Conclusie van de advocaat generaal

Conclusie van de advocaat generaal

++++

Mijnheer de President,

mijne heren Rechters,

1. In 1984 schreef de universiteit van Cagliari een openbaar vergelijkend onderzoek uit voor de aanwerving van restaurantmedewerkers. Een van de niet geschikt bevonden kandidaten was I. Scholz (verzoekster in het hoofdgeding, hierna: "verzoekster"), die Duitse van geboorte is maar door huwelijk de Italiaanse nationaliteit heeft verkregen. Zoals uit de stukken blijkt, besloot de door de universiteit aangewezen jury, dat punten zouden worden toegekend voor eerdere tijdvakken van arbeid die de kandidaten in overheidsdienst hadden vervuld. Voor elk dienstjaar in functies gelijk aan of "hoger" dan die welke met de te bezetten posten verbonden waren, zouden 2,5 punten worden toegekend. Voor elk dienstjaar in andere functies zou één punt worden toegekend. Verzoekster had van 1965 tot 1972 voor de Duitse posterijen als postbeambte gewerkt. Zij verzocht de jury die ervaring in aanmerking te nemen. De jury stelde zich op het standpunt dat alleen ervaring in Italiaanse overheidsdienst in aanmerking kon worden genomen en weigerde derhalve, punten toe te kennen voor haar dienstjaren bij de Duitse posterijen. Verzoekster nam de 54ste plaats in op de door de jury opgestelde lijst van geschikte kandidaten. Uit de aan het Hof voorgelegde processtukken blijkt dat, indien haar dienstjaren bij de Duitse posterijen in aanmerking waren genomen, zij zeven extra punten zou hebben gekregen en op de elfde plaats zou zijn terechtgekomen. Daar in het kader van het vergelijkend onderzoek 21 personen zijn aangesteld, is het wel duidelijk dat het feit dat haar dienstjaren bij de Duitse posterijen niet in aanmerking zijn genomen, haar aanwerving als restaurantmedewerker bij de universiteit van Cagliari heeft verhinderd.

2. Op 6 mei 1986 werd de lijst van geschikte kandidaten bekendgemaakt. Op 4 juli 1986 begon verzoekster bij het Tribunale amministrativo regionale per la Sardegna een procedure tegen de universiteit van Cagliari.(1) Zij vorderde nietigverklaring van het besluit tot vaststelling van de lijst van geschikte kandidaten, stellende dat de weigering om in een andere Lid-Staat dan Italië verrichte arbeid in overheidsdienst in aanmerking te nemen, in strijd was met het gemeenschapsrecht. De Italiaanse rechter besloot op 10 juni 1992, het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

"Kunnen de artikelen 7 en 48 EEG-Verdrag en de artikelen 1 en 3 van verordening (EEG) nr. 1612/68 aldus worden uitgelegd, dat zij eraan in de weg staan dat bij een openbaar vergelijkend onderzoek ter voorziening in posten die niet onder de uitzonderingsbepaling van artikel 48, lid 4, EEG-Verdrag vallen, wordt voorbijgegaan aan in een andere Lid-Staat verrichte werkzaamheden in overheidsdienst wanneer de werkzaamheden in overheidsdienst die zijn verricht in de Lid-Staat waar het vergelijkend onderzoek is uitgeschreven, als positief element in aanmerking worden genomen voor de opstelling van de definitieve lijst van geslaagden voor het vergelijkend onderzoek?"

De verwijzingsbeschikking is uiteindelijk op 17 december 1992 bij het Hof binnengekomen.

3. Er zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door verzoekster, de Commissie en de Franse en de Italiaanse regering, die ook alle ter terechtzitting vertegenwoordigd waren. Zij zijn het erover eens, dat de relevante bepalingen van gemeenschapsrecht aldus moeten worden uitgelegd, dat in de onderhavige omstandigheden in een andere Lid-Staat verrichte arbeid in overheidsdienst evenzeer in aanmerking moet worden genomen als arbeid in Italiaanse overheidsdienst.

4. Verzoekster wijst erop, dat ingevolge artikel 48, lid 2, EEG-Verdrag "elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der Lid-Staten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden" verboden is. Zij merkt op, dat de post waarnaar zij solliciteerde, niet valt onder de in artikel 48, lid 4, EEG-Verdrag gemaakte uitzondering voor "overheidsdienst", welk begrip in de rechtspraak van het Hof een enge betekenis heeft gekregen. Vervolgens haalt zij de zaak Sotgiu(2) aan, waarin het Hof oordeelde, dat het gemeenschapsrecht "niet alleen de zichtbare discriminaties op grond van de nationaliteit (verbiedt) (...), maar ook alle verkapte vormen van discriminatie die door toepassing van andere onderscheidingscriteria in feite tot hetzelfde resultaat leiden" (r.o. 11). Zij beroept zich ook op artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1612/68 van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap(3), dat luidt als volgt:

"In het kader van deze verordening zijn niet van toepassing de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of de administratieve handelwijzen van een Lid-Staat:

- die aanbiedingen van en aanvragen om werk, de toegang tot arbeid in loondienst en de uitoefening daarvan door vreemdelingen beperken of aan voorwaarden onderwerpen die niet voor eigen onderdanen gelden;

- of die, hoewel van toepassing zonder onderscheid naar nationaliteit, tot enig of voornaamste doel of gevolg hebben dat de onderdanen van de andere Lid-Staten van de aangeboden arbeid geweerd worden.

De bepaling van de voorgaande alinea heeft geen betrekking op de voorwaarden betreffende de wegens de aard van de te verrichten arbeid vereiste talenkennis."

5. Het standpunt van de Commissie komt over het geheel genomen overeen met dat van verzoekster, maar wordt met meer argumenten onderbouwd. De Commissie merkt op, dat het algemene verbod van discriminatie, neergelegd in artikel 7 (thans artikel 6) EEG-Verdrag, buiten beschouwing kan worden gelaten, daar het overeenkomstig 's Hofs rechtspraak slechts autonoom toepassing kan vinden in gevallen waarvoor geen nadere bepalingen van gemeenschapsrecht gelden.(4) De onderhavige situatie wordt beheerst door artikel 48, lid 2, EEG-Verdrag en artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1612/68. De Commissie is van mening, dat verzoekster zich op deze bepalingen kan beroepen ook al heeft zij de Italiaanse nationaliteit. Doorslaggevend is, aldus de Commissie, dat verzoekster haar recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend: na eerst in haar Lid-Staat van oorsprong te hebben gewerkt, zoekt zij nu een betrekking in een andere Lid-Staat; dat zij de nationaliteit van de tweede Lid-Staat heeft verkregen, betekent niet dat zij niet in aanmerking komt voor toepassing van de gemeenschapsbepalingen inzake het vrije verkeer. Volgens de Commissie zouden dezelfde beginselen van toepassing zijn in het normale geval van een Italiaans onderdaan die in een andere Lid-Staat heeft gewerkt en daarna naar zijn land van herkomst is teruggekeerd. In dit verband noemt de Commissie het arrest Singh.(5) Vervolgens haalt de Commissie een aantal zaken(6) aan waaruit zij als algemeen beginsel afleidt, dat een Lid-Staat werknemers in de Gemeenschap die met gebruikmaking van hun fundamentele recht op vrij verkeer binnen de Gemeenschap in meer dan een Lid-Staat werkzaam zijn geweest, niet slechter mag behandelen dan eigen onderdanen of ingezetenen die steeds in deze Lid-Staat hebben gewerkt.

6. De Franse regering voert gelijke argumenten aan als de Commissie, maar stelt vervolgens een aantal problemen aan de orde met betrekking tot de toepassing van het beginsel dat in dienst van een andere Lid-Staat opgedane ervaring op gelijke wijze moet worden behandeld als ervaring die is opgedaan in overheidsdienst in de Lid-Staat waarin in de vacature moet worden voorzien.

7. In de eerste plaats, aldus de Franse regering, is wellicht niet altijd gemakkelijk te bepalen of in een andere Lid-Staat verrichte arbeid een betrekking in overheidsdienst is, daar de grens tussen overheid en de privé-sector van staat tot staat verschilt. Indien bij voorbeeld de bij de Duitse posterijen opgedane ervaring in aanmerking wordt genomen, zou dan ook soortgelijke ervaring in een andere Lid-Staat, waarin de posterijen zijn geprivatiseerd, in aanmerking moeten worden genomen?

8. De Franse regering wijst er vervolgens op, dat overheidsdiensten vaak een beleid van interne mobiliteit voeren en in vacatures voorzien door middel van vergelijkende onderzoeken waaraan alleen ambtenaren die reeds in dienst zijn, mogen deelnemen. Als ik het argument goed heb begrepen, luidt het als volgt: de overheid moet bij de bezetting van vacatures de voorkeur mogen geven aan reeds in dienst zijnde ambtenaren, ook al zullen daardoor eigen onderdanen worden bevoorrecht, daar de meeste ambtenaren de nationaliteit hebben van de Lid-Staat waarbij zij in dienst zijn. Een andere opvatting zou betekenen dat, indien bij voorbeeld het Italiaanse Ministerie van Gezondheid een intern vergelijkend onderzoek alleen voor zijn eigen ambtenaren organiseerde, het de procedure zou moeten openstellen voor ambtenaren die bij de desbetreffende ministeries van de andere Lid-Staten in dienst zijn. Gesteld echter dat overheidsdiensten de voorkeur mogen geven aan hun eigen ambtenaren door interne vergelijkende onderzoeken te organiseren, waarom zou het gemeenschapsrecht die vorm van "verkapte discriminatie" toestaan maar toch de door de universiteit van Cagliari in het onderhavige geval gevolgde handelwijze verbieden?

9. Ter terechtzitting heeft de Franse regering opgemerkt, dat er problemen zouden ontstaan indien de erkenning van in andere Lid-Staten vervulde tijdvakken van arbeid zich zou uitstrekken tot na het stadium van aanvankelijke aanwerving en ook voor de verdere loopbaan van overheidsambtenaren zou gelden. De Franse regering scheen er zich bijzonder zorgen over te maken dat haar systeem van interne bevorderingen ernstig zou worden verstoord, indien in andere Lid-Staten verkregen anciënniteit in aanmerking werd genomen.

10. Ondanks deze bedenkingen is de Franse regering echter van mening, dat in een situatie zoals deze zich in de onderhavige zaak voordoet, een overheidslichaam de in een andere Lid-Staat in overheidsdienst opgedane ervaring moet waarderen alsof deze in de eigen staat was verkregen.

11. Mijn standpunt over de in deze zaak gerezen twistpunten luidt als volgt.

12. Artikel 48, lid 1, EEG-Verdrag bepaalt, dat het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap uiterlijk aan het einde van de overgangsperiode tot stand wordt gebracht. Ingevolge artikel 48, lid 2, houdt het vrije verkeer van werknemers de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der Lid-Staten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden. Ingevolge artikel 48, lid 4, zijn deze bepalingen niet van toepassing op "betrekkingen in overheidsdienst".

13. Uitvoeriger bepalingen betreffende het vrije verkeer van werknemers zijn neergelegd in verordening nr. 1612/68, waarvan de artikelen 1 en 3 in de prejudiciële vraag worden vermeld. Artikel 1 van de verordening voegt weinig toe aan artikel 48 EEG-Verdrag. Artikel 3, lid 1, van de verordening is van belang, omdat het verkapte discriminatie op grond van nationaliteit uitdrukkelijk verbiedt. Hierop zal ik nog terugkomen.

14. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt, dat de hier in geding zijnde posten buiten de werkingssfeer van artikel 48, lid 4, vallen en derhalve onderworpen zijn aan de beginselen van vrij verkeer en non-discriminatie. Het Hof heeft artikel 48, lid 4, eng uitgelegd en geoordeeld, dat het alleen geldt voor "een aantal betrekkingen die, al dan niet rechtstreeks, deelneming aan de uitoefening van openbaar gezag inhouden en die werkzaamheden omvatten strekkende tot bescherming van de algemene belangen van de staat of van andere openbare lichamen".(7) De reden om dergelijke betrekkingen uit te sluiten van het beginsel van vrij verkeer is, dat zij "(...) bij de functionaris een bijzondere band (onderstellen) van solidariteit ten opzichte van de staat en een wederkerigheid van rechten en plichten die de grondslag vormen van de nationaliteitsverhouding".(8) De betrekking van restaurantmedewerker bij een universiteit voldoet zeer zeker niet aan deze criteria.

15. Artikel 48, lid 2, verbiedt niet alleen openlijke discriminatie op grond van de nationaliteit, maar ook alle vormen van verkapte (of verborgen) discriminatie, die door toepassing van andere onderscheidingscriteria in feite tot hetzelfde resultaat leiden.(9) Verborgen discriminatie wordt bovendien uitdrukkelijk verboden door artikel 3, lid 1, tweede streepje, van verordening nr. 1612/68, dat - zoals ik reeds heb opgemerkt - de toepassing verbiedt van wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of administratieve handelwijzen of praktijken van een Lid-Staat die, hoewel van toepassing zonder onderscheid naar nationaliteit, tot enig of voornaamste doel of gevolg hebben dat de onderdanen van de andere Lid-Staten van de aangeboden arbeid worden geweerd.

16. In casu is verzoekster zeker geen slachtoffer van openlijke discriminatie, daar de bestreden handelwijze van de jury niet uitdrukkelijk voorziet in een verschil in behandeling tussen Italiaanse en niet-Italiaanse onderdanen. Daar verzoekster de Italiaanse nationaliteit door huwelijk heeft verkregen, kon zij in geen geval te lijden hebben van openlijke discriminatie jegens niet-Italianen. In dit verband dient erop te worden gewezen, dat verzoekster slachtoffer van openlijke discriminatie had kunnen zijn indien zij niet door haar huwelijk de Italiaanse nationaliteit had verkregen: in plaats van zich het hoofd te breken over de vraag of haar ervaring bij de Duitse posterijen gelijk is aan bij de Italiaanse posterijen opgedane ervaring, zou de jury haar vermoedelijk hebben afgewezen op grond dat zij niet de Italiaanse nationaliteit bezat, zoals wordt vereist in artikel 2, sub a, van de aankondiging van vergelijkend onderzoek; een afschrift hiervan bevindt zich in het dossier dat het Tribunale amministrativo regionale per la Sardegna aan het Hof heeft voorgelegd. Dit nationaliteitsvereiste, dat in deze procedure uiteraard niet in geding is, vormt in het licht van de reeds aangehaalde rechtspraak een overduidelijke schending van artikel 48.

17. Alhoewel geen slachtoffer van openlijke discriminatie (voornamelijk dank zij de gelukkige omstandigheid van haar huwelijk), heeft verzoekster volgens mij wel te lijden gehad van verkapte discriminatie, daar de handelwijze van de jury om in een andere Lid-Staat opgedane ervaring niet in aanmerking te nemen, onderdanen van andere Lid-Staten allicht ernstiger zal treffen dan Italiaanse onderdanen. Dat komt omdat de meeste Italiaanse kandidaten hun eerdere ervaring (althans grotendeels) in Italië zullen hebben opgedaan, terwijl de meeste kandidaten van andere Lid-Staten hun eerdere ervaring (of het grootste deel ervan) in andere Lid-Staten zullen hebben opgedaan.

18. Derhalve is de weigering om verzoeksters ervaring bij de Duitse posterijen in aanmerking te nemen, in beginsel in strijd met artikel 48, lid 2, EEG-Verdrag. Zij lijkt ook in strijd te zijn met artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1612/68, daar het "enige of voornaamste doel of gevolg" van het onderscheid tussen een betrekking in Italiaanse overheidsdienst en een betrekking in overheidsdienst van een andere Lid-Staat is, dat de aanwerving van onderdanen van andere Lid-Staten wordt verhinderd.

19. Het staat buiten kijf, dat artikel 48, lid 2, EEG-Verdrag rechtstreekse werking heeft: zie het arrest Van Duyn.(10) Uit het arrest Guel(11) blijkt, dat artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1612/68 ook rechtstreekse werking heeft. In dat arrest verklaarde het Hof (r.o. 26) dat:

"(...) de in artikel 3, lid 1, eerste alinea, eerste streepje, van verordening nr. 1612/68 voorziene gelijkheid van behandeling inhoudt, dat op de aldaar bedoelde personen dezelfde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen alsmede dezelfde administratieve praktijken van toepassing zijn als op eigen onderdanen".

Het is onweersproken, dat de universiteit van Cagliari een openbaar lichaam is en dat zij derhalve, met het oog op de uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichtingen, moet worden gezien als een onderdeel van de Italiaanse Staat. Bijgevolg behoeft niet te worden uitgemaakt, of artikel 48, lid 2, EEG-Verdrag en artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1612/68 horizontale rechtstreekse werking hebben in die zin, dat zelfs particuliere werkgevers niet op grond van nationaliteit tussen werknemers van de Lid-Staten mogen discrimineren.

20. Wat betreft de vraag of de verkrijging van de Italiaanse nationaliteit enige invloed heeft op verzoeksters rechten, mag het op het eerste gezicht vreemd lijken dat een Italiaans onderdaan het verbod van discriminatie op grond van de nationaliteit kan aanvoeren tegen een Italiaanse regel of handelwijze waardoor niet-Italianen worden gediscrimineerd. Ik ben er echter van overtuigd dat dat inderdaad het geval is.

21. Mijns inziens zou het onlogisch zijn te stellen, dat verzoekster zich op artikel 48, lid 2, kon beroepen zolang zij alleen haar oorspronkelijke Duitse nationaliteit bezat, maar dat haar recht, op te komen tegen discriminerende handelwijzen, plotseling verviel toen zij door haar huwelijk de Italiaanse nationaliteit verkreeg. Dat verzoekster de Italiaanse nationaliteit heeft verkregen, is toevallig en niet ter zake dienend, aangezien het geen enkele wijziging brengt in het fundamentele feit dat zij het slachtoffer is van een handelwijze die neerkomt op verkapte discriminatie op grond van de nationaliteit. Bovendien heeft zij van deze handelwijze te lijden omdat zij eerst in haar Lid-Staat van herkomst heeft gewerkt en nu in een andere Lid-Staat wil werken. Derhalve behoort zij duidelijk tot de categorie personen die voor het in artikel 48 neergelegde recht op vrij verkeer in aanmerking behoren te komen. Zij kan niet buiten die categorie zijn gevallen enkel doordat zij de nationaliteit heeft verkregen van de Lid-Staat waarin zij haar recht op vrij verkeer wenst uit te oefenen.

22. Zelfs indien verzoekster Italiaanse van geboorte was en met gebruikmaking van haar recht op vrij verkeer overeenkomstig artikel 48 bij de Duitse posterijen was gaan werken, zou zij mijns inziens de Italiaanse autoriteiten niettemin mogen verzoeken, deze ervaring in aanmerking te nemen alsof zij in Italië was opgedaan. Het is echter mogelijk, dat daartoe niet zozeer een beroep zou moeten worden gedaan op artikel 48, lid 2, maar op artikel 48, lid 1, dat zoals gezegd bepaalt, dat "het vrije verkeer van werknemers (...) binnen de Gemeenschap uiterlijk aan het einde van de overgangsperiode tot stand (wordt) gebracht". Die totstandkoming zou niet gewaarborgd zijn indien een Lid-Staat personen kon ontmoedigen om een betrekking in andere Lid-Staten te aanvaarden, door in andere Lid-Staten opgedane ervaring niet in aanmerking nemen wanneer de betrokkenen naar hun land van herkomst terugkeren. Het is duidelijk dat handelwijzen van openbare lichamen van een Lid-Staat, waardoor het vrije verkeer van werknemers wordt belemmerd, door alle gemeenschapsonderdanen, met inbegrip van de onderdanen van de betrokken staat, kunnen worden aangevochten.(12)

23. Het belang van deze belemmering van het vrije verkeer moet niet worden onderschat. Stel bij voorbeeld dat een leraar met de nationaliteit van Lid-Staat A gedurende 20 jaar gaat werken in Lid-Staat B voordat hij besluit zijn loopbaan in Lid-Staat A voort te zetten en dat de autoriteiten van dat land zijn rang en salaris bepalen zonder rekening te houden met de in Lid-Staat B opgedane ervaring. Indien deze handelwijze toelaatbaar was, zouden de daardoor getroffen werknemers zo krachtig worden gestimuleerd om hun gehele loopbaan in een enkele Lid-Staat te verwezenlijken, dat het vrije verkeer een hersenschim zou zijn.

24. Hoewel men particuliere werkgevers wellicht niet kan verplichten, in andere Lid-Staten opgedane ervaring in aanmerking te nemen, komt het mij voor dat een openbaar lichaam dat optreedt als werkgever, in beginsel krachtens artikel 48 EEG-Verdrag en artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1612/68 in andere Lid-Staten opgedane ervaring moet gelijkstellen met ervaring in de betrokken Lid-Staat, wanneer het moet beslissen of en onder welke voorwaarden het een gemeenschapsonderdaan in dienst neemt.

25. Uit het arrest Sotgiu blijkt, dat verkapte discriminatie niet wordt verboden door artikel 48, lid 2, indien het verschil in behandeling objectief gerechtvaardigd is. Derhalve had de universiteit van Cagliari de door verzoekster bij de Duitse posterijen opgedane ervaring geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing mogen laten indien er gegronde redenen waren om aan te nemen dat die ervaring niet even relevant was als ervaring bij de Italiaanse posterijen, een en ander gelet op de aard van de betrekking waarnaar verzoekster solliciteerde.

26. Om te beoordelen of de weigering van de universiteit om in een andere Lid-Staat opgedane ervaring te erkennen, objectief gerechtvaardigd is, zou het nuttig zijn, even stil te staan bij het doel van de regel volgens welke punten worden toegekend voor eerdere werkzaamheden die een kandidaat in overheidsdienst heeft verricht. In dit verband wil ik erop wijzen, dat volgens de door de jury toegepaste regel ook punten moesten worden toegekend voor eerdere ervaring in functies die geen verband hielden met die van restaurantmedewerker. Het ligt dan ook voor de hand, dat in casu geen argumenten zouden kunnen worden ontleend aan de onmiskenbare verschillen tussen de functie van een postbeambte en die van een restaurantmedewerker of de even duidelijke verschillen tussen de gastronomische tradities van Duitsland en Italië. Aan verzoeksters ervaring werd voorbijgegaan, niet omdat deze betrekking had op een ander soort werk, maar omdat zij was opgedaan in een andere Lid-Staat.

27. Wat is dan het doel van een regel op grond waarvan punten worden toegekend voor eerdere werkzaamheden die een kandidaat in overheidsdienst heeft verricht, ook al verschilden de verrichte taken volledig van de bij de vacatures behorende taken? Volgens mij heeft deze regel voornamelijk tot doel, waardering te tonen voor degenen die hun geschiktheid voor de overheidsdienst hebben aangetoond, in de veronderstelling dat degenen die de staat in zijn vele uitingsvormen dienen, een speciaal ethos ontwikkelen - dat wellicht niet door werknemers van particuliere ondernemingen wordt gedeeld - en worden gemotiveerd door factoren die in belangrijke mate verschillen van de in de privé-sector heersende factoren. Kenmerkend hiervoor is, dat een betrekking in overheidsdienst de bereidheid impliceert om een betrekkelijk bescheiden financiële beloning te aanvaarden in ruil voor grotere zekerheid op lange termijn, tegelijkertijd misschien met de voldoening om de samenleving te dienen.

28. Indien dit het werkelijke doel van de betrokken regel is, begrijp ik niet om welke objectieve reden eerdere werkzaamheden van een kandidaat in de overheidsdienst van een andere Lid-Staat buiten beschouwing kan worden gelaten. Een kandidaat die bij de Duitse posterijen heeft gewerkt, kan even goed een bijzondere geschiktheid voor de overheidsdienst hebben ontwikkeld als een kandidaat die bij de Italiaanse posterijen heeft gewerkt. De gedachte dat iemand die in Duitsland in overheidsdienst heeft gewerkt, daarom minder verdienstelijk zou zijn dan iemand die in Italiaanse overheidsdienst heeft gewerkt, is zonder meer in strijd met de hele geest van het gemeenschapsrecht.

29. Ten slotte zou ik kort willen ingaan op de bezorgdheid van de Franse regering ten aanzien van de verdere implicaties van een uitspraak volgens welke in andere Lid-Staten opgedane ervaring in aanmerking moet worden genomen bij de bezetting van posten in overheidsdienst.

30. Voor zover in de eerste plaats zou moeten worden vastgesteld, of ervaring in een andere Lid-Staat al dan niet in overheidsdienst is opgedaan, zie ik niet hoe dit praktische probleem gevolgen kan hebben voor de toepassing van het beginsel, dat gemeenschapsonderdanen op het gebied van de werkgelegenheid niet mogen worden gediscrimineerd op grond van nationaliteit. Indien er enige twijfel rijst of de voorgaande werkgever van een kandidaat in een andere Lid-Staat tot de overheids- of privé-sector behoort, kan die twijfel gemakkelijk worden weggenomen, bij voorbeeld op basis van door de betrokken werkgever afgegeven certificaten dan wel door de consulaire autoriteiten van de Lid-Staat waar de werkgever is gevestigd.

31. Voor zover de mogelijkheid bestaat om in vacatures te voorzien door middel van interne procedures, die zijn voorbehouden aan ambtenaren in dienst bij bepaalde ministeries of openbare lichamen, geloof ik niet dat de uitspraak in deze zaak vooruit hoeft te lopen op de vraag of bedoelde procedures wettig zijn. Indien deze onderdanen van andere Lid-Staten benadelen, zal deze kwestie misschien in een volgende zaak in geding worden gebracht en zal het Hof zich hierover in het kader van een specifieke feitelijke situatie kunnen uitspreken.

32. Wat betreft de vraag of eerdere ervaring die een ambtenaar in een andere Lid-Staat heeft opgedaan, ook in aanmerking moet worden genomen gedurende diens verdere loopbaan, wijs ik erop dat dit probleem in de onderhavige zaak evenmin rechtstreeks aan de orde wordt gesteld. Gelet op de door de Franse regering uitgesproken bezorgdheid zou het mijns inziens verkieslijk zijn indien het Hof zijn uitspraak zou beperken tot de kwestie van de discriminatie waarvan een gemeenschapsonderdaan het slachtoffer wordt bij zijn aanvankelijke aanwerving door een openbaar lichaam van een Lid-Staat.

Conclusie

33. Ik geef het Hof in overweging, de door het Tribunale amministrativo regionale per la Sardegna gestelde vraag te beantwoorden als volgt:

Artikel 48 EEG-Verdrag juncto artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer een openbaar lichaam van een Lid-Staat bij de aanwerving van personeel voor betrekkingen die niet vallen onder de werkingssfeer van artikel 48, lid 4, EEG-Verdrag, bepaalt dat rekening zal worden gehouden met eerdere werkzaamheden van de kandidaten in overheidsdienst, dit lichaam met betrekking tot gemeenschapsonderdanen geen onderscheid mag maken tussen werkzaamheden in overheidsdienst van die staat en werkzaamheden in overheidsdienst van een andere Lid-Staat.

(*) Oorspronkelijke taal: Engels.

(1) - De verwijzingsbeschikking maakt melding van nog een partij bij de procedure, namelijk C. Porcedda. Uit de stukken blijkt dat zij een van de geslaagden voor het vergelijkend onderzoek was.

(2) - Arrest van 12 februari 1974, zaak 152/73, Jurispr. 1974, blz. 153.

(3) - PB 1968, L 257, blz. 2.

(4) - Arrest van 7 maart 1991, zaak C-10/90, Masgio, Jurispr. 1991, blz. I-1119, r.o. 12 en 13.

(5) - Arrest van 7 juli 1992, zaak C-370/90, Singh, Jurispr. 1992, blz. I-4265.

(6) - Arresten van 15 oktober 1969, zaak 15/69, Suedmilch, Jurispr. 1969, blz. 363; 7 juni 1988, zaak 20/85, Roviello, Jurispr. 1988, blz. 2805; 7 maart 1991, zaak C-10/90, Masgio (reeds aangehaald in voetnoot 4) en 4 oktober 1991, zaak C-349/87, Paraschi, Jurispr. 1991, blz. I-4501.

(7) - Arrest van 17 december 1980, zaak 149/79, Commissie/België, Jurispr. 1980, blz. 3881, r.o. 10; zie ook arrest van 3 juni 1986, zaak 307/84, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1986, blz. 1725.

(8) - Ibidem.

(9) - Zie laatstelijk het arrest van 10 maart 1993 (zaak C-111/91, Commissie/Luxemburg, Jurispr. 1993, blz. I-817), waarin de vaste rechtspraak sinds het arrest Sotgiu (aangehaald in voetnoot 2) werd bevestigd.

(10) - Arrest van 4 december 1974, zaak 41/74, Jurispr. 1974, blz. 1337.

(11) - Arrest van 7 mei 1986, zaak 131/85, Jurispr. 1986, blz. 1573.

(12) - Zie het arrest van 31 maart 1993 (zaak C-19/92, Kraus, Jurispr. 1993, blz. I-1663, r.o. 16 en 17), dat betrekking had op de verplichting van een Lid-Staat tot erkenning van door zijn onderdanen in andere Lid-Staten verworven academische titels; zie ook mijn conclusie in zaak C-111/91, Commissie/Luxemburg, punt 19 (aangehaald in voetnoot 9).