Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum

Partijen

In zaak T-131/89 R,

Cosimex GmbH, gevestigd te Keulen, vertegenwoordigd door A . von Winterfeld, advocaat te Keulen ( Bondsrepubliek Duitsland ), domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van E . Arendt, advocaat aldaar, 4, avenue Marie-Thérèse,

verzoekster,

tegen

Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur N . Koch als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,

verweerster,

betreffende een verzoek om voorlopige maatregelen, inhoudende dat de Commissie wordt gelast, binnen een redelijke termijn het verzoek om voorlopige maatregelen dat verzoekster in haar klacht van 13 mei 1988 heeft ingediend, met inachtneming van de rechtsopvattingen van het Hof in heroverweging te nemen,

geeft

DE PRESIDENT VAN HET GERECHT

de navolgende

Beschikking

Overwegingen van het arrest

1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen op 16 augustus 1989, heeft Cosimex GmbH krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag beroep ingesteld tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 7 juni 1989 (( zaak IV/32.724, Moll ( Cosimex)/Vichy )), voor zover daarin het in haar klacht van 13 mei 1988 vervatte verzoek is afgewezen .

2 Bij afzonderlijke akte, op dezelfde dag ter griffie neergelegd, heeft Cosimex tevens krachtens artikel 186 EEG-Verdrag een verzoek in kort geding ingediend, waarin zij vordert dat de Commissie bij wege van voorlopige maatregel wordt gelast, binnen een redelijke termijn het verzoek om voorlopige maatregelen dat verzoekster in haar klacht van 13 mei 1988 heeft ingediend, met inachtneming van de rechtsopvattingen van het Hof in heroverweging te nemen . In haar klacht had zij verzocht, dat de Société d' hygiène dermatologique de Vichy ( hierna : Vichy ) bij wege van voorlopige maatregel werd verboden, op enigerlei wijze de leverantie van Vichy-produkten door derden aan Cosimex te beletten .

3 Bij beschikking van de president van het Hof van 15 november 1989 is de zaak naar het Gerecht van eerste aanleg verwezen .

4 De Commissie heeft haar opmerkingen ingediend op 15 september 1989 . Op 21 november 1989 hebben partijen hun standpunten mondeling toegelicht .

5 Alvorens wordt onderzocht of dit verzoek in kort geding gegrond is, lijkt het nuttig in het kort de context van deze zaak en inzonderheid de verschillende feiten weer te geven, naar aanleiding waarvan de Commissie de litigieuze brief van 7 juni 1989 aan Cosimex heeft gestuurd .

6 Op 13 mei 1988 diende Cosimex ( destijds Kosmetik Moll GmbH ) bij de Commissie een klacht in, waarin zij haar krachtens artikel 3, leden 1 en 2, van verordening nr . 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 EEG-Verdrag ( PB 1962, nr . 13, blz . 204 ), verzocht vast te stellen dat Vichy, door op groothandelaren in Frankrijk en België druk uit te oefenen om hen te beletten Vichy-produkten aan klaagster te leveren, inbreuk had gemaakt op artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag, en haar derhalve te gelasten deze inbreuk te beëindigen . Ook verzocht Cosimex de Commissie om Vichy bij wege van een voorlopige beschikking te verbieden op enigerlei wijze de levering door derden van Vichy-produkten aan klaagster te blijven beletten .

7 Bij brief van 17 februari 1989, toen meermaals overleg had plaatsgevonden tussen klaagster en ambtenaren van het directoraat-generaal Concurrentie van de Commissie en nadat de Commissie Vichy om inlichtingen had gevraagd, verzocht Cosimex de Commissie om te beslissen of zij al dan niet overeenkomstig haar verzoeken in de klacht van 13 mei 1988 tegen Vichy zou optreden . Voor het geval de Commissie mocht besluiten om niet tegen haar op te treden, verzocht Cosimex om een met redenen omklede afwijzende beschikking . Tegelijkertijd deelde zij mee, dat zij tegen een dergelijke beschikking beroep zou instellen krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag .

8 In haar antwoord van 7 juni 1989 verklaarde de Commissie dat tot dan toe niet genoegzaam was bewezen dat de in de klacht genoemde leverantieweigeringen op een mededingingsregeling in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag berustten, en gaf zij haar te kennen dat met haar klacht zou worden rekening gehouden bij het onderzoek van het distributiestelsel van Vichy, dat inmiddels van diverse kanten bij de Commissie was aangemeld of binnenkort zou worden aangemeld, maar dat niet op korte termijn een beschikking was te verwachten .

9 Krachtens artikel 186 EEG-Verdrag juncto artikel 4 van het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 ( besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen, PB 1988, L 319, blz . 1, zoals gerectificeerd in PB 1989, L 241, blz . 4 ) kan het Gerecht in zaken welke bij dit college aanhangig zijn gemaakt, de noodzakelijke voorlopige maatregelen gelasten .

10 Artikel 83, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof - dat tot de inwerkingtreding van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van overeenkomstige toepassing is op de procedure voor het Gerecht ( zie artikel 11, derde alinea, van vorengenoemd besluit van de Raad ) - bepaalt, dat het in artikel 186 EEG-Verdrag bedoelde verzoek om een voorlopige maatregel een duidelijke omschrijving moet bevatten van de omstandigheden waaruit het spoedeisende karakter van het verzoek blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt .

11 Zoals het Hof in zijn beschikking van 17 januari 1980 ( zaak 792/79 R, Jurispr . 1980, blz . 119 ) heeft verklaard, is het de Commissie die in het kader van de controle waarmee het Verdrag en verordening nr . 17 haar op het gebied van de mededinging belasten, krachtens artikel 3, lid 1, van verordening nr . 17 dient te beslissen of er naar aanleiding van een bij haar ingediend verzoek termen aanwezig zijn om voorlopige maatregelen te nemen .

12 Het kan in het midden worden gelaten of de brief van de Commissie van 7 juni 1989 is aan te merken als een voor beroep vatbare beschikking, voor zover de Commissie daarin zou weigeren de voorlopige maatregelen vast te stellen waarom Cosimex heeft verzocht . Het zou evenwel niet in overeenstemming zijn met de beginselen welke ten grondslag liggen aan de door de opstellers van het Verdrag gewenste verdeling van de bevoegdheden tussen de instellingen, wanneer het Gerecht de Commissie zou kunnen gelasten het bij haar ingediende verzoek om voorlopige maatregelen in heroverweging te nemen .

13 Bovendien verzet artikel 173 juncto artikel 176 EEG-Verdrag zich ertegen, dat het Gerecht de grenzen afbakent waarbinnen de Commissie een verzoek om voorlopige maatregelen opnieuw in overweging zou moeten nemen, zonder dat het eerst de handeling heeft nietig verklaard waarbij in voorkomend geval is geweigerd de betrokken voorlopige maatregelen vast te stellen .

14 Uit voorgaande overwegingen volgt, dat de voorwaarden op grond waarvan het verzoek om voorlopige maatregel rechtens zou kunnen worden ingewilligd, niet zijn vervuld en dat bijgevolg het verzoek dient te worden afgewezen, zonder dat de omstandigheden behoeven te worden onderzocht waaruit het spoedeisende karakter van het verzoek en de noodzakelijkheid van de gevraagde maatregelen zouden blijken .

Dictum

DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG

VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

uitspraak doende bij voorraad,

beschikt :

1 ) Het verzoek om voorlopige maatregelen wordt afgewezen .

2 ) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden .

Luxemburg, 6 december 1989 .