7.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 406/7


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 15 oktober 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Laufen — Duitsland) — Strafzaak tegen Gavril Covaci

(Zaak C-216/14) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Justitiële samenwerking in strafzaken - Richtlijn 2010/64/EU - Recht op vertolking en vertaling in strafprocedures - Taal van de procedure - Strafbeschikking houdende veroordeling tot een boete - Mogelijkheid tot het instellen van verzet in een andere taal dan de taal van de procedure - Richtlijn 2012/13/EU - Recht op informatie in het kader van strafprocedures - Recht om informatie te ontvangen over de ingebrachte beschuldiging - Betekening van een strafbeschikking - Regeling - Verplichte aanwijzing van een gemachtigde door de verdachte - Termijn voor het instellen van verzet die loopt vanaf de betekening aan de gemachtigde))

(2015/C 406/06)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Amtsgericht Laufen

Partij in de strafzaak

Gavril Covaci

Dictum

1)

De artikelen 1 tot en met 3 van richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures, moeten in die zin worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een nationale regeling als aan de orde in het hoofdgeding, die, in het kader van een strafprocedure, degene jegens wie een strafbeschikking is gegeven niet toestaat om tegen deze beschikking schriftelijk verzet in te stellen in een andere taal dan de taal van de procedure, ofschoon deze persoon deze laatste taal niet beheerst, op voorwaarde dat de bevoegde autoriteiten, overeenkomstig artikel 3, lid 3, van deze richtlijn, een dergelijk verzet, gelet op de betreffende procedure en de omstandigheden van het geval, niet beschouwen als een essentieel processtuk.

2)

De artikelen 2, 3, lid 1, onder c), en 6, leden 1 en 3, van richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures, moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een regeling van een lidstaat als aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan, in het kader van een strafprocedure, een beklaagde die niet in deze lidstaat verblijft, een gemachtigde moet aanwijzen voor de betekening van een tot hem gerichte strafbeschikking, mits die beklaagde daadwerkelijk gebruik kan maken van de volledige termijn om tegen deze strafbeschikking verzet in te stellen.


(1)  PB C 253 van 4.8.2014.