28.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 157/1


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „De Europese verzekeringsovereenkomst”

(2005/C 157/01)

Op 17 juli 2003 besloot het Europees Economisch en Sociaal Comité om, overeenkomstig artikel 29, lid 2, van het rvo, een advies op te stellen over: „De Europese verzekeringsovereenkomst”.

De gespecialiseerde afdeling „Interne markt, productie en consumptie”, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft zijn advies op 10 november 2004 goedgekeurd; rapporteur was de heer PEGADO LIZ.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 413e zitting van 15 en 16 december 2004 (vergadering van 15 december) het volgende advies met 137 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 2 onthoudingen, goedgekeurd.

1.   Inleiding: doel van het initiatiefadvies en toelichting

1.1

Ondanks de gemeenschappelijke oorsprong en zeer gelijksoortige structuren variëren de belangrijkste beginselen voor sluiting en geldigheid van verzekeringsovereenkomsten van lidstaat tot lidstaat in het licht van de nationale regelingen.

1.2

De verzekeringsovereenkomst is cruciaal voor het functioneren van de interne markt omdat zij de handelsrelatie tussen aanbieders en consumenten meer zekerheid verschaft. Uiteenlopende nationale voorschriften betreffende de belangrijkste aspecten van die overeenkomst kunnen de voltooiing van de interne markt evenwel belemmeren en de grensoverschrijdende handel in dit financieel instrument in de weg staan.

1.3

Doel van dit initiatiefadvies is de aandacht van de bevoegde nationale en Europese instanties te vestigen op de noodzaak en opportuniteit van:

inventarisatie van kwesties en problemen waarop de consument en de voltooiing van de interne markt stuiten als gevolg van de huidige diversiteit van de nationale definities van en de regelingen betreffende verzekeringsovereenkomsten;

identificatie van beginselen inzake verzekeringsovereenkomsten die de lidstaten gemeen hebben en van sectoren waarin tot juridische/technische harmonisatie kan worden overgegaan;

afweging van mogelijke oplossingen en voorstellen voor modellen, formules of instrumenten die moeten worden goedgekeurd om tot een zo adequaat mogelijke regeling voor een Europese verzekeringsovereenkomst te komen.

1.4

Het was vanaf het begin van de werkzaamheden betreffende onderhavig advies van doorslaggevend belang te kunnen rekenen op de medewerking van de leden van de groep „Restatement of European Insurance Contract Law”, onder leiding van prof. F. REICHERT-FACILIDES (universiteit van Innsbruck); deze groep is samengesteld uit eminente juristen en specialisten ter zake van het verzekeringsrecht die uit 15 lidstaten afkomstig zijn.

1.4.1

Het verheugde ons dan ook zeer dat professor REICHERT-FACILIDES terstond op ons verzoek reageerde en zich bereid verklaarde om als deskundige voor de rapporteur aan onze werkzaamheden deel te nemen. Hij heeft onmiddellijk een eerste bijdrage opgesteld (position paper I).

1.4.2

Helaas is professor REICHERT-FACILIDES tijdens het opstellen van dit advies onverwachts overleden.

1.4.3

Gegeven de belangstelling die deze hoogleraar gedurende zijn gehele carrière van intensief academisch werk op het gebied van verzekeringen heeft getoond en gezien zijn „Restatement”-project is het dan ook volstrekt op zijn plaats om in dit advies naar zijn werk te verwijzen en uitdrukkelijk onze dankbaarheid voor zijn uitzonderlijke inzet te betuigen als uiting van ons verdriet en als oprecht eerbewijs te zijner nagedachtenis.

1.4.4

Daarom hebben wij een aanzienlijk deel van zijn „position paper I” in dit advies opgenomen. Dit document had hij opgesteld als basis voor de werkzaamheden betreffende dit advies en vormt een van de laatste van zijn hand.

„1.

De diversiteit van de Europese wetgeving betreffende verzekeringsovereenkomsten vormt een ernstige belemmering voor de totstandkoming van een interne verzekeringsmarkt. Dat is vanaf het begin het oordeel van de projectgroep geweest. Ook het EESC heeft hierop de aandacht gevestigd in zijn initiatiefadvies over „De consument en de verzekeringsmarkt” van 29 januari 1998 (PB C 95 van 30 maart 1998, blz. 72; cfr. bijv. par. 1.6 en 2.1.9, tweede al.). Ondertussen lijkt de Commissie zelf ook tot dit inzicht te zijn gekomen (zie Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 2003: Een coherenter Europees verbintenissenrecht — Een actieplan, COM(2003) 68 def., PB C 63 van 15 maart 2003, blz. 1, hierna genoemd „het actieplan”; cf. bijv. de par. 27, 47/48, 74).

2.

Harmonisatie van de wetgeving in het algemeen en uiteraard ook van de verzekeringswetgeving kan alleen geschieden op grond van gedegen rechtsvergelijkend onderzoek. Doel van onze werkzaamheden is tot een „restatement” te komen. Wat is dat? Het woord komt van „restate”, dat betekent „nogmaals of overtuigend tot uitdrukking brengen”. In de juristerij betekent „restatement” een specifiek onder juristen algemeen bekende Amerikaanse technische term, een hecht geheel van regels die afkomstig zijn van verschillende, maar in wezen soortgelijke bronnen die worden gesystematiseerd en geüniformiseerd als „beste oplossing”. Dit geschiedt op particuliere, niet-wetgevende, basis door het American Law Institute. De raakpunten tussen de bronnen wortelen in de op de Common Law gebaseerde (verschillende) privaatrechtelijke voorschriften van de deelstaten. De raakpunten tussen de verzekeringswetgevingen in de Europese lidstaten wortelen in hun onderwerp: verzekering. De specifieke kenmerken daarvan vergen soortgelijke regels. Een „beste oplossing” voor het verzekeringsovereenkomstenrecht kan wellicht als volgt worden gevonden. Ten eerste moet rekening worden gehouden met de essentiële functie van het verzekeringsovereenkomstenrecht, nl. het scheppen van een rechtskader voor effectief risicobeheer door de verzekeraar en derhalve het waarborgen van een goede werking van de verzekeringssector zelf. Ten tweede is het van essentieel belang dat de belangen van partijen zorgvuldig worden afgewogen. In verband hiermee moet de trend om de polishouder een relatief hoog niveau van bescherming te bieden, worden erkend.

3.

De „restatement” die onze groep voor ogen heeft, concentreert zich op dwingende bepalingen (of half-dwingende bepalingen, ten behoeve van de polishouder). Waarom? Het „levend recht” van verzekeringsovereenkomsten wordt in eerste instantie niet in wetten maar in standaardbedingen voor overeenkomsten gevonden. Inachtneming hiervan betekent niet alleen erkenning van de realiteit maar ook respect voor het principe van vrijheid van overeenkomst. Anderzijds behoudt de wetgever de essentiële taak om deze vrijheid uit beleidsoverwegingen te beknotten en om de polishouder (of derden ten gunste waarvan de verzekering werd afgesloten) te beschermen. Bijzondere aandacht dient uit te gaan naar contractuele bedingen die tot een verlies van bescherming kunnen leiden. Om dit doel te bereiken moeten in alle Europese rechtsstelsels bij wet (semi)dwingende bepalingen voor verzekeringsovereenkomsten worden vastgesteld. De problemen die hierdoor ontstaan voor de interne markt worden in het actieplan als volgt omschreven: „….In de loop van de tijd hebben de lidstaten regels ontwikkeld die betrekking hebben op de voorwaarden die al dan niet worden opgenomen in een verzekeringscontract of een andere overeenkomst betreffende financiële diensten. Voor zover deze regels onderling verschillen, kunnen zij invloed hebben op de producten die over de grenzen heen worden aangeboden.” Inderdaad: om een echte interne verzekeringsmarkt te bevorderen moeten alle beperkingen van de vrijheid om een verzekeringsovereenkomst te sluiten worden geharmoniseerd of gestroomlijnd, met als gevolg dat alle (standaard)overeenkomsten die volgens dergelijke uniforme voorschriften zijn opgesteld, in alle landen van Europa kunnen worden aangeboden en er dus één markt ontstaat. Het is precies dit doel dat de projectgroep voor ogen staat.

4.

Het rechtsvergelijkend onderzoek (dat onder 2 wordt genoemd) wordt binnen onze projectgroep gewaarborgd door de brede samenstelling ervan. De groep telt 16 rechtsdeskundigen uit landen binnen en buiten de EU, met verschillende rechtsordes die ten grondslag liggen aan het verzekeringsovereenkomstenrecht.

5.

De vraag dringt zich op of de restatement de bestaande nationale regelgeving moet vervangen of dat er een extra (op dit moment: 16e) model moet komen voor grensoverschrijdende overeenkomsten. Het probleem wordt uiteengezet in het actieplan, waarin de mogelijkheid van een zogeheten optioneel instrument wordt geopperd. Op dit onderwerp wordt hier verder niet ingegaan.

6.

Vergelijkend onderzoek op het gebied van het verzekeringsovereenkomstenrecht moet steeds worden verricht tegen de achtergrond van het algemeen verbintenissenrecht. De projectgroep houdt daarvoor de zogeheten Lando/Beale-beginselen voortdurend in het oog. Bovendien werkt de groep nauw samen met de „Study Group on a European Civil Code” (Professoren von Bar en Beale). Binnen deze organisatie draagt de groep de verantwoordelijkheid voor verzekeringsovereenkomstenrecht.”

1.5

Ter voorbereiding van dit advies is een aantal malen vergaderd met vertegenwoordigers van de Commissie die zich met het verzekeringsbedrijf en de voltooiing van de interne markt bezighouden, alsook met mensen van het Europees Assurantie Comité (EAC) en van het Europees Bureau voor consumentenunies (BEUC). Daarbij kon een eerste indruk worden opgedaan, en hebben wij reacties en suggesties mogen ontvangen.

1.6

Tevens werd besloten een enquête te houden onder een groot aantal publieke, particuliere, nationale en communautaire organisaties die representatief zijn voor de belangen in kwestie, en een hoorzitting te organiseren met de belangrijkste betrokkenen (verzekeraars, producenten, diverse beroepsgroepen en consumenten), gespecialiseerde juristen en wetenschappers uit diverse landen met uiteenlopende rechtsstelsels.

1.7

De reacties op de enquête en de tijdens de hoorzitting (16 april 2004) gemaakte opmerkingen en gedane suggesties zijn op beknopte wijze in dit advies verwerkt.

2.   Achtergrond

2.1

Het in dit advies behandelde onderwerp is niet nieuw. Reeds in zijn initiatiefadvies over „De consument en de verzekeringsmarkt (1) vestigde het Comité de aandacht op het „Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de verzekeringsovereenkomst (2), waarmee de Commissie in de eerste plaats streefde naar harmonisatie van een aantal basisregels voor de verzekeringsovereenkomst. Het Comité sprak er zijn teleurstelling over uit dat de Commissie indertijd niet voornemens was, de materie verder op te pakken „ofschoon zowel verzekeringsmaatschappijen als consumentenorganisaties ervan overtuigd zijn dat met name het ontbreken van een communautaire regeling voor verzekeringsovereenkomsten (en minimumvoorwaarde voor de harmonisering van het substantieve recht) debet is aan een reeks obstakels en moeilijkheden die een werkelijke totstandbrenging van de interne markt op dit gebied verhinderen. (3)

2.1.1

Verderop constateerde het Comité dat een van de belangrijkste algemeen erkende obstakels voor de totstandbrenging van de interne verzekeringsmarkt wordt gevormd door het „(ontbreken van) iedere vorm van harmonisering van het substantieve recht (…), d.w.z. er bestaan geen minimumvoorschriften voor het verzekeringsovereenkomstenrecht in de Europese Unie. (4)

2.1.2

Daarnaast wees het Comité op het volgende: „Op communautair niveau bestaat er geen enkel rechtskader waarin regels worden vastgesteld voor een minimum aan doorzichtigheid bij het afsluiten van verzekeringen in het algemeen en niet-levensverzekeringen in het bijzonder. Er wordt evenmin duidelijk gemaakt wat onder „misleidende algemene bepalingen” kan worden verstaan noch wordt een definitie gegeven van algemene begrippen zoals „goede trouw” of „contractueel evenwicht” op het gebied van verzekeringsovereenkomsten.” (5)

2.1.3

Het Comité voegde daar concreet aan toe: „De verschillende manieren waarop de diverse lidstaten deze materie hebben geregeld of, als ze dat niet hebben gedaan, het ontbreken van regelgeving (waarbij alles wordt overgelaten aan de werking van de markt waar de concurrentie verre van vlekkeloos verloopt en afspraken tussen sommige partijen nadelig uitpakken voor andere partijen), hebben ertoe geleid dat er op de interne markt vele oplossingen bestaan voor feitelijk identieke situaties. Dat geldt met name voor grensoverschrijdende transacties, die sinds de opkomst van de „informatiemaatschappij” hand over hand toenemen.” (6)

2.1.4

Ten slotte, na een analyse van kwesties die geharmoniseerd zouden kunnen/moeten worden, vestigde het Comité de aandacht van de Commissie en de lidstaten erop dat „het voorstel van de Commissie van 1979 (...) voor een richtlijn tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de verzekeringsovereenkomst in het licht van het subsidiariteitsbeginsel zou moeten worden herzien (7) en verzocht het de Commissie alles in het werk te stellen om op Europees niveau gemeenschappelijke minimumvoorschriften voor verzekeringsovereenkomsten op te stellen (voorstel voor een richtlijn) (8).

2.2

Overigens wijzen zowel consumentenorganisaties als verenigingen van verzekeraars er reeds geruime tijd op dat de regels voor verzekeringsovereenkomsten veel verder moeten worden geharmoniseerd.

2.2.1

Daarnaast vestigde de „European Consumer Law Group” in 1986 de aandacht op de noodzaak, de nationale wetgevingen inzake de verzekeringsovereenkomst tot op zekere hoogte te harmoniseren en gaf de groep een gedetailleerde opsomming van aangelegenheden die men zou moeten pogen te harmoniseren. (9)

2.2.2

Verder benadrukt ook het BEUC sinds 1994 dat er een wettelijke basis moet komen voor een regeling van de belangrijkste aspecten van de verzekeringsovereenkomst om op die manier tot een minimale gemeenschappelijke juridische basis te geraken.

2.2.3

Een soortgelijk standpunt werd in december 1998 ingenomen door diverse consumentenorganisaties.

2.2.4

Ten slotte beklemtoont het Europees Assurantie Comité (EAC) in een recent commentaar op de mededeling van de Commissie betreffende het Europees Verbintenissenrecht dat de Commissie er terecht op heeft gewezen dat de diversiteit van de nationale bepalingen inzake met consumenten gesloten verzekeringsovereenkomsten een belemmering vormt voor grensoverschrijdende verzekeringscontracten, en constateert het dat het aantal en de ingewikkeldheid van de bepalingen van de „geharmoniseerde” communautaire verworvenheden die op de verzekeringsovereenkomst van toepassing zijn serieuze problemen in de hand werken.

2.2.4.1

Voorts geeft het een serie voorbeelden van soortgelijke of om onverklaarbare redenen uiteenlopende bepalingen die onnodig meerdere malen in EG-teksten terugkomen, en sluit het af met zijn steun te betuigen aan de beoogde verbetering van het acquis communautaire op voorwaarde dat hieraan een kosten/batenanalyse voorafgaat, alle belanghebbenden uitgebreid worden gehoord en de obstakels op de interne markt centraal staan. (10)

2.3

In haar Mededelingen over „Het Europees verbintenissenrecht” (11) en „Een coherenter Europees verbintenissenrecht — een actieplan” (12) benadrukt de Commissie dat volgens diverse geraadpleegde instanties verzekeringsovereenkomsten de meeste problemen veroorzaken op het gebied van financiële diensten vanwege de „verscheidenheid van nationale regelgevingen” en stelt zij dat moet worden gestreefd naar verdere convergentie van maatregelen „om te zorgen voor een evenwicht tussen de behoefte aan meer eenvormigheid van nationale regels en de noodzaak om productinnovatie en –keuze te handhaven (hetgeen zij beschouwt) als een essentieel initiatief (…) voor het actieplan voor een betere regelgeving.”  (13)

2.4

Het Europees Parlement ten slotte betreurt in zijn resolutie over genoemd actieplan „dat er niet vroegtijdig maatregelen zijn genomen om alternatieve instrumenten te ontwikkelen in bepaalde sectoren, zoals transacties en verzekeringen ten behoeve van de consument, waarin aanzienlijke voordelen zouden kunnen worden geaccumuleerd ter ondersteuning van een behoorlijke werking van de interne markt en ter uitbreiding van het aantal transacties en de handel” en „is van mening dat het, om de grensoverschrijdende handel in de interne markt te vergemakkelijken, vroegtijdig tot prioriteit moet worden verklaard voort te gaan met de instelling van een alternatief instrument in sommige sectoren, en verzoekt de Europese Commissie dan ook met voorrang een instapinstrument voor te stellen voor de sectoren consumenten- en verzekeringsovereenkomsten, rekening houdend met een hoog niveau van consumentenbescherming en opneming van passende, bindende, wettelijke bepalingen”  (14).

3.   Reacties op de enquête en de hoorzitting van 16 april 2004

3.1

Er werden in totaal 27 reacties ontvangen op de enquête, die naar uiteenlopende instanties werd gestuurd: gaande van nationale regulerende instanties tot belangenorganisaties van verzekeraars, ondernemers, handelaren en consumenten.

3.1.1

Reacties waren afkomstig uit Duitsland, Oostenrijk, België, Slowakije, Slovenië, Finland, Frankrijk, Liechtenstein, Litouwen, Malta, Noorwegen, Polen en Zweden.

3.1.2

De leden van de projectgroep „Restatement of European Insurance Contract Law” hebben één gemeenschappelijke reactie ingezonden.

3.2

Een vrij grote meerderheid is van mening dat:

a)

het gebrek aan harmonisatie van dwingende bepalingen een obstakel vormt voor grensoverschrijdende dienstverlening op het gebied van verzekeringen (hier zijn legio voorbeelden van);

b)

deze situatie tevens tot gevolg heeft dat consumenten maar moeilijk een verzekering kunnen afsluiten bij een buitenlandse verzekeraar (veel voorbeelden);

c)

dit laatste er ook toe leidt dat verzekeringsagenten hun diensten niet gauw over de grens zullen aanbieden (tal van voorbeelden);

d)

harmonisatie van de dwingende bepalingen van verzekeringsrecht ertoe zal bijdragen dat verzekeraars, consumenten en verzekeringsagenten aan weerszijden van de grens vaker met elkaar in zee zullen gaan;

e)

de richtlijn van 1979/1980 een goed uitgangspunt is voor een discussie over deze materie, zij het in een andere vorm en aan de hand van andere parameters, zoals door sommige respondenten werd voorgesteld en toegelicht.

3.3

De hoorzitting werd bijgewoond door 46 vertegenwoordigers van 36 instanties uit 17 landen .

3.4

De reacties op de enquête en de discussies die tijdens de hoorzitting zijn gevoerd leveren een eensgezind beeld op, dat er in grote lijnen als volgt uitziet:

3.4.1

Er zijn opvallende verschillen tussen de nationale regelingen betreffende verzekeringsovereenkomsten.

3.4.2

De harmonisatie van het verzekeringsrecht in de EU laat zeer te wensen over, met alle gevolgen van dien voor de totstandbrenging van de interne markt op dit vlak.

3.4.3

Met name voor de kleine en middelgrote verzekeringnemers (particulieren en MKB) is een zekere mate van harmonisatie wenselijk dan wel noodzakelijk om ongelijkheden en discriminatie (collectieve risico's) te voorkomen.

3.4.4

Bij de harmonisatie van het verzekeringsrecht moet stap voor stap en niet al te rigide te werk worden gegaan. Harmonisatie is immers geen doel op zich maar een instrument om de interne markt tot stand te brengen, dat in principe noodzakelijk is en evenredig moet worden doorgevoerd.

3.4.5

Harmonisatie moet in de eerste plaats gericht zijn op:

dwingende bepalingen

het algemene deel van het verzekeringsrecht

3.4.6

De vorm waarin de modelovereenkomst na de harmonisatie wordt gegoten, kan optioneel zijn maar moet, zodra hierover een akkoord is bereikt, wèl tot in alle details door partijen worden aangehouden.

3.4.7

Het meest aangewezen communautair instrument voor vaststelling van een dergelijk model is een verordening; hiermee wordt volledige harmonisatie het best gegarandeerd.

3.4.8

De richtlijnvoorstellen van de Commissie uit 1979 en 1980, zoals gewijzigd naar aanleiding van voorstellen van het EP en het EESC, kunnen een uitgangspunt vormen, maar moeten grondig worden herzien in het licht van de ontwikkeling die het verzekeringsrecht sindsdien heeft ondergaan.

3.4.9

Harmonisatie volgens de eerder uitgezette lijnen kan het afsluiten van grensoverschrijdende verzekeringsovereenkomsten vergemakkelijken en bijdragen tot een verdere ontwikkeling van de interne markt op dit gebied.

3.4.10

Als rechtsgrondslag voor een dergelijk initiatief kan artikel 95 van het Verdrag worden genomen.

3.5

Voorts waren sommige deelnemers en respondenten nog van mening dat:

3.5.1

harmonisatie facultatief moet zijn en moet worden beperkt tot de fundamentele begrippen;

3.5.2

harmonisatie enkel voor grensoverschrijdende overeenkomsten en natuurlijke personen moet gelden;

3.5.3

harmonisatie geen algemeen wondermiddel is om de gebrekkige ontwikkeling van de interne verzekeringsmarkt op te lossen;

3.5.4

bijzondere aandacht moet uitgaan naar gespecialiseerde instanties als onderlinge waarborgstelsels en voorzorgs- en socialezekerheidsinstellingen.

4.   De noodzaak van een initiatief op communautair niveau

4.1   De interne markt en verzekeringen

4.1.1   Algemene opmerkingen over de betrekkingen tussen de interne markt en verzekeringen

4.1.1.1

De interne markt omvat een ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd (artikel 14, lid 2, van het EG-Verdrag). Naargelang de omstandigheden vallen verzekeringen onder de voorschriften betreffende de vrije dienstverlening (de artikelen 49-55 van het Verdrag) of de vestigingsvrijheid. Verzekeraars die hun diensten in een andere lidstaat aanbieden of zich daar vestigen, doen met hun polissen verzekeringsproducten aldaar concurrentie aan.

4.1.1.2

Op die manier wordt de keuzevrijheid van potentiële polishouders vergroot. Idealiter vormt positieve selectie door consumenten die zich willen verzekeren de onzichtbare hand die de interne verzekeringsmarkt stuurt.

4.1.1.3

Verzekeringskwesties raken ook andere vrijheden: het vrije verkeer van premies en verzekeringsopbrengsten wordt gegarandeerd door artikel 56 van het EG-Verdrag. Verder mag de polis er niet onder lijden wanneer de houder gebruik maakt van zijn in artikel 18 van het Verdrag neergelegde recht om zijn gewone verblijfplaats in een andere lidstaat te kiezen.

4.1.2   Stand van zaken betreffende de harmonisatie van het verzekerings- en verzekeringsovereenkomstenrecht

4.1.2.1

Gegeven deze waaier aan interacties tussen verzekeringen/verzekeringsrecht en de in het Verdrag verankerde vrijheden heeft de EG belangrijke onderdelen van de regels geharmoniseerd ten behoeve van het goed functioneren van de interne markt. Het toezicht op het verzekeringswezen is in de EG en de EER in hoge mate geharmoniseerd via de zg. „drie generaties” richtlijnen op verzekeringsgebied.

4.1.2.2

Overeenkomstig de uitspraak van het Hof van Justitie (HvJ) van 4 december 1986 (15) is daarbij gekozen voor een stelsel met één vergunning en toezicht door de lidstaat van oorsprong. De harmonisatie van de regels voor verzekeringsovereenkomsten is eigenlijk beperkt gebleven tot kwesties betreffende internationaal privaatrecht en rechterlijke bevoegdheden. (16)

4.1.2.3

Het materiële verzekeringsovereenkomstenrecht is uitsluitend op bepaalde (deel)gebieden geharmoniseerd. De harmonisatie van wetgeving betreffende de verzekering egenwettelijke aansprakelijkheid in verband met motorrijtuigen (17) is inmiddels ver gevorderd. Ook bestaan er op het gebied van de rechtsbijstandverzekering gemeenschappelijke bepalingen. (18)

4.1.2.4

De overgrote meerderheid van het materiële verzekeringsovereenkomstenrecht, d.w.z. het algemeen deel dat op alle soorten verzekeringen van toepassing is, is echter nog altijd een zaak van nationale wetgeving. Dit doet onvermijdelijk de vraag rijzen of harmonisatie van het verzekeringsovereenkomstenrecht nodig is voor het goed functioneren van de interne verzekeringsmarkt. Die vraag moet met ja worden beantwoord indien blijkt dat de nationale regels van verzekeringsovereenkomstenrecht uiteenlopen en daarmee een belemmering voor de interne markt vormen.

4.2   Verzekeringsovereenkomstenrecht als een belemmering voor de interne verzekeringsmarkt

4.2.1   De huidige situatie: onvolledige interne verzekeringsmarkt

4.2.1.1

Uit empirische gegevens blijkt dat de totnogtoe door de EG genomen maatregelen (19) hebben bijgedragen tot verbetering van de interne verzekeringsmarkt maar dat er nog geen sprake van voltooiing is (20). Dit geldt bijv. voor de in artikel 49 e.v. en in richtlijnen verankerde vrijheid om groepsverzekeringsactiviteiten aan te bieden: tot op heden hebben verzekeraars en verzekeringnemers hiervan niet veel gebruik gemaakt.

4.2.2   De huidige situatie: algemene achtergrond

4.2.2.1

De bovenomschreven huidige situatie kan wellicht vanuit het toepasselijke algemene rechtskader worden verklaard. Cruciaal is dat een verzekering meestal wordt gezien als een „juridisch product” dat door een verzekeraar als contract wordt verkocht met toepasselijkheid van partijautonomie en (dwingend) recht.

4.2.2.2

Wanneer partijautonomie prevaleert, d.w.z. dat partijen zelf in het licht van hun wederzijdse preferenties de verzekeringsovereenkomst opstellen, bestaat er geen enkel probleem voor het functioneren van de interne markt.

4.2.2.3

Het verzekeringswezen is echter in hoge mate onderworpen aan, deels ook internationale, dwingende voorschriften. (21)

4.2.2.4

Verzekeraars ontwerpen hun producten in hoge mate met het toepasselijk recht in het achterhoofd, en daarom kunnen nationale verzekeringsvoorschriften een barrière voor de interne markt vormen. Dit komt duidelijk tot uiting in het Actieplan van de Commissie voor een coherenter Europees verbintenissenrecht. (22) Voorts zal het in het navolgende worden aangetoond vanuit het gezichtspunt van de verzekeraar (par. 4.2.3), de verzekeringnemer (par. 4.2.4) en tussenpersonen (par. 4.2.5).

4.2.3   De verzekeraar

4.2.3.1

Verzekeraars bieden dekking op basis van een risico-evaluatie en mede in het licht van de op een polis toepasselijke voorschriften. Kan een verzekeraar in de gehele EG onder uniforme regelingen zijn product verkopen, dan kan hij — zonder onderscheid als gevolg van verschillen in nationale wetgeving — door hem in de Gemeenschap gedekte risico's bundelen. In dat geval vormen verschillen tussen het verzekeringsrecht van de lidstaten geen obstakel voor de vrijheden van de verzekeraar.

4.2.3.2

Is evenwel de lidstaat waar de polis wordt verkocht bepalend voor het toepasselijk recht, dan beïnvloeden de verschillen tussen de nationale regels de risico-evaluatie en het functioneren van de wet van de grote getallen, waarop het verzekeringswezen is gebaseerd.

4.2.3.3

Bijgevolg zal een verzekeraar die grensoverschrijdend verkoopt zijn polissen moeten differentiëren en zijn berekeningen mede op het toepasselijke recht moeten baseren. Dit levert een substantiële belemmering voor het functioneren van de interne markt op.

4.2.3.4

Een korte blik op het IPR van de Gemeenschap dat op het verzekeringsbedrijf van toepassing is, leert dat een verzekeraar in wezen gedwongen is om polissen aan te passen aan het recht van de lidstaat waar deze worden verkocht. Overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder a) en h), van de Tweede Richtlijn betreffende het directe verzekeringsbedrijf met uitzondering van levensverzekeringen (23) is het recht van toepassing van de lidstaat waar het risico is gesitueerd en krachtens artikel 32, lid 1, onder 1, van de Richtlijn voor het levensverzekeringsbedrijf (24) gaat het om de lidstaat waar de verbintenis moet worden uitgevoerd. De situering van het risico of de plaats waar de verbintenis moet worden nagekomen hangen doorgaans af van de gewone verblijfplaats van verzekerde. (25)

4.2.3.5

Verzekeraars kunnen dit vermijden door samen met verzekerden het recht te kiezen dat op de polis van toepassing is (zeer waarschijnlijk het recht van de lidstaat waar verzekeraar is gevestigd). Deze mogelijkheid wordt echter in hoge mate beperkt door de IPR-regels in de verzekeringsrichtlijnen. Krachtens de directe-verzekeringsrichtlijnen (niet-levensverzekering) is vrije rechtskeuze uitsluitend mogelijk bij dekking van grote risico's. (26) Wel kan de lidstaat waar het risico is gesitueerd de autonomie van partijen vergroten. (27) In alle andere gevallen laten de richtlijnen weinig ruimte voor partijautonomie (28) en bieden daarom geen oplossing voor de hierboven beschreven problemen bij grensoverschrijdende verkoop. Op het gebied van levensverzekeringen kan de lidstaat waar de verbintenis moet worden uitgevoerd partijen autonomie verlenen. (29) Voor het overige hebben zij slechts een uiterst beperkte rechtskeuze. (30)

4.2.3.6

Uit deze opmerkingen over de stand van het Europese internationale verzekeringsovereenkomstenrecht blijkt duidelijk dat verzekeraars van massarisico's doorgaans hun polis zullen moeten aanpassen aan het recht van de lidstaat waar verzekerde zijn gewone verblijfplaats heeft. (31) De problemen worden nog groter wanneer verzekerde na het afsluiten van de verzekering van gewone verblijfplaats verandert. (32)

4.2.3.7

Verzekering van grote risico's (niet-levensverzekering) vormt de enige uitzondering in het Europese internationale verzekeringsovereenkomstenrecht: hier kunnen verzekeraar en verzekerde het toepasselijk recht kiezen. Maar zelfs dan nog kan de ex artikel 9, lid 1, onder b, van de Verordening Brussel I (33) bevoegde rechter van de lidstaat waar verzekerde is gevestigd dwingend recht toepassen. (34)

4.2.3.8

Bijgevolg staan de verzekeraars zeer aarzelend tegenover grensoverschrijdende dienstverlening ter zake van in ieder geval massarisico's. Het valt niet uit te sluiten dat daarin verandering kan worden gebracht door de IPR-regels te wijzigen. Waarschijnlijk zullen genoemde belemmeringen verdwijnen als partijen vrije rechtskeuze zouden hebben of, zo niet, als het toepasselijk recht aan de hand van het recht van de lidstaat van vestiging van verzekeraar zou worden aangewezen. Een dergelijke wijziging zou echter zeer schadelijk zijn voor de basisregels in het IPR inzake verzekeringnemers- en consumentenbescherming: hierdoor zou immers vrije rechtskeuze ontstaan in de verzekeringssector, ook in situaties waarin consumenten in andere sectoren worden beschermd door art. 5 van het Verdrag van Rome. Verder is ook dan het probleem nog niet geheel opgelost: de rechter van de lidstaat van vestiging van verzekerde zal nog steeds zijn eigen dwingende conflictregels toepassen. Bovendien zal niemand zich in een andere lidstaat verzekeren wanneer hij of zij weet dat de bescherming van de eigen wetgeving wegvalt en wordt vervangen door onbekend buitenlands verzekeringsrecht (35)

4.2.4   De verzekeringnemer

4.2.4.1

Gegeven de huidige IPR-bepalingen valt zeker niet uit te sluiten dat men zich in het buitenland wil verzekeren. Men weet dat men (doorgaans) wordt beschermd door het recht van de lidstaat waar men is gevestigd en staat daarom open voor grensoverschrijdend verzekeren. Maar zelfs indien gewenst, is het niet mogelijk om het buitenlands product ook werkelijk te krijgen: gegeven de toepasselijkheid van het recht van die lidstaat van vestiging worden de afgesloten polissen omgevormd tot overeenkomsten waarvan de inhoud min of meer naar dat recht wordt bepaald. Wil men zich voorts toch in het buitenland verzekeren, dan heeft men ook nog eens te maken met verzekeraars aldaar die daar eigenlijk niet op zitten te wachten.

4.2.4.2

Zoals opgemerkt, kan deze koudwatervrees waarschijnlijk worden weggenomen door het internationale verzekeringsovereenkomstenrecht te wijzigen. (36) Door dergelijke wijzigingen zou de vrees van verzekeraars echter worden vervangen door even sterke aarzelingen bij de potentiële verzekeringnemers. Op die manier kan een interne-verzekeringsmarkt niet van de grond komen.

4.2.4.3

Er speelt nog een andere kwestie. Een verzekerde kan zich vrij op de interne markt bewegen (zie met name artikel 18 van het EG-Verdrag). Verhuizing naar een andere lidstaat kan zijn verzekeringssituatie echter nadelig beïnvloeden. In de eerste plaats kan de rechter van de nieuwe lidstaat nieuwe, internationaal dwingende regels toepassen die de in de vroegere lidstaat afgesloten verzekering raken. In de tweede plaats kunnen in de tweede lidstaat andere wettelijke voorschriften voor dekking bestaan dan in de eerste. In de derde plaats is het denkbaar dat iemand in verschillende lidstaten gesitueerde risico's via één enkele polis wil dekken.

4.2.4.4

Dat laatste is gegeven de huidige EG-regels niet optimaal te verwezenlijken en daarom zoekt men zijn heil in „paraplupolissen”, die er evenwel op neer komen dat er evenveel verzekeringen als betrokken lidstaten zijn. Het ontbreekt derhalve aan wat genoemd zou kunnen worden een „mobiele Europese polis” voor EG-burgers die tijdens hun (beroeps)leven van lidstaat verwisselen (37).

4.2.5   De tussenpersonen

4.2.5.1

Tussenpersonen (vooral verzekeringsmakelaars) spelen een cruciale rol bij de verkoop van polissen, en daarmee bij de totstandbrenging van een interne verzekeringsmarkt. Zij maken immers gebruik van de vrijheden die zij op grond van de artikelen 49-55 van het EG-Verdrag en de Richtlijn betreffende verzekeringsbemiddeling (38) genieten en leveren daarmee een substantiële bijdrage aan de totstandbrenging en werking van de interne verzekeringsmarkt. Zijn massarisico's in het geding, dan zal eerder de makelaar dan de klant pogen om in een andere lidstaat een risico te laten afdekken.

4.2.5.2

Ontbreekt het de tussenpersoon aan kennis over het buitenlands recht in kwestie, dan kan hij ook weinig aanvangen met gegevens over de verzekeringsmarkt en –producten in de andere lidstaat. Producten op die markt zijn ontworpen tegen de achtergrond van het daar geldende recht en de makelaar weet niet in hoeverre inhoud en prijs van de polis door de regels van de lidstaat van zijn (buitenlandse) cliënt zullen worden beïnvloed. Hij heeft dan ook problemen om risico's op grote schaal op buitenlandse markten onder te brengen en zal zijn heil moeten zoeken in individuele polissen. Dit gaat gepaard met dusdanig hogere kosten dat er geen sprake is van interne-marktwerking.

4.2.6   Soortgelijke problemen bij verzekeringen die via een bijkantoor worden afgesloten

4.2.6.1

Het is al vaker gezegd: bij verzekeringen is, wegens de aard van het product, een geringe geografische afstand tussen verzekeraar en cliënt dringend gewenst. In de toekomst zal wellicht blijken dat grensoverschrijdende verkoop in het assurantiebedrijf niet zo vaak voorkomt als in andere branches (vgl. de verkoop van boeken via het internet). Ter wille van de betrekkingen met de consument zullen verzekeringsmaatschappijen hun activiteiten in andere lidstaten waarschijnlijk liever via bijkantoren of dochterondernemingen laten lopen.

4.2.6.2

De aanhangers van deze inschatting zijn in principe niet tegen harmonisatie van het verzekeringsovereenkomstenrecht. Zij proberen eerder aan te tonen dat het effect beperkt zal blijven tot een bepaald aantal verzekeringsovereenkomsten die over de grenzen heen tot stand zijn gekomen of tot consumenten die mobiel zijn en zich in een andere lidstaat vestigen.

4.6.2.3

Het werkelijke effect is echter veel groter. Indien verzekeringsovereenkomsten in andere lidstaten worden afgesloten via bijkantoren („vestigingen”) of zelfs via een dochteronderneming, zullen consumenten, tussenpersonen en verzekeraars met dezelfde problemen worden geconfronteerd. Verzekeraars moeten hun producten aanpassen aan de lokale omstandigheden, óók aan het lokale rechtsstelsel. Zij moeten hun producten dus opnieuw vorm geven. Zo kan een polis die in de ene lidstaat wordt verkocht niet zonder meer door een bijkantoor in een andere lidstaat worden verkocht: een grondige aanpassing aan de andere (wettelijke) context is immers geboden. Tussenpersonen en consumenten zullen dus geen buitenlandse verzekeringsproducten op hun markt aantreffen.

4.2.6.4

Door harmonisatie van het verzekeringsovereenkomstenrecht kunnen de productontwerpkosten op de interne markt drastisch omlaag. Zo zouden verzekeraars die zich in een andere lidstaat vestigen, zich kunnen beperken tot het verstrekken van advies via hun tussenpersonen, het laten afhandelen van schadeclaims door hun regionale bijkantoren enz. Zelfs indien verzekeraars actief zijn via dochterondernemingen, zouden verzekeringsmaatschappijen de kosten en moeite van het ontwerpen van een nieuw product kunnen delen.

4.2.6.5

Zo zou de consument de vruchten kunnen plukken van de interne markt. Op een interne markt met een gestroomlijnd verzekeringsovereenkomstenrecht zouden vernieuwingen in de verzekeringssector gemakkelijker de grens kunnen oversteken en zou de Europese consument toegang krijgen tot verzekeringsproducten van buitenlandse makelij.

4.3   Een speciale kwestie: harmonisatie van het verzekeringsovereenkomstenrecht en de uitbreiding

4.3.1

Per 1 mei 2004 zijn er tien landen toegetreden, waarvan er zich acht in een overgangsfase bevinden. Als voorwaarde voor toetreding moest daar het verzekeringsrecht op één lijn met de communautaire verworvenheden worden gebracht. (39) Verder is moderne wetgeving betreffende het verzekeringsovereenkomstenrecht onmisbaar voor de verzekeringsmarkten van deze landen. Sommige nieuwe lidstaten hebben die moderne wetgeving al ingevoerd, andere landen laten echter nog op zich wachten.

4.3.2

Harmonisatie van het verzekeringsovereenkomstenrecht lijkt daarom de beste route op weg naar een grotere interne verzekeringsmarkt. Op die manier worden de nieuwe lidstaten immers geholpen om hun wetgeving te moderniseren en worden nieuwe dispariteiten tussen nationale regelingen vermeden. Het zou een goede zaak zijn indien de Commissie deze lidstaten zo snel mogelijk kan mededelen wanneer zij tot harmonisatie denkt over te gaan.

5.   Het richtlijnvoorstel van de Commissie van 1979

5.1

Zoals opgemerkt, kwam de Commissie in 1979 voor het eerst met een voorstel voor een richtlijn tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de verzekeringsovereenkomst. (40) Dit voorstel was opgesteld overeenkomstig het algemeen programma voor de opheffing van belemmeringen voor de vrije dienstverrichting. Daarin werd gestreefd naar coördinatie van de wettelijke en bestuurlijke regelingen voor de directe verzekeringen voor zover het uiteenlopen daarvan schadelijk is voor de verzekerden en derden. (41)

5.2

In het voorstel werd de coördinatie via de toenmalige richtlijnen als ontoereikend aangemerkt. Verder werd erop gewezen dat het Verdrag een verbod bevat van iedere discriminatie op dienstverleningsgebied die is gebaseerd op het feit dat een onderneming niet is gevestigd in de lidstaat waar de dienst wordt verricht.

5.2.1

Daarom vond de Commissie dat „bepaalde algemene vraagstukken dienen te worden geregeld, met name met betrekking tot het bestaan van de dekking aan de hand van de betaling van de premie, de duur van de overeenkomst en de positie van verzekerden die geen verzekeringnemers zijn.” Hetzelfde gold voor „enerzijds de handelswijze van de verzekeringnemer bij het sluiten en tijdens de looptijd van de overeenkomst, met betrekking tot de opgave van het risico en het schadegeval, en anderzijds zijn houding t.a.v. bij een schadegeval te nemen maatregelen.”

5.2.2

Voorts werd overwogen dat „de Lid-Staten voor de in deze richtlijn geregelde problemen alleen kunnen worden gemachtigd afwijkende bepalingen te kiezen, wanneer zulks uitdrukkelijk in de tekst van de richtlijn wordt voorzien”, zonder dat daardoor de doelstellingen van de richtlijn in gevaar mogen worden gebracht. Op die manier werd een belangrijke stap op weg naar totale harmonisatie op dit gebied gezet (42).

5.3

In zijn advies ter zake (43) vatte het Comité het voorstel samen en maakte het de volgende opmerkingen:

a)

de Commissie heeft zich in het beginstadium beperkt tot coördinatie van de punten die zij wezenlijk acht; later zullen echter ook andere punten moeten worden geharmoniseerd;

b)

helaas wordt geen onderscheid gemaakt tussen massarisico's enerzijds en commerciële of industriële risico's anderzijds;

c)

het is beter dat de ziektekostenverzekering buiten de reikwijdte van het voorstel valt;

d)

jammer genoeg is in het richtlijnvoorstel niets bepaald omtrent verzekeringsovereenkomsten waarbij de verzekeraar in lidstaat A is gevestigd en het risico in lidstaat B is gesitueerd en voor overeenkomsten met buiten de EG gevestigde verzekeringnemers;

e)

omwille van een adequate bescherming van de verzekerde (particulieren of MKB) moeten er specifieke regels komen voor:

1)

bedenktijd en herroeping;

2)

verbod van misleidende bepalingen;

3)

uitdrukkelijke vermelding van gevallen waarop de verzekering niet van toepassing is en van de vervaldagen;

4)

goede voorlichting van de aspirant-verzekerde.

f)

het verhaalsrecht van gelaedeerde derden dient in een ad hoc-richtlijnvoorstel of in het kader van de volgende coördinatiefase te worden geregeld.

5.4

Ook analyseerde het Comité het voorstel artikelsgewijs en plaatste het een aantal kritische kanttekeningen die nu, op weg naar wat voor nieuw initiatief dan ook, nog altijd relevant zijn.

5.5

Ook het Europees Parlement heeft zich destijds over het voorstel uitgelaten (44) en was met name van mening dat „de harmonisatie de verzekeringnemers dezelfde mate van bescherming biedt ongeacht welk recht is gekozen”.

5.5.1

Het kwam met name met een aantal amendementen, die vooral betrekking hadden op het toepassingsgebied van de richtlijn (schrapping van uitsluitingen), de belangrijkste bepalingen van de verzekeringsovereenkomst, de mededelingsplicht voor de verzekeringnemer en de gevolgen daarvan voor de geldigheid van de overeenkomst op het moment van sluiting en tijdens de looptijd, de bewijslast voor de verzekeringnemer ingeval van schade en de opzeggingsvoorwaarden.

5.5.2

Het Parlement gaf daarbij uitdrukkelijk te kennen, te streven naar „een zeer nauwkeurig evenwicht tussen de belangen van verzekeraar enerzijds en de bescherming van de verzekerde anderzijds”.

5.6

Daarop heeft de Commissie haar voorstel in het licht van de suggesties en opmerkingen van EESC en EP gewijzigd (45) en vestigde zij er voor de eerste keer de aandacht op dat „de coördinatie van de wettelijke bepalingen betreffende de verzekeringsovereenkomsten het verrichten van diensten in een lidstaat door de verzekeraars van een andere lidstaat zal vergemakkelijken”. Dit was de eerste uiting van het streven naar voltooiing van een interne markt voor financiële diensten. (46)

5.6.1

De Commissie had gedacht, de richtlijn per 1 juli 1983 in werking te laten treden, maar bij gebrek aan politieke overeenstemming tussen de lidstaten werd het voorstel nooit goedgekeurd.

5.7   Het is nu de vraag, in hoeverre het voorstel van 1979/80 aan actualiteit heeft ingeboet.

5.7.1

Uit de reacties op de enquête en de tijdens de hoorzitting van 16 april 2004 geventileerde standpunten werd een algemene consensus gedistilleerd: zelfs na 20 jaar wordt het voorstel beschouwd als een waardevolle basis en een goed uitgangspunt voor een nieuw initiatief.

5.7.2

Er werd echter ook opgemerkt dat harmonisatie van het verzekeringsovereenkomstenrecht vandaag de dag verder dient te gaan dan in 1980 en dat de voor te stellen regels moeten stoelen op een aan de hand van intensieve rechtsvergelijking te voeren discussie.

6.   Harmonisatiemethoden

6.1   De beste methoden voor rechtsvergelijking

6.1.1

Iedere poging om het Europees verzekeringsovereenkomstenrecht te harmoniseren dient vooraf gegaan te worden door rechtsvergelijking, waaraan op universitair niveau momenteel hard wordt gewerkt: op het gebied van het algemeen verbintenissenrecht zijn er inmiddels beginselen gepresenteerd. Wat het verzekeringsovereenkomstenrecht betreft, zijn er reeds de nodige onderzoeksresultaten gepubliceerd en er zullen er nog bijkomen (47). In 1999 heeft wijlen prof. Reichert/Facilides een werkgroep opgericht om de Europese bepalingen betreffende het verzekeringsovereenkomstenrecht te uniformeren en te systematiseren. De leden van de groep zijn deskundigen in het verzekeringsrecht afkomstig uit verschillende landen binnen en buiten de EG.

6.1.2

Richtsnoeren om een „beste oplossing” voor het verzekeringsovereenkomstenrecht te vinden zouden een volgende stap kunnen vormen. In de eerste plaats moet zorgvuldig worden nagedacht over de kerntaak van alle voorschriften op dit rechtsgebied: het bieden van regels op basis waarvan verzekeraars risico's kunnen dekken, zodat verzekeringen goed functioneren. In de tweede plaats dient er voor het juiste evenwicht tussen de respectieve belangen van partijen te worden gezorgd. In dit verband moet worden erkend dat het de trend van de laatste tijd is om de polishouder relatief veel bescherming te bieden.

6.1.3

Gegeven deze opmerkingen zouden de inspanningen om tot een interne verzekeringsmarkt te komen moeten worden gericht op dwingend recht. Dergelijke regels vormen een onontbeerlijk kader waarbinnen partijen met autonomie kunnen contracteren en zijn, zolang ze nog niet zijn geharmoniseerd, tegelijkertijd een barrière voor die markt. Bijgevolg valt de regelgevingsbehoefte op verzekeringsgebied samen met de harmonisatievereisten voor een interne verzekeringsmarkt.

6.2   Harmonisatie moet een hoog beschermingsniveau voor de polishouder mogelijk maken

6.2.1

Verzekeringsovereenkomstenwetgeving, in ieder geval de semi-dwingende bepalingen, strekt ertoe, de zwakkere partij te beschermen en kan daarom in functioneel opzicht als consumentenrecht worden aangemerkt. Van oudsher gaat de bescherming van de polishouder echter verder dan algemeen consumentenrecht: ook kleine ondernemers worden door verzekeringen beschermd.

6.2.2

De harmonisatie van het consumentenrecht in de EG dient de consument een hoog beschermingsniveau te bieden (zie bijv. artikel 95, lid 3, van het EG-Verdrag. Dit geldt ook voor andere regelingen die de EG op basis van andere Verdragsbepalingen mag uitvaardigen (zie bijv. artikel 47, lid 2, i.c.m. artikel 55 van het Verdrag). Bijgevolg garanderen harmonisatiemaatregelen betreffende het verzekeringsovereenkomstenrecht de polishouder een hoog beschermingsniveau.

6.3   Minimumnormen of volledige harmonisatie?

6.3.1

Uit de analyse van de huidige problemen op de interne verzekeringsmarkt blijkt duidelijk dat volledige harmonisatie van het verzekeringsovereenkomstenrecht geboden is. Bij minimale harmonisatie zouden de lidstaten immers overeenkomstig de Europese wetgeving een hogere beschermingsgraad mogen blijven hanteren, wat voor nieuwe obstakels op de interne verzekeringsmarkt zou zorgen.

6.3.2

Minimale harmonisatie zou de werking van de interne markt niet belemmeren als het huidige IPR zou worden vervangen door een regeling die bepaalt dat het recht van het land waar de verzekeraar is gevestigd van toepassing is. Dan zou elke verzekeraar zijn product volgens de eigen nationale wetgeving kunnen aanbieden (waarbij ten minste een Europees minimaal beschermingsniveau wordt gehanteerd) en dit product overeenkomstig het recht van het „thuisland” in alle andere lidstaten kunnen verkopen. De polishouder zou dan op een minimumbescherming kunnen rekenen ondanks het feit dat hij of zij aan buitenlands recht is onderworpen.

6.3.3

Maar een dergelijke wijziging van het IPR ligt niet voor de hand en is ook niet wenselijk. Ten eerste zou een dergelijke wijziging de consumenten van verzekeringsdiensten de bescherming onthouden die krachtens art. 5 van het Verdrag van Rome wordt geboden; in dit artikel wordt de „passieve” consument beschermd, zelfs in gevallen waarin grote delen van het consumentenrecht worden geharmoniseerd). Ten tweede zouden dwingende bepalingen van het recht van het land van vestiging van de polishouder in rechte worden afgedwongen, met als gevolg dat de werking van de interne markt dus altijd zal worden belemmerd. Ten derde kan een verzekeraar volgens de Verordening betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken een polishouder enkel voor de rechter dagen in het land waar deze laatste is gevestigd (zie art. 12. lid 1, met zeer weinig uitzonderingen); het ligt voor de hand dat als het initiatief bij de polishouder ligt, deze overeenkomstig art. 9, lid 1, sub b voor dezelfde rechter zal kiezen.

6.3.4

Indien het IPR zou worden gewijzigd, zou er dus een situatie ontstaan waarin de bevoegde rechtbanken dus negen van de tien keer buitenlands recht zouden moeten toepassen. Dat zou geschilbeslechting in verzekeringskwesties een stuk lastiger en duurder maken, zelfs indien het verzekeringsrecht zèlf zou worden geharmoniseerd. Deze aanpak is dan ook niet aan te bevelen. Het IPR moet in principe blijven zoals het is en het verzekeringsovereenkomstenrecht moet volledig worden geharmoniseerd. Dat wil echter niet zeggen dat het huidige IPR niet kan worden verbeterd; zo kan „euromobiele” burgers bijvoorbeeld worden toegestaan om, zolang het verzekeringsovereenkomstenrecht niet is geharmoniseerd, te kiezen tussen het recht van het land waarvan zij ingezetene zijn en het recht van het land waarvan zij de nationaliteit hebben.

6.4   Is harmonisatie van het algemeen verbintenissenrecht op de interne verzekeringsmarkt geboden?

6.4.1

Verzekeringsovereenkomstenrecht maakt systematisch deel uit van het algemeen verbintenissenrecht. Rijst de vraag of harmonisatie van het verzekeringsovereenkomstenrecht alleen kan slagen als het complete verbintenissenrecht (of althans het algemene deel daarvan) wordt geharmoniseerd. Dat blijkt niet noodzakelijk te zijn.

6.4.2

Zoals eerder opgemerkt zijn het de dwingende bepalingen die een belemmering vormen voor de interne verzekeringsmarkt en derhalve aan harmonisatie moeten worden onderworpen. Het algemeen verbintenissenrecht is echter per definitie niet dwingend. Er bestaat wèl een aantal dwingende bepalingen. Maar de nationale verschillen tussen die bepalingen zijn niet van dien aard dat de werking van de interne verzekeringsmarkt erdoor wordt verstoord als zij niet worden geharmoniseerd; ook zijn zij niet van doorslaggevende invloed op het verzekeringsproduct zelf.

6.4.3

Er zijn uitzonderingen. Deze uitzonderingen kunnen echter in het kader van de harmonisatie van de verzekeringssector worden aangepakt. Een voorbeeld van dit soort bepalingen is feitelijk al terug te vinden in de richtlijn betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (48), die ook van toepassing is op verzekeringspolissen voor particulieren (49). Met het oog op de interne verzekeringsmarkt dient enkel de werkingssfeer van een Europese verzekeringsovereenkomstrecht te worden uitgebreid tot alle massarisico's.

6.4.4

Deze argumenten beogen niet tegen harmonisatie van het algemene overeenkomstenrecht te pleiten, maar laten de Europese instellingen hierover zelf beslissen. Door harmonisatie van het algemene verbintenissenrecht wordt het in feite wel gemakkelijker om het verzekeringsovereenkomstenrecht te harmoniseren. De hier gepresenteerde argumenten trachten enkel aan te tonen dat harmonisatie van het verzekeringsovereenkomstenrecht alleen al voldoende is om het doel op eigen kracht te bereiken.

6.5   Invoering van een optioneel instrument of harmonisatie van de nationale wetgeving betreffende verzekeringsovereenkomsten?

6.5.1   Het verschil tussen harmonisatie van de nationale wetgeving en een optioneel instrument

6.5.1.1

In het actieplan voor een coherenter Europees verbintenissenrecht wordt de aandacht gevestigd op de mogelijkheid om een optioneel instrument in te voeren in plaats van het nationale verbintenissenrecht te harmoniseren of één te maken. Het belangrijkste verschil tussen beide benaderingen moet worden gezien in het feit dat een optioneel instrument het nationale verbintenissenrecht ongemoeid laat wanneer partijen geen gebruik maken van een opt-in clausule of juist wel van een opt-out clausule, afhankelijk van de aanpak die werd gekozen. Zo ontstaan twee parallelle rechtsstelsels (de Europese en de nationale) en mogen partijen hieruit een keuze maken.

6.5.1.2

Bij harmonisatie of eenmaking van het nationale verbintenissenrecht daarentegen wordt de traditionele opvatting van het nationaal verbintenissenrecht vervangen door een Europese oplossing. Partijen zouden dan niet voor hun nationale of voor het Europese model kunnen kiezen.

6.5.2   Voordelen en nadelen van de twee benaderingen

6.5.2.1

Vanuit het perspectief van de interne verzekeringsmarkt hebben beide oplossingen hetzelfde, duidelijke voordeel: zij nemen de juridische obstakels voor de grensoverschrijdende handel in polissen weg en bieden polishouders de mogelijkheid om zich vrij te bewegen binnen de Unie zonder nadelen te ondervinden van nationale verschillen in verzekeringsovereenkomstenrecht. Daarom is elk van beide mogelijkheden te verkiezen boven de huidige situatie en is de keuze eerder een kwestie van beleid dan van principe.

6.5.2.2

Harmonisatie van het nationale verzekeringsovereenkomstenrecht kan lastiger blijken te zijn dan het gebruik van een optioneel instrument. Aangezien de nationale „tradities” worden vervangen door een Europese oplossing zou in nationale juridische kringen (zowel rechtsbeoefenaars als academici) enige terughoudendheid kunnen ontstaan ten aanzien van een verzoek om harmonisatie.

6.5.2.3

Een ambivalente factor is het verband tussen de mate waarin het nationale recht wordt gehinderd en de snelheid waarmee resultaat wordt geboekt op de interne markt. Een optioneel instrument zet de nationale wetgeving niet buiten spel en kan derhalve worden beschouwd als een gematigde aanpak die dan ook een stuk acceptabeler is voor de markten. Anderzijds bestaat de angst dat een optioneel instrument tot gevolg heeft dat de spelers op de interne markt (bijv. verzekeringsmaatschappijen en makelaars) een afwachtende houding aannemen: niemand wil de spits afbijten en iedereen wacht af tot een ander eerst gaat en men kan leren van de (slechte) ervaringen van de concurrent. Of zou een optioneel instrument worden beschouwd als een pad dat naar kansen leidt en dat iedereen als eerste wil bewandelen, bijv. door de internetverkoop van verzekeringen? Harmonisatie leidt ongetwijfeld tot onmiddellijke resultaten omdat niemand de toepassing ervan kan tegenhouden. Anderzijds kan de inmenging wel als zeer, zo niet té verregaand worden ervaren.

6.5.2.4

Een technisch bezwaar tegen een optioneel instrument heeft te maken met het feit dat het harmonisatie niet volledig kan vervangen. Dit kan gemakkelijk worden aangetoond aan de hand van de verzekering voor wettelijke aansprakelijkheid motorrijtuigen. Harmonisatie van de desbetreffende nationale voorschriften is van groot belang voor de feitelijke mobiliteit van EU-burgers omdat hierdoor de bescherming van slachtoffers van ongevallen wordt gewaarborgd. Het spreekt voor zich dat de bescherming van het slachtoffer niet afhankelijk mag zijn van de keuze van partijen voor een verzekeringsovereenkomst die vóór een Europees instrument is. Een optioneel instrument kan de harmonisatie van de nationale wetgeving inzake verzekeringen voor wettelijke aansprakelijkheid motorrijtuigen dus niet vervangen.

6.5.2.5

Tot slot rijst de vraag of een optioneel instrument wel effect kan sorteren op een terrein als assurantiewetgeving, dat wordt gekenmerkt door een onbalans tussen partijen. Maken partijen een doelmatige keuze of wordt de keuze eenzijdig gemaakt door de verzekeraars via opt-in en opt-out clausules in hun algemene verzekeringsvoorwaarden?

6.5.2.6

Of het doel van een Europees verzekeringsovereenkomstenrecht wordt bereikt via harmonisatie van de nationale wetgeving of via de invoering van een optioneel instrument is niet onze grootste zorg. Wèl moet hierover zorgvuldig worden nagedacht.

6.6   Algemene verzekeringsvoorwaarden voor de hele EU?

6.6.1

Tot slot kan men zich afvragen of harmonisatie van de wetgeving kan worden vervangen door het opstellen van algemene verzekeringsvoorwaarden voor de hele EU. Als dit op grote schaal en met de steun van de EU-instellingen gebeurt, hoeft men zich inderdaad minder zorgen te maken over verzekeraars die rekening moeten houden met de geldende wetgeving in elke lidstaat (hoewel dan nog niet alle zorgen de wereld uit zijn).

6.6.2

Toch zijn de meningen hierover verdeeld. Ten eerste kunnen de algemene Europese voorwaarden weliswaar rekening houden met de verschillen tussen de nationale rechtsstelsels, maar vergen zij toch nog een aparte risicoberekening en kunnen zij nadelig zijn voor de mobiele burger in de EU.

6.6.3

Bovendien zou deze aanpak tot de vaststelling van modelvoorwaarden leiden, wat een ongunstig effect zou hebben op de mededinging op de verzekeringsmarkt. Er zij op gewezen dat een van de belangrijkste stappen op weg naar een interne verzekeringsmarkt bestond in het afschaffen van het recht van lidstaten om systematisch controle uit te oefenen op de algemene verzekeringsvoorwaarden voordat zij op de markt worden geïntroduceerd (50). Een dergelijke controle leidt tot een gebrek aan diversiteit van verzekeringsproducten, een beperkte keuze voor de consument en dus beperkte concurrentie. De vaststelling van algemene Europese verzekeringsvoorwaarden bevat structureel een soortgelijk risico.

7.   Gebieden van harmonisatie

7.1

Hierboven is aangetoond dat het de dwingende bepalingen van het verzekeringsovereenkomstenrecht zijn die moeten worden geharmoniseerd. Blijft de vraag of alle onderdelen van het verzekeringsovereenkomstenrecht of alleen de bijzondere onderdelen moeten worden geharmoniseerd.

7.2

Verzekeringsrecht bestaat doorgaans uit een algemeen gedeelte, dat regels voor alle soorten verzekeringsovereenkomsten bevat, en een bijzonder gedeelte dat specifieke regels voor bepaalde soorten verzekeringen bevat. Het is de vraag of de interne verzekeringsmarkt tot harmonisatie van de algemene bepalingen of van de specifieke bepalingen voor bepaalde soorten verzekeringen of tot harmonisatie van beide noopt.

7.3

In theorie zijn beide nodig: zowel algemene als bijzondere bepalingen van verzekeringsrecht zijn van invloed op het product en belemmeren dientengevolge de werking van de interne verzekeringsmarkt. Zo zijn bijv. de bepalingen inzake promesses, die regelmatig in het algemene gedeelte worden aangetroffen, evenveel van invloed op de risicoverhouding en de premie als bijzondere bepalingen aangaande bijv. een specifieke verzekering als levensverzekeringen. Daarom mag bij harmonisatie in principe geen onderscheid worden gemaakt tussen deze twee soorten bepalingen.

7.4

Harmonisatie kan echter stapsgewijs worden bereikt. In dat geval moet een lijst met prioriteiten worden opgesteld. Harmonisatie van het algemene gedeelte lijkt voor de hand te liggen. Voor veel soorten verzekeringen gelden, volgens de huidige nationale regels aangaande verzekeringsovereenkomsten, geen specifieke en dwingende bepalingen maar enkel algemene bepalingen. Het meest urgent is dus de harmonisatie van de algemene dwingende bepalingen (51) van verzekeringsovereenkomstenrecht. Door deze harmonisatie zou meteen een interne verzekeringsmarkt ontstaan voor alle soorten verzekeringen waarvoor geen bepalingen van bijzonder dwingend recht gelden. Zodra dit een feit is, moet de gereguleerde sector, zoals levens- en ziektekostenverzekeringen, ook worden geharmoniseerd.

7.5

Het soort bepalingen dat voor harmonisatie in dit eerste stadium in aanmerking komt:

a)

verplichtingen voorafgaand aan de overeenkomst, voornamelijk informatieverstrekking;

b)

totstandkoming overeenkomst;

c)

verzekeringspolis, aard, gevolgen en formele vereisten;

d)

looptijd van de overeenkomst, verlenging en beëindiging;

e)

verzekeringsmakelaars;

f)

risicoverzwaring;

g)

verzekeringspremie;

h)

verzekerd object;

i)

verzekering ter wille van derden.

8.   Conclusies en aanbevelingen

8.1

Verzekeringen maken tegenwoordig deel uit van het basisdienstenpakket in de handelsbetrekkingen tussen bedrijven onderling en tussen bedrijven en consumenten.

8.2

De nationale rechtsstelsels van de EU-lidstaten lopen uiteen voor wat betreft een aantal fundamentele beginselen betreffende de totstandkoming en geldigheid van algemene verzekeringsovereenkomsten.

8.3

Deze situatie leidt ertoe dat de grensoverschrijdende handel in dit financiële instrument wordt afgeremd en dat, dientengevolge, de totstandbrenging van de interne markt op dit gebied wordt belemmerd.

8.4

Door de dwingende bepalingen van het zogeheten „algemene gedeelte” van het verzekeringsrecht tot op zekere hoogte te harmoniseren kan een doorslaggevende bijdrage worden geleverd tot het uit de weg ruimen van een groot aantal obstakels en moeilijkheden die door de verzekeringsmaatschappijen, assurantiemakelaars en particuliere of institutionele verzekeringnemers worden ondervonden bij hun grensoverschrijdende verzekeringstransacties.

8.5

Dit standpunt wordt zonder uitzondering gedeeld door alle belanghebbenden die over dit onderwerp zijn geraadpleegd en gehoord.

8.6

Deze harmonisering wordt bij voorkeur geleidelijk doorgevoerd; daarbij wordt in een eerste fase een eventuele, optionele modelovereenkomst voor verzekeringen voorgesteld, die evenwel bindend is in al haar voorwaarden en onderdelen.

8.7

Hierbij moet rekening worden gehouden met de richtlijnvoorstellen van de Commissie uit 1979 en 1980, alsook met de desbetreffende overwegingen en opmerkingen van de vele belanghebbenden, vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en de regelgevingsinstanties van de lidstaten; ook moet terdege aandacht worden besteed aan de ontwikkelingen die zich ondertussen in de sector hebben voltrokken.

8.8

Het aangewezen communautair instrument is een verordening; als rechtsgrondslag moet artikel 95 van het Verdrag worden genomen.

8.9

Naar aanleiding van de overwegingen in dit advies verzoekt het Comité de Commissie om het onderhavige dossier te heropenen en een rechtsvergelijkend onderzoek in te stellen naar de nationale praktijken op het gebied van verzekeringsovereenkomsten ten einde vast te stellen of harmonisatie van het verzekeringsovereenkomstenrecht op Europees niveau noodzakelijk, opportuun dan wel mogelijk is.

8.10

De Commissie dient hierbij oog te hebben voor de resultaten van reeds verricht wetenschappelijk onderzoek op dit terrein.

8.11

Het Comité beveelt de Commissie aan, bekendheid te geven aan de genoemde werkzaamheden en deze aan een maatschappelijke discussie te onderwerpen via met name een groenboek, als onmisbare basis voor het communautaire instrument dat hiervoor het meest geschikt wordt geacht.

8.12

Het Comité is zich ervan bewust dat enkel indien de lidstaten een duidelijke politieke bereidheid aan de dag leggen om deze inspanning tot harmonisatie van het verzekeringsovereenkomstenrecht te stimuleren, een belangrijke bijdrage kan worden geleverd aan de totstandbrenging van de interne markt voor financiële diensten.

8.13

Het Comité doet een beroep op het Europees Parlement om zich bij dit initiatief aan te sluiten en, aangezien het voorstander is van een harmonisatie van de dwingende bepalingen van het algemene gedeelte van het verzekeringsovereenkomstenrecht, hieraan de nodige prioriteit toe te kennen op zijn politieke agenda.

Brussel, 15 december 2004.

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

A.-M. SIGMUND


(1)  Rapporteur: de heer ATAÍDE FERREIRA, (PB C 95 van 30 maart 1998)

(2)  COM(79) 355 def., PB C 190 van 28 juli 1979, gewijzigd bij COM(80) 854 def., PB C 355 van 31 december 1980; de adviezen van EESC en EP werden gepubliceerd in resp. PB C 146 van 16 juni 1980 en C 265 van 13 oktober 1980. Deze documenten worden in hoofdstuk 5 van dit advies besproken.

(3)  Op. cit. par. 2.1.9

(4)  Idem par. 2.3.1.1.1

(5)  Idem par. 3.4

(6)  Idem par. 3.6.1

(7)  Idem par. 4.3.6

(8)  Aspecten waarvan werd gevonden dat ze in de richtlijn zouden moeten worden opgenomen:

„-

de informatie die vóór het sluiten van de overeenkomst minimaal moet worden verstrekt;

een lijst met sleutelbegrippen en de betekenis ervan;

een lijst met misleidende standaardbepalingen in verzekeringen;

wat er minimaal in iedere verzekeringsovereenkomst moet worden vermeld;

de contractuele verplichtingen die in iedere verzekeringsovereenkomst moeten staan;

de basisbeginselen en uitgangspunten van iedere verzekeringsovereenkomst;

een regeling voor voorlopige schadeloosstelling ingeval van wettelijke-aansprakelijkheidsverzekeringen;

het feit dat de premie in verhouding moet staan tot de waarde van het gedekte risico, d.w.z. dat bij een automatische waardedaling van het verzekerde object wegens ouderdom de premie naar evenredigheid moet afnemen;

invoering van geharmoniseerde, minimale „bedenktijden”;

de polissen moeten leesbaar en begrijpelijk zijn en de consument moet over een exemplaar van de algemene en specifieke voorwaarden kunnen beschikken voordat hij of zij in onderhandeling treedt en een verzekering afsluit.”

Idem par. 4.5. Het Comité heeft dit standpunt in latere adviezen meerdere malen bevestigd, zoals in het advies over het „Voorstel van de Commissie voor een richtlijn betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven”, par. 4.3, PB C 95 van 23 april 2003.

(9)  „ECLG – Consumer Insurance” in: Journal of Consumer Policy (1986), blz. 205-228.

(10)  Nota van het EAC van 4 juni 2003.

(11)  COM(2001) 398 def. van 11 juli 2001 (PB C 255 van 13 september 2001).

(12)  COM(2003) 68 def. van 12 februari 2003.

(13)  Zie het Actieplan: punt 74, alsook de punten 27, 47 en 48.

(14)  A5-0256/2003, goedgekeurd tijdens de EP-zitting van 2 september 2003, punten 11 en 14.

(15)  HvJ 4-12-1986, Rep. 1986, blz. 3755 (Commissie/Duitsland).

(16)  Rechterlijke bevoegdheden: Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PB L 12 van 2001, blz. 1 (laatste wijziging: PB L 225 van 2002, blz. 13), artt. 8-14; Internationaal privaatrecht: Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst van 19 juni 1980, PB L 166 van 1980, met name artikel 1, leden 3 en 4; Richtlijnen: Tweede Richtlijn 88/357/EEG van de Raad van 22 juni 1988 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, tot vaststelling van de bepalingen ter bevordering van het vrij verrichten van diensten en houdende wijziging van Richtlijn 73/239/EEG (PB L 172 van 1980, blz. 1, laatste wijziging: PB L 228 van 1992, blz. 1), met name artikel 2, onder c) en d), en de artikelen 3, 5, 7 en 8; Derde Richtlijn 92/49/EEG van de Raad van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG (Derde Richtlijn schadeverzekering), PB L 228 van 1992 (laatste wijziging: PB L 35 van 2003, blz. 1), met name artikel 1, onder a) en b) en de artikelen 27, 28, 30 en 31; Richtlijn 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende levensverzekering, PB L 345 van 2002, blz. 1, met name de artikelen 32 en 33; voor het in richtlijnen vastgelegde IPR zie Reichert-Facilides/d'Oliveira (eds.), „International Insurance Contract Law in the EC”, Deventer 1993; Reichert-Facilides (eds.), „Aspekte des internationalen Versicherungsvertragsrecht im EWR”, Tübingen 1994.

(17)  Richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgeving der Lid-Staten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verplichting van de verzekering tegen deze aansprakelijkheid, PB L 103 van 1972, blz. 1 (laatste wijziging: PB L 8 van 1984, blz. 17); Tweede Richtlijn 84/5/EEG van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de verzekering van de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, PB L 8 van 1984, blz. 17 (laatste wijziging: PB L 129 van 1990, blz. 33); Derde Richtlijn 90/232/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de verzekering van de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, PB L 129 van 1990, blz. 33; Richtlijn 2000/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 mei 2000 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de verzekering van de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en houdende wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG van de Raad (Vierde Richtlijn motorrijtuigenverzekeringen), PB L 181 van 2000, blz. 65; op 7 juni 2002 werd door de Commissie een een vijfde richtlijn voorgesteld (COM(2002) 244 def., PB C 227 E van 24-9-2002, blz. 387.

(18)  Richtlijn 87/344/EEG van de Raad van 22 juni 1987 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de rechtsbijstandverzekeringn, PB L 185 van 1987, blz. 77.

(19)  Zie par. 4.1.2

(20)  Zie EUROSTAT.

(21)  Deze zijn absoluut dwingend wanneer partijen er niet van mogen afwijken, en relatief dwingend wanneer partijen mogen besluiten tot clausules die gunstiger voor de consument zijn dan de wettelijke voorschriften.

(22)  PB C 63 van 2003, blz. 1, zie de punten 9, 47 en 48: „Dezelfde problemen stellen zich vooral bij verzekeringsovereenkomsten”.

(23)  Zie noot 20 voor het volledige artikel.

(24)  Idem

(25)  Zie artikel 2, onder d, van de Tweede Richtlijn en artikel 1, lid 1, onder g) van de Levensverzekeringsrichtlijn.

(26)  Zie artikel 7, lid 1, onder f, van de Tweede Richtlijn (zoals gewijzigd bij artikel 27 van de Derde Richtlijn; voor de definitie van grote risico's zie artikel 5, onder d en i, van de Eerste Richtlijn.

(27)  Zie artikel 7, lid 1, onder a en d, van de Tweede Richtlijn.

(28)  Zie artikel 7, lid 1, onder b, c en e, van de Tweede Richtlijn.

(29)  Zie artikel 32, lid 1, onder 2, van de Levensverzekeringsrichtlijn

(30)  Zie artikel 32, lid 2, van deze Richtlijn.

(31)  Zie de par. 9 en 48 van het Actieplan van de Commissie (PB C 63 van 15-3-2003, blz. 1): „Het opstellen van één polis die onder dezelfde voorwaarden kan worden aangeboden op de verschillende Europese markten is in de praktijk onmogelijk gebleken.”

(32)  Hoewel dit over het algemeen geen afbreuk aan het toepasselijk recht zal doen, kunnen (internationaal) dwingende regels worden toegepast door de rechter van de nieuwe lidstaat van verblijf. Overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder b, van Verordening 44/2001 (de Executieverordening) kan verzekerde verzekeraar in zijn (nieuwe) lidstaat van vestiging in rechte betrekken. Krachtens artikel 7, lid 2, onder 2, van de Tweede Richtlijn en artikel 32, lid 4, onder 1 van de Levensverzekeringsrichtlijn (dwingende regels betreffende de lex fori) kan de rechter van die lidstaat dwingend recht toepassen.

(33)  Zie noot 20.

(34)  Toch kan verzekeraar dit vermijden door een in de artikelen 13, lid 5, juncto 14, i, onder 5, van de Verordening Brussel I toegestane rechtsmachtsclausule in te bouwen waarin de rechter van zijn lidstaat van vestiging exclusief bevoegd wordt verklaard. Al met al heeft de verzekeraar meer mogelijkheden wanneer het om grote risico's gaat.

(35)  Zie hieronder, par. 4.2.4

(36)  Zie hierboven, par. 4.2.3

(37)  Basedow, „Die Gesetzgebung zum Versicherungsvertrag zwischen europäischer Integration und Verbraucherpolitik”, in: Reichert-Facilides/Schnyder (Hg.), „Versicherungsrecht in Europa – Kernperspektiven am Ende des 20. Jahrhunderts”, ZSR 2000 (Beiheft 34) 13-30 (blz. 20)

(38)  Richtlijn 2002/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 december 2002 betreffende verzekeringsbemiddeling; PB L 9 van 15-1-2003, blz. 3.

(39)  Zie Heiss, „Expanding the Insurance Acquis to Accession Candidates: From the Europe Agreements to Full Membership” in: Heiss (ed.), „An Internal Insurance Market in an Enlarged European Union”, Karlsruhe 2002, blz. 11-22.

(40)  COM(79) 355 def. van 10 juli 1979, PB C 190 van 28 juli 1979, blz. 2.

(41)  PB van 15 januari 1962, titel V, C) a).

(42)  Voorgesteld werd om met name het volgende te harmoniseren:

a)

de formele structuur van de polis;

b)

het recht op een dekkingsverklaring bij het sluiten van de overeenkomst en de formele minimumvereisten;

c)

de taal waarin de overeenkomst is gesteld;

d)

de verplichting van de verzekeringnemer om bij het sluiten van de overeenkomst opgave te doen van alle omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de beoordeling en de aanvaarding van het risico, en de gevolgen van niet-nakoming van deze verplichting of van een vergissing;

e)

de verplichting van de verzekeringnemer om tijdens de looptijd van de overeenkomst opgave te doen van feiten of omstandigheden die het risico kunnen verhogen, en de gevolgen van niet-nakoming van deze verplichting;

f)

de regeling van de bewijslast bij niet-nakoming van deze verplichtingen;

g)

premieverlaging bij risicodaling;

h)

de gevolgen van het feit dat gedurende de looptijd van de overeenkomst de premie geheel of gedeeltelijk niet wordt betaald;

i)

de verplichtingen van verzekeringnemer in geval van schade;

j)

opzegging;

k)

de mogelijkheid voor partijen om van de bepalingen van de richtlijn af te wijken, mits zulks in het voordeel is van de verzekeringnemer, de verzekerde of een schadelijdende derde.

Het voorstel zou van toepassing zijn op alle soorten verzekeringen, met uitzondering van levensverzekeringen en, vanwege een aantal specificiteiten:

a)

rollend spoormaterieel;

b)

luchtvaartuigen;

c)

zee- en binnenschepen;

d)

vervoerde goederen;

e)

wettelijke aansprakelijkheid voor luchtvaartuigen en zee- en binnenschepen;

f)

krediet en borg.

(43)  Rapporteur: de heer DE BRUYN (PB C 146 van 16 juni 1980).

(44)  PB C 265 van 13 oktober 1980.

(45)  COM(80) 854 def. van 15 december 1980, PB C 355 van 31 december 1980.

(46)  Noemenswaardige punten in het nieuwe voorstel van de Commissie waren met name:

a)

de uitsluiting van de ziekteverzekering, zoals voorgesteld door het EESC;

b)

een gedetailleerde uitwerking van de opzeggingsprocedure, waarbij relatief veel aandacht wordt besteed aan de mogelijke instandhouding van gewijzigde overeenkomsten t.o.v. de eenvoudige beëindiging ervan;

c)

een betere formulering van de bewijsvoering.

(47)  Zie Basedow/Fock (ed.), „Europäisches Versicherungsvertragsrecht”, Tübingen, delen I en II 2002, deel III 2003; Reichert-Facilides (ed), „Insurance Contracts” in: International Encyclopedia of Comparative Law (binnenkort).

(48)  Richtlijn van de Raad 93/13/EEG van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB L 95 van 21-4-1993, blz. 29).

(49)  Desgewenst kan een aparte lijst met oneerlijke bedingen die kenmerkend zijn voor de verzekeringsovereenkomst worden ingevoegd; zie het initiatiefadvies van het EESC over „De consument en de verzekeringsmarkt” (CES 116/98 van 19-1-1998) en de studie die in opdracht van de Commissie (contract AO-2600/93/009263) door het Centre de Droit de la Consommation van de universiteit van Montpellier werd gecoördineerd mbt oneerlijke bedingen in bepaalde verzekeringsbranches, in navolging van wat recentelijk door de Commissie werd voorgesteld voor consumentenkrediet (COM (2002) 443 def.).

(50)  Zie art. 29 van de Derde richtlijn schadeverzekeringen; art. 34 Richtlijn levensverzekeringen.

(51)  Veel specifieke branchegerichte bepalingen in nationale verzekeringsovereenkomstrecht zijn aanvullend en vormen dus geen obstakel voor de interne markt.