CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL

P. VERLOREN VAN THEMAAT

VAN 21 JUNI 1984 ( 1 )

Mijnheer cíe President,

mijne heren Rechters,

Van de schriftelijke opmerkingen in deze zaak — het rapport ter terechtzitting vat ze voortreffelijk samen — lijken enkel die van de Commissie mij volstrekt overtuigend, en ik moet meteen zeggen dat de nieuwe argumenten die deze morgen zijn aangevoerd, mij in zoverre niet van mening hebben doen veranderen.

De Belgische Rijksdienst voor Werknemerspensioenen (RWP) hecht in zijn schriftelijke opmerkingen mijns inziens te veel belang aan de Belgische wetgeving terzake. Het is echter duidelijk dat de tekst van een nationale wet niet bepalend kan zijn voor de uitlegging van het gemeenschapsrecht.

Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, kunnen de feitelijke argumenten die de vertegenwoordiger van de Rijksdienst ter terechtzitting heeft aangevoerd, in een prejudiciële procedure voor het Hof niet beslissend zijn. Ook ik ben van mening, dat het Hof alleen maar kan uitgaan van de feiten die blijken uit het verwijzingsvonnis en uit de prejudiciële vragen.

Zou de verwijzende rechter achteraf moeten vaststellen dat die feiten niet juist zijn, dan is dat zijn beslissing, maar het is niet iets waarmee het Hof rekening moet houden, want dit behoeft zich slechts uit te spreken over een hypothetische situatie. De verwijzende rechter zal hebben uit te maken of de feitelijke situatie met die hypothetische overeenkomt.

De opmerkingen van verzoeksters in het hoofdgeding, de Italiaanse en de Britse regering doen niet voldoende duidelijk uitkomen dat, zoals wel duidelijk uit de feitelijke probleemstelling blijkt, verordening nr. 1408/71 geen oplossing voor het vraagstuk kan bieden. Wat appellante in het hoofdgeding vraagt, is het gewaarborgd inkomen voor bejaarden overeenkomstig de Belgische wet van 1 april 1969; dit heeft, in de omstandigheden van het geval, niets te maken met de coördinatie van sociale-zekerheidsuitkeringen voor migrerende werknemers, bedoeld in artikel 51 EEG-Verdrag, aangezien appellante nooit in België heeft gewerkt, terwijl de uitkering waarop zij aanspraak maakt (gewaarborgd aanvullend inkomen voor bejaarden), geen so-ciale-zekerheidsuitkering is in de zin van het arrest-Frilli (zaak 1/72, Jurispr. 1972, blz. 457), dat in alle schriftelijke opmerkingen wordt aangehaald.

Ter terechtzitting zijn weliswaar nog vernuftiger argumenten aangevoerd om die verordening toch op de onderhavige zaak te kunnen toepassen, maar de Commissie heeft in haar mondelinge opmerkingen ook deze argumenten op overtuigende wijze weerlegd.

Daarentegen kan — en de Commissie toont ook dit aan — voor gevallen als het onderhavige een volstrekt bevredigende oplossing worden gevonden in de artikelen 7, lid 2, en 10, lid 1, van verordening nr. 1612/68. Het is bovendien een oplossing die ook niet kan leiden tot cumulatie van opeenvolgende uitkeringen, zoals de Britse regering blijkens haar opmerkingen vreest.

Ik heb, uiteraard met grote belangstelling, de interessante discussie over deze oplossing tussen de vertegenwoordiger van de RWP en de Commissie gevolgd. En ook hier vind ik het betoog van de Commissie het meest overtuigend, daar het in feite gebaseerd is op jongere rechtspraak dan die waarop verweerster in het hoofdgeding zich beroept, en ik sluit mij in deze discussie dan ook aan bij de argumenten van de Commissie.

Ik bevind mij thans dus in de comfortabele positie, dat ik zonder meer het zeer degelijke betoog van de Commissie met betrekking tot alle vragen van de verwijzende rechter kan onderschrijven. Ik geef het Hof derhalve in overweging, die vragen te beantwoorden conform de suggesties van de Commissie, die in het rapport ter terechtzitting zijn weergegeven.


( 1 ) Vertaald uil hel Frans.