokken lidstaat voor vervoedering aan niet herkauwers. Op het handelsdocument dat zendingen van dergelijke producten vergezelt en op verpakkingen van dergelijke zendingen moet duidelijk worden vermeld: „niet geschikt voor vervoedering aan herkauwers”. Deze producten mogen niet worden gebruikt of opgeslagen op bedrijven waar herkauwers worden gehouden. Diervoeders in bulk die dergelijke producten bevatten, worden vervoerd in voertuigen die niet tegelijkertijd voeder voor herkauwers vervoeren. Indien de voertuigen vervolgens voor het vervoer van voeder voor herkauwers worden gebruikt, moeten zij grondig worden gereinigd volgens een door de bevoegde autoriteit goedgekeurde reinigingsprocedure om versleping te voorkomen.

De voorwaarden van punt 3 zijn van toepassing op het bedrijf,

hetzij

ii) het doden en volledig vernietigen van alle dieren, embryo’s en eicellen die in het kader van het in punt 1, onder b), tweede en derde streepje, bedoelde onderzoek zijn geïdentificeerd, met uitzondering van:

 fokrammen met genotype ARR/ARR;

 fokooien met ten minste één ARR-allel en geen VRQ-allel en, wanneer die ooien ten tijde van het onderzoek drachtig zijn, de daaruit geboren lammeren, als hun genotype met deze alinea in overeenstemming is;

 schapen met ten minste één ARR-allel die uitsluitend voor de slacht bestemd zijn;

 indien de bevoegde autoriteit hiertoe besluit, schapen en geiten jonger dan drie maanden die uitsluitend voor de slacht bestemd zijn.

Indien de bevestigde TSE klassieke scrapie is, worden de melk en melkproducten die afkomstig zijn van de te vernietigen dieren en zich op het bedrijf bevonden tussen de datum waarop het geval van klassieke scrapie is bevestigd en de datum waarop de dieren volledig zijn vernietigd, niet gebruikt voor vervoedering aan herkauwers, behalve als het gaat om herkauwers op het bedrijf zelf. Die producten mogen alleen in de handel worden gebracht op het grondgebied van de betrokken lidstaat voor vervoedering aan niet-herkauwers. Op het handelsdocument dat zendingen van dergelijke producten vergezelt en op verpakkingen van dergelijke zendingen moet duidelijk worden vermeld: „niet geschikt voor vervoedering aan herkauwers”. Deze producten mogen niet worden gebruikt of opgeslagen op bedrijven waar herkauwers worden gehouden. Diervoeders in bulk die dergelijke producten bevatten, worden vervoerd in voertuigen die niet tegelijkertijd voeder voor herkauwers vervoeren. Indien de voertuigen vervolgens voor het vervoer van voeder voor herkauwers worden gebruikt, moeten zij grondig worden gereinigd volgens een door de bevoegde autoriteit goedgekeurde reinigingsprocedure om versleping te voorkomen.

De voorwaarden van punt 3 zijn van toepassing op het bedrijf;

▼M39

iii) een lidstaat kan besluiten de in het kader van het in punt 1, onder b), tweede en derde streepje, bedoelde onderzoek geïdentificeerde dieren niet te doden en te vernietigen, als het moeilijk is nieuwe schapen met een bekend genotype te vinden, de frequentie van het ARR-allel binnen het ras of op het bedrijf klein is, het nodig geacht wordt inteelt te voorkomen of het besluit op een gemotiveerde afweging van alle epidemiologische factoren gebaseerd is. De voorwaarden van punt 4 zijn van toepassing op het bedrijf;

c) in afwijking van de maatregelen onder b) kan de lidstaat besluiten de maatregelen van punt 5 toe te passen, op voorwaarde dat het op een bedrijf bevestigde TSE-geval een geval van atypische scrapie is;

d) de lidstaten kunnen besluiten:

i) het doden en volledig vernietigen van alle onder b) i), bedoelde dieren te vervangen door slacht voor menselijke consumptie;

ii) het doden en volledig vernietigen van onder b) ii), bedoelde dieren te vervangen door slacht voor menselijke consumptie, op voorwaarde dat:

 de dieren worden geslacht op het grondgebied van de betrokken lidstaat;

 alle dieren die ouder dan 18 maanden zijn of waarbij meer dan twee blijvende snijtanden door het tandvlees zijn gebroken en die voor menselijke consumptie worden geslacht, op de aanwezigheid van TSE’s worden getest overeenkomstig de laboratoriumtechnieken van bijlage X, hoofdstuk C, punt 3.2, onder b);

e) van maximaal 50 schapen die zijn gedood en vernietigd of voor menselijke consumptie zijn geslacht overeenkomstig het bepaalde onder b) i) en iii), wordt het prioneiwitgenotype bepaald;

▼M46

f) wanneer de frequentie van het ARR-allel binnen het ras of op het bedrijf klein is of dit gen niet voorkomt, of wanneer het nodig wordt geacht om inteelt te voorkomen, mag een lidstaat besluiten het doden en volledig vernietigen van de in punt 2.3, onder b) i) en ii), bedoelde dieren maximaal vijf fokjaren vanaf de datum van bevestiging van het indexgeval uit te stellen, mits er op het bedrijf geen fokrammen met een ander genotype dan ARR/ARR aanwezig zijn.

Indien het echter gaat om schapen en geiten die worden gehouden voor de productie van melk die in de handel zal worden gebracht, mag het doden en volledig vernietigen ervan niet langer worden uitgesteld dan 18 maanden vanaf de datum van bevestiging van het indexgeval, tenzij het gaat om geiten waarbij het doden en volledig vernietigen tot 31 december 2012 mag worden uitgesteld, als het indexgeval vóór 1 juli 2011 wordt bevestigd.

▼M39

2.4. Indien het besmette dier vanuit een ander bedrijf is binnengebracht, kan een lidstaat aan de hand van de voorgeschiedenis van het geval besluiten uitroeiingsmaatregelen toe te passen op het bedrijf van oorsprong en al dan niet op het bedrijf waar de besmetting bevestigd werd; in geval van gemeenschappelijke weiden die door meer dan één koppel worden gebruikt, kunnen de lidstaten na een gemotiveerde afweging van alle epidemiologische factoren besluiten deze maatregelen slechts op één koppel toe te passen; wanneer op hetzelfde bedrijf meer dan één koppel wordt gehouden, kunnen de lidstaten besluiten de maatregelen te beperken tot het koppel waarin de TSE is bevestigd, op voorwaarde dat is nagegaan of de koppels van elkaar gescheiden gehouden zijn en besmetting tussen de koppels onderling door direct of indirect contact onwaarschijnlijk is.

▼M46

2.5. In afwachting van het doden en volledig vernietigen van de in punt 2.3, onder b) i) en ii), bedoelde dieren, met inbegrip van de dieren waarvoor het doden en volledig vernietigen overeenkomstig punt 2.3, onder f), is uitgesteld, zijn de maatregelen van punt 3.1, onder a) en b), punt 3.2 en punt 3.3, onder a), onder b), eerste streepje, en onder d), op het bedrijf (de bedrijven) van toepassing.

▼M39

3. Wanneer op een bedrijf de in punt 2.3, onder a), en b) i) en ii), aangegeven maatregelen zijn genomen:

3.1. mogen alleen de volgende dieren op het bedrijf of de bedrijven worden binnengebracht:

a) rammen met genotype ARR/ARR;

b) ooien met ten minste één ARR-allel en geen VRQ-allel;

c) geiten, mits:

i) zich geen fokschapen met een genotype dat verschilt van de onder a) en b), genoemde op het bedrijf bevinden;

ii) alle dierverblijven op het bedrijf na de ontvolking grondig zijn schoongemaakt en ontsmet.

3.2. Op het bedrijf of de bedrijven mogen uitsluitend de volgende levende producten van schapen worden gebruikt:

a) sperma van rammen met genotype ARR/ARR;

b) embryo's met ten minste één ARR-allel en geen VRQ-allel.

3.3. Voor de verplaatsing van dieren van het bedrijf gelden de volgende voorwaarden:

a) voor de verplaatsing van ARR/ARR-schapen van het bedrijf gelden geen beperkingen;

b) schapen met slechts één ARR-allel mogen het bedrijf alleen verlaten als zij direct voor menselijke consumptie worden geslacht of worden vernietigd. In afwijking hiervan:

 mogen ooien met slechts één ARR-allel en zonder VRQ-allel worden vervoerd naar andere bedrijven waarvoor beperkingen gelden, nadat de maatregelen overeenkomstig punt 2.3, onder b), ii), of punt 4 zijn genomen;

 mogen lammeren en geitenlammeren, indien de bevoegde autoriteit daartoe besluit, eenmaal naar een ander bedrijf worden vervoerd, uitsluitend om te worden afgemest alvorens zij worden geslacht; op het bedrijf van bestemming mogen alleen schapen of geiten aanwezig zijn die worden afgemest alvorens te worden geslacht en dat bedrijf mag geen levende schapen of geiten naar andere bedrijven verzenden, behalve om direct te worden geslacht op het grondgebied van de betrokken lidstaat;

c) geiten mogen worden vervoerd op voorwaarde dat op het bedrijf verscherpt toezicht op TSE's plaatsvindt, waaronder het testen van alle geiten ouder dan 18 maanden die:

i) aan het eind van hun productieve leven voor menselijke consumptie worden geslacht, dan wel

ii) op het bedrijf gestorven of gedood zijn en voldoen aan de criteria van bijlage III, hoofdstuk A, deel II, punt 3;

d) lammeren en geitenlammeren jonger dan drie maanden mogen, indien de lidstaat hiertoe besluit, het bedrijf verlaten om direct voor menselijke consumptie te worden geslacht.

3.4. De in de punten 3.1, 3.2 en 3.3 vastgestelde beperkingen blijven voor het bedrijf van toepassing gedurende twee jaar na:

a) het tijdstip waarop alle schapen op het bedrijf van genotype ARR/ARR zijn, of

b) het laatste tijdstip waarop een schaap of geit op het bedrijf is gehouden, of

c) het tijdstip waarop het in punt 3.3, onder c), vermelde verscherpte toezicht op TSE's is ingegaan, of

d) het tijdstip waarop alle fokrammen op het bedrijf van genotype ARR/ARR zijn en alle fokooien ten minste één ARR-allel en geen VRQ-allel bezitten, mits gedurende de periode van twee jaar de TSE-tests op de volgende dieren ouder dan 18 maanden negatief zijn:

 een jaarlijkse steekproef van schapen die aan het eind van hun productieve leven voor menselijke consumptie zijn geslacht, overeenkomstig de in de tabel in bijlage III, hoofdstuk A, deel II, punt 5, aangegeven steekproefgrootte, en

 alle schapen als bedoeld in bijlage III, hoofdstuk A, deel II, punt 3, die op het bedrijf zijn gestorven of gedood.

4. Na het nemen op een bedrijf van de in punt 2.3, onder b) iii), vermelde maatregelen en gedurende twee fokjaren na de ontdekking van het laatste TSE-geval:

a) moeten alle schapen en geiten op het bedrijf worden geïdentificeerd;

b) mogen alle schapen en geiten op het bedrijf uitsluitend op het grondgebied van de betrokken lidstaat worden vervoerd om voor menselijke consumptie te worden geslacht of vernietigd te worden; alle dieren die ouder zijn dan 18 maanden en voor menselijke consumptie zijn geslacht, moeten op de aanwezigheid van een TSE worden getest overeenkomstig de in bijlage X, hoofdstuk C, punt 3.2, onder b), vastgestelde laboratoriumtechnieken;

c) zorgt de bevoegde autoriteit ervoor dat geen embryo's en eicellen vanuit het bedrijf worden verzonden;

d) mogen alleen het sperma van rammen met genotype ARR/ARR en embryo's met minstens één ARR-allel en geen VRQ-allel op het bedrijf worden gebruikt;

e) moeten alle schapen en geiten die ouder zijn dan 18 maanden en op het bedrijf zijn gestorven of gedood, aan een TSE-test worden onderworpen;

f) mogen alleen rammen met genotype ARR/ARR en ooien van bedrijven waar geen TSE-gevallen zijn geconstateerd of van koppels die aan de voorwaarden van punt 3.4 voldoen, op het bedrijf worden binnengebracht;

g) mogen alleen geiten van bedrijven waar geen TSE-gevallen zijn geconstateerd of van koppels die aan de voorwaarden van punt 3.4 voldoen, op het bedrijf worden binnengebracht;

h) moeten voor alle schapen en geiten op het bedrijf dezelfde begrazingsbeperkingen gelden, die door de bevoegde autoriteit worden vastgesteld na een gemotiveerde afweging van alle epidemiologische factoren;

i) mogen lammeren en geitenlammeren in afwijking van het bepaalde onder b) — indien de bevoegde autoriteit daartoe besluit — naar een ander bedrijf in dezelfde lidstaat worden vervoerd om uitsluitend voor de slacht te worden afgemest. Voorwaarde is dat op het bedrijf van bestemming alleen schapen of geiten aanwezig zijn die voor de slacht worden afgemest en het bedrijf geen levende schapen of geiten naar andere bedrijven verzendt, behalve om direct te worden geslacht op het grondgebied van de betrokken lidstaat.

5. Na gebruikmaking van de afwijking van punt 2.3, onder c), gelden de volgende maatregelen:

a) hetzij het doden en volledig vernietigen van alle dieren, embryo's en eicellen die in het kader van het in punt 1, onder b), tweede en derde streepje, bedoelde onderzoek zijn geïdentificeerd. De lidstaten kunnen besluiten het prioneiwitgenotype van gedode en vernietigde schapen te bepalen;

b) hetzij ten minste de volgende maatregelen gedurende twee fokjaren na de ontdekking van het laatste TSE-geval:

i) alle schapen en geiten op het bedrijf moeten worden geïdentificeerd;

ii) op het bedrijf moet gedurende twee jaar verscherpt toezicht op TSE's worden gehouden, waarbij onder meer tests worden uitgevoerd op alle schapen en geiten die ouder zijn dan 18 maanden en voor menselijke consumptie zijn geslacht, en op alle schapen en geiten die ouder zijn dan 18 maanden en op het bedrijf zijn gestorven of gedood;

iii) de bevoegde autoriteit moet ervoor zorgen dat geen levende schapen en geiten, embryo's en eicellen van het bedrijf naar andere lidstaten of derde landen worden verzonden.

6. De lidstaten die de maatregelen van punt 2.3, onder b) iii), toepassen of van de afwijkingen van punt 2.3, onder c) en d), gebruikmaken, delen de Commissie mee onder welke voorwaarden en op grond van welke criteria ze worden toegestaan. Als nieuwe TSE-gevallen worden ontdekt in koppels waarop afwijkingen van toepassing zijn, moeten de voorwaarden voor het toestaan van deze afwijkingen opnieuw worden beoordeeld.

▼M32

HOOFDSTUK B

Minimumeisen voor fokprogramma’s ter verkrijging van resistentie tegen tse’s bij schapen overeenkomstig artikel 6 bis:

DEEL 1

Algemene eisen

1. Het fokprogramma richt zich op koppels van hoge genetische waarde.

2. Er wordt een gegevensbank opgezet met ten minste de volgende gegevens:

a) de identiteit, het ras en het aantal van alle aan het fokprogramma deelnemende koppels;

b) de identiteit van de afzonderlijke dieren die in het fokprogramma zijn bemonsterd;

c) de resultaten van genotyperingstests.

3. Er wordt een uniform certificatiesysteem ingevoerd waarin het genotype van elk in het fokprogramma bemonsterde dier wordt gecertificeerd aan de hand van zijn individuele identificatienummer.

4. Er wordt een systeem ingevoerd voor het identificeren van de dieren en de monsters, de verwerking van de monsters en de productie van de resultaten, waarbij de kans op menselijke fouten zo klein mogelijk gemaakt wordt. De doeltreffendheid van dit systeem wordt op gezette tijden steekproefsgewijs gecontroleerd.

5. De genotypering van bloed en andere ten behoeve van het fokprogramma verzamelde weefsels wordt verricht in laboratoria die in het kader van het programma zijn erkend.

6. De bevoegde autoriteit van de lidstaat kan fokverenigingen helpen met het opzetten van genenbanken voor sperma, eicellen en/of embryo’s die representatief zijn voor prioneiwitgenotypes die als gevolg van het fokprogramma waarschijnlijk zeldzaam zullen worden.

7. Voor elk ras worden fokprogramma’s opgezet met inachtneming van:

a) de frequentie van de verschillende allelen in het ras;

b) de zeldzaamheid van het ras;

c) het vermijden van inteelt en genetische drift.

DEEL 2

Specifieke voorschriften voor deelnemende koppels

1. Het fokprogramma is bedoeld om de frequentie van het ARR-allel in het koppel schapen te vergroten en de prevalentie van allelen waarvan gebleken is dat zij aan de gevoeligheid voor TSE’s bijdragen, te verkleinen.

2. De minimumeisen voor deelnemende koppels zijn:

a) alle dieren in het koppel die moeten worden gegenotypeerd, worden afzonderlijk op betrouwbare wijze geïdentificeerd;

b) alle fokrammen in het koppel worden gegenotypeerd voordat zij voor fokdoeleinden worden gebruikt;

c) mannelijke dieren die het VRQ-allel dragen, worden binnen zes maanden na de bepaling van het genotype geslacht of gecastreerd; deze dieren mogen het bedrijf niet verlaten, behalve voor de slacht;

d) vrouwelijke dieren waarvan bekend is dat zij het VRQ-allel dragen, mogen het bedrijf niet verlaten, behalve voor de slacht;

e) mannelijke dieren — met inbegrip van donordieren voor kunstmatige inseminatie — die niet in het kader van het fokprogramma gecertificeerd zijn, mogen niet voor fokdoeleinden in het koppel worden gebruikt.

3. De lidstaten kunnen besluiten afwijkingen van de eisen van punt 2, onder c) en d), toe te staan met het oog op de bescherming van rassen en productiekenmerken.

4. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de krachtens punt 3 toegestane afwijkingen en van de daarvoor gehanteerde criteria.

DEEL 3

Regeling voor de erkenning van de TSE-resistente status van bepaalde koppels schapen

1. De regeling erkent de TSE-resistente status van koppels schapen die door deelname aan het in artikel 6 bis bedoelde fokprogramma aan de criteria van het programma voldoen.

Deze erkenning wordt op ten minste de volgende twee niveaus verleend:

a) koppels van niveau I zijn koppels die uitsluitend bestaan uit schapen met genotype ARR/ARR;

b) koppels van niveau II zijn koppels waarvan het nageslacht uitsluitend verwekt is door rammen met genotype ARR/ARR.

De lidstaten kunnen besluiten op andere niveaus erkenning te verlenen om aan nationale eisen te voldoen.

2. Schapen van TSE-resistente koppels worden op gezette tijden steekproefsgewijs bemonsterd:

a) op het landbouwbedrijf of in het slachthuis om hun genotype na te gaan;

b) in geval van koppels van niveau I door dieren ouder dan 18 maanden in het slachthuis op TSE’s te testen overeenkomstig bijlage III.

DEEL 4

Rapportage van de lidstaten aan de Commissie

Lidstaten die nationale fokprogramma’s invoeren om te selecteren op resistentie tegen TSE’s in hun schapenpopulaties, stellen de Commissie in kennis van de eisen van deze programma’s en dienen jaarlijks een verslag over de voortgang ervan in. Het verslag over een kalenderjaar wordt uiterlijk 31 maart van het volgende jaar ingediend.

▼B




BIJLAGE VIII

IN DE HANDEL BRENGEN EN UITVOER

▼M5

HOOFDSTUK A

▼M16

Voorwaarden voor de intracommunautaire handel in levende dieren, sperma en embryo's

▼M31

I.   VOORWAARDEN VOOR SCHAPEN EN GEITEN EN VOOR SPERMA EN EMBRYO’S VAN DIE DIEREN

▼M5

De volgende voorwaarden zijn van toepassing op de handel in schapen en geiten:

▼M14

a) fokschapen en -geiten moeten hetzij schapen zijn met prioneiwitgenotype ARR/ARR zoals omschreven in bijlage I bij Beschikking 2002/1003/EG van de Commissie ( 24 ), hetzij sinds de geboorte of ten minste de laatste drie jaar ononderbroken op een bedrijf of op bedrijven zijn gehouden dat (die) sinds ten minste drie jaar aan de volgende eisen voldoet (voldoen):

i) tot en met 30 juni 2007:

 het is onderworpen aan regelmatige officiële diergeneeskundige controles,

 de dieren zijn geïdentificeerd,

 er zijn geen gevallen van scrapie vastgesteld,

 de oude vrouwelijke dieren die geslacht moeten worden, worden door middel van bemonstering gecontroleerd,

 afgezien van schapen met prioneiwitgenotype ARR/ARR worden alleen vrouwelijke dieren die van een bedrijf komen dat aan dezelfde eisen voldoet, op het bedrijf binnengebracht.

Uiterlijk vanaf 1 juli 2004 moet het bedrijf of moeten de bedrijven aan de volgende extra eisen beginnen te voldoen:

 alle in bijlage III, hoofdstuk A, deel II, punt 3, bedoelde dieren ouder dan 18 maanden die op het bedrijf gestorven of gedood zijn, worden op scrapie onderzocht met de laboratoriumtechnieken die zijn aangegeven in bijlage X, hoofdstuk C, punt 3.2, onder b);

 afgezien van schapen met prioneiwitgenotype ARR/ARR worden alleen schapen en geiten die van een bedrijf komen dat aan dezelfde eisen voldoet, op het bedrijf binnengebracht.

ii) vanaf 1 juli 2007:

 het is onderworpen aan regelmatige officiële diergeneeskundige controles,

 de dieren zijn geïdentificeerd overeenkomstig de communautaire wetgeving,

 er zijn geen gevallen van scrapie vastgesteld,

 alle in bijlage III, hoofdstuk A, deel II, punt 3, bedoelde dieren ouder dan 18 maanden die op het bedrijf gestorven of gedood zijn, zijn op scrapie onderzocht met de laboratoriumtechnieken die zijn aangegeven in bijlage X, hoofdstuk C, punt 3.2, onder b);

 afgezien van schapen met prioneiwitgenotype ARR/ARR worden alleen schapen en geiten die van een bedrijf komen dat aan dezelfde eisen voldoet, op het bedrijf binnengebracht.

Indien zij bestemd zijn voor een lidstaat waarop voor het gehele grondgebied of een gedeelte daarvan de bepalingen van punt b) of c) van toepassing zijn, moeten fokschapen en -geiten de algemene of specifieke aanvullende garanties bieden die volgens de procedure van artikel 24, lid 2, zijn vastgesteld.

▼M5

b) een lidstaat die voor het gehele grondgebied of een gedeelte daarvan een verplicht of een vrijwillig nationaal programma voor scrapiebestrijding heeft,

i) kan dat programma aan de Commissie voorleggen met vermelding van met name:

 de situatie van de ziekte in het land,

 een rechtvaardiging van het programma, rekening houdend met de ernst van de ziekte en de kosten-batenverhouding,

 het geografische gebied waarop het programma van toepassing is,

 de verschillende statussen van de bedrijven en de normen die in elke categorie gehaald moeten worden,

 de testprocedures,

 de procedures voor de controle op het programma,

 de gevolgen voor het bedrijf van het verlies van de status, ongeacht de reden,

 de maatregelen die genomen moeten worden bij een positief resultaat van een overeenkomstig het programma uitgevoerde controle;

ii) de in punt i) bedoelde programma's kunnen volgens de procedure van artikel 24, lid 2, worden goedgekeurd indien zij voldoen aan de in punt i) vermelde criteria. Tegelijkertijd of ten hoogste drie maanden nadat de programma's zijn goedgekeurd, worden volgens de procedure van artikel 24, lid 2, de algemene of specifieke aanvullende garanties vastgesteld die in het kader van het intracommunautair handelsverkeer geëist kunnen worden. Die garanties mogen ten hoogste gelijkwaardig zijn aan die welke de lidstaat op nationaal niveau toepast;

iii) door de lidstaten voorgelegde wijzigingen van of aanvullingen op de programma's kunnen volgens de procedure van artikel 24, lid 2, worden goedgekeurd. Volgens deze procedure kunnen ook wijzigingen van overeenkomstig punt ii) vastgestelde garanties worden goedgekeurd;

c) een lidstaat die van mening is dat hij geheel of gedeeltelijk vrij is van scrapie,

i) legt de Commissie de passende bewijsstukken voor met vermelding van met name

 een historisch overzicht van het uitbreken van de ziekte op zijn grondgebied,

 het resultaat van de in het kader van het toezicht uitgevoerde serologische, microbiologische, pathologische of epidemiologische tests,

 de duur van het uitgevoerde toezicht,

 de regels voor de controle op de afwezigheid van de ziekte;

ii) de algemene of specifieke aanvullende garanties die in het kader van het intracommunautair handelsverkeer kunnen worden geëist, worden volgens de procedure van artikel 24, lid 2, vastgesteld. Die garanties mogen ten hoogste gelijkwaardig zijn aan die welke de lidstaat op nationaal niveau toepast;

iii) de betrokken lidstaat stelt de Commissie in kennis van elke wijziging van een in punt i) bedoeld bewijsstuk aangaande de ziekte. De overeenkomstig punt ii) vastgestelde garanties kunnen in het licht van de verstrekte informatie volgens de procedure van artikel 24, lid 2, gewijzigd of geschrapt worden;

▼M16

d) met ingang van 1 januari 2005 voldoen sperma en embryo's van schapen en geiten aan de volgende voorwaarden:

i) zij worden gewonnen van dieren die sinds de geboorte of ten minste de laatste drie jaar van hun leven ononderbroken op een bedrijf of op bedrijven zijn gehouden dat (die) sinds ten minste drie jaar aan de onder a), punt i) dan wel punt ii), afhankelijk van het geval, vermelde eisen voldoet (voldoen), of

ii) in het geval van schapensperma, het sperma is gewonnen van rammen met prioneiwitgenotype ARR/ARR, zoals gedefinieerd in bijlage I bij Beschikking 2002/1003/EG van de Commissie ( 25 ), of

iii) in het geval van schapenembryo's, deze zijn van prioneiwitgenotype ARR/ARR, zoals gedefinieerd in bijlage I bij Beschikking 2002/1003/EG.

▼M31

II.   VOORWAARDEN VOOR RUNDEREN

Het Verenigd Koninkrijk ziet erop toe dat runderen die vóór 1 augustus 1996 op zijn grondgebied zijn geboren of gehouden niet vanaf zijn grondgebied naar andere lidstaten of naar derde landen worden verzonden.

▼B

HOOFDSTUK B

Voorwaarden met betrekking tot nakomelingen van dieren waarbij de verdenking van TSE bestaat of de aanwezigheid van TSE is bevestigd, zoals bedoeld in artikel 15, lid 2

De laatstgeboren nog levende nakomelingen van met een TSE besmette vrouwelijke runderen of van schapen of geiten waarbij BSE bevestigd is, die geboren zijn in de laatste twee jaar voordat of in de periode nadat de eerste klinische verschijnselen van de ziekte zich hebben voorgedaan, mogen niet in de handel worden gebracht.

▼M31

HOOFDSTUK C

Voorwaarden voor de intracommunautaire handel in bepaalde producten van dierlijke oorsprong

AFDELING A

Producten

Voor de onderstaande producten van dierlijke oorsprong is het in artikel 16, lid 3, bedoelde verbod niet van toepassing, op voorwaarde dat die producten zijn afgeleid van runderen, schapen en geiten die aan de voorschriften van afdeling B voldoen:

 vers vlees;

 gehakt vlees;

 vleesbereidingen;

 vleesproducten.

AFDELING B

Voorschriften

De in afdeling A bedoelde producten moeten aan de volgende voorschriften voldoen:

a) aan de dieren waarvan de producten van runderen, schapen en geiten zijn afgeleid, zijn geen vleesbeendermeel en kanen, afkomstig van herkauwers, vervoederd en zij zijn bij een ante- en een postmortemkeuring geschikt bevonden;

b) de dieren waarvan de producten van runderen, schapen of geiten zijn afgeleid, zijn niet geslacht met gebruikmaking van de methode waarbij de dieren worden bedwelmd of onmiddellijk gedood door middel van een gasinjectie in de schedelholte, of waarbij, na bedwelming van het dier, het weefsel van het centrale zenuwstelsel met een lang staafvormig, in de schedelholte ingebracht instrument wordt beschadigd;

c) de producten van runderen, schapen en geiten zijn niet afgeleid van:

i) gespecificeerd risicomateriaal zoals omschreven in bijlage V;

ii) zenuw- en lymfeweefsel dat bij het ontbenen is vrijgelegd;

iii) separatorvlees van beenderen van runderen, schapen en geiten.

▼B

HOOFDSTUK D

Voorwaarden voor de uitvoer

Voor levende runderen en de daarvan afgeleide producten van dierlijke oorsprong gelden, wat de uitvoer naar derde landen betreft, de voorschriften van deze verordening voor het intracommunautair handelsverkeer.




BIJLAGE IX

INVOER IN DE GEMEENSCHAP VAN LEVENDE DIEREN, EMBRYO'S, EICELLEN EN PRODUCTEN VAN DIERLIJKE OORSPRONG

▼M31 —————

▼M31

HOOFDSTUK B

Invoer van runderen

AFDELING A

Invoer uit een land of gebied met een verwaarloosbaar BSE-risico

Voor de invoer van runderen uit landen of gebieden met een verwaarloosbaar BSE-risico is een diergezondheidscertificaat vereist waaruit blijkt dat:

a) de dieren geboren en ononderbroken gehouden zijn in een land of gebied dat overeenkomstig artikel 5, lid 2, is ingedeeld als land respectievelijk gebied met een verwaarloosbaar BSE-risico;

b) de dieren geïdentificeerd zijn met een permanent identificatiesysteem waarmee het moederdier en het beslag van oorsprong opgespoord kunnen worden, en het niet om blootgestelde dieren gaat zoals omschreven in bijlage II, hoofdstuk C, deel I, punt 4, onder b), iv), en

c) als er in het betrokken land inheemse gevallen van BSE geweest zijn, de dieren geboren zijn na de datum met ingang waarvan het verbod op het vervoederen aan herkauwers van vleesbeendermeel en kanen, afkomstig van herkauwers, daadwerkelijk wordt toegepast of na de datum waarop het laatste inheemse geval van BSE is geboren indien dat later is.

AFDELING B

Invoer uit een land of gebied met een gecontroleerd BSE-risico

Voor de invoer van runderen uit landen of gebieden met een gecontroleerd BSE-risico is een diergezondheidscertificaat vereist waaruit blijkt dat:

a) het land of gebied overeenkomstig artikel 5, lid 2, is ingedeeld als land respectievelijk gebied met een gecontroleerd BSE-risico;

b) de dieren geïdentificeerd zijn met een permanent identificatiesysteem waarmee het moederdier en het beslag van oorsprong opgespoord kunnen worden, en het niet om blootgestelde dieren gaat zoals omschreven in bijlage II, hoofdstuk C, deel II, punt 4, onder b), iv);

c) de dieren geboren zijn na de datum met ingang waarvan het verbod op het vervoederen aan herkauwers van vleesbeendermeel en kanen, afkomstig van herkauwers, daadwerkelijk wordt toegepast of na de datum waarop het laatste inheemse geval van BSE is geboren indien dat later is.

AFDELING C

Invoer uit een land of gebied met een onbepaald BSE-risico

Voor de invoer van runderen uit landen of gebieden met een onbepaald BSE-risico is een diergezondheidscertificaat vereist waaruit blijkt dat:

a) het land of gebied niet overeenkomstig artikel 5, lid 2, is ingedeeld dan wel is ingedeeld als land respectievelijk gebied met een onbepaald BSE-risico;

b) de dieren geïdentificeerd zijn met een permanent identificatiesysteem waarmee het moederdier en het beslag van oorsprong opgespoord kunnen worden, en het niet om blootgestelde dieren gaat zoals omschreven in bijlage II, hoofdstuk C, deel II, punt 4, onder b), iv);

c) de dieren ten minste twee jaar na de datum met ingang waarvan het verbod op het vervoederen aan herkauwers van vleesbeendermeel en kanen, afkomstig van herkauwers, daadwerkelijk wordt toegepast, of na de datum waarop het laatste inheemse geval van BSE is geboren indien dat later is, geboren zijn.

HOOFDSTUK C

Invoer van producten van dierlijke oorsprong van runderen, schapen en geiten

▼M46

AFDELING A

Producten

Op de onderstaande producten van runderen, schapen en geiten, zoals gedefinieerd in de punten 1.10, 1.13, 1.15, 7.1, 7.5, 7.6, 7.7 en 7.9 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad ( 26 ), zijn naargelang de BSE-risicocategorie van het land van oorsprong de voorwaarden van de afdelingen B, C en D van dit hoofdstuk van toepassing:

 vers vlees,

 gehakt vlees,

 vleesbereidingen,

 vleesproducten,

 gesmolten dierlijk vet,

 kanen,

 andere dan van huiden en vellen afkomstige gelatine,

 bewerkte ingewanden.

▼M31

AFDELING B

Invoer uit een land of gebied met een verwaarloosbaar BSE-risico

Voor de invoer van producten van runderen, schapen en geiten als bedoeld in afdeling A uit landen of gebieden met een verwaarloosbaar BSE-risico is een diergezondheidscertificaat vereist waaruit blijkt dat:

a) het land of gebied overeenkomstig artikel 5, lid 2, is ingedeeld als land respectievelijk gebied met een verwaarloosbaar BSE-risico;

b) de dieren waarvan de producten van runderen, schapen en geiten zijn afgeleid, geboren, ononderbroken gehouden en geslacht zijn in het land met een verwaarloosbaar BSE-risico en bij een ante- en een postmortemkeuring geschikt bevonden zijn;

c) als er in het land of gebied inheemse gevallen van BSE geweest zijn:

i) de dieren geboren zijn na de datum met ingang waarvan het verbod op het vervoederen aan herkauwers van vleesbeendermeel en kanen, afkomstig van herkauwers, daadwerkelijk wordt toegepast, of

ii) de producten van runderen, schapen en geiten geen gespecificeerd risicomateriaal als omschreven in bijlage V of separatorvlees van beenderen van runderen, schapen en geiten bevatten en daar niet van afgeleid zijn.

AFDELING C

Invoer uit een land of gebied met een gecontroleerd BSE-risico

1. Voor de invoer van producten van runderen, schapen en geiten als bedoeld in afdeling A uit landen of gebieden met een gecontroleerd BSE-risico is een diergezondheidscertificaat vereist waaruit blijkt dat:

a) het land of gebied overeenkomstig artikel 5, lid 2, is ingedeeld als land respectievelijk gebied met een gecontroleerd BSE-risico;

b) de dieren waarvan de producten van runderen, schapen en geiten zijn afgeleid, bij een ante- en een postmortemkeuring geschikt bevonden zijn;

c) de dieren waarvan de voor uitvoer bedoelde producten van runderen, schapen of geiten zijn afgeleid, niet geslacht zijn met gebruikmaking van de methode waarbij de dieren worden bedwelmd of onmiddellijk gedood door middel van een gasinjectie in de schedelholte, of waarbij, na bedwelming van het dier, het weefsel van het centrale zenuwstelsel met een lang staafvormig, in de schedelholte ingebracht instrument wordt beschadigd;

d) de producten van runderen, schapen en geiten geen gespecificeerd risicomateriaal als omschreven in bijlage V of separatorvlees van beenderen van runderen, schapen en geiten bevatten en daar niet van afgeleid zijn.

2. In afwijking van punt 1, onder d), mogen karkassen, halve karkassen, halve karkassen die in ten hoogste drie delen zijn verdeeld en voor- en achtervoeten, die geen ander gespecificeerd risicomateriaal dan wervelkolom, inclusief achterwortelganglia, bevatten, worden ingevoerd.

3. Wanneer de wervelkolom niet hoeft te worden verwijderd, worden runderkarkassen met wervelkolom of delen van dergelijke karkassen gekenmerkt door middel van een blauwe streep op het in Verordening (EG) nr. 1760/2000 bedoelde etiket.

4. In geval van invoer wordt in het in artikel 2, lid 1, van Verordening (EG) nr. 136/2004 bedoelde document het aantal runderkarkassen of delen daarvan vermeld waaruit de wervelkolom moet worden verwijderd en het aantal runderkarkassen of delen daarvan waarbij dit niet hoeft te gebeuren.

▼M33

5. In geval van ingewanden van oorsprong uit landen of gebieden met een verwaarloosbaar BSE-risico wordt voor de invoer van bewerkte ingewanden een diergezondheidscertificaat vereist waaruit blijkt dat:

a) het land of gebied overeenkomstig artikel 5, lid 2, is ingedeeld als land respectievelijk gebied met een gecontroleerd BSE-risico;

b) de dieren waarvan de producten van runderen, schapen en geiten zijn afgeleid, geboren, ononderbroken gehouden en geslacht zijn in het land of gebied met een verwaarloosbaar BSE-risico en bij een ante- en een postmortemkeuring geschikt bevonden zijn;

c) als de ingewanden van oorsprong zijn uit een land of gebied waar inheemse gevallen van BSE geweest zijn:

i) de dieren geboren zijn na de datum met ingang waarvan het verbod op het vervoederen aan herkauwers van vleesbeendermeel en kanen, afkomstig van herkauwers, daadwerkelijk is toegepast, of

ii) de producten van runderen, schapen of geiten geen gespecificeerd risicomateriaal zoals omschreven in bijlage V bevatten en niet daarvan afgeleid zijn.

▼M31

AFDELING D

Invoer uit een land of gebied met een onbepaald BSE-risico

1. Voor de invoer van producten van runderen, schapen en geiten als bedoeld in afdeling A uit landen of gebieden met een onbepaald BSE-risico is een diergezondheidscertificaat vereist waaruit blijkt dat:

a) aan de dieren waarvan de producten van runderen, schapen en geiten zijn afgeleid, geen vleesbeendermeel en kanen, afkomstig van herkauwers, zijn vervoederd en zij bij een ante- en een postmortemkeuring geschikt bevonden zijn;

b) de dieren waarvan de producten van runderen, schapen of geiten zijn afgeleid, niet geslacht zijn met gebruikmaking van de methode waarbij de dieren worden bedwelmd of onmiddellijk gedood door middel van een gasinjectie in de schedelholte, of waarbij, na bedwelming van het dier, het weefsel van het centrale zenuwstelsel met een lang staafvormig, in de schedelholte ingebracht instrument wordt beschadigd;

c) de producten van runderen, schapen en geiten niet afgeleid zijn van:

i) gespecificeerd risicomateriaal zoals omschreven in bijlage V;

ii) zenuw- en lymfeweefsel dat bij het ontbenen is vrijgelegd;

iii) separatorvlees van beenderen van runderen, schapen en geiten.

2. In afwijking van punt 1, onder c), mogen karkassen, halve karkassen, halve karkassen die in ten hoogste drie delen zijn verdeeld en voor- en achtervoeten, die geen ander gespecificeerd risicomateriaal dan wervelkolom, inclusief achterwortelganglia, bevatten, worden ingevoerd.

3. Wanneer de wervelkolom niet hoeft te worden verwijderd, worden runderkarkassen met wervelkolom en delen van dergelijke karkassen gekenmerkt door middel van een duidelijk zichtbare blauwe streep op het in Verordening (EG) nr. 1760/2000 bedoelde etiket.

4. In geval van invoer wordt in het in artikel 2, lid 1, van Verordening (EG) nr. 136/2004 bedoelde document het aantal runderkarkassen of delen daarvan vermeld waaruit de wervelkolom moet worden verwijderd en het aantal runderkarkassen of delen daarvan waarbij dit niet hoeft te gebeuren.

▼M33

5. In geval van ingewanden van oorsprong uit landen of gebieden met een verwaarloosbaar BSE-risico wordt voor de invoer van bewerkte ingewanden een diergezondheidscertificaat vereist waaruit blijkt dat:

a) het land of gebied overeenkomstig artikel 5, lid 2, is ingedeeld als land respectievelijk gebied met een onbepaald BSE-risico;

b) de dieren waarvan de producten van runderen, schapen en geiten zijn afgeleid, geboren, ononderbroken gehouden en geslacht zijn in het land of gebied met een verwaarloosbaar BSE-risico en bij een ante- en een postmortemkeuring geschikt bevonden zijn;

c) als de ingewanden van oorsprong zijn uit een land of gebied waar inheemse gevallen van BSE geweest zijn:

i) de dieren geboren zijn na de datum met ingang waarvan het verbod op het vervoederen aan herkauwers van vleesbeendermeel en kanen, afkomstig van herkauwers, daadwerkelijk is toegepast, of

ii) de producten van runderen, schapen of geiten geen gespecificeerd risicomateriaal zoals omschreven in bijlage V bevatten en niet daarvan afgeleid zijn.

▼M46

HOOFDSTUK D

Invoer van dierlijke bijproducten en daarvan afgeleide verwerkte producten van runderen, schapen en geiten

AFDELING A

Dierlijke bijproducten

Dit hoofdstuk is van toepassing op de onderstaande dierlijke bijproducten en afgeleide producten, zoals gedefinieerd in artikel 3, punten 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad ( 27 ), op voorwaarde dat die producten van runderen, schapen of geiten zijn:

a) van categorie 2-materiaal afgeleide gesmolten vetten die bedoeld zijn voor gebruik als organische meststoffen of bodemverbeteraars, zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 22, van Verordening (EG) nr. 1069/2009, of de grondstoffen of tussenproducten daarvan;

b) van categorie 2-materiaal afgeleide beenderen en producten uit beenderen;

c) van categorie 3-materiaal afgeleide gesmolten vetten die bedoeld zijn voor gebruik als organische meststoffen of bodemverbeteraars of als diervoeder, zoals gedefinieerd in artikel 3, punten 22 en 25, van Verordening (EG) nr. 1069/2009, of de grondstoffen of tussenproducten daarvan;

d) voeder voor gezelschapsdieren, met inbegrip van hondenkluiven;

e) bloedproducten;

f) verwerkte dierlijke eiwitten;

g) van categorie 3-materiaal afgeleide beenderen en producten uit beenderen;

h) van andere materialen dan huiden en vellen afgeleide gelatine;

i) categorie 3-materiaal en afgeleide producten, niet genoemd onder c) tot en met h), met uitzondering van:

i) verse huiden en vellen, behandelde huiden en vellen;

ii) van huiden en vellen afgeleide gelatine;

iii) vetderivaten;

iv) collageen.

AFDELING B

Gezondheidscertificering

Voor de invoer van de in afdeling A genoemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten van runderen, schapen en geiten is een diergezondheidscertificaat vereist waarin wordt verklaard dat:

a) het dierlijke bijproduct of afgeleide product geen gespecificeerd risicomateriaal of separatorvlees van beenderen van runderen, schapen en geiten bevat en daarvan niet is afgeleid, en dat de dieren waarvan dat bijproduct of product is afgeleid, niet zijn geslacht of gedood na bedwelming door een gasinjectie in de schedelholte en ook niet zijn geslacht nadat weefsel van het centrale zenuwstelsel met een in de schedelholte ingebracht lang staafvormig instrument is beschadigd, of

b) het dierlijke bijproduct of afgeleide product geen materiaal van runderen, schapen en geiten bevat en daarvan niet is afgeleid, met uitzondering van materiaal dat afkomstig is van dieren die geboren, ononderbroken gehouden en geslacht zijn in een land of gebied dat bij een besluit overeenkomstig artikel 5, lid 2, is ingedeeld als land of gebied met een verwaarloosbaar BSE-risico.

Behalve de punten a) en b) is voor de invoer van de in afdeling A genoemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten die melk of melkproducten van schapen of geiten bevatten en bedoeld zijn voor vervoedering aan herkauwers, een diergezondheidscertificaat vereist waarin wordt verklaard dat:

c) de schapen en geiten waarvan die producten zijn afgeleid, sinds de geboorte of ten minste de laatste drie jaar onafgebroken zijn gehouden op een bedrijf dat niet aan een officiële verplaatsingsbeperking is onderworpen in verband met een vermoeden van een TSE en dat sinds ten minste drie jaar voldoet aan de volgende eisen:

i) het is onderworpen aan regelmatige officiële diergeneeskundige controles;

ii) er zijn geen gevallen van klassieke scrapie gediagnosticeerd of, als er wel een geval van klassieke scrapie is bevestigd:

 zijn alle dieren waarbij klassieke scrapie bevestigd is, gedood en vernietigd, en

 zijn alle schapen en geiten op het bedrijf gedood en vernietigd, met uitzondering van fokrammen met genotype ARR/ARR en fokooien met ten minste één ARR-allel en geen VRQ-allel;

iii) afgezien van schapen met prioneiwitgenotype ARR/ARR worden op het bedrijf alleen schapen en geiten binnengebracht die komen van een bedrijf dat voldoet aan de eisen onder i) en ii);

of

d) als het gaat om dierlijke bijproducten of afgeleide producten die bestemd zijn voor een lidstaat die is opgenomen in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 546/2006 van de Commissie ( 28 ), de schapen en geiten waarvan die producten zijn afgeleid, sinds de geboorte of ten minste de laatste drie jaar onafgebroken zijn gehouden op een bedrijf dat niet aan een officiële verplaatsingsbeperking is onderworpen in verband met een vermoeden van een TSE en dat sinds ten minste drie jaar voldoet aan de volgende eisen:

i) het is onderworpen aan regelmatige officiële diergeneeskundige controles;

ii) er zijn geen gevallen van klassieke scrapie gediagnosticeerd of, als er wel een geval van klassieke scrapie is bevestigd:

 ezijn alle dieren waarbij klassieke scrapie bevestigd is, gedood en vernietigd, en

 zijn alle schapen en geiten op het bedrijf gedood en vernietigd, met uitzondering van fokrammen met genotype ARR/ARR en fokooien met ten minste één ARR-allel en geen VRQ-allel;

iii) afgezien van schapen met prioneiwitgenotype ARR/ARR worden op het bedrijf alleen schapen en geiten binnengebracht die komen van een bedrijf dat voldoet aan de eisen onder i) en ii).

▼M12

HOOFDSTUK E

Invoer van schapen en geiten

De invoer van schapen en geiten moet vanaf 1 oktober 2003 vergezeld gaan van een internationaal diergezondheidscertificaat waaruit blijkt dat:

a) de dieren geboren en ononderbroken gehouden zijn op bedrijven waarin nog nooit een geval van scrapie gediagnosticeerd is, en indien het fokschapen en -geiten zijn, voldoen aan de voorschriften van bijlage VIII, hoofdstuk A, deel I, onder a), i);

b) het schapen zijn met prioneiwitgenotype ARR/ARR, zoals gedefinieerd in bijlage I bij Beschikking 2002/1003/EG van de Commissie, afkomstig van een bedrijf waar sinds zes maanden geen geval van scrapie is gemeld.

Indien zij bestemd zijn voor een lidstaat waarop voor het gehele grondgebied of een gedeelte daarvan de bepalingen van bijlage VIII, hoofdstuk A, deel I, onder b) of c) van toepassing zijn, moeten zij de algemene of specifieke aanvullende garanties bieden die volgens de procedure van artikel 24, lid 2, zijn vastgesteld.

▼M31

HOOFDSTUK F

Invoer van producten van dierlijke oorsprong van gekweekte en wilde hertachtigen

1. Wanneer vers vlees, gehakt vlees, vleesbereidingen en vleesproducten zoals omschreven in Verordening (EG) nr. 853/2004, afkomstig van gekweekte hertachtigen, uit Canada of de Verenigde Staten in de Gemeenschap worden ingevoerd, gaan de gezondheidscertificaten vergezeld van de onderstaande, door de bevoegde autoriteit van het land van productie ondertekende verklaring:

„Dit product bevat uitsluitend of is uitsluitend afkomstig van vlees, met uitzondering van slachtafval en ruggenmerg, van gekweekte hertachtigen die bij histopathologisch of immunohistochemisch onderzoek of met behulp van een andere door de bevoegde autoriteit erkende diagnostische methode negatief zijn bevonden op Chronic Wasting Disease en is niet afkomstig van dieren van een beslag waarin gevallen van Chronic Wasting Disease zijn vastgesteld of die ziekte officieel vermoed wordt.”

2. Wanneer vers vlees, gehakt vlees, vleesbereidingen en vleesproducten zoals omschreven in Verordening (EG) nr. 853/2004, afkomstig van wilde hertachtigen, uit Canada of de Verenigde Staten in de Gemeenschap worden ingevoerd, gaan de gezondheidscertificaten vergezeld van de onderstaande, door de bevoegde autoriteit van het land van productie ondertekende verklaring:

„Dit product bevat uitsluitend of is uitsluitend afkomstig van vlees, met uitzondering van slachtafval en ruggenmerg, van wilde hertachtigen die bij histopathologisch of immunohistochemisch onderzoek of met behulp van een andere door de bevoegde autoriteit erkende diagnostische methode negatief zijn bevonden op Chronic Wasting Disease en is niet afkomstig van dieren uit een gebied waar in de afgelopen drie jaar gevallen van Chronic Wasting Disease zijn vastgesteld of die ziekte officieel vermoed wordt.”

▼M31 —————

▼M16

HOOFDSTUK H

Invoer van sperma en embryo's van schapen en geiten

Sperma en embryo's van schapen en geiten die vanaf 1 januari 2005 in de Gemeenschap worden ingevoerd, voldoen aan de eisen van bijlage VIII, hoofdstuk A, deel I, onder d).

▼B




BIJLAGE X

REFERENTIELABORATORIA, BEMONSTERING EN LABORATORIUMTECHNIEKEN

HOOFDSTUK A

Nationale referentielaboratoria

1. Het aangewezen nationale referentielaboratorium:

a) moet beschikken over voorzieningen en het nodige gekwalificeerde personeel om te allen tijde, en vooral wanneer de betrokken ziekte voor het eerst uitbreekt, het type en de stam van het agens van de TSE te bepalen en de resultaten te bevestigen die door regionale diagnostische laboratoria zijn verkregen. Wanneer het zelf niet bij machte is het stamtype van het agens te identificeren, dient het een procedure op te zetten om ervoor zorg te dragen dat de identificatie van de stam plaatsvindt in het intracommunautaire referentielaboratorium;

b) moet de in de regionale diagnostische laboratoria gebruikte diagnosemethoden verifiëren;

c) is verantwoordelijk voor de coördinatie van de diagnosenormen en -methoden die in de lidstaat worden gebruikt. Daartoe

 kan het diagnostische reagentia aan het door de lidstaat erkende laboratorium verstrekken,

 dient het de kwaliteit van alle in de lidsaat gebruikte diagnostische reagentia te controleren,

 dient het periodiek vergelijkende tests te organiseren,

 dient het isolaten, of daarmee overeenkomende weefsels, van de agentia van de betrokken ziekte, dan wel isolaten of daarmee overeenkomende weefsels die die agentia bevatten, te bewaren voor alle gevallen die in de lidstaat zijn bevestigd,

 wordt het belast met de bevestiging van de resultaten die in de door de lidstaat aangewezen diagnostische laboratoria zijn verkregen;

d) dient het samen te werken met het communautaire referentielaboratorium.

2. In afwijking van punt 1 maken lidstaten die geen nationaal referentielaboratorium hebben, gebruik van de diensten van het communuataire referentielaboratorium of van de nationale referentielaboratoria van andere lidstaten.

▼M23

3. De nationale referentielaboratoria zijn:



Oostenrijk:

Österreichische Agentur für Gesundheit und Ernährungssicherheit GmbH, Institut für veterinärmedizinische Untersuchungen MödlingRobert Koch Gasse 17A-2340 Mödling

België:

CERVA -CODA-VARCentre d'Étude et de Recherches Vétérinaires et AgrochimiquesCentrum voor Onderzoek in Diergeneeskunde en AgrochemieVeterinary and Agrochemical Research CentreGroeselenberg 99B-1180 Bruxelles

▼M29

Bulgarije:

Национален диагностичен научноизследователски ветеринарномедицински институт „Проф. Д-р Георги Павлов”Национална референтна лаборатория „Tрансмисивни спонгиформни енцефалопатии”бул. „Пенчо Славейков” 15София 1606(National Diagnostic Veterinary Research Institute „Prof. Dr. Georgi Pavlov” National Reference Laboratory for Transmissible Spongiform Encephalopathies15, Pencho Slaveykov Blvd.1606 Sofia)

▼M23

Cyprus:

State Veterinary LaboratoriesVeterinary ServicesCY-1417 AthalassaNicosia

Tsjechië:

Státní veterinární ústav JihlavaRantířovská 93586 05 Jihlava

Denemarken:

Danmarks FødevareforskningBülowsvej 27DK-1790 København V

Estland:

Veterinaar- ja ToidulaboratooriumKreutzwaldi 30Tartu 51006

Finland:

Eläinlääkintä- ja elintarvikelaitosHämeentie 57FIN-00550 Helsinki

Frankrijk:

Agence française de sécurité sanitaire des alimentsLaboratoire de pathologie bovine31, avenue Tony Garnier69 364 LYON CEDEX 07

Duitsland:

Friedrich-Loeffler-Institut, Bundesforschungsinstitut für TiergesundheitAnstaltsteil Insel Riems Boddenblick 5AD-17498 Insel Riems

Griekenland:

Ministry of Agriculture — Veterinary Laboratory of Larisa7th km of Larisa — Trikala HighwayGR-411 10 Larisa

Hongarije:

Országos Állategészségügyi Intézet (OÁI)Pf. 2.Tábornok u. 2.H-1581 Budapest

Ierland:

Central Veterinary Research LaboratoryYoung's CrossCelbridgeCo. Kildare

Italië:

Istituto Zooprofilattico Sperimentale del Piemonte, Liguria e Valle d’Aosta — CEAVia Bologna, 148I-10154 Torino

Letland:

State Veterinary Medicine Diagnostic CentreLejupes Str. 3Riga LV 1076

Litouwen:

Nacionalinė veterinarijos laboratorijaJ. Kairiūkščio g. 10LT-08409 Vilnius

Luxemburg:

CERVA -CODA-VARCentre d'Étude et de Recherches Vétérinaires et AgrochimiquesCentrum voor Onderzoek in Diergeneeskunde en AgrochemieVeterinary and Agrochemical Research CentreGroeselenberg 99B-1180 Bruxelles

Malta:

National Veterinary Laboratory

Albert Town Marsa

Nederland:

Centraal Instituut voor Dierziektecontrole-LelystadHoutribweg 3g8221 RA LelystadPostbus 20048203 AA Lelystad

Polen:

Państwowy Instytut Weterynaryjny (PIWet)24-100 Puławyal. Partyzantów 57

Portugal:

Laboratório Nacional de Investigação Veterinária Estrada de Benfica701 P-1500 Lisboa

▼M29

Roemenië:

Institutul de Diagnostic și Sănătate AnimalăStrada Dr. Staicovici nr. 63, sector 5codul 050557, București

▼M23

Slowakije:

State Veterinary Institute ZvolenPod dráhami 918SK-960 86, Zvolen

Slovenië:

National Veterinary InstituteGerbičeva 601000 Ljubljana

Spanje:

Laboratorio Central de Veterinaria (Algete)Ctra. de Algete km. 828110 Algete (Madrid)

Zweden:

National Veterinary InstituteS-751 89 Uppsala

Verenigd Koninkrijk:

Veterinary Laboratories AgencyWoodham LaneNew Haw Addlestone Surrey KT15 3NB

▼B

HOOFDSTUK B

Communautair referentielaboratorium

1. Het communautaire referentielaboratorium voorTSE's is:

The Veterinary Laboratories Agency

Woodham Lane

New Haw

Addlestone

Surrey KT15 3NB

Verernigd Koninkrijk

2. De bevoegdheden en taken van het communautaire referentielaboratorium zijn:

a) het coördineren, in overleg met de Commissie, van de methoden die in de lidstaten worden gebruikt bij de diagnose van TSE's, met name door:

 het opslaan en leveren van overeenkomstig weefsel dat het agens bevat, voor de ontwikkeling of de productie van de relevante diagnostische tests, of het typeren van de stammen van het agens,

 het leveren van standaardsera en andere referentiereagentia aan de nationale referentielaboratoria met het oog op de normalisatie van de in de lidstaten gebruikte tests en reagentia,

 het aanleggen en bewaren van een collectie overeenkomstige weefsels die agentia en stammen van TSE's bevatten,

 het periodiek organiseren van vergelijkende tests van diagnostische procedures op communutair niveau,

 het verzamelen en verwerken van gegevens en informatie over de in de Gemeenschap gebruikte diagnosemethoden en van de uitkomsten van de in de Gemeenschap uitgevoerde tests,

 het typeren van isolaten van het TSE-agens aan de hand van de recentste methoden, met het oog op een beter inzicht in de epidemiologie van de ziekte,

 het op de hoogte blijven van de ontwikkelingen inzake bewaking, epidemiologie en preventie van TSE op wereldvlak,

 het bijhouden van expertise inzake prionziekten met het oog op een snelle differentiële diagnose,

 het verwerven van een grondige kennis inzake de opstelling en het gebruik van diagnostische methoden voor de bestrijding en uitroeiing van TSE's;

b) het actief meewerken aan de diagnose van uitbraken van TSE's in de lidstaten, door monstes van met TSE besmette dieren te onderzoeken met het oog op bevestiging van de diagnose, typering en epidemiologisch onderzoek;

c) het bevorderen van de scholing of bijscholing van deskundigen inzake laboratoriumdiagnose met het oog op harmonisatie van de diagnosetechnieken in de gehele Gemeenschap.

▼M18

HOOFDSTUK C

Bemonstering en laboratoriumonderzoek

▼M32

1.   Bemonstering

De op de aanwezigheid van een TSE te onderzoeken monsters worden genomen volgens de methoden en protocollen van de meest recente uitgave van het „Manual for diagnostic tests and vaccines for Terrestrial Animals” („het handboek”) van het Internationaal Bureau voor besmettelijke veeziekten (OIE). Daarnaast — of indien het OIE geen methoden en protocollen voorschrijft — waarborgt de bevoegde autoriteit dat bemonsteringsmethoden en protocollen worden toegepast die in overeenstemming zijn met de richtsnoeren van het communautaire referentielaboratorium, zodat ervoor wordt gezorgd dat voldoende materiaal beschikbaar is. De bevoegde autoriteit verzamelt met name de juiste weefsels — overeenkomstig het beschikbare wetenschappelijke advies en de richtsnoeren van het communautaire referentielaboratorium — om ervoor te zorgen dat alle bekende TSE-stammen bij kleine herkauwers worden opgespoord. Verder bewaart de bevoegde autoriteit ten minste de helft van de verzamelde weefsels in verse, niet-bevroren toestand totdat de snelle test een negatief resultaat oplevert. Als het resultaat positief of onduidelijk is, moeten de overblijvende weefsels worden verwerkt overeenkomstig de richtsnoeren van het communautaire referentielaboratorium.

De monsters worden op de juiste wijze gemerkt wat de identiteit van het bemonsterde dier betreft.

▼M18

2.   Laboratoria

Het laboratoriumonderzoek naar TSE’s wordt uitgevoerd in daarvoor door de bevoegde autoriteit erkende laboratoria.

3.   Methoden en protocollen

3.1.   Laboratoriumonderzoek naar BSE bij runderen

▼M42

a)   Verdachte gevallen

Monsters van runderen die overeenkomstig artikel 12, lid 2, voor onderzoek naar een laboratorium worden gestuurd, ondergaan onmiddellijk bevestigende onderzoeken overeenkomstig ten minste een van de volgende in de meest recente uitgave van het handboek opgenomen methoden en protocollen:

i) de immunohistochemische (IHC) methode;

ii) SAF-immunoblot of een door de OIE goedgekeurd alternatief;

iii) opsporing van karakteristieke fibrillen door elektronenmicroscopie;

iv) histopathologisch onderzoek;

v) de in de derde alinea bedoelde combinatie van snelle tests.

Wanneer het resultaat van het histopathologisch onderzoek onduidelijk of negatief is, wordt het weefsel verder onderzocht overeenkomstig een van de andere bevestigende methoden en protocollen.

Snelle tests mogen worden gebruikt voor zowel primaire screening van verdachte gevallen als, indien het resultaat onduidelijk of positief is, voor de daaropvolgende bevestigingen, overeenkomstig de richtsnoeren van het communautaire referentielaboratorium en mits:

i) het bevestigend onderzoek wordt uitgevoerd in een nationaal referentielaboratorium voor TSE's; en

ii) een van de beide snelle tests een Western blot is; en

iii) de tweede toegepaste test:

 een negatieve weefselcontrole en een monster van een rund met BSE als positieve weefselcontrole omvat,

 een ander soort test is dan de voor de primaire screening gebruikte test; en

iv) indien een snelle Western blot als eerste test is gebruikt, de uitslag van die test wordt gedocumenteerd en overgelegd aan het nationale referentielaboratorium voor TSE's; en

v) indien het resultaat van de primaire screening niet wordt bevestigd door de daaropvolgende snelle test, het monster verder wordt onderzocht overeenkomstig een van de andere bevestigende methoden; wanneer het histopathologisch onderzoek daartoe wordt gebruikt, maar onduidelijk of negatief blijkt te zijn, wordt het weefsel verder onderzocht overeenkomstig een van de andere bevestigende methoden en protocollen.

Wanneer het resultaat van een van de in de punten i) tot en met v) van de eerste alinea bedoelde bevestigende onderzoeken positief is, worden de dieren als positieve BSE-gevallen beschouwd.

b)   Toezicht op BSE

Monsters van runderen die overeenkomstig bijlage III, hoofdstuk A, deel I, voor onderzoek naar een laboratorium worden gestuurd, worden met een snelle test onderzocht.

Wanneer het resultaat van de snelle test onduidelijk of positief is, wordt het monster onmiddellijk aan een bevestigend onderzoek in een officieel laboratorium onderworpen overeenkomstig ten minste een van de volgende in de meest recente uitgave van het handboek opgenomen methoden en protocollen:

i) de immunohistochemische (IHC) methode;

ii) SAF-immunoblot of een door de OIE goedgekeurd alternatief;

iii) opsporing van karakteristieke fibrillen door elektronenmicroscopie;

iv) histopathologisch onderzoek;

v) de in de derde alinea bedoelde combinatie van snelle tests.

Wanneer het resultaat van het histopathologisch onderzoek onduidelijk of negatief is, wordt het weefsel verder onderzocht overeenkomstig een van de andere bevestigende methoden en protocollen.

Snelle tests mogen worden gebruikt voor zowel primaire screening als, indien het resultaat onduidelijk of positief is, voor de daaropvolgende bevestigingen, overeenkomstig de richtsnoeren van het communautaire referentielaboratorium en mits:

i) het bevestigend onderzoek wordt uitgevoerd in een nationaal referentielaboratorium voor TSE's; en

ii) een van de beide snelle tests een Western blot is; en

iii) de tweede toegepaste test:

 een negatieve weefselcontrole en een monster van een rund met BSE als positieve weefselcontrole omvat,

 een ander soort test is dan de voor de primaire screening gebruikte test; en

iv) indien een snelle Western blot als eerste test is gebruikt, de uitslag van die test wordt gedocumenteerd en overgelegd aan het nationale referentielaboratorium voor TSE's; en

v) indien het resultaat van de primaire screening niet wordt bevestigd door de daaropvolgende snelle test, het monster verder wordt onderzocht overeenkomstig een van de andere bevestigende methoden; wanneer het histopathologisch onderzoek daartoe wordt gebruikt, maar onduidelijk of negatief blijkt te zijn, wordt het weefsel verder onderzocht overeenkomstig een van de andere bevestigende methoden en protocollen.

Een dier wordt als positief BSE-geval beschouwd indien de uitslag van de snelle test onduidelijk of positief is, en ten minste een van de in de punten i) tot en met v) van de eerste alinea bedoelde bevestigende onderzoeken positief is.

▼M18

3.2.   Laboratoriumonderzoek naar TSE bij schapen en geiten

▼M42

a)   Verdachte gevallen

Monsters van schapen en geiten die overeenkomstig artikel 12, lid 2, voor onderzoek naar een laboratorium worden gestuurd, ondergaan onmiddellijk bevestigende onderzoeken overeenkomstig ten minste een van de volgende in de meest recente uitgave van het handboek opgenomen methoden en protocollen:

i) de immunohistochemische (IHC) methode;

ii) SAF-immunoblot of een door de OIE goedgekeurd alternatief;

iii) opsporing van karakteristieke fibrillen door elektronenmicroscopie;

iv) histopathologisch onderzoek.

Wanneer het resultaat van het histopathologisch onderzoek onduidelijk of negatief is, wordt het weefsel verder onderzocht overeenkomstig een van de andere bevestigende methoden en protocollen.

Snelle tests mogen worden gebruikt voor primaire screening van verdachte gevallen. Zulke tests mogen niet worden gebruikt voor de daarop volgende bevestiging.

Wanneer de uitslag van de voor de primaire screening van verdachte gevallen gebruikte snelle test positief of onduidelijk is, ondergaat het monster een van de in de punten i) tot en met iv) van de eerste alinea bedoelde bevestigende onderzoeken. Wanneer het histopathologisch onderzoek daartoe wordt gebruikt, maar onduidelijk of negatief blijkt te zijn, wordt het weefsel verder onderzocht overeenkomstig een van de andere bevestigende methoden en protocollen.

Wanneer het resultaat van een van de in de punten i) tot en met iv) van de eerste alinea bedoelde bevestigende onderzoeken positief is, worden de dieren als positieve TSE-gevallen beschouwd en wordt er een onder c) bedoeld verder onderzoek uitgevoerd.

▼M32

b)   Toezicht op TSE’s

Monsters van schapen en geiten die overeenkomstig bijlage III, hoofdstuk A, deel II (Toezicht op schapen en geiten), voor onderzoek naar een laboratorium worden gestuurd, worden met een snelle test onderzocht. Daarbij wordt van geschikte methoden en protocollen gebruikgemaakt — overeenkomstig het beschikbare wetenschappelijke advies en de richtsnoeren van het communautaire referentielaboratorium — om ervoor te zorgen dat alle bekende TSE-stammen worden opgespoord.

Wanneer het resultaat van de snelle test onduidelijk of positief is, worden de bemonsterde weefsels onmiddellijk naar een officieel laboratorium gestuurd voor bevestigend onderzoek door middel van immunocytochemie, immunoblotting of opsporing van kenmerkende fibrillen met behulp van elektronenmicroscopie, als bedoeld onder a). Indien het resultaat van het bevestigende onderzoek negatief of onduidelijk is, wordt aanvullend bevestigend onderzoek verricht overeenkomstig de richtsnoeren van het communautaire referentielaboratorium.

Indien het resultaat van een van de bevestigende onderzoeken positief is, wordt het dier als een positief TSE-geval beschouwd.

▼M42

c)   Verder onderzoek van positieve TSE-gevallen

i) Primaire moleculaire test met onderscheidende immunoblotting

Monsters van klinisch verdachte gevallen en van dieren die overeenkomstig bijlage III, hoofdstuk A, deel II, punten 2 en 3, zijn getest en die als positieve TSE-gevallen worden beschouwd, maar die op grond van de onder a) of b) bedoelde onderzoeken geen atypische gevallen van scrapie zijn of kenmerken vertonen die volgens het onderzoekslaboratorium aanleiding geven tot nader onderzoek, worden voor nader onderzoek aan de hand van een moleculaire typeringsmethode doorgestuurd naar:

 Agence Française de sécurité sanitaire des aliments, Laboratoire de pathologie bovine, 31, avenue Tony Garnier, BP 7033, F-69342, Lyon Cedex, Frankrijk, of

 Veterinary Laboratories Agency, Woodham Lane, New Haw, Addlestone, Surrey KT15 3NB, Verenigd Koninkrijk, of

 een door de bevoegde autoriteit aangewezen laboratorium dat met goed gevolg aan een door het communautaire referentielaboratorium georganiseerde bekwaamheidstest voor het gebruik van een moleculaire typeringsmethode heeft deelgenomen.

▼M18

ii) Ringonderzoek met aanvullende moleculaire testmethoden

Monsters van gevallen van ►M42  TSE ◄ waarbij BSE overeenkomstig de richtsnoeren van het communautaire referentielaboratorium met de onder i) bedoelde primaire moleculaire tests niet kan worden uitgesloten, worden na overleg met het communautaire referentielaboratorium onmiddellijk doorgestuurd naar de onder d) vermelde laboratoria, met bijvoeging van alle beschikbare relevante informatie. Zij worden onderworpen aan een ringonderzoek met ten minste:

 een tweede onderscheidende immunoblotting,

 een onderscheidende immunocytochemie en

 een onderscheidende ELISA (enzyme linked immonosorbent assay),

uitgevoerd in de voor de desbetreffende methode erkende laboratoria, zoals vermeld onder d). Wanneer de monsters ongeschikt zijn voor immunocytochemie, schrijft het communautaire referentielaboratorium passende alternatieve tests in het kader van het ringonderzoek voor.

De resultaten worden geïnterpreteerd door het communautaire referentielaboratorium, dat daarin wordt bijgestaan door een groep van deskundigen die ook een vertegenwoordiger van het nationale referentielaboratorium in kwestie omvat. De Commissie wordt onverwijld op de hoogte gesteld van de uitkomst van de interpretatie. Monsters waarvoor drie verschillende methoden op BSE wijzen en monsters waarvoor het ringonderzoek een onduidelijk resultaat oplevert, worden voor een laatste bevestiging nader geanalyseerd door middel van een bioassay in muizen.

▼M32

Nader onderzoek van TSE-positieve monsters die in besmette koppels op hetzelfde bedrijf zijn ontdekt, vindt plaats op ten minste de eerste twee TSE-positieve gevallen die jaarlijks na het indexgeval worden ontdekt.

▼M18

d)   Laboratoria die erkend zijn voor de uitvoering van nader onderzoek aan de hand van moleculaire typeringsmethoden

De volgende laboratoria zijn erkend voor nadere moleculaire typering:

Agence Française de Sécurité Sanitaire des Aliments

Laboratoire de pathologie bovine

31, avenue Tony Garnier

BP 7033

F-69342 Lyon Cedex

Centre CEA Fontenay-aux-Roses, BP 6

F-92265 Fontenay-aux-Roses Cedex

Service de Pharmacologie et d’Immunologie

Centre CEA Saclay, bâtiment 136

F-91191 Gif-sur-Yvette Cedex

Veterinary Laboratories Agency

Woodham Lane

New Haw

Addlestone

Surrey KT15 3NB

United Kingdom

3.3.   Laboratoriumonderzoek naar TSE’s bij andere diersoorten dan bedoeld in de punten 3.1 en 3.2

Wanneer methoden en protocollen worden vastgesteld voor tests ter bevestiging van vermoedelijke TSE-gevallen bij een andere diersoort dan runderen, schapen en geiten, omvatten deze ten minste een histopathologisch onderzoek van hersenweefsel. De bevoegde autoriteit kan ook laboratoriumtests als immunocytochemie, immunoblotting, opsporing van karakteristieke fibrillen met behulp van elektronenmicroscopie of andere methoden voorschrijven om de met de ziekte geassocieerde vorm van het prioneiwit op te sporen. Wanneer het eerste histopathologisch onderzoek negatief of onduidelijk is, wordt ten minste één ander laboratoriumonderzoek verricht. Bij een eerste uitbraak van de ziekte worden ten minste drie verschillende tests uitgevoerd.

In het bijzonder wordt op de monsters zo mogelijk een stamtypering uitgevoerd wanneer BSE vermoed wordt bij een andere diersoort dan runderen.

▼M45

4.    Snelle tests

Voor de uitvoering van de in artikel 5, lid 3, en artikel 6, lid 1, bedoelde snelle tests worden uitsluitend de volgende methoden gebruikt als snelle tests voor het toezicht op BSE bij runderen:

 de immunoblottest op basis van een western-blottingtechniek voor het opsporen van het proteïnase K-resistente fragment PrPRes (Prionics-Check Western-test);

 de chemiluminescentie-ELISA-test met een extractiemethode en een ELISA-techniek waarbij een versterkt chemiluminescent reagens wordt gebruikt (Enfer-test en Enfer TSE Kit versie 2.0, geautomatiseerde monstervoorbereiding);

 de microplaat-immunoassay voor het opsporen van PrPSc (Enfer TSE versie 3);

 de sandwich-immunoassay voor het opsporen van PrPRes (short assay protocol) na denaturatie- en concentratiestappen (Bio-Rad TeSeE SAP snelle test);

 de microplaat-immunoassay (ELISA) voor het opsporen van proteïnase K-resistent PrPRes met monoklonale antilichamen (Prionics-Check LIA-test);

 de immunoassay met een chemisch polymeer voor selectieve PrPSc-capture en een monoklonaal detectieantilichaam tegen geconserveerde gebieden van het PrP-molecuul (IDEXX HerdChek BSE-Scrapie Antigen Test Kit, EIA en IDEXX HerdChek BSE-Scrapie Antigen Test Kit, EIA);

 de laterale-flow-immunoassay met twee verschillende monoklonale antilichamen om proteïnase K-resistente PrP-fracties op te sporen (Prionics Check PrioSTRIP);

 de sandwich-immunoassay met twee verschillende monoklonale antilichamen tegen twee epitopen op grotendeels ontvouwd runder-PrPSc (Roboscreen Beta Prion BSE EIA Test Kit);

 de sandwich-ELISA voor het opsporen van proteïnase K-resistent PrPSc (Roche Applied Science PrionScreen).

Voor de uitvoering van de in artikel 5, lid 3, en artikel 6, lid 1, bedoelde snelle tests worden uitsluitend de volgende methoden gebruikt als snelle tests voor het toezicht op TSE’s bij schapen en geiten:

 de sandwich-immunoassay voor het opsporen van PrPRes (short assay protocol) na denaturatie- en concentratiestappen (Bio-Rad TeSeE SAP snelle test);

 de sandwich-immunoassay voor het opsporen van PrPRes met de TeSeE SAP Sheep/Goat Detection kit na denaturatie- en concentratiestappen met de TeSeE Sheep/Goat Purification kit (Bio-Rad TeSeE-Sheep/Goat snelle test);

 de immunoassay met een chemisch polymeer voor selectieve PrPSc-capture en een monoklonaal detectieantilichaam tegen geconserveerde gebieden van het PrP-molecuul (IDEXX HerdChek BSE-Scrapie Antigen Test Kit, EIA).

Voor alle snelle tests geldt dat het weefselmonster waarop de test wordt uitgevoerd, moet voldoen aan de gebruiksaanwijzing van de fabrikant.

Producenten van snelle tests moeten een door het referentielaboratorium van de Europese Unie erkend kwaliteitsborgingssysteem toepassen om te waarborgen dat de prestaties van de test niet veranderen. De producenten moeten de testprotocollen aan het referentielaboratorium van de Europese Unie verstrekken.

Wijzigingen in de snelle tests en de testprotocollen mogen alleen worden aangebracht indien het referentielaboratorium van de Europese Unie van tevoren van de wijziging in kennis is gesteld en constateert dat die wijziging niet van invloed is op de gevoeligheid, specificiteit of betrouwbaarheid van de snelle test. Die constatering wordt aan de Commissie en de nationale referentielaboratoria medegedeeld.

▼M18

5.   Alternatieve tests

(Nader te bepalen).



( 1 ) PB C 45 van 19.2.1999, blz. 2 en

PB C 120 E van 24.4.2001, blz. 89.

( 2 ) PB C 258 van 10.9.1999, blz. 19.

( 3 ) Advies van het Europees Parlement van 17 mei 2000 (PB C 59 van 23.2.2001, blz. 93), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 12 februari 2001 (PB C 88 van 19.3.2001, blz. 1), en besluit van het Europees Parlement van 3 mei 2001.

( 4 ) PB L 273 van 10.10.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 208/2006 van de Commissie (PB L 36 van 8.2.2006, blz. 25).

( 5 ) PB C 174 E van 14.7.2005, blz. 178.

( 6 ) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

( 7 ) Richtlijn 89/662/EEG van de Raad van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (PB L 395 van 30.12.1989, blz. 13). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 92/118/EEG van de Raad (PB L 62 van 15.3.1993, blz. 49).

( 8 ) Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (PB L 224 van 18.8.1990, blz. 29). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 92/118/EEG van de Raad.

( 9 ) Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad (PB L 204 van 11.8.2000, blz. 1).

( 10 ) Richtlijn 64/432/EEG van de Raad van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (PB 121 van 29.7.1964, blz. 1977/64). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2000/20/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 163 van 4.7.2000, blz. 35).

( 11 ) Richtlijn 91/68/EEG van de Raad van 28 januari 1991 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in schapen en geiten (PB L 46 van 19.2.1991, blz. 19). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Besluit 94/953/EG van de Commissie (PB L 371 van 31.12.1994, blz. 14).

( 12 ) Richtlijn 91/496/EEG van de Raad van 15 juli 1991 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor dieren uit derde landen die in de Gemeenschap worden binnengebracht en tot wijziging van de Richtlijnen 89/662/EEG, 90/425/EEG en 90/675/EEG (PB L 268 van 24.9.1991, blz. 56). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 96/43/EG van de Raad (PB L 162 van 1.7.1996, blz. 1).

( 13 ) Richtlijn 97/78/EG van de Raad van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht (PB L 24 van 30.1.1998, blz. 9).

( 14 ) Richtlijn 82/894/EEG van de Raad van 21 december 1982 inzake de melding van dierziekten in de Gemeenschap (PB L 378 van 31.12.1982, blz. 58). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Besluit 2000/556/EG van de Commissie (PB L 235 van 19.9.2000, blz. 27).

( 15 ) PB L 273 van 10.10.2002, blz. 1.

( 16 ) PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.

( 17 ) PB L 86 van 6.4.1979, blz. 30.

( 18 ) http://www.defra.gov.uk/corporate/vla/science/science-tse-rl-confirm.htm

( 19 ) De aangenomen prevalentie dient voor het bepalen van de omvang van een onderzoek, uitgedrukt als streefscore. Als de werkelijke prevalentie groter is dan de aangenomen prevalentie, is het zeer waarschijnlijk dat de ziekte met het onderzoek wordt opgespoord.

( 20 ) PB 121 van 29.7.1964, blz. 2012/64.

( 21 ) PB L 99 van 20.4.1996, blz. 14.

( 22 ) PB L 204 van 11.8.2000, blz. 1..

( 23 ) PB L 21, 28.1.2004, blz. 11.

( 24 ) PB L 349 van 24.12.2002, blz. 105.

( 25 ) PB L 349 van 24.12.2002, blz. 105.

( 26 ) PB L 139 van 30.4.2004, blz. 55.

( 27 ) PB L 300 van 14.11.2009, blz. 1.

( 28 ) PB L 94 van 1.4.2006, blz. 28.