Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum

Partijen

In de gevoegde zaken T-59/91 en T-79/91,

F. Eppe, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Vandersanden, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A. Schmitt, advocaat aldaar, Avenue Guillaume 62,

verzoeker,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Valsesia, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door D. Waelbroeck, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

verweerster,

betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 17 oktober 1990, waarbij het organigram van DG VI is gewijzigd en verzoeker ambtshalve tewerk is gesteld in het nieuwe ambt van adviseur bij het EOGFL, en van het besluit van de Commissie inzake de publikatie op 20 december 1990 van kennisgeving van vacature COM/164/90 betreffende de post van hoofd van de eenheid VI.BI.4, alsmede van de besluiten tot afwijzing van verzoekers sollicitatie naar die post en aanstelling van een andere kandidaat,

wijst

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, H. Kirschner en D. Barrington, rechters,

griffier: P. van Ypersele de Strihou, referendaris,

gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 4 juni 1992,

het navolgende

Arrest

Overwegingen van het arrest

De feiten

1 Verzoeker was vanaf 1988 hoofd van de eenheid VI.BI.4 (Gemeenschappelijke aspecten voor verschillende produkten) van het directoraat-generaal Landbouw van de Commissie (hierna: "DG VI") op een post in de rang A 4.

2 Vanaf begin 1990 gaf verzoeker uiting aan zijn onvrede over zijn positie en solliciteerde hij naar diverse andere posten als hoofd van een eenheid of adviseur, waarvoor vacatures in de rangen A 5, A 4 en A 3 waren bekendgemaakt; voor het geval dat zijn sollicitatie zou worden aanvaard, verlangde hij dat een bevordering naar de rang A 3 zou worden overwogen.

3 Op 9 januari 1990 gaf hij tijdens een onderhoud met zijn directeur-generaal te kennen, dat hij over het algemeen ontevreden was over de afdeling die hij onder zich had, en verzocht hij hem te worden tewerkgesteld in een ander ambt dat meer aansloot bij zijn kennis en ervaring.

4 Op 12 februari 1990 bevestigde verzoeker de inhoud van dit gesprek in een nota aan zijn directeur-generaal, waarin hij uiteenzette met welke problemen zijn afdeling werd geconfronteerd. Hij besloot met de volgende woorden:

"Na rijp beraad en rekening houdend met al deze omstandigheden, kom ik tot de conclusie dat ik onmogelijk de verantwoordelijkheden op mij kan nemen die het ambt van hoofd van de eenheid VI.BI.4 meebrengt. Ik verzoek u derhalve in het kader van de lopende reorganisatie te willen onderzoeken of mij soortgelijke verantwoordelijkheden kunnen worden toegekend bij een andere dienst, waar de kennis en ervaring die ik de voorbije twintig jaar ° waarvan meer dan tien jaar in de rang A 4 ° bij DG VI (markten, structuren, mededingingsvoorwaarden) heb opgedaan, beter tot hun recht kunnen komen."

5 Daarop had verzoeker op 14 maart 1990 een onderhoud met zijn directeur-generaal, waarbij hij zich in principe akkoord verklaarde met een overplaatsing naar een eventueel te creëren adviseurspost, dit alles in het besef dat zijn directeur-generaal hem niets kon beloven over de rang (A 4 of A 3) waarin in deze eventuele nieuwe post zou worden voorzien.

6 Drie maanden later, op 21 juni 1990, stuurde verzoeker zijn directeur-generaal langs de hiërarchieke weg een nota met de mededeling dat hij niet langer in principe akkoord ging met een "overplaatsing naar het EOGFL", behalve indien zij een "bevordering naar de rang A 3" inhield. Zijns inziens zou het uitblijven van een bevordering "het idee kunnen wekken dat zijn hiërarchieke meerderen eigenlijk niet tevreden waren over de managementcapaciteiten die (hij) in de eenheid VI.BI.4 had getoond en daarom deze verandering wensten". De overplaatsing rond dezelfde tijd van een ander hoofd van een eenheid van DG VI naar een adviseurspost werd immers algemeen als een disciplinaire maatregel beschouwd, zoals uit verschillende persartikelen bleek. Omdat op dat moment zijn beoordelingsrapport voor 1987/1989 niet klaar was ° het zou hem met een aanzienlijke vertraging worden meegedeeld °, achtte verzoeker zich niet in staat de geruchten te weerspreken als zou er een verband zijn tussen zijn overplaatsing en die van het andere hoofd van een eenheid. Zijn bevordering naar de rang A 3 zou naar zijn mening het meest geschikte middel zijn om deze geruchten te weerleggen.

7 In een nota van 25 juni 1990 aan de adjunct-directeuren-generaal, de directeuren en de hoofden van de eenheden, zette de directeur-generaal van DG VI de motieven en de doelstellingen van de reorganisatie van het directoraat-generaal uiteen, alsmede de werkwijze die zou worden gevolgd. In punt 4 van bijlage I bij deze nota werd voorgesteld het ambt van "adviseur" bij het directoraat VI.G "EOGFL" te creëren, en wel om de volgende redenen:

"De uitlegging en de eensluidende toepassing van de steeds complexere en talrijker regelingen waarmee rekening moet worden gehouden in het kader van de activiteiten van de vijf afdelingen belast met de budgettaire, financiële en monetaire aspecten van de financiering van de gemeenschappelijke marktordeningen en van acties ten gunste van de landbouw vragen een grote inzet, zowel kwalitatief als kwantitatief. Deze taak moet kunnen worden toevertrouwd aan een adviseur die rechtstreeks is verbonden aan de directeur die de leiding heeft van directoraat VI.G."

8 Op 6 augustus 1990 protesteerde verzoeker bij de directeur-generaal tegen diens voorstel aan de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer van juli 1990 om het organigram van DG VI te wijzigen, dat voor hem "een overplaatsing naar een adviseurspost bij DG VI.G" inhield. Hij refereerde aan het tevoren reeds gemaakte bezwaar, dat deze overplaatsing twijfels zou kunnen doen rijzen over zijn goede naam en eer. Hij voegde hieraan toe dat, indien deze overplaatsing zou plaatsvinden zonder raadpleging van het raadgevend comité voor benoemingen, iedere mogelijkheid van een bevordering naar de rang A 3 voor hem ambtshalve zou zijn uitgesloten.

9 Op 18 september 1990 verzocht verzoeker het secretariaat-generaal van de Commissie het organigram ten aanzien van hem nog niet te wijzigen, om te vermijden dat een verband zou worden gelegd met de overplaatsing van een ander hoofd van een eenheid, "waarvan algemeen bekend was dat zij een disciplinaire maatregel was".

10 Op 15 oktober antwoordde de secretaris-generaal:

"Ik begrijp zeer goed waarom het van belang is dat een onderscheid wordt gemaakt tussen de adviseurspost bij het EOGFL en de overplaatsing van een hoofd van een eenheid naar een adviseurspost. Ik heb de heer Legras voorgesteld ervoor te zorgen dat het onderscheid tussen de twee gevallen duidelijk is."

11 Op 17 oktober 1990 keurde de Commissie het nieuwe organigram van DG VI goed.

12 Bij nota van 6 november 1990 aan verzoeker, bevestigde de directeur-generaal van DG VI zijn aanstelling als adviseur bij DG VI.G EOGFL, uiterlijk per 1 december 1990. Deze nota preciseerde, overeenkomstig de wens van de secretaris-generaal, dat deze aanstelling "uitsluitend is te zien in het kader van de in de nota van 25 juni 1990 bedoelde reorganisatie, zonder dat dit een oordeel inhoudt over de wijze waarop u uw functie van hoofd van de eenheid VI.BI.4 hebt uitgeoefend. Zij is alleen ingegeven door het rechtmatig streven om het eerste juridisch onderzoek en de juridische cooerdinatie van de zeer talrijke handelingen die het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw betreffen, in handen te geven van een ervaren en gekwalificeerd jurist."

13 Op 9 november 1990 bevestigde ook de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer aan verzoeker, dat de Commissie op 17 oktober 1990, in het kader van de herziening van het organigram van DG VI, had besloten een post van adviseur bij de directeur van DG VI.G EOGFL te creëren, en hem per 1 december 1990 op deze post aan te stellen.

14 Dezelfde dag vroeg verzoeker de directeur-generaal zijn overplaatsing op te schorten omdat deze hem in verlegenheid bracht, nu sommigen ten onrechte meenden dat hij naar de rang A 3 was bevorderd, en bij anderen, vooral buitenstaanders, de indruk zou kunnen ontstaan dat het een disciplinaire maatregel betrof. Hij voegde hieraan toe, dat alleen een bevordering naar de rang A 3 elke dubbelzinnigheid zou kunnen uitsluiten.

15 Op 27 november 1990 antwoordde de directeur-generaal verzoeker, dat zijn bezorgdheid hem "volledig ongegrond" voorkwam, en dat hij op eigen verzoek was overgeplaatst.

16 Op 17 november 1990 had verzoeker inmiddels een klacht ingediend tegen het besluit van de Commissie van 17 oktober 1990. Daarin voerde hij met name aan, dat de Commissie te zijnen aanzien had gehandeld in strijd met het in de nota van de directeur-generaal van 25 juni 1990 inzake de reorganisatie genoemde beginsel dat de betrokken ambtenaren vrijwilligers moesten zijn.

17 Op 21 mei 1991, na het verstrijken van de termijn van vier maanden als bedoeld in artikel 90, lid 2, van het Ambtenarenstatuut, maar tijdens de beroepstermijn van artikel 91, lid 3, van het Statuut, wees de Commissie verzoekers klacht af, op grond dat verzoekers aanstelling niet in strijd was met de in de nota van 25 juni uiteengezette procedure, "die enkel de overplaatsing betreft van personeelsleden met een andere hoedanigheid dan die van hoofd van een eenheid".

18 In deze omstandigheden stelde verzoeker op 5 augustus 1991 beroep in; dit beroep is ingeschreven onder nummer T-59/91.

19 Van mening dat hij tegen zijn wil was overgeplaatst en "ter verdediging van zijn goede naam", stelde verzoeker zich op 14 januari 1991 kandidaat voor zijn oude functie van hoofd van de eenheid VI.BI.4, die op 20 december 1990 bij kennisgeving COM/164/90 vacant was verklaard. Tezamen met hem solliciteerden ook zeven andere kandidaten naar deze post.

20 Bij nota van 14 februari 1991 deelde de secretaris van het raadgevend comité voor benoemingen verzoeker mee, dat het "tijdens zijn bijeenkomst van 7 februari 1991 heeft onderzocht welke rang aan het ambt moest worden verbonden en welke de vereiste kwalificaties voor dit ambt zijn; vervolgens heeft het alle sollicitaties onderzocht en de directeur-generaal Landbouw gehoord". De conclusies van het raadgevend comité luiden, dat:

"° aan het hoofd van de eenheid DG VI.BI.4 'Kwaliteitsbeleid en gemeenschappelijke aspecten voor verschillende produkten' een ambtenaar met de rang A 5/4 dient te staan;

° na onderzoek van de ingekomen sollicitaties uw kandidatuur thans niet in aanmerking kan worden genomen."

21 Op 25 februari 1991 diende verzoeker een nieuwe klacht in tegen het besluit van de Commissie om kennisgeving van vacature COM/164/90 te publiceren, alsmede tegen de aanstelling van de heer V. op de vacante post en tegen de afwijzing van zijn eigen sollicitatie naar deze post.

22 Bij besluit van 7 maart 1991 werd V. als hoofd van de eenheid VI.BI.4 aangesteld.

23 Op 11 maart 1991 deelde het tot aanstelling bevoegde gezag verzoeker mee dat het zijn sollicitatie naar deze post niet had kunnen aanvaarden.

24 In een brief van 15 april 1991 aan zijn directeur-generaal, herhaalde verzoeker zijn bezwaren tegen de te zijnen aanzien gevolgde handelwijze, en beklaagde hij zich erover, dat nog niet was vastgesteld met welke taken of activiteiten hij zou worden belast. Tijdens de bijeenkomst van de "groupe interservices" van 5 juni 1991 heeft hij een afschrift van deze brief overgelegd om bij het dossier van zijn laatste klacht te worden gevoegd.

25 Op 9 augustus 1991 dus na het verstrijken van de termijn van vier maanden van artikel 90, lid 2, van het Statuut, maar binnen de beroepstermijn van artikel 91, lid 3, wees de Commissie verzoekers tweede klacht af.

26 Daarop stelde verzoeker op 7 november 1991 een tweede beroep in, dat is ingeschreven onder nummer T-79/91.

27 Bij beschikking van 15 mei 1992 heeft de president van de Vijfde kamer besloten de zaak T-59/91 te voegen met zaak T-79/91 voor de mondelinge behandeling en het arrest.

28 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vijfde kamer) besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

29 De mondelinge behandeling heeft op 4 juni 1992 plaatsgehad. De vertegenwoordigers van partijen hebben pleidooi gehouden en vragen van het Gerecht beantwoord.

Conclusies van partijen

30 In zijn eerste beroep (zaak T-59/91) concludeert verzoeker dat het het Gerecht behage:

° het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

° het bij brieven van 6 en 9 november 1990 ter kennis van verzoeker gebrachte besluit van de Commissie van 17 oktober 1990, waarbij het organigram is gewijzigd en verzoeker ambtshalve is tewerkgesteld in het nieuwe ambt van adviseur bij het EOGFL, nietig te verklaren;

° verweerster te verwijzen in de kosten.

In zijn tweede beroep (zaak T-79/91) concludeert verzoeker dat het het Gerecht behage:

° het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

° het besluit van de Commissie inzake de op 20 december 1990 gepubliceerde kennisgeving van vacature COM/164/90 (hoofd van de eenheid VI.BI.4) nietig te verklaren;

° het besluit van 7 maart 1991 tot aanstelling van F. V. op deze post nietig te verklaren;

° de afwijzing van verzoekers sollicitatie naar deze post nietig te verklaren;

° verweerster te verwijzen in de kosten.

De Commissie concludeert in beide zaken dat het het Gerecht behage:

° het beroep te verwerpen;

° verzoeker in zijn eigen kosten te verwijzen.

Ten gronde

31 Tot staving van zijn eerste beroep voert verzoeker zeven middelen aan. Het eerste middel betreft schending van de reorganisatieprocedure zoals uiteengezet in de nota van de directeur-generaal van 25 juni 1990, doordat de Commissie met name het beginsel van vrijwilligheid zou hebben geschonden. Het tweede middel betreft schending van artikel 7, lid 1, van het Statuut, doordat het bestreden overplaatsingsbesluit niet in het uitsluitend belang van de dienst zou zijn genomen en het beginsel van de gelijkwaardigheid van de posten zou zijn geschonden. Het derde middel klaagt over misbruik van bevoegdheid, doordat de Commissie tot staving van haar besluit naar de reorganisatie verwijst, terwijl het in werkelijkheid door andere beweegredenen zou zijn ingegeven. Het vierde middel is ontleend aan schending van de zorgplicht, doordat de Commissie verzoekers persoonlijke belangen volledig buiten beschouwing zou hebben gelaten. Het vijfde middel houdt verband met schending van het vertrouwensbeginsel, doordat de Commissie zich niet zou hebben gehouden aan haar impliciete toezegging, verzoekers sollicitatie naar de adviseurspost bij het EOGFL niet langer in overweging te nemen indien de overplaatsing niet gepaard zou gaan met een bevordering naar de rang A 3. Het zesde middel is ontleend aan miskenning van het discriminatieverbod, doordat in een andere, recentelijk gecreëerde kaderfunctie, in tegenstelling tot die van verzoeker, wel op basis van vrijwilligheid zou zijn voorzien. Het laatste middel is ontleend aan schending van artikel 25 van het Statuut, doordat het bestreden besluit ontoereikend en onjuist zou zijn gemotiveerd.

32 Tot staving van zijn tweede beroep wijst verzoeker op de gevolgen van de in zijn eerste beroep gestelde onwettigheid van zijn overplaatsing, en beklaagt hij zich over een kennelijke beoordelingsfout bij de afwijzing van zijn sollicitatie naar zijn vorige post, en over schending van artikel 25, tweede alinea, van het Statuut in verband met de motivering van deze afwijzing.

Het eerste beroep

Schending van de reorganisatieprocedure

33 Verzoeker betoogt, dat naar luid van de brief van 6 november 1990, waarin hem zijn overplaatsing werd meegedeeld, "de aanstelling op vorenbedoelde post een integrerend deel is van de reorganisatie als bedoeld in mijn nota VI/00666 van 25 juni 1990". Tegen de achtergrond van de in deze nota uiteengezette procedure kan het bestreden besluit slechts aldus worden verklaard, dat de eerste, vrijwillige fase van de reorganisatie niets had opgeleverd, zodat de directeur-generaal zich gedwongen zag verzoeker ambtshalve over te plaatsen overeenkomstig punt III, sub 5 van zijn nota van 25 juni 1990. Daarin heet het namelijk, dat de directeur-generaal, indien geen enkele sollicitatie kan worden aanvaard, in het uitsluitend belang van de dienst, te zijner tijd en na advies van de "groupe de sélection", een door hem aangewezen ambtenaar voor overplaatsing dient voor te dragen.

34 Volgens verzoeker blijkt uit de omstandigheden van het geval duidelijk dat te zijnen aanzien de reorganisatieprocedure niet is nageleefd en zelfs niet eens is begonnen, terwijl hij wel ambtshalve en tegen zijn wil is overgeplaatst.

35 Volgens verzoeker kon de Commissie in haar antwoord op zijn klacht niet stellen, dat de reorganisatieprocedure van punt III van de nota van 25 juni 1990 voor hem niet gold vanwege zijn hoedanigheid van hoofd van een eenheid. In bijlage I van deze nota, waarin het gewijzigde organigram is opgenomen, is immers uitdrukkelijk sprake van een nieuwe post van "adviseur" bij DG VI.G "EOGFL", die door zijn superieuren voor hem was bestemd.

36 Verzoeker erkent, dat bij de reorganisatie twee soorten overplaatsingen zijn voorgekomen (punt II.3 van vorenbedoelde nota): enerzijds, "die welke voortvloeien uit wijzigingen van het organigram en uit de overdracht van bevoegdheden", en zijn vermeld in bijlage I van deze nota, die in punt vier in een nieuwe post van adviseur bij het directoraat VI.G EOGFL voorziet; anderzijds "die welke verband houden met de eigenlijke reorganisatie", en in bijlage II van de nota zijn vermeld. Hij is evenwel van mening dat punt III van de nota, "De overplaatsingsprocedure", bij gebreke van nadere precisering, voor alle overplaatsingen geldt. Dus had deze procedure ook voor hem moeten worden gevolgd, ook al is hij naar aanleiding van de wijziging van het organigram op de post van adviseur bij het directoraat VI.G EOGFL aangesteld. De Commissie heeft geen enkele reden om te stellen dat deze procedure alleen zou gelden voor de "eigenlijke reorganisatie", dus voor de overplaatsingen van de tweede categorie.

37 De Commissie antwoordt dat de ingevolge de decentralisatie van de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag aan de directeur-generaal toekomende bevoegdheden door hem slechts zonder tussenkomst van anderen worden uitgeoefend voor de interne overplaatsing van andere ambtenaren dan hoofden van een eenheid. Voor deze laatsten is een nieuwe tewerkstelling onderworpen aan de goedkeuring van drie leden van de Commissie, namelijk het lid dat met de betrokken sector is belast, het lid dat bevoegd is voor personeelszaken en algemeen beheer, en de voorzitter van de Commissie. De directeur-generaal zou dus onbevoegd zijn geweest om zelf te bepalen hoe de hoofden van een eenheid zouden worden overgeplaatst. Logischerwijs kon de in punt III van de nota van 25 juni 1990 voorgeschreven procedure dus enkel gelden voor "overplaatsingen in eigenlijke zin" (bijlage II van de nota), aangezien de wijze van overplaatsing van hoofden van een eenheid niet door de directeur-generaal alleen kon worden vastgesteld.

38 Het Gerecht constateert, dat in casu geen schending kan worden vastgesteld van de in de nota van de directeur-generaal Landbouw van 25 juni 1990 uiteengezette reorganisatieprocedure, die bij voorrang in vrijwillige overplaatsingen voorziet, nu deze procedure hoe dan ook niet op verzoeker van toepassing was. Deze procedure is immers door de directeur-generaal van DG VI vastgesteld. Voor hoofden van een eenheid zoals verzoeker zijn de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegd gezag echter niet gedelegeerd aan de directeur-generaal maar aan het bevoegde lid van de Commissie, het lid van de Commissie bevoegd voor personeelszaken en algemeen beheer en de voorzitter van de Commissie, wat blijkt uit de mededeling in nr. 597 van de Courrier du Personnel betreffende "de decentralisatie bij de uitoefening van bepaalde bevoegdheden in personeelszaken (tot aanstelling bevoegd gezag)", waarvan partijen, naar zij ter terechtzitting hebben verklaard, de inhoud niet betwisten. Aangezien de directeur-generaal geen procedure kon vaststellen die een beperking meebracht van de beoordelingsbevoegdheid van de drie leden van de Commissie die ten aanzien van verzoeker de bevoegdheden uitoefenden van het tot aanstelling bevoegde gezag, kan de reorganisatieprocedure niet op verzoeker worden toegepast.

39 Het bestreden besluit kan derhalve geen schending opleveren van de reorganisatieprocedure.

40 Aangezien verzoeker ter terechtzitting heeft verklaard dat zijn beroep ten aanzien van de te volgen procedure uitsluitend was gebaseerd op de miskenning van de reorganisatieprocedure en niet van enige andere procedure, zoals die van artikel 29 van het Statuut, moet het middel worden verworpen.

Schending van artikel 7, lid 1, van het Statuut

41 Volgens verzoeker is het bestreden besluit gebaseerd op artikel 7, lid 1, van het Statuut, zodat het uitsluitend in het belang van de dienst mocht worden vastgesteld en met inachtneming van het evenwicht tussen rang en ambt.

42 In verband met zijn nieuwe post verwijst hij naar de argumenten van de Commissie ter rechtvaardiging van de nieuwe adviseurspost bij het directoraat VI.G. Ten bewijze van zijn goede wil, heeft verzoeker vanaf zijn aankomst in DG VI.G nadrukkelijk op de noodzaak van een precisering van zijn taken gewezen. Ondanks zijn formeel verzoek in januari 1991, waren zijn taken en zijn eigenlijke activiteiten eerst bij nota' s van 17 mei en 12 juni 1991, dus zes maanden na zijn overplaatsing, vastgesteld.

43 Verzoeker leidt hieruit af, dat het ambt van adviseur bij het EOGFL geenszins op één lijn kan worden geplaatst met zijn vorig ambt van hoofd van de eenheid VI.BI.4, waarvan het belang duidelijk blijkt uit de opdrachten waarmee zij is belast. Aan de voorwaarden van artikel 7, lid 1, van het Statuut voor een gedwongen overplaatsing is in casu dus niet voldaan. Volgens verzoeker doet de reorganisatiemaatregel afbreuk aan zijn statutaire rechten, niet alleen omdat hierdoor zijn taken zijn afgenomen, maar bovendien omdat de taken die hem resten naar aard, belang en omvang geenszins overeenkomen met zijn rang en ambt. Dit besluit zou dus moeten worden nietigverklaard (arrest van het Hof van 27 januari 1983, zaak 263/81, List, Jurispr. 1983, blz. 103).

44 De Commissie antwoordt, dat "de beoordeling van de geschiktheid van een ambtenaar voor een bepaalde functie tot de bevoegdheid van de administratie behoort" (beschikking van het Hof van 28 maart 1974, zaak 23/74, Kuester, Jurispr. 1974, blz. 331, r.o. 11), en dat bovendien verzoekers twijfels ten aanzien van de gelijkwaardigheid van zijn oude en nieuwe taken, ongegrond lijken.

45 Zij herinnert eraan dat, om te kunnen zeggen dat een maatregel het door de artikelen 5 en 7 van het Statuut erkende recht van een ambtenaar aantast op toewijzing van werkzaamheden die in hun geheel genomen overeenstemmen met de rang die hij in de hiërarchie inneemt, het niet voldoende is dat die maatregel leidt tot een wijziging of zelfs een vermindering van de bevoegdheden van de betrokkene; vereist is daarvoor, dat zijn nieuwe bevoegdheden naar aard, belang en omvang duidelijk geringer zijn dan met zijn rang en ambt overeenkomt.

46 Volgens de Commissie blijkt in casu uit de toelichtingen van de directeur-generaal en de door de directeur rondgezonden dienstaanwijzingen, dat verzoekers nieuwe taken met zijn rang overeen lijken te komen, ongeacht het belang van de eenheid VI.BI.4 waarvan hij vroeger de leiding had. Verzoeker heeft dus geen enkele beoordelingsfout van de instelling aangetoond.

47 De conclusie van de Commissie luidt, dat verzoekers aanstelling als adviseur het gevolg is van een loutere herplaatsing in het kader van een reorganisatie van haar diensten, waartoe de administratie in het kader van haar discretionaire bevoegdheid heeft besloten (arresten van het Hof van 14 juli 1983, zaak 176/82, Nebe, Jurispr. 1983, blz. 2475 en van 4 juli 1989, zaak 198/87, Kerzman, Jurispr. 1989, blz. 2085).

48 Het Gerecht herinnert eraan, dat volgens artikel 7, lid 1, van het Statuut, de ambtenaar door het tot aanstelling bevoegde gezag, in het uitsluitend belang van de dienst en ongeacht zijn nationaliteit, bij wege van aanstelling of overplaatsing, overeenkomstig zijn rang moet worden tewerkgesteld in een tot zijn categorie behorend ambt (zie met name het arrest van 14 juli 1983, zaak 176/82, reeds aangehaald, r.o. 17).

49 In het onderhavige geval voert verzoeker in hoofdzaak aan, dat de nieuwe werkzaamheden die hem na zijn overplaatsing zijn opgedragen, niet overeenkomen met een ambt dat behoort bij zijn rang in de hiërarchie, en dat alleen reeds daarom zijn overplaatsing niet strookt met het belang van de dienst. Te deze zij eraan herinnerd, dat de voorgeschreven overeenstemming van ambt en rang meebrengt, dat bij een wijziging van de werkzaamheden van de ambtenaar geen vergelijking moet worden gemaakt tussen diens huidige en vroegere werkzaamheden, maar tussen zijn huidige werkzaamheden en zijn rang in de hiërarchie (arrest van het Hof van 23 maart 1988, zaak 19/87, Hecq, Jurispr. 1988, blz. 1681, r.o. 8). In casu komen verzoekers nieuwe werkzaamheden volledig overeen met zijn rang, zoals blijkt uit de redenen die in de nota van de directeur-generaal van DG VI van 25 juni 1990 (zie hierboven, rechtsoverweging 7) voor het creëren van dit ambt zijn aangevoerd.

50 Hoezeer eventueel kan worden betreurd, dat verzoeker maanden heeft moeten wachten op precieze informatie over de concrete inhoud van zijn nieuwe werkzaamheden, moet niettemin worden opgemerkt dat de inhoud van zijn opdracht gezien haar aard ° namelijk een functie als adviseur van de directeur belast met de juridische cooerdinatie van de werkzaamheden van verschillende afdelingen ° niet a priori met grote nauwkeurigheid kan worden vastgesteld, en van betrokkene mag worden verwacht, dat hij deze aan de hand van de in zijn nieuwe werkzaamheden opgedane ervaring en de behoeften van de dienst afbakent.

51 Hieruit volgt, dat verzoekers nieuwe werkzaamheden, al verschillen zij van zijn vroegere taken, overeenkomen met een ambt van zijn rang. Het bestreden besluit levert derhalve geen schending op van artikel 7, lid 1, van het Statuut.

52 Het middel kan dus niet slagen.

Misbruik van bevoegdheid

53 Verzoeker ontkent het nut niet van een goed beleid inzake de mobiliteit van het personeel. In casu ging achter dit beleid evenwel een oogmerk schuil dat niets met het algemeen belang van doen heeft en even ver verwijderd is van de geest als van de letter en het doel van de reorganisatie.

54 Zijns inziens kan de Commissie haar besluit niet baseren op zijn beweerdelijk verzoek om overplaatsing, nu hij binnen een redelijke termijn zijn principieel akkoord heeft ingetrokken wegens precieze en ernstige redenen die onafhankelijk waren van zijn wil, namelijk de talrijke geruchten over de gronden voor een eventuele overplaatsing. Ten onrechte werd namelijk een verband gelegd met die van een ander hoofd van een eenheid, die ongetwijfeld om disciplinaire redenen naar een adviseurspost was overgeplaatst, wat blijkt uit verschillende persartikelen.

55 Verzoeker voegt hier overigens aan toe, dat zijn verzoek was ingegeven door het tekort aan gekwalificeerd personeel op zijn afdeling, veroorzaakt door de overplaatsing van zijn beste douane-expert naar een andere afdeling. In de loop van 1990 was dit tekort aan gekwalificeerd personeel echter verholpen, zodat de afdeling haar taken weer tot volle tevredenheid van haar chefs kan uitvoeren. Verzoeker onderstreept dat deze onverhoopte evolutie goeddeels aan zijn inspanningen is te danken. Mede om deze redenen heeft hij zijn verzoek ingetrokken.

56 De Commissie antwoordt, dat verzoeker niet heeft aangetoond dat er objectieve, ter zake dienende onderling overeenstemmende aanwijzingen bestaan dat het bestreden besluit is vastgesteld ter bereiking van andere doeleinden dan gesteld (arrest van het Hof van 20 juni 1991, zaak C-248/89, Cargill, Jurispr. 1991, blz. I-2987, r.o. 26), en dat het tot aanstelling bevoegde gezag, verre van zijn bevoegdheden te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij zijn toegekend, juist in het uitsluitend belang van de dienst en in het kader van een reorganisatie van haar diensten tot verzoekers overplaatsing heeft besloten, zonder de ruime beoordelingsbevoegdheid van de instellingen ter zake te overschrijden.

57 Het Gerecht stelt vast, dat volgens vaste rechtspraak, wanneer is geoordeeld dat een besluit niet in strijd is met het dienstbelang, geen misbruik van bevoegdheid kan worden vastgesteld (arrest van 14 juli 1983, zaak 176/82, reeds aangehaald, r.o. 25).

58 Overigens moet worden opgemerkt, dat verzoeker geen enkel element heeft aangevoerd waaruit zou blijken, dat het bestreden besluit door andere dan de aangevoerde oogmerken zou zijn ingegeven.

59 Dit middel kan dus niet slagen.

Schending van de zorgplicht

60 Volgens verzoeker houdt de zorgplicht met name in, dat de administratie, wanneer zij een beslissing neemt over de positie van een ambtenaar, alle elementen in overweging moet nemen die voor haar besluit van invloed kunnen zijn, en hierbij niet alleen op het belang van de dienst maar ook op dat van de betrokken ambtenaar moet letten (arrest Hof van 7 maart 1990, gevoegde zaken C-116/88 en C-149/88, Hecq, Jurispr. 1990, blz. I-599, r.o. 15).

61 Hij betoogt, dat de administratie in zijn geval in het geheel geen rekening heeft gehouden met zijn persoonlijk belang, en dat de bestreden handelingen in ernstige mate tegen zijn belangen indruisen, nu daarbij het door hem gemaakte voorbehoud is genegeerd. De Commissie is er namelijk niet in geslaagd een onderscheid te maken tussen de verschillende problemen die verzoeker bezighielden, en heeft zijn aanvankelijk verzoek om overplaatsing slechts uitgelegd als een verzoek om zo snel mogelijk te worden overgeplaatst, terwijl de omstandigheid dat hij zijn hiërarchieke meerderen van de problemen van zijn eenheid op de hoogte heeft gebracht, alleen te maken heeft met zijn bezorgdheid over het goede verloop van zijn werkzaamheden bij de eenheid VI.BI.4. Volgens verzoeker had hij destijds de indruk, dat zijn eventuele overplaatsing de problemen van zijn afdeling misschien kon verhelpen, maar heeft hij ongeveer zes maanden later, ondanks zijn aanvankelijk pessimisme, dat door zijn hiërarchieke meerderen werd gedeeld, zelf voor de meeste van deze problemen een oplossing gevonden.

62 Verzoeker voegt hieraan toe, dat hij door omstandigheden buiten zijn wil genoopt is geweest een beroep te doen op de welwillendheid van zijn hiërarchieke meerderen. Hij was namelijk in een situatie terecht gekomen waarin een overplaatsing niet anders dan nadelig kon zijn voor zijn reputatie, zijn beroepseer, en dus ook voor zijn verdere carrière. De brief van de directeur-generaal van 6 november 1990, waarin het heet dat de maatregel geen disciplinair karakter heeft en wordt uiteengezet hoe de Commissie in werkelijkheid denkt over zijn talrijke kwaliteiten, heeft geenszins zijn goede naam gezuiverd, met name niet in kringen van ambtenaren buiten de Commissie en van beroepsbeoefenaars.

63 De Commissie antwoordt, dat volgens vaste rechtspraak de zorgplicht het tot aanstelling bevoegd gezag niet mag beletten de maatregelen te treffen die het nodig acht in het belang van de dienst (arrest van 16 december 1987, zaak 111/86, Delauche, Jurispr. 1987, blz. 5345) en dat het tot aanstelling bevoegde gezag "bij de beoordeling van het dienstbelang en van de belangen van de betrokken sollicitanten over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt, (en dat) het toezicht zich dient te beperken tot de vraag, of het tot aanstelling bevoegd gezag binnen redelijke grenzen is gebleven en zijn bevoegdheid niet kennelijk verkeerd heeft gebruikt" (arrest Gerecht van 13 december 1990, zaak T-20/89, Moritz, Jurispr. 1990, blz. II-769).

64 Volgens de Commissie blijkt uit de aandacht waarmee het tot aanstelling bevoegd gezag verzoekers situatie heeft onderzocht, en uit de omstandigheid dat zij hem in de loop van de reorganisatieprocedure bij tal van gelegenheden van haar welwillendheid heeft verzekerd, dat het tot aanstelling bevoegd gezag in zijn zorgplicht niet te kort is gekomen. Met alle elementen die voor haar besluit van invloed konden zijn, onder meer verzoekers reserves, is terdege rekening gehouden. Volgens de Commissie bleek uit de brief van de directeur-generaal van 6 november 1990 aan verzoeker voldoende duidelijk, dat het niet om een tuchtmaatregel ging en wat de Commissie in werkelijkheid denkt over verzoekers talrijke kwaliteiten, die zijn overplaatsing naar de nieuwe adviseurspost rechtvaardigen, en trouwens een noodzakelijke voorwaarde daarvoor zijn.

65 De Commissie concludeert, dat de administratie, zou zij verzoeker op alle punten zijn gevolgd, niet anders had kunnen doen dan afzien van zijn overplaatsing, dan wel hem naar de hogere rang bevorderen, hetgeen de vrijheid van de instellingen bij de organisatie van hun diensten op onaanvaardbare wijze zou hebben beperkt.

66 Het Gerecht stelt vast, dat volgens vaste rechtspraak de zorgplicht van de administratie ten opzichte van haar personeel een weergave vormt van het door het Statuut geschapen evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen in de betrekkingen tussen het administratief gezag en de ambtenaren, en het bevoegd gezag niet mag beletten de maatregelen te treffen die het nodig acht in het belang van de dienst (arrest van 16 december 1987, zaak 111/86, Delauche, reeds aangehaald), aangezien "bij de voorziening in enig ambt allereerst moet worden uitgegaan van het belang van de dienst" (arrest Gerecht van 13 december 1990, zaak T-20/89, Moritz, reeds aangehaald).

67 In verzoekers geval heeft de Commissie voldaan aan de eisen van de zorgplicht, nu zij hem bij de brief van de secretaris-generaal van 15 oktober 1990 en bij die van de directeur-generaal van 6 november 1990 duidelijk heeft laten weten, dat het te zijnen aanzien genomen besluit geen enkele beoordeling inhoudt van de wijze waarop hij zijn functie als hoofd van de eenheid VI.BI.4 heeft vervuld, en dat bij dit besluit integendeel volkomen terecht het eerste juridisch onderzoek en de juridische cooerdinatie van de talrijke handelingen die het EOGFL betreffen, aan een "ervaren en gekwalificeerd jurist" zijn opgedragen. Hiermee heeft de Commissie verzoeker een schriftelijk document verstrekt aan de hand waarvan hij eventuele geruchten over zijn persoon zoveel mogelijk kan tegenspreken. De Commissie kan dus geen verwijt worden gemaakt van de wijze waarop zij haar ruime discretionaire bevoegheid heeft gebruikt bij de afweging van de eisen van het dienstbelang enerzijds en die van verzoekers belang anderzijds.

68 Hieruit volgt, dat het middel moet worden verworpen.

Schending van het vertrouwensbeginsel

69 Volgens verzoeker heeft de Commissie het vertrouwensbeginsel geschonden door zich niet te houden aan haar impliciete toezegging om hem niet langer als kandidaat voor de adviseurspost bij het EOGFL te beschouwen, behoudens in geval van bevordering naar de rang A 3. Toen er geen antwoord kwam op de nota' s die hij aan zijn hiërarchieke meerderen had gericht om uiteen te zetten waarom hij niet langer in beginsel akkoord ging met zijn overplaatsing, meende hij erop te mogen vertrouwen dat hij niet in het kader van de reorganisatie zou worden overgeplaatst, behoudens indien de directeur-generaal hiertoe in het kader van een correcte toepassing van de reorganisatieprocedure zou besluiten, en het beginsel van de vrijwilligheid dus zou worden geëerbiedigd.

70 Hij voegt hieraan toe, dat de bijlage zelf bij de nota van 25 juni 1990, waarin geen enkele naam is genoemd, hem heeft gesterkt in zijn gerechtvaardigd vertrouwen, dat zijn overplaatsing slechts zou worden overwogen met inachtneming van de herplaatsingsprocedure of op basis van vrijwilligheid.

71 Verzoeker benadrukt ten slotte dat hij, gezien zijn carrièreverloop tot op heden, redelijkerwijs binnenkort een bevordering naar de rang A 3 mocht verwachten. Zoals de zaken er thans voor staan, is de kans hierop evenwel erg gering geworden.

72 Volgens de Commissie heeft de administratie in het geheel geen belofte gebroken, zodat verzoeker zich niet op precieze beloften van haar kant kan beroepen. Overigens ziet zij niet in waarom verzoekers overplaatsing zijn verder carrièreverloop ongunstig zou kunnen beïnvloeden. Voor ambtenaren die zoals verzoeker tot het middenkader behoren, bestaat er een bijzondere procedure voor de "bevordering" naar de rang A 3.

73 De Commissie concludeert, dat de bevordering naar de rang A 3 de werkelijke reden voor verzoekers beroep lijkt te zijn.

74 Het Gerecht stelt vast, dat in de processtukken geen enkele aanwijzing is te vinden voor een stilzwijgende toezegging van de Commissie om verzoeker niet langer als kandidaat voor de adviseurspost bij het EOGFL te beschouwen behoudens in geval van bevordering naar de rang A 3, en evenmin om, zonder hiertoe verplicht te zijn, op hem de reorganisatieprocedure toe te passen, in die zin dat overplaatsingen in eerste instantie op basis van vrijwilligheid geschieden. Bovendien kon verzoeker uit het stilzwijgen van de administratie niet afleiden dat zij afzag van zijn overplaatsing naar de adviseurspost bij het EOGFL, aangezien het Statuut, met name artikel 90, lid 3, daarvan, is gebaseerd op het beginsel dat het uitblijven van een antwoord van de administratie geldt als een stilzwijgend besluit tot afwijzing. Het stilzwijgen van de Commissie kan derhalve geen aanwijzing vormen voor de instemming van de administratie. Overigens moet worden opgemerkt, dat blijkens de brief van de secretaris-generaal van 15 oktober 1990 in antwoord op verzoekers brief van 18 september 1990, de Commissie in dit verband nooit de geringste toezegging heeft gedaan, nu het daarin uitdrukkelijk heet: "Ik begrijp zeer goed waarom het van belang is dat een onderscheid wordt gemaakt tussen de adviseurspost bij het EOGFL en de overplaatsing van een hoofd van een eenheid naar een adviseurspost. Ik heb de heer Legras voorgesteld ervoor te zorgen dat het onderscheid tussen de twee gevallen duidelijker is."

75 Uit het feit dat de bijlage bij de nota van 25 juni 1990 geen enkele naam bevat, kan overigens evenmin een stilzwijgende toezegging van de Commissie worden afgeleid, aangezien een voorstel voor een organigram nooit namen bevat.

76 In deze omstandigheden kan er geen sprake zijn van een schending van het vertrouwensbeginsel.

77 Hieruit volgt, dat het middel faalt.

Miskenning van het discriminatieverbod

78 Verzoeker betoogt, dat in de tweede kaderfunctie die bij de wijziging van het organigram van DG VI was gecreëerd, namelijk die van hoofd van de nieuwe eenheid VI.4 ("Bevordering van de verkoop van landbouwprodukten"), niet "uno actu" is voorzien, maar op basis van het beginsel van vrijwilligheid (kennisgeving van vacature en sollicitaties overeenkomstig artikel 29, lid 1, van het Statuut). De kandidaat die dan op grond van deze procedure voor dit ambt werd uitgekozen, is een ambtenaar in de rang A 4, die vóór deze overplaatsing net als verzoeker andere werkzaamheden binnen hetzelfde DG VI had verricht. Verzoekers conclusie luidt, dat het opvallende verschil in behandeling van zo sterk gelijkende situaties niet aanvaardbaar is, en dat ter rechtvaardiging hiervan geen bijzondere motivering is gegeven.

79 De Commissie benadrukt, dat zij met haar handelwijze artikel 7 van het Statuut heeft geëerbiedigd, en dat verzoeker zich niet erop kan beroepen dat zij ter voorziening in een ander ambt in de rang A 4, een andere procedure heeft toegepast, nu de te zijnen aanzien gevolgde procedure regelmatig was.

80 Het Gerecht stelt vast, dat de op verzoeker toegepaste procedure geenszins onregelmatig was, zodat verzoeker niet kan aanvoeren dat de toepassing op een andere ambtenaar van eenzelfde maatregel ter uitvoering van een verschillende procedure, geen discriminatie oplevert.

81 Het middel kan derhalve niet slagen.

Schending van de motiveringsplicht

82 Verzoeker stelt schending van artikel 25, tweede alinea, van het Statuut, omdat ieder bezwarend besluit niet alleen met redenen moet worden omkleed, maar de motivering bovendien ook juist dient te zijn.

83 De Commissie kan zich volgens hem niet met een beroep op de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de instellingen bij de organisatie van hun diensten beschikken, aan de motiveringsplicht onttrekken. Het besluit van de Commissie van 17 oktober 1990 was immers aanleiding om hem tegen zijn wil over te plaatsen, nadat het organigram van DG VI was gewijzigd en een adviseurspost bij de directeur van DG VI was gecreëerd. Dit besluit is dus voor hem bezwarend omdat het onnauwkeurig is in die zin dat het ter rechtvaardiging naar de reorganisatie verwijst, hoewel de reorganisatieprocedure niet is nageleefd.

84 Overigens betoogt verzoeker dat, wanneer voor een motivering te rade wordt gegaan met de brieven van 6 en 9 november 1990, waarbij het bezwarende besluit hem werd meegedeeld, moet worden vastgesteld dat daarin andere gronden worden gegeven. In de eerste brief is immers alleen gezegd dat zijn aanstelling op de adviseurspost uitsluitend is te zien in het kader van de in nota VI/00666 van 25 juni 1990 bedoelde reorganisatie. In de tweede brief daarentegen wordt zijn overplaatsing in de context van de herziening van het organigram van het directoraat-generaal Landbouw geplaatst. De Commissie zou namelijk naar aanleiding van deze herziening op 17 oktober 1990 hebben besloten een nieuwe adviseurspost bij het EOGFL te creëren en hem op die post aan te stellen.

85 Was zijn overplaatsing inderdaad een onderdeel van de reorganisatie, dan hadden volgens verzoeker de redenen hiervoor moeten worden vermeld in het besluit waarbij zijn overplaatsing hem werd meegedeeld, zodat hij had kunnen nagaan of de reorganisatieprocedure als uiteengezet in de nota van 25 juni 1990, met inbegrip van onder andere het vrijwilligheidsbeginsel, was gevolgd.

86 In repliek voegt hij hieraan toe, dat tijdens zijn gesprek met zijn directeur-generaal op 14 maart 1990 was overeengekomen dat deze hem niets kon beloven inzake de rang, A 3 of A 4, waarin in de adviseurspost bij het EOGFL zou worden voorzien. Dit laat er geen twijfel over bestaan dat, toen verzoeker voor de nieuwe post werd voorgedragen, vast stond dat de vraag van zijn eventuele bevordering naar de rang A 3 volgens de gebruikelijke procedure zou worden onderzocht en beslist, dus na een kennisgeving van vacature voor een A 5-, A 4- of A 3-post en sollicitatie overeenkomstig de bij besluit van de Commissie van 19 juli 1988 inzake de voorziening in posten van het middenkader vastgestelde modaliteiten. Deze procedure zou het raadgevend comité voor benoemingen in staat hebben gesteld een advies uit te brengen over de rang waarin in deze post moest worden voorzien. In het onderhavige geval is verzoeker deze raadpleging van het raadgevend comité voor benoemingen onthouden, hoewel deze had kunnen leiden tot zijn bevordering naar de rang A 3, die hij gezien zijn carrièreverloop in de nabije toekomst had mogen verwachten.

87 De Commissie herinnert in de eerste plaats aan de vaste rechtspraak van het Hof, dat een interne organisatiemaatregel, die geen afbreuk doet aan de statutaire positie van de betrokkenen of aan het beginsel van overeenstemming tussen rang en ambt, niet met redenen behoeft te worden omkleed (zie met name het arrest van 17 mei 1984, zaak 338/82, Albertini en Montagnani, Jurispr. 1984, blz. 2123).

88 De Commissie voegt hieraan toe dat, zelfs indien voor een interne organisatiemaatregel zoals de onderhavige, enigerlei motivering vereist zou zijn geweest, verzoeker in staat was "de strekking van de hem betreffende maatregel te begrijpen", gezien de talrijke gesprekken en de briefwisseling die hij hierover met zijn chefs heeft gevoerd. Volgens vaste rechtspraak is een besluit voldoende gemotiveerd, wanneer de bestreden handeling heeft plaatsgevonden binnen een context die de betrokkene bekend is, zodat hij de strekking van de hem betreffende maatregel kan begrijpen (arresten van het Hof van 29 oktober 1981, zaak 125/80, Arning, Jurispr. 1981, blz. 2539; 1 juni 1983, gevoegde zaken 36/81, 37/81 en 218/81, Seton, Jurispr. 1983, blz. 1789, en 7 maart 1990, gevoegde zaken C-116/88 en C-149/88, Hecq, reeds aangehaald).

89 In dit verband ontkent zij dat de motivering in de brieven van 6 en 9 november tegenstrijdig zou zijn. De eerste brief was meer in het bijzonder bedoeld om tegemoet te komen aan verzoekers wens, iedere verwarring met de situatie van een ander hoofd van een eenheid te vermijden. Daarom heette het in deze nota, dat verzoekers aanstelling uitsluitend is te zien in het kader van de reorganisatie als bedoeld in de nota van 25 juni 1990, en kwam de in punt III van deze nota uiteengezette procedure niet ter sprake. De tweede brief daarentegen situeerde verzoekers overplaatsing "in het kader van de herziening van het organigram van het directoraat-generaal Landbouw". De voorgenomen reorganisatie van DG VI, die onder andere in een "herschikking" van middelen tot uitdrukking kwam, impliceerde kennelijk een "herziening van het organigram" van het directoraat-generaal. Voor de nieuwe adviseurspost en verzoekers aanstelling op deze post door de Commissie op grond van artikel 7 van het Statuut, was noodzakelijkerwijs een voorafgaande wijziging van het organigram vereist. De Commissie ziet derhalve niet in, in welk opzicht de motivering in deze twee brieven tegenstrijdig zou zijn.

90 Het Gerecht herinnert er aan, dat volgens vaste rechtspraak een besluit voldoende is gemotiveerd, wanneer de bestreden handeling heeft plaatsgevonden binnen een context die de betrokkene bekend is, zodat hij de strekking van de hem betreffende maatregel kan begrijpen (arresten van het Hof van 29 oktober 1981, zaak 125/80, Arning; 1 juni 1983, gevoegde zaken 36/81, 37/81 en 218/81, Seton en 7 maart 1990, gevoegde zaken C-116/88 en C-149/88, Hecq, reeds aangehaald).

91 In het onderhavige geval blijkt uit de briefwisseling tussen partijen in 1990, dat verzoeker de strekking van de hem betreffende maatregel zeer goed heeft begrepen.

92 Toch rijst de vraag, of de brieven van 6 en 9 november 1990 niet onderling afwijken wat de grondslag van deze maatregel betreft, nu het in de eerste brief heet, dat deze maatregel uitsluitend is te zien in het kader van de algemene reorganisatie als bedoeld in de nota van 25 juni 1990, terwijl deze maatregel in de tweede brief wordt gesitueerd in de context van de herziening van het organigram, en bovendien, of deze tegenstrijdigheid bij verzoeker soms verwarring heeft kunnen doen ontstaan in verband met de te zijnen aanzien te volgen procedure.

93 Met het oog op de beantwoording van deze vragen, zij eraan herinnerd, dat de reorganisatieprocedure niet op verzoeker van toepassing was, anders dan de brief van 6 november 1990 kon laten vermoeden. Deze eventuele onnauwkeurigheid is echter door de Commissie hersteld in haar brief van 9 november 1990 en in haar antwoord op verzoekers klacht, waarin zij duidelijk heeft gesteld dat "deze procedure enkel de overplaatsing betrof van personeelsleden met een andere hoedanigheid dan die van hoofd van een eenheid".

94 Om de strekking te begrijpen van de verschillende nota' s die tussen partijen zijn uitgewisseld, moet bovendien rekening worden gehouden met het doel van elk daarvan. In dit verband moet worden vastgesteld, dat de nota van 6 november 1990, waarin naar de algemene reorganisatie werd verwezen, bedoeld was om een onderscheid aan te brengen tussen verzoekers situatie en die van een ander hoofd van een eenheid, tegen wie een tuchtmaatregel was genomen.

95 Nu de eventuele onnauwkeurigheid in de brief van 6 november in de loop van de administratieve procedure is hersteld, kan dus van een schending van artikel 25, tweede alinea, van het Statuut geen sprake zijn.

96 Het Gerecht stelt overigens vast, dat de verwijzing in repliek, inzake het middel van schending van artikel 25, naar de schade die verzoeker zou hebben geleden wegens de niet-toepassing op hem van de in het besluit van de Commissie van 19 juli 1988 uiteengezette procedure, een nieuw middel vormt, dat op grond van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering niet ontvankelijk is (zie bovendien hierboven, rechtsoverweging 40).

97 Het middel moet derhalve worden afgewezen.

98 Uit een en ander volgt, dat het eerste beroep moet worden verworpen.

Het tweede beroep

99 Het tweede beroep heeft een drieledig doel, namelijk de nietigverklaring van kennisgeving van vacature COM/164/90, van de afwijzing van verzoekers sollicitatie en van de aanstelling van V. op de vacant verklaarde post.

De onregelmatigheid van kennisgeving van vacature COM/164/90

100 Verzoeker betoogt dat, nu hij in het kader van zijn eerste beroep de onregelmatigheid heeft aangetoond van zijn ambtshalve overplaatsing, de Commissie zijn post van hoofd van de eenheid VI.BI.4, niet als vacant kon beschouwen, en dus ten onrechte kennisgeving van vacature COM/164/90 heeft gepubliceerd.

101 Hierop antwoordt de Commissie, dat zij in het kader van het eerste beroep heeft aangetoond dat verzoekers overplaatsing naar een nieuwe post volkomen regelmatig was. Vanuit organisatorisch oogpunt moesten dus de nodige stappen worden ondernomen om in verzoekers vervanging te voorzien. In deze context is kennisgeving van vacature COM/164/90 (hoofd van de eenheid VI.BI.4) gepubliceerd.

102 Het Gerecht stelt vast, dat verzoekers enige middel tot staving van de onregelmatigheid van kennisgeving van vacature COM/164/90, de gestelde onregelmatigheid is van het besluit van de Commissie van 17 oktober 1990, voor zover het hem betreft.

103 Aangezien het beroep tegen dit besluit moet worden verworpen, moet ook het eerste onderdeel van het tweede beroep worden verworpen.

Onregelmatigheid van de afwijzing van verzoekers sollicitatie naar zijn oude post

104 Verzoeker zet in repliek uiteen, dat de omstandigheid dat de Commissie in bijlage bij haar verweerschrift advies nr. 10/91 van het raadgevend comité voor benoemingen heeft overgelegd, ten bewijze dat dit comité niet alleen op grond van artikel 29, lid 1, sub a, van het Statuut alle sollicitaties heeft onderzocht, maar ook het persoonsdossier van alle kandidaten, in feite aan het licht brengt, dat dit comité verzoekers geschiktheid en bekwaamheid voor zijn oude post tijdens zijn bijeenkomst van 7 februari niet naar behoren heeft kunnen onderzoeken. Het belangrijkste stuk voor deze beoordeling had immers verzoekers beoordelingsrapport over de periode van 1 juli 1987 tot 30 juni 1989 moeten zijn. Verzoeker beweert echter, door de Commissie niet weersproken, dat de leden van het comité tijdens hun bijeenkomst van 7 februari van dit rapport geen kennis konden hebben, nu het eerst op 22 januari 1991 in zijn definitieve vorm is vastgesteld, en ten vroegste op 8 februari 1991 kan zijn opgesteld. Aangezien de Commissie derhalve niet in staat was zijn geschiktheid en bekwaamheid voor zijn vroegere post te beoordelen, is de afwijzing van zijn sollicitatie onterecht en ongemotiveerd. Dat verzoeker duidelijk anders wordt behandeld dan de andere kandidaten, is onaanvaardbaar en discriminerend.

105 Overigens ziet verzoeker niet in, waarom het feit dat hij vroeger de post heeft bekleed waarin thans moet worden voorzien en die hij tegen zijn wil heeft verlaten, voor hem een beletsel zou zijn om naar deze post te solliciteren.

106 De Commissie stelt vast, dat verzoeker niet de ruime beoordelingsbevoegdheid van het tot aanstelling bevoegd gezag bij het onderzoek van sollicitaties naar een vacante post betwist. De mededeling door het secretariaat van het raadgevend comité voor benoemingen aan verzoeker houdt zeker niet in dat zijn sollicitatie niet in overweging was genomen, maar wel dat het comité "alle sollicitaties heeft onderzocht" en "vervolgens de heer Legras, directeur-generaal Landbouw, heeft gehoord"; de conclusie van het raadgevend comité luidde, dat "na onderzoek van de ingekomen sollicitaties uw kandidatuur thans niet in aanmerking kan worden genomen". In deze mededeling wordt bovendien met zoveel woorden gezegd, dat "het comité de schriftelijke sollicitatie van elke kandidaat heeft onderzocht".

107 De Commissie is het er overigens niet mee eens, dat het feit dat verzoeker dit ambt in het verleden reeds tot tevredenheid van zijn chefs heeft bekleed, op zich zou volstaan als bewijs dat de instelling zich kennelijk heeft vergist toen zij een ander aanstelde dan de ambtenaar die het ambt daarvoor had bekleed. Haars inziens mag het integendeel geen verbazing wekken, dat een kandidaat die in het belang van de dienst van de vacante post naar een andere functie binnen het directoraat-generaal is overgeplaatst, wordt afgewezen.

108 De Commissie erkent weliswaar dat het ontwerp-beoordelingsrapport eerst op 3 augustus 1990 aan verzoeker is meegedeeld, maar zij merkt op, dat de opeenvolgende vertragingen die zich vanaf deze datum hebben opgestapeld, mede hieraan te wijten zijn, dat verzoeker dit rapport heeft betwist.

109 Zij voegt hieraan toe, dat volgens de rechtspraak van het Hof niet alle kandidaten zich ten aanzien van de stand van hun beoordelingsrapporten op het tijdstip van het benoemingsbesluit in precies dezelfde positie behoeven te bevinden, en dat het tot aanstelling bevoegde gezag zijn beslissing niet behoeft uit te stellen indien het laatste rapport van deze of gene kandidaat nog niet definitief is omdat het werd voorgelegd aan de beoordelaar in beroep of aan het paritair beoordelingscomité (arrest van 27 januari 1983, zaak 263/81, List, Jurispr. 1983, blz. 103). Aangezien het rapport van verzoeker niets had kunnen toevoegen aan de uitmuntende waarderingen van de voorgaande rapporten, was het uitblijven van het laatste rapport bovendien geen beletsel om zijn verdiensten met inachtneming van de gestelde voorwaarden te beoordelen, en kan het hem niet hebben geschaad (arrest van het Hof van 11 mei 1978, zaak 25/77, De Roubaix, Jurispr. 1978, blz. 1081). Daarom is de Commissie van mening, dat het raadgevend comité voor benoemingen over voldoende gegevens beschikte om verzoekers dossier te kunnen beoordelen.

110 Ten aanzien van het gestelde motiveringsgebrek van het besluit betoogt de Commissie, dat de omstandigheden waaronder dit besluit is genomen en ter kennis van betrokkene is gebracht, hem in elk geval duidelijk hebben ingelicht over de redenen en de grondslag van het besluit (arrest van 28 mei 1980, gevoegde zaken 33/79 en 75/79, Kuhner, Jurispr. 1980, blz. 1677).

111 Het Gerecht is van oordeel dat, hoewel verzoekers klacht tegen de afwijzing van zijn sollicitatie en de aanstelling van de heer V. is ingediend alvorens deze besluiten waren vastgesteld, het beroep toch ontvankelijk moet worden verklaard. In zijn brief van 15 april 1991 heeft verzoeker immers zijn aanvankelijke klacht aangevuld, en onder deze omstandigheden verhinderde het voorbarig karakter van de oorspronkelijke klacht van 25 februari 1991 niet dat, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft erkend, het doel van de precontentieuze administratieve procedure werd bereikt, namelijk een minnelijke schikking van het geschil mogelijk maken.

112 Ten gronde herinnert het Gerecht er in de eerste plaats aan, dat het Hof in zijn rechtspraak de gemeenschapsinstellingen een grote beoordelingsvrijheid heeft toegekend om hun diensten te organiseren naar de eisen van de taken die hun zijn toevertrouwd, en om met het oog op die taken het hun ter beschikking staande personeel tewerk te stellen (arrest van het Hof van 23 maart 1988, zaak 19/87, Hecq, reeds aangehaald, r.o. 6).

113 Vastgesteld moet worden, dat het raadgevend comité voor benoemingen in casu, toen het begon met de vergelijking van de verdiensten van de verschillende kandidaten voor de vacante post, niet over verzoekers laatste beoordelingsrapport beschikte. Dit doet dus de vraag rijzen, of het ontbreken van dit rapport verzoeker kan schaden, en of het tot aanstelling bevoegde gezag onder deze omstandigheden en gelet op de andere elementen van verzoekers dossier, zijn sollicitatie naar zijn vorige post in redelijkheid kon afwijzen.

114 In dit verband zij erop gewezen, dat het raadgevend comité voor benoemingen en het tot aanstelling bevoegde gezag bij de beoordeling van verzoekers sollicitatie en bij de vergelijking van zijn verdiensten met die van de andere kandidaten, over verschillende elementen beschikte: in de eerste plaats, verzoekers eerdere beoordelingsrapporten, die zeer gunstig waren en waaraan zijn laatste rapport weinig kon toevoegen; in de tweede plaats, het feit dat verzoeker herhaaldelijk de wens te kennen had gegeven op een andere post te worden tewerkgesteld, door meermaals naar andere vacante posten te solliciteren en door zijn directeur-generaal op 9 januari 1990 om een andere post te verzoeken; in de derde plaats, de omstandigheid dat verzoeker in zijn curriculum vitae in bijlage bij zijn sollicitatieformulier, het volgende had opgemerkt: "ik solliciteer naar de post COM/164/90 om via deze weg naar de rang A 3 te worden bevorderd", wat op zich volstaat om de afwijzing van verzoekers sollicitatie door het raadgevend comité voor benoemingen en het tot aanstelling bevoegde gezag te rechtvaardigen, nu het comité van meet af aan had beslist, dat de post waar verzoeker naar heeft gesolliciteerd, bestemd was voor een ambtenaar in de rang A 5/A 4; ten slotte, in de vierde plaats, de omstandigheid dat verzoeker van de door zijn vertrek vrijgekomen post door het tot aanstelling bevoegde gezag tegen zijn wil naar een andere eenheid was overgeplaatst, naar het oordeel van het Gerecht in het belang van de dienst.

115 Uit een en ander volgt, dat het raadgevend comité voor benoemingen en het tot aanstelling bevoegde gezag over voldoende gegevens beschikten om verzoekers sollicitatie naar zijn vorige post in redelijkheid af te wijzen, en dat het ontbreken van zijn laatste beoordelingsrapport toen het raadgevend comité voor benoemingen een aanvang maakte met de vergelijking van zijn verdiensten, hem niet kon schaden.

116 Het beroep moet dus worden verworpen voor zover het gericht is tegen de afwijzing van verzoekers sollicitatie naar zijn vorige post.

De benoeming van V.

117 Verzoeker betoogt, dat de onregelmatigheden in de procedure die tot de aanstelling van zijn opvolger als hoofd van de eenheid VI.BI.4 heeft geleid, tot de nietigverklaring daarvan nopen.

118 De Commissie voert aan, dat haar keuze van een van de drie kandidaten wier sollicitatie door het raadgevend comité voor benoemingen in overweging was genomen, geen gevolgen kan hebben voor de regelmatigheid van het door haar in het kader van haar beoordelingsbevoegdheid genomen besluit, aangezien er geen begin van bewijs is van een kennelijke dwaling harerzijds, te meer omdat verzoeker nooit heeft getracht de bekwaamheid van de heer V. in twijfel te trekken.

119 Het Gerecht stelt vast, dat in de procedure die tot de betrokken aanstelling heeft geleid, geen enkele onregelmatigheid is geconstateerd, zodat het beroep moet worden verworpen voor zover het tegen deze aanstelling is gericht.

120 Uit een en ander volgt, dat ook het tweede beroep moet worden verworpen.

Beslissing inzake de kosten

Kosten

121 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover zulks is gevorderd. Volgens artikel 88 van het Reglement blijven in de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt, evenwel te hunnen laste.

Dictum

HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer)

rechtdoende:

1) De beroepen worden verworpen.

2) Elk der partijen zal haar eigen kosten dragen.