21.3.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 68/13


Resolutie van het Europees Parlement van 31 januari 2008 over de resultaten van de Conferentie op Bali over klimaatverandering (COP 13 en COP/MOP 3)

Het Europees Parlement,

gezien de dertiende Conferentie van partijen (COP 13) bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en de derde Conferentie van de partijen die dient als het overleg van de partijen bij het Protocol van Kyoto (COP/MOP 3) gehouden op Bali, Indonesië van 3 tot 15 december 2007,

gezien de conclusies van het Vierde Klimaatrapport (AR4) van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC), gepresenteerd in Valencia, Spanje, op 17 november 2007,

onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over klimaatverandering, met name van 15 november 2007 over beperking van de wereldwijde klimaatverandering tot 2° Celsius — het beleid voor de Conferentie van Bali over klimaatverandering en daarna (COP 13 en COP/MOP3) (1),

gelet op artikel 103, lid 2 van zijn Reglement,

A.

overwegende dat het IPCC AR4 bevestigt dat het versnellende tempo van klimaatverandering het gevolg is van menselijke activiteit en reeds ernstige wereldwijde effecten heeft,

B.

overwegende dat in het Actieplan van Bali de bevindingen van het IPCC AR4 worden bevestigd dat wereldwijde opwarming duidelijk waarneembaar is en dat een vertraging bij het aanzienlijk verminderen van emissies de mogelijkheden om lagere stabilisatieniveaus te bereiken beperkt en het gevaar van ernstiger gevolgen van klimaatverandering vergroot,

C.

overwegende dat een groot aantal gebieden in de wereld reeds de gevolgen ondervindt van stijging van de algemene gemiddelde temperaturen in de wereld, en overwegende dat de meest recente wetenschappelijke gegevens erop wijzen dat de door de EU bepaalde langetermijndoelstelling de opwarming te beperken tot 2° Celsius boven het niveau van vóór de industrialisering wellicht onvoldoende is om ernstige negatieve gevolgen van klimaatverandering te voorkomen,

D.

overwegende dat klimaatverandering een langetermijnprobleem is en dat kortetermijnmaatregelen alleen ontoereikend zijn om het klimaat in positieve zin te beïnvloeden; overwegende dat het voor het klimaatsysteem van wezenlijk belang is ervoor te zorgen dat de wereldwijde uitstoot binnen de komende 10 tot 15 jaar een maximum bereikt,

E.

overwegende dat de geïndustrialiseerde landen een grote verantwoordelijkheid hebben op het gebied van de accumulatie van broeikasgasemissies in de atmosfeer; overwegende dat de armste landen en volkeren het hardst zullen worden getroffen door een instabieler klimaat,

F.

overwegende dat een brede internationale overeenstemming over langetermijndoelen voor emissievermindering van absoluut wezenlijk belang is om investeringszekerheid te bieden voor technologieën op het gebied van de lage uitstoot van broeikasgassen, alsmede met het oog op energie-efficiëntie en duurzame bosbouw, en om investeringen in energie-infrastructuur die onverenigbaar zijn met de emissiedoelen te voorkomen,

1.

verwelkomt het besluit van de partijen op de Conferentie van Bali om in het kader van het UNFCCC een formeel onderhandelingsproces te starten voor een internationaal klimaatakkoord voor de periode na 2012 met het oog op het bereiken van overeenstemming en het vaststellen van een besluit op de Vijftiende Conferentie van de partijen, die in 2009 zal plaatsvinden in Kopenhagen;

2.

spreekt zijn tevredenheid uit dat het Actieplan van Bali een duidelijk tijdschema bevat, de deadline van 2009 vastlegt voor het bereiken van overeenstemming, en de belangrijkste kwesties aanduidt die tijdens de onderhandelingen aan bod zullen komen, en is van mening dat daarmee een goede basis voor het onderhandelingsproces is gelegd;

3.

wijst er nogmaals op dat een dergelijke overeenstemming moet voortbouwen op de hoofdbeginselen en mechanismen van het UNFCCC en het Protocol van Kyoto, rekening houdend met gemeenschappelijke maar gedifferentieerde verantwoordelijkheden, en dat ze gebaseerd moet zijn op de elementen die zijn vastgesteld in paragraaf 2 van zijn bovenvermelde resolutie van 15 november 2007;

4.

is van mening dat het overstijgen van het rigide onderscheid tussen Bijlage I- en niet-Bijlage I-landen een van de belangrijkste wapenfeiten van het Actieplan van Bali is;

5.

benadrukt de constructieve en leidende rol die de EU op de Conferentie van Bali speelde, wat de doorbraak in de onderhandelingen aanzienlijk bespoedigde; is van mening dat een dergelijke actieve rol ook moet worden gespeeld bij de komende onderhandelingen en dringt erop aan dat het Parlement bij deze onderhandelingen nauw betrokken wordt;

6.

verwelkomt de erkenning door de partijen dat het IPCC AR4 de uitgebreidste en betrouwbaarste beoordeling van de klimaatverandering tot nu toe vormt, en een geïntegreerd wetenschappelijk, technisch en socio-economisch overzicht geeft van de relevante kwesties, alsmede een aanmoediging om deze informatie te gebruiken bij de ontwikkeling van nationale beleidsmaatregelen op het gebied van klimaatverandering;

7.

betreurt dat het niet mogelijk was eenduidige verwijzingen naar de stand van de wetenschap met betrekking tot de noodzakelijke verminderingen van broeikasgassenemissies op te nemen in het Actieplan van Bali; verwelkomt echter de erkenning door de partijen bij het Protocol van Kyoto dat verlagingen van broeikasgasemissies van 25 tot 40 % tegen 2020 vergeleken met 1990 door de gezamenlijke geïndustrialiseerde landen benodigd zijn;

8.

herinnert eraan dat de geïndustrialiseerde landen, waaronder de landen die het Protocol van Kyoto nog niet hebben geratificeerd, het voortouw moeten nemen bij de aanpak van klimaatverandering op wereldwijd niveau en zich vast moeten leggen op het verlagen van hun broeikasgasemissies met ten minste 30 % tegen 2020 en met 60 tot 80 % tegen 2050, in vergelijking met 1990;

9.

verwelkomt de constructieve benadering van de onderhandelingen die wordt gehanteerd door een meerderheid van de ontwikkelingslanden, alsmede hun toezegging om op nationaal niveau passende beperkende maatregelen te nemen in het kader van duurzame ontwikkeling, ondersteund en mogelijk gemaakt door technologieën, financiering en capaciteitsopbouw, op een wijze die meetbare, meldbare en controleerbare resultaten oplevert;

10.

benadrukt dat duurzame economische ontwikkeling een recht is voor alle ontwikkelingslanden; benadrukt dat de Europese Unie en andere geïndustrialiseerde landen de ontwikkelingslanden moeten assisteren bij de ontwikkeling van duurzame technologieën;

11.

herinnert eraan dat de geloofwaardigheid en doeltreffendheid van de wereldwijde inspanningen niet verwezenlijkt kan worden zonder verdergaande, meetbare, meldbare en controleerbare verbintenissen van alle betrokken partijen;

12.

is van mening dat het vinden van een billijke oplossing essentieel is voor het welslagen van het internationale klimaatbeleid;

13.

is van mening dat, als innovatie ten opzichte van het Protocol van Kyoto, de verschillende situaties van de ontwikkelingslanden weerspiegeld moeten worden in de aangegane verbintenissen en dat opkomende landen beperkingen van hun emissies moeten aanvaarden in overeenstemming met hun ontwikkelingsfase, de sectorale samenstelling van hun economieën, hun mogelijkheden voor mindering van de uitstoot en hun technische en financiële capaciteiten;

14.

is van mening dat er ruimte is voor innovatie ten opzichte van de bestaande mechanismen van het Protocol van Kyoto, in de vorm van verbintenissen en vast te stellen doelen voor ontwikkelings- en opkomende landen, om dergelijke toezeggingen in overeenstemming te brengen met de behoeften en mogelijkheden van elk land, op voorwaarde dat deze meetbaar, meldbaar en controleerbaar zijn;

15.

verwelkomt het besluit om een werkprogramma op te zetten inzake methodologische kwesties met betrekking tot een aantal beleidsbenaderingen en positieve stimulansen die gericht zijn op het verminderen van emissies door ontbossing en aantasting van de bossen in ontwikkelingslanden, op evenwichtige wijze rekening houdend met de meervoudige functies en voordelen van bossen voor de biodiversiteit, de werking van het ecosysteem en de lokale beroepsuitoefening; verwelkomt eveneens het feit dat partijen worden aangemoedigd om capaciteitsopbouw te steunen, technische ondersteuning te leveren en inspanningen te verrichten, waaronder proefprojecten, voor het aanpakken van de veroorzakers van ontbossing en de noodzaak om het duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen te ondersteunen;

16.

verwelkomt het besluit betreffende het doeltreffende en transparante beheer van het Aanpassingsfonds, hetgeen zal waarborgen dat het operationeel zal worden in een vroeg stadium van de eerste verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto;

17.

verwelkomt het besluit om een strategisch programma te starten ter verhoging van het niveau van investeringen in de ontwikkeling, overdracht en toepassing van zowel beperkende als aanpassende technologieën voor ontwikkelingslanden, alsmede de opdracht toevertrouwd aan de Groep van deskundigen inzake technologieoverdracht om de lacunes in en obstakels voor het gebruik van en de toegang tot financiële hulpbronnen te beoordelen;

18.

is van mening dat onderzoek, ontwikkeling en demonstratie van doeltreffender en minder kostbare energietechnologieën hoge prioriteit moet hebben; roept op tot nauwe samenwerking tussen regeringen, industrie, de onderzoeksgemeenschap en het maatschappelijk middenveld;

19.

is van mening dat de volgende conferentie/vergadering van de partijen in Poznan gericht moet zijn op ontwikkelingslanden, en dringt er derhalve op aan dat serieuze inspanningen worden verricht om werkelijke vooruitgang te boeken op het gebied van stimulansen, waaronder marktinstrumenten, ter voorkoming van ontbossing, aanmoediging van duurzame bosbouw, financiering van aanpassingen en verbetering in de overdracht en toepassing van schone technologieën in ontwikkelingslanden;

20.

roept op tot de ontwikkeling van substantiële en voorspelbare financiële instrumenten in het kader van het EU-beleid teneinde ontwikkelingslanden te helpen zich aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering, ter vermindering van broeikasgasemissies en om ontbossing en de aantasting van bossen tegen te gaan; herinnert aan de noodzaak van nauwere kritische monitoring van de werkelijke gevolgen van bestaande en toekomstige financiële instrumenten op klimaatgebied voor de ontwikkelingslanden; is van mening dat het mechanisme van schone ontwikkeling hervormd moeten worden om dit tijdens de verbintenisperiode 2008-2012 volledig tot ontplooiing te laten komen;

21.

benadrukt dat het „groener maken” van het ontwikkelingsbeleid en de ontwikkelingsbijstand van de EU noodzakelijk en dringend is, en ten uitvoer moet worden gelegd zonder in te gaan tegen het beleid van de EU op het gebied van milieu en klimaatverandering; betreurt de uiterst trage vooruitgang op dit gebied en roept het leiderschap van de EU ertoe op om beperking van en aanpassing aan klimaatverandering te bestempelen tot de hoofdprioriteiten binnen het beleid van de EU inzake ontwikkelingssamenwerking;

22.

benadrukt dat, teneinde de geloofwaardigheid van het Actieplan van Bali te handhaven, de geïndustrialiseerde landen dringend klimaatpartnerschappen dienen te sluiten met grote opkomende economieën als China en India ter bevordering van nauwe samenwerking op het gebied van de hervorming van het energiebeleid, capaciteitsopbouw, steun voor investeringen in energie-efficiëntie en technologie met lage koolstofuitstoot;

23.

betreurt dat het niet mogelijk was een duidelijke referentie op te nemen naar de noodzaak om overeenstemming te bereiken over bindende verlagingen van emissies in de lucht- en zeevaart; wijst erop dat het mandaat van Bali dergelijke bindende maatregelen voor de lucht- en zeevaart niet uitsluit; herhaalt zijn oproep om de uitstoot door de lucht- en zeevaart op te nemen in de internationale verbintenissen ter vermindering van broeikasgassen voor de periode na 2012, in het kader van het UNFCCC, aangezien de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) en de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) niet doeltreffend zijn gebleken bij de aanpak van de kwestie;

24.

benadrukt dat het belangrijk is dat alle sectoren die een rol spelen bij de internationale handel zich aansluiten bij alle globale klimaatverbintenissen en benchmarks, om te waarborgen dat de globale doelstelling voor klimaatverandering wordt bereikt en een wereldwijde concurrentieverstoring wordt voorkomen;

25.

roept op tot een herziening op korte termijn van het EU-beleid inzake biobrandstoffen, met specifieke nadruk op een duurzame levenscyclus van elke biobrandstof voor wat betreft vermindering van broeikasgassen; onderstreept dat bij de ontwikkeling en toepassing van strategieën inzake biobrandstoffen als mogelijke vorm van energie ten volle rekening moet worden gehouden met en gewaakt moet worden voor daaraan verbonden negatieve ecologische, sociale en economische gevolgen; roept de Commissie derhalve op om deugdelijke normen en duidelijke criteria voor de productie van biobrandstoffen voor te stellen;

26.

benadrukt dat het Parlement uitkijkt naar het verslag van de Commissie en de Hoge Vertegenwoordiger voor het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB) over de gevolgen van de klimaatverandering voor de internationale veiligheid, waar de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad te Brussel van 21 en 22 juni 2007 om heeft verzocht; onderstreept dat speciale nadruk moet worden gelegd op belangrijke gebieden als beperking en aanpassing van en aandacht voor klimaatverandering in alle beleidsmaatregelen, aangezien klimaatverandering een belangrijke factor kan zijn voor de destabilisering van de armste landen;

27.

is zich bewust van de omvang van de uitdaging voor de komende onderhandelingen en dringt erop aan dat het klimaatbeleid een hoofdprioriteit wordt en onderdeel van alle externe betrekkingen van de EU met derde landen, regionale overeenkomsten en economische organisaties; roept bovendien de vier voorzitterschappen in 2008 en 2009 (Slovenië, Frankrijk, de Tsjechische Republiek en Zweden) op om het Parlement op de hoogte te houden van hun doelstellingen op het gebied van klimaatbeleid, en regelmatig, samen met de Commissie, verslag uit te brengen van de vooruitgang bij de onderhandelingen;

28.

dringt er bij de Commissie op aan om, zo lang er nog geen sprake is van gelijke spelregels, onderzoek te doen naar mogelijkheden voor de industrie om haar economische mogelijkheden te verbeteren door een innovatieve „klimaatvriendelijke” industrie te ontwikkelen; roept derhalve op tot overleg binnen de WTO over het opzetten van tijdelijke maatregelen ten behoeve van de productie en uitvoer van klimaatvriendelijke producten en innovatieve technologie;

29.

roept al zijn relevante permanente en tijdelijke commissies en delegaties op nauw samen te werken op het gebied van klimaatverandering, teneinde een samenhangend en gecoördineerde benadering te garanderen van al zijn beleidsmaatregelen op het gebied van milieu, industrie, energie en vervoer, landbouw, onderzoek en ontwikkeling, en met name op het gebied van handel en investeringen, alsmede wat betreft andere initiatieven met betrekking tot klimaatdoelen; roept ertoe op kwesties inzake klimaatverandering regelmatig ter sprake te brengen op het niveau van interparlementaire delegaties en in het kader van de Trans-Atlantische Wetgevingsdialoog;

30.

beseft dat de geloofwaardigheid van de EU-onderhandelingen afhangt van het succes van Europa's inspanningen tot vermindering van de binnenlandse uitstoot en de ontwikkeling van technologieën voor lage koolstofuitstoot en de overdracht daarvan naar andere landen; roept derhalve op tot de aanneming van beleidsmaatregelen op lokaal, nationaal en Europees niveau om te waarborgen dat de EU een verlaging van de binnenlandse uitstoot van broeikasgassen kan bereiken van tenminste 30 % tegen 2020 ten opzichte van het niveau van 1990, mits de andere geïndustrialiseerde landen zich vastleggen op gelijkwaardige verlagingen van de uitstoot van broeikasgassen en dat economisch verder ontwikkelde ontwikkelingslanden een bijdrage leveren in overeenstemming met hun verantwoordelijkheden en respectievelijke capaciteiten; erkent de verplichting die de EU heeft aanvaard, ongeacht de sluiting van een wereldwijde overeenkomst voor de periode na 2012, om de uitstoot van broeikasgassen tegen 2020 te verlagen met tenminste 20 % ten opzichte van het niveau van 1990; roept op tot de aanneming van beleidsmaatregelen ter bevordering van het besteden van meer middelen voor O&O en innovatie op het gebied van vermindering van broeikasgassen op zowel nationaal als communautair niveau;

31.

roept de EU op gebruik te maken van haar macht en invloed als belangrijke speler in de internationale gemeenschap en als partner van de ontwikkelingslanden om samenhangende doelstellingen op het gebied van klimaatverandering in te voeren op internationaal niveau;

32.

benadrukt de historische verantwoordelijkheid van met name de geïndustrialiseerde landen als de belangrijkste producenten van broeikasgasemissies en roept deze landen derhalve op zich sterker in te zetten om te voorkomen dat natuurrampen en sociale onrust die werkelijkheid zouden worden bij een ongeremde wereldwijde opwarming in volle omvang bewaarheid worden;

33.

neemt kennis van het initiatief van de regering van de VS om nog eens vijf vergaderingen bijeen te roepen van de grootste veroorzakers van uitstoot in de wereld;roept de Commissie en de betrokken lidstaten op om hun deelname te laten afhangen van de voorwaarde dat de gastheren concrete voorstellen doen voor kortetermijndoelen ter vermindering van de uitstoot die in overeenstemming zijn met de oogmerken en doelstellingen en van het UNFCCC; roept de landen met de grootste uitstoot op om hun inspanningen te coördineren met die van het UNFCCC;

34.

stelt vast dat de bovenvermelde conferentie/vergadering van de partijen te houden in Poznan tegelijkertijd zal plaatsvinden met de Europese Raad; roept de Raad op om de Europese Raad op een ander tijdstip te plannen, om de staatshoofden en regeringsleiders in staat te stellen de COP/MOP bij te wonen en te waarborgen dat de COP/MOP de volledige aandacht krijgt van de regeringen;

35.

is ervan overtuigd dat het voor het bereiken van bovengenoemde doelstellingen, noodzakelijk is de media hierbij te betrekken, wier rol van wezenlijk belang zal zijn voor het bewustmaken van de bevolking van de klimaatveranderingen die op korte en middellange termijn plaats zullen vinden;

36.

is ervan overtuigd, in overeenstemming met de discussies op de Conferentie van Bali met parlementaire vertegenwoordigers uit de hele wereld, dat het Parlement een belangrijke rol kan en moet spelen als coördinator van een permanent interparlementair forum over klimaatverandering; verzoekt derhalve zijn eigen organen deze mogelijkheid te overwegen;

37.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en het secretariaat van het UNFCCC, met het verzoek haar te doen toekomen aan alle bij het UNFCCC betrokken partijen van buiten de EU en aan de geassocieerde waarnemers bij het verdrag.


(1)  Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0537.