27.3.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 78/610


(2004/C 78 E/0644)

SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3608/03

van Marco Pannella (NI), Maurizio Turco (NI), Marco Cappato (NI), Gianfranco Dell'Alba (NI), Benedetto Della Vedova (NI) en Olivier Dupuis (NI) aan de Commissie

(5 december 2003)

Betreft:   Schending door Griekenland van de rechten van de Çam-minderheid

In juni 1944 werden 44 000 mohammedaanse Albanezen met geweld uit Çameria verdreven op beschuldiging van collaboratie met de nazi-fascistische bezetters; dit was het sluitstuk van de op dit volk gepleegde genocide, waarbij roerende en onroerende goederen (grond, huizen, vee en meubilair) in beslag werden genomen.

De in Çameria overgebleven orthodoxe Çam-bevolking heeft geen door de Europese Unie erkende rechten, met name geen rechten van etnische en linguïstische minderheden noch het recht om Albanees te leren op Albanese scholen die door de Griekse staat verboden zijn.

Alleen wanneer beide minderheden, in Griekenland en in Albanië, politiek en juridisch gelijk behandeld worden, kunnen oprechte en solide vriendschappelijke betrekkingen tussen diverse burgers en landen tot stand komen.

Kan de Commissie, gezien het voorafgaande, mededelen welke initiatieven zij voornemens is te nemen met het oog op terugkeer van de uit Çameria verdreven Albanese moslimbevolking naar haar land van herkomst, waar zij bovendien aanspraak moet kunnen maken op teruggave van haar bezittingen en op schadevergoeding?

Kan de Commissie voorts mededelen welke initiatieven zij overweegt te nemen om ervoor te zorgen dat de in Çameria overgebleven orthodoxe Çam-bevolking in officiële documenten het Albanees kan gebruiken en in Griekenland volledige burgerrechten krijgt, naar het voorbeeld van de Griekse minderheid in Albanië?

Antwoord van de heer Patten namens de Commissie

(3 februari 2004)

Het is de Commissie bekend dat een deel van de Albanese bevolking vindt dat hun rechten in Griekenland niet volledig worden geëerbiedigd, in het bijzonder op het gebied van de eigendommen die op het einde van de tweede wereldoorlog in beslag zijn genomen.

De Commissie is van oordeel dat dit vraagstuk in hoofdzaak een bilaterale kwestie is tussen Albanië en Griekenland. Zij wijst er evenwel op dat in de loop van 2003 een aantal positieve ontwikkelingen werden vastgesteld. Er hebben bijeenkomsten op hoog niveau (dat wil zeggen tussen premier Nano en premier Simitis) plaatsgevonden die onder andere tot doel hadden volgende kwesties te bespreken: de geldigheid van de zogenaamde „Oorlogswet” (opgesteld door Griekenland en naar verluidt toegepast op de Albanezen), de toegang van de Albanese bevolking tot de Griekse rechtbanken om hun rechten op te eisen en het antwoord van de Griekse rechtbanken. De Commissie wijst erop dat de heer Nano, tijdens een zitting van het Albanese parlement (15/05/03), heeft medegedeeld dat de Albanese regering van oordeel is dat er geen „staat van oorlog” meer is, aangezien beide landen op 21 maart 1996 een vriendschaps- en samenwerkingsakkoord hebben ondertekend. De „staat van oorlog” behoort tot het verleden, besloot de heer Nano. Tegelijkertijd heeft ook de leider van de Democratische Partij (belangrijkste oppositiepartij), de heer Sali Berisha, verklaard dat er op dit ogenblik geen „staat van oorlog” is tussen Griekenland en Albanië. Hoewel het vraagstuk van de verbeurdverklaarde eigendommen omstreden blijft, kunnen deze verklaringen worden beschouwd als een stap in de goede richting.

De Commissie zal de situatie blijven volgen en de voortzetting van de dialoog tussen Athene en Tirana blijven aanmoedigen met het oog op het tot stand brengen van een billijke oplossing voor de hangende vraagstukken.