14.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 168/45


Woensdag 14 december 2011
Het EU-beleid inzake terrorismebestrijding

P7_TA(2011)0577

Resolutie van het Europees Parlement van 14 december 2011 over het EU-beleid inzake terrorismebestrijding: belangrijkste resultaten en nieuwe uitdagingen (2010/2311(INI))

2013/C 168 E/06

Het Europees Parlement,

gezien het Handvest van de grondrechten, de artikelen 2, 3 en 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en de relevante artikelen van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

gezien de Europese veiligheidsstrategie van 2003 (1) en het desbetreffende uitvoeringsverslag van 2008 (2),

gezien Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding (3), als gewijzigd bij Kaderbesluit 2008/919/JBZ (4), en met name artikel 10 betreffende de bescherming van en de bijstand aan slachtoffers,

gezien de terrorismebestrijdingsstrategie van de Europese Unie van 2005 (5),

gezien de EU-strategie ter bestrijding van radicalisering en rekrutering van terroristen (6),

gezien het programma van Stockholm - Een open en veilig Europa ten dienste en ter bescherming van de burger (7) en de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 20 april 2010 over „Een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht voor de burgers van Europa: Actieplan ter uitvoering van het programma van Stockholm” (COM(2010)0171),

gezien het verslag 2011 van Europol over terrorisme in de EU - situatie en trend (TE-SAT 2011),

gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 20 juli 2010 over het terrorismebestrijdingsbeleid van de EU: belangrijkste resultaten en nieuwe uitdagingen (COM(2010)0386),

gezien het advies van 24 november 2010 van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming betreffende de mededeling over het terrorismebestrijdingsbeleid van de EU: belangrijkste resultaten en nieuwe uitdagingen (8),

gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie over het terrorismebestrijdingsbeleid van de EU: belangrijkste resultaten en nieuwe uitdagingen (9),

gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de EU-interneveiligheidsstrategie: vijf stappen voor een veiliger Europa (COM(2010)0673),

gezien het verdrag van de Raad van Europa van 1983 inzake de schadeloosstelling van slachtoffers van geweldsmisdrijven (CETS nr. 116), het verdrag van de Raad van Europa van 2005 tot voorkoming van terreurdaden (CETS nr. 196), de richtsnoeren van de Raad van Europa van 2005 inzake de bescherming van slachtoffers van terreurdaden, de aanbeveling van de Raad van Europa van 2006 inzake bijstand aan slachtoffers van misdrijven ((2006)8), en het voorstel van de Commissie van 2011 voor een richtlijn tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten en de bescherming van slachtoffers van misdrijven en voor slachtofferhulp (COM(2011)0275),

gezien de tussentijdse herziening van het zevende kaderprogramma voor onderzoek en het Groenboek getiteld "Van uitdagingen naar kansen: naar een gemeenschappelijk strategisch kader voor EU-financiering van onderzoek en innovatie",

gezien zijn verschillende resoluties met betrekking tot terrorismebestrijding,

gezien Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme (10), en gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB van de Raad van 27 december 2001 betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme (11),

gezien artikel 48 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie juridische zaken (A7-0286/2011),

A.

overwegende dat het eerste decennium van de 21ste eeuw na de afschuwelijke aanslagen van 11 september 2001 gekenmerkt werd door de "War on Terrorism", met name met betrekking tot de aanpak van de Verenigde Staten; overwegende dat deze aanslagen en andere aanslagen van gelijkaardige omvang weliswaar niet op Europese bodem hebben plaatsgevonden, maar de planning en de voorbereiding ervan wel gedeeltelijk in Europa gebeurden, en dat vele Europeanen deze daarom hebben aangevoeld als een aanval op hun waarden en hun levenswijze;

B.

overwegende dat de Europese Unie in de 21e eeuw almaar vaker het doelwit en slachtoffer van terrorisme wordt en zich met een doorlopend aanwezige dreiging geconfronteerd ziet;

C.

overwegende dat de ernstige terroristische aanslagen op EU-grondgebied sinds de aanslagen van 11 september 2001 in de Verenigde Staten, waaronder de terroristische aanslagen in Madrid in 2004 en de aanslagen in Londen in 2005, een grote weerslag hebben gehad op de perceptie van de openbare veiligheid door de burgers van de EU;

D.

overwegende dat uit het verslag 2011 van Europol over terrorisme in de EU (situatie en trend – TE-SAT 2011) blijkt dat de dreiging van terroristische aanslagen in de EU ernstig blijft en dat de banden tussen terrorisme en georganiseerde misdaad zich lijken te vermenigvuldigen, en wijst op het feit dat het aantal terroristische aanslagen dat wordt opgeëist door of toegeschreven aan separatistische terreurorganisaties sinds 2006 afneemt, maar dat deze wel nog altijd de meerderheid van alle terroristische aanslagen binnen de EU vormen;

E.

overwegende dat het Programma van Stockholm twee bedreigingen voor de interne veiligheid onderkent - internationaal terrorisme en georganiseerde misdaad - en dat deze in vele gevallen steunen op dezelfde sectoren van activiteit, zoals de wapen- en drugshandel;

F.

overwegende dat terrorisme geen recent verschijnsel is; overwegende dat terrorisme de afgelopen decennia nieuwe gedaanten heeft aangenomen, zoals cyberterrorisme, en dat terroristische netwerken ingewikkelder zijn geworden qua structuur, middelen en financiering, waardoor de terreurdreiging nog complexer is geworden; overwegende dat terrorismebestrijding altijd een onderdeel van de bevoegdheden van de lidstaten en van de reguliere wetshandhaving is geweest; overwegende dat de aanslagen van 11 september 2001 en die in Madrid en Londen tot een fundamentele verandering hebben geleid in de perceptie van het verschijnsel terrorisme en in de methoden en instrumenten voor terrorismebestrijding; voorts overwegende dat terrorisme sinds deze aanslagen een aangelegenheid is geworden die de veiligheid van de hele Europese Unie en niet alleen de nationale veiligheid van de lidstaten aantast, met een heel ander juridisch kader;

G.

overwegende dat de EU, ondanks het ontbreken van ondubbelzinnige internationale definities van terrorisme, terroristische misdrijven heeft gedefinieerd in Kaderbesluit 2002/475/JBZ;

H.

overwegende dat internationale samenwerking essentieel is om het terrorisme van zijn financiële, logistieke en operationele bases te beroven;

I.

overwegende dat de ervaringen met terrorisme en het dreigingsniveau weliswaar per EU-lidstaat verschillen, maar dat een gemeenschappelijke benadering op EU-niveau nodig is, omdat terroristen vaak pan-Europees opereren en voor het plegen van hun daden gebruik maken van de verschillen inzake wetgeving en terrorismebestrijdingscapaciteit in Europa alsmede van de afschaffing van de grenscontroles;

J.

overwegende dat EU-burgers en ook anderen willen dat hun veiligheid in de EU en daarbuiten gewaarborgd wordt, en dat hier een belangrijke rol voor de EU is weggelegd;

K.

overwegende dat terreurdaden een ernstige bedreiging vormen voor de mensenrechten en de democratie, gericht zijn op de destabilisering van legitiem tot stand gekomen regeringen, pluralistische samenlevingen ondermijnen en haaks staan op het universele ideaal dat eenieder zonder angst moet kunnen leven;

L.

overwegende dat het beleid inzake terrorismebestrijding tot doel moet hebben de doelstellingen van terrorisme te ondermijnen en de verwezenlijking van terreurdaden te verhinderen, die gericht zijn op de vernietiging van de structuur van vrije, open en democratische samenlevingen; overwegende dat terrorismebestrijding in de eerste plaats gericht moet zijn op het beschermen en versterken van de structuur van democratische samenlevingen door de burgerlijke vrijheden en de democratische controle te versterken, door de veiligheid van de Europese bevolking te waarborgen, door de uitvoerders van terreurdaden te identificeren en te vervolgen en door de gevolgen van een terroristische aanslag te ondervangen aan de hand van integratiemaatregelen, grensoverschrijdende justitiële en politiële samenwerking en een doeltreffende, gecoördineerde strategie op EU-niveau; overwegende dat de doeltreffendheid van het terrorismebestrijdingsbeleid aan deze doelen moeten worden afgemeten, en overwegende dat de preventie van gewelddadig extremisme en escalaties de meest doeltreffende vorm van terrorismebestrijding is;

M.

overwegende dat de terrorismebestrijdingsstrategie van de EU daarom niet alleen de gevolgen, maar ook de oorzaken van terrorisme moet aanpakken;

N.

overwegende dat de strijd tegen gewelddadig extremisme een essentieel onderdeel vormt van de preventie en beteugeling van terrorisme;

O.

overwegende dat terrorismebestrijding de bestrijding van alle vormen van terrorisme inhoudt, waaronder cyberterrorisme, drugsgerelateerd terrorisme en de onderlinge banden tussen terroristische groepen alsook hun betrokkenheid bij meervoudige criminele operaties, alsmede de tactiek die wordt gevolgd om te kunnen opereren, zoals illegale financiering, financiële afpersing, witwaspraktijken en het oprichten van juridische entiteiten of instellingen als dekmantel voor de operaties van terroristische groeperingen;

P.

overwegende dat terrorisme een nationaal probleem is en dat het bijgevolg aan de democratische instellingen is om de hoofdlijnen van het terrorismebestrijdingsbeleid op te stellen en aan te houden en een zo groot mogelijke politieke en maatschappelijke consensus te zoeken; overwegende dat de democratische strijd tegen terrorisme - noodzakelijkerwijze binnen de grenzen van de grondwet en de rechtsstaat - een opgave is voor alle politieke partijen die in de democratische instellingen vertegenwoordigd zijn, ongeacht of zij in de regering of in de oppositie zitten; en overwegende dat het daarom raadzaam is de definitie van terrorismebestrijdingsbeleid te behouden volgens dewelke dit in een democratische samenleving een taak voor regeringen is, die voortvloeit uit de wettige confrontatie tussen partijen en dus uit electorale concurrentie;

Q.

overwegende dat het redelijk is de kosten en baten van het terrorismebestrijdingsbeleid te meten, aangezien beleidsmakers moeten weten of hun besluiten het gewenste effect hebben en burgers het recht hebben hun gekozen vertegenwoordigers om verantwoording te vragen;

R.

overwegende dat het tien jaar na de aanslagen die de wereld schokten, tijd is om de balans op te maken van de resultaten van terrorismebestrijding; overwegende dat een evaluatie het mogelijk maakt om op doelmatiger en doeltreffender wijze beleid op te stellen, en dat in een moderne democratie beleidsbesluiten regelmatig moeten worden geëvalueerd en herzien;

S.

overwegende dat er opvallend weinig gedaan is om te beoordelen in welke mate de gestelde doelen met het EU-beleid inzake terrorismebestrijding zijn bereikt; overwegende dat het Parlement herhaaldelijk heeft opgeroepen tot een diepgaande evaluatie van het terrorismebestrijdingsbeleid van de EU, omdat evaluatie en beoordeling voorwaarden zijn om de transparantie van het beleid te waarborgen en beleidsmakers ter verantwoording te kunnen roepen; en overwegende dat het gebrek aan behoorlijke evaluatie van het terrorismebestrijdingsbeleid van de EU voornamelijk te wijten is aan het feit dat dit beleid grotendeels wordt uitgevoerd op het gebied van inlichtingen- en veiligheidsbeleid, waar een traditie van geheimhouding bestaat;

T.

overwegende dat terroristische aanslagen er herhaaldelijk op gericht waren grote aantallen slachtoffers te maken en zo de beschikbare institutionele capaciteiten op de proef te stellen;

U.

overwegende dat terroristen onschuldige burgers als doelwit nemen om hun doelstelling van de vernietiging van de democratie te verwezenlijken; overwegende dat al wie gewond is geraakt, schade heeft geleden of een dierbare is verloren als gevolg van terroristische aanslagen, recht heeft op onze steun en solidariteit alsook op schadeloosstelling en bijstand;

V.

overwegende dat het van cruciaal belang is dat recht geschiedt, schuldigen berecht worden en terroristische misdaden niet ongestraft blijven, en overwegende dat de positie van slachtoffers die tijdens gerechtelijke procedures als getuige optreden, bijzondere aandacht behoeft;

W.

overwegende dat verantwoordingsplicht en verantwoordelijkheid essentiële elementen van de democratische legitimiteit van antiterroristische maatregelen zijn, en overwegende dat fouten, onwettige handelingen en schendingen van het internationaal recht en het recht inzake de mensenrechten onderzocht en gerechtelijk vervolgd moeten worden;

X.

overwegende dat maatregelen van terrorismebestrijding de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie vastgelegde rechten in acht moeten nemen, en dat alle op dit gebied vastgestelde maatregelen een wederzijdse invloed hebben op de burgerlijke vrijheden;

Y.

overwegende dat grootschalige controle een van de kernelementen van het beleid inzake terrorismebestrijding is geworden, en overwegende dat het verzamelen van persoonsgegevens op grote schaal, opsporings- en identificatietechnologieën, traceren en lokaliseren, verzamelen van specifieke data en profilering, risicobeoordeling en gedragsanalyse worden gebruikt om terrorisme te voorkomen; overwegende dat deze instrumenten het risico inhouden dat de bewijslast naar de burger wordt verschoven; overwegende dat de mate waarin deze antiterroristische instrumenten doeltreffend en succesvol zijn, twijfelachtig is; en overwegende dat de uitwisseling van informatie tussen diensten ontoereikend is;

Z.

overwegende dat de overheid in toenemende mate gebruikmaakt van gegevens die zijn verzameld voor commerciële of privédoeleinden; overwegende dat particuliere ondernemingen in diverse sectoren verplicht zijn persoonsgegevens uit hun klantenbestanden te bewaren en te verstrekken; overwegende dat de kosten in verband met de opslag en het oproepen van gegevens (zowel investeringen in infrastructuur als bedrijfskosten) aanzienlijk zijn;

AA.

overwegende dat er dringend behoefte is aan een uniforme juridische definitie van het begrip "profilering", uitgaande van de desbetreffende grondrechten en normen inzake gegevensbescherming, om de onzekerheid te verkleinen over de vraag welke activiteiten verboden zijn en welke niet;

Algemene beschouwingen

1.

is verheugd over de mededeling van de Commissie en wijst erop dat deze in verband moet worden gebracht met de toekomstige interne-veiligheidsstrategie van de EU; betreurt echter dat de reikwijdte ervan eerder klein is en beperkt blijft tot de uitvoering van afgesproken beleidsmaatregelen, en geen nationaal terrorismebestrijdingsbeleid of nationale maatregelen omvat die de omzetting zijn van beleid dat is afgesproken op Europees of internationaal niveau; betreurt eveneens dat er geen grondiger onderzoek is verricht naar mogelijke mazen in de wetgeving of mogelijke overlapping of dubbel voorkomen van op EU-niveau goedgekeurde maatregelen en instrumenten inzake terrorismebestrijding; onderstreept het belang van een coherente aanpak - op het niveau van de EU en de lidstaten - bij de initiatieven op het gebied van de interne veiligheid, met bijzondere aandacht voor terrorisme en georganiseerde misdaad;

2.

betreurt eveneens het feit dat in de mededeling de maatregelen die zijn genomen door andere DG's dan DG Justitie (zoals DG Mobiliteit en vervoer, DG Ondernemingen en industrie en DG Interne markt en diensten) in onvoldoende mate en te weinig diepgaand worden behandeld en er geen duidelijk beeld wordt gegeven van de wisselwerking tussen maatregelen en van mogelijke overlapping of hiaten; is van mening dat eveneens rekening moet worden gehouden met al deze niveaus, aangezien Europese, nationale en internationale maatregelen elkaar aanvullen en een beoordeling van aparte maatregelen geen volledig beeld oplevert van de invloed van het terrorismebestrijdingsbeleid in Europa;

3.

betreurt dat de kans is gemist om uit te leggen hoe bepaalde instrumenten van de EU voor terrorismebestrijding zoals gegevensbewaring, passagiersgegevens (PNR) en de SWIFT- overeenkomst passen in de terrorismebestrijdingsstrategie van de EU;

4.

is van mening dat het Handvest van de grondrechten altijd de leidraad moet zijn voor het EU-beleid op dit gebied en voor de lidstaten bij de uitvoering daarvan alsmede voor de samenwerking met derden en met derde landen;

5.

onderstreept dat het noodzakelijk is dat de Europese Unie, de lidstaten en haar partnerlanden hun strategie ter bestrijding van het internationale terrorisme baseren op de regels van de rechtsstaat en op de eerbiediging van de fundamentele rechten; benadrukt bovendien dat de externe acties van de Unie ter bestrijding van het internationale terrorisme zich in de eerste plaats dienen te richten op preventie en onderstreept de noodzaak om tussen verschillende culturen, beschavingen en godsdiensten een dialoog op gang te brengen, de onderlinge verdraagzaamheid te bevorderen en begrip voor elkaar te kweken;

6.

herinnert eraan dat het terrorismebestrijdingsbeleid moet voldoen aan de normen ten aanzien van noodzaak, doelmatigheid, evenredigheid, burgerlijke vrijheden, de rechtsstaat, democratische controle en verantwoording die de Unie heeft toegezegd te zullen eerbiedigen en ontwikkelen, en dat de beoordeling of aan deze normen is voldaan volledig deel moet uitmaken van een evaluatie van alle inspanningen van de EU ter bestrijding van het terrorisme; is van mening dat dit beleid moet worden ontwikkeld overeenkomstig de bepalingen van het primaire EU-recht en met name prioriteit moet geven aan de eerbiediging van de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde rechten;

7.

herhaalt dat beperkende maatregelen met het oog op de inbeslagneming, inbewaringstelling en bevriezing van goederen en kapitalen die eigendom zijn van natuurlijke of rechtspersonen of organisaties die terroristische activiteiten als doel hebben of erbij betrokken zijn, nuttig kunnen zijn bij de bestrijding van terrorisme, maar volledig moeten stroken met artikel 75 van het VWEU en het Handvest van de grondrechten van de EU;

8.

is van mening dat preventie, opsporing en vervolging van terroristische activiteiten tot het centrale beleid op EU-niveau behoren en deel moeten uitmaken van een systematische benadering, die niet berust op noodbepalingen maar op een coherente, van noodzakelijkheid uitgaande strategie, dat zij doeltreffend en kostenefficiënt moeten zijn en dat hierbij dubbel werk en functieverschuiving ("function creep") bij bevoegde instellingen, agentschappen en organen moeten worden voorkomen;

9.

benadrukt dat de evaluatie van tien jaar terrorismebestrijdingsbeleid van de EU duidelijk omlijnde beleidsdoelstellingen moet opleveren;

10.

is van mening dat terrorisme een fenomeen is dat voortdurend verandert en moet worden bestreden via een antiterrorismebeleid dat op deze verandering inspeelt;

11.

beschouwt de uitdieping en uitwerking van de vier essentiële aspecten van de terrorismebestrijdingsstrategie – voorkomen, beschermen, achtervolgen en reageren – als een goede ontwikkeling;

12.

is van mening dat preventie van, onderzoek naar en vervolging van terroristische activiteiten moeten plaatsvinden op basis van een sterkere justitiële en politiële samenwerking op EU-niveau, in combinatie met een volledige parlementaire controle en de volledige en tijdige voltooiing van de routekaart voor een op hoog niveau overeen te komen geheel van uniforme procedurele waarborgen;

13.

is van mening dat opleiding en bewustmaking van de justitiële en politieautoriteiten prioriteit moeten krijgen om in de Europese Unie de bereidheid in de strijd tegen het terrorisme te vergroten;

14.

wijst in dit verband op het belang van samenwerking van de lidstaten met OLAF en met andere EU-instanties zoals Europol, Eurojust en CEPOL;

15.

verzoekt de Commissie het geheel van goedgekeurde beleidsmaatregelen ter bestrijding van terrorisme grondig te analyseren en in de eerste plaats te kijken naar de uitdagingen voor de toekomst, o.a. de hervorming van Europol en Eurojust in het licht van de nieuwe mogelijkheden die het Verdrag van Lissabon biedt, de noodzaak van eenvormige normen voor het verkrijgen van bewijs en het uitvoeren van onderzoek, de volledige inzetbaarheid van gezamenlijke onderzoeksteams, een sterker EU-kader voor opleidingen bij justitie en politie en een goed inclusie- en integratiebeleid;

16.

is van mening dat terrorismebestrijdingsmaatregelen evenredig moeten zijn met het dreigingsniveau en moeten worden aangepast aan stijgingen of dalingen van dit dreigingsniveau; merkt op dat terrorismebestrijdingsmaatregelen die verband houden met nieuwe regeringsbevoegdheden en nieuwe instanties, zodanig moeten worden ontworpen dat ze afhankelijk van de situatie kunnen worden aangescherpt en afgezwakt;

17.

herinnert eraan dat radicalisering en rekrutering de belangrijkste bedreiging vormen, die, zoals de Commissie in haar mededeling onderstreept, nog lange tijd zal blijven bestaan, en bijgevolg de gebieden zijn waarop de EU haar preventiestrategieën moet richten met als doel terrorisme aan het begin van de keten tegen te gaan; onderstreept dat investeren in beleidsmaatregelen tegen racisme en discriminatie een cruciaal middel is voor het aanpakken en voorkomen van radicalisering en rekrutering van potentiële terroristen;

18.

herinnert aan de belangrijke bijdrage die veel ngo's en maatschappelijke organisaties, vaak met financiële steun van de EU en haar lidstaten, leveren aan de sociaaleconomische ontwikkeling, vredeswerk, natievorming en democratisering, allemaal essentiële factoren om radicalisering en rekrutering tegen te gaan;

19.

verzoekt om een brede strategie betreffende het verband tussen internationale georganiseerde misdaad, drugshandel en terrorisme; ondersteunt voorts de voortzetting van het onderzoek naar nieuwe ontwikkelingen en kenmerken van diversificatie, radicalisering en rekrutering, evenals van de rol van internationale niet-gouvernementele organisaties in de financiering van het terrorisme;

20.

verzoekt de Commissie en de lidstaten in deze context de opkomst van extremisme te voorkomen;

21.

wijst op de noodzaak om bestaande en nieuwe strategische partnerschappen voor terrorismebestrijding uit te breiden en te ontwikkelen met landen buiten Europa, op voorwaarde dat de mensenrechten in het kader van deze partnerschappen worden geëerbiedigd; benadrukt de strategische samenwerking tussen de Unie en de VS en geeft aan dat met andere partners moet worden samengewerkt, terwijl het nogmaals wijst op het belang dat de Unie hecht aan de bescherming van de persoonsgegevens van burgers en van hun rechten als mens en als burger;

22.

benadrukt dat terrorismebestrijding integraal deel uitmaakt van de betrekkingen van de Unie met derde landen; verzoekt om meer financiële middelen ten behoeve van steunmaatregelen voor terrorismebestrijding in het komende stabiliteitsinstrument om het instorten van staten te voorkomen; is het in dit verband eens met de vastgestelde prioritaire gebieden, namelijk Zuid-Azië, in het bijzonder Pakistan en Afghanistan, de Sahel (Mauritanië, Mali, Niger), Somalië en Jemen; is ingenomen met de presentatie van de strategie van de Europese Unie voor veiligheid en ontwikkeling in de Sahel op 21 maart 2011 en verzoekt de Raad om in overleg met het Europees Parlement de strategie aan te nemen; is verheugd over de opneming van bepalingen over terrorismebestrijding in internationale overeenkomsten;

23.

verzoekt de Commissie, de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid en de Raad snel regelingen te treffen voor de solidariteitsclausule die met het Verdrag van Lissabon is ingevoerd;

24.

onderstreept het belang van de vastlegging van een eenvormig geheel van normen voor specifieke bescherming van en bijstand aan slachtoffers van terrorisme, onder wie getuigen, met name in het kader van het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten en de bescherming van slachtoffers van misdrijven en voor slachtofferhulp (COM(2011)0275);

Evaluatie en inventarisatie

25.

benadrukt dat een passende evaluatie van tien jaar terrorismebestrijdingsbeleid in de eerste plaats moet nagaan of de maatregelen die genomen zijn ter preventie en bestrijding van terrorisme in de EU, gebaseerd zijn op bewijs (en niet op veronderstellingen), bepaald door behoeften, coherent en deel uitmakend van een alomvattende EU-strategie voor terrorismebestrijding; stelt dat deze evaluatie moet bestaan uit een grondige en volledige beoordeling, uitgevoerd in overeenstemming met artikel 70 van het VWEU, dat de Commissie binnen zes maanden na opdracht van de studie verslag uitbrengt op een gezamenlijke parlementaire vergadering van het Europees Parlement en voor het toezicht op terrorismebestrijding bevoegde nationale parlementaire commissies, en dat hierbij wordt geput uit rapporten die moeten worden opgevraagd bij betrokken organisaties en agentschappen zoals Europol, Eurojust, het Bureau voor de grondrechten, de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming, de Raad van Europa en de Verenigde Naties;

26.

pleit voor een geïntegreerde en allesomvattende benadering van het beleid ter bestrijding van het terrorisme en stelt dan ook voor om de Europese veiligheidsstrategie en de interneveiligheidsstrategie op elkaar af te stemmen en de bestaande coördinatiemechanismen tussen de structuren van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken, de agentschappen en de Europese Dienst voor extern optreden te versterken; onderstreept dat goede inlichtingen van cruciaal belang zijn voor de bestrijding van terrorisme en dat de EU het forum bij uitstek is voor de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten, mits er een gedegen rechtsgrond voor dergelijke samenwerking bestaat en deze deel uitmaakt van reguliere besluitvormingsprocedures, maar benadruk dat deze uitwisseling aan dezelfde normen inzake verantwoordingsplicht moet beantwoorden als in de lidstaten; wijst er dan ook op dat inlichtingen van mensen, ondanks alle beschikbare technische middelen, onmisbaar blijven in de strijd tegen terroristische netwerken en voor de tijdige preventie van aanvallen;

27.

doet een beroep op de Commissie om een volledige en gedetailleerde evaluatie voor te leggen op basis van openbaar toegankelijke informatie en informatie die door de lidstaten wordt geleverd in het kader van artikel 70 van het VWEU, die ten minste het volgende omvat:

a)

een duidelijke analyse van de reactie op terroristische dreiging op basis van de definitie zoals vastgelegd in Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding, alsmede van het kader van maatregelen ter bestrijding van het terrorisme op het stuk van doeltreffendheid, lacunes in de beveiliging, preventie, vervolging en toegenomen veiligheid in Europa, met inbegrip van de doelmatigheid van de agentschappen van de EU en de evenredigheid;

b)

feiten, cijfers en trends in verband met terroristische activiteiten en maatregelen ter bestrijding van het terrorisme;

c)

een volledig overzicht van het gecumuleerde effect van antiterroristische maatregelen op de burgerlijke vrijheden en de grondrechten, maatregelen van derde landen die rechtstreekse gevolgen hebben binnen de EU en alle maatregelen die op dit vlak genomen zijn in verband met externe betrekkingen, alsmede de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens, het Europees Hof van Justitie en de nationale rechtbanken;

28.

verzoekt de Commissie in kaart te brengen welke maatregelen een andere doelstelling hebben dan terrorismebestrijding, of waar verdere doelstellingen aan het oorspronkelijke doel van terrorismebestrijding zijn toegevoegd – missieverschuiving ("mission creep") en functieverschuiving ("function creep") –, zoals rechtshandhaving, immigratiebeleid, volksgezondheid of openbare orde;

29.

verzoekt de Commissie een volledige en gedetailleerde kaart op te stellen van alle bestaande vormen van terrorismebestrijdingsbeleid in Europa, met bijzondere aandacht voor de EU-wetgeving en voor de manier waarop deze op nationaal vlak is omgezet en uitgevoerd; verzoekt de lidstaten tegelijkertijd een omvattende evaluatie uit te voeren van hun terrorismebestrijdingsbeleid, met bijzondere aandacht voor interactie met het EU-beleid, overlapping en hiaten, met als doel beter samen te werken bij de evaluatie van het EU-beleid – o.a. door correlatietabellen te verstrekken waaruit blijkt met welke bepalingen in de nationale wetgeving de bepalingen uit de EU-handelingen zijn omgezet, en door hun bijdrage binnen de vooropgestelde termijnen in te dienen, zoals in het geval van de richtlijn gegevensbewaring;

30.

verzoekt de Commissie een volledig en gedetailleerd verslag over te leggen, op basis van openbaar toegankelijke informatie en informatie die door de lidstaten wordt geleverd in het kader van artikel 70 van het VWEU, over alle middelen die de Europese Unie, de lidstaten van de EU en particuliere bedrijven besteden aan maatregelen ter bestrijding van het terrorisme, rechtstreeks of onrechtstreeks, met inbegrip van die maatregelen die speciaal gericht zijn op activiteiten ter bestrijding van het terrorisme, op personeel, systemen en databanken die worden gebruikt voor de IT-bestrijding van het terrorisme, op de bescherming van de grondrechten en de gegevensbescherming, de democratie en de rechtsstaat, op het financieren van met terrorismebestrijding verband houdend onderzoek, alsmede over de evolutie van de desbetreffende posten van de EU-begroting sinds 2001, waarbij tevens de middelen worden gespecificeerd, die op dit gebied door derde landen worden uitgegeven;

31.

verzoekt de Commissie na te gaan of de maatregelen ter bestrijding van terrorisme naar behoren worden uitgevoerd, en het Parlement en de Raad regelmatig van haar bevindingen op de hoogte te stellen;

32.

verzoekt de Commissie een studie uit te voeren naar de kosten voor terrorismebestrijdingsbeleid die worden gedragen door de particuliere sector, alsmede een overzicht te maken van de sectoren die profiteren van terrorismebestrijdingsbeleid;

Democratische controle en verantwoordingsplicht

33.

doet een beroep op de Commissie om een studie te verrichten om na te gaan of het beleid ter bestrijding van het terrorisme is onderworpen aan daadwerkelijk democratisch toezicht op basis van openbaar toegankelijke informatie en informatie die door de lidstaten wordt geleverd in het kader van artikel 70 van het VWEU, die ten minste het volgende omvat:

a)

een gedetailleerde evaluatie van de vraag of de nationale parlementen of het Europees Parlement over de volledige rechten en de middelen beschikten om controle uit te oefenen, zoals de toegang tot informatie, voldoende tijd voor een gedegen procedure en rechten om de voorstellen inzake terrorismebestrijding te wijzigen, met inbegrip van in het kader van internationale gouvernementele en niet-gouvernementele instanties overeengekomen maatregelen, door de EU ontplooide (gefinancierde) niet-wetgevingsactiviteiten, zoals onderzoeksprogramma's en door derde landen genomen maatregelen met extraterritoriale gevolgen in de EU;

b)

de noodzaak van de herziening van de maatregelen ter bestrijding van het terrorisme om hierin een gedegen evenredigheidstoets op te nemen;

c)

een overzicht van de classificatie van documenten, tendensen bij het gebruik van classificatie, en gegevens over de toegang die tot documenten over terrorismebestrijding wordt verleend;

d)

een overzicht van de instrumenten voor democratische controle van over de grenzen heen samenwerkende inlichtingendiensten, en meer bepaald van SitCent, de wachtdienst, het crisiscentrum, de clearinginstelling van de Raad en het veiligheidscomité (COSI);

34.

wenst daarnaast dat bij de maatregelen ter bestrijding van het terrorisme rekening wordt gehouden met het evenredigheidsbeginsel en de grondrechten van de burgers, en wijst erop dat al deze maatregelen in overeenstemming moeten zijn met de wet en de rechtsstaat;

35.

verzoekt de Commissie, de lidstaten en de bevoegde gerechtelijke instanties om onwettige handelingen en schendingen van de mensenrechten, het internationaal recht en de rechtsorde te onderzoeken, indien er enig bewijs of vermoeden van een dergelijke handeling of schending bestaat, en roept de lidstaten ertoe op toe te zien op de rechtzetting ervan;

36.

kijkt uit naar de conclusies van het vervolgverslag van de TDIP-commissie van het EP over het verondersteld vervoer en het illegaal vasthouden van gevangenen in Europese landen door de CIA, en dringt aan op de tenuitvoerlegging van alle desbetreffende aanbevelingen van het EP;

37.

onderstreept dat de EU de VS moet helpen om passende oplossingen te vinden voor de problemen betreffende de sluiting van Guantánamo en om ervoor te zorgen dat de gevangenen van Guantánamo een eerlijk proces krijgen;

38.

dringt er in dit verband bij de Commissie en de Raad op aan om bij de herziening van de maatregelen gericht op plaatsing op een zwarte lijst of bevriezing van vermogen, in het bijzonder te kijken naar de positie van ngo's en het maatschappelijk middenveld om te voorkomen dat ngo's "wegens connecties" op een lijst worden geplaatst en onredelijk worden belemmerd in hun samenwerking met hun partnerorganisaties;

39.

heeft kennis genomen van het beroep van de Commissie tegen het arrest van het algemene hof in de meest recente zaak Kadi tegen Commissie; roept alle betrokkenen ertoe op om een ingrijpende herziening van het sanctieregime door te voeren en ervoor te zorgen dat dit volledig in overeenstemming is met de internationale mensenrechtennormen en de rechtsstaat, zoals bepaald in alle desbetreffende jurisprudentie; is van mening dat degenen die het doelwit van sancties zijn, informatie ter onderbouwing daarvan moeten krijgen en gebruik moeten kunnen maken van doeltreffende rechtsmiddelen;

40.

verzoekt de Commissie en de Raad in voorkomend geval mogelijke gevallen te onderzoeken van verzameling van persoonsgegevens voor rechtshandhavingsdoelen zonder passende rechtsgrondslag, of met toepassing van onregelmatige of zelfs onwettige procedures;

Toezicht en profilering

41.

dringt er bij de Commissie op aan een verplichte evenredigheidstoets en een volledige effectbeoordeling uit te voeren voor elk voorstel waarbij sprake is van het verzamelen van persoonsgegevens op grote schaal, opsporings- en identificatietechnologieën, traceren en lokaliseren, verzamelen van specifieke data en profilering, risicobeoordeling en gedragsanalyse, of soortgelijke technieken;

42.

onderstreept dat het gebruik van gegevens moet worden verbeterd: het verzamelen van gegevens mag alleen worden toegestaan nadat uitdrukkelijk is aangetoond dat het noodzaakbeginsel van toepassing is, dat er geen mogelijke overlapping met andere bestaande maatregelen bestaat en dat mogelijk minder indringende maatregelen niet voorhanden zijn, en alleen als het doel strikt wordt beperkt, het aantal gegevens tot een minimum beperkt blijft en de gegevensuitwisseling en -verwerking drastisch worden verbeterd;

43.

verzoekt de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en het Bureau voor de grondrechten verslag uit te brengen over de mate van bescherming van de grondrechten en persoonsgegevens in het kader van het terrorismebestrijdingsbeleid van de EU;

44.

vraagt de Commissie en de Raad met aandrang volledige duidelijkheid te scheppen over de arbeidsverdeling tussen de coördinator voor terrorismebestrijding en de permanente vertegenwoordiger;

45.

vraagt de coördinator voor terrorismebestrijding een verslag op te stellen over het gebruik van door mensen verschafte inlichtingen en over zijn samenwerking met buitenlandse inlichtingendiensten in het kader van het Europese terrorismebestrijdingsbeleid;

46.

verzoekt de Commissie voorstellen te doen om de burgerlijke vrijheden, de transparantie en de democratische controle in het kader van het beleid inzake terrorismebestrijding beter te beschermen, bijvoorbeeld door te zorgen voor een betere toegang tot documenten door middel van een Europese "Freedom of Information Act" en door het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en de groep gegevensbescherming artikel 29 (WP 29) te versterken;

47.

verzoekt de Commissie amendementen voor te stellen op Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad inzake terrorismebestrijding, dat in 2008 voor het laatst is gewijzigd, met als doel de bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden te verbeteren, onder meer door de definitie van terroristische misdrijven te actualiseren en beter te koppelen aan de op EU-niveau bestaande mensenrechteninstrumenten, in het bijzonder het Handvest van de grondrechten;

48.

verzoekt de Commissie een uniforme juridische definitie van het begrip "profilering" op te stellen;

49.

verzoekt de Commissie op grond van artikel 16 van het VWEU een voorstel in te dienen voor een wetgevingskader inzake gegevensbescherming waarin het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid wordt opgenomen en zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de specifieke voorschriften in artikel 39 van het VEU;

*

* *

50.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.


(1)  Een veilig Europa in een betere wereld – De Europese veiligheidsstrategie, goedgekeurd door de Europese Raad op 12 december 2003 in Brussel en opgesteld onder verantwoordelijkheid van de hoge vertegenwoordiger van de EU Javier Solana.

(2)  Verslag over de uitvoering van de Europese veiligheidsstrategie – Voor veiligheid zorgen in een veranderende wereld, S 407/08.

(3)  PB L 164 van 22.6.2002, blz. 3.

(4)  PB L 330 van 9.12.2008, blz. 21.

(5)  Document 14469/4/2005 van de Raad.

(6)  Document 14781/1/2005 van de Raad. Het beleid werd in november 2008 herzien. Document 15175/2008 van de Raad.

(7)  PB C 115 van 4.5.2010, blz. 1.

(8)  PB C 56 van 22.2.2011, blz. 2.

(9)  SOC/388 - CESE 800/2011.

(10)  PB L 344 van 28.12.2001, blz. 70.

(11)  PB L 344 van 28.12.2001, blz. 93.