22.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 110/20


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de situatie van Romavrouwen

(verkennend advies op verzoek van het Europees Parlement)

(2019/C 110/04)

Rapporteur:

Ákos TOPOLÁNSZKY

Raadpleging

Europees Parlement, 30.5.2018

Rechtsgrondslag

Artikel 304, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Bevoegde afdeling

Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap

Goedkeuring door de afdeling

7.11.2018

Goedkeuring door de voltallige vergadering

12.12.2018

Zitting nr.

539

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

196/2/5

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Veel Romavrouwen (en -meisjes) zijn blootgesteld aan meervoudige en intersectionele discriminatie, waardoor ze in een situatie blijven steken waarin ze hun rechten slechts in beperkte mate kunnen uitoefenen. Romavrouwen vormen de meest kwetsbare minderheidsgroep van de EU. De Europese democratieën hebben de uiterst belangrijke taak en plicht om een einde te maken aan deze situatie.

1.2.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) dankt de talloze Romavrouwen voor hun huidige of vroegere vastberadenheid om op moedige wijze de strijd aan te binden met discriminerende structuren en institutioneel geweld, om in alle vrijheid en zonder discriminatie te kunnen samenleven in Europa.

1.3.

Gesegregeerd onderwijs, waarvan het lage niveau precies verband houdt met de discriminatie waardoor het wordt gekenmerkt, moet onmiddellijk worden afgeschaft. Hierbij moet ervoor worden gezorgd dat jonge Romameisjes ook volledig toegang hebben tot een kwaliteitsvol openbaar onderwijs. De bepalingen met betrekking tot speciale scholen en sturingsprocedures moeten zo snel mogelijk grondig worden herzien.

1.4.

Het EESC verwacht van de lidstaten dat zij prioriteit geven aan het uitbannen van gezondheidspraktijken die in strijd zijn met redelijke ethische normen en de daarmee verband houdende wetgeving, en dat zij illegale praktijken zoals gedwongen sterilisatie, weigering van gezondheidszorg op grond van etniciteit of het verlenen van diensten van mindere kwaliteit strafbaar stellen.

1.5.

De lidstaten moeten discriminerende vormen en bepalingen met betrekking tot werkgelegenheid onmiddellijk schrappen en tegelijkertijd uitgewerkte beleidslijnen invoeren die Romavrouwen meer kansen bieden om werk te vinden.

1.6.

Het is belangrijk om een aanvaardbare minimale norm voor huisvesting en openbare diensten vast te stellen, goed te keuren en te laten naleven als grondrecht, eventueel door deze in de grondwet van de lidstaten op te nemen.

1.7.

Er moet streng en zonder discriminatie worden opgetreden tegen alle vormen van mensenhandel en haatmisdrijven waarvan de Roma en met name de vrouwen van deze gemeenschap het slachtoffer zijn.

1.8.

Romavrouwen hebben slechts erg beperkte mogelijkheden om beleidsmaatregelen die hun eigen lot kunnen beïnvloeden uit te werken en te beoordelen. Hun deelname aan dergelijke programma’s moet in voldoende mate worden gewaarborgd.

1.9.

In tegenstelling tot wat momenteel in de meeste lidstaten gebeurt, moet in de Europese en nationale inhaalstrategieën voor de periode na 2020 bijzondere aandacht worden besteed aan de zorgen en belangen van Romavrouwen.

2.   De situatie van Romavrouwen in de Europese Unie

2.1.

Veel Romavrouwen (en -meisjes) zijn blootgesteld aan meervoudige en intersectionele discriminatie, waardoor ze in een situatie blijven steken waarin ze hun rechten slechts in beperkte mate kunnen uitoefenen. Romavrouwen vormen de meest kwetsbare minderheidsgroep van de EU. Deze situatie moet worden beschouwd als een systematische aanval op de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten waardoor de Europese gedachte, die gebaseerd is op de waarden die zijn vastgelegd in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (1) en in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (2), aanzienlijk wordt verzwakt. Er is de jongste jaren weinig vooruitgang geboekt op dit gebied.

2.2.

Hoewel de meeste lidstaten niet beschikken over gegevens die zijn opgesplitst naar etnische groepen en geslacht, geeft het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) een nauwkeurig beeld van de ongunstige situatie waarin Romavrouwen zich bevinden (hoofdzakelijk in het kader van het EU-MIDIS II-onderzoek (3)). Hieruit blijkt dat Romavrouwen in alle sectoren van de samenleving worden benadeeld, niet alleen ten opzichte van de algemene bevolking, maar ook ten opzichte van de mannen binnen hun eigen gemeenschap.

2.3.

Het EESC is ervan overtuigd dat de kracht van de eerder aangehaalde Europese gedachte evenredig is aan de mate waarin de zwakste EU-burgers ervan kunnen profiteren. Het vaststellen van de nodige maatregelen om de situatie van Romavrouwen en -meisjes te verbeteren en hun empowerment te bevorderen is daarom niet alleen een verplichting voor de instellingen en de lidstaten van de EU, het vormt meteen ook een test voor de kwaliteit van hun democratische organisatie en de maturiteit van hun rechtsstaat.

3.   Algemene opmerkingen

3.1.

In artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie worden onder meer gelijkheid en eerbiediging van de mensenrechten, met inbegrip van de rechten van personen die tot minderheden behoren, genoemd als de belangrijkste waarden die aan de Europese gedachte ten grondslag liggen. Er is pas sprake van doeltreffende toepassing van deze rechten als er ook ten gunste van de meest gemarginaliseerde en gediscrimineerde groepen concrete veranderingen worden gegarandeerd, waarbij discriminatie, segregatie en zigeunerhaat een manifeste ontkenning van deze waarden vormen.

3.2.

De economische empowerment van Romavrouwen en de toepassing van de mensenrechten en fundamentele vrijheden waar zij op politiek, economisch, sociaal, cultureel en burgerlijk gebied recht op hebben en die grondwettelijk moeten worden gewaarborgd, vereisen gelijke rechten voor Romamannen en -vrouwen.

3.3.

In deze context keurt het EESC, in de lijn van zijn eerdere adviezen (4), de doelstellingen van de kaderstrategie van de EU goed. Dit keer ligt de nadruk evenwel meer specifiek op de behoefte aan een coherente uitvoering en op de vooruitgang die te wensen overlaat.

3.4.

Het EESC stelt ook vast dat zigeunerhaat op bijna alle activiteitenniveaus van de lidstaten, zowel bij overheden als bij instellingen, kan worden waargenomen, waardoor Roma geen eerlijke toegang hebben tot overheidsdiensten. Het komt er dus op neer dat zij niet in staat worden gesteld hun gelijke rechten en de verplichting tot gelijke behandeling jegens hen te doen gelden, dat zij geen politieke beslissingen kunnen nemen over kwesties die hen aangaan in verhouding tot hun aandeel in de totale bevolking, en dat zij zich niet kunnen beschermen tegen de gevolgen van discriminatie. Dit alles geldt des te meer voor Romavrouwen.

3.5.

Om de systematische schendingen van de rechten van Roma-vrouwen in kaart te brengen, dringt het Comité aan op de opstelling van „witboeken”, met de hulp van onafhankelijke en geloofwaardige organisaties van de Roma-gemeenschap, door hen te raadplegen en officieel te erkennen, zodat de basis kan worden gelegd voor een historische verzoening.

3.6.

Het EESC dankt de talloze Romavrouwen voor hun huidige of vroegere vastberadenheid om op moedige wijze de strijd aan te binden met discriminerende structuren en institutioneel geweld, om in alle vrijheid en zonder discriminatie te kunnen samenleven in Europa.

4.   Specifieke gebieden van overheidsbeleid (5)

4.1.   Onderwijs

4.1.1.

Gesegregeerd onderwijs is altijd onwettig en leidt noodzakelijkerwijs tot een ongunstig resultaat. De negatieve gevolgen van de segregatie in het onderwijs treffen vooral jonge Romameisjes, waardoor hun kansen op sociale mobiliteit worden geblokkeerd. Alle mogelijke wettelijke middelen en doelgerichte hulp voor openbaar beleid moeten dan ook worden ingezet, en men moet de nodige bijkomende uitgaven waarborgen om, overeenkomstig de verwachtingen van de EU, iets te doen aan het lage niveau van het gesegregeerde onderwijs, dat te wijten is aan discriminatie. Tegelijk moet erop worden toegezien dat jonge Romameisjes volledig toegang hebben tot een kwaliteitsvol openbaar onderwijs. De regeringen moeten zorgen voor gepaste personele middelen, opleidingen en pedagogische programma’s.

4.1.2.

De ongefundeerde diagnose van mentale achterstand en de segregatie in het onderwijs waarvan Romakinderen het slachtoffer kunnen zijn, moeten worden beschouwd als zeer ernstige schendingen van hun rechten, die een zware hypotheek leggen op hun toekomst. Dergelijke beoordelingen moeten regelmatig worden geverifieerd door gespecialiseerde, onafhankelijke instellingen. De verificatieprocedure moet ongehinderd kunnen worden opgestart op verzoek van elke betrokken partij, in de eerste plaats een ouder of een voogd, of de school.

4.1.3.

Bij een vermoeden van herhaaldelijke en met name systematische beoordelingsfouten die segregatie tot doel of als resultaat hebben, moeten de lidstaten worden verplicht zo snel mogelijk een grondig onderzoek te voeren naar de oorzaken, de besluiten ervan te publiceren, deze te evalueren in het kader van de nationale mechanismen ter bestrijding van segregatie en passende wetgevings- en handhavingsmaatregelen te nemen.

4.1.4.

In afwachting hiervan moet ervoor worden gezorgd dat het pedagogisch niveau van de speciale klassen dichter bij dat van het algemeen onderwijs wordt gebracht, zodat ze niet louter pedagogische „vergeetputten” zijn.

4.1.5.

Het EESC is voorstander van een beperking, bevriezing of, in het geval van systematische problemen, een volledige intrekking van Europese financieringen voor landen waar de segregatie op school niet afneemt of zelfs toeneemt. Het Comité hoopt dat de mechanismen voor juridische bescherming van de Europese Unie (artikel 7 en reddingsmechanisme van de rechtsstaat) in dergelijke situaties snel en efficiënt in werking treden.

4.1.6.

Om hun onderwijskansen te vergroten en het risico van voortijdig schoolverlaten te verminderen moet er voor Romavrouwen een reeks onderwijsprogramma’s en tweedekansonderwijs worden opgezet, zodat zij toegang krijgen tot andere dan door de overheid gesubsidieerde, minderwaardige, gedeeltelijk aangegeven of atypische banen, die hun kansen op sociale mobiliteit blokkeren.

4.2.   Gezondheid

4.2.1.

Romavrouwen, die vaak in getto’s of moeilijk toegankelijke gebieden leven, krijgen vaak te maken met verstoting, vernedering of zelfs fysiek en psychologisch geweld in het kader van de gezondheidszorg. Wat hun reproductieve gezondheid betreft, hebben ze meestal een zeer beperkte toegang tot hun rechten. Het EESC vraagt de lidstaten onmiddellijk mobiele eenheden in het leven te roepen en in te zetten die zijn uitgerust met geschikte apparatuur en capaciteiten voor bevolkingsgroepen die in segregatie leven. Het vraagt ook de werking van de diensten met betrekking tot moederschap en zwangerschap te herzien en de nodige verbeteringen aan te brengen.

4.2.2.

Het EESC verwacht van de lidstaten dat zij prioriteit geven aan het uitbannen van gezondheidspraktijken die in strijd zijn met redelijke ethische normen en de daarmee verband houdende wetgeving, en dat zij indien nodig systematisch vervolgingen uitvoeren. Er moet worden gezorgd voor gratis en gemakkelijk toegankelijke rechtsmiddelen om de naleving van de gezondheidsrechten af te dwingen, alsook voor speciale diensten die de werkelijke behoeften van de betrokkenen weerspiegelen, zoals de oprichting van informatiepunten over gezondheid, de opleiding en inzet van gezondheidsbemiddelaars of de uitvoering van initiatieven op het gebied van de volksgezondheid die betrekking hebben op gettobevolkingen.

4.2.3.

Het is dringend noodzakelijk dat de regeringen zich publiekelijk en duidelijk uitspreken voor het beginsel van gelijke toegang tot de gezondheidszorg en de praktische toepassing daarvan, alsmede voor de bestrijding van praktijken die daartegen indruisen, en dat voor alle betrokkenen bewustmakingsprogramma’s worden opgezet. Het is belangrijk om de nodige wetgevingsmiddelen in te zetten die ervoor zorgen dat Romavrouwen en -kinderen die niet over een basisgezondheidszorgverzekering beschikken, toch zijn gedekt.

4.3.   Gedwongen sterilisatie

4.3.1.

In talloze landen waar de reproductieve rechten van vrouwen in het verleden systematisch werden geschonden, en waar gedwongen en verplichte sterilisatie massaal werd toegepast en gebruikt als instrument van het overheidsbeleid, heeft het politieke niveau zelfs geen excuses aangeboden of verantwoordelijkheid op zich genomen. Waar dit wel is gebeurd, is er niet voorzien in juridisch of financieel herstel. Het Comité stelt voor dat de Europese wetgever alles in het werk stelt opdat de lidstaten in het kader van de harmonisering van de Europese strafwet de verjaringstermijn voor dit soort strafbare feiten — waarvan de inhoud kan worden gelijkgesteld met misdaden tegen de menselijkheid — aanzienlijk verlengen of zelfs volledig schrappen en een specifieke wetgeving vaststellen zodat de slachtoffers een daadwerkelijk herstel en een financiële compensatie kunnen krijgen.

4.3.2.

Deze situatie moet in alle eerlijkheid worden belicht en er moet volledige transparantie zijn om tot verzoening te komen en elke inbreuk door de overheid in de toekomst onmogelijk te maken. Het EESC raadt dan ook aan dat onafhankelijke comités van historici, in samenwerking met de slachtoffers en hun vertegenwoordigers, zich in de betreffende lidstaten buigen over de inbreuken die in het verleden zijn gepleegd en de resultaten ervan publiceren in het kader van een sociaal verzoeningsproces, naar het voorbeeld van wat Zweden heeft gedaan met het desbetreffende „witboek”.

4.4.   Werkgelegenheid

4.4.1.

Op de arbeidsmarkt hebben Romavrouwen het nog lastiger dan de mannen uit hun gemeenschap; alle indicatoren met betrekking tot hun werkgelegenheid zijn van een dramatisch laag niveau.

4.4.2.

Het EESC roept de lidstaten op de nodige doelgerichte en algemene maatregelen te nemen om de economische empowerment van Romavrouwen te bevorderen en ze hiertoe de juiste vaardigheden aan te leren. De bevordering van bedrijven in de sociale economie, de invoering van microkredietprogramma’s en vrije en niet-discriminerende toegang tot arbeidsmarktgerelateerde uitkeringen spelen een bijzonder belangrijke rol in de strijd tegen armoede en sociale uitsluiting.

4.4.3.

Ondernemers zijn belangrijker geworden als scheppers van banen en belangrijke actoren voor het welzijn van lokale en regionale gemeenschappen. Dit is met name relevant voor Roma-gemeenschappen. In het kader van het beleid dat gericht is op de behoeften van ondernemende Romavrouwen en kleine en middelgrote ondernemingen moeten specifieke maatregelen worden genomen, niet alleen om de positie van Romavrouwen te versterken, maar ook om hun initiatieven op het gebied van gemeenschapsprojecten en ondernemerschap te ondersteunen. Aangezien een dergelijk beleid, dat specifiek gericht is op de ondersteuning van Romavrouwen, momenteel in de meeste lidstaten volledig ontbreekt, dringt het EESC erop aan dat de mogelijkheden die zo’n beleid kan bieden, worden benut.

4.4.4.

Het Comité vraagt de overheden op alle niveaus van de samenleving om opleidingen op de arbeidsmarkt te organiseren, werkgelegenheid te creëren en voldoende vormen van gesubsidieerd werk in het leven te roepen. Het is belangrijk dat zij reiskostenvergoedingen en steun voor verdere opleiding en bij- en nascholing verstrekken en via gerichte beleidsinstrumenten Romavrouwen in kwetsbare situaties helpen om werk en gezinsleven te combineren.

4.4.5.

De lidstaten moeten alles in het werk stellen om Romavrouwen uit hun kwetsbare positie op de arbeidsmarkt te halen en de vormen van (bijna-)dwangarbeid, grijze of illegale arbeid waarvan zij slachtoffer zijn te elimineren.

4.4.6.

Om die reden, en gezien het belang van de integratie van deze vrouwen op de arbeidsmarkt, is het belangrijk dat er tweedekansprogramma’s inzake werkgelegenheid worden opgezet en dat zij bijstand van bemiddelaars krijgen, evenals reiskostenvergoedingen en opleidingssteun. Bovendien moet alles in het werk worden gesteld om discriminatie op de werkplek uit te roeien en bedrijfsleiders te sensibiliseren.

4.5.   Huisvesting, openbare diensten

4.5.1.

Vrouwen en kinderen hebben het meest te lijden onder de desastreuze gevolgen van de segregatie op het dagelijks leven. Het EESC benadrukt dan ook dat ook op deze gebieden een aanvaardbare minimumnorm moet worden opgelegd voor huisvesting, openbare diensten en infrastructuur, die moet worden toegepast als basisrecht, en bij voorkeur verankerd wordt in de grondwetten van de lidstaten.

4.5.2.

Het EESC stelt voor dat het voldoen aan deze behoeften (dankzij bijvoorbeeld de verstrekking van drinkwater, elektriciteit, zuivering of behandeling van afvalwater, asfaltering van wegen, afvalverwijdering, toegankelijkheid van openbare diensten enz.) een absolute voorwaarde zou moeten zijn om verder te kunnen investeren in stadsontwikkeling en om subsidies te krijgen en te gebruiken.

4.5.3.

Er moet een einde worden gemaakt aan de ongerechtvaardigde en illegale uitwijzingen en er moet op worden toegezien dat Romavrouwen die hiervan het slachtoffer zijn een specifieke juridische bescherming kunnen genieten die beschikbaar en toegankelijk is. Vrouwen die door deze gedwongen uitwijzingen getraumatiseerd zijn, moeten een schadevergoeding kunnen krijgen.

4.6.   Gewelddadige structuren doen verdwijnen

4.6.1.

Romavrouwen en -meisjes zijn bijzonder kwetsbaar in situaties van discriminatie en segregatie en worden gemakkelijk slachtoffer van criminaliteit en geweld. Ze worden onevenredig zwaar getroffen door alle gekende vormen van uitbuiting en mensenhandel.

4.6.2.

Het Comité is het ermee eens dat alle vormen van mensenhandel en geweld tegenover Romavrouwen flagrante inbreuken vormen op de grondrechten van de mens, die uitdrukkelijk verboden zijn door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en dat de lidstaten hier iets aan moeten doen (6). Het gaat om ernstige strafbare feiten die beantwoorden aan een vraag en die, onder zeer verschillende vormen, uitzonderlijk rendabel zijn voor de georganiseerde transnationale criminaliteit, en waaraan Romavrouwen en -kinderen op onevenredige wijze zijn blootgesteld.

4.6.3.

Het EESC hoopt dat de lidstaten deze nieuwe, voortdurend evoluerende vormen van criminaliteit onverwijld strafbaar zullen stellen in hun nationale strafwet, en dat zij hiertegen gecoördineerde en doelgerichte gerechtelijke maatregelen zullen nemen en in de mate van het mogelijke de kanalen voor winst die op criminele wijze is verkregen zullen onderbreken of zelfs in de mate van het mogelijke zullen doen verdwijnen. We moeten ons buigen over de ruimere sociaaleconomische context waarin deze criminele feiten worden begaan, situaties van armoede, discriminatie en kwetsbaarheid in kaart brengen, en op coherente wijze de nodige (strategische, wetgevende, financiële, educatieve, onderzoeks- en andere) instrumenten van sociaal beleid invoeren om deze inbreuken aan te pakken.

4.6.4.

Het geweld dat Romavrouwen ondergaan, kan zowel afkomstig zijn van de maatschappij in het algemeen als van hun eigen gemeenschap. Het is in elk geval belangrijk om vastberaden op te treden tegen alle vormen van punctueel en georganiseerd geweld in het kader van een op het slachtoffer gerichte, genderbewuste aanpak waarbij rekening wordt gehouden met de bijzondere kwetsbaarheid van vrouwen en kinderen en met de speciale bescherming die zij moeten krijgen, en die toegespitst is op de mensenrechten.

4.6.5.

Het Comité is verheugd dat de EU, dankzij de ondertekening door de Europese Commissie, partij is geworden bij het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, algemeen gekend als het Verdrag van Istanbul. Het vraagt alle lidstaten van de EU het verdrag onmiddellijk te ratificeren en zonder voorbehoud en met vastberadenheid te beginnen met de tenuitvoerlegging ervan, rekening houdend met de bijzondere blootstelling van Romavrouwen op dit gebied.

4.6.6.

Romavrouwen en -meisjes zijn ook onevenredig vaak doelwit en slachtoffer van haatmisdrijven en met name van haatzaaiende uitspraken. Er moeten maatregelen worden vastgesteld om de toegang tot de rechter voor de betrokkenen te vergemakkelijken en, met behulp van maatschappelijke organisaties, de instrumenten in te voeren waarmee mensen bewust worden gemaakt van de opsporing van dergelijke strafbare feiten.

4.6.7.

Het EESC ondersteunt de geografische uitbreiding en de invoering van JUSTROM, het gezamenlijke programma van de Raad van Europa en de Europese Commissie om de toegang van Romavrouwen tot de rechter te waarborgen.

4.6.8.

Het Comité wijst erop dat alle institutionele vormen van zigeunerhaat en segregatie ook als een vorm van gewelddadige inbreuk kunnen worden beschouwd. Het benadrukt dat het van belang is om te voorzien in een bescherming tegen dit soort inbreuken in de institutionele diensten die door de staat worden gefinancierd (instellingen voor kinderbescherming, sociale diensten en gezondheidszorgdiensten) alsook in staatsstructuren voor ordehandhaving en dergelijke (politiediensten, strafrecht en gevangenissen), allemaal contexten waarin de kwetsbaarheid van Romavrouwen bijzonder groot is. Het Comité wijst erop dat het belangrijk is om in deze gevallen een gemakkelijke en vrije toegang tot rechtsbescherming te waarborgen.

4.6.9.

Het nationaal en internationaal recht moet gedwongen huwelijken gelijkstellen met een vorm van mensenhandel en hiernaar handelen. Alle instrumenten en programma’s voor preventie en bescherming waarin is voorzien in het kader van de strijd tegen mensenhandel moeten ter beschikking worden gesteld van de slachtoffers van gedwongen kinderhuwelijken.

4.7.   Inclusie en participatie

4.7.1.

Romavrouwen hebben slechts erg beperkte mogelijkheden om beleidsmaatregelen die hun eigen lot kunnen beïnvloeden uit te werken en te beoordelen. Het EESC benadrukt dan ook dat het, vanuit het beginsel „niets over ons zonder ons”, absoluut noodzakelijk is om Romavrouwen op gepaste schaal te betrekken bij het ontwerp, de planning, de tenuitvoerlegging en de beoordeling van alle programma’s die hen of hun gemeenschappen aangaan. Het EESC stelt voor dat de actieve deelname van Romavrouwen ten minste gelijk moet zijn aan een meerderheid voor programma’s gericht op Romavrouwen, en ten minste 30 % voor programma’s gericht op Roma-gemeenschappen. Er moet een systeem van permanente evaluatie worden ingevoerd om deze deelname op betrouwbare wijze te meten.

4.7.2.

Het EESC stelt voor deze deelnamepercentages op verifieerbare wijze in te voeren bij de instanties die verantwoordelijk zijn voor nationale en regionale beleidsmaatregelen voor inclusie (nationale, regionale en departementale coördinatieraden, commissies voor de strijd tegen segregatie enz.).

4.7.3.

Het vraagt de regeringen en overheden een echt grondige beleidsdialoog aan te gaan met de vertegenwoordigers van Romavrouwen op alle niveaus van het maatschappelijk leven, en institutionele structuren voor een dergelijke dialoog in het leven te roepen. Daartoe beveelt het Comité aan specifieke juridische instanties op te richten, zoals comités voor vrouwen in het kader van de nationale platforms voor Roma, waar Romavrouwen op gerichte wijze hun eigen vertegenwoordiging kunnen waarborgen, of een onafhankelijke Europese Ombudsman voor Romavrouwen.

4.7.4.

Het Comité merkt op dat het standpunt van Romavrouwen vaak ontbreekt of nauwelijks is vertegenwoordigd, zowel in de huidige Europese kaderstrategie als in de nationale strategieën voor integratie van Roma. Er moet veel meer worden geluisterd naar de mening van de vertegenwoordigers van Romavrouwen, niet alleen in het kader van de processen voor de periode na 2020, maar ook bij de opstelling van de toekomstige strategieën voor sociale inclusie.

Brussel, 12 december 2018.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Luca JAHIER


(1)  https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX%3A12012M%2FTXT

(2)  https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:12012P/TXT&from=nl

(3)  http://fra.europa.eu/en/project/2015/eu-midis-ii-european-union-minorities-and-discrimination-survey/publications

(4)  PB C 248 van 25.8.2011, blz. 16, PB C 67 van 6.3.2014, blz. 110, PB C 11 van 15.1.2013, blz. 21.

(5)  Van de vele voorstellen die tot nu toe zijn gedaan door de Romagemeenschap, maatschappelijke organisaties die zich inzetten voor de rechten van de Roma, de wetenschappelijke wereld, internationale organisaties en het EESC, worden in dit advies alleen die voorstellen genoemd die van bijzonder belang zijn voor de tenuitvoerlegging van de rechten van Romavrouwen.

(6)  Artikel 5, lid 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.